Language of document : ECLI:EU:C:2017:913

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

29 november 2017 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van de wetgevingen – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Artikel 5, lid 2, onder b) – Uitzondering voor kopieën voor privégebruik – Artikel 3, lid 1 – Mededeling aan het publiek – Specifieke technische werkwijze – Verrichting van een dienst voor video-opname in de cloud (cloud computing) van kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken zonder toestemming van de betrokken auteur – Actieve tussenkomst bij die opname door de aanbieder van de dienst”

In zaak C‑265/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale di Torino (rechter in eerste aanleg Turijn, Italië) bij beslissing van 4 mei 2016, ingekomen bij het Hof op 12 mei 2016, in de procedure

VCAST Limited

tegen

RTI SpA,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, J. Malenovský (rapporteur), M. Safjan, D. Šváby en M. Vilaras, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 maart 2017,

gelet op de opmerkingen van:

–        VCAST Limited, vertegenwoordigd door E. Belisario, F. G. Tita, M. Ciurcina en G. Scorza, avvocati,

–        RTI SpA, vertegenwoordigd door S. Previti, G. Rossi, V. Colarocco, F. Lepri en A. La Rosa, avvocati,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Galluzzo en R. Guizzi, avvocati dello Stato,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas en D. Segoin als gemachtigden,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, M. Figueiredo en T. Rendas als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Malferrari en J. Samnadda als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 september 2017,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10), met name van artikel 5, lid 2, onder b), richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB 2000, L 178, blz. 1), en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen VCAST Limited en RTI SpA over de wettelijkheid van de terbeschikkingstelling aan de klanten van VCAST van een systeem voor video-opname in de cloud, van met name door RTI uitgezonden televisie-uitzendingen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 2000/31

3        Artikel 3, lid 2, van richtlijn 2000/31 luidt:

„De lidstaten mogen het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd, niet beperken om redenen die vallen binnen het gecoördineerde gebied.”

4        Artikel 3, lid 3, van richtlijn 2000/31 bepaalt dat met name artikel 3, lid 2, van die richtlijn niet van toepassing is op de in de bijlage bij die richtlijn genoemde gebieden. Die bijlage ziet met name op auteursrechten en naburige rechten.

 Richtlijn 2001/29

5        Overweging 1 van richtlijn 2001/29 luidt als volgt:

„Het Verdrag voorziet in de totstandbrenging van een interne markt en in de invoering van een regeling waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst. De harmonisatie van de wetgeving van de lidstaten inzake het auteursrecht en de naburige rechten draagt bij tot het bereiken van deze doelstellingen.”

6        Overweging 23 van deze richtlijn luidt als volgt:

„Deze richtlijn moet het recht van de auteur van mededeling van werken aan het publiek verder harmoniseren. Aan dit recht moet een ruime betekenis worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan. Dit recht dient zich uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Dit recht heeft geen betrekking op enige andere handeling.”

7        Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van:

a)      auteurs, met betrekking tot hun werken;

b)      uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen;

c)      producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen;

d)      producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films, en

e)      omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen.

in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.”

8        Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 luidt:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.”

9        Artikel 5, lid 2, onder b), van deze richtlijn bepaalt:

„De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op het in artikel 2 bedoelde reproductierecht stellen ten aanzien van:

[...]

b)      de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen waarbij rekening wordt gehouden met het al dan niet toepassen van de in artikel 6 bedoelde technische voorzieningen op het betrokken werk of het betrokken materiaal”.

10      Artikel 5, lid 5, van die richtlijn luidt:

„De in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde beperkingen en restricties mogen slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.”

 Italiaans recht

11      Artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 is in Italiaans recht omgezet bij artikel 71 sexies van legge n. 633 – Protezione del diritto d’autore e di altri diritti connessi al suo esercizio (wet nr. 633 betreffende de bescherming van het auteursrecht en andere naburige rechten) van 22 april 1941, in de ten tijde van de feiten in het hoofdgeding geldende versie (hierna: „wet betreffende het auteursrecht”). Dit artikel 71 sexies, dat is opgenomen in afdeling II van die wet, met als opschrift „Reproductie door een natuurlijke persoon voor privégebruik”, bepaalt:

„1.      Privékopieën van fonogrammen en videogrammen, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon uitsluitend voor privégebruik gemaakt, zijn toegestaan, mits zonder winstoogmerk of enig direct of indirect commercieel oogmerk en met inachtneming van de technische voorzieningen van artikel 102 quater.

2.      Reproductie als bedoeld in lid 1 mag niet door derden worden verricht. De verrichting van diensten die de reproductie van fonogrammen en videogrammen door natuurlijke personen voor privégebruik mogelijk maakt, vormt reproductie waarop de artikelen 13, 72, 78 bis, 79 en 80 van toepassing zijn.

[...]”

12      Artikel 71 septies van de wet betreffende het auteursecht bepaalt:

„1.      Auteurs en producenten van fonogrammen en oorspronkelijke producenten van audiovisuele werken, uitvoerend kunstenaars, producenten van videogrammen en hun rechtsopvolgers hebben recht op een compensatie voor kopieën van fonogrammen en videogrammen voor privégebruik als bedoeld in artikel 71 sexies. Voor apparaten die uitsluitend bestemd zijn voor analoge of digitale opname van fonogrammen of videogrammen bestaat deze compensatie in een deel van de prijs die de eindgebruiker aan de verkoper heeft betaald, welke voor multifunctionele apparaten wordt berekend op grond van de prijs van een apparaat met gelijkwaardige eigenschappen als die van het interne, voor opname bestemde onderdeel of, indien dit niet mogelijk is, in een vast bedrag per apparaat. Voor dragers van geluids- en beeldopnamen, zoals analoge en digitale dragers en vaste of uitneembare geheugens die bestemd zijn voor opname van fonogrammen of videogrammen, bestaat de compensatie in een bedrag dat in verhouding staat tot de opnamecapaciteit van deze dragers. Voor video-opnamesystemen op afstand dient de in dit lid bedoelde compensatie te worden betaald door degene die de dienst verricht. Zij is evenredig aan de compensatie die voor deze dienst is ontvangen.

2.      De compensatie als bedoeld in lid 1 wordt, in overeenstemming met de communautaire regelgeving en rekening houdend met de reproductierechten, vastgesteld bij decreet van de minister van Cultuur, dat uiterlijk 31 december 2009 dient te worden vastgesteld na raadpleging van het in artikel 190 bedoelde comité en van de meest representatieve brancheorganisaties van fabrikanten van de in lid 1 bedoelde apparatuur en dragers. Om de compensatie te bepalen, wordt rekening gehouden met de aanwezigheid dan wel afwezigheid van de in artikel 102 quater bedoelde technische maatregelen en met het verschil in gevolg tussen een digitale kopie en een analoge kopie. Dit decreet wordt elke drie jaar geactualiseerd.

[...]”

13      Artikel 102 quater van de wet betreffende het auteursrecht bepaalt:

„1.      Houders van auteursrechten, naburige rechten en het recht bedoeld in artikel 102 bis, lid 3, mogen ten aanzien van beschermde werken of materiaal technische voorzieningen toepassen die technologie, inrichtingen of onderdelen omvatten die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen die niet zijn toegestaan door de rechthebbenden.

2.      Technische voorzieningen worden geacht ,doeltreffend’ te zijn indien het gebruik van een beschermd werk of ander beschermd materiaal wordt gecontroleerd door de rechthebbenden door toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocedé zoals encryptie, versluiering of een andere transformatie van het werk of ander materiaal of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming biedt.

3.      Het onderhavige artikel laat de toepassing van de bepalingen inzake computerprogramma’s bedoeld in titel I, hoofdstuk IV, deel VI, onverlet.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14      VCAST is een vennootschap naar Engels recht die op internet aan haar klanten een systeem ter beschikking stelt voor video-opname in gegevensopslagruimte in de cloud, van terrestrisch uitgezonden programma’s van Italiaanse televisieomroepen, waaronder die van RTI.

15      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de gebruiker in de praktijk op de website van VCAST een uitzending kiest uit het gehele aanbod van televisiekanalen die onder de door die vennootschap verrichte dienst vallen. De gebruiker kan hetzij een concrete uitzending kiezen, hetzij een tijdvak. Het door VCAST beheerde systeem ontvangt vervolgens het televisiesignaal met behulp van zijn eigen antennes en neemt het gekozen tijdvak op in de door de gebruiker in de cloud aangegeven gegevensopslagruimte. Die gegevensopslagruimte wordt door de gebruiker bij een andere dienstverrichter gekocht.

16      VCAST heeft RTI gedagvaard voor de gespecialiseerde kamer voor ondernemingsrecht van de Tribunale di Torino (rechter in eerste aanleg Turijn, Italië), met het verzoek haar activiteiten wettig te verklaren.

17      In de loop van het geding heeft die rechter bij beschikking in kort geding van 30 oktober 2015 een verzoek in kort geding van RTI gedeeltelijk gegrond verklaard en VCAST in wezen verboden haar activiteiten voort te zetten.

18      Van oordeel dat de oplossing van het hoofdgeding gedeeltelijk afhangt van de uitlegging van het Unierecht, met name van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, heeft de Tribunale di Torino de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Is een nationale regeling die een commerciële ondernemer verbiedt om aan particulieren de dienst aan te bieden van het zonder toestemming van de rechthebbende op afstand als video opslaan van privékopieën van auteursrechtelijk beschermde werken met behulp van het zogenoemde cloud computing, waartoe hij actief bijdraagt, verenigbaar met het Unierecht, meer bepaald met artikel 5, lid 2, onder b), van [richtlijn 2001/29] (alsmede met [richtlijn 2000/31] en het oprichtingsverdrag)?

2)      Is een nationale regeling die een commerciële ondernemer toestaat om aan particulieren de dienst aan te bieden van het zonder toestemming van de rechthebbende op afstand als video opslaan van privékopieën van auteursrechtelijk beschermde werken met behulp van het zogenoemde cloud computing, waartoe hij actief bijdraagt, mits aan de rechthebbende een forfaitaire vergoeding wordt betaald, hetgeen in wezen neerkomt op een regeling van verplichte licenties, verenigbaar met het Unierecht, meer bepaald met artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn [2001/29] (alsmede met [richtlijn 2000/31] en het oprichtingsverdrag)?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Opmerkingen vooraf

19      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter bij beschikking in kort geding voorzieningen heeft getroffen die VCAST voorlopig verbieden de door haar verrichte activiteit voort te zetten.

20      De verwijzende rechter heeft het Hof echter twee prejudiciële vragen gesteld over die activiteit met twee verschillende uitgangspunten. Het ene gaat ervan uit dat een nationale wettelijke regeling die activiteit verbiedt, het andere gaat er juist van uit dat zij is toegestaan.

21      Uit die overwegingen kan aldus worden afgeleid dat niet vaststaat dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling een dergelijke activiteit inderdaad verbiedt.

22      Bijgevolg zal het Hof, teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, die twee vragen samen beantwoorden, met als uitgangspunt dat een nationale wettelijke regeling een activiteit als aan de orde in het hoofdgeding toestaat.

23      Bovendien zij vastgesteld dat de verwijzende rechter van het Hof wenst te vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling verenigbaar is met het Unierecht en daarbij niet alleen naar artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 verwijst, maar ook naar richtlijn 2000/31 en het „oprichtingsverdrag”.

24      Zoals de advocaat-generaal in punt 19 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zou in dit geval van richtlijn 2000/31 eventueel artikel 3, lid 2, van toepassing kunnen zijn, dat de lidstaten verbiedt om het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden verricht, te beperken. Volgens artikel 3, lid 3, van die richtlijn vallen beperkingen die voortvloeien uit de bescherming van het auteursrecht en de naburige rechten echter niet binnen de werkingssfeer van dat verbod.

25      Daaruit volgt dat de bepalingen van richtlijn 2000/31 niet van toepassing zijn in een zaak als die in het hoofdgeding, die het auteursrecht en de uitzonderingen daarop betreft.

26      Wat de prejudiciële vragen betreft voor zover zij over het „Verdrag” gaan, zij eraan herinnerd dat het vaste rechtspraak van het Hof is dat wanneer op Unieniveau een geharmoniseerde regeling voor een bepaalde materie is getroffen, de daarop betrekking hebbende nationale regelingen aan de bepalingen van deze harmonisatiemaatregel worden getoetst (zie met name arresten van 13 december 2001, DaimlerChrysler, C‑324/99, EU:C:2001:682, punt 32; 24 januari 2008, Roby Profumi, C‑257/06, EU:C:2008:35, punt 14, en 1 oktober 2009, HSBC Holdings en Vidacos Nominees, C‑569/07, EU:C:2009:594, punt 26).

27      Opgemerkt zij dat een van de doelstellingen van richtlijn 2001/29, zoals blijkt uit overweging 1 ervan, de harmonisatie is van de wetgeving van de lidstaten inzake het auteursrecht en de naburige rechten teneinde bij te dragen tot de doelstelling van de totstandbrenging van een interne markt.

28      Daarom hoeven de prejudiciële vragen niet te worden beantwoord in het licht van het VWEU.

29      Bijgevolg moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn vragen in wezen wenst te vernemen of richtlijn 2001/29, met name artikel 5, lid 2, onder b), in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die een commerciële onderneming toestaat aan particulieren de dienst aan te bieden van het zonder toestemming van de rechthebbende door middel van een informaticasysteem op afstand in de cloud opslaan van privékopieën van auteursrechtelijk beschermde werken, waarbij zij actief tussenkomt bij de opname.

 Antwoord van het Hof

30      Krachtens artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 kunnen de lidstaten beperkingen of restricties op het reproductierecht stellen ten aanzien van de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk.

31      Artikel 5, lid 5, van die richtlijn bepaalt bovendien dat de in met name artikel 5, lid 2, van die richtlijn bedoelde beperkingen en restricties slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.

32      Wat artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 betreft, moet allereerst in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof bepalingen van een richtlijn die afwijken van een bij diezelfde richtlijn vastgesteld algemeen beginsel, strikt moeten worden uitgelegd (arrest van 10 april 2014, ACI Adam e.a., C‑435/12, EU:C:2014:254, punt 22 en aldaar aangehaald rechtspraak). Bijgevolg moet dit artikel 5, lid 2, onder b), op deze wijze worden uitgelegd.

33      Het Hof heeft ook geoordeeld dat het maken van een kopie voor privégebruik door een natuurlijk persoon moet worden beschouwd als een handeling die de betrokken rechthebbende kan benadelen aangezien zij wordt gemaakt zonder vooraf toestemming te vragen aan die rechthebbende (zie in die zin arrest van 21 oktober 2010, Padawan, C‑467/08, EU:C:2010:620, punten 44‑46).

34      Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 weliswaar aldus moet worden begrepen dat de uitzondering voor kopieën voor privégebruik de rechthebbende verbiedt zijn uitsluitende recht om reproducties toe te staan of te verbieden uit te oefenen tegenover personen die privékopieën van zijn werken vervaardigen, maar dat die bepaling niet aldus moet worden begrepen dat zij, bovenop deze uitdrukkelijk vastgelegde beperking, aan de houder van het auteursrecht de verplichting oplegt om de inbreuken op zijn rechten te gedogen waarmee de vervaardiging van privékopieën gepaard kan gaan (zie in die zin arrest van 10 april 2014, ACI Adam e.a., C‑435/12, EU:C:2014:254, punt 31).

35      Ten slotte blijkt uit de rechtspraak dat, om zich op artikel 5, lid 2, onder b), te kunnen beroepen, het niet noodzakelijk is dat de betrokken natuurlijke personen de installaties, apparaten of dragers bezitten waarmee de reproducties worden gemaakt. Zij kunnen ook een reproductiedienstverlening van derden ontvangen die de noodzakelijke feitelijke premisse vormt die deze natuurlijke personen toestaat privékopieën te verkrijgen (zie in die zin arrest van 21 oktober 2010, Padawan, C‑467/08, EU:C:2010:620, punt 48).

36      Het is in het licht van de voornoemde rechtspraak dat moet worden nagegaan of een dienst als die in het hoofdgeding, waarvan de relevante elementen in de punten 14 en 15 van dit arrest worden omschreven, onder artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 valt.

37      In dat verband zij vastgesteld dat de verrichter van die dienst zich niet beperkt tot het organiseren van de reproductie, maar bovendien, met het oog op hun reproductie, toegang levert tot de uitzendingen van bepaalde televisiekanalen die op afstand kunnen worden opgenomen. Het staat aldus aan de individuele klanten om de op te nemen uitzendingen te kiezen.

38      In die zin heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde dienst een dubbele functie, namelijk het maken van de reproductie en het ter beschikking stellen van de betrokken werken en voorwerpen.

39      De uitzondering voor kopieën voor privégebruik impliceert weliswaar dat de rechthebbende zijn uitsluitend recht om door natuurlijke personen gemaakte privékopieën toe te staan of te verbieden niet mag uitoefenen in de in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 vastgestelde omstandigheden, maar de vereiste van een strikte uitlegging van die uitzondering impliceert dat deze rechthebbende daardoor niet het recht verliest om de toegang te verbieden of toe te staan tot de werken of ander materiaal waarvan die personen privékopieën wensen te maken.

40      Uit artikel 3 van richtlijn 2001/29 blijkt immers dat elke mededeling aan het publiek, met inbegrip van de beschikbaarstelling van beschermde werken of andere voorwerpen, door de rechthebbende moet worden toegestaan, aangezien, zoals uit overweging 23 van die richtlijn volgt, het recht van mededeling van werken aan het publiek ruim moet worden opgevat. Het omvat elke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending.

41      In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat het begrip „mededeling aan het publiek” twee cumulatieve elementen met elkaar verbindt, namelijk een „handeling bestaande in een mededeling” van een werk en de mededeling ervan aan een „publiek” (arrest van 31 mei 2016, Reha Training, C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 37).

42      Na deze precisering dient wat, ten eerste, het begrip „handeling bestaande in een mededeling” betreft, te worden benadrukt dat elke doorgifte van beschermde werken daaronder valt, ongeacht het gebruikte technische middel of procedé (arrest van 31 mei 2016, Reha Training, C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 38).

43      Voorts moet elke doorgifte of wederdoorgifte van een werk waarbij een specifieke technische werkwijze wordt gebruikt, in beginsel individueel worden toegestaan door de auteur van het betrokken werk (arrest van 31 mei 2016, Reha Training, C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 39).

44      Ten tweede is, wil er sprake zijn van een „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, tevens vereist, zoals in punt 41 van dit arrest in herinnering is gebracht, dat de beschermde werken daadwerkelijk worden meegedeeld aan een „publiek” (arrest van 31 mei 2016, Reha Training, C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 40).

45      In dit verband blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het begrip „publiek” op een onbepaald aantal potentiële ontvangers ziet en bovendien een vrij groot aantal personen impliceert (arrest van 31 mei 2016, Reha Training, C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 41).

46      In de onderhavige zaak neemt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verrichter van diensten de omroepuitzendingen op en stelt hij ze via internet ter beschikking van zijn klanten.

47      In de eerste plaats is duidelijk dat het geheel van de door die dienstverrichter geviseerde personen een „publiek” vormt in de zin van de in punt 45 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

48      In de tweede plaats gebeuren de originele doorgifte door de radio-omroep enerzijds, en de doorgifte door de verrichter van de diensten als aan de orde in het hoofdgeding anderzijds, onder specifieke technische omstandigheden en op een andere manier en is elk van die doorgiften op een eigen publiek gericht (zie in die zin arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a., C‑607/11, EU:C:2013:147, punt 39).

49      De vermelde uitzendingen zijn dus verschillende mededelingen aan het publiek. Bijgevolg moeten de betrokken rechthebbenden voor elk van die uitzendingen hun toestemming geven.

50      Bijgevolg moet niet meer worden onderzocht of het door deze mededelingen geviseerde publiek identiek is en, zo nodig, of het door de verrichter van de diensten als aan de orde in het hoofdgeding geviseerde publiek een nieuw publiek is (zie in die zin arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a., C‑607/11, EU:C:2013:147, punt 39).

51      Hieruit volgt dat zonder toestemming van de rechthebbende, het maken van kopieën van werken door middel van een dienst als aan de orde in het hoofdgeding, de rechten van die rechthebbende in het gedrang kan brengen.

52      Daarom kan een dergelijke dienst die de mogelijkheid biedt om video’s op afstand op te nemen, niet onder artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 vallen.

53      Bijgevolg hoeft niet meer te worden nagegaan of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 5, van die richtlijn.

54      Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat richtlijn 2001/29, met name artikel 5, lid 2, onder b), in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die een commerciële onderneming toestaat aan particulieren de dienst aan te bieden van het zonder toestemming van de rechthebbende door middel van een informaticasysteem op afstand in de cloud opslaan van privékopieën van auteursrechtelijk beschermde werken, waarbij zij actief tussenkomt bij de opname van die kopieën.

 Kosten

55      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, met name artikel 5, lid 2, onder b), moet aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die een commerciële onderneming toestaat aan particulieren de dienst aan te bieden van het zonder toestemming van de rechthebbende door middel van een informaticasysteem op afstand in de cloud opslaan van privékopieën van auteursrechtelijk beschermde werken, waarbij zij actief bijdraagt aan de opname van die kopieën.

ondertekeningen


*      Procestaal: Italiaans.