Language of document : ECLI:EU:C:2018:4

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 11 januari 2018 (1)

Zaak C626/16

Europese Commissie

tegen

Slowaakse Republiek

„Niet-nakoming – Artikel 260 VWEU – Niet-uitvoering van het arrest van 25 april 2013, Commissie/Slowakije (C‑331/11, EU:C:2013:271) – Voorwerp van de procedure – Precontentieuze procedure – Verzoek om opmerkingen – Richtlijn 99/31/EG – Storten van afvalstoffen – Stortplaats Žilina – Považský Chlmec”






I.      Inleiding

1.        Zoals bekend is de in artikel 258 VWEU voorziene precontentieuze procedure van groot belang voor de bepaling van het voorwerp van het geschil in een niet-nakomingsprocedure. Voordat de Commissie zich tot het Hof kan wenden, opdat dit een inbreuk op het Unierecht door een lidstaat vaststelt, moet zij deze lidstaat eerst over haar verwijten horen door een zogenoemde aanmaningsbrief aan hem te richten. Daarna moet de Commissie de gelaakte inbreuk in een met redenen omkleed advies preciseren en aan de lidstaat een laatste termijn toekennen om de inbreuk op te heffen. Pas daarna kan de Commissie het beroep instellen en daarbij alleen opkomen tegen inbreuken die reeds in de aanmaningsbrief en in het met redenen omkleed advies waren vermeld.

2.        In het onderhavige geval wordt het Hof opnieuw(2) met de vraag geconfronteerd in hoeverre de voor de niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 258 VWEU ontwikkelde vereisten dienen te worden toegepast op de procedure inzake de uitvoering van arresten krachtens artikel 260, lid 2, VWEU. Hierbij moet rekening worden gehouden met de verschillen met het voorheen geldende artikel 228, lid 2, EG, dat net als het huidige artikel 258 VWEU voorzag in een aanmaningsbrief en een met redenen omkleed advies; op grond van artikel 260, lid 2, VWEU is het met redenen omkleed advies immers niet meer nodig.

3.        Daarnaast rijst de vraag welke betekenis de beperking van het voorwerp van het geschil op grond van het uit te voeren arrest heeft.

4.        De aanleiding hiervoor is een sinds geruime tijd bestaande stortplaats in Slowakije waarvoor tot dusver geen vergunning is verleend op grond van de afvalstortrichtlijn(3), maar die ook niet werd gesloten met inachtneming van de bepalingen van deze richtlijn. De daarin besloten liggende inbreuk op artikel 14 van de richtlijn werd door het Hof vastgesteld in het arrest Commissie/Slowakije (C‑331/11, EU:C:2013:271). Van bijzonder belang is in dit verband of een definitief besluit in de zin van deze bepaling onherroepelijk moet zijn, dat wil zeggen dat hiertegen niet meer in rechte kan worden opgekomen.

II.    Toepasselijke bepalingen

5.        Artikel 13 van de afvalstortrichtlijn bevat bepalingen inzake de sluiting van stortplaatsen:

„De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat, waar zulks dienstig is, overeenkomstig de vergunning:

a)      voor een stortplaats of voor een gedeelte daarvan met de sluitingsprocedure wordt begonnen wanneer:

i)      voldaan is aan de toepasselijke voorwaarden in de vergunning, of

ii)      de bevoegde autoriteit op verzoek van de exploitant toestemming verleent, of

iii)      de bevoegde autoriteit daartoe een met redenen omkleed besluit neemt;

b)      een stortplaats of een gedeelte daarvan pas als definitief gesloten wordt beschouwd, wanneer de bevoegde autoriteit ter plaatse een eindinspectie heeft uitgevoerd, alle verslagen van de exploitant heeft beoordeeld en aan de exploitant heeft meegedeeld dat zij de sluiting goedkeurt. Een en ander doet in geen geval af aan de verantwoordelijkheid van de exploitant uit hoofde van de vergunningsvoorwaarden;

c)       de exploitant, nadat de stortplaats definitief is gesloten, verantwoordelijk blijft voor onderhoud, toezicht en controle in de nazorgfase zolang de bevoegde autoriteit zulks nodig acht, rekening houdend met de tijd gedurende welke de stortplaats gevaar kan opleveren.

De exploitant stelt de bevoegde autoriteit in kennis van alle significante nadelige milieueffecten die bij de controleprocedures aan het licht zijn gekomen en geeft gevolg aan het besluit van de bevoegde autoriteit omtrent de aard en het tijdstip van de uit te voeren corrigerende maatregelen;

d)      de exploitant van de stortplaats verantwoordelijk is voor toezicht op en analyse van het stortplaatsgas, het stortplaatspercolaat en het grondwater in de omgeving van de stortplaats overeenkomstig bijlage III, zolang de bevoegde autoriteit van oordeel is dat een stortplaats gevaar voor het milieu kan opleveren en onverminderd eventuele communautaire of nationale wetgeving met betrekking tot de aansprakelijkheid van de houder van het afval.”

6.        Artikel 14 van de afvalstortrichtlijn regelt hoe met betrekking tot bestaande stortplaatsen moet worden gehandeld:

„De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat de exploitatie van stortplaatsen waarvoor een vergunning is verleend of die op het tijdstip van de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht reeds in gebruik zijn, niet wordt voortgezet tenzij zo spoedig mogelijk, doch ten laatste binnen acht jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum, de onderstaande maatregelen zijn getroffen:

a)       binnen één jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum legt de exploitant van een stortplaats de bevoegde autoriteit ter goedkeuring een door hem opgesteld aanpassingsplan voor met de in artikel 8 bedoelde gegevens alsmede de corrigerende maatregelen die hij nodig acht om te voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, met uitzondering van de voorschriften van bijlage I, punt 1;

b)       na de presentatie van het aanpassingsplan beslissen de bevoegde autoriteiten op basis van dat aanpassingsplan en deze richtlijn definitief of de exploitatie al dan niet mag worden voortgezet. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend zo spoedig mogelijk te sluiten overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13;

c)       op basis van het goedgekeurde aanpassingsplan voor de stortplaats geeft de bevoegde autoriteit toestemming voor de noodzakelijke werkzaamheden en bepaalt zij een overgangsperiode voor de uitvoering van het plan. Elke bestaande stortplaats moeten binnen acht jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, met uitzondering van de voorschriften van bijlage I, punt 1;

d)      [...]”

III. Precontentieuze procedure en conclusies

7.        In het arrest van 25 april 2013, Commissie/Slowakije (C‑331/11, EU:C:2013:271), heeft het Hof geoordeeld dat Slowakije de krachtens artikel 14, onder a), b) en c), van de afvalstortrichtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen doordat het een vergunning heeft verleend voor de exploitatie van de stortplaats Žilina – Považský Chlmec zonder dat er een aanpassingsplan bestond en zonder dat op basis van een goedgekeurd aanpassingsplan definitief was beslist over de voortzetting van de exploitatie. Deze beslissing berustte op het feit dat geen aanpassingsplan voor de betrokken stortplaats was overgelegd.

8.        Op verzoek van de Commissie deelde Slowakije op 7 juni 2013 mee dat zij van plan was de stortplaats te sluiten. Daarop verzocht de Commissie de Slowaakse Republiek op 21 november 2013 krachtens artikel 260, lid 2, VWEU formeel om zich uit te laten over de uitvoering van het arrest, waarbij een termijn van twee maanden werd gesteld, die bijgevolg op 21 januari 2014 afliep.

9.        De Slowaakse Republiek verklaarde in antwoord op dit verzoek en daarna in verdere mededelingen welke maatregelen zij had genomen om de stortplaats Žilina – Považský Chlmec te sluiten.

10.      Uit deze mededelingen blijkt allereerst dat uiterlijk vanaf 8 januari 2014 geen extra afvalstoffen meer mogen worden gestort op de stortplaats.

11.      Daarnaast hadden de bevoegde autoriteiten in eerste instantie in 2013 besloten tot sluiting van de delen 2a en 2b van de stortplaats, maar dit besluit na afloop van de bovengenoemde termijn op 10 april 2014 weer ingetrokken om een milieueffectbeoordeling te laten uitvoeren. Pas op 15 augustus 2016 besloten de autoriteiten opnieuw tot sluiting van deze delen. De hogere bestuurlijke instantie heeft dit besluit op 9 november 2016 bevestigd.

12.      De procedure waarin over het overige deel 2c van de stortplaats diende te worden beslist, werd daarentegen geschorst, aangezien er onenigheid bestaat over de eigendom van deze terreinen.

13.      De Commissie is desondanks tot de conclusie gekomen dat de Slowaakse Republiek het arrest nog niet volledig heeft uitgevoerd. Bijgevolg heeft de Commissie besloten beroep in te stellen krachtens artikel 260 VWEU.

14.      De Commissie verzoekt het Hof:

1)      vast te stellen dat de Slowaakse Republiek de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen doordat zij niet de maatregelen heeft genomen die voortvloeien uit het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271), waarbij het Hof heeft vastgesteld dat de Slowaakse Republiek de krachtens artikel 14, onder a), b) en c), van de afvalstortrichtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2)      de Slowaakse Republiek te veroordelen de volgende bedragen te betalen aan de Europese Commissie op de rekening „Eigen middelen van de Europese Unie”:

a)      een dwangsom ten bedrage van 6 793,80 EUR voor elke dag dat het verzuim met betrekking tot de ter uitvoering van het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) vereiste maatregelen door de Slowaakse Republiek voortduurt, beginnend op de dag van de uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak tot aan de dag waarop de voor de uitvoering van het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) vereiste maatregelen door de Slowaakse Republiek zijn getroffen;

b)      een forfaitaire som van 743,60 EUR per dag (evenwel ten minste een som van in totaal 939 000 EUR) voor elke dag dat het verzuim met betrekking tot de vaststelling van de ter uitvoering van het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) vereiste maatregelen door de Slowaakse Republiek voortduurt, beginnend op 25 april 2013, de dag waarop dat arrest is uitgesproken,

–        tot op de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak, of

–        tot op de dag waarop de ter uitvoering van het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) vereiste maatregelen door de Slowaakse Republiek zijn vastgesteld, als deze dag eerder is dan de dag van de uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak;

3)      de Slowaakse Republiek te verwijzen in de kosten.

15.      De Slowaakse Republiek verzoekt het Hof:

1)      het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, en

2)      subsidiair, het beroep van de Commissie gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond te verklaren, of het beroep in zijn geheel ongegrond te verklaren;

3)      meer subsidiair, het bedrag van de door verzoekster voorgestelde financiële sancties te verminderen;

4)      verzoekster te verwijzen in de kosten.

16.      Partijen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Slowakije heeft het Hof op 14 november 2017, nadat de schriftelijke behandeling was gesloten, extra informatie meegedeeld over de sluiting van de litigieuze stortplaats en over een lopende wetgevingsprocedure. Deze informatie doet echter niet af aan de in deze conclusie voorgestelde beslissing.

IV.    Juridische beoordeling

17.      Hierna zal allereerst worden ingegaan op de ontvankelijkheid van het beroep, daarna op de uitvoering van het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) en ten slotte op de kwestie van de financiële sancties.

A.      Ontvankelijkheid van het beroep

18.      Slowakije acht het beroep niet-ontvankelijk. Dit baseert het op het feit dat de Commissie Slowakije in dit beroep verwijt de litigieuze stortplaats nog niet volledig te hebben gesloten in de zin van artikel 13 van de afvalstortrichtlijn. Het voldoen aan deze bepaling was echter noch voorwerp van het eerste arrest noch heeft de Commissie deze inbreuk in haar verzoek om opmerkingen overeenkomstig artikel 260 VWEU aangevoerd.

1.      Voorwerp van het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271)

19.      Het is juist dat in het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) artikel 13 van de afvalstortrichtlijn niet wordt genoemd. Veeleer beperkt dit arrest zich tot de vaststelling van een inbreuk op artikel 14, onder a), b) en c), van de afvalstortrichtlijn. Deze inbreuk blijkt uit het feit dat Slowakije een vergunning heeft verleend voor de exploitatie van de stortplaats zonder dat er een aanpassingsplan bestond en zonder dat op basis van een goedgekeurd aanpassingsplan definitief was beslist over de voortzetting van de exploitatie.

20.      Deze vaststelling zou, nauw aansluitend bij de bewoordingen ervan, aldus kunnen worden opgevat dat het Hof alleen de vergunning voor de exploitatie van de stortplaats als inbreuk op artikel 14 van de afvalstortrichtlijn heeft beschouwd.

21.      Dergelijke uitlatingen van het Hof dienen echter te worden uitgelegd tegen de achtergrond van de geschonden regeling. In zoverre is juist dat artikel 14 van de afvalstortrichtlijn het verbiedt om bestaande stortplaatsen verder te exploiteren, als niet is voldaan aan de in deze bepaling neergelegde voorwaarden.

22.      Zoals evenwel ook door Slowakije wordt erkend, biedt artikel 14, onder b), van de afvalstortrichtlijn de lidstaten met betrekking tot deze bestaande stortplaatsen twee manieren om hun verplichtingen na te komen. Ofwel zij verlenen een vergunning voor verdere exploitatie met inachtneming van de afvalstortrichtlijn ofwel zij nemen de vereiste maatregelen opdat stortplaatsen waarvoor geen vergunning voor verdere exploitatie is verleend, overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13 zo snel mogelijk worden gesloten.(4)

23.      Wat de optie van de verdere exploitatie betreft, heeft het Hof reeds vastgesteld dat aan de uit artikel 14 van de afvalstortrichtlijn voortvloeiende verplichtingen niet wordt voldaan louter door deze exploitatie op grond van een aanpassingsplan definitief goed te keuren. Veeleer moeten ook de voorziene maatregelen tot uitvoering worden gebracht, om de stortplaats in overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn te exploiteren.(5)

24.      Ook is het bij de afwijzing van de verdere exploitatie van een stortplaats niet voldoende om alleen het verdere storten van afvalstoffen te beëindigen. Veeleer moeten de nodige sluitingsmaatregelen worden getroffen.(6) Ook zonder het storten van extra afvalstoffen houden dergelijke stortplaatsen immers aanzienlijke gevaren voor het milieu in. Alleen een definitieve sluiting met inachtneming van de afvalstortrichtlijn vermindert deze gevaren in zodanige mate dat deze acceptabel zijn.

25.      Als een lidstaat artikel 14 van de afvalstortrichtlijn niet uitvoert door middel van de verlening van een vergunning voor de verdere exploitatie, maar door middel van de sluiting van een stortplaats, moet hij bijgevolg ook voldoen aan de vereisten van artikel 13.

26.      Dit is niet anders wanneer de lidstaat artikel 14 van de afvalstortrichtlijn uitvoert, nadat het Hof een inbreuk op deze bepaling heeft vastgesteld.

27.      De inachtneming van artikel 13 van de afvalstortrichtlijn valt derhalve impliciet, maar noodzakelijkerwijs binnen het voorwerp van het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) en kan overeenkomstig artikel 260 VWEU worden gehandhaafd.

2.      Voorwerp van de precontentieuze procedure

a)      Verzoek om opmerkingen

28.      Slowakije is evenwel van mening dat het beroep het voorwerp van de procedure uitbreidt ten opzichte van het oorspronkelijke verzoek om opmerkingen van de Commissie van 21 november 2013, dat inhield dat Slowakije zou reageren op het verwijt dat het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) niet volledig zou zijn uitgevoerd. Een dergelijke uitbreiding is niet toelaatbaar, aldus Slowakije.

29.      Voordat de Commissie Slowakije had verzocht opmerkingen in te dienen, had deze lidstaat reeds meegedeeld voornemens te zijn de stortplaats te sluiten.

30.      De Commissie achtte de aangekondigde maatregelen echter niet toereikend. Zij heeft twee concrete bezwaren aangevoerd.

31.      Ten eerste verlangt artikel 14 van de afvalstortrichtlijn dat de exploitant van de stortplaats een aanpassingsplan overlegt. Dit is volgens de Commissie echter niet gebeurd en ook niet aangekondigd. Ook hadden de bevoegde autoriteiten nog geen definitief besluit op basis van een dergelijk plan genomen.

32.      Ten tweede zijn op de stortplaats niet de bepalingen inzake de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging(7) van toepassing, maar de meer specifieke bepalingen inzake stortplaatsen, dat wil zeggen de regeling met betrekking tot de omzetting van de afvalstortrichtlijn in Slowaaks recht. Daarmee baseerde de Commissie zich op de vaststellingen in de punten 32 tot en met 36 van het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) dat bij de verlening van een vergunning voor de stortplaats de regels inzake stortplaatsen in acht dienen te worden genomen.

33.      In het beroep maakt de Commissie er bezwaar tegen dat de bevoegde Slowaakse autoriteiten voor bepaalde delen van de stortplaats (delen 2a en 2b) weliswaar hebben besloten tot sluiting, maar deze nog niet volledig overeenkomstig artikel 13 van de afvalstortrichtlijn hebben uitgevoerd, en dat bovendien het besluit tot sluiting nog steeds niet onherroepelijk is geworden. Ten tweede komt de Commissie ertegen op dat voor een ander deel van de stortplaats (deel 2c) nog niet eens een besluit over de sluiting is genomen.

34.      Indien het Hof strenge eisen zou stellen aan de overeenstemming tussen het verzoek om opmerkingen en het beroep, dan zou hooguit het bezwaar van een ontbrekende definitieve respectievelijk onherroepelijke beslissing tot sluiting van de stortplaats een ontvankelijk voorwerp van de onderhavige procedure zijn. Dat een definitief besluit ontbreekt, werd immers vermeld in het verzoek om opmerkingen van 21 november 2013.

35.      Een eventuele inbreuk op artikel 13 van de afvalstortrichtlijn is daarentegen noch uitdrukkelijk noch impliciet opgenomen in het verzoek om opmerkingen. Dit bezwaar zou daarom strikt genomen in de gerechtelijke procedure niet-ontvankelijk zijn.

36.      Het is echter de vraag of een dergelijke overeenstemming tussen het voorwerp van het verzoek om opmerkingen en dat van het beroep kan worden verlangd.

37.      Hiervoor pleit de rechtspraak inzake het voorheen toepasselijke artikel 228, lid 2, EG (thans, na wijziging, artikel 260, lid 2, VWEU). Het ontvankelijke voorwerp van een op grond daarvan ingesteld beroep wordt door de in deze bepaling voorziene precontentieuze procedure aldus beperkt dat de Commissie in haar verzoekschrift het voorwerp van het geschil niet meer kan uitbreiden door naast de in het met redenen omkleed advies opgenomen bezwaren nieuwe bezwaren aan te voeren.(8)

38.      Het Hof heeft tevens benadrukt dat de Commissie verplicht is in het krachtens artikel 228, lid 2, EG uitgebrachte met redenen omkleed advies nader aan te geven op welke punten de betrokken lidstaat het arrest van het Hof waarbij de niet-nakoming werd vastgesteld, niet heeft uitgevoerd. Bijgevolg kan het voorwerp van het geschil niet worden verruimd tot verplichtingen waarop het met redenen omkleed advies niet zag, aangezien anders wezenlijke vormvereisten worden geschonden die de regelmatigheid van de procedure garanderen.(9)

39.      Ten gevolge van de wijzigingen bij het Verdrag van Lissabon is op grond van artikel 260, lid 2, VWEU echter niet meer vereist dat de Commissie een met redenen omkleed advies uitbrengt.

40.      Uit de afschaffing van het met redenen omkleed advies wordt afgeleid dat thans bijzonder strenge eisen dienen te worden gesteld aan de bepaling van het voorwerp van het geschil door het verzoek om opmerkingen. Bij deze uitlegging zou het voorwerp van het geschil daarin heel nauwkeurig moeten worden gedefinieerd. Dit verzoek is immers de enige formele uitlating van de Commissie waarin het voorwerp van het geschil in de procedure krachtens artikel 260, lid 2, VWEU zou kunnen worden gepreciseerd.(10)

41.      Daartegen pleit echter dat het Verdrag van Lissabon niet het verzoek om opmerkingen, maar het met redenen omkleed advies heeft afgeschaft, hoewel in plaats daarvan het verzoek om opmerkingen had kunnen worden afgeschaft, hetgeen in de Europese Conventie eveneens werd besproken.(11) Het zou echter tegenstrijdig zijn om de stap af te schaffen waarvoor strengere eisen gelden, om vervolgens de aan de resterende stap gestelde eisen aan te scherpen.

42.      Bovendien werd met het stroomlijnen van de precontentieuze procedure beoogd de regeling inzake de sancties in het geval van een niet-nakoming van arresten van het Hof efficiënter vorm te geven en te vereenvoudigen.(12) Het strookt niet met dit doel als de aan het verzoek om opmerkingen gestelde eisen op hun beurt worden aangescherpt.

43.      Integendeel, vanuit het oogpunt van de rechten van verdediging en de rechtszekerheid volstaat het in de regel dat de lidstaten erover worden ingelicht dat de Commissie voornemens is artikel 260 VWEU toe te passen, en zij de mogelijkheid krijgen opmerkingen in te dienen.(13) Het voorwerp van de procedure overeenkomstig artikel 260, lid 2, VWEU wordt daarentegen reeds voldoende afgebakend door het eerste arrest van het Hof. Ook zijn de lidstaten zich ten volle bewust zowel van hun verplichting om de maatregelen te nemen die nodig zijn voor de uitvoering van een arrest van het Hof waarin een niet-nakoming is vastgesteld, als van de gevolgen die de niet-nakoming van die verplichting kan hebben.(14)

44.      Voor het overige kan van de Commissie niet worden verwacht dat zij bij haar eerste en enige formele mededeling reeds alle mogelijke gebreken bij de uitvoering van het arrest noemt. Dergelijke eisen zouden juist niet leiden tot een efficiëntere en eenvoudigere procedure.

45.      Daarom is de Commissie in beginsel niet verplicht in het verzoek om opmerkingen overeenkomstig artikel 260, lid 2, VWEU alle denkbare redenen te preciseren die twijfels aan de toereikende uitvoering van een eerste arrest kunnen doen ontstaan.

46.      Het doel van een efficiëntere en eenvoudigere uitvoering van de arresten van het Hof moet echter ook leidend zijn bij de toepassing van artikel 260, lid 2, VWEU door de Commissie. Hieruit volgt in het bijzonder dat een verzoek om opmerkingen de lidstaat niet mag misleiden, maar zo veel mogelijk nuttige aanwijzingen voor de uitvoering van het eerste arrest moet bevatten. Met dit voor ogen moet de Commissie inzonderheid erop toezien dat voldoende rekening wordt gehouden met de bestaande informatie over de beoogde uitvoering door de lidstaat. Alleen dit doet overigens ook recht aan de verplichting van de Commissie tot loyale samenwerking met de lidstaten op grond van artikel 4, lid 3, VEU.(15)

47.      Het verzoek om opmerkingen van 21 november 2013 voldoet niet aan deze maatstaf. Hoewel de Commissie bekend was met de beoogde sluiting door Slowakije, heeft zij de aan de sluiting van bestaande stortplaatsen gestelde eisen niet vermeld. Zij heeft zich veeleer bezig gehouden met algemene vragen van de procedure krachtens artikel 14 van de afvalstortrichtlijn en met details van het Slowaakse recht. In het beroep wordt op deze bezwaren echter slechts voor een deel ingegaan.

48.      Bovendien had de Commissie voldoende gelegenheid gehad om vóór het instellen van het beroep haar bezwaren en inzonderheid het belang van artikel 13 van de afvalstortrichtlijn middels een aanvullend verzoek om opmerkingen te verduidelijken. Tussen de ontvangst van het Slowaakse antwoord op het verzoek om opmerkingen op 14 januari 2014 en de beslissing van de Commissie over het instellen van een beroep van 16 juni 2016(16) lag immers een periode van meer dan twee jaar. Sinds het eerste arrest van 25 april 2013 waren zelfs meer dan drie jaar verstreken.

49.      Hoewel Slowakije ongetwijfeld bekend was met haar verplichtingen voortvloeiende uit artikel 13 van de afvalstortrichtlijn, hoefde het er geen rekening mee te houden dat de Commissie deze verplichtingen tot voorwerp van een beroep krachtens artikel 260, lid 2, VWEU zou maken.

50.      Om deze redenen ben ik van mening dat het beroep niet‑ontvankelijk is, voor zover het betrekking heeft op een inbreuk op artikel 13 van de afvalstortrichtlijn.

b)      Verweer van de Commissie

51.      Voorts voert de Commissie in het verweer aan dat de besluiten tot sluiting uit het jaar 2016 niet berusten op een aanpassingsplan. Dit is ten opzichte van het beroep een nieuw middel dat overeenkomstig artikel 127, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering alleen ontvankelijk zou zijn, als het zou steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Hiervan kan echter geen sprake zijn, aangezien de Commissie reeds bij het instellen van het beroep volledig op de hoogte was van op zijn minst het besluit van 15 augustus 2016.(17) Bijgevolg is dit betoog eveneens niet‑ontvankelijk.

3.      Voorlopige conclusie

52.      Gezien het bovenstaande is het beroep van de Commissie alleen ontvankelijk en moet het alleen ten gronde worden onderzocht, voor zover daarin wordt opgekomen tegen het ontbreken van een definitief besluit in de zin van artikel 14 van de afvalstortrichtlijn. Voor het geval dat het Hof het bezwaar van de inbreuk op artikel 13 ontvankelijk acht, zal ik echter bij het latere onderzoek ten aanzien van de gegrondheid van het beroep en de financiële sancties telkens subsidiair ook kort ingaan op dit middel (onderdelen IV. B. 3. en IV. C. 3.). Het eveneens niet-ontvankelijke bezwaar inzake het ontbrekende aanpassingsplan zal ik daarentegen buiten beschouwing laten.

B.      Gegrondheid van het beroep

53.      In het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) heeft het Hof vastgesteld dat Slowakije zijn verplichtingen voortvloeiende uit artikel 14, onder a), b) en c), van de afvalstortrichtlijn niet is nagekomen door een vergunning te verlenen voor de exploitatie van de stortplaats Žilina – Považský Chlmec zonder dat er een aanpassingsplan bestond en zonder dat op basis van een goedgekeurd aanpassingsplan definitief was beslist over de voortzetting van de exploitatie.

54.      Bij het onderzoek naar de vraag of dit arrest is uitgevoerd, geldt als referentiedatum voor de beoordeling van het bestaan van een niet-nakoming als bedoeld in artikel 260, lid 2, VWEU het einde van de termijn die is gesteld in het krachtens die bepaling toegestuurde verzoek om opmerkingen.(18) In casu moet derhalve worden onderzocht wat de situatie was op 21 januari 2014.

55.      Voor het onderzoek of een forfaitaire som en/of een dwangsom moet worden opgelegd overeenkomstig artikel 260, lid 2, VWEU is bovendien de situatie op het tijdstip van de uitspraak van het Hof in de onderhavige procedure doorslaggevend. Met name een dwangsom is slechts gerechtvaardigd, indien de niet-nakoming wegens de niet-uitvoering van een eerder arrest thans nog voortduurt.(19)

56.      Ik zal daarom hierna allereerst ingaan op de vraag of het eerste arrest op 21 januari 2014 was uitgevoerd en aansluitend de huidige situatie bespreken.

1.      Uitvoering bij het verstrijken van de termijn

57.      Zoals reeds uiteengezet, vereist de uitvoering van het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) ofwel een vergunning voor de verdere exploitatie van de stortplaats op basis van een aanpassingsplan die voldoet aan de eisen van de afvalstortrichtlijn, ofwel een definitief besluit over de sluiting waaraan onder meer met inachtneming van artikel 13 van de afvalstortrichtlijn uitvoering dient te worden gegeven. Slowakije heeft gekozen voor de weg van de sluiting, maar de Commissie acht de tot dusver getroffen maatregelen ontoereikend.

58.      Volgens het niet bestreden betoog van Slowakije is het gebruik van de stortplaats sinds 7 januari 2014 verboden; hier worden dus in het bijzonder geen extra afvalstoffen meer gestort.

59.      Zoals de Commissie terecht aanvoert, volstaat dit echter niet. Veeleer moeten de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 14, onder b), van de afvalstortrichtlijn definitief beslissen of de exploitatie van de stortplaats kan worden voortgezet. Bijgevolg moet ofwel een nieuwe vergunning worden verleend ofwel tot sluiting van de stortplaats worden besloten.

60.      De bevoegde instanties hadden weliswaar reeds op 21 oktober 2013 besloten tot sluiting van delen van de stortplaats, te weten de delen 2a en 2b, maar dit besluit werd op 10 april 2014 ingetrokken om eerst een milieueffectbeoordeling te kunnen uitvoeren. De sluitingsprocedure met het oog op het resterende deel 2c werd daarentegen geschorst, aangezien de eigendom van deze terreinen omstreden was (en nog steeds is).

a)      Delen 2a en 2b

61.      Allereerst moet worden onderzocht of het bij afloop van de termijn geldende besluit tot sluiting van de delen 2a en 2b als definitief besluit in de zin van artikel 14, onder b), van de afvalstortrichtlijn kan worden aangemerkt.

62.      Hiervoor pleit dat de bevoegde autoriteiten volgens de verstrekte informatie beoogden om reeds met dit besluit definitief te beslissen tot sluiting van de betrokken delen.

63.      Weliswaar kon in rechte nog tegen dit besluit worden opgekomen en was het dus nog niet onherroepelijk, maar artikel 14, onder b), van de afvalstortrichtlijn verlangt slechts een definitief besluit van de bevoegde autoriteit. Dat dit onherroepelijk is, is niet vereist.

64.      Vóór afloop van beroepstermijnen kan een besluit van een autoriteit immers in een rechtsunie, die de doeltreffende rechtsbescherming – inzonderheid bij de uitvoering van het Unierecht(20) – waarborgt, niet in die zin definitief zijn dat daardoor een rechterlijke toetsing zou zijn uitgesloten. Ook staat het niet aan de bevoegde autoriteiten om tijdig gemaakte bezwaren tegen te houden. En ondanks de lange termijn van acht jaar waarin artikel 14 van de afvalstortrichtlijn voor het definitieve besluit voorziet, zou niet kunnen worden gegarandeerd dat met betrekking tot de daarna te nemen beslissingen alle rechterlijke procedures bij het verstrijken van de termijn zijn beëindigd. Voor het overige moet ervan uit worden gegaan dat deze termijn niet werd vastgesteld met het oog op eventuele rechtsmiddelen, maar vanwege de mogelijke moeilijkheden bij de aanpassing of sluiting van stortplaatsen.

65.      Bijgevolg moet het in de regel volstaan dat het besluit van de autoriteit – zoals het besluit van 21 oktober 2013 – als definitieve regeling voor het betreffende concrete geval is opgesteld.

66.      De bevoegde autoriteiten hebben dit besluit echter op 10 april 2014, dus na afloop van de termijn in het verzoek om opmerkingen, weer ingetrokken. Deze intrekking is ten eerste een nieuwe niet-nakoming van de verplichting tot uitvoering van het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271), die op het relevante tijdstip, namelijk bij het verstrijken van de termijn, niet bestond. De intrekking heeft evenwel tegelijkertijd, in de tweede plaats, tot gevolg dat het in eerste instantie bestaande besluit tot sluiting met terugwerkende kracht, en daarmee ook voor het tijdstip waarop de termijn verstreek, is komen te vervallen.

67.      Bijgevolg heeft Slowakije het litigieuze arrest met betrekking tot de delen 2a en 2b niet binnen de voorgeschreven termijn uitgevoerd.

68.      Slowakije is echter van mening dat het bij de sluiting van deze delen niet meer voortgang had kunnen boeken, aangezien de nodige bestuurlijke procedures tijd in beslag namen.

69.      In zoverre geldt in beginsel dat een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet‑nakoming van uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen. Het Hof heeft daarom dergelijke argumenten met betrekking tot de uitvoering van arresten inzake het recht op het gebied van afvalstoffen(21), maar ook inzake de uitvoering van de afvalwaterrichtlijn(22) afgewezen, waar regelmatig tegen hoge kosten zuiveringsinstallaties en rioleringsnetwerken moeten worden aangelegd.(23)

70.      Slowakije benadrukt evenwel vooral dat het op grond van de MEB-richtlijn(24) noodzakelijk was een milieueffectbeoordeling uit te voeren. In zoverre moet worden erkend dat voor de beslissing over de sluiting van een stortplaats feitelijk een dergelijke beoordeling nodig is, wanneer de sluiting de wijziging – door werkzaamheden of ingrepen die de materiële toestand veranderen – van de stortplaats betreft en aanzienlijke (nadelige)(25) gevolgen voor het milieu kan hebben.(26)

71.      Desondanks kan ook de noodzaak van een in het Unierecht voorgeschreven milieueffectbeoordeling de vertraging bij de uitvoering van het litigieuze arrest niet rechtvaardigen. De uit de afvalstortrichtlijn voortvloeiende verplichtingen en de nodige kosten voor de nakoming daarvan moesten Slowakije immers reeds geruime tijd bekend zijn. Slowakije had daarom voldoende tijd om met betrekking tot de litigieuze stortplaats te voldoen aan de bepalingen van de afvalstortrichtlijn. En bij onoverkomelijke moeilijkheden had Slowakije bij de toetreding tot de Europese Unie in 2004 een verlenging van de termijnen moeten overeenkomen.

72.      Gezien het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat Slowakije het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) met betrekking tot de delen 2a en 2b niet binnen de in het verzoek om opmerkingen gestelde termijn heeft uitgevoerd.

b)      Deel 2c

73.      Met betrekking tot deel 2c van de stortplaats is nimmer een besluit tot sluiting genomen.

74.      De vertraging is volgens de uiteenzettingen van Slowakije het gevolg van gedingen over de eigendom van deze terreinen. Deze bestaan echter op zijn minst reeds sinds 2009 en Slowakije heeft niet toegelicht waarom deze tot dusver bij het verstrijken van de termijn nog niet waren beslecht. In ieder geval kunnen dergelijke gedingen niet rechtvaardigen dat milieurisico’s die samenhangen met een niet op de juiste wijze gesloten stortplaats, op de koop toe worden genomen.

75.      Bijgevolg heeft Slowakije het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) ook met betrekking tot deel 2c niet binnen de in het verzoek om opmerkingen gestelde termijn uitgevoerd.

c)      Tussenconclusie

76.      De Slowaakse Republiek is derhalve de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU en krachtens het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) op haar rustende verplichting niet nagekomen doordat zij op 21 januari 2014 nog geen definitief besluit had genomen over de sluiting van de stortplaats Žilina – Považský Chlmec.

2.      Huidige situatie

77.      Ten opzichte van de situatie op het tijdstip van het verstrijken van de termijn verschilt de huidige situatie ten gevolge van het besluit van de bevoegde instanties van 15 augustus 2016 in die zin dat de delen 2a en 2b van de stortplaats niet meer worden gebruikt, maar zijn gesloten en worden heringericht. De bevoegde toezichthoudende instantie heeft dit besluit na bezwaar bevestigd op 9 november 2016. Hoewel inmiddels beroep is ingesteld, staat dat niet in de weg aan uitvoering van het besluit.

78.      De Commissie betwist weliswaar dat dit besluit definitief is, aangezien het nog niet onherroepelijk is, maar – zoals reeds uiteengezet – is de onherroepelijkheid geen voorwaarde voor het bestaan van een definitief besluit.

79.      Bijgevolg dient het betoog van de Commissie dat de besluiten inzake de delen 2a en 2b van de stortplaats niet definitief zijn, te worden afgewezen.

80.      Daarentegen werd nog steeds geen besluit genomen over de sluiting en herinrichting van deel 2c.

81.      De Commissie maakt derhalve nog steeds terecht bezwaar tegen het ontbreken van een besluit over deel 2c.

82.      Op dit moment komt de Slowaakse Republiek derhalve de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU en krachtens het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) op haar rustende verplichtingen niet na doordat zij nog geen definitief besluit heeft genomen over de sluiting van deel 2c van de stortplaats Žilina – Považský Chlmec.

3.      Subsidiair: toepassing van artikel 13 van de afvalstortrichtlijn

83.      Mocht het Hof het beroep van de Commissie echter ook ontvankelijk achten voor zover zij aanvoert dat inbreuk is gemaakt op artikel 13 van de afvalstortrichtlijn, dan moet aanvullend een verder gebrek in de uitvoering worden vastgesteld. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de stortplaats noch bij het verstrijken van de termijn in de zin van artikel 13 van de afvalstortrichtlijn was gesloten noch thans gesloten is.

C.      Financiële sancties

84.      Bij de toepassing van artikel 260, lid 2, VWEU staat het aan het Hof om in elke zaak, aan de hand van de omstandigheden van het bij hem aanhangig gemaakte geval alsmede naargelang van de mate van overreding en afschrikking die hem vereist lijkt, de financiële sancties vast te stellen die passend zijn om ervoor te zorgen dat het arrest waarbij eerder een niet-nakoming werd vastgesteld, zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd, en te voorkomen dat dergelijke inbreuken op het Unierecht zich vaker voordoen.(27)

85.      De voorstellen van de Commissie kunnen het Hof hierbij niet binden en vormen louter een nuttige referentiebasis. Evenzo zijn richtsnoeren als die in de mededelingen van de Commissie niet bindend voor het Hof, maar dragen zij ertoe bij dat de doorzichtigheid, de voorspelbaarheid en de rechtszekerheid van het optreden van de Commissie worden gewaarborgd.(28)

1.      Dwangsom

86.      Voor de vaststelling van het bedrag van de dwangsom zijn de basiscriteria die moeten worden gehanteerd om te verzekeren dat die dwangsom een dwingend effect heeft, met het oog op een eenvormige en effectieve toepassing van het Unierecht, in beginsel de ernst en de duur van de inbreuk (sinds de eerste veroordeling) alsook de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat. Bij de toepassing van deze criteria dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met de gevolgen van het niet-uitvoeren van het arrest voor de particuliere en de openbare belangen en met de spoed waarmee de betrokken lidstaat ertoe moet worden aangezet, zijn verplichtingen na te komen.(29)

87.      Wat ten eerste de ernst van de inbreuk betreft, beoordeelt de Commissie op basis van haar beroep, dat zowel het ontbreken van een definitief besluit voor de gehele stortplaats als ook de ontbrekende sluitingsmaatregelen overeenkomstig artikel 13 van de afvalstortrichtlijn betreft, deze inbreuk met een coëfficiënt 2 op maximaal 20 voor de ernst van de inbreuk.

88.      Gelet op mijn opmerkingen hierboven is het beroep ten aanzien van de vereisten van artikel 13 echter niet-ontvankelijk en met betrekking tot het besluit inzake de delen 2a en 2b thans niet meer gegrond. Er moet alleen nog een definitief besluit worden genomen over deel 2c, dat ongeveer de helft van de hele stortplaats omvat.

89.      Dit pleit voor een duidelijk lagere coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk dan de door de Commissie voorgestelde coëfficiënt.

90.      Desondanks moet in aanmerking worden genomen dat inbreuken op het gebied van afvalstoffen in de regel van bijzonder grote betekenis zijn, dat in tegenstelling tot hetgeen partijen hebben aangevoerd, de gevolgen voor het milieu niet uitsluitend een louter lokaal karakter hebben, dat het probleem al betrekkelijk lang bestaat, maar ook dat Slowakije tot dusver nog niet werd veroordeeld voor inbreuken op het recht inzake afvalstoffen.

91.      Zo heeft het Hof met name reeds geoordeeld dat de verplichting tot verwijdering van afvalstoffen zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu, precies een van de doelstellingen van het beleid van de Europese Unie op milieugebied is, zoals blijkt uit artikel 191 VWEU.(30) Hieruit heeft het Hof telkens afgeleid dat de litigieuze inbreuken op het recht inzake afvalstoffen bijzonder ernstig waren.

92.      Dit geldt in beginsel ook voor een inbreuk op artikel 14 van de afvalstortrichtlijn met betrekking tot één stortplaats. Zoals het Hof in punt 34 van het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271) heeft vastgesteld, vormt de inachtneming van deze bepaling er de basis voor dat de litigieuze stortplaats aan de eisen van de afvalstortrichtlijn beantwoordt. Om die reden gaat het niet om een louter formele inbreuk.(31)

93.      Bovendien heeft Slowakije het gebruik van de stortplaats per 7 januari 2014 beëindigd. Het ontstaan van nieuwe risico’s voor de gezondheid van de mens en/of het milieu is derhalve weliswaar uitgesloten, maar deze omstandigheid leidt tot twijfels over de vraag of de stortplaats überhaupt zonder grotere problemen in overeenstemming met de afvalstortrichtlijn kan worden geëxploiteerd. Veeleer moet worden gevreesd dat reeds de exploitatie in het verleden met aanzienlijke risico’s van dien aard verbonden was. Om deze risico’s te beheersen, moet de stortplaats op zijn minst op de juiste wijze worden gesloten. Dit is niet mogelijk zonder een definitief besluit over de sluiting.

94.      Wat het betoog van beide partijen met betrekking tot de lokale aard van mogelijke aantastingen betreft, moet worden opgemerkt dat de litigieuze stortplaats aan de oevers van de Waag ligt, die door eventuele verontreinigingen kan worden aangetast en deze stroomafwaarts verder kan verspreiden.

95.      Voor het overige duurt de inbreuk op het Unierecht thans al meer dan acht jaar, namelijk al vanaf 16 juli 2009, de uiterste datum waarop op grond van artikel 14 van de afvalstortrichtlijn definitief over de verdere exploitatie of de sluiting van de stortplaats had moeten worden beslist. En in principe heeft Slowakije sinds de toetreding tot de Unie in 2004 voldoende tijd gehad om een dergelijk besluit te nemen, zelfs als daarvoor inderdaad een milieueffectbeoordeling had moeten worden gemaakt.

96.      Anderzijds voert Slowakije terecht aan tot dusver nog nooit door het Hof te zijn veroordeeld wegens een inbreuk op het Unierecht op het gebied van afvalstoffen, hoewel het Hof zich ook reeds met betrekking tot Slowakije over dit beleidsterrein heeft gebogen.(32)

97.      Per saldo acht ik een coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk van slechts 0,5 passend.

98.      Wat, in de tweede plaats, de duur van de inbreuk sinds de uitspraak van het oorspronkelijke niet-nakomingsarrest betreft, dient eraan te worden herinnerd dat bij de beoordeling daarvan moet worden uitgegaan van het tijdstip waarop het Hof de feiten in het kader van die procedure heeft beoordeeld.(33) In casu is de duur van de te onderzoeken inbreuk aanzienlijk, aangezien bij een veroordeling eind april van volgend jaar vijf jaar zouden zijn verstreken nadat het eerste arrest op 25 april 2013 werd gewezen, hoewel slechts een definitief besluit over de sluiting hoefde te worden genomen om het bezwaar uit de weg te ruimen. De coëfficiënt voor de duur van de inbreuk zou daarom in overeenstemming met de door de Commissie toegepaste maatstaf, te weten een coëfficiënt van 0,1 per maand, moeten worden vastgesteld op 6.

99.      Hieruit vloeit dus met inachtneming van de financiële draagkracht van Slowakije(34) een dagelijkse dwangsom voort van 3 345,60 EUR. Dit bedrag zou door het Hof moeten worden afgerond op 3 300 EUR en moeten worden opgelegd als per dag verschuldigde dwangsom totdat een definitief besluit over deel 2c van de stortplaats is genomen.

2.      Forfaitaire som

100. Het Hof mag in de uitoefening van de hem op dat gebied verleende beoordelingsbevoegdheid gelijktijdig een dwangsom en een forfaitaire som opleggen. Het beginsel van oplegging van een forfaitaire som berust in wezen op de beoordeling van de consequenties die het feit dat de betrokken lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, heeft voor de particuliere en de openbare belangen, met name wanneer de niet-nakoming is blijven voortbestaan lang na het arrest waarin zij oorspronkelijk is vastgesteld. Die veroordeling moet in elk concreet geval gebaseerd blijven op alle relevante aspecten die zowel verband houden met de kenmerken van de vastgestelde niet-nakoming als met de houding van de lidstaat waarop de op grondslag van artikel 260 VWEU ingeleide procedure betrekking heeft. Dienaangaande verleent deze bepaling het Hof een ruime beoordelingsvrijheid voor zijn beslissing om al dan niet een dergelijke sanctie op te leggen.(35)

101. Wat de forfaitaire som betreft, stelt de Commissie voor om deze te berekenen op grond van een dagelijks basisbedrag van 230 EUR, dezelfde coëfficiënt „n” voor de financiële draagkracht, te weten 1,64, dezelfde coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk (in dit geval 0,5) vermenigvuldigd met het aantal dagen tussen het arrest van 25 april 2013, Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271), en het arrest in de onderhavige procedure. Het op grond daarvan voor elke dag vast te stellen bedrag is 188,60 EUR.

102. Verondersteld dat het laatstgenoemde arrest na precies vijf jaar op 25 april 2018 wordt gewezen, dan zou de forfaitaire som ongeveer 344 195 EUR bedragen.

103. Bij de berekening van de forfaitaire som moet evenwel in aanmerking worden genomen dat het definitieve besluit om de delen 2a en 2b te sluiten, pas werd genomen in 2016.(36) Tot dat moment had de inbreuk een dubbel zo groot gewicht, aangezien nog voor geen enkel deel van de stortplaats het vereiste definitieve besluit was genomen. Om die reden moet voor 1 575 dagen het uitgangsbedrag van 188,60 EUR hierbij worden opgeteld. Dit zou neerkomen op nog eens 297 045 EUR.

104. Afgerond leidt dit tot een forfaitaire som van 600 000 EUR. Deze som is weliswaar lager dan de minimale forfaitaire som van 939 000 EUR die de Commissie voor Slowakije had vastgesteld, maar ik acht deze desondanks passend, met name omdat het hier niet gaat om een louter symbolisch bedrag, hetgeen de Commissie met de vaststelling van een minimumbedrag wilde voorkomen.(37)

3.      Subsidiair: inbreuk op artikel 13 van de afvalstortrichtlijn

105. Als het Hof ervan uitgaat dat ook de inbreuk op artikel 13 van de afvalstortrichtlijn voorwerp van de onderhavige procedure is, dan zou het het bedrag van de dwangsom moeten verviervoudigen en de forfaitaire som verdrievoudigen. Dit voorstel berust op de overweging dat het definitieve besluit volgens artikel 14, onder b), weliswaar een voorwaarde voor sluiting is, maar de verdere sluitingsmaatregelen overeenkomstig artikel 13 van beduidend groter praktisch belang zijn.

V.      Kosten

106. Artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering preciseert dat indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, elke partij haar eigen kosten draagt.

107. Weliswaar ziet het Hof in afwijkingen van conclusies van de Commissie met betrekking tot de dwangsom en de forfaitaire som geen gedeeltelijk ongelijk van de Commissie(38), maar in het onderhavige geval is het beroep van de Commissie bovendien deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.

108. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Commissie en Slowakije deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld. Om die reden dienen zij hun eigen kosten te dragen.

VI.    Conclusie

109. Ik geef het Hof derhalve in overweging als volgt te beslissen:

„1)      De Slowaakse Republiek is de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU en krachtens het arrest van 25 april 2013, Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271), op haar rustende verplichting niet nagekomen door tot en met 21 januari 2014 nog geen definitief besluit over de sluiting van de stortplaats Žilina – Považský Chlmec te hebben genomen.

2)      Voor het geval dat de Slowaakse Republiek op de dag van de uitspraak van het onderhavige arrest nog geen definitief besluit heeft genomen overeenkomstig artikel 14, onder b), van richtlijn 1999/31/EG inzake stortplaatsen met betrekking tot deel 2c van de stortplaats Žilina – Považský Chlmec, dat noodzakelijk is om te voldoen aan het arrest van 25 april 2013, Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271), wordt de Slowaakse Republiek veroordeeld om aan de Europese Commissie een dwangsom van 3 300 EUR te betalen voor elke dag vertraging bij de vaststelling van dit besluit, beginnend op de dag van de uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak tot aan de dag dat het bedoelde besluit wordt genomen.

3)      De Slowaakse Republiek wordt veroordeeld om aan de Europese Commissie een forfaitaire som van 600 000 EUR te betalen.

4)      Het beroep wordt afgewezen voor het overige.

5)      De Europese Commissie en de Slowaakse Republiek dragen hun eigen kosten.”


1      Oorspronkelijke taal: Duits.


2      Arrest van 10 september 2009, Commissie/Portugal (C‑457/07, EU:C:2009:531, punten 52 e.v.).


3      Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB 1999, L 182, blz. 1).


4      Arresten van 16 juli 2015, Commissie/Bulgarije (C‑145/14, EU:C:2015:502, punt 30), en 25 februari 2016, Commissie/Spanje (C‑454/14, EU:C:2016:117, punt 59).


5      Arrest van 25 februari 2016, Commissie/Spanje (C‑454/14, EU:C:2016:117, punten 42 e.v.).


6      Zie arrest van 25 februari 2016, Commissie/Spanje (C‑454/14, EU:C:2016:117, punt 61).


7      In het arrest Commissie/Slowakije (EU:C:2013:271, punten 32‑36) refereerde het Hof in dit verband aan de richtlijn van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB 1996, L 257, blz. 26). Deze regelingen zijn inmiddels opgenomen in richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB 2010, L 334, blz. 17).


8      Arrest van 10 september 2009, Commissie/Portugal (C‑457/07, EU:C:2009:531, punt 56).


9      Arrest van 10 september 2009, Commissie/Portugal (C‑457/07, EU:C:2009:531, punten 58 en 60).


10      In die zin bijvoorbeeld Hatje, A., „Artikel 260 AEUV (ex-Artikel 228 EGV) [Wirkung und Durchsetzung von Urteilen; Zwangsgeld]”, in: von der Groeben/Schwarze/Hatje, Europäisches Unionsrecht, Nomos, Baden-Baden, 2015, punt 18.


11      Secretariaat van de Europese Conventie, „Eindverslag van de studiegroep voor de werking van het Hof van Justitie” [document CONV 636/03 van 25 maart 2003, punt 28, onder a)].


12      Secretariaat van de Europese Conventie, „Eindverslag van de studiegroep voor de werking van het Hof van Justitie” (document CONV 636/03 van 25 maart 2003, punt 28).


13      Arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje (C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 52).


14      Arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje (C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 50).


15      Zie arresten van 16 oktober 2003, Ierland/Commissie (C‑339/00, EU:C:2003:545, punt 71); 4 maart 2004, Duitsland/Commissie (C‑344/01, EU:C:2004:121, punt 79), en 10 juli 2014, Nikolaou/Rekenkamer (C‑220/13 P, EU:C:2014:2057, punt 51).


16      Persbericht IP/16/2099 van de Commissie.


17      Punt 17 van en bijlage A.15 bij het verzoekschrift.


18      Arresten van 11 december 2012, Commissie/Spanje (C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 67), en 25 juni 2013, Commissie/Tsjechië (C‑241/11, EU:C:2013:423, punt 23).


19      Arresten van 9 december 2008, Commissie/Frankrijk (C‑121/07, EU:C:2008:695, punt 27); 7 juli 2009, Commissie/Griekenland (C‑369/07, EU:C:2009:428, punt 59); 17 november 2011, Commissie/Italië (C‑496/09, EU:C:2011:740, punt 42); 11 december 2012, Commissie/Spanje (C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 96), en 28 november 2013, Commissie/Luxemburg (C‑576/11, EU:C:2013:773, punt 43).


20      Arrest van 8 november 2016, Lesoochranárske zoskupenie VLK (C‑243/15, EU:C:2016:838, met name punt 50).


21      Arresten van 2 december 2014, Commissie/Griekenland (C‑378/13, EU:C:2014:2405, punt 29), en 7 september 2016, Commissie/Griekenland (C‑584/14, EU:C:2016:636, punt 53).


22      Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB 1991, L 135, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/15/EG van de Commissie van 27 februari 1998 (PB 1998, L 67, blz. 29).


23      Zie in dit verband arresten van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punten 28 e.v.), en 22 juni 2016, Commissie/Portugal (C‑557/14, EU:C:2016:471, punt 41).


24      Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012, L 26, blz. 1).


25      In die zin ook mijn conclusie in de zaak Ecologistas en Acción-CODA (C‑142/07, EU:C:2008:254, punt 50); het arrest van 25 juli 2008, Ecologistas en Acción-CODA (C‑142/07, EU:C:2008:445, punt 41), verlangt echter ook een beoordeling in het geval van mogelijke gunstige milieueffecten van aanzienlijke omvang.


26      Arrest van 19 april 2012, Pro-Braine e.a. (C‑121/11, EU:C:2012:225, punt 33).


27      Arrest van 17 november 2011, Commissie/Italië (C‑496/09, EU:C:2011:740, punt 36).


28      Arresten van 10 januari 2008, Commissie/Portugal (C‑70/06, EU:C:2008:3, punt 34); 7 juli 2009, Commissie/Griekenland (C‑369/07, EU:C:2009:428, punt 112); 17 november 2011, Commissie/Italië (C‑496/09, EU:C:2011:740, punt 37), en 17 oktober 2013, Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659, punt 64).


29      Arresten van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 54), en 22 juni 2016, Commissie/Portugal (C‑557/14, EU:C:2016:471, punt 70).


30      Arresten van 2 december 2014, Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 98), en 7 september 2016, Commissie/Griekenland (C‑584/14, EU:C:2016:636, punt 77).


31      Zie ook arrest van 25 februari 2016, Commissie/Spanje (C‑454/14, EU:C:2016:117, punt 63).


32      Zo heeft de president van het Hof in de beschikking van 28 januari 2013, Commissie/Slowakije (C‑305/12, EU:C:2013:38, punt 4), vastgesteld dat Slowakije haar verplichting tot omzetting van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB 2008, L 312, blz. 3) pas gedurende de gerechtelijke procedure is nagekomen, dat wil zeggen met een vertraging van ongeveer twee jaar. De president van de Achtste kamer van het Hof heeft bij beschikking van 19 mei 2011, Commissie/Slowakije (C‑253/10, EU:C:2011:325, punt 4), iets vergelijkbaars vastgesteld met betrekking tot de omzetting van de afvalstortrichtlijn, waar de vertraging beduidend groter was. Daarentegen werd het arrest van 15 januari 2013, Križan e.a. (C‑416/10, EU:C:2013:8), gewezen op grond van een verzoek om een prejudiciële beslissing en werden om die reden geen vaststellingen getroffen met betrekking tot de vraag of in verband met de daar aan de orde zijnde stortplaats inbreuk werd gemaakt op het Unierecht.


33      Arresten van 2 december 2014, Commissie/Griekenland (C‑378/13, EU:C:2014:2405, punt 57), en 7 september 2016, Commissie/Griekenland (C‑584/14, EU:C:2016:636, punt 80).      


34      Volgens mededeling C(2016) 5091 final van de Commissie van 9 augustus 2016 dient hiervoor een basisbedrag van 680 EUR, vermenigvuldigd met de coëfficiënt 1,64, te worden toegepast. De Commissie beroept zich in haar verzoekschrift nog op haar mededeling C(2015) 5511 van 5 augustus 2015, die gold toen zij op 16 juni 2016 een beslissing nam over het instellen van het beroep.


35      Arrest van 2 december 2014, Commissie/Griekenland (C‑378/13, EU:C:2014:2405, punten 71‑73).


36      Zie arrest van 2 december 2014, Commissie/Griekenland (C‑378/13, EU:C:2014:2405, punt 78).


37      Mededeling van 13 december 2005 over de „Toepassing van artikel 228 EG-Verdrag” [SEC(2005) 1658], punt 20.


38      Zie met name arrest van 22 juni 2016, Commissie/Portugal (C‑557/14, EU:C:2016:471, punten 43 en 44, 62 en 63 alsmede 102), en mijn conclusie in deze zaak (EU:C:2016:119, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).