Language of document : ECLI:EU:C:2018:36

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

25 januari 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 7 – Eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven – Richtlijn 2011/95/EU – Normen voor erkenning als vluchteling of als persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt – Vrees voor vervolging wegens seksuele gerichtheid – Artikel 4 – Beoordeling van de feiten en omstandigheden – Beroep op een deskundigenonderzoek – Psychologische testen”

In zaak C‑473/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (bestuurs- en arbeidsrechter Szeged, Hongarije) bij beslissing van 8 augustus 2016, ingekomen bij het Hof op 29 augustus 2016, in de procedure

F.

tegen

Bevándorlási és Állampolgársági Hivatal,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), kamerpresident, J. Malenovský, M. Safjan, D. Šváby en M. Vilaras, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: R. Șereș, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 juli 2017,

gelet op de opmerkingen ingediend door:

–        F., vertegenwoordigd door T. Fazekas en Z. B. Barcza-Szabó, ügyvédek,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér, G. Koós en M. M. Tátrai als gemachtigden,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas, E. de Moustier en E. Armoët als gemachtigden,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Gijzen en M. Bulterman als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande en A. Tokár als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 oktober 2017,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en van artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen F., Nigeriaans onderdaan, en Bevándorlási és Állampolgársági Hivatal (dienst immigratie en nationaliteit, Hongarije) (hierna „immigratiedienst”) betreffende het besluit waarbij het asielverzoek van F. werd afgewezen en werd vastgesteld dat niets aan zijn refoulement in de weg stond.

 Toepasselijke bepalingen

 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3        In artikel 8, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, wordt bepaald:

„Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.”

 Unierecht

 Richtlijn 2005/85/EG

4        Artikel 2, aanhef en onder e), van richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005, L 326, blz. 13) luidt als volgt:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[…]

e)      ‚beslissingsautoriteit’: elk semi-rechterlijk of administratief orgaan in een lidstaat dat met de behandeling van asielverzoeken is belast en bevoegd is daarover in eerste aanleg een beslissing te nemen, behoudens bijlage I”.

5        In artikel 4, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn is bepaald:

„De lidstaten wijzen voor alle procedures een beslissingsautoriteit aan die de verzoeken naar behoren dient te behandelen overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn […].”

6        Artikel 8, lid 2, van die richtlijn luidt als volgt:

„De lidstaten zien erop toe dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. […]”

7        Artikel 13, lid 3, van die richtlijn is als volgt geformuleerd:

„De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een persoonlijk onderhoud plaatsvindt in zodanige omstandigheden dat een asielzoeker de gronden voor zijn asielverzoek uitvoerig uiteen kan zetten. Met het oog hierop dienen de lidstaten:

a)      erop toe te zien dat de persoon die het persoonlijke onderhoud afneemt voldoende bekwaam is om rekening te houden met de persoonlijke of algemene omstandigheden die een rol spelen bij het asielverzoek, met inbegrip van de culturele achtergrond en kwetsbaarheid van de asielzoeker, voor zover dat mogelijk is, […]”

8        Artikel 39, leden 1 en 2, van richtlijn 2005/85 luidt als volgt:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat voor asielzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen:

a)      een beslissing die inzake hun asielverzoek is gegeven, […]

[…]

2.      De lidstaten stellen termijnen en andere vereiste voorschriften vast opdat de asielzoeker zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens lid 1 kan uitoefenen.”

 Richtlijn 2011/95

9        Overweging 30 van richtlijn 2011/95 is als volgt verwoord:

„Het is evenzeer nodig tot een gemeenschappelijke opvatting te komen aangaande de vervolgingsgrond ‚het behoren tot een bepaalde sociale groep’. Bij het omschrijven van een bepaalde sociale groep moet, voor zover deze verband houden met de gegronde vrees voor vervolging van de verzoeker, terdege rekening worden gehouden met genderaspecten, met inbegrip van genderidentiteit en seksuele gerichtheid, die kunnen samenhangen met bepaalde juridische tradities en gewoonten, en die bijvoorbeeld kunnen leiden tot genitale verminking, gedwongen sterilisatie of gedwongen abortus.”

10      Artikel 4 van deze richtlijn luidt als volgt:

„1.      De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

2.      De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.

3.      De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:

a)      alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;

b)      de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden;

c)      de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen;

d)      de vraag of zijn activiteiten, sedert hij zijn land heeft verlaten, uitsluitend ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zal worden blootgesteld;

e)      de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de verzoeker zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen.

[…]

5.      Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is:

a)      de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;

b)      alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

c)      de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek;

d)      de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en

e)      vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.”

11      Artikel 10 van deze richtlijn luidt als volgt:

„1.      Bij de beoordeling van de gronden van vervolging houden de lidstaten rekening met de volgende elementen:

[…]

d)      een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name:

–        leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en

–        de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.

Afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst kan een specifieke sociale groep een groep zijn die als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid heeft. Seksuele gerichtheid omvat geen handelingen die volgens het nationale recht van de lidstaten als strafbaar worden beschouwd. […]

[…]

2.      Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.”

12      In artikel 39, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn is het volgende vastgesteld:

„De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 21 december 2013 aan de artikelen 1, 2, 4, 7, 8, 9, 10, 11, 16, 19, 20, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34 en 35 te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.”

13      Artikel 40, eerste alinea, van richtlijn 2011/95 is als volgt geformuleerd:

„Richtlijn 2004/83/EG wordt voor de door deze richtlijn gebonden lidstaten ingetrokken met ingang van 21 december 2013 […].”

 Richtlijn 2013/32/EU

14      In artikel 4, lid 1, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60) is bepaald:

„De lidstaten wijzen voor alle procedures een beslissingsautoriteit aan die verzoeken naar behoren dient te behandelen overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn. De lidstaten zorgen ervoor dat deze autoriteit over passende middelen beschikt, met inbegrip van voldoende personeel dat bekwaam is, om haar taken overeenkomstig deze richtlijn uit te voeren.”

15      Artikel 10, lid 3, van deze richtlijn luidt als volgt:

„De lidstaten zorgen ervoor dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat:

[…]

d)      het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, de mogelijkheid heeft om, telkens wanneer dat nodig is, advies te vragen van deskundigen over specifieke kwesties, zoals medische, culturele, religieuze, kind- of gendergerelateerde kwesties.”

16      In artikel 15, lid 3, van deze richtlijn is het volgende vastgesteld:

„De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een persoonlijk onderhoud plaatsvindt in zodanige omstandigheden dat een verzoeker de gronden voor zijn verzoek uitvoerig uiteen kan zetten. Met het oog hierop dienen de lidstaten:

a)      ervoor te zorgen dat de persoon die het persoonlijke onderhoud afneemt bekwaam is om rekening te houden met de persoonlijke en algemene omstandigheden die een rol spelen bij het verzoek, met inbegrip van de culturele achtergrond, gender, seksuele gerichtheid, genderidentiteit of kwetsbaarheid van de verzoeker;

[…]”

17      Artikel 46, leden 1 en 4, van deze richtlijn is als volgt verwoord:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen:

a)      een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing:

i)      om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus;

[…]

4.      De lidstaten stellen redelijke termijnen en andere vereiste voorschriften vast opdat de verzoeker zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens lid 1 kan uitoefenen. […]

[…]”

18      In artikel 51, lid 1, van richtlijn 2013/32 is bepaald:

„De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 20 juli 2015 aan de artikelen 1 tot en met 30, artikel 31, leden 1, 2 en 6 tot en met 9, de artikelen 32 tot en met 46, de artikelen 49 en 50 en bijlage I, te voldoen. Zij stellen de Commissie van de tekst van die bepalingen onverwijld in kennis.”

19      Artikel 52, eerste alinea, van deze richtlijn is als volgt geformuleerd:

„De lidstaten passen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen bedoeld in artikel 51, lid 1, toe op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend en op de procedures tot intrekking van de internationale bescherming die zijn ingeleid na 20 juli 2015 of een eerdere datum. Verzoeken die zijn ingediend vóór 20 juli 2015 en procedures tot intrekking van de vluchtelingenstatus die zijn ingeleid vóór die datum zijn onderworpen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen krachtens richtlijn 2005/85/EG.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

20      F. heeft in april 2015 bij de Hongaarse autoriteiten een asielverzoek ingediend.

21      Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft hij al in het eerste onderhoud met de immigratiedienst gesteld dat hij gegronde redenen had om te vrezen in zijn land te zullen worden vervolgd wegens zijn homoseksualiteit.

22      Bij besluit van 1 oktober 2015 heeft de immigratiedienst dit verzoek afgewezen. De immigratiedienst heeft in dit verband vastgesteld dat de verklaringen van F. geen essentiële tegenstrijdigheden bevatten, maar kwam op grond van psychologisch deskundigenonderzoek toch tot de slotsom dat F. niet geloofwaardig was. Dit deskundigenonderzoek bestond uit een oriënterend onderzoek, een persoonlijkheidsonderzoek en diverse persoonlijkheidstests, namelijk een Draw-a-Person-in-the-Rain (DAPR)-test, een Rorschach-test alsmede een Szondi-test en leidde tot de gevolgtrekking dat F.’s bewering over zijn homoseksualiteit niet kon worden gestaafd.

23      F. heeft bij de verwijzende rechterlijke instantie beroep ingesteld tegen het besluit van de immigratiedienst, waarbij hij in het bijzonder stelde dat de psychologische tests die hij heeft ondergaan, ernstig inbreuk maakten op zijn grondrechten en niet geschikt waren om de aannemelijkheid van zijn vermeende seksuele gerichtheid te beoordelen.

24      Volgens de verwijzende rechterlijke instantie heeft verzoeker in het hoofdgeding niet concreet aangegeven in welk opzicht deze tests inbreuk hebben gemaakt op de door het Handvest gewaarborgde grondrechten. Deze rechterlijke instantie geeft eveneens nader aan dat F. zelf heeft verklaard aan geen enkel lichamelijk onderzoek te zijn onderworpen, en dat hij niet gedwongen is om pornografische beelden of video’s te bekijken.

25      Na een maatregel van instructie van de verwijzende rechterlijke instantie heeft de Igazságügyi Szakértői és Kutató Intézet (Instituut van forensische deskundigen en onderzoekers, Hongarije) een deskundigenverslag opgesteld waaruit blijkt dat de tijdens het onderzoek van de asielaanvraag gehanteerde testmethoden geen inbreuk maken op de menselijke waardigheid en, naast een „explorerend onderzoek”, een indruk kunnen geven van de seksuele gerichtheid van een persoon alsmede, in voorkomend geval, iemands beweringen hierover in twijfel kunnen trekken. De verwijzende rechterlijke instantie verklaart dat zij zich gebonden acht aan de conclusies van dit verslag.

26      In deze omstandigheden heeft de Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (bestuurs- en arbeidsrechter Szeged, Hongarije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet artikel 4 van richtlijn 2011/95 in het licht van artikel 1 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat, wanneer lesbische, homoseksuele, biseksuele, transseksuele of interseksuele personen (LGBTI’s) een asielaanvraag indienen, een deskundig advies van een gerechtspsycholoog wordt ingewonnen dat op projectieve persoonlijkheidstests is gebaseerd, en dat hiermee bij de beoordeling rekening wordt gehouden, wanneer dit advies wordt opgesteld zonder dat aan de asielzoeker vragen over zijn seksuele gewoonten worden gesteld en zonder dat hij aan een lichamelijk onderzoek wordt onderworpen?

2)      Indien het in de eerste vraag genoemde deskundig advies niet als bewijs kan worden gebruikt, moet artikel 4 van richtlijn 2011/95, gelezen in het licht van artikel 1 van het Handvest, dan aldus worden uitgelegd dat, wanneer de asielzoeker ter ondersteuning van zijn aanvraag aanvoert dat hij wegens zijn seksuele geaardheid wordt vervolgd, noch de administratieve autoriteiten noch de rechterlijke instanties de mogelijkheid hebben om aan de hand van een deskundigenonderzoek de geloofwaardigheid van de asielzoeker te onderzoeken, ongeacht de specifieke eigenschappen van de bij dit onderzoek gebruikte methode?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Tweede vraag

27      Met haar tweede vraag, die als eerste dient te worden beantwoord, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 4 van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de autoriteit belast met het onderzoek van verzoeken om internationale bescherming, of de rechterlijke instanties waarbij in voorkomend geval beroep is ingesteld tegen een besluit van deze autoriteit, in het kader van de beoordeling van de feiten en omstandigheden betreffende de aangevoerde seksuele gerichtheid van een verzoeker een deskundigenonderzoek gelasten.

28      Er moet op worden gewezen dat de verklaringen die een persoon die om internationale bescherming verzoekt, over zijn seksuele gerichtheid heeft afgelegd, gelet op de bijzondere context van verzoeken om internationale bescherming, slechts het uitgangspunt in de procedure van het onderzoek van de feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2011/95 vormen (zie naar analogie arrest van 2 december 2014, A. e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 49).

29      Daaruit volgt dat het weliswaar aan de verzoeker om internationale bescherming staat om te wijzen op deze gerichtheid, die een element van zijn persoonlijke levenssfeer vormt, doch dat verzoeken om internationale bescherming die zijn gebaseerd op vrees voor vervolging wegens die gerichtheid, net als verzoeken op basis van andere gronden van vervolging, voorwerp van de beoordeling in de zin van artikel 4 van die richtlijn kunnen vormen (zie naar analogie arrest van 2 december 2014, A. e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 52).

30      Er zij in dit opzicht aan herinnerd dat seksuele gerichtheid een kenmerk vormt op grond waarvan een aanvrager tot een bepaalde sociale groep in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95 kan worden gerekend wanneer een groep mensen met dezelfde seksuele gerichtheid in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd (zie in die zin arrest van 7 november 2013, X. e.a., C‑199/12–C‑201/12, EU:C:2013:720, punten 46 en 47), zoals overigens in artikel 10, lid 1, onder d), van deze richtlijn wordt bevestigd.

31      Uit artikel 10, lid 2, van deze richtlijn volgt evenwel dat het, wanneer lidstaten beoordelen of een verzoeker terecht vreest voor vervolging, niet van belang is of deze verzoeker werkelijk de kenmerken heeft op grond waarvan een bepaalde sociale groep wordt vervolgd, indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.

32      Om uitspraak te kunnen doen over een verzoek om internationale bescherming op grond van vrees voor vervolging wegens seksuele gerichtheid is het in het kader van het onderzoek van de feiten en omstandigheden bedoeld in artikel 4 van deze richtlijn derhalve niet altijd noodzakelijk om de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van de verzoeker te beoordelen.

33      Niettemin moet worden vastgesteld dat artikel 4, lid 3, van richtlijn 2011/95 een opsomming bevat van de punten waarmee de bevoegde autoriteiten rekening moeten houden bij de individuele beoordeling van een verzoek om internationale bescherming, en dat in artikel 4, lid 5, van deze richtlijn nader is aangegeven onder welke voorwaarden een lidstaat er bij toepassing van het beginsel dat het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, rekening mee moet houden dat de verzoeker bij een aantal van zijn verklaringen geloofwaardig wordt geacht en het voordeel van de twijfel wordt gegund. Tot die voorwaarden behoort met name dat de verklaringen van de verzoeker samenhangend en aannemelijk worden bevonden en niet in strijd zijn met de voor zijn verzoek relevante beschikbare algemene en specifieke informatie, alsmede dat is komen vast te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

34      In dit verband moet worden vastgesteld dat deze bepalingen de middelen waarover de bevoegde autoriteiten beschikken, niet inperken en in het bijzonder niet uitsluiten dat zij in het kader van het onderzoek naar de feiten en omstandigheden een beroep doen op deskundigenonderzoeken opdat nauwkeuriger kan worden vastgesteld welke internationale bescherming de verzoeker werkelijk nodig heeft.

35      Dat neemt niet weg dat een eventueel beroep op een deskundigenonderzoek in dit kader in overeenstemming moet zijn met de andere relevante bepalingen van Unierecht, in het bijzonder met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten zoals het in artikel 1 van het Handvest vervatte recht op eerbiediging van de menselijke waardigheid en het in artikel 7 ervan gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven (zie in die zin arrest van 2 december 2014, A. e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 53).

36      Hoewel artikel 4 van richtlijn 2011/95 van toepassing is op alle verzoeken om internationale bescherming, ongeacht de ter ondersteuning van die verzoeken ingeroepen gronden van vervolging, neemt dit niet weg dat het aan de bevoegde autoriteiten staat om hun wijze van beoordeling van de verklaringen en het bewijsmateriaal aan te passen aan de specifieke kenmerken van elke categorie asielaanvragen, met inachtneming van de door het Handvest gewaarborgde rechten (zie naar analogie arrest van 2 december 2014, A. e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 54).

37      Het kan niet worden uitgesloten dat specifiek bij de beoordeling van de verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming wegens seksuele gerichtheid bepaalde vormen van deskundigenonderzoek bij de toetsing van de feiten en omstandigheden nuttig kunnen blijken en uitgevoerd kunnen worden zonder inbreuk te maken op de grondrechten van de verzoeker.

38      Zoals de Franse en Nederlandse regering benadrukken, maakt een beroep op een deskundige het aldus met name mogelijk vollediger informatie te verkrijgen over de situatie van personen met een bepaalde seksuele gerichtheid in het derde land waar de verzoeker vandaan komt.

39      Volgens artikel 10, lid 3, onder d), van richtlijn 2013/32, dat overeenkomstig artikel 51, lid 1, hiervan uiterlijk op 20 juli 2015 in nationaal recht moest worden omgezet, moeten de lidstaten er overigens voor zorgen dat het personeel dat de verzoeken moet behandelen en hierover beslissingen moet nemen, de mogelijkheid heeft om in voorkomend geval advies te vragen aan deskundigen over bijzondere kwesties als genderaspecten, waaronder blijkens overweging 30 van richtlijn 2011/95 vooral vragen vallen die betrekking hebben op genderidentiteit en seksuele gerichtheid.

40      Desalniettemin moet worden opgemerkt dat uit zowel artikel 4, lid 1, en artikel 8, lid 2, van richtlijn 2005/85, als uit artikel 4, lid 1, en artikel 10, lid 3, van richtlijn 2013/32, volgt dat de beslissingsautoriteit de verzoeken naar behoren dient te behandelen alvorens zij daarover een beslissing neemt. Het staat dus alleen aan dergelijke autoriteiten om onder rechterlijk toezicht de feiten en omstandigheden bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2011/95 te onderzoeken (zie in die zin arrest van 26 februari 2015, Shepherd, C‑472/13, EU:C:2015:117, punt 40).

41      Voorts volgt uit artikel 4 van deze richtlijn dat het verzoek om internationale bescherming tevens individueel moet worden beoordeeld, waarbij met name rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten die verband houden met de situatie in het land van herkomst van de belanghebbende op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met de door hem aangebrachte relevante informatie en documenten alsmede met diens individuele situatie en persoonlijke omstandigheden. In voorkomend geval moet de bevoegde autoriteit ook rekening houden met de verklaringen omtrent het ontbreken van bewijselementen en met het feit dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd (zie naar analogie arresten van 26 februari 2015, Shepherd, C‑472/13, EU:C:2015:117, punt 26, en van 9 februari 2017, M., C‑560/14, EU:C:2017:101, punt 36).

42      Daaruit volgt dat de beslissingsautoriteit haar besluit niet uitsluitend op de conclusies van een deskundigenverslag mag baseren en dat deze autoriteit bij de beoordeling van de verklaringen van een verzoeker over diens seksuele gerichtheid a fortiori niet aan deze conclusies gebonden kan zijn.

43      Met betrekking tot de mogelijkheid tot het gelasten van een deskundigenonderzoek door een rechterlijke instantie waarbij een beroep tegen een besluit van de beslissingsautoriteit houdende afwijzing van een verzoek om internationale bescherming aanhangig is gemaakt, moet worden toegevoegd dat zowel in artikel 39, lid 1, van richtlijn 2005/85 als in artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32 is bepaald dat de verzoeker moet beschikken over een effectief beroepsrecht bij een rechterlijke instantie tegen dit besluit, maar niet nader wordt gespecificeerd welke maatregelen van instructie deze rechterlijke instantie rechtens kan gelasten.

44      In artikel 39, lid 2, van richtlijn 2005/85 en artikel 46, lid 4, van richtlijn 2013/32 is bovendien nader aangegeven dat het aan de lidstaten is om de vereiste voorschriften vast te stellen voor de uitoefening van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel door de verzoeker.

45      Weliswaar is het dus niet onverenigbaar met deze bepalingen dat een rechterlijke instantie met het oog op een effectieve toetsing van een besluit van de beslissingsautoriteit een deskundigenonderzoek gelast, maar gezien de specifieke rol die de rechterlijke instanties in artikel 39 van richtlijn 2005/85 en artikel 46 van richtlijn 2013/32 is toegekend en gezien de in punt 41 van dit arrest opgenomen overwegingen ter zake van artikel 4 van richtlijn 2011/95, neemt dat niet weg dat de aangezochte rechterlijke instantie haar beslissing niet uitsluitend kan baseren op de conclusies van een deskundigenverslag en a fortiori niet gebonden kan zijn aan de in deze conclusies opgenomen beoordeling van de verklaringen van een verzoeker over diens seksuele gerichtheid.

46      Op grond hiervan moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 4 van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat de autoriteit belast met het onderzoek van verzoeken om internationale bescherming, of de rechterlijke instanties waarbij in voorkomend geval beroep is ingesteld tegen een besluit van deze autoriteit, in het kader van de beoordeling van de feiten en omstandigheden betreffende de aangevoerde seksuele gerichtheid van een asielzoeker een deskundigenonderzoek gelasten, voor zover een dergelijk onderzoek in overeenstemming met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten wordt uitgevoerd, de genoemde autoriteit en deze rechterlijke instanties hun beslissing niet uitsluitend op de conclusies van het deskundigenverslag baseren en zij bij de beoordeling van de verklaringen van een verzoeker over diens seksuele gerichtheid niet aan deze conclusies zijn gebonden.

 Eerste vraag

47      Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 4 van richtlijn 2011/95, gelezen in het licht van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de uitvoering en toepassing – met het oog op de beoordeling van de aangevoerde seksuele gerichtheid van een verzoeker om internationale bescherming – van een psychologisch deskundigenonderzoek zoals dat in het hoofdgeding, dat tot doel heeft om op basis van projectieve persoonlijkheidstests een indruk te krijgen van de seksuele gerichtheid van deze verzoeker.

48      Uit het antwoord op de tweede vraag en de overwegingen in punt 35 van dit arrest volgt dat artikel 4 van richtlijn 2011/95 zich weliswaar niet ertegen verzet dat de beslissingsautoriteit of de rechterlijke instantie waarbij een beroep tegen een besluit van deze autoriteit aanhangig is, in een situatie zoals die in het hoofdgeding een deskundigenonderzoek gelasten, maar dat de wijze waarop een beroep wordt gedaan op een dergelijk onderzoek met name in overeenstemming moet zijn met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten.

49      Tot de grondrechten die specifiek relevant zijn voor het onderzoek van de verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming over zijn seksuele gerichtheid behoort met name het in artikel 7 van het Handvest geformuleerde recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven (zie in die zin arrest van 2 december 2014, A. e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 64).

50      Artikel 4 van richtlijn 2011/95 moet derhalve in het licht van artikel 7 van het Handvest worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 21 april 2016, Khachab, C‑558/14, EU:C:2016:285, punt 28).

51      In dit verband dient te worden opgemerkt dat de beslissingsautoriteit een psychologisch deskundigenonderzoek zoals dat in het hoofdgeding specifiek heeft gelast in het kader van de beoordeling van het door de betrokken persoon ingediende verzoek om internationale bescherming.

52      Hieruit volgt dat dit deskundigenonderzoek wordt uitgevoerd in omstandigheden waarin de toekomst van de persoon die wordt opgeroepen zich te onderwerpen aan projectieve persoonlijkheidstests, zeer afhankelijk is van het gevolg dat deze autoriteit aan het verzoek om internationale bescherming geeft, en waarin een eventuele weigering om zich aan deze tests te onderwerpen een belangrijk gegeven kan vormen waarop de genoemde autoriteit zich bij de vaststelling of deze persoon zijn verzoek voldoende heeft gestaafd, kan baseren.

53      Derhalve dient te worden geoordeeld dat zelfs indien de betrokken persoon formeel toestemming moet geven voor de uitvoering van de psychologische tests waarop een deskundigenonderzoek zoals dat in het hoofdgeding is gebaseerd, hier niet noodzakelijkerwijs sprake is van vrijwillige toestemming, aangezien deze toestemming de facto wordt afgedwongen door de druk van de omstandigheden waarin de verzoeker om internationale bescherming zich bevindt (zie naar analogie arrest van 2 december 2014, A. e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 66).

54      Zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vormt de uitvoering en toepassing van een psychologisch deskundigenonderzoek zoals dat in het hoofdgeding in deze omstandigheden een inmenging in het recht van deze persoon op eerbiediging van zijn privéleven.

55      Volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest moeten beperkingen op de uitoefening van de daarin erkende rechten en vrijheden bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen aan de uitoefening van die rechten en het gebruik van die vrijheden slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Europese Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

56      Wat in het bijzonder de evenredigheid van de geconstateerde inmenging betreft, dient eraan te worden herinnerd dat het evenredigheidsbeginsel volgens vaste rechtspraak van het Hof verlangt dat vastgestelde handelingen niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelen (zie in die zin arresten van 10 maart 2005, Tempelman en Van Schaijk, C‑96/03 en C‑97/03, EU:C:2005:145, punt 47; 16 juli 2015, CHEZ Razpredelenie Bulgaria, C‑83/14, EU:C:2015:480, punt 123, en 15 februari 2016, N., C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 54).

57      Ofschoon het onderzoek naar de elementen op grond waarvan de werkelijke behoefte aan internationale bescherming van een verzoeker kan worden beoordeeld, weliswaar een inmenging in diens privéleven kan rechtvaardigen, dient de beslissingsautoriteit in deze context onder rechterlijk toezicht te beoordelen of het deskundigenonderzoek dat zij beoogt te gelasten of waar zij rekening mee wenst te houden, passend en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van dit doel.

58      In dit verband dient te worden benadrukt dat een deskundigenonderzoek zoals dat in het hoofdgeding slechts passend kan worden geacht indien het is gebaseerd op methoden en beginselen die volgens de normen die door de internationale wetenschap zijn erkend, betrouwbaar genoeg zijn. Hieromtrent dient te worden opgemerkt dat het weliswaar niet aan het Hof is om uitspraak te doen over dit punt, dat betrekking heeft op een feitelijke beoordeling en daarom onder de bevoegdheid van de nationale rechter valt, maar dat de Franse en Nederlandse regering alsmede de Commissie de betrouwbaarheid van een dergelijk deskundigenonderzoek krachtig hebben bestreden.

59      In elk geval blijkt dat een deskundigenonderzoek zoals dat in het hoofdgeding in verhouding tot het beoogde doel bijzonder grote gevolgen voor het privéleven van de verzoeker heeft, aangezien de ernst van de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven dat een dergelijk deskundigenonderzoek oplevert, niet evenredig is aan het nut dat een dergelijk onderzoek eventueel zou kunnen hebben voor de beoordeling van de feiten en omstandigheden bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2011/95.

60      In de eerste plaats leidt de uitvoering en toepassing van een deskundigenonderzoek zoals dat in het hoofdgeding, gezien de aard en het voorwerp ervan, immers tot een bijzonder ernstige aantasting van het privéleven van de verzoeker om internationale bescherming.

61      Een dergelijk deskundigenonderzoek is met name gebaseerd op een serie psychologische tests die de betrokken persoon moet ondergaan en die bedoeld zijn om een essentieel element van diens identiteit aan te tonen. Dit element betreft de persoonlijke levenssfeer van deze persoon in die zin dat het betrekking heeft op intieme aspecten van zijn leven (zie in die zin arresten van 7 november 2013, X. e.a., C‑199/12–C‑201/12, EU:C:2013:720, punt 46, en 2 december 2014, A. e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punten 52 en 69).

62      Om te kunnen vaststellen in welke mate de uitvoering en het gebruik van een psychologisch deskundigenonderzoek zoals dat in het hoofdgeding tot een aantasting van het privéleven leiden, moet eveneens rekening worden gehouden met beginsel 18 van de Yogyakarta-beginselen betreffende de toepassing van het internationaal recht inzake mensenrechten met betrekking tot seksuele geaardheid en genderidentiteit, waar de Franse en Nederlandse regering naar verwijzen. In dit beginsel 18 wordt in het bijzonder nader aangegeven dat niemand gedwongen mag worden om enigerlei psychologische test te ondergaan op grond van zijn seksuele geaardheid of genderidentiteit.

63      Uit al deze elementen samen volgt dat de uitvoering en toepassing van een deskundigenonderzoek zoals dat in het hoofdgeding een ernstiger aantasting van het privéleven vormt dan nodig is om de verklaringen te toetsen waarin een verzoeker om internationale bescherming zijn vrees voor vervolging op grond van zijn seksuele gerichtheid weergeeft, of dan nodig is ingeval met een ander doel dan het aantonen van de seksuele gerichtheid van de verzoeker een beroep wordt gedaan op een psychologisch deskundigenonderzoek.

64      In de tweede plaats dient eraan te worden herinnerd dat een deskundigenonderzoek zoals dat in het hoofdgeding moet worden bezien in het kader van de toetsing van de feiten en omstandigheden bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2011/95.

65      Om uitspraak te kunnen doen op een verzoek om internationale bescherming op grond van vrees voor vervolging wegens seksuele gerichtheid kan een dergelijk deskundigenonderzoek ter bevestiging van de verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming over zijn seksuele gerichtheid, in deze context niet onmisbaar worden geacht.

66      Het persoonlijk onderhoud met het personeel van de beslissingsautoriteit is immers van dien aard dat het aan de beoordeling van deze verklaringen bijdraagt, aangezien in artikel 13, lid 3, onder a), van richtlijn 2005/85 alsook in artikel 15, lid 3, onder a), van richtlijn 2013/32 is bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat de persoon die het persoonlijk onderhoud afneemt, bekwaam is om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden die een rol spelen bij het verzoek, tot welke omstandigheden onder meer de seksuele gerichtheid van de verzoeker behoort.

67      Meer in het algemeen volgt uit artikel 4, lid 1, van deze richtlijn dat de lidstaten gehouden zijn ervoor te zorgen dat de beslissingsautoriteit over passende middelen beschikt, met inbegrip van voldoende en bekwaam personeel, om haar taken overeenkomstig deze richtlijn uit te voeren. Hieruit volgt dat het personeel van deze autoriteit onder meer bekwaam moet zijn om een oordeel te geven over verzoeken om internationale bescherming die worden onderbouwd met vrees voor vervolging wegens seksuele gerichtheid.

68      Tevens volgt uit artikel 4, lid 5, van richtlijn 2011/95 dat, wanneer lidstaten het beginsel toepassen dat het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te onderbouwen, de verklaringen van de verzoeker over zijn seksuele gerichtheid ondanks het ontbreken van schriftelijk of ander bewijsmateriaal geloofwaardig worden geacht indien aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan. Het gaat daarbij om voorwaarden die met name betrekking hebben op de samenhang en aannemelijkheid van deze verklaringen en op geen enkele manier zien op de uitvoering of het gebruik van een deskundigenonderzoek.

69      Daarbij komt dat, zelfs indien een deskundigenonderzoek gebaseerd op projectieve persoonlijkheidstests zoals dat in het hoofdgeding op enigszins betrouwbare wijze zou kunnen bijdragen aan de vaststelling van de seksuele gerichtheid van de betrokken persoon, uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechterlijke instantie blijkt dat de uitkomst van een dergelijk deskundigenonderzoek alleen een globale indruk kan geven van deze seksuele gerichtheid. Derhalve verschaft deze uitkomst naar de aard ervan in elk geval hooguit een benadering en is zij dus slechts van beperkte waarde bij de beoordeling van de verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming. Dit is in het bijzonder zo indien deze verklaringen, zoals in het hoofdgeding, geen tegenstrijdigheden bevatten.

70      In deze omstandigheden is het ter beantwoording van de eerste vraag niet noodzakelijk om artikel 4 van richtlijn 2011/95 eveneens in het licht van artikel 1 van het Handvest uit te leggen.

71      Uit een en ander volgt dat op de eerste vraag dient te worden geantwoord dat artikel 4 van richtlijn 2011/95, gelezen in het licht van artikel 7 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de uitvoering en toepassing – met het oog op de beoordeling van de aangevoerde seksuele gerichtheid van een verzoeker om internationale bescherming – van een psychologisch deskundigenonderzoek zoals dat in het hoofdgeding, dat tot doel heeft om op basis van projectieve persoonlijkheidstests een indruk te krijgen van de seksuele gerichtheid van deze verzoeker.

 Kosten

72      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat de autoriteit belast met het onderzoek van verzoeken om internationale bescherming, of de rechterlijke instanties waarbij in voorkomend geval beroep is ingesteld tegen een besluit van deze autoriteit, in het kader van de beoordeling van de feiten en omstandigheden betreffende de aangevoerde seksuele gerichtheid van een asielzoeker een deskundigenonderzoek gelasten, voor zover een dergelijk onderzoek in overeenstemming met de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten wordt uitgevoerd, de genoemde autoriteit en deze rechterlijke instanties hun beslissing niet uitsluitend op de conclusies van het deskundigenverslag baseren en zij bij de beoordeling van de verklaringen van een verzoeker over diens seksuele gerichtheid niet aan deze conclusies zijn gebonden.

2)      Artikel 4 van richtlijn 2011/95, gelezen in het licht van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten, moet aldus worden uitgelegd dat het zichverzet tegen de uitvoering en toepassing – met het oog op de beoordeling van de aangevoerde seksuele gerichtheid van een verzoeker om internationale bescherming – van een psychologisch deskundigenonderzoek zoals dat in het hoofdgeding, dat tot doel heeft om op basis van projectieve persoonlijkheidstests een indruk te krijgen van de seksuele gerichtheid van deze verzoeker.

ondertekeningen


*      Procestaal: Hongaars.