Language of document : ECLI:EU:T:2018:181

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

12 april 2018 (*)

„Arbitragebeding – Personeel van internationale missies van de Europese Unie – Geschillen inzake arbeidsovereenkomsten – Interne onderzoeksprocedures – Bescherming van slachtoffers bij melding van een situatie van intimidatie – Contractuele aansprakelijkheid”

In zaak T‑763/16,

PY, vertegenwoordigd door S. Rodrigues en A. Tymen, advocaten,

verzoeker,

tegen

EUCAP Sahel Niger, vertegenwoordigd door E. Raoult en M. Vicente Hernandez, advocaten,

verweerster,

betreffende een op artikel 272 VWEU gebaseerd verzoek om EUCAP Sahel Niger te veroordelen tot vergoeding van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de niet-nakoming van een contractuele verplichting door EUCAP Sahel Niger,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: D. Gratsias, president, A. Dittrich en P. G. Xuereb (rapporteur), rechters,

griffier: G. Predonzani, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 oktober 2017,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        EUCAP Sahel Niger (hierna: „missie”) is een missie in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids‑ en defensiebeleid (GVDB), ingesteld bij besluit 2012/392/GBVB van de Raad van 16 juli 2012 betreffende de GVDB-missie van de Europese Unie in Niger (EUCAP SAHEL Niger) (PB 2012, L 187, blz. 48), laatstelijk gewijzigd bij besluit (GBVB) 2017/1253 van de Raad van 11 juli 2017 (PB 2017, L 179, blz. 15).

2        Volgens artikel 2 van besluit 2012/392, zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2016/1172 van de Raad van 18 juli 2016 (PB 2016, L 193, blz. 106), heeft de missie in het kader van de uitvoering van de strategie van de Europese Unie voor veiligheid en ontwikkeling in de Sahel tot doel, de Nigerese autoriteiten in staat te stellen hun eigen nationale veiligheidsstrategie uit te stippelen en te implementeren. De missie heeft tevens tot doel ertoe bij te dragen dat onder de verschillende Nigerese veiligheidsactoren een geïntegreerde, multidisciplinaire, samenhangende, duurzame en op mensenrechten gebaseerde aanpak van de strijd tegen terrorisme en georganiseerde criminaliteit wordt ontwikkeld. Daarnaast ondersteunt de missie de Nigerese centrale en lokale autoriteiten en veiligheidstroepen bij het ontwikkelen van beleid, technieken en procedures om irreguliere migratie beter te beheersen en te bestrijden.

3        Volgens artikel 7, lid 3, van besluit 2012/392 werft de missie internationaal en lokaal personeel op contractbasis aan, indien de vereiste functies niet kunnen worden vervuld door personeel dat door de lidstaten is gedetacheerd. Artikel 7, lid 4, van dat besluit bepaalt dat de arbeidsvoorwaarden en de rechten en plichten van het internationale en het lokale personeel zijn opgenomen in contracten tussen het hoofd van de missie en de betrokken personeelsleden.

4        Artikel 12 bis van besluit 2012/392, dat is ingevoegd bij artikel 1, punt 6, van besluit 2014/482/GBVB van de Raad van 22 juli 2014 tot wijziging van besluit 2012/392 (PB 2014, L 217, blz. 31), bepaalt dat de missie, voor zover dit noodzakelijk is om uitvoering te geven aan laatstgenoemd besluit, de bevoegdheid heeft diensten en leveringen aan te besteden, contracten en administratieve regelingen te sluiten, personeel in dienst te nemen, bankrekeningen te bezitten, eigendommen te verkrijgen of te vervreemden, haar schulden te vereffenen en in rechte op te treden.

5        Verzoeker, PY, is een voormalig personeelslid van de missie. Hij heeft op 31 januari 2014 met de missie een arbeidsovereenkomst gesloten op grond waarvan hij voor de periode van 30 januari 2014 tot en met 15 juli 2014 werd aangesteld als medewerker die verantwoordelijk was voor de bevoorrading. Hij heeft daarna nog twee arbeidsovereenkomsten gesloten, die respectievelijk van 16 juli 2014 tot en met 15 juli 2015 en van 16 juli 2015 tot en met 15 juli 2016 liepen.

6        In verzoekers arbeidsovereenkomsten was bepaald dat de gedrags‑ en tuchtcode van de missie (hierna: „gedragscode”) een integraal onderdeel van die overeenkomsten vormde.

7        De gedragscode bevat in de eerste plaats een aantal gedragsregels die door alle personeelsleden van de missie moeten worden nageleefd (punten 1‑6), waaronder de verplichting om zich te onthouden van intimidatie (punt 2.5) en pesterijen (punt 2.6) jegens collega’s, en beschrijft in de tweede plaats de procedure die moet worden gevolgd bij overtreding van die regels (punten 7 en 8).

8        Punt 2.5 van de gedragscode luidt als volgt:

„Het verschil tussen intimidatie en seksuele intimidatie is dat intimidatie niet noodzakelijkerwijs gebaseerd is op het geslacht. Anders dan bij pesterijen het geval is, kan reeds een enkel incident intimidatie opleveren, zoals verschillende soorten gedragingen illustreren. In het kader van dit document wordt als intimidatie beschouwd elke handeling of gedraging, variërend van woorden of gebaren tot de productie, vertoning of verspreiding van geschreven tekst, foto’s of ander materiaal, indien die handeling of gedraging door de werknemer niet op prijs wordt gesteld en redelijkerwijs als beledigend, vernederend of intimiderend kan worden beschouwd.”

9        Punt 7.1 („Signalering van inbreuken”) van de gedragscode bepaalt:

„Ongewenst gedrag kan ertoe leiden dat tuchtmaatregelen worden genomen, waartoe passende procedures moeten worden vastgesteld […]. Elk lid van de missie heeft het recht en de plicht om het hoofd van de missie […] via een schriftelijke klacht in kennis te stellen van vermeende gevallen van ongewenst gedrag, malversaties of incompetentie.”

10      In punt 8.4.1 van de gedragscode is bepaald dat wanneer een vermeende schending van de betrokken regels wordt „gesignaleerd of ontdekt”, een vooronderzoek wordt uitgevoerd onder supervisie van het adjunct-hoofd van de missie, die een functionaris aanwijst die wordt belast met het onderzoek van de zaak. Volgens punt 8.4.2 van de gedragscode stelt deze laatste een onderzoek in naar het vermeende incident, door de verschillende lezingen van dat incident te verzamelen, zoals aangeleverd door de indiener van de klacht, door getuigen en door slachtoffers. In punt 8.4.4 van de gedragscode is bepaald dat binnen tien dagen een voorlopig onderzoeksrapport moet worden overhandigd aan het adjunct-hoofd van de missie. Indien dat rapport het vermeende wangedrag bevestigt, wordt er overeenkomstig punt 8.5 van de gedragscode een uitvoerig onderzoek ingesteld, dat tot een definitief onderzoeksrapport leidt. Indien daarin wordt vastgesteld dat de betrokken regels inderdaad zijn overtreden, wordt er een tuchtraad gevormd, die moet bepalen welke disciplinaire maatregelen er moeten worden opgelegd.

11      Volgens artikel 21 van de tweede en de derde arbeidsovereenkomst van verzoeker is het Hof van Justitie van de Europese Unie krachtens artikel 272 VWEU bevoegd om te oordelen over eventuele geschillen die voortvloeien uit of betrekking hebben op die overeenkomsten.

12      Op 15 en 16 december 2014 heeft een bij de missie ingesteld evaluatiecomité vergaderd in verband met een aanbestedingsprocedure inzake de sluiting van een raamovereenkomst voor het verrichten van luchtdiensten voor de missie. Verzoeker heeft die vergaderingen voorgezeten.

13      Op 16 december 2014 heeft het hoofd van de afdeling „Ondersteuning van de missie”, G., die in kennis was gesteld van een incident dat tijdens de betrokken vergaderingen zou hebben plaatsgevonden, verzoeker een e‑mail gezonden met een verzoek om nadere informatie daarover.

14      Verzoeker heeft aan dat verzoek voldaan per e‑mail van 16 december 2014, waarin hij heeft uitgelegd dat hij met een ander lid van het evaluatiecomité, X., een ernstig meningsverschil had gehad over de vraag of een van de drie te beoordelen offertes aan de door de missie gestelde voorwaarden voldeed. Volgens verzoeker had X. gesuggereerd dat de ernstige twijfels die hij op dat punt had geuit, waren toe te schrijven aan zijn vooringenomenheid jegens de onderneming die de betrokken offerte had ingediend. Verzoeker heeft daaraan toegevoegd dat het evaluatiecomité uiteindelijk had besloten de betrokken onderneming om nadere toelichting te verzoeken. Verzoeker heeft in zijn e‑mail van 16 december 2014 niet de identiteit van X. onthuld.

15      Op 19 december 2014 heeft het evaluatiecomité, gelet op de nadere toelichting die het van de betrokken onderneming had ontvangen, beslist dat de offerte van die onderneming niet aan de gestelde voorwaarden voldeed. Het heeft daarom aanbevolen om de opdracht aan een andere onderneming te gunnen. Het verslag van 22 december 2014 waarbij het evaluatiecomité de Europese Commissie van zijn bevindingen in kennis heeft gesteld, was ook door X. ondertekend.

16      Op 7 februari 2015 heeft verzoeker het waarnemend hoofd van de administratie van de missie, M., per e‑mail geïnformeerd over bepaalde gedragingen van X. die hij beschouwde als „niet passend tussen collega’s, want […] respectloos jegens de [Unie] […], jegens andere [e]enheden van de [a]dministratie [en] jegens bepaalde personeelsleden van de missie (waaronder [hemzelf])”. Ten eerste zou X. hem ten overstaan van niet bij de missie betrokken personen hebben gevraagd waar „zij” waren, doelend op twee voor de missie werkzame vrouwen waren die die dag afwezig waren. Volgens verzoeker had die opmerking door de aanwezigen zonder meer als seksistisch kunnen worden opgevat. Ten tweede zou X. zonder te kloppen verzoekers werkkamer zijn binnengekomen en hem onder verwijzing naar een formulier van de missie en op een beschuldigende en neerbuigende toon hebben gevraagd „wie […] dat [had] geschreven”. Ten derde zou X. zonder te kloppen verzoekers werkkamer zijn binnengekomen met een document en hem op een provocatieve en respectloze wijze hebben gevraagd: „moet ik dat hier afgeven?” Ten vierde zou X. verzoeker te verstaan hebben gegeven dat hij de beoordelingsregels van de missie „imbeciel” (of „debiel”) vond. Verzoeker heeft in zijn e‑mail aangegeven dat hij zich wellicht genoodzaakt zou voelen zich met een officiële klacht tot het hoofd van de missie te wenden.

17      De serieuze bewoordingen van die e‑mail waren voor M. reden om in zijn antwoord van 9 februari 2015 aan verzoeker drie opties voor te leggen, waaruit hij werd gevraagd te kiezen. De eerste optie was dat er eerst een bijeenkomst zou worden belegd met verzoeker, vervolgens met X. en tot slot met verzoeker en X. samen, met als doel de situatie op te helderen en een oplossing te vinden voor de toekomst. De tweede optie hield in dat er eerst een bijeenkomst zou worden belegd met verzoeker, vervolgens met X. en tot slot met verzoeker, X. en een vertegenwoordiger van de afdeling personeelszaken van de missie, met als doel de situatie op te helderen en een oplossing te vinden voor de toekomst. Er zou een rapport, of een notitie, zijn opgemaakt en aan het personeelsdossier van verzoeker en van X. zijn toegevoegd. De derde optie was dat verzoeker een officiële klacht zou indienen bij het hoofd van de missie.

18      Verzoeker heeft nog diezelfde dag per mail op die e‑mail gereageerd. Hij heeft M. op de hoogte gesteld van een nieuw incident met X. Volgens verzoeker was X. zonder te kloppen zijn werkkamer binnengekomen. Toen hij aan X. duidelijk had gemaakt dat hij van hem verwachtte dat hij op de deur klopte alvorens zijn werkkamer binnen te gaan, zou X. „zijn vinger hebben laten ronddraaien bij zijn rechterslaap (een gebaar dat geen toelichting behoeft)”. Toen verzoeker X. vervolgens te verstaan had gegeven dat het de laatste keer was dat hij zonder te kloppen binnenliep, zou X. hem in de rede hebben gevallen en met een grote glimlach „je bedreigt me” hebben gezegd.

19      In die e‑mail heeft verzoeker M. tevens laten weten dat hij zich na dat incident slecht had gevoeld en daarom naar de verpleegster was gegaan, die hem een medicijn had gegeven. Hij heeft daaraan toegevoegd dat hij zich wat duizelig had gevoeld, ofwel door het medicijn, ofwel als gevolg van wat hij als een vorm van „psychisch geweld” beschouwde, en dat hij daarom nauwelijks in staat was om op het voorstel van M. te reageren. Verzoeker heeft M. echter gezegd dat hij op diens oordeel vertrouwde en dat hij, mocht M. tot de conclusie komen dat er sprake was van een serieus probleem dat aan het hoofd van de missie moest worden voorgelegd, hem erkentelijk zou zijn als hij het hoofd van de missie „ook namens [hem]” van het probleem op de hoogte zou stellen, „totdat [hij zich] goed genoeg [zou voelen] om een officiële klacht in te dienen”. Verzoeker heeft daaraan toegevoegd dat, mocht M. van oordeel zijn dat een oplossing kon worden gevonden op administratief niveau, een dergelijke oplossing uiteraard zijn voorkeur zou hebben. Wel heeft hij erop aangedrongen dat M. in dat geval zou nadenken over tijdelijke maatregelen die konden worden genomen om hem te beschermen, namelijk een verbod voor X. om zijn werkkamer binnen te gaan en om hem aan te spreken zolang er geen oplossing was gevonden.

20      In zijn antwoord van 10 februari 2015 heeft M. verzoeker laten weten dat hij „gelet op de [hem] rustende zorgplicht en op de ernst van de [door verzoeker] beschreven feiten, […] van mening [was] dat er niets anders [op zat] dan [verzoekers] e‑mail door te sturen naar het [hoofd van de missie] en [naar diens adjunct], de enige bevoegde autoriteiten bij de missie die verantwoordelijk zijn voor de gedragscode en voor de behandeling van dit soort disciplinaire kwesties”. Die e‑mail van 10 februari 2015 is ook aan het hoofd en het adjunct-hoofd van de missie toegezonden.

21      Later op dezelfde dag heeft het adjunct-hoofd van de missie, S., een e‑mail gezonden aan het hoofd van de missie om deze laatste ervan in kennis te stellen dat verzoeker „zich [beklaagde] over het gedrag van [X]” en dat de gebeurtenissen van de voorgaande dagen volgens verzoeker tot een „verslechtering van zijn gezondheidstoestand” hadden geleid. Volgens S. was het weliswaar lastig om in een dergelijke situatie vast te stellen wat er daadwerkelijk was voorgevallen, maar kon moeilijk worden voorbijgegaan aan de feiten waarover verzoeker zich had beklaagd. S. heeft daarom aan het hoofd van de missie te kennen gegeven dat hij, „teneinde volledige duidelijkheid te verkrijgen [met betrekking tot die feiten], […] [voorstelde] om die verschillende berichten te beschouwen als een klacht die tot de inleiding van een tuchtprocedure [moest] leiden”, en dat „[a]an de hand van het vooronderzoek [zou] kunnen worden vastgesteld of de beschuldiging al dan niet gefundeerd [was]”. S. heeft daaraan toegevoegd dat indien het hoofd van de missie opdracht zou geven voor die maatregel, hij ervoor zou zorgen dat het vooronderzoek naar de vermeende intimidatie of pesterijen in gang werd gezet.

22      In een later op dezelfde dag verzonden e‑mail heeft het hoofd van de missie met het voorstel van S. ingestemd. Hij heeft S. bovendien laten weten dat hij het noodzakelijk achtte om naast het vooronderzoek ook een bijeenkomst te organiseren tussen M., verzoeker en X.

23      Na die e‑mailwisseling is er echter geen vooronderzoek in gang gezet, noch heeft er een bijeenkomst plaatsgevonden tussen M., verzoeker en X.

24      Verzoeker was van 19 juni tot 6 juli 2015 en van 1 tot 24 augustus 2015 met verlof.

25      In een e‑mail van 25 augustus 2015 aan het hoofd van de missie heeft verzoeker erop gewezen dat, hoewel M. het hoofd van de missie had geïnformeerd over ernstige feiten die als psychisch geweld door X. moesten worden gekwalificeerd, hij naar aanleiding daarvan noch door het hoofd van de missie, noch door een tuchtcommissie was gehoord. Hij heeft betoogd dat het gedrag van X. jegens hem nog steeds zorgde voor een verslechterd arbeidsklimaat, waardoor zijn gezondheid werd geschaad, en het hoofd van de missie gevraagd hem te laten weten welke maatregelen hij voornemens was te nemen om aan die situatie een halt toe te roepen.

26      Nog diezelfde dag heeft het hoofd van de missie geantwoord dat hij de door verzoeker in februari 2015 gemelde feiten had meegedeeld aan het adjunct-hoofd van de missie, in diens hoedanigheid van verantwoordelijke voor tuchtkwesties overeenkomstig punt 8.4.1 van de gedragscode, en dat hij, aangezien hij verder niets meer van de betrokkenen had gehoord, ervan was uitgegaan dat het adjunct-hoofd het geschil in der minne had kunnen oplossen. Het hoofd van de missie heeft daaraan toegevoegd dat, nu hij op dat moment had moeten vaststellen dat zulks niet het geval was, hij verzoekers e‑mail van 25 augustus 2015 als een officiële klacht beschouwde.

27      In een e‑mail van 28 augustus 2015 aan het hoofd van de missie heeft verzoeker te kennen gegeven dat X. hem sinds de vergaderingen van het evaluatiecomité in december 2014 „voortdurend hatelijk [had] bejegend en elke gelegenheid [had] aangegrepen om [hem] af te kammen, af te snauwen, te kleineren en te vernederen, zelfs publiekelijk en ten overstaan van [zijn] leidinggevenden”. Ook zou X. op een niet nader genoemde datum in februari of maart 2015 verzoekers werkkamer zijn binnengekomen en zich schuldig hebben gemaakt aan fysieke agressie jegens hem, door hete thee over zijn benen te morsen.

28      Bij brief van 28 augustus 2015 heeft het hoofd van de missie verzoeker laten weten dat hij had besloten de door verzoeker op 25 augustus 2015 tegen X. ingediende klacht door te sturen naar het „voor tuchtkwesties bevoegde” waarnemend adjunct-hoofd van de missie. Het hoofd van de missie heeft verzoeker in die brief ook in kennis gesteld van zijn besluit om X. te verbieden nog bij verzoeker in de buurt te komen.

29      In een e‑mail van 30 augustus 2015 aan het hoofd van de missie heeft verzoeker te kennen gegeven dat hij „de beschuldigingen van fysieke agressie en intimidatie door [X.] [bevestigde]”, alsook het hoofd van de missie verzocht om die e‑mail als een officiële klacht te beschouwen.

30      In een op 25 augustus 2015 afgegeven attest heeft een door verzoeker in Niger geconsulteerde arts vastgesteld dat verzoeker wegens zijn gezondheidstoestand een week lang niet mocht werken. In een tweede attest van 27 augustus 2015 heeft die arts verklaard dat verzoeker wegens zijn psychische gesteldheid afstand moest nemen van zijn werk. Na het op diezelfde dag uitgevoerde controleonderzoek heeft de arts geconcludeerd dat er geen sprake was van enige verbetering, dat verzoeker te kampen had met psychisch leed en dat sterk werd aanbevolen dat hij naar Europa zou terugkeren om zo snel mogelijk een psychiater te consulteren.

31      Op 29 augustus 2015 heeft verzoeker de missie verlaten om naar een ziekenhuis in Frankrijk te gaan.

32      Op 1 september 2015 heeft de bevoegde arts in dat ziekenhuis verzoeker rust voorgeschreven tot en met 14 september 2015. Op 9 september 2015 heeft een door verzoeker geconsulteerde psychiater een attest afgegeven waarin werd verklaard dat verzoeker niet in staat was om vóór 25 september 2015 weer aan het werk te gaan. Dat ziekteverlof is door dezelfde arts verschillende keren verlengd, de laatste keer tot en met 16 juli 2016. In twee van die attesten, van 14 oktober respectievelijk 26 november 2015, werd gesproken van een „ernstige depressie”.

33      Bij e‑mail van 6 oktober 2015 heeft de missie verzoeker laten weten dat hij op grond van artikel 15.3 van zijn arbeidsovereenkomst vanaf 30 september 2015, dat wil zeggen dertig dagen nadat zijn ziekteverlof was ingegaan, geen recht meer had op salaris.

34      Bij e‑mail van 8 oktober 2015 heeft een personeelslid van de missie verzoeker meegedeeld dat hij was aangewezen als degene die verantwoordelijk was voor het naar aanleiding van de klacht tegen X. gestarte vooronderzoek. Hij heeft verzoeker gevraagd of hij in staat was naar de missie te komen om te worden gehoord, en zo niet, of hij nog aanvullende informatie voor hem had en of hij hem de namen kon verstrekken van de getuigen die hij gehoord wenste te zien.

35      Verzoeker heeft via zijn advocaten aanvullende gegevens verstrekt aan de missie.

36      Bij brief van 26 november 2015 heeft het hoofd van de missie verzoeker bericht dat het tuchtonderzoek tegen X. was afgesloten, dat de tuchtraad van de missie een schending van de gedragscode had vastgesteld en had voorgesteld om X. een maatregel op te leggen, en, tot slot, dat hij de beslissing van de tuchtraad had bekrachtigd en die maatregel ten uitvoer had gelegd.

37      Op 25 januari 2016 heeft verzoeker via zijn advocaten een op artikel 340, tweede alinea, VWEU gebaseerde schadevordering ingesteld tegen de missie.

38      Bij brief van 8 juni 2016 heeft de missie aan verzoeker meegedeeld dat zijn contract na 15 juli 2016 niet kon worden verlengd.

39      Op verzoek van de missie heeft een Franse artsenpraktijk op 11 juli 2016 bij aangetekend schrijven, verzonden naar het adres in Frankrijk dat verzoeker aan de missie had opgegeven, verzoeker opgeroepen voor een medische controle op 13 juli 2016. De envelop met die oproep is door de post aan de artsenpraktijk geretourneerd omdat hij niet door verzoeker was afgehaald.

40      In een e‑mail van 15 juli 2016 heeft de missie verzoeker daarvan in kennis gesteld en hem bovendien laten weten dat de medische attesten die hij haar sinds 1 september 2015 had verstrekt, niet voldeden aan de in zijn arbeidsovereenkomst gestelde voorwaarden, zodat aan de geldigheid ervan werd getwijfeld.

 Procedure en conclusies van partijen

41      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 oktober 2016, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.

42      In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht de missie verzocht om overlegging van een document. De missie heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

43      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan, en heeft het partijen bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering verzocht een aantal vragen te beantwoorden. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

44      Partijen zijn ter terechtzitting van 26 oktober 2017 in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.

45      Verzoeker verzoekt het Gerecht:

–        het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

–        vast te stellen dat de missie aansprakelijk is in de zin van artikel 340 VWEU;

–        de missie te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden materiële schade;

–        de missie te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden immateriële schade, geraamd op 70 000 EUR;

–        de missie te verwijzen in alle kosten.

46      De missie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoeker te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Voorwerp van het geschil

47      Uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt dat verzoeker het Gerecht in wezen verzoekt om de missie te veroordelen tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die deze laatste hem zou hebben berokkend door niet tijdig een onderzoek in te stellen naar aanleiding van de klachten wegens intimidatie waarmee hij zich in december 2014 en februari 2015 tot haar zou hebben gewend.

48      In zijn e‑mail van 28 augustus 2015 aan het hoofd van de missie heeft verzoeker meegedeeld dat X. zich in februari of maart 2015 ook schuldig had gemaakt aan fysieke agressie jegens hem. Die vermeende fysieke agressie was echter in geen van de e‑mails van december 2014 en februari 2015, die volgens verzoeker klachten wegens intimidatie waren, ter sprake gebracht. Het is juist dat verzoeker in zijn eveneens aan het hoofd van de missie gerichte e‑mail van 30 augustus 2015 deze laatste heeft verzocht om zijn e‑mail van 28 augustus 2015 te beschouwen als een officiële klacht betreffende onder meer de genoemde fysieke agressie. Het onderhavige beroep heeft echter geen betrekking op het door de missie aan de e‑mails van 28 en 30 augustus 2015 gegeven gevolg. Het Gerecht dient zich bij zijn onderzoek in deze zaak dus te beperken tot de vraag of de missie heeft voldaan aan haar verplichtingen met betrekking tot de klachten wegens intimidatie die verzoeker in december 2014 en februari 2015 bij haar meent te hebben ingediend.

49      Uit het verzoekschrift blijkt dat het onderhavige beroep betrekking heeft op de contractuele aansprakelijkheid van de missie in de zin van artikel 340, eerste alinea VWEU, wat verzoeker overigens in zijn antwoord van 10 oktober 2017 op de schriftelijke vragen van het Gerecht heeft bevestigd. De argumenten die de missie heeft aangevoerd om aan te tonen dat in casu niet is voldaan aan de voorwaarden voor haar niet-contractuele aansprakelijkheid in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU, zijn dus volstrekt irrelevant.

 Bevoegdheid van het Gerecht

50      Artikel 12 bis van besluit 2012/392, dat ingevolge artikel 2 van besluit 2014/482 sinds 16 juli 2014 van toepassing is (zie punt 3 supra), heeft de missie bevoegd gemaakt om contracten te sluiten en om in rechte op te treden, en haar daarmee rechtsbevoegdheid toegekend. Voorts blijkt uit artikel 7, leden 3 en 4, van besluit 2012/392 dat de missie personeel kan aanwerven op contractbasis en dat de arbeidsvoorwaarden en de rechten en plichten van dat personeel zijn opgenomen in contracten tussen het hoofd van de missie en de betrokken personeelsleden.

51      Volgens artikel 272 VWEU is het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd om uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding dat is vervat in een door of namens de Unie gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst. In casu was in de eerste door verzoeker met de missie gesloten arbeidsovereenkomst een forumkeuzebeding ten gunste van de rechterlijke instanties te Brussel (België) opgenomen. De twee andere arbeidsovereenkomsten tussen verzoeker en de missie, die respectievelijk van 16 juli 2014 tot en met 15 juli 2015 en van 16 juli 2015 tot en met 15 juli 2016 liepen, bevatten daarentegen een forumkeuzebeding ten gunste van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Aangezien de aan het onderhavige beroep ten grondslag liggende feiten hebben plaatsgevonden gedurende de door die laatste twee arbeidsovereenkomsten bestreken perioden, kan dit beroep worden gebaseerd op artikel 272 VWEU. Voorts is volgens artikel 256, lid 1, VWEU het Gerecht bevoegd om in eerste aanleg kennis te nemen van de in artikel 272 VWEU bedoelde beroepen.

52      Volgens artikel 20 van de laatste twee tussen verzoeker en de missie gesloten arbeidsovereenkomsten moeten geschillen over de uitlegging van die overeenkomsten worden beslecht door middel van arbitrage. Dat artikel bepaalt echter met zoveel woorden dat die arbitrageclausule geldt onverminderd de mogelijkheid om het geschil voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De bepalingen van dat artikel vormden dus voor verzoeker geen beletsel om het onderhavige geschil voor te leggen aan het Gerecht.

53      Voorts moet worden opgemerkt dat de rechter van de Unie volgens de rechtspraak bevoegd is om kennis te nemen van beroepen die betrekking hebben op het personeelsbeheer door GVDB-missies, zelfs wanneer dat beheer optreden „op het terrein” betreft (zie in die zin arrest van 19 juli 2016, H/Raad en Commissie, C‑455/14 P, EU:C:2016:569, punten 54‑60).

54      Het Gerecht is derhalve bevoegd om van het onderhavige beroep kennis te nemen, wat de missie overigens niet betwist.

 Ontvankelijkheid

55      De missie betwist de ontvankelijkheid van het beroep.

56      Wat in de eerste plaats het door de missie ter terechtzitting aangevoerde argument betreft dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat verzoeker de precontentieuze procedure niet heeft geëerbiedigd, volstaat het op te merken dat, voor zover dit argument erop neerkomt dat verzoeker zich tot de missie diende te wenden alvorens het onderhavige beroep in te stellen, in casu hoe dan ook aan die verplichting is voldaan. De door verzoeker op 25 januari 2016 tegen de missie ingestelde schadevordering had namelijk hetzelfde voorwerp als het onderhavige beroep, al was zij dan formeel gebaseerd op artikel 340, tweede alinea, VWEU.

57      In de tweede plaats betoogt de missie dat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is wat betreft de vordering tot vergoeding van de schade die verzoeker meent te hebben geleden als gevolg van haar besluit om hem vanaf 30 september 2015 geen salaris meer te betalen (zie punt 33 supra). Daar verzoeker geen bezwaar heeft gemaakt tegen dat besluit van de missie, zou hij de rechtmatigheid ervan niet meer via een schadevordering ter discussie kunnen stellen. In dit verband volstaat het op te merken dat verzoeker zijn beroep tot schadevergoeding niet als zodanig baseert op de schade als gevolg van het besluit van de missie om hem vanaf 30 september 2015 geen salaris meer te betalen. Het onderhavige beroep betreft immers de schadeposten als gevolg van het feit dat de missie heeft nagelaten een onderzoek in te stellen naar de klachten wegens intimidatie die verzoeker in december 2014 en februari 2015 bij haar meent te hebben ingediend, waarvan de stopzetting van zijn salaris er één zou zijn. Dat argument van de missie moet bijgevolg worden afgewezen, zonder dat hoeft te worden ingegaan op de vraag of verzoeker bezwaar had moeten maken tegen het besluit om hem vanaf 30 september 2015 geen salaris meer te betalen.

58      In de derde plaats heeft de missie in haar antwoord van 11 oktober 2017 op de schriftelijke vragen van het Gerecht alsmede in het kader van haar opmerkingen over het Franse recht betoogd dat bij ontbreken van nauwkeurige, objectieve en onderling overeenstemmende feiten die het bestaan van intimidatie doen vermoeden, het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk dient te verklaren. Tijdens de terechtzitting en in antwoord op een vraag van het Gerecht heeft de missie aangevoerd dat dit geldt ongeacht het recht dat in casu van toepassing is. Dit argument moet hoe dan ook worden afgewezen, daar het onderhavige beroep geen betrekking heeft op de schade als gevolg van vermeende intimidatie, maar op de schade als gevolg van het feit dat de missie heeft nagelaten een onderzoek in te stellen naar aanleiding van de klachten wegens intimidatie die verzoeker in december 2014 en februari 2015 bij haar meent te hebben ingediend.

59      In de vierde en laatste plaats faalt ook het argument dat de missie tracht te ontlenen aan de inhoud van de e‑mail van 30 augustus 2015 aan het hoofd van de missie. Het is juist dat verzoeker daarin kenbaar maakt dat hij „formeel [bevestigt] geen klacht in te dienen” met betrekking tot het „feit dat het door [het hoofd van de missie] gelaste vooronderzoek niet heeft plaatsgevonden dan wel heeft plaatsgevonden zonder dat [hij is] gehoord”. Zoals verzoeker ter terechtzitting heeft beklemtoond, kan die opmerking echter niet aldus worden opgevat dat verzoeker daarmee afstand doet van de mogelijkheid om beroep in te stellen bij het Gerecht. De ontvankelijkheid van een beroep kan immers slechts ter discussie worden gesteld indien een dergelijke afstand duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking is gebracht. Dat is in casu echter niet het geval. In dit verband volstaat het erop te wijzen dat de door de missie aangehaalde opmerking geen enkele verwijzing bevat naar de mogelijkheid om beroep in te stellen bij het Gerecht.

60      Gelet op het voorgaande moet het beroep ontvankelijk worden verklaard.

 Ten gronde

 Toepasselijk recht

61      Volgens artikel 340, eerste alinea, VWEU wordt de contractuele aansprakelijkheid van de Unie beheerst door de wet die op het betrokken contract van toepassing is.

62      In casu staat in de arbeidsovereenkomsten van verzoeker niet welke wet op die overeenkomsten van toepassing is.

63      In antwoord op een vraag van het Gerecht dienaangaande heeft verzoeker betoogd dat in eerste instantie de bepalingen van die overeenkomsten, die van de gedragscode daaronder begrepen, en de handelingen van de Unie op grond waarvan die overeenkomsten zijn gesloten, de rechtsgrondslag voor de aansprakelijkheid van de missie vormen. Subsidiair zou in dit verband het burgerlijk wetboek van Niger, en dan met name artikel 1134, eerste alinea, daarvan, relevant zijn.

64      De missie heeft betoogd dat haar contractuele aansprakelijkheid wordt beheerst door de tussen haarzelf en verzoeker gesloten arbeidsovereenkomsten. Voor het geval dat het Gerecht niettemin zou overgaan tot een onderzoek van nationaal recht, zouden volgens de missie in casu de bepalingen van het Franse recht relevant zijn, meer bepaald die van de Franse code du travail (wetboek arbeidsrecht).

65      Tijdens de terechtzitting en in antwoord op de vragen van het Gerecht dienaangaande hebben partijen bevestigd dat naar hun mening voor de beoordeling van de eventuele contractuele aansprakelijkheid van de missie kan worden volstaan met een onderzoek van de betrokken arbeidsovereenkomsten, de bepalingen van de gedragscode daaronder begrepen, en dat daarvoor niet te rade hoeft te worden gegaan bij enig nationaal recht.

66      Naar het oordeel van het Gerecht kan het onderhavige beroep inderdaad worden onderzocht op basis van uitsluitend de bepalingen van de betrokken arbeidsovereenkomsten, de bepalingen van de gedragscode, die een integraal onderdeel van die overeenkomsten vormen, daaronder begrepen, met inachtneming van de algemene Unierechtelijke beginselen inzake contractuele aansprakelijkheid. Volgens die beginselen moet aan drie voorwaarden zijn voldaan om een beroep tot schadevergoeding wegens contractuele aansprakelijkheid te kunnen toewijzen, te weten dat de betrokken instelling haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen, dat de verzoekende partij schade heeft geleden en, ten slotte, dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het gedrag van die instelling en de schade.

67      Het is dus niet nodig te onderzoeken of, zoals verzoeker ter terechtzitting heeft betoogd, de bewijzen die de missie heeft overgelegd om de eventuele toepasselijkheid van het Franse recht aan te tonen, niet-ontvankelijk zijn.

 Schending van contractuele verplichtingen door de missie

68      Verzoeker betoogt dat ondanks het feit dat hij zich met zijn e‑mails van 17 december 2014 en 7 en 9 februari 2015 tot de missie heeft gewend met klachten over intimidatie waaraan een collega zich jegens hem schuldig had gemaakt, de missie geen gevolg heeft gegeven aan die klachten en daarmee verschillende bepalingen van punt 8.4 van de gedragscode heeft geschonden.

69      Verzoeker voert in dit verband aan dat om te beginnen het adjunct-hoofd van de missie, S., in zijn e‑mail van 10 februari 2015 zelf had geoordeeld dat zijn e‑mails van 7 en 9 februari 2015 moesten worden beschouwd als een officiële klacht wegens intimidatie, en daarom had voorgesteld om een vooronderzoek te starten, en dat bovendien het hoofd van de missie nog diezelfde dag met zoveel woorden met dat voorstel had ingestemd. Aan dat besluit om een vooronderzoek in te stellen is volgens verzoeker echter op geen enkele wijze gevolg gegeven.

70      Verzoeker stelt in dit verband dat volgens punt 8.4.1 van de gedragscode altijd een vooronderzoek moet worden gestart wanneer melding is gemaakt van een schending van de bepalingen van de gedragscode. De missie had dus geen beoordelingsmarge toen zij eenmaal van verzoekers meldingen had kennisgenomen en deze als een officiële klacht had aangemerkt.

71      Dit betekent volgens verzoeker dat de missie op bijzonder ernstige wijze contractuele regels heeft geschonden, te weten de regels inzake goed gedrag en interne onderzoeken die zijzelf had vastgesteld. Die regels zijn bedoeld om de personeelsleden van de missie te beschermen, met name wanneer zij te maken hebben met intimidatie of bedreiging door collega’s.

72      Verzoeker voegt hieraan toe dat hij in zijn e‑mail van 9 februari 2015 reeds had benadrukt dat de situatie waarin hij destijds verkeerde, zijn gezondheid ondermijnde, waarover het hoofd van de missie door zijn adjunct was geïnformeerd.

73      De missie bestrijdt die argumenten.

74      Uit punt 8.4.1 van de gedragscode blijkt dat wanneer een schending van onder meer de bepalingen van die code wordt gesignaleerd of ontdekt, een vooronderzoek wordt gestart. Zoals verzoeker heeft betoogd, is in een dergelijk geval een vooronderzoek dus verplicht en heeft de missie wat dit betreft geen beoordelingsmarge.

75      Voorts moet erop worden gewezen dat punt 8.4.1 van de gedragscode moet worden gelezen in samenhang met punt 7.1 van die code, waarin is bepaald dat de personeelsleden van de missie het recht en de plicht hebben om het hoofd van de missie via een schriftelijke klacht in kennis te stellen van vermeende gevallen van ongewenst gedrag, malversaties of incompetentie (zie punt 9 supra). Wanneer een personeelslid van de missie het slachtoffer meent te zijn van intimidatie en wenst dat de missie daarnaar een vooronderzoek instelt, moet hij zich volgens die bepalingen dus met een schriftelijke klacht tot het hoofd van de missie wenden. Aangezien punt 8.4.3 van de gedragscode in dit verband spreekt van het „beschuldigde personeelslid”, is het duidelijk dat de klacht betrekking moet hebben op een met name genoemd persoon.

76      Wat ten eerste verzoekers e‑mail van 17 december 2014 betreft, lijdt het geen twijfel dat niet aan die voorwaarden is voldaan.

77      In de eerste plaats staat vast dat verzoeker in die e‑mail de identiteit van X. niet heeft onthuld. Dat uit die e‑mail bleek dat het ging om een beoordelaar die deel uitmaakte van een door verzoeker geïdentificeerd evaluatiecomité, en dat er in dat comité slechts drie beoordelaars zaten, waarvan twee mannen, doet niet af aan die conclusie.

78      In de tweede plaats heeft verzoeker in zijn e‑mail van 17 december 2014 weliswaar forse kritiek geuit op de houding van X. tijdens de discussies in het evaluatiecomité, maar hij heeft daarin geen enkel concreet verwijt geformuleerd waaruit viel op te maken dat hij het gedrag van X. als een geval van intimidatie beschouwde. Het is juist dat verzoeker in zijn verzoekschrift heeft betoogd dat hij in zijn e‑mail van 17 december 2014 melding had gemaakt van een belangenconflict rond X. in verband met de aanbestedingsprocedure waarop de discussies in het evaluatiecomité betrekking hadden. Nog afgezien van het feit dat verzoekers e‑mail van 17 december 2014 geen enkele aanwijzing in die zin bevatte, heeft verzoeker echter ook volstrekt niet duidelijk gemaakt hoe een dergelijk belangenconflict zou hebben kunnen leiden tot een situatie van intimidatie. Hoe dan ook heeft verzoeker niet uitgelegd hoe het feit dat de missie eventueel zou hebben nagelaten een vooronderzoek naar een dergelijk belangenconflict in te stellen, contractuele aansprakelijkheid van de missie jegens hem zou hebben kunnen teweegbrengen.

79      In de derde plaats moet worden opgemerkt dat verzoeker in zijn e‑mail van 17 december 2014 kenbaar heeft gemaakt bereid te zijn „een uitvoerig en gedetailleerd verslag” voor het hoofd van de missie op te stellen, indien de geadresseerde van die e‑mail dat wenste. Verzoeker heeft echter niet betoogd dat hij vervolgens ook een dergelijk verslag heeft opgestuurd dan wel bij het hoofd van de missie een klacht heeft ingediend over het gedrag van X. in het evaluatiecomité.

80      In de vierde en laatste plaats moet worden opgemerkt dat verzoeker in het verzoekschrift zelf heeft verklaard dat hij voor het eerst in februari 2015 melding had gemaakt van een situatie van psychisch intimidatie.

81      Wat ten tweede verzoekers e‑mail van 7 februari 2015 aan M., het waarnemend hoofd van de administratie van de missie, betreft, moet worden opgemerkt dat verzoeker in die e‑mail de naam van X. heeft genoemd, melding heeft gemaakt van bepaalde gedragingen van X. die in zijn ogen ongepast waren, en zijn hoop op een oplossing kenbaar heeft gemaakt. Tegelijkertijd moet echter worden opgemerkt dat verzoeker in die e‑mail slechts de hulp van M. heeft ingeroepen naar aanleiding van het gedrag van X., terwijl hij ook duidelijk heeft gemaakt dat hij tot de conclusie was gekomen dat hij zich op dat moment niet genoodzaakt voelde om een officiële klacht in te dienen bij het hoofd van de missie. De e‑mail van 7 februari 2015 kan als zodanig dus niet als een officiële klacht in de zin van punt 7.1 van de gedragscode worden beschouwd.

82      Wat ten derde verzoekers e‑mail van 9 februari 2015 aan M. betreft, moet worden opgemerkt dat verzoeker daarmee heeft gereageerd op de e‑mail van dezelfde datum waarmee M. zijn e‑mail van 7 februari 2015 had beantwoord. In dat antwoord had M. aan verzoeker drie opties voorgelegd, waaronder de mogelijkheid om een officiële klacht in te dienen bij het hoofd van de missie. Zoals de missie terecht heeft opgemerkt, heeft verzoeker evenwel in zijn e‑mail van 9 februari 2015 voor geen van die opties gekozen, maar duidelijk aangegeven dat zijn voorkeur uitging naar een administratieve oplossing. Voorts blijkt uit het feit dat verzoeker in zijn e‑mail van 9 februari 2015 gewag heeft gemaakt van de mogelijkheid dat het waarnemend hoofd van de administratie van de missie het hoofd van de missie op de hoogte zou stellen van de problemen met X., „totdat [hij] zich goed genoeg [zou voelen] om een officiële klacht in te dienen”, dat verzoeker van mening was dat hij een dergelijke klacht nog niet had ingediend. Tot slot moet erop worden gewezen dat de e‑mail van 9 februari 2015 niet was gericht aan het hoofd van de missie, hoewel volgens punt 7.1 van de gedragscode een klacht wegens geweld bij die persoon moest worden ingediend.

83      Het Gerecht is desondanks van mening dat het voor de missie zowel legitiem als passend was om verzoekers e‑mails van 7 en 9 februari 2015, in onderlinge samenhang gelezen, als een officiële klacht te beschouwen.

84      In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat verzoeker, anders dan de missie heeft betoogd, in zijn e‑mail van 9 februari 2015 heeft gepreciseerd dat hij meende het slachtoffer te zijn van „psychisch geweld” door X.

85      In de tweede plaats heeft verzoeker weliswaar niet expliciet voor een van de drie aan hem voorgelegde opties gekozen, maar hij heeft in zijn e‑mail van 9 februari 2015 wel aan M. laten weten dat hij zich na het door hem in die e‑mail genoemde incident slecht had gevoeld en daarom naar de verpleegster was gegaan, die hem een medicijn had gegeven. Hij heeft daaraan toegevoegd dat hij zich wat duizelig had gevoeld, ofwel door het medicijn, ofwel als gevolg van wat hij als een vorm van „psychisch geweld” beschouwde, en dus nauwelijks in staat was om op het voorstel van M. te reageren. Hij heeft tevens de mogelijkheid genoemd dat het hoofd van de missie van zijn problemen met X. op de hoogte zou worden gesteld, totdat hij zich goed genoeg zou voelen om een officiële klacht in te dienen. Uit die opmerkingen komt naar voren dat verzoeker het slachtoffer meende te zijn van intimidatie, dat hij gezondheidsproblemen had die verband hielden met die intimidatie en dat hij wegens zijn gezondheidstoestand op dat moment niet in staat was om een officiële klacht wegens intimidatie in te dienen. Het is evident dat de missie die aanvullende gegevens in aanmerking moest nemen bij haar beslissing over het gevolg dat aan verzoekers e‑mail van 9 februari 2015 moest worden gegeven. Met name diende de missie gelet op haar zorgplicht rekening te houden met het feit dat ondanks de mogelijke intimidatie die een van haar personeelsleden had gemeld, dat personeelslid op dat moment niet in staat was om naar behoren een klacht in te dienen, wegens gezondheidsproblemen die volgens die persoon verband hielden met die intimidatie.

86      In de derde plaats heeft verzoeker in zijn e‑mail van 9 februari 2015 beklemtoond dat hij vertrouwde op het oordeel van M. en dat hij, mocht M. tot de conclusie komen dat er sprake was van een serieus probleem dat aan het hoofd van de missie moest worden voorgelegd, hij hem erkentelijk zou zijn als hij het hoofd van de missie daarvan op de hoogte zou stellen. Hieruit volgt dat verzoeker het aan M. overliet om te bepalen welk gevolg er aan zijn e‑mails zou worden gegeven. De concrete beoordeling van een en ander door M. dient in dit verband dus eveneens in aanmerking te worden genomen.

87      In de vierde plaats moet worden opgemerkt dat M. in zijn antwoord van 10 februari 2015 aan verzoeker heeft laten weten dat hij, „gelet op de [hem] rustende zorgplicht en op de ernst van de [door verzoeker] beschreven feiten, […] van mening [was] dat er niets anders [op zat] dan [verzoekers] e‑mail door te sturen naar het [hoofd van de missie] en [naar diens adjunct], de enige bevoegde autoriteiten bij de missie die verantwoordelijk zijn voor de gedragscode en voor de behandeling van dit soort disciplinaire kwesties”.

88      Met betrekking tot de e‑mail van M. van 10 februari 2015 en het daaraan gegeven gevolg moet het volgende worden opgemerkt.

89      Ten eerste was zowel het hoofd als het adjunct-hoofd van de missie geadresseerde van die e‑mail. Voorts blijkt uit het dossier dat de twee e‑mails van verzoeker van 7 en 9 februari 2015 inderdaad op 10 februari 2015 zijn doorgestuurd naar het hoofd van de missie. Hoewel punt 7.1 van de gedragscode bepaalt dat de in deze bepaling bedoelde klachten moeten worden ingediend bij het hoofd van de missie, staat in dat punt niet dat de klager verplicht is om zijn klacht rechtstreeks bij het hoofd van de missie in te dienen en dat het dus is uitgesloten dat een derde die een dergelijke klacht van de klager heeft ontvangen, deze met instemming van de klager doorstuurt naar het hoofd van de missie.

90      Ten tweede blijkt uit de e‑mail van 10 februari 2015 dat M., anders dan de missie heeft betoogd, niet ermee heeft volstaan het hoofd van de missie op de hoogte te stellen van verzoekers problemen met X., in afwachting van een officiële klacht die verzoeker wellicht nog bij het hoofd van de missie zou indienen. Integendeel, uit de tekst van die e‑mail blijkt duidelijk dat M. van mening was dat er sprake was van een disciplinaire kwestie die door de bevoegde instanties van de missie moest worden behandeld. Indien M. het hoofd van de missie slechts van verzoekers problemen in kennis had willen stellen, had hij immers geen kopie van de e‑mail naar het adjunct-hoofd van de missie hoeven te sturen, noch hoeven te beklemtonen dat die twee geadresseerden „de enige bevoegde autoriteiten bij de missie [waren] die verantwoordelijk [waren] voor de gedragscode en voor de behandeling van dit soort disciplinaire kwesties”.

91      Ten derde moet worden opgemerkt dat S., het adjunct-hoofd van de missie, in een op 10 februari 2015 later op de dag aan het hoofd van de missie gezonden e‑mail heeft vastgesteld dat verzoeker zich beklaagde over het gedrag van X., en heeft voorgesteld om verzoekers e‑mails van 7 en 9 februari 2015 te beschouwen als een officiële klacht die tot de inleiding van een tuchtprocedure moest leiden. S. heeft daaraan toegevoegd dat indien het hoofd van de missie opdracht zou geven voor die maatregel, hij ervoor zou zorgen dat het vooronderzoek naar de vermeende intimidatie of de vermeende pesterijen in gang werd gezet. Voorts moet erop worden gewezen dat het hoofd van de missie in zijn antwoord van 10 februari 2015 aan het adjunct‑hoofd van de missie heeft ingestemd met het voorstel dat deze laatste hem had gedaan. Uit die e‑mailwisseling blijkt dat zowel het hoofd van de missie als zijn adjunct van mening was dat verzoekers e‑mails van 7 en 9 februari 2015 konden en moesten worden beschouwd als een klacht in de zin van de gedragscode en dat een vooronderzoek moest worden gestart.

92      Het feit dat het daarbij ging om een interne e‑mailwisseling waarvan verzoeker pas eind augustus 2015 kennis heeft gekregen, is in dit verband volstrekt irrelevant, aangezien in casu van belang is hoe de missie verzoekers e‑mails van 7 en 9 februari 2015 heeft opgevat. Hetzelfde geldt voor het argument van de missie dat het hoofd van de missie niet bevoegd was om een vooronderzoek te gelasten. Zelfs indien dit het geval was, anders dan het adjunct-hoofd van de missie zelf in zijn e‑mail van 10 februari 2015 heeft aangenomen, dan nog zou dit niet afdoen aan de conclusie dat zowel het hoofd van de missie als zijn adjunct van mening was dat in casu een dergelijk onderzoek moest worden ingesteld. Het is dus niet nodig te onderzoeken of dat argument van de missie hoe dan ook als tardief en dus niet-ontvankelijk moet worden aangemerkt, zoals verzoeker ter terechtzitting heeft betoogd.

93      Ten vierde moet erop worden gewezen dat, aangezien uit de e‑mail van M. van 10 februari 2015 bleek dat verzoekers e‑mails van 7 en 9 februari 2015 door M. zouden worden doorgestuurd naar het hoofd van de missie en naar diens adjunct, opdat deze laatsten de door de gedragscode voorgeschreven actie konden ondernemen, er voor verzoeker geen enkele noodzaak was om wat dit betreft aanvullende stappen te ondernemen. Met name hoefde verzoeker zich niet meer zelf tot het hoofd van de missie te wenden met een officiële klacht waarin de in zijn e‑mails van 7 en 9 februari 2015 beschreven feiten nog eens werden uiteengezet. In de e‑mail van M. wordt overigens op geen enkele wijze gesuggereerd dat een dergelijke aanvullende klacht noodzakelijk zou zijn. Dezelfde vaststelling gaat op voor de e‑mailwisseling van 10 februari 2015 tussen het hoofd van de missie en zijn adjunct.

94      Tot slot moet worden opgemerkt dat verzoeker in zijn e‑mail van 9 februari 2015 erop had aangedrongen dat M., mocht hij van oordeel zijn dat een oplossing kon worden gevonden op administratief niveau, zou nadenken over tijdelijke maatregelen die konden worden genomen om hem te beschermen, namelijk een verbod voor X. om zijn werkkamer binnen te gaan en om hem aan te spreken zolang er geen oplossing was gevonden. Het staat evenwel vast dat destijds op geen enkele wijze aan dat verzoek gevolg is gegeven. Welnu, indien de missie van mening was geweest dat verzoeker zich nog met een officiële klacht tot het hoofd van de missie moest wenden teneinde een vooronderzoek mogelijk te maken, had zij zich in afwachting van een dergelijke klacht over dat verzoek moeten uitspreken.

95      Aan deze overwegingen wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat verzoeker in zijn e‑mail van 30 augustus 2015 het hoofd van de missie heeft verzocht om die e‑mail als een officiële klacht te beschouwen. Zoals in de punten 91 tot en met 93 van dit arrest is opgemerkt, was immers zowel het hoofd van de missie als zijn adjunct van mening dat verzoekers e‑mails van 7 en 9 februari 2015 een officiële klacht vormden en dat een vooronderzoek moest worden ingesteld, zodat verzoeker in dat stadium geen verdere stappen meer hoefde te ondernemen.

96      Gelet op een en ander is het Gerecht van oordeel dat het feit dat er geen vooronderzoek is ingesteld naar aanleiding van verzoekers e‑mails van 7 en 9 februari 2015, een schending van punt 8.4 van de gedragscode en daarmee een aan de missie toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een contractuele verplichting oplevert.

97      Geen van de overige argumenten die de missie heeft aangevoerd om deze conclusie te ontkrachten, kan overtuigen.

98      In de eerste plaats verwijst de missie naar hetgeen haar hoofd in zijn e‑mail van 25 augustus 2015 aan verzoeker heeft verklaard, namelijk dat hij, aangezien hij verder niets meer van de betrokkenen had gehoord, ervan was uitgegaan dat het adjunct-hoofd van de missie het geschil tussen verzoeker en X. in der minne had kunnen oplossen. De missie ontkent echter niet dat een dergelijke minnelijke regeling niet tot stand is gekomen. Zoals verzoeker terecht stelt, was het hoe dan ook de taak van het hoofd van de missie om te informeren naar de stand van zaken met betrekking tot het vooronderzoek waarvan hij met zijn adjunct was overeengekomen dat het moest worden ingesteld.

99      In de tweede plaats suggereert de missie dat een vooronderzoek niet noodzakelijk was, aangezien de door verzoeker gestelde feiten geen feiten van intimidatie waren en bovendien niet door voldoende bewijs werden gestaafd. Dit argument faalt. Om te beginnen heeft de missie niet aangetoond dat geen van de in de e‑mails van 7 en 9 februari 2015 gemelde feiten een geval van intimidatie in de zin van punt 2.5 van de gedragscode kon opleveren. Bovendien blijkt uit die gedragscode geenszins dat een vooronderzoek slechts gerechtvaardigd is wanneer de klager reeds voldoende bewijzen heeft overgelegd om aan te tonen dat er daadwerkelijk sprake is geweest van intimidatie.

100    In de derde plaats betoogt de missie dat verzoeker tussen februari en augustus 2015 geen navraag heeft gedaan naar het onderzoek dat volgens hem in februari 2015 had moeten worden gestart. De missie heeft evenwel niet toegelicht wat de relevantie van dit feit zou kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of zij is tekortgeschoten in een contractuele verplichting door na te laten een dergelijk vooronderzoek in te stellen naar aanleiding van verzoekers e‑mails van 7 en 9 februari 2015. Hetzelfde geldt voor het argument van de missie dat verzoeker in de periode tussen februari en augustus 2015 geen enkel probleem heeft gemeld, noch aan de missie kenbaar heeft gemaakt dat hij behoefte had aan psychische hulp.

101    In de vierde en laatste plaats is het door de missie aangevoerde feit dat zij de laatste arbeidsovereenkomst van verzoeker in stand heeft gelaten, hoewel zij deze had kunnen beëindigen wegens gedragingen van verzoeker die in haar ogen als een ernstige fout kunnen worden gekwalificeerd – namelijk beledigingen en lasterlijke uitlatingen in de aan de missie gerichte e‑mails van 28 en 30 augustus 2015 – volstrekt niet relevant voor het antwoord op de vraag of de missie is tekortgeschoten in een contractuele verplichting door in februari 2015 geen vooronderzoek te starten.

 Door verzoeker aangevoerde schadeposten

102    De eerste door verzoeker aangevoerde schadepost is van immateriële aard. Verzoeker stelt dat de situatie van intimidatie waarmee hij te maken had, door het stilzitten van de missie tussen februari en augustus 2015 is blijven voortduren, wat had kunnen en moeten worden vermeden. Volgens verzoeker wordt die „hel waardoor hij is gegaan” met name geïllustreerd door de ernst van zijn gezondheidstoestand op het moment van zijn vertrek bij de missie, maar ook door de medicijnen die de artsen voor zijn behandeling hebben moeten voorschrijven. De immateriële schade bestaat volgens verzoeker ook uit de medische gevolgen van die situatie van intimidatie, namelijk de ernstige depressie waarmee hij nog altijd te kampen heeft, de medicatie die hij daarvoor moet gebruiken, en de gedwongen stopzetting van zijn beroepswerkzaamheden als gevolg van zijn ziekteverzuim.

103    Die immateriële schade is volgens verzoeker nog verergerd door de houding van de missie tijdens zijn ziekteverzuim. Ten eerste heeft de missie geen enkel initiatief ondernomen om hem weer aan het werk te krijgen. Integendeel, zij heeft hem pas op 11 juli 2016 op zijn officiële adres een oproep toegezonden voor een zogenaamde medische controle die slechts twee dagen later zou moeten plaatsvinden – op welke wettelijke grondslag is overigens onduidelijk –, terwijl zij heel goed wist dat hij in werkelijkheid elders verbleef. Ten tweede heeft de missie volgens verzoeker de geldigheid van al zijn medische attesten betwist met het argument dat deze per e‑mail waren toegestuurd, terwijl zij na de ontvangst van het eerste attest had bevestigd dat toezending per post niet noodzakelijk was. Door die houding is de missie volgens verzoeker in haar zorgplicht jegens hem tekortgeschoten en heeft zij te kwader trouw en oneerlijk gehandeld. Die houding heeft dan ook ertoe bijgedragen dat zijn immateriële schade nog is verergerd.

104    Volgens verzoeker kan zijn immateriële schade ex æquo et bono worden begroot op 70 000 EUR.

105    De tweede door verzoeker gestelde schadepost is van materiële aard. Verzoeker meent dat de missie hem een schadevergoeding moet betalen ter hoogte van het salaris dat verschuldigd is over de periode tussen 29 september 2015 – de datum waarop de betaling van zijn salaris wegens zijn ziekteverzuim werd stopgezet – en 15 juli 2016 – de datum waarop zijn derde arbeidsovereenkomst met de missie afliep –, alsmede rente en een vergoeding voor opgebouwde verlofaanspraken. Zijn ziekteverzuim was immers het gevolg van de verslechtering van zijn gezondheidstoestand door de situatie van intimidatie op het werk waarmee hij te maken had gehad. De schadevergoeding waarop verzoeker recht meent te hebben voor zijn derving van inkomsten over de periode van 1 september 2015 tot 15 juli 2016, bedraagt volgens hem in totaal 73 774 EUR.

106    Volgens verzoeker betreft zijn derde schadepost, eveneens van materiële aard, het verlies van de kans op verlenging van zijn arbeidsovereenkomst. Zijn contract is immers uitsluitend niet verlengd omdat het onmogelijk was zijn prestaties te beoordelen. Gelet op zijn uitstekende prestaties in het verleden en op het feit dat de missie nog steeds behoefte had aan de diensten van een medewerker die verantwoordelijk was voor de bevoorrading, moet volgens verzoeker de kans dat zijn contract met een jaar zou zijn verlengd, op minimaal 80 % worden geschat. Hij meent dan ook recht te hebben op een schadevergoeding ter hoogte van 80 % van de bezoldiging die hij zou hebben ontvangen indien zijn contract was verlengd.

107    De missie bestrijdt die argumenten van verzoeker.

108    In dit verband moet met betrekking tot verzoekers gezondheidstoestand worden opgemerkt dat verzoeker inderdaad, zoals de Missie stelt, geen enkel medisch deskundigenrapport heeft overgelegd om zijn schadevordering te staven.

109    Uit het dossier blijkt evenwel dat de arts die verzoeker eind augustus 2015 in Niger heeft geconsulteerd, heeft vastgesteld dat verzoeker te kampen had met psychisch leed. Uit het dossier komt ook naar voren dat verzoeker arbeidsongeschikt is verklaard vanaf 25 augustus 2015 totdat zijn arbeidsovereenkomst met de missie in juli 2016 afliep. Tot slot blijkt uit het dossier dat de door verzoeker in Frankrijk geconsulteerde psychiater in de attesten waarin hij verzoeker arbeidsongeschikt verklaarde, tot tweemaal toe heeft gesproken van een „ernstige depressie”.

110    Het is juist dat verzoekers gezondheidstoestand blijkens het dossier niet van dien aard was dat een ziekenhuisopname in Niger of in Frankrijk noodzakelijk was. Het is eveneens juist dat er geen bewijs is voor verzoekers bewering dat de ernst van de gezondheidsproblemen waarmee hij eind augustus 2015 te kampen had, wordt bevestigd door de medicijnen die de artsen voor zijn behandeling hebben moeten voorschrijven, aangezien in de door verzoeker aan het Gerecht overgelegde medische attesten geen behandeling wordt genoemd. Uit de aan het Gerecht ter beschikking staande stukken blijkt niettemin dat verzoekers gezondheidstoestand aanmerkelijk is verslechterd en dat die verslechtering is ingetreden nadat verzoeker met zijn e‑mails van 7 en 9 februari 2015 de missie op de hoogte had gebracht van hetgeen volgens hem als een geval van intimidatie jegens hem door X. moest worden beschouwd.

111    In deze omstandigheden kan volgens het Gerecht het bestaan van immateriële schade in verband met die verslechtering van verzoekers gezondheidstoestand niet worden ontkend.

112    Wat de door verzoeker gestelde materiële schade betreft, staat vast dat de betaling van verzoekers salaris op 29 september 2015 is stopgezet en dat verzoeker dus het restant van het salaris dat hem overeenkomstig zijn laatste arbeidsovereenkomst tot de einddatum van die overeenkomst verschuldigd zou zijn geweest indien hij had kunnen blijven werken, alsook zijn verlofaanspraken over die periode is misgelopen. Het is juist dat artikel 15.7 van verzoekers laatste arbeidsovereenkomst bepaalt dat afwezigheid wegens ziekte slechts gedurende maximaal dertig kalenderdagen met actieve diensttijd wordt gelijkgesteld en dat na een ziekteverzuim van meer dan dertig dagen alle rechten komen te vervallen. Het feit dat de missie op grond van die bepaling de betaling van verzoekers salaris mocht, of misschien wel moest stopzetten, doet echter niets af aan de conclusie dat verzoeker dus het salaris is misgelopen dat hij zou hebben verdiend, en daarmee materiële schade heeft geleden.

113    Met betrekking tot de mogelijkheid om een nieuwe arbeidsovereenkomst te sluiten moet worden opgemerkt dat verzoeker niet over een verworven recht op verlenging van zijn arbeidsovereenkomst met de missie beschikte. De missie heeft evenwel niet verzoekers argument betwist dat, gelet op zijn uitstekende prestaties in het verleden en op het feit dat de missie nog steeds behoefte had aan het soort diensten dat door hem was verricht, de kans dat zijn contract met een jaar zou zijn verlengd, op minimaal 80 % moet worden geschat. De missie heeft in dit verband immers uitsluitend betoogd dat de korte tijd dat verzoeker had gewerkt gedurende de periode waarvoor de derde arbeidsovereenkomst was aangegaan, het voor haar onmogelijk had gemaakt om zijn prestaties te beoordelen met het oog op een eventuele verlenging van zijn contract. Verzoeker stelt echter dat juist de niet-nakoming van contractuele verplichtingen door de missie ervoor had gezorgd dat zijn gezondheidstoestand zodanig was verslechterd, dat hij niet meer naar het werk had kunnen terugkeren. In deze omstandigheden kan het bestaan van materiële schade wegens het verlies van een kans op een nieuw contract evenmin worden ontkend.

114    De overige argumenten die de missie in dit verband heeft aangevoerd, kunnen niet afdoen aan deze vaststellingen.

115    Ten eerste kan het argument van de missie dat verzoeker er vanaf begin 2015 tegenover zijn collega’s geen geheim van heeft gemaakt dat hij zocht naar een manier om bij de missie te vertrekken, nog afgezien van het feit dat hiervoor geen enkel concreet bewijs is aangevoerd, niet afdoen aan de vaststelling dat verzoekers gezondheidstoestand tussen februari en augustus 2015 aanzienlijk is verslechterd.

116    Ten tweede kan aan die vaststelling evenmin worden afgedaan door het feit dat verzoeker tussen februari en augustus 2015 nooit contact met de missie heeft opgenomen over eventuele psychische problemen en dat hij niet vóór augustus 2015 bij de missie heeft geïnformeerd welk gevolg aan zijn e‑mails van 7 en 9 februari 2015 was gegeven.

117    Ten derde geldt uiteraard hetzelfde voor het argument van de missie dat de wijze waarop verzoeker eind augustus 2015 bij de missie is vertrokken, erop wees dat hij niet van plan was om er nog terug te keren.

118    De missie heeft daarnaast nog enkele argumenten aangevoerd die betrekking hebben op de periode nadat verzoeker eind augustus 2015 zijn werkplek had verlaten. Zij stelt allereerst dat verzoeker niet is ingegaan op haar verzoeken om zich te onderwerpen aan een medisch deskundigenonderzoek teneinde zijn gezondheidstoestand en zijn eventuele arbeidsongeschiktheid te laten beoordelen. Daarnaast voert de missie aan dat verzoekers ziekteverzuim onrechtmatig was en dus niet tot schadevergoeding kan leiden, aangezien verzoeker heeft nagelaten geldige en verifieerbare medische attesten over te leggen, heeft verbleven op een adres dat bij de missie niet bekend was en er door zijn toedoen geen deskundigenonderzoek of medische controle kon worden uitgevoerd. Het Gerecht is evenwel van mening dat op deze argumenten slechts hoeft te worden ingegaan indien verzoeker een oorzakelijk verband weet aan te tonen tussen de niet-nakoming van contractuele verplichtingen door de missie en de immateriële en materiële schade die hij heeft geleden in de periode nadat hij de missie had verlaten, hetgeen dus hierna moet worden onderzocht.

 Oorzakelijk verband

119    Verzoeker betoogt dat door het stilzitten van de missie de door hem in februari 2015 gemelde situatie van intimidatie is blijven voortduren, is verergerd en ertoe heeft geleid dat hij met ingang van 25 augustus 2015 met ziekteverlof is gegaan. Volgens verzoeker staat vast dat dat ziekteverzuim met name was toe te schrijven aan de als ernstig gekwalificeerde depressie waarmee hij te kampen had in verband met de situatie van intimidatie op het werk. Dit laatste aspect, dat door zijn arts is benadrukt, zou rechtens genoegzaam het oorzakelijk verband aantonen tussen het feit dat de missie haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen en de schade die hij heeft geleden. Verzoeker voegt hieraan toe dat hij in februari 2015 voor het eerst antidepressiva voorgeschreven heeft gekregen, terwijl hij toen al jaren werkzaam was geweest voor missies, in een vaak vijandige omgeving. Ook wijst hij erop dat hij voor het eerst met ziekteverlof is geweest van 9 tot en met 13 februari 2015, dat wil zeggen vlak nadat hij de situatie van psychische intimidatie voor het eerst had gemeld.

120    De missie bestrijdt de argumenten van verzoeker. In haar ogen bestaat er geen oorzakelijk verband tussen haar gedrag en de vermeende schade.

121    Wat de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie betreft, volgt uit de rechtspraak dat de Unie enkel aansprakelijk kan zijn voor schade die een voldoende rechtstreeks gevolg is van de onrechtmatige gedraging van de betrokken instelling (zie arrest van 24 oktober 2000, Fresh Marine/Commissie, T‑178/98, EU:T:2000:240, punt 118 en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsmede beschikking van 9 november 2016, Jenkinson/Raad e.a., T‑602/15, EU:T:2016:660, punt 49). Het Gerecht is van oordeel dat hetzelfde geldt voor de contractuele aansprakelijkheid van de Unie.

122    In de eerste plaats moet worden onderzocht of er een oorzakelijk verband bestaat tussen het gedrag van de missie en de immateriële schade die verzoeker heeft geleden.

123    Dienaangaande constateert het Gerecht dat verzoeker geen enkel document heeft overgelegd waaruit onomstotelijk blijkt dat zijn immateriële schade is veroorzaakt doordat de missie haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen. Anders dan verzoeker betoogt, blijkt met name uit de door hem overgelegde bewijzen niet dat zijn arts zou hebben vastgesteld dat de verslechtering van zijn gezondheidstoestand verband hield met een situatie van intimidatie op het werk. Het feit dat de psychiater die verzoeker heeft onderzocht, in zijn attest van 14 oktober 2015 heeft verklaard dat verzoeker zich beklaagde over intimidatie op het werk, kan niet als een dergelijke vaststelling worden beschouwd, daar het hier een opmerking van verzoeker betreft waarover zijn arts zich niet heeft uitgesproken.

124    In dit verband dienen evenwel de volgende factoren in aanmerking te worden genomen.

125    Ten eerste had verzoeker de missie in zijn e‑mail van 9 februari 2015 in kennis gesteld van de gezondheidsproblemen die hij had gehad na het in diezelfde e‑mail gemelde incident met X. Voorts blijkt uit de door verzoeker overgelegde bewijzen dat hij vervolgens voor het eerst van zijn werk is weggebleven van 9 februari tot en met 13 februari 2015. In deze omstandigheden moest het voor de missie duidelijk zijn dat wanneer zij geen passend gevolg zou geven aan verzoekers e‑mails van 7 en 9 februari 2015, het risico bestond dat verzoekers gezondheidstoestand nog verder zou verslechteren. In dit verband moet worden opgemerkt dat toen eind augustus 2015 een vooronderzoek werd gestart, het hoofd van de missie tegelijkertijd heeft besloten om X. met onmiddellijke ingang te verbieden nog bij verzoeker in de buurt te komen.

126    Ten tweede, en zoals reeds is opgemerkt (zie punt 110 supra), staat vast dat verzoekers gezondheidstoestand eind augustus 2015 aanmerkelijk is verslechterd en dat die verslechtering volgens verzoeker was toe te schrijven aan het feit dat er in februari 2015 geen vooronderzoek was ingesteld. Het is juist dat de missie suggereert dat die verslechtering een andere oorzaak kon hebben dan intimidatie of het feit dat zij in februari 2015 geen vooronderzoek was gestart. De missie stelt in dit verband dat in de attesten van de arts die verzoeker eind augustus 2015 in Niger heeft bezocht, de levensomstandigheden bij de missie als de oorzaak van de verslechtering van verzoekers gezondheidstoestand worden genoemd. Dit argument wordt echter niet gestaafd door die attesten, waarin de betrokken arts slechts heeft vastgesteld dat verzoeker te kampen had met psychisch leed en wegens zijn gezondheidstoestand afstand moest nemen van zijn werk.

127    Ten derde erkent de missie dat zij op grond van het eind augustus 2015 door haar ingestelde onderzoek heeft vastgesteld dat X. de gedragscode had geschonden.

128    Gelet op deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat er alles bij elkaar genomen voldoende concludente aanwijzingen zijn om het bestaan van een rechtstreeks verband aan te nemen tussen enerzijds het feit dat de missie heeft nagelaten om na de e‑mailwisseling van 10 februari 2015 tussen het hoofd van de missie en zijn adjunct een vooronderzoek in te stellen naar de feiten die verzoeker had gemeld als zijnde intimidatie door X., en anderzijds de na die datum ingetreden verslechtering van verzoekers gezondheidstoestand.

129    Het Gerecht is evenwel van mening dat dat oorzakelijk verband slechts voor een deel van de periode na 10 februari 2015 kan worden vastgesteld.

130    Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat uit de gedragscode blijkt dat een vooronderzoek snel moet worden uitgevoerd. Met name is in punt 8.4.4 van de gedragscode bepaald dat het verslag van het vooronderzoek binnen een vrij korte termijn, namelijk tien dagen, aan het adjunct-hoofd van de missie moet worden overhandigd. In deze omstandigheden diende verzoeker, nadat er enige tijd was verstreken zonder dat hij was geïnformeerd over het aan zijn klacht gegeven gevolg, zich redelijkerwijs af te vragen of er daadwerkelijk een vooronderzoek in gang was gezet en of dat vooronderzoek nog liep. Bovendien blijkt uit het dossier, met name uit de verschillende e‑mails van verzoeker, dat deze laatste naar behoren was ingelicht over de in een dergelijke situatie geldende procedures.

131    Bijgevolg moet worden geoordeeld dat het aan verzoeker stond om binnen een betrekkelijk korte termijn te informeren naar het gevolg dat aan zijn e‑mails van 7 en 9 februari 2015 was gegeven, temeer daar de situatie van intimidatie waarover hij zich in die e‑mails had beklaagd, volgens zijn e‑mails van 25 en 28 augustus 2015 nog aanmerkelijk lijkt te zijn verergerd. Met name moet erop worden gewezen dat verzoeker zich in die laatste e‑mail erover beklaagt dat X. zich in februari of maart 2015 schuldig heeft gemaakt aan fysieke agressie jegens hem, door hete thee over zijn benen te morsen. Toen verzoeker tijdens de terechtzitting door het Gerecht op dat punt werd ondervraagd, was hij niet in staat duidelijk te maken waarom hij de missie pas maanden later in kennis had gesteld van dat incident, dat, indien bewezen, als zeer ernstig moest worden beschouwd.

132    Verzoeker betwist niet dat hij, zoals de missie heeft betoogd, in de periode van februari tot en met augustus 2015 niets meer heeft laten horen over vermeende intimidatie en nooit bij de missie heeft geïnformeerd naar het gevolg dat aan zijn e‑mails van 7 en 9 februari was gegeven, noch de missie heeft laten weten dat zijn situatie was verslechterd. Toen hem tijdens de terechtzitting door het Gerecht een vraag hierover werd gesteld, heeft verzoeker slechts geantwoord dat hij het niet zinvol had geacht om dergelijke stappen te ondernemen, dat hij vertrouwen had gehad in de missie en dat hij had gemeend dat er daadwerkelijk een onderzoek liep.

133    Het is juist dat verzoeker in het kader van de door hem op 26 oktober 2015 aan de missie verstrekte aanvullende informatie heeft opgemerkt dat „[X.] […] zich gedurende een korte periode (in mei 2015) van een betere kant [had] laten zien”, dat „[hij eraan hechtte] te preciseren dat [hij], hoewel hij na [zijn] klacht van februari nog steeds wachtte op de afsluiting van de tuchtprocedure en op een sanctie die feitelijk een ‚pedagogisch’ en ‚stimulerend’ effect op [X.] zou hebben [gehad], doch inziend dat de houding van [X.] veranderde, [hij] [hoopte] dat de situatie weer normaal zou kunnen worden”, en „[hij] […], om die verandering ten goede gedurende die korte periode verder aan te moedigen, zelfs zo ver [was] gegaan om [X.] uit te nodigen voor een lunch, aan welke uitnodiging [X.] gehoor [had] gegeven”. Uit de door verzoeker zelf afgelegde verklaringen volgt dus dat verzoeker in mei 2015 van mening was dat de houding van X. jegens hem was verbeterd en dat hij mocht verwachten dat als gevolg van het slagen van zijn klacht en de aanmoedigingssignalen van zijn kant zijn relatie met X. weer normaal zou worden. Zoals verzoeker zelf aangeeft, is die verbetering echter maar van korte duur geweest, waaruit moet worden afgeleid dat de situatie van intimidatie waarover hij zich beklaagde, nadien is blijven voortduren. Hieruit volgt dat, zelfs indien wordt aangenomen dat de verbetering van de situatie in mei 2015 verzoeker geen reden gaf om te informeren naar het gevolg dat aan zijn klacht was gegeven, dit hoe dan ook niet het geval kan zijn voor de periode daarna.

134    Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het Gerecht een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen het uitblijven van een vooronderzoek en de verslechtering van verzoekers gezondheidstoestand slechts worden geacht rechtens genoegzaam te zijn aangetoond voor de periode van 10 februari 2015 tot uiterlijk mei 2015. Voor de periode daarna moet worden aangenomen dat de verslechtering van verzoekers gezondheidstoestand niet langer een rechtstreeks gevolg was van het uitblijven van een vooronderzoek, maar ook was toe te schrijven aan het feit dat verzoeker geen stappen had ondernomen om te informeren naar het gevolg dat aan zijn e‑mails van 7 en 9 februari 2015 was gegeven, of om zijn meerderen van de verslechtering van zijn relatie met X. op de hoogte te brengen. In dit verband moet verzoekers e‑mail van 25 augustus 2015 als tardief worden aangemerkt, temeer daar op die datum zijn gezondheidstoestand reeds zodanig was verslechterd dat hij volgens de in die periode opgestelde medische attesten niet in staat was om te werken en naar Europa moest terugkeren. Zonder dat behoeft te worden ingegaan op de overige argumenten die de missie in dit verband heeft aangevoerd, moet dus worden vastgesteld dat de missie niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de door verzoeker in de periode na mei 2015 geleden immateriële schade, en dan met name de immateriële schade die is ingetreden nadat verzoeker eind augustus 2015 de missie had verlaten.

135    In de tweede plaats volgt uit de punten 112 en 113 van dit arrest dat de door verzoeker geleden materiële schade is ingetreden na zijn vertrek bij de missie in augustus 2015. Om dezelfde redenen als die welke in de punten 130 tot en met 134 van dit arrest zijn aangevoerd, moet bijgevolg worden geoordeeld dat de missie niet aansprakelijk kan worden gehouden voor die materiële schade.

136    Gelet op een en ander is het Gerecht van oordeel dat het bedrag van de door verzoeker geleden immateriële schade ex æquo et bono moet worden vastgesteld op 10 000 EUR.

137    Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat de missie moet worden veroordeeld om aan verzoeker het bedrag van 10 000 EUR te betalen ter vergoeding van de geleden immateriële schade en dat verzoekers vorderingen moeten worden afgewezen voor het overige.

 Kosten

138    Volgens artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering dragen de partijen hun eigen kosten, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Indien dit gelet op de omstandigheden van de zaak gerechtvaardigd voorkomt, kan het Gerecht evenwel beslissen dat een partij behalve in haar eigen kosten ook in een deel van de kosten van de andere partij wordt verwezen.

139    In casu zijn verzoeker en de missie allebei gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. In de gegeven omstandigheden moet evenwel worden beslist dat de missie behalve haar eigen kosten drie vierde van verzoekers kosten zal dragen.

HET GERECHT (Vijfde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      EUCAP Sahel Niger wordt veroordeeld om aan PY het bedrag van 10 000 EUR te betalen.

2)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)      EUCAP Sahel Niger wordt verwezen in haar eigen kosten en in drie vierde van de kosten van PY.

Gratsias

Dittrich

Xuereb

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 april 2018.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.