Language of document : ECLI:EU:C:2018:262

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

19 april 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Zelfstandige handelsagenten – Richtlijn 86/653/EEG – Recht van de handelsagent op een vergoeding of herstel van het nadeel na beëindiging van de agentuurovereenkomst – Artikel 17 – Uitsluiting van het recht op vergoeding in geval van opzegging van de overeenkomst tijdens de in de overeenkomst bedongen proeftijd”

In zaak C‑645/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Frankrijk) bij beslissing van 6 december 2016, ingekomen bij het Hof op 15 december 2016, in de procedure

Conseils et mise en relations (CMR) SARL

tegen

Demeures terre et tradition SARL,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, C. Vajda, E. Juhász, K. Jürimäe (rapporteur) en C. Lycourgos, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Demeures terre en tradition SARL, vertegenwoordigd door F. Molinié, avocat,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas en R. Coesme als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en M. Hellmann als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en H. Tserepa-Lacombe als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 oktober 2017,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 17 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB 1986, L 382, blz. 17).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Conseils et mise en relations (CMR) SARL en Demeures terre et tradition SARL (hierna: „DTT”), betreffende de door CMR ingediende vordering tot betaling van een vergoeding tot herstel van het nadeel dat zij heeft ondervonden door de beëindiging van de agentuurovereenkomst die haar aan DTT bond, en tot schadevergoeding die haar wegens onrechtmatige opzegging van die overeenkomst verschuldigd zou zijn.

 Toepasselijke bepalingen

 Recht van de Unie

3        De tweede en de derde overweging van richtlijn 86/653 luiden als volgt:

„Overwegende dat de verschillen tussen de nationale wetgevingen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging binnen de [Europese Unie] de concurrentieverhoudingen en de uitoefening van het beroep aanzienlijk beïnvloeden en de mate waarin de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen worden beschermd, evenals de zekerheid in het handelsverkeer, aantasten; dat voorts deze verschillen de totstandkoming en de werking van handelsagentuurovereenkomsten tussen een principaal en een handelsagent die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, ernstig kunnen belemmeren;

Overwegende dat het goederenverkeer tussen de lidstaten moet plaatsvinden onder soortgelijke omstandigheden als binnen een enkele markt, hetgeen de onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels van de lidstaten vereist, voor zover zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is; dat in dit verband de verwijzingsregels van het internationaal privaatrecht, zelfs indien zij zijn geünificeerd, de hierboven vermelde nadelen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging niet opheffen, en dat daarom niet kan worden afgezien van de voorgestelde harmonisatie”.

4        Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt:

„1.      De in deze richtlijn voorgeschreven harmonisatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de betrekkingen tussen handelsagenten en hun principalen.

2.      Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen ‚principaal’, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.

[…]”

5        Artikel 17, leden 1 tot en met 3, van deze richtlijn bepaalt:

„1.      De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 [of] herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt.

2.      a)      De handelsagent heeft recht op een vergoeding indien en voor zover:

–        hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren,

en

–        de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de uit de transacties met deze klanten voortvloeiende provisie, die voor de handelsagent verloren gaat.[…]

b)      Het bedrag van de vergoeding mag niet meer bedragen dan een cijfer dat overeenkomt met een jaarlijkse vergoeding berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de beloning die de handelsagent de laatste vijf jaar heeft ontvangen of, indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd, berekend over het gemiddelde van die periode.

c)      De toekenning van deze vergoeding laat het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet.

3.      De handelsagent heeft recht op herstel van het nadeel dat hem als gevolg van de beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal wordt berokkend.

Dit nadeel vloeit in het bijzonder voort uit de beëindiging van de overeenkomst onder omstandigheden waarbij:

–        de handelsagent niet de provisies krijgt die hij bij normale uitvoering van de overeenkomst zou hebben ontvangen, waardoor de principaal een aanzienlijk voordeel geniet van de activiteiten van de handelsagent;

–        en/of de handelsagent niet de kosten en uitgaven kan dekken die hij op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen.”

6        Artikel 18 van diezelfde richtlijn luidt als volgt:

„De vergoeding of het herstel op grond van artikel 17 is niet verschuldigd:

a)      indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de handelsagent te wijten omstandigheid die krachtens het nationale recht aanleiding is tot beëindiging van de overeenkomst zonder opzeggingstermijn;

b)      indien de handelsagent de overeenkomst beëindigd heeft, tenzij deze beëindiging wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die de principaal kunnen worden toegerekend of wordt gerechtvaardigd door leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent op grond waarvan redelijkerwijs niet meer van hem kan worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden voortzet;

c)      indien de handelsagent, overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde overdraagt.”

7        Artikel 19 van richtlijn 86/653 luidt:

„Voordat de overeenkomst is beëindigd, mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 afwijken.”

 Frans recht

8        Artikel L. 134‑12 van de code de commerce (wetboek van koophandel) bevat de volgende bepalingen:

„De handelsagent heeft in geval van beëindiging van zijn betrekking met de principaal recht op een vergoeding tot herstel van het geleden nadeel.

De handelsagent verliest het recht op herstel indien hij de principaal niet binnen een jaar na de beëindiging van de overeenkomst in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om zijn rechten te doen gelden.

De rechtverkrijgenden van de handelsagent hebben eveneens recht op herstel wanneer de beëindiging van de overeenkomst te wijten is aan het overlijden van de agent.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9        Op 2 december 2011 heeft DTT met CMR een agentuurovereenkomst gesloten voor de verkoop van eengezinswoningen. Volgens die overeenkomst waren DTT en CMR respectievelijk mandant en mandataris. Die overeenkomst voorzag in een proeftijd van twaalf maanden, na afloop waarvan zij zou worden geacht te zijn gesloten voor onbepaalde tijd, waarbij elke partij de mogelijkheid had om de overeenkomst tijdens die periode op te zeggen, met in de eerste maand een opzegtermijn van vijftien dagen en daarna een opzegtermijn van één maand. De handelsagentuurovereenkomst bepaalde als doelstelling de verkoop van 25 woningen per jaar.

10      Bij brief van 12 juni 2012 heeft DTT CMR in kennis gesteld van haar beslissing om de betrokken overeenkomst te beëindigen, na afloop van de contractuele opzegtermijn van een maand. Zij baseerde haar beslissing op het feit dat de in die overeenkomst bepaalde doelstelling niet was gehaald, aangezien CMR in vijf maanden slechts één woning had verkocht.

11      Bij akte van 20 maart 2013 heeft CMR DTT voor de tribunal de commerce d’Orléans (handelsrechter Orléans, Frankrijk) gedaagd. Zij vorderde betaling van een vergoeding voor het nadeel voortvloeiend uit de beëindiging van de agentuurovereenkomst en schadevergoeding wegens onrechtmatige opzegging van de overeenkomst. Bij beslissing van 30 januari 2014 heeft die rechterlijke instantie de vorderingen van CMR gedeeltelijk gegrond verklaard.

12      Op 14 februari 2014 heeft DTT hoger beroep ingesteld tegen die beslissing. Bij arrest van 18 december 2014 heeft de cour d’appel d’Orléans (rechter in hoger beroep Orléans, Frankrijk) de beslissing van de tribunal de commerce d’Orléans gedeeltelijk vernietigd. In het bijzonder heeft die rechter geoordeeld dat de vergoeding waarin artikel L. 134‑12 van de code de commerce voorziet, niet verschuldigd was in geval van beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst tijdens de proeftijd. Hij heeft voorts geoordeeld dat de beëindiging van de tussen DTT en CMR gesloten overeenkomst niet onrechtmatig was aangezien in vijf maanden slechts één woning was verkocht, terwijl de in de overeenkomst vastgelegde doelstelling vijfentwintig verkopen per jaar bedroeg.

13      CMR heeft die beslissing aangevochten bij de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Frankrijk), die in de eerste plaats uiteen heeft gezet dat de beslissing van de cour d’appel d’Orléans vaste rechtspraak van de kamer voor handelszaken, financiële zaken en economische zaken van de Cour de cassation toepast volgens welke er een uitzondering bestaat op het recht op schadevergoeding wanneer de handelsagentuurovereenkomst wordt opgezegd tijdens de proeftijd. In de tweede plaats heeft de Cour de cassation erop gewezen dat richtlijn 86/653 niet verwijst naar een eventuele proeftijd, zodat een proeftijdbeding door de partijen bij een handelsagentuurovereenkomst kan worden overeengekomen zonder dat dit schending van het Unierecht oplevert. In de derde plaats heeft zij er onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof aan herinnerd dat met richtlijn 86/653 wordt beoogd de handelsagent in zijn betrekkingen met de principaal te beschermen en dat artikel 17, lid 2, van die richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het bijdraagt aan die bescherming.

14      Daarop heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Is artikel 17 van richtlijn [86/653] van toepassing wanneer de agentuurovereenkomst wordt beëindigd tijdens de daarin bedongen proeftijd?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

15      Met haar vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in essentie te vernemen of artikel 17 van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat de vergoedings- en herstelregelingen waarin dat artikel respectievelijk in de leden 2 en 3 voorziet in geval van beëindiging van de agentuurovereenkomst, toepasselijk zijn wanneer die beëindiging plaatsvindt tijdens de in die overeenkomst bedongen proeftijd.

16      Om te beginnen moet worden ingegaan op de vraag of richtlijn 86/653 eraan in de weg staat dat in een agentuurovereenkomst een proeftijd wordt bedongen.

17      Zoals de advocaat-generaal in punt 34 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vermeldt die richtlijn het begrip „proeftijd” niet. Aangezien geen bepaling van die richtlijn het bedingen van een proeftijd regelt, moet worden geoordeeld dat het bedingen daarvan, dat onder de contractvrijheid van partijen bij de agentuurovereenkomst valt, op zich door de richtlijn niet wordt verboden.

18      In het onderhavige geval volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de kamer voor handelszaken, financiële zaken en economische zaken van de Cour de cassation heeft geoordeeld dat de handelsagent geen recht heeft op vergoeding wanneer de agentuurovereenkomst wordt beëindigd tijdens de proeftijd.

19      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens artikel 288, derde alinea, VWEU „een richtlijn […] verbindend [is] ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties […] de bevoegdheid [wordt] gelaten om vorm en middelen te kiezen”.

20      Zoals ook de advocaat-generaal in punt 34 van zijn conclusie heeft opgemerkt, staat richtlijn 86/653 er weliswaar niet aan in de weg dat in een agentuurovereenkomst een proeftijd wordt bedongen, maar mogen aan een proeftijd in intern recht geen rechtsgevolgen worden toegekend die kunnen afdoen aan de volle werking van die richtlijn.

21      In het licht van bovenstaande overwegingen moet worden onderzocht of het bedingen van een proeftijd in een agentuurovereenkomst een beletsel vormt voor de toepassing van de respectievelijk in lid 2 en lid 3 van artikel 17 van richtlijn 86/653 voorziene vergoedings- en herstelregelingen in geval van beëindiging van die overeenkomst tijdens de proeftijd.

22      Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten voor de vaststelling van de draagwijdte van een bepaling van Unierecht, in het onderhavige geval artikel 17 van richtlijn 86/653, zowel de bewoordingen, de context als de doelstellingen van die bepaling in de beschouwing worden betrokken (arrest van 16 april 2015, Angerer, C‑477/13, EU:C:2015:239, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      Wat de bewoordingen van dat artikel betreft zij om te beginnen opgemerkt dat de lidstaten volgens artikel 17, lid 1, van richtlijn 86/653 de maatregelen treffen die noodzakelijk zijn om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de „beëindiging van de overeenkomst”, vergoeding of herstel van het ondervonden nadeel krijgt. Evenzo bepaalt artikel 17, lid 3, van die richtlijn dat de handelsagent recht heeft op herstel van het nadeel dat hem als gevolg van de „beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal” wordt berokkend. De handelsagent heeft dus slechts recht op vergoeding of herstel indien zijn contractuele betrekking met de principaal wordt beëindigd.

24      Een proeftijdbeding dient weliswaar, zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie opmerkt, de beëindiging van een agentuurovereenkomst te vergemakkelijken, maar dat neemt niet weg dat opzegging van een dergelijke overeenkomst tijdens de daarin bedongen proeftijd een „beëindiging van de overeenkomst” of een „beëindiging van [de] betrekkingen [van de handelsagent] met de principaal” in de zin van artikel 17, leden 1 en 3, van richtlijn 86/653 vormt.

25      In dit verband volgt uit de bij het Hof ingediende opmerkingen dat de in punt 18 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van de Cour de cassation volgens welke de handelsagent geen recht op vergoeding heeft wanneer de agentuurovereenkomst wordt beëindigd tijdens de proeftijd, op de overweging berust dat de agentuurovereenkomst tijdens die periode nog niet definitief is gesloten.

26      Deze uitlegging vindt geen steun in richtlijn 86/653. Integendeel, want zoals de advocaat-generaal in punt 39 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bestaat een betrekking tussen een handelsagent en een principaal in de zin van artikel 1 van richtlijn 86/653 vanaf het ogenblik waarop een overeenkomst is gesloten die hetzij het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen, hetzij het tot stand brengen en afsluiten van die verrichtingen voor rekening van de principaal tot doel heeft, ongeacht de vraag of aan die overeenkomst een proeftijd is gekoppeld. Bijgevolg zijn de bepalingen van die richtlijn van toepassing vanaf het ogenblik waarop een dergelijke overeenkomst is gesloten tussen de principaal en de handelsagent, ook al is in die overeenkomst een proeftijd bedongen.

27      In de tweede plaats volgt uit artikel 17, lid 2, onder a), van richtlijn 86/653 dat de handelsagent onder meer recht heeft op een vergoeding indien hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren. Bovendien bepaalt artikel 17, lid 2, onder b), van die richtlijn dat het bedrag van die vergoeding afhangt van de prestaties van de handelsagent tijdens de duur van de overeenkomst. Evenzo volgt uit de bewoordingen van artikel 17, lid 3, van dezelfde richtlijn dat de handelsagent onder meer recht heeft op herstel van het hem berokkende nadeel wanneer dat nadeel voortvloeit uit de beëindiging van de overeenkomst onder omstandigheden waarbij die agent niet de provisies krijgt die hij bij uitvoering van de overeenkomst zou hebben ontvangen, waardoor de principaal een aanzienlijk voordeel geniet van de activiteiten van die agent en/of de handelsagent niet de kosten en uitgaven kan dekken die hij op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen.

28      Derhalve volgt uit de bewoordingen van artikel 17, leden 2 en 3, van richtlijn 86/653, zoals de advocaat-generaal in de punten 26 en 50 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat de in die bepaling voorziene vergoedings- en herstelregelingen niet beogen de beëindiging van de overeenkomst te bestraffen, maar de handelsagent schadeloos te stellen voor zijn prestaties die voor de principaal voordeel blijven opleveren na de beëindiging van de contractuele betrekkingen of voor de kosten en uitgaven die hij ten behoeve van die prestaties heeft gehad. Die agent kan dan ook de vergoeding of het herstel niet worden ontzegd enkel op grond dat de agentuurovereenkomst is beëindigd gedurende de proeftijd, indien de in voormeld artikel 17, leden 2 en 3, van die richtlijn genoemde voorwaarden vervuld zijn.

29      Blijkens de bewoordingen van genoemd artikel ontstaat het recht op vergoeding en op herstel van het ondervonden nadeel dus ook indien de contractuele betrekking tussen de principaal en de handelsagent tijdens de proeftijd wordt beëindigd.

30      Bovenstaande overwegingen vinden steun in de analyse van de context van artikel 17 van richtlijn 86/653 en van het doel van die richtlijn.

31      Wat in de eerste plaats de context van artikel 17 van voormelde richtlijn betreft moet worden opgemerkt artikel 18 van die richtlijn een limitatieve opsomming geeft van de gevallen waarin de vergoeding of het herstel van het nadeel niet verschuldigd is. Beëindiging van de proeftijd wordt daarbij niet vermeld. Bovendien vormt genoemd artikel 18 een uitzondering op het recht op vergoeding en op herstel, zodat het eng moet worden uitgelegd. Dat artikel kan bijgevolg niet worden uitgelegd op een wijze die erop zou neerkomen dat een grond voor verval van de vergoeding of het herstel wordt toegevoegd die er niet uitdrukkelijk in wordt vermeld (zie in die zin arrest van 28 oktober 2010, Volvo Car Germany, C‑203/09, EU:C:2010:647, punt 42). Door te oordelen dat geen vergoeding of herstel verschuldigd is wanneer de contractuele betrekkingen worden beëindigd tijdens de proeftijd, wordt echter juist een grond voor verval aanvaard waarin artikel 18 van genoemde richtlijn niet voorziet.

32      Voorts is het partijen ingevolge artikel 19 van richtlijn 86/653 verboden om, voordat de overeenkomst is beëindigd, ten nadele van de handelsagent af te wijken van de artikelen 17 en 18 van die richtlijn. Zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie opmerkt, is sprake van een dergelijke afwijking ten nadele van die agent wanneer wordt aanvaard dat het bedingen van een proeftijd in een agentuurovereenkomst meebrengt dat het in artikel 17 van die richtlijn voorziene recht op vergoeding en herstel niet van toepassing is. Bij gelijke prestaties zou een handelsagent het recht op schadeloosstelling immers worden toegekend of geweigerd, enkel naargelang de agentuurovereenkomst al dan niet een proeftijdbeding bevat.

33      Wat in de tweede plaats de doelstelling van richtlijn 86/653 betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat deze richtlijn blijkens de tweede en de derde overweging onder meer beoogt de handelsagent in zijn betrekkingen met zijn principaal te beschermen (arrest van 17 mei 2017, ERGO Poist’ovňa, C‑48/16, EU:C:2017:377, punt 41).

34      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de artikelen 17 en 18 van genoemde richtlijn van doorslaggevend belang zijn omdat zij het beschermingsniveau omschrijven dat de wetgever van de Unie redelijk heeft geacht voor handelsagenten in het kader van de totstandbrenging van de interne markt (arrest van 17 oktober 2013, Unamar, C‑184/12, EU:C:2013:663, punt 39). Bovendien hebben de artikelen 17 tot en met 19 van die richtlijn volgens de rechtspraak van het Hof tot doel, de handelsagent te beschermen na de beëindiging van de agentuurovereenkomst. De daartoe door richtlijn 86/653 ingevoerde regeling is dwingend (arresten van 9 november 2000, Ingmar, C‑381/98, EU:C:2000:605, punt 21, en van 23 maart 2006, Honyvem Informazioni Commerciali, C‑465/04, EU:C:2006:199, punt 22).

35      Het Hof heeft voorts geoordeeld dat, gelet op het doel van richtlijn 86/653, iedere uitlegging van artikel 17 van die richtlijn die in het nadeel zou kunnen zijn van de handelsagent is uitgesloten (zie in die zin arrest van 26 maart 2009, Semen, C‑348/07, EU:C:2009:195, punt 21).

36      De uitlegging waarbij geen vergoeding verschuldigd is in geval van beëindiging van de agentuurovereenkomst tijdens de proeftijd is niet verenigbaar met de dwingende aard van de regeling van artikel 17 van richtlijn 86/653. Die uitlegging, die erop neerkomt – anders dan dat artikel voorschrijft – dat de toekenning van schadeloosstelling afhangt van de vraag of de agentuurovereenkomst al dan niet een proeftijdbeding bevat, zonder dat rekening wordt gehouden met de prestaties van de handelsagent of met de kosten en uitgaven die deze heeft gehad, vormt, om dezelfde redenen als uiteengezet in punt 32 van het onderhavige arrest, een uitlegging ten nadele van de handelsagent, aan wie iedere schadeloosstelling wordt ontzegd enkel op grond dat de overeenkomst die hem aan de principaal bindt een proeftijdbeding bevat.

37      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat uitlegging van artikel 17 van richtlijn 86/653 waarbij geen vergoeding of herstel verschuldigd is wanneer de agentuurovereenkomst wordt beëindigd tijdens de proeftijd, indruist tegen het doel van die richtlijn.

38      Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 17 van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat de vergoedings- en herstelregelingen waarin dat artikel respectievelijk in de leden 2 en 3 voorziet in geval van beëindiging van de agentuurovereenkomst, toepasselijk zijn wanneer die beëindiging plaatsvindt tijdens de in die overeenkomst bedongen proeftijd.

 Kosten

39      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 17 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, moet aldus worden uitgelegd dat de vergoedings- en herstelregelingen waarin dat artikel respectievelijk in de leden 2 en 3 voorziet in geval van beëindiging van de agentuurovereenkomst, toepasselijk zijn wanneer die beëindiging plaatsvindt tijdens de in die overeenkomst bedongen proeftijd.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.