Language of document : ECLI:EU:C:2018:400

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. SZPUNAR

van 6 juni 2018 (1)

Zaak C149/17

Bastei Lübbe GmbH & Co. KG

tegen

Michael Strotzer

[verzoek van het Landgericht München I (rechter in tweede aanleg München I, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Handhaving van intellectuele-eigendomsrechten – Richtlijn 2004/48/EG – Schadevergoeding wegens een via filesharing gepleegde inbreuk op het auteursrecht – Internetaansluiting die toegankelijk is voor gezinsleden van de houder – Uitsluiting van aansprakelijkheid van de houder zonder dat de aard van het gebruik van de aansluiting door het gezinslid hoeft te worden gespecificeerd”






 Inleiding

1.        Hoewel het materiële recht inzake intellectuele eigendom in het Unierecht gedeeltelijk is geharmoniseerd, vallen procedures om inbreuken op dat recht te bestraffen en de daaruit voortvloeiende schade te herstellen in beginsel onder het nationale recht van de lidstaten. Het Unierecht stelt echter bepaalde eisen die verder gaan dan de toets inzake nuttige werking die normaliter in het kader van de procedurele autonomie van de lidstaten wordt uitgevoerd.

2.        In de onderhavige zaak rijst de vraag wat de omvang van deze eisen is en hoe zij zich verhouden tot de grondrechten. Deze kwestie is reeds aan het Hof voorgelegd, maar de onderhavige zaak zal het Hof de gelegenheid bieden zijn rechtspraak op dit gebied verder te ontwikkelen en te verduidelijken.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3.        Artikel 3, lid 1 en lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij(2) bepaalt:

„1.      De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

2.      De lidstaten voorzien ten behoeve van:

[...]

b)      producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen;

[...]

in het uitsluitende recht, de beschikbaarstelling voor het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd er toegang toe hebben, toe te staan of te verbieden.”

4.        Artikel 8, leden 1 en 2, van deze richtlijn luidt:

„1.      De lidstaten voorzien in passende sancties en rechtsmiddelen met betrekking tot inbreuken op de in deze richtlijn omschreven rechten en verplichtingen en dragen er zorg voor, dat deze sancties en rechtsmiddelen daadwerkelijk worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend en evenredig zijn en bijzonder preventieve werking hebben.

2.      Elke lidstaat draagt er zorg voor, dat rechthebbenden wier belangen worden geschaad door een inbreukmakende handeling die op zijn grondgebied plaatsvindt, een vordering tot schadevergoeding [...] kunnen instellen.”

5.        Artikel 2, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten(3) luidt als volgt:

„1.      Onverminderd de middelen die in de communautaire of nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden, zijn de bij deze richtlijn vastgestelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 3 van toepassing op elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, zoals bepaald in het communautaire recht en/of het nationale recht van de betrokken lidstaat.

2.      Deze richtlijn laat de bijzondere rechtshandhavings- en uitzonderingsbepalingen, opgenomen in de Gemeenschapswetgeving betreffende auteursrecht en naburige rechten, met name in [...] richtlijn [2001/29], in het bijzonder de artikelen 2 tot en met 6 en artikel 8, onverlet.”

6.        Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt:

„1.      De lidstaten stellen de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen geen onredelijke termijnen inhouden of nodeloze vertragingen inhouden.

2.      De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.”

7.        Artikel 6, lid 1, eerste volzin, van deze richtlijn bepaalt:

„De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd dat voldoende is om haar vorderingen te onderbouwen, en voor de staving van haar vorderingen bewijsmateriaal heeft genoemd dat zich in de macht van de wederpartij bevindt, overlegging van dit bewijsmateriaal door de wederpartij kunnen gelasten, behoudens bescherming van vertrouwelijke informatie.”

8.        Artikel 13, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2004/48 bepaalt ten slotte:

„De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de benadeelde partij de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde, gelasten de rechthebbende een passende vergoeding te betalen tot herstel van de schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden.”

 Duits recht

9.        § 97 van het Gesetz über Urheberrecht und verwandte Schutzrechte – Urheberrechtsgesetz (Duitse wet betreffende het auteursrecht en naburige rechten) van 9 september 1965 luidt als volgt:

„1.      Wanneer onrechtmatig inbreuk wordt gemaakt op het auteursrecht of een ander door deze wet beschermd recht kan de benadeelde vorderen dat de inbreuk wordt beëindigd; bij herhalingsgevaar kan hij een verbod vorderen. Een verbod kan ook worden gevorderd wanneer voor het eerst een inbreuk dreigt.

2.      Hij die de inbreuk opzettelijk of uit nalatigheid begaat, moet de daaruit voor de benadeelde voortvloeiende schade vergoeden. Bij de berekening van de schadevergoeding kan ook de winst die de inbreukmaker door die inbreuken heeft verkregen, in aanmerking worden genomen. De schadevergoeding kan ook worden berekend op basis van het bedrag dat de inbreukmaker als passende vergoeding had moeten betalen indien hij toestemming voor het gebruik van het geschonden recht had verkregen. Auteurs, uitgevers van wetenschappelijke werken (§ 70), fotografen (§ 72) en uitvoerende kunstenaars (§ 73) kunnen ook voor immateriële schade vergoeding vorderen via de betaling van een geldsom, ingeval en voor zover de billijkheid dat gebiedt.”

 Feiten, procedure en prejudiciële vragen

10.      Bastei Lübbe AG, een vennootschap naar Duits recht, is als producent van fonogrammen houdster van de auteursrechten en naburige rechten op de audioversie van een boek.

11.      Michael Strotzer is houder van een internetaansluiting waarmee dit fonogram op 8 mei 2010 voor het downloaden is gedeeld met een onbeperkt aantal gebruikers van een internetsite voor file-sharing (peer-to-peer). Een expert heeft met precisie vastgesteld dat het IP-adres aan Strotzer toebehoort.

12.      Bij brief van 28 oktober 2010 heeft Bastei Lübbe Strotzer gesommeerd de inbreuk op het auteursrecht te beëindigen. Nadat deze ingebrekestelling zonder resultaat was gebleven, heeft Bastei Lübbe vervolgens bij het Amtsgericht München (rechter in eerste aanleg München, Duitsland) beroep ingesteld tegen Strotzer, als houder van het IP-adres in kwestie, teneinde een financiële vergoeding te verkrijgen.

13.      Strotzer betwist echter zelf inbreuk te hebben gemaakt op het auteursrecht en betoogt dat zijn internetaansluiting voldoende beveiligd was. Daarnaast stelt hij dat ook zijn ouders, die in hetzelfde huis wonen, toegang tot de internetaansluiting hadden, maar dat zij bij zijn weten evenwel dit werk niet op hun computer hadden, niet op de hoogte waren van het bestaan ervan en geen file-sharing-software gebruikten. De computer was op het tijdstip van de inbreuk in kwestie bovendien uitgeschakeld.

14.      Het Amtsgericht München heeft de schadevordering van Bastei Lübbe afgewezen op grond dat niet ervan kon worden uitgegaan dat Strotzer de beweerde inbreuk op het auteursrecht had begaan, omdat Strotzer had aangegeven dat ook zijn ouders de betrokken inbreuk konden hebben gepleegd. Bastei Lübbe heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij het Landgericht München I (rechter in tweede aanleg München I, Duitsland), de verwijzende rechter in de onderhavige zaak.

15.      De verwijzende rechter is geneigd om Strotzer aansprakelijk te houden voor de gestelde inbreuk op het auteursrecht, aangezien uit zijn verklaringen niet blijkt dat op het tijdstip van deze inbreuk een derde persoon de internetaansluiting heeft gebruikt, zodat het erg waarschijnlijk is dat Strotzer de inbreuk heeft gepleegd. De verwijzende rechter wordt echter geconfronteerd met de rechtspraak van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), die zich volgens hem kan verzetten tegen de veroordeling van verweerder.(4)

16.      Conform de rechtspraak van het Bundesgerichtshof, zoals door de verwijzende rechter uitgelegd, is het immers aan de verzoeker om een inbreuk op het auteursrecht te stellen en te bewijzen. Volgens het Bundesgerichtshof moet bovendien worden aangenomen dat de houder van de internetaansluiting inderdaad geacht moet worden een dergelijke inbreuk te hebben gepleegd, wanneer op het tijdstip van de inbreuk geen andere persoon deze aansluiting kon gebruiken. Indien de internetaansluiting op het tijdstip van de inbreuk ontoereikend was beveiligd of bewust voor anderen beschikbaar was, kan de houder van deze aansluiting daarentegen niet daadwerkelijk geacht worden de inbreuk te hebben gepleegd.

17.      In dat geval rust ingevolge de rechtspraak van het Bundesgerichtshof op de houder van de internetaansluiting niettemin een secundaire bewijslast. De houder voldoet aan deze secundaire bewijslast indien hij aangeeft dat andere personen, van wie hij in voorkomend geval de identiteit vermeldt, over een zelfstandige toegang tot zijn internetaansluiting beschikten en zich dus schuldig kunnen hebben gemaakt aan de gestelde inbreuk op het auteursrecht. Wanneer een gezinslid toegang tot de betrokken internetaansluiting heeft gehad, hoeft de houder van die aansluiting evenwel geen nadere gegevens over het tijdstip en de aard van het gebruik van deze aansluiting te verstrekken, gelet op de bescherming van het huwelijk en het gezin, gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en de onderscheiden bepalingen van het Duitse constitutionele recht.

18.      In deze omstandigheden heeft het Landgericht München I de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 8, leden 1 en 2, juncto artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus worden uitgelegd dat aan het vereiste dat de sancties voor inbreuken op het recht van beschikbaarstelling van een werk voor het publiek ,doeltreffend [...] zijn en bijzonder preventieve werking hebben’ ook dan is voldaan ingeval de houder van een internetaansluiting waarmee inbreuken op het auteursrecht zijn begaan door filesharing, daarvoor niet meer aansprakelijk kan worden gesteld wanneer hij minstens één gezinslid aanwijst dat net als hij toegang tot internet had via deze aansluiting, zonder dat hij dienaangaande meer op onderzoek gebaseerde preciseringen hoeft te verstrekken over het tijdstip en de aard van het gebruik van internet door dat gezinslid?

2)      Moet artikel 3, lid 2, van richtlijn 2004/48 aldus worden uitgelegd dat aan het vereiste dat de maatregelen die nodig zijn om de handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen ,doeltreffend [...] zijn’, ook dan is voldaan ingeval de houder van een internetaansluiting waarmee inbreuken op het auteursrecht zijn begaan door filesharing, daarvoor niet meer aansprakelijk kan worden gesteld wanneer hij minstens één gezinslid aanwijst dat net als hij toegang tot internet had via deze aansluiting, zonder dat hij dienaangaande meer op onderzoek gebaseerde preciseringen hoeft te verstrekken over het tijdstip en de aard van het gebruik van internet door dat gezinslid?”

19.      Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingekomen bij het Hof op 24 maart 2017. Bastei Lübbe, de Oostenrijkse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Bastei Lübbe en de Commissie waren vertegenwoordigd ter terechtzitting van 14 maart 2018.

 Analyse

 Inleidende opmerkingen

20.      In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie haar twijfels geuit over de relevantie van de prejudiciële vragen voor de beslechting van het hoofdgeding. Ik deel deze twijfels niet.

21.      Met zijn prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of is voldaan aan het vereiste van doeltreffendheid van de maatregelen ter waarborging van de handhaving van het auteursrecht, dat voortvloeit uit artikel 8 van richtlijn 2001/29 en artikel 3 van richtlijn 2004/48, indien de houder van een internetaansluiting waarmee inbreuken op het auteursrecht(5) zijn begaan, zich op basis van een vermoeden aan aansprakelijkheid voor deze inbreuken kan onttrekken door zonder nadere preciseringen een gezinslid aan te wijzen dat eveneens toegang tot deze aansluiting heeft. De twijfels van de verwijzende rechter vloeien voort uit de rechtspraak van het Bundesgerichtshof inzake de rechtsmiddelen die naar Duits recht ter beschikking staan van benadeelde houders van auteursrechten.

22.      Het staat niet aan het Hof, maar uitsluitend aan de nationale rechterlijke instanties om de nationale rechtspraak van de lidstaten uit te leggen en toe te passen. Uit het beginsel van conforme uitlegging volgt echter dat de nationale autoriteiten en de nationale rechterlijke instanties verplicht zijn de bepalingen van hun nationale recht zoveel mogelijk zodanig uit te leggen dat het Unierecht volledige werking heeft. Dit vereiste houdt de verplichting in om vaste nationale rechtspraak te wijzigen wanneer deze onverenigbaar is met het Unierecht.(6) Het lijkt er derhalve op dat het vereiste van een conforme uitlegging de verwijzende rechter ertoe verplicht de rechtspraak van het Bundesgerichtshof zoveel mogelijk zodanig uit te leggen en toe te passen dat de uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de doeltreffendheid van de voor de houders van auteursrechten openstaande rechtsmiddelen volledige werking hebben. Het Hof is daarentegen zeker bevoegd om de verwijzende rechter alle nodige aanwijzingen te geven over de omvang van deze verplichtingen.

23.      Indien de verwijzende rechter twijfels heeft of de rechtspraak van het Bundesgerichtshof, zoals hij die uitlegt, in overeenstemming is met de uit het Unierecht voortvloeiende eisen, is het Hof bijgevolg zonder meer bevoegd om de omvang van die eisen te bepalen. Twee aspecten van deze kwestie moeten worden onderzocht: de reikwijdte van de relevante bepalingen van het Unierecht en de eerbiediging van de grondrechten bij de toepassing van deze bepalingen.

 De relevante bepalingen van richtlijnen 2001/29 en 2004/48

24.      Richtlijn 2001/29 is nogal bondig wat betreft de maatregelen die moeten waarborgen dat de rechten die zij harmoniseert, worden geëerbiedigd. Artikel 8 van deze richtlijn verplicht de lidstaten er in het algemeen alleen toe om met betrekking tot inbreuken op deze rechten in sancties te voorzien die doeltreffend en evenredig zijn en bijzonder preventieve werking hebben. De lidstaten dienen er voorts voor te zorgen dat benadeelde houders een vordering tot schadevergoeding kunnen instellen. De concrete maatregelen die moeten worden genomen om aan deze verplichtingen te voldoen, staan volledig ter discretie van de lidstaten.

25.      Gelet op het belang van de intellectuele-eigendomsrechten voor de totstandbrenging van de interne markt, achtte de Uniewetgever het echter noodzakelijk meer gedetailleerde geharmoniseerde voorschriften vast te stellen om een eenvormige bescherming van deze rechten in de gehele Unie te waarborgen.(7) Richtlijn 2004/48 is dan ook volledig gewijd aan maatregelen die de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten moeten waarborgen.

26.      Het is waar dat ingevolge artikel 2, lid 2, van richtlijn 2004/48 deze richtlijn de bijzondere bepalingen betreffende auteursrecht, met name die van artikel 8 van richtlijn 2001/29, onverlet laat. Deze bepaling geeft derhalve voorrang aan de regels van richtlijn 2001/29 boven de bepalingen van richtlijn 2004/48. Dit betekent echter niet dat het auteursrecht in zijn geheel van de werkingssfeer van richtlijn 2004/48 moet worden uitgesloten. Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn bepaalt heel duidelijk dat de bepalingen ervan „van toepassing [zijn] op elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, zoals bepaald in het communautaire recht en/of het nationale recht van de betrokken lidstaat”. Aangezien het auteursrecht ontegenzeggelijk een intellectueel-eigendomsrecht is, is richtlijn 2004/48 erop van toepassing, onder voorbehoud van de specifieke bepalingen in de relevante handelingen van het Unierecht. Deze richtlijn voorziet bovendien in bepalingen die specifiek betrekking hebben op het auteursrecht, met name in artikel 5 dat een vermoeden van auteurschap of houderschap van naburige rechten invoert.

27.      Artikel 8 van richtlijn 2001/29 moet dus niet worden beschouwd als een opzichzelfstaande bepaling van zeer algemene aard, maar eerder als een onderdeel van het bij richtlijn 2004/48 vastgestelde geharmoniseerde systeem voor de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten. Dit systeem gaat verder dan de procedurele autonomie van de lidstaten, door specifieke verplichtingen aan de lidstaten op te leggen waarvan de naleving, met inbegrip van het procedurele aspect, aan het toezicht van het Hof is onderworpen, welk toezicht verder gaat dan de klassieke toetsing van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Een andere uitlegging zou richtlijn 2004/48 haar bestaansreden ontnemen, aangezien zij niets zou toevoegen aan de verplichting die de lidstaten reeds uit hoofde van het doeltreffendheidsbeginsel hebben om de nuttige werking van de materiële bepalingen van het Unierecht op het gebied van intellectuele eigendom te waarborgen. Het zou dan ook onlogisch zijn om te veronderstellen dat de Uniewetgever een richtlijn heeft ontworpen die bestaat uit verplichtingen die door het samenstel van de procedurevoorschriften van de lidstaten van hun inhoud zouden kunnen worden ontdaan. Bovendien heeft richtlijn 2004/48 een autonome werkingssfeer, aangezien deze richtlijn ingevolge artikel 2, lid 1, niet alleen van toepassing is op de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten die op het niveau van het Unierecht zijn geharmoniseerd, maar eveneens op de rechten waarin de nationale wetgeving van de lidstaten voorziet. Deze richtlijn kan derhalve niet worden gereduceerd tot een loutere concretisering van het algemene beginsel van de doeltreffendheid van de bescherming van de door het Unierecht verleende rechten, dat bij ontbreken van specifieke bepalingen van Unierecht wordt toegepast in het kader van de procedurele autonomie van de lidstaten.

28.      Als artikel 8, lid 2, van richtlijn 2001/29, zoals aangevuld en verduidelijkt in dit opzicht door artikel 13, lid 1, van richtlijn 2004/48, voorziet in het recht van de benadeelde houder om een vordering tot schadevergoeding in te stellen, houdt dit naar mijn mening dus de verplichting in om in het nationale rechtsstelsel mechanismen in te stellen en toe te passen die de houders daadwerkelijk in staat stellen om deze schadevergoeding te verkrijgen. De concrete procedurele mechanismen voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen vallen weliswaar onder de bevoegdheid van de lidstaten, maar de doeltreffendheid ervan is onderworpen aan het toezicht van het Hof. In tegenstelling tot wat de Commissie in haar opmerkingen suggereert, beperkt dit toezicht zich niet tot de vraag of het praktisch onmogelijk dan wel uiterst moeilijk is om schadevergoeding te verkrijgen, omdat deze beoordeling normaliter plaatsvindt in het kader van het toezicht op de naleving van het doeltreffendheidsbeginsel. Het toezicht op de naleving van de uit deze richtlijnen voortvloeiende verplichtingen vereist een uitlegging van de concrete bepalingen ervan in het licht van hun nuttige werking.

29.      In het hoofdgeding wordt het recht van beschikbaarstelling voor het publiek geschonden door gebruik te maken van het internet. Voor rechthebbenden die het slachtoffer zijn van dit soort inbreuken, is het moeilijk om de daders te identificeren en hun betrokkenheid te bewijzen. Inbreuken die via internet worden gepleegd, laten immers geen materiële sporen na(8) en maken het tot op zekere hoogte mogelijk de anonimiteit van de schuldigen te bewaren. De enige aanwijzing die meestal kan worden gevonden is het IP-adres van waaruit de inbreuk werd begaan. Zelfs indien de identificatie van de houder van het IP-adres nauwkeurig is, vormt deze geen bewijs voor de aansprakelijkheid van een bepaalde persoon, zeker niet als de internetaansluiting in kwestie toegankelijk was voor meerdere personen.

30.      Daarom voorziet het nationale recht vaak in maatregelen om de bewijslast voor de benadeelde houders van het auteursrecht te verlichten. Een dergelijke maatregel kan met name de vorm aannemen van een vermoeden van schuld ten aanzien van de houder van de internetaansluiting voor de inbreuk die vanaf zijn IP-adres is gepleegd. Deze maatregelen waarborgen de doeltreffendheid van het recht van houders om schadevergoeding te vorderen in geval van inbreuken die via internet zijn gepleegd. Volgens de gegevens in het verzoek om een prejudiciële beslissing is een dergelijk vermoeden via de rechtspraak in de Duitse rechtsorde ingevoerd.

31.      Noch richtlijn 2001/29, noch richtlijn 2004/48 voorziet uitdrukkelijk in de verplichting om een dergelijk vermoeden in te voeren. Indien deze maatregel echter volgens het nationale recht het belangrijkste middel is om de doeltreffendheid van het in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2001/29 genoemde recht op vergoeding van de geleden schade te verzekeren, moet deze op consequente en doeltreffende wijze worden toegepast. Deze maatregel zou zijn doel niet kunnen bereiken indien het vermoeden van schuld te gemakkelijk kan worden weerlegd en de benadeelde houder geen andere mogelijkheid zou hebben om zijn recht op vergoeding van de geleden schade te doen gelden. Dit recht zou dan illusoir worden.

32.      Uit het feit dat artikel 8, lid 2 van richtlijn 2001/29 geen concrete middelen voorschrijft om de doeltreffendheid van het recht om schadevergoeding te eisen, te waarborgen, volgt naar mijn mening dat de bestaande maatregelen consequent en doeltreffend moeten worden toegepast. In dit verband is het in de eerste plaats aan de nationale rechterlijke instanties om het bewijsmateriaal te beoordelen en de verschillende betrokken belangen af te wegen.

33.      Indien bij de verwijzende rechter dus twijfel rijst over de uitlegging en de toepassing van de rechtspraak van het Bundesgerichtshof betreffende de aansprakelijkheid en de verplichtingen van de houders van een internetaansluiting, moet hij dus de voorkeur geven aan de uitlegging die de doeltreffendheid van de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten het best waarborgt.

 Bescherming van de grondrechten

34.      Het probleem waarmee de verwijzende rechter bij de toepassing van de rechtspraak van het Bundesgerichtshof wordt geconfronteerd, lijkt te liggen in de omstandigheid dat de toepassing van het beginsel van de bescherming van het familie- en gezinsleven de verplichting van de houder van de internetaansluiting om informatie te verstrekken over de persoon die mogelijk de inbreuk op het auteursrecht heeft begaan, beperkt. Wanneer de houder van die internetaansluiting dus aangeeft dat andere personen dan hijzelf toegang konden hebben tot deze aansluiting, zou hij niet verplicht zijn hun identiteit kenbaar te maken of andere bijzonderheden over hen te verstrekken, aangezien een dergelijke verplichting een ongerechtvaardigde inmenging in zijn familiesfeer zou vormen.

35.      In dit verband moet worden benadrukt dat de lidstaten bij de uitvoering van bepalingen tot omzetting van richtlijnen 2001/29 en 2004/48, vanzelfsprekend gebonden zijn aan de bepalingen van het Handvest. Het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven wordt beschermd door artikel 7 van dat Handvest. Bij auteursrechtelijke geschillen kan het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven echter concurreren met het in artikel 17 van het Handvest verankerde grondrecht van eigendom. Het intellectuele eigendom wordt uitdrukkelijk genoemd in lid 2 van dat artikel.

36.      Bovendien heeft het Hof er reeds op gewezen dat het recht op informatie van de verzoeker in het kader van een beroep betreffende de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten onder het in artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte valt, waardoor een doeltreffende bescherming van het intellectuele-eigendomsrecht kan worden gewaarborgd.(9)

37.      In een dergelijke situatie, waarin verschillende concurrerende grondrechten aan de orde zijn, staat het aan de nationale autoriteiten en de nationale rechterlijke instanties om te zorgen voor een rechtvaardig evenwicht tussen die rechten.(10) Het is ook mogelijk dat de eisen inzake de bescherming van verschillende grondrechten op het niveau van het Unierecht met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht, met name door het Hof bij de uitlegging van dat recht.(11)

38.      Bij die poging om die rechten met elkaar in overeenstemming te brengen, moet ervoor worden gezorgd dat de wezenlijke inhoud van de grondrechten in kwestie wordt geëerbiedigd. Het Hof heeft derhalve geoordeeld dat het in strijd is met zowel het grondrecht op eigendom als het recht op een doeltreffende voorziening in rechte om een bankinstelling in staat te stellen zich, in naam van het in artikel 8 van het Handvest neergelegde recht op bescherming van persoonsgegevens, op het bankgeheim te beroepen om te weigeren de gegevens van de rekeninghouder te verstrekken die het mogelijk zouden hebben gemaakt tegen de rekeninghouder een rechtsvordering in te stellen met betrekking tot de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten.(12)

39.      Een soortgelijke redenering zou kunnen worden gevolgd met betrekking tot de onderlinge afhankelijkheid tussen het recht op intellectuele eigendom en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte enerzijds, en het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven anderzijds.

40.      Indien het uit hoofde van de bescherming van zijn familie- en gezinsleven aan de houder van de internetaansluiting verleende recht om te weigeren nadere gegevens te verstrekken over de personen die mogelijk inbreuk hebben gemaakt op de auteursrechten, in de praktijk de houder van die auteursrechten zou beletten vergoeding van de geleden schade te verkrijgen, zou dit inbreuk maken op de wezenlijke inhoud van het intellectuele-eigendomsrecht van die houder. In dat geval moet het recht op eigendom voorrang hebben op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. Indien een dergelijke inmenging in het familie- en gezinsleven daarentegen door de nationale rechter ontoelaatbaar zou worden geacht, moet de houder van de internetaansluiting aansprakelijk worden gesteld voor de inbreuk op het auteursrecht. Naar Duits recht is een dergelijke secundaire aansprakelijkheid blijkbaar mogelijk.(13) Alvorens vast te stellen dat de houder van de internetaansluiting aansprakelijk is, dient de nationale rechter nog steeds na te gaan of er geen andere procedurele middelen zijn waarmee de benadeelde houder van het auteursrecht de personen kan identificeren die de inbreuk hebben gepleegd, teneinde schadevergoeding te verkrijgen.(14)

41.      Bovendien lijkt het mij dat twee andere bepalingen van het Handvest nog in aanmerking kunnen worden genomen bij het zoeken naar een evenwicht tussen de grondrechten.

42.      In de eerste plaats gaat het om het in artikel 20 van het Handvest opgenomen recht op gelijkheid voor de wet. Volgens de informatie die Bastei Lübbe in haar opmerkingen heeft verstrekt, zijn ongeveer 70 % van de internetaansluitingen in Duitsland „gezinsaansluitingen”, dat wil zeggen dat zij in gezinsverband worden gebruikt. Dit betekent dat 30 % van de aansluitingen niet in een dergelijk verband wordt gebruikt, en dat een aantal van deze aansluitingen waarschijnlijk wordt gebruikt door personen die alleen wonen. Als het gebruik van een internetaansluiting in gezinsverband het gemakkelijk zou maken om aansprakelijkheid voor inbreuken op het auteursrecht te vermijden, zou dit leiden tot een ongunstige behandeling van personen die alleen wonen en die andere gezinsleden derhalve geen toegang tot hun internetaansluiting verlenen. Hoewel personen die in gezinsverband leven zich vanuit het oogpunt van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven niet in dezelfde situatie bevinden als personen die alleen wonen, bestaat een dergelijk verschil niet met betrekking tot de aansprakelijkheid voor inbreuken op het auteursrecht. Het loutere samenwonen met andere gezinsleden kan dus niet automatisch leiden tot de uitsluiting van deze aansprakelijkheid.

43.      In de tweede plaats bepaalt artikel 54 van het Handvest dat misbruik van de daarin erkende rechten is verboden. Het is waar dat dit artikel hoofdzakelijk betrekking heeft op handelingen die, onder het mom van de in het Handvest erkende rechten, er in werkelijkheid op gericht zijn de grondrechten te bestrijden en teniet te doen.(15) Inbreuken op een intellectuele-eigendomsrecht zijn uiteraard geen handelingen van dien aard.

44.      Dit gezegd zijnde, maakt het verbod op misbruik van recht sinds lange tijd deel uit van de algemene beginselen van het Unierecht.(16) Volgens dit beginsel mogen justitiabelen geen misbruik maken van de door de normen van de Unie verleende rechten om de daaruit voortvloeiende voordelen te verkrijgen zonder dat het doel van die normen wordt verwezenlijkt.

45.      In het hoofdgeding stelt Strotzer dat hij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de inbreuk op het auteursrecht die via zijn internetaansluiting is begaan, omdat ook andere personen, namelijk zijn ouders, toegang hebben tot deze aansluiting. Bovendien stelt hij dat zijn ouders niet op de hoogte zijn van de software die is gebruikt om deze inbreuk te plegen, en dat zij het werk dat illegaal ter beschikking van het publiek is gesteld ook niet op hun computer hebben staan.

46.      Het staat dan ook aan de verwijzende rechter om na te gaan of Strotzer geen misbruik maakt van het recht op bescherming van het familie- en gezinsleven door zich op dit recht te beroepen, niet om zijn gezinsleden te beschermen tegen een eventuele aansprakelijkheid voor de inbreuk op het auteursrecht waarmee zij kennelijk niets te maken hebben, maar enkel om zelf niet voor die inbreuk aansprakelijk te worden gesteld. Indien dit het geval zou zijn, zou het recht op bescherming van het familie- en gezinsleven geen belemmering mogen vormen voor de bescherming van de intellectuele eigendom van de houders van dat auteursrecht.

 Conclusie

47.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Landgericht München I als volgt te beantwoorden:

„Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij en artikel 13, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet vereisen dat in het nationale recht van de lidstaten een vermoeden van aansprakelijkheid van de houders van een internetaansluiting wordt ingevoerd voor inbreuken op het auteursrecht die via deze aansluiting zijn begaan. Indien het nationale recht echter in een dergelijk vermoeden voorziet om de bescherming van die rechten te waarborgen, moet het consequent worden toegepast om de doeltreffendheid van die bescherming te waarborgen. Het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, mag niet aldus worden uitgelegd dat de houders iedere reële mogelijkheid wordt ontnomen om hun in artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten verankerde intellectuele-eigendomsrecht te beschermen.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      PB 2001, L 167, blz. 10.


3      PB 2004, L 157, blz. 45.


4      De verwijzende rechter verwijst met name naar het arrest van het Bundesgerichtshof van 6 oktober 2016, I ZR 154/15, Afterlife.


5      Ik begrijp deze term aldus dat daaronder zowel het auteursrecht zelf als naburige rechten vallen, zoals de rechten van producenten van fonogrammen.


6      Zie laatstelijk arrest van 17 april 2018, Egenberger (C‑414/16, EU:C:2018:257, punten 71 en 72).


7      Zie overwegingen 1, 8 en 9 van richtlijn 2004/48.


8      In tegenstelling tot bijvoorbeeld de verkoop van namaakartikelen.


9      Arrest van 16 juli 2015, Coty Germany (C‑580/13, EU:C:2015:485, punt 29).


10      Arrest van 15 september 2016, Mc Fadden (C‑484/14, EU:C:2016:689, punt 83).


11      Arrest van 16 juli 2015, Coty Germany (C‑580/13, EU:C:2015:485, punt 33).


12      Arrest van 16 juli 2015, Coty Germany (C‑580/13, EU:C:2015:485, punten 37‑41).


13      Zie arrest van het Bundesgerichtshof van 30 maart 2017, I ZR 19/16 Loud, dat is gewezen nadat het verzoek om een prejudiciële beslissing in de onderhavige zaak is ingediend.


14      Zie in die zin arrest van 16 juli 2015, Coty Germany (C‑580/13, EU:C:2015:485, punt 42).


15      Zie Woods, L., „Article 54 – Abuse of Rights”, in Peers, S., Hervey, T. K., Kenner, J. e.a. (red.), The EU Charter of Fundamental Rights: A Commentary, Hart Publishing, Oxford-Portland (Oregon), 2014, blz. 1539‑1559.


16      Zie voor een recente toepassing arrest van 6 februari 2018, Altun e.a. (C‑359/16, EU:C:2018:63, punten 48 e.v.).