Language of document : ECLI:EU:C:2018:472

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. SZPUNAR

van 20 juni 2018 (1)

Zaak C379/17

Società Immobiliare Al Bosco Srl

[verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen – Uitvoeringstermijn neergelegd in het recht van de staat die is aangezocht om beslag te leggen op een zaak – Toepassing van deze termijn op een titel die in een andere lidstaat is vastgesteld en in de aangezochte staat uitvoerbaar is verklaard”






I.      Inleiding

1.        In het kader van verordening (EG) nr. 44/2001(2) kan een in een lidstaat gegeven beslissing tot conservatoir beslag in beginsel in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd nadat deze beslissing in die laatste lidstaat uitvoerbaar is verklaard. Toch laat de wijze waarop beslissingen tot conservatoir beslag ten uitvoer worden gelegd, grote verschillen zien. Daarom is niet duidelijk uit te maken welke bepalingen van het recht van de lidstaat waar om tenuitvoerlegging wordt verzocht, van toepassing zijn bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen. Dat is de achtergrond van het hoofdgeding.

2.        Deze prejudiciële verwijzing biedt het Hof de gelegenheid om te antwoorden op de vraag of onder vigeur van verordening nr. 44/2001 een nationaalrechtelijke bepaling van de lidstaat waar om tenuitvoerlegging wordt verzocht, die de termijn vaststelt waarbinnen een schuldeiser een beslissing tot conservatoir beslag moet uitvoeren, van toepassing is op dit soort van een andere lidstaat afkomstige beslissingen.

3.        Meer in het bijzonder heeft de verwijzende rechter twijfel over de toepassing van een bepaling van Duits recht, te weten § 929, lid 2, van de Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke procesvordering; hierna: „ZPO”), in het kader van het hoofdgeding dat de tenuitvoerlegging van een door Italiaanse autoriteiten gegeven beslissing tot conservatoir beslag betreft.(3)

4.        De relevantie van het door het Hof in casu te wijzen arrest gaat evenwel verder dan de in deze zaak betrokken lidstaten. Het betreft namelijk een problematiek die van belang kan zijn voor alle lidstaten waarvan het nationaal recht een termijn stelt voor indiening van een verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslissing tot conservatoir beslag. Deze problematiek zou overigens ook rijzen in het kader van verordening (EU) nr. 1215/2012(4), die in de plaats is gekomen van verordening nr. 44/2001.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

1.      Verordening nr. 44/2001

5.        Hoofdstuk III van verordening nr. 44/2001, waarin de artikelen 32 tot en met 58 van deze verordening zijn neergelegd, regelt in wezen de erkenning en de tenuitvoerlegging van door de gerechten van de lidstaten gegeven beslissingen, waaronder ook de procedure tot verkrijging van verlof tot tenuitvoerlegging (hierna: „exequaturprocedure”).

6.        Artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001 luidt als volgt:

„De beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.”

2.      Verordening nr. 1215/2012

7.        Hoofdstuk III van verordening nr. 1215/2012 bevat de artikelen 36 tot en met 57 en heeft betrekking op de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen die door de gerechten van de lidstaten zijn gegeven. Bij de vaststelling van verordening nr. 1215/2012 heeft de Uniewetgever evenwel het stelsel van automatische erkenning en tenuitvoerlegging ingevoerd. Daartoe bepaalt artikel 39 van verordening nr. 1215/2012 dat in andere lidstaten gegeven beslissingen ten uitvoer kunnen worden gelegd zonder dat de exequaturprocedure hoeft te worden toegepast.

8.        Verder luidt artikel 41, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 als volgt:

„Onder voorbehoud van het bepaalde in deze afdeling, wordt de procedure voor tenuitvoerlegging van in een andere lidstaat gegeven beslissingen beheerst door het recht van de aangezochte lidstaat. Een in een lidstaat gegeven beslissing die in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is, wordt er onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing.”

B.      Duits recht

9.        § 929, lid 2, ZPO bepaalt:

„De uitvoering van het beslagbevel is onrechtmatig wanneer één maand is verstreken sinds de dag waarop het beslagbevel werd gegeven of waarop het werd betekend aan de partij die om de afgifte ervan heeft verzocht.”

10.      Verder bepaalt § 932, leden 1 en 3, ZPO:

„(1)       De uitvoering van een onroerend beslag [...] vindt plaats door de inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van de schuldvordering [...].

[...]

(3)      Het verzoek tot inschrijving van de hypotheek geldt in de zin van § 929, leden 2 en 3, als uitvoering van het beslagbevel.”

III. Feiten van het hoofdgeding

11.      Op 19 november 2013 heeft de Società Immobiliare Al Bosco Srl, een vennootschap naar Italiaans recht, bij de Tribunale di Gorizia (rechter in eerste aanleg Gorizia, Italië) een beslissing tot conservatoir beslag (sequestro conservativo) verkregen tot een bedrag van een miljoen EUR op roerende en onroerende zaken van Gunter Hober (hierna: „verweerder”).

12.      Bij beslissing van 22 augustus 2014 heeft de bevoegde rechter de beslissing in Duitsland uitvoerbaar verklaard.

13.      Meer dan acht maanden later, op 23 april 2015, heeft verzoekster tot zekerheid van haar schuldvordering verzocht om inschrijving van een hypotheek op een in Duitsland gelegen onroerende zaak van verweerder.

14.      Deze aanvraag tot inschrijving is door de rechter in eerste aanleg afgewezen.

15.      Vervolgens heeft de appelrechter het beroep dat verzoekster tegen die beslissing had ingesteld, verworpen. Volgens deze rechter mocht de hypotheek niet worden ingeschreven, omdat verzoekster de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn niet had nageleefd.

16.      Volgens de appelrechter stemt de op artikel 38 van verordening nr. 44/2001 gebaseerde uitvoerbaarheid van een in een andere lidstaat gegeven beslissing in wezen overeen met de uitvoerbaarheid die ter zake van een overeenkomstige binnenlandse beslissing is verleend. Daarbij is de tenuitvoerlegging zelf van een in een andere lidstaat gegeven beslissing onderworpen aan de lex fori.

17.      Voorts is, naar het oordeel van de appelrechter, het beslag naar Italiaans recht (sequestro conservativo) vergelijkbaar met het conservatoir beslag naar Duits recht. Om die reden zouden in het hoofdgeding de op een dergelijke beslissing toepasselijke procedureregels, en dus § 929, lid 2, ZPO, in acht moeten worden genomen.

18.      Met haar cassatieberoep met betrekking tot een rechtsvraag dat de appelrechter had toegestaan, dat bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) is ingediend, handhaaft verzoekster haar verzoek tot inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van de schuldvordering.

IV.     Prejudiciële vraag en procedure bij het Hof

19.      In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Is het in overeenstemming met artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001, dat een in het recht van de staat van tenuitvoerlegging gestelde termijn, op grond waarvan een titel na verloop van een bepaalde periode niet meer ten uitvoer mag worden gelegd, ook wordt toegepast op een functioneel vergelijkbare titel die in een andere lidstaat is afgegeven en in de staat van tenuitvoerlegging is erkend en uitvoerbaar is verklaard?”

20.      Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 26 juni 2017 ingekomen op de griffie van het Hof.

21.      Alleen de Commissie heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. De Duitse regering en de Europese Commissie hebben pleidooi gehouden ter terechtzitting van 11 april 2018.

V.      Bespreking

22.      Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de toepassing van een in het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging gestelde termijn op grond waarvan een beslissing tot conservatoir beslag na verloop van een bepaalde periode niet meer ten uitvoer mag worden gelegd, op een in een andere lidstaat gegeven beslissing tot conservatoir beslag in overeenstemming is met artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001.

23.      Om de prejudiciële vraag, zoals deze door de verwijzende rechter is geformuleerd, te kunnen beantwoorden moet in wezen worden vastgesteld of een bepaling van het recht van de staat van tenuitvoerlegging, op grond waarvan een beslissing tot conservatoir beslag na verloop van een bepaalde periode niet meer ten uitvoer mag worden gelegd, verband houdt met de uitvoerbaarheid van de beslissing, die valt onder het recht van de lidstaat waar deze beslissing is gegeven (lidstaat van herkomst), dan wel moet worden beschouwd als een bepaling inzake de tenuitvoerlegging uit het recht van de lidstaat waar is verzocht om de beslissing ten uitvoer te leggen (de aangezochte lidstaat).

24.      De verwijzende rechter gaat uit van de veronderstelling dat het Italiaanse conservatoire beslag, wat zijn functie betreft, moet worden beschouwd als een conservatoir beslag naar Duits recht. In dat verband heeft de verwijzende rechter twijfels over het antwoord op de vraag of in casu de tenuitvoerlegging van de Italiaanse beslissing in Duitsland wordt geregeld door de Duitse bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van beslissingen tot conservatoir beslag.

25.      De verwijzende rechter geeft enerzijds aan dat juridisch-technisch gezien de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn – anders dan bijvoorbeeld een bepaling inzake de verjaring van door een titel verleende rechten – geen verband houdt met het materieel recht. In dat opzicht zou deze termijn kunnen vallen onder het tenuitvoerleggingsrecht zelf, waarop verordening nr. 44/2001 niet ziet.

26.      Anderzijds erkent de verwijzende rechter dat de toepassing van de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn tot gevolg heeft dat de uitvoerbaarheid van de titel eindigt door het verstrijken van een bepaalde tijd. Het effect van die termijn verschilt uiteindelijk niet van die van een nietigverklaring van een titel in de beroepsprocedure. In dat verband vraagt de verwijzende rechter zich af of een dergelijke beperking van de duur van een beslissing tot conservatoir beslag op grond van het recht van de aangezochte lidstaat onverenigbaar kan zijn met de rechtspraak van het Hof, volgens welke de toepassing van de procedureregels van de lidstaat van tenuitvoerlegging geen afbreuk mag doen aan de in verordening nr. 44/2001 neergelegde beginselen.

A.      Standpunten van partijen

27.      De Duitse regering geeft in de eerste plaats aan dat verordening nr. 44/2001 enkel betrekking heeft op de exequaturprocedure. De tenuitvoerlegging zelf van beslissingen zou evenwel niet in deze verordening worden geregeld. Daarom zouden de beslissingen die onder verordening nr. 44/2001 vallen, ten uitvoer worden gelegd overeenkomstig de procedureregels van het nationale recht van de aangezochte lidstaat, zoals § 929, lid 2, ZPO.

28.      In de tweede plaats herinnert de Duitse regering onder verwijzing naar de arresten Apostolides(5)en Prism Investments(6) eraan dat het Hof al heeft aangegeven dat er geen enkele reden is om bij de tenuitvoerlegging van een beslissing aan die beslissing gevolgen te verbinden die een soortgelijke, rechtstreeks in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing niet zou hebben. Volgens deze regering dient, gelet van deze rechtspraak, de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn te worden toegepast op de in Italië gegeven beslissing tot conservatoir beslag, omdat een soortgelijke, in Duitsland gegeven beslissing niet meer ten uitvoer mag worden gelegd na verloop van een termijn van een maand.

29.      In de derde plaats, ten slotte, is de Duitse regering met een beroep op de bepalingen van verordening nr. 1215/2012 van mening dat de hierboven aangegeven zienswijze steun vindt in artikel 41, lid 1, tweede zin, van deze verordening.

30.      De Commissie meent daarentegen dat een redenering die hoofdzakelijk op het arrest Prism Investments(7) is gebaseerd, niet naar behoren rekening houdt met het grensoverschrijdend karakter van het hoofdgeding.

31.      De Commissie herinnert eraan dat het Hof in zijn rechtspraak heeft benadrukt dat het onderscheid tussen de exequaturprocedure en de tenuitvoerlegging zelf geen afbreuk mag doen aan de fundamentele beginselen van verordening nr. 1215/2012, met name aan het beginsel van het vrije verkeer van beslissingen. Zelfs wanneer als gevolg van de in verordening nr. 44/2001 geregelde exequaturprocedure een buitenlandse beslissing in de rechtsorde van de aangezochte lidstaat werd opgenomen, zou bij een „blinde” toepassing van het recht van die lidstaat dus geen rekening worden gehouden met de herkomst van de ten uitvoer te leggen titel. In casu zou de beslissing tot conservatoir beslag naar Italiaans recht wegens de toepassing van § 929, lid 2, ZPO bij de tenuitvoerlegging ervan in de aangezochte lidstaat niet meer ten uitvoer kunnen worden gelegd, hoewel die beslissing in de lidstaat van herkomst wel uitvoerbaar was.

32.      Gelet op de bij de verwijzende rechter bestaande twijfel en de door partijen aangevoerde argumenten, zal ik eerst onderzoeken of een bepaling die een termijn voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van een conservatoire maatregel invoert, zoals § 929, lid 2, ZPO, als een procedurevoorschrift van de lex fori van de aangezochte lidstaat moet worden gekwalificeerd. Vervolgens zal ik opnieuw nagaan welke lessen uit die kwalificatie dienen te worden getrokken gelet op de rechtspraak van het Hof aangaande de gevolgen van buitenlandse beslissingen in het exequaturstelsel van verordening nr. 44/2001. Tenslotte zal ik die informatie vergelijken met de oplossingen waarvoor de Uniewetgever heeft gekozen in het kader van verordening nr. 1215/2012.

B.      Kwalificatie

1.      Opmerkingen vooraf

33.      Het Hof heeft in de context van het Executieverdrag(8) geoordeeld, dat dit verdrag alleen de exequaturprocedure voor buitenlandse executoriale titels regelt en niet de tenuitvoerlegging zelf, die onderworpen blijft aan het nationale recht van de aangezochte rechter.(9) Later heeft het Hof verklaard dat deze rechtspraak mutatis mutandis van toepassing is op verordening nr. 44/2001, voor zover deze ook voorziet in de exequaturprocedure.(10)

34.      In de context van deze rechtspraak verklaart de Duitse regering in navolging van de verwijzende rechter dat § 929, lid 2, ZPO naar Duits recht wordt gekwalificeerd als een bepaling van het procesrecht. Bijgevolg kan de in deze bepaling gestelde termijn, althans volgens de verwijzende rechter, vallen onder het tenuitvoerleggingsrecht zelf, waarop verordening nr. 44/2001 niet ziet.

35.      Dienaangaande wijs ik erop dat de meeste begrippen die de Uniewetgever heeft gebruikt in de handelingen die vallen onder de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, waaronder verordening nr. 44/2001, autonoom van aard zijn.(11) Dat betekent dat de kwalificatie van bepalingen als § 929, lid 2, ZPO in de nationale context niet van doorslaggevende betekenis kan zijn voor de oplossing van het in het kader van de prejudiciële vraag opgeworpen juridische vraagstuk.

36.      Voorts is voor de toepassing van verordening nr. 44/2001 de aan § 929, lid 2, ZPO toegekende autonome kwalificatie als „regel van procesrecht” evenmin doorslaggevend voor het op de prejudiciële vraag te geven antwoord. In het onderhavige geval wordt niet betwist dat het Italiaanse recht ook een termijn stelt voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslissing tot conservatoir beslag. Niets wijst erop dat een bepaling die een dergelijke termijn stelt, niet op dezelfde wijze als § 929, lid 2, ZPO kan worden gekwalificeerd als een „regel van procesrecht”. Doorslaggevend is namelijk het antwoord op de vraag of volgens de autonome kwalificatie deze ZPO-bepaling van toepassing moet zijn bij de tenuitvoerlegging in Duitsland van in andere lidstaten gegeven beslissingen tot conservatoir beslag.(12)

37.      Volgens de verwijzende rechter hoeft niet te worden nagegaan of het Italiaanse recht ook voorziet in een termijn voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslissing tot conservatoir beslag.

38.      Meer in het bijzonder stelt deze rechter dat in het kader van de procedure in het hoofdgeding het Duitse kadaster niet kan bepalen of het recht van de lidstaat waar de beslissing is gegeven, voorziet in een uitvoeringstermijn en bepaalt op welke wijze aan die beslissing uitvoering moet worden gegeven, en evenmin een regeling van buitenlands recht mag toepassen. Wat de door het kadaster gevolgde procedure betreft, is alleen van belang of § 929, lid 2, ZPO in acht moet worden genomen. Ten slotte zou, indien ook naar Italiaans recht de titel wegens het verstrijken van een termijn niet meer ten uitvoer kan worden gelegd, de schuldenaar dit punt geldend moeten maken door beroep in te stellen tegen de uitvoerbaarverklaring.

39.      De verwijzende rechter is dan ook van oordeel dat, buiten de tenuitvoerleggingsprocedure, de in het Italiaanse recht gestelde termijn ook van toepassing is op de beslissing waarvan de tenuitvoerlegging in de procedure in het hoofdgeding is verzocht. Bijgevolg zou een in het buitenland gegeven beslissing tot conservatoir beslag op Duits grondgebied aan twee regelingen zijn onderworpen, enerzijds een regeling ingesteld door de lidstaat van herkomst en anderzijds een regeling ingesteld door de aangezochte staat.

40.      In dat verband vraag ik mij af of de naleving van deze dubbele eis door de schuldeiser niet het zwakke punt is van de uitlegging volgens welke § 929, lid 2, ZPO dient te worden toegepast als voorschrift van de lex fori voor de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen tot conservatoir beslag. In dat geval zou, enerzijds, de bepaling van Duits recht die een termijn stelt voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging, gelden als regel die ziet op de tenuitvoerlegging zelf. Anderzijds zou een bepaling van het recht van de lidstaat van herkomst die een soortgelijke termijn stelt, worden toegepast als regel die de uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing regelt.(13)

41.      Om die reden heb ik in de eerste plaats twijfel over het verband tussen enerzijds de uitvoerbaarheid van een beslissing tot conservatoir beslag, beoordeeld tegen de achtergrond van een nationale bepaling van de lidstaat van herkomst die een termijn stelt voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van deze beslissing, en anderzijds een beperking van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging door middel van een in een bepaling van de aangezochte lidstaat gestelde, soortgelijke termijn.

42.      In de tweede plaats vraag ik mij af of, bezien vanuit de systematiek, een bepaling als § 929, lid 2, ZPO afzonderlijk moet worden toegepast, los van de grensoverschrijdende context en de herkomst van de beslissing waarvan de tenuitvoerlegging in Duitsland wordt verzocht.

43.      Tenslotte rijst bij mij de vraag of het met de doelstelling van deze bepaling van Duits recht verenigbaar is om deze bepaling toe te passen zonder daarbij rekening te houden met de grensoverschrijdende context en de herkomst van een beslissing tot conservatoir beslag.

2.      Verband tussen de uitvoerbaarheid en een beperking van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging

44.      Volgens de opmerkingen van de Commissie verliest het conservatoire beslag naar Duits recht weliswaar zijn rechtsgeldigheid wegens het verstrijken van een termijn, maar is dat niet het geval in het Italiaanse recht, waarin wordt bepaald dat alleen door de formele nietigverklaring van dit conservatoire beslag de rechtsgeldigheid ervan verloren gaat. Terwijl naar Duits recht de niet-naleving van deze termijn ambtshalve wordt opgeworpen, zou naar Italiaans recht de verweerder zelf het verstrijken van deze termijn moeten inroepen. Naar Italiaans recht blijft de tenuitvoerlegging van een conservatoir beslag dus ook na het verstrijken van de termijn in beginsel mogelijk.

45.      Daarom kan de uitvoerbaarheid van de beslissing tot conservatoir beslag, die volgens de bewoordingen van artikel 38 van verordening nr. 44/2001 een voorwaarde is voor de tenuitvoerlegging van die beslissing in de aangezochte lidstaat(14), in gevaar komen, voor zover een schuldeiser ongeacht de uitvoerbaarheid van deze beslissing naar het recht van de lidstaat van herkomst, de beslissing niet in Duitsland ten uitvoer zou kunnen leggen.

46.      Dit kan een aanwijzing zijn voor het feit dat § 929, lid 2, ZPO niet de tenuitvoerlegging van een conservatoire maatregel betreft, maar veeleer de uitvoerbaarheid ervan, en wel minstens evenzeer als een soortgelijke bepaling van Italiaans recht.

3.      Verband tussen de voorwaarden voor het leggen van conservatoir beslag en de termijn voor indiening van een verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslagmaatregel

47.      Een conservatoir beslag vormt een uitzondering op de algemene regel dat alleen beslissingen die na een bodemprocedure zijn genomen en onherroepelijk zijn geworden, ten uitvoer kunnen worden gelegd. Niettegenstaande het feit dat de schuldeiser bij een conservatoir beslag, wegens het uitzonderlijke karakter ervan, dus geen betaling verkrijgt(15), kan dit beslag alleen worden bevolen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

48.      In de meeste rechtstelsels is het feit dat de latere tenuitvoerlegging van een bodembeslissing onmogelijk zou zijn, stellig een dergelijke basisvoorwaarde. Terwijl het wezenlijke doel van het conservatoire beslag bepalend is voor deze algemene voorwaarde, laten vergelijkende onderzoeken toch verschillen tussen de nationale regelingen zien ter zake van de nadere voorwaarden waaronder tot conservatoir beslag kan worden besloten.(16)

49.      In feite worden de voorwaarden voor het leggen van conservatoir beslag bepaald door de regeling waarvoor de lidstaten bij hun streven naar een evenwicht tussen de belangen van schuldeisers en debiteuren hebben gekozen. De invoering van een termijn voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van een conservatoire maatregel door de schuldeiser is daarvan ook een gevolg.

50.      Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat § 929, lid 2, ZPO tot doel heeft, de debiteur te beschermen. Meer in het bijzonder beoogt deze bepaling, volgens de verwijzende rechter, te beletten dat op basis van een summiere procedure in kort geding gegeven beslissingen gedurende lange tijd en ondanks eventueel gewijzigde omstandigheden uitvoerbaar zijn en dus ten uitvoer kunnen worden gelegd. In dezelfde geest heeft de Duitse regering ter terechtzitting verklaard dat de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn beoogt te voorkomen dat een beslissing tot conservatoir beslag ten uitvoer kan worden gelegd na het verstrijken van een maand, ook al zijn de omstandigheden aanzienlijk gewijzigd.

51.      Zelfs de rechtsgeleerden volgens welke vooral de gevolgen van conservatoire maatregelen worden gekenmerkt door diepgaande verschillen, terwijl de voorwaarden om die maatregelen toe te staan veel meer hetzelfde zijn(17), zijn van mening dat uit deze voorwaarden blijkt dat conservatoire maatregelen onlosmakelijk verbonden zijn met de procedures waarin zij worden genomen.(18) Derhalve kan worden gesteld dat er in een grensoverschrijdende context een dergelijk verband tussen een beslissing tot conservatoir beslag en de regelgeving van de lidstaat van herkomst bestaat.

52.      Overigens zou in die optiek de invoering door een wetgever van een termijn zoals die in § 929, lid 2, ZPO in zekere zin vergelijkbaar zijn met de situatie waarin het gerecht in zijn beslissing de termijn waarbinnen specifieke handelingen door de schuldeiser moeten worden verricht, zou preciseren. Als een beslissing een dergelijke precisering zou bevatten, zou deze precisering een wezenlijk bestanddeel van die beslissing zijn.

53.      Bijgevolg ben ik van mening dat een termijn zoals die in § 929, lid 2, ZPO, niet los kan worden gezien van de voorwaarden waaronder conservatoir beslag mag worden gelegd, en in het algemeen niet los kan worden gezien van het recht van de lidstaat van herkomst. Een dergelijke termijn kan derhalve niet als tenuitvoerleggingsvoorschrift van de lex fori worden toegepast bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen in Duitsland.(19)

4.      Doel van een bepaling die een termijn stelt voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslagmaatregel

54.      Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt, ik herinner eraan, dat § 929, lid 2, ZPO, als voornaamste doelstelling heeft, ervoor te zorgen dat een conservatoire maatregel niet na lange tijd en ondanks eventuele gewijzigde omstandigheden ten uitvoer wordt gelegd. Wat de buitenlandse beslissingen betreft, blijkt overigens uit de verwijzingsbeslissing en de toelichting van de Duitse regering dat deze termijn wordt berekend vanaf de datum van kennisgeving van een verklaring van uitvoerbaarheid aan een schuldeiser.

55.      Een schuldeiser is evenwel niet verplicht om onmiddellijk na het verkrijgen van een beslissing tot conservatoir beslag in de staat van herkomst, een verzoek tot uitvoerbaarverklaring van die beslissing in te dienen. Hij zou de indiening van dat verzoek dus kunnen uitstellen, niettegenstaande een eventuele wijziging van omstandigheden na de verkrijging van de beslissing tot conservatoir beslag.

56.      De oplossing volgens welke § 929, lid 2, ZPO als voorschrift van de lex fori van de aangezochte lidstaat van toepassing is en de in die bepaling gestelde termijn vanaf de datum van kennisgeving van een verklaring van uitvoerbaarheid wordt berekend, zou het voor een schuldeiser mogelijk maken om stelselmatig een dergelijke wijziging van omstandigheden buiten beschouwing te laten en tot uitvoering van een conservatoire maatregel over te gaan.

57.      Daarom ben ik van mening dat bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen de toepassing van § 929, lid 2, ZPO niet verenigbaar is met het doel van deze bepaling, zoals uitgelegd door de verwijzende rechter en de Duitse regering.

58.      Uit deze analyse komt in de eerste plaats naar voren dat een nationale bepaling als § 929, lid 2, ZPO veeleer betrekking heeft op de uitvoerbaarheid van een beslissing tot conservatoir beslag dan op de tenuitvoerlegging zelf van die beslissing. In de tweede plaats kan een dergelijke termijn niet afzonderlijk, los van de herkomst van een beslissing waarvan de tenuitvoerlegging wordt verzocht, worden toegepast. In de derde plaats kan, indien met de zienswijze van de verwijzende rechter en de Duitse regering over het doel van § 929, lid 2, ZPO wordt ingestemd, deze bepaling bij toepassing op buitenlandse beslissingen waarvan de tenuitvoerlegging in Duitsland is verzocht, haar rol niet vervullen.

59.      Gelet op een en ander ben ik van mening dat een nationale bepaling die een termijn stelt voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging door de schuldeiser, zoals § 929, lid 2, ZPO, niet mag worden gekwalificeerd als een procedureregel, die bij de tenuitvoerlegging in Duitsland van een in een andere lidstaat gegeven beslissing tot conservatoir beslag van toepassing is.

C.      Gelijke werking van nationale en buitenlandse beslissingen

60.      Enerzijds is het vaste rechtspraak dat er geen reden is om aan een beslissing die is gegeven in de ene lidstaat, bij de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat rechten te verbinden die deze beslissing in de lidstaat van herkomst niet heeft.(20) Dit is wat doorgaans de leer van „uitbreiding van de werking” wordt genoemd.(21) Uit het arrest Health Service Executive(22), dat in het kader van verordening (EG) nr. 2201/2003(23) is gewezen, maar mijns inziens mutatis mutandis van toepassing is op verordening nr. 44/2001, blijkt dat deze beperking in die zin moet worden opgevat dat een buitenlandse beslissing uitsluitend als basis voor de tenuitvoerlegging in de aangezochte staat kan dienen binnen de grenzen van die beslissing zelf.

61.      Anderzijds is er geen reden om aan een dergelijke beslissing gevolgen te verbinden die een soortgelijke, rechtstreeks in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing niet zou hebben.(24) Deze beperking inzake de werking van beslissingen die in de aangezochte lidstaat ten uitvoer worden gelegd, wordt de „leer van de gelijke werking”(25) genoemd.

62.      Uitgaande van deze rechtspraak meent de Duitse regering dat voor een gelijke behandeling van buitenlandse en nationale beslissingen § 929, lid 2, ZPO van toepassing moet zijn bij de tenuitvoerlegging van beslissingen tot conservatoir beslag naar Italiaans recht in Duitsland.

63.      Ik deel dit standpunt niet. In navolging van de Commissie ben ik van mening dat het standpunt van de Duitse regering geen rekening houdt met bepaalde aspecten van het grensoverschrijdende karakter van het hoofdgeding noch met de gevolgen van de toepassing van § 929, lid 2, ZPO in het kader van deze zaak. Bovendien meen ik dat dit standpunt is gebaseerd op een onvolledige lezing van de rechtspraak van het Hof.

1.      Eventueel gebrek aan samenhang tussen de procedureregels van de lidstaat van herkomst en de procedureregels van de aangezochte lidstaat

a)      Vaststelling van de problematiek

64.      Blijkens de verwijzingsbeschikking en de ter terechtzitting naar voren gebrachte zienswijze van de Duitse regering, kan in een interne situatie, wanneer de Duitse autoriteiten tot conservatoir beslag hebben besloten en die beslissing vervolgens ten uitvoer leggen, de schuldeiser die de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn niet in acht heeft genomen, onverwijld opnieuw conservatoir beslag verkrijgen.

65.      Ervan uitgaande dat in een grensoverschrijdende context § 929, lid 2, ZPO als voorschrift van de lex fori van de aangezochte lidstaat van toepassing is, krijgt de vraag hoe de schuldeiser moet handelen indien hij de in deze bepaling gestelde termijn niet heeft nageleefd, echter geen duidelijk antwoord.

66.      Mijns inziens is kenmerkend dat noch de verwijzende rechter noch de Duitse regering hebben aangevoerd dat de schuldeiser opnieuw kan verzoeken om een verklaring van uitvoerbaarheid in Duitsland ten einde de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn wederom te laten ingaan. Ik vraag me af of deze oplossing in overeenstemming zou zijn met de geest van § 929, lid 2, ZPO. In elk geval zou een nieuw verzoek het mogelijk maken om de datum van inschrijving van de op dezelfde beslissing gebaseerde hypotheek tot zekerheid van de schuldvordering oneindig uit te stellen. Mijns inziens zou dat in strijd zijn met de logica van deze bepaling.

67.      Ik wijs erop dat de Duitse regering in antwoord op een ter terechtzitting gestelde vraag heeft betoogd dat een schuldeiser in de lidstaat van herkomst opnieuw om conservatoir beslag zou kunnen verzoeken wanneer de in die lidstaat gestelde termijnen ook zijn verstreken. De Commissie heeft daarentegen verklaard dat in casu de schuldeiser in Italië niet om een tweede beslissing tot conservatoir beslag kon verzoeken, omdat de door de autoriteiten van deze lidstaat gewezen oorspronkelijke beslissing tot conservatoir beslag nog steeds uitvoerbaar was om de redenen die in punt 44 van deze conclusie zijn uiteen gezet.

68.      Blijkens deze opmerkingen zou een schuldeiser die de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn niet heeft nageleefd, zich waarschijnlijk moeten wenden tot de gerechten van de lidstaat van herkomst, in casu de Italiaanse rechter, om een tweede beslissing tot conservatoir beslag te verkrijgen.

b)      Verband tussen de procedureregels van de lidstaat van herkomst en de procedureregels van de aangezochte lidstaat

69.      Niettegenstaande deze overwegingen lijkt mij dat de analyse betreffende de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag niet beperkt mag blijven tot de context van deze zaak. In het onderhavige geval is de beslissing waarvan de tenuitvoerlegging in Duitsland is gevraagd, gegeven naar Italiaans recht, dat een met § 929, lid 2, ZPO nogal vergelijkbare termijn kent. Ik neem echter aan dat dezelfde twijfel over de toepassing van laatstgenoemde bepaling bij de tenuitvoerlegging van een in Duitsland uitvoerbaar verklaarde conservatoire maatregel zou rijzen met betrekking tot elke beslissing tot conservatoir beslag die in een andere lidstaat is gegeven.

70.      Zonder mij te willen uitspreken over de huidige situatie van verzoekster naar Italiaans recht, zou mijns inziens de schuldeiser in een situatie als die in het hoofdgeding in beginsel dan ook opnieuw ter staving van zijn bij de autoriteiten van de lidstaat van herkomst ingediende tweede verzoek moeten aantonen, dat de omstandigheden waarin tot conservatoir beslag kan worden besloten, op zijn minst aannemelijk zijn. Het zou dus niet gaan om dezelfde beslissing die voor de tweede keer wordt gegeven, maar om de vaststelling van een nieuwe beslissing waaraan een nieuwe beoordeling van alle te vervullen voorwaarden voor een conservatoir beslag is voorafgegaan.

71.      Overigens kan niet zonder meer worden uitgesloten dat het recht van de lidstaat van herkomst om uiteenlopende redenen niet voorziet in de mogelijkheid om daadwerkelijk een nieuw verzoek om een beslissing in te dienen. Volgens de autoriteiten van de lidstaat van herkomst zou een nieuw verzoek bijvoorbeeld niet-ontvankelijk kunnen zijn zolang de eerdere beslissing niet nietig is verklaard of om andere redenen haar rechtsgeldigheid heeft verloren.(26)

72.      In bepaalde gevallen zou de toepassing van de in de aangezochte lidstaat gestelde voorwaarden, te weten in casu de in § 929, lid 2, ZPO gestelde termijn, dan ook tot een impasse kunnen leiden bij de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing. In het bijzonder zou de schuldeiser, doordat hij de in deze bepaling gestelde termijn niet heeft nageleefd, die beslissing niet meer in Duitsland ten uitvoer kunnen leggen en tegelijkertijd bij de autoriteiten van de lidstaat van herkomst niet om een nieuwe beslissing kunnen verzoeken.

2.      Behoud van de nuttige werking van verordening nr. 44/2001

a)      Rechtspraak inzake het behoud van de nuttige werking van verordening nr. 44/2001

73.      Wat de bepalingen van het Executieverdrag betreft, heeft het Hof verklaard dat de toepassing van de procedureregels van de aangezochte lidstaat geen afbreuk mag doen aan de nuttige werking van het stelsel van dit verdrag.(27) In de arresten waarin deze tendens binnen de rechtspraak tot uitdrukking komt, heeft het Hof ook aangegeven dat, waar het meer specifiek gaat om nationale tenuitvoerleggingsregels, de toepassing van de procedureregels van de aangezochte lidstaat bij de tenuitvoerlegging geen afbreuk mag doen aan de nuttige werking van de exequaturregeling van het Executieverdrag door de beginselen te doorkruisen die verordening nr. 44/2001 zelf uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend met betrekking tot de onderhavige materie stelt.(28) Vervolgens heeft het Hof de toepassing mutatis mutandis van deze rechtspraak op verordening nr.44/2001 bevestigd.(29)

74.      Verder wijs ik erop dat deze logica ook ten grondslag ligt aan de rechtspraak die betrekking heeft op rechterlijke bevelen waarbij aan een partij wordt verboden om een rechtsvordering in te stellen of voort te zetten bij een gerecht van een staat. Het Hof was immers van oordeel dat dergelijke rechterlijke bevelen de toepassing van bevoegdheidsregels kunnen inperken en afbreuk kunnen doen aan het nuttig effect van de specifieke regelingen inzake aanhangigheid en samenhang.(30) Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat dergelijke, in het kader van een arbitrage geformuleerde rechterlijke bevelen, doordat zij het gerecht van een andere lidstaat belemmeren in de uitoefening van de bevoegdheden die verordening nr. 44/2001 hem toekent, verzoeker de toegang ontzeggen tot het gerecht van de staat waar hij overeenkomstig de bevoegdheidsregels van deze verordening zijn procedure aanhangig heeft gemaakt, en hem dus beroven van een vorm van rechterlijke bescherming waarop hij recht heeft.(31)

b)      Concrete toepassing van de rechtspraak betreffende het behoud van de nuttige werking van verordening nr. 44/2001

75.      Wat conservatoire maatregelen betreft, zou mijns inziens het feit dat de toepassing van een bepaling als § 929, lid 2, ZPO op buitenlandse beslissingen tot conservatoir beslag tot een impasse kan leiden, zoals in de punten 71 en 72 van deze conclusie is uiteengezet, afbreuk kunnen doen aan de nuttige werking van het stelsel van verordening nr. 44/2001.

76.      Ik ben het weliswaar met de Commissie eens dat niet kan worden uitgesloten dat in een situatie als die in het hoofdgeding de schuldeiser overeenkomstig artikel 31(32) van verordening nr. 44/2001 bij de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kan verzoeken om een conservatoire maatregel. Niettemin zou deze schuldeiser zich in een ongunstige situatie bevinden, aangezien hij zich tot het gerecht van een andere lidstaat moet wenden met alle daaruit voortvloeiende gevolgen.(33) Dat bevestigt mijns inziens dat er een impasse kan ontstaan wegens de toepassing van § 929, lid 2, ZPO bij de tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing.

77.      In dat geval zouden, enerzijds, de gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om kennis te nemen van het bodemgeschil, een schuldeiser niet de rechtelijke bescherming kunnen bieden waarop deze recht heeft in de fase van de procedure die leidt tot de eindbeslissing. Anderzijds zou afbreuk worden gedaan aan de op de bepalingen van verordening nr. 44/2001 gebaseerde bevoegdheid van deze gerechten, indien een schuldeiser zich tot de gerechten van een andere lidstaat zou moeten wenden om een verzoek tot conservatoir beslag in te dienen, terwijl hij dit verzoek terecht wilde indienen bij de rechter die bevoegd is om kennis te nemen van het bodemgeschil.

78.      Gelet op de rechtspraak betreffende het behoud van de nuttige werking van verordening nr. 44/2001 ben ik dan ook van mening dat een bepaling van de aangezochte lidstaat, zoals § 929, lid 2, ZPO, niet mag worden toegepast bij de tenuitvoerlegging van een van een andere lidstaat afkomstige beslissing tot conservatoir beslag.

c)      Voorlopige conclusie

79.      Ik herinner eraan dat uit een en ander volgt dat onder vigeur van verordening nr. 44/2001 een bepaling als § 929, lid 2, ZPO niet kan worden gekwalificeerd als een voorschrift voor de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen.(34)

80.      Ook al zou worden geoordeeld dat deze bepaling als een tenuitvoerleggingsvoorschrift van de lex fori van de aangezochte lidstaat moest worden gekwalificeerd, dan nog kan deze bepaling niet van toepassing zijn bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen in Duitsland, aangezien daarmee afbreuk wordt gedaan aan de nuttige werking van deze verordening.

81.      Overigens brengen de logica en de gevolgen van de toepassing van de rechtspraak betreffende het behoud van de nuttige werking van verordening nr. 44/2001 mijns inziens de oplossing in herinnering die het Hof onlangs heeft gekozen in zijn rechtspraak betreffende verordening (EU) nr. 650/2012.(35) Volgens deze rechtspraak mag de kwalificatie van nationale bepalingen met het oog op de toepassing ervan in situaties die onder verordening nr. 650/2012 vallen, noch de verwezenlijking van de doelstellingen van die verordening, noch de nuttige werking van die bepalingen belemmeren.(36) Bijgevolg kan de nuttige werking van een handeling van Unierecht die de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken betreft, invloed hebben op de voor de toepassing van die handeling verrichte autonome kwalificatie van nationale bepalingen die onder de werkingssfeer van die handeling vallen. In dezelfde geest zou § 929, lid 2, ZPO ook niet als een tenuitvoerleggingsvoorschrift mogen worden gekwalificeerd, aangezien daarmee afbreuk kan worden gedaan aan de nuttige werking van verordening nr. 44/2001.

D.      Invloed van de afschaffing van de exequaturprocedure onder vigeur van verordening nr. 1215/2012 op de voorgaande overwegingen

82.      Dit verzoek om een prejudiciële beslissing betreft uitsluitend verordening nr. 44/2001. Volgens de verwijzende rechter rijst deze prejudiciële vraag echter op dezelfde wijze in het kader van verordening nr. 1215/2012. Partijen hebben overigens in hun pleidooi ter terechtzitting ook deze verordening ingeroepen.

83.      Dienaangaande ben ik van mening dat de uit verordening nr. 1215/2012 getrokken lessen de hierboven geformuleerde overwegingen niet opnieuw ter discussie kunnen stellen.

84.      In de eerste plaats regelt verordening nr. 44/2001 weliswaar niet uitdrukkelijk de rol van de lex fori van de aangezochte lidstaat bij de tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing, maar bepaalt verordening nr. 1215/2012, in artikel 41, lid 1 ervan, met name dat buitenlandse beslissingen onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer worden gelegd als een in die lidstaat gegeven beslissing.(37)

85.      Toch is, niettegenstaande de afschaffing van de exequaturprocedure onder vigeur van verordening nr. 1215/2012, het onderscheid tussen de uitvoerbaarheid en de door de lex fori van de aangezochte lidstaat geregelde tenuitvoerlegging zelf door de Uniewetgever in deze verordening gehandhaafd.(38)

86.      Dit is ook de uitlegging die wordt aangedragen door de Duitse regering, die, al komt zij tot een andere slotsom, vaststelt dat artikel 41, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 1215/2012 de beginselen vermeldt die in het kader van verordening nr. 44/2001 zijn toegepast. Overigens menen een aantal auteurs dat deze bepaling van verordening nr. 1215/2012 de beginselen codificeert die het Hof in zijn rechtspraak met betrekking tot verordening nr. 44/2001 heeft geformuleerd.(39)

87.      Bijgevolg zijn er geen aanwijzingen dat de inwerkingtreding van verordening nr. 1215/2012 invloed kan hebben op de kwalificatie van een bepaling als § 929, lid 2, ZPO.

88.      In de tweede plaats ben ik van mening dat onder vigeur van verordening nr. 1215/2012 het probleem van het ontstaan van een impasse door de toepassing van een nationale bepaling als § 929, lid 2, ZPO als voorschrift van de aangezochte lidstaat zich op dezelfde wijze voordoet. Daarom dient de rechtspraak betreffende het behoud van de nuttige werking van het stelsel van verordening nr. 1215/2012 te worden toegepast.(40)

89.      Om deze redenen ben ik van mening dat noch de lessen die uit de afschaffing van het exequatur zijn getrokken, noch die welke uit de invoering van een bepaling als artikel 41, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 zijn getrokken, de stelling kunnen rechtvaardigen dat onder vigeur van verordening nr. 44/2001 een bepaling als § 929, lid 2, ZPO kan worden toegepast bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen in Duitsland.

90.      Kortom, een bepaling die, ten eerste, niet ziet op de tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing, maar veeleer op de exequaturprocedure(41), en waarvan, ten tweede, de toepassing bij de tenuitvoerlegging afbreuk doet aan de nuttige werking van het stelsel van verordening nr. 44/2001, is geen voorschrift van de lex fori van de aangezochte lidstaat inzake de tenuitvoerlegging.(42) Deze overwegingen kunnen niet opnieuw ter discussie worden gesteld door de lessen die zijn getrokken uit de analyse van verordening nr. 1215/2012. Deze verordening heeft geen wijziging gebracht in de logica of de beginselen die de grenzen van de toepassing van de lex fori van de aangezochte lidstaat regelen.

VI.    Conclusie

91.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) te beantwoorden als volgt:

„Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, en met name artikel 38, lid 1, ervan moet in die zin worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen de toepassing van een bepaling van het recht van de aangezochte lidstaat als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, waarbij een termijn wordt gesteld voor indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslissing tot conservatoir beslag in het kader van de tenuitvoerlegging van een van een andere lidstaat afkomstige beslissing tot conservatoir beslag.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).


3      Voor zover ik weet, biedt deze zaak het Hof voor de tweede keer de gelegenheid om bepalingen op het gebied van de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen uit te leggen in het kader van een zaak waarin ZPO-bepalingen die betrekking hebben op het conservatoir beslag, kunnen worden toegepast. Zie arrest van 10 februari 1994, Mund & Fester (C‑398/92, EU:C:1994:52).


4      Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).


5      Arrest van 28 april 2009, Apostolides (C‑420/07, EU:C:2009:271).


6      Arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments (C‑139/10, EU:C:2011:653).


7      Arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments (C‑139/10, EU:C:2011:653).


8      Verdrag van Brussel van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32).


9      Zie arresten van 2 juli 1985, Deutsche Genossenschaftsbank (148/84, EU:C:1985:280, punt 19); 3 oktober 1985, Capelloni en Aquilini (119/84, EU:C:1985:388, punt 16); 4 februari 1988, Hoffmann (145/86, EU:C:1988:61, punt 27), en 29 april 1999, Coursier (C‑267/97, EU:C:1999:213, punt 28).


10      Zie arresten van 28 april 2009, Apostolides (C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 69), en 13 oktober 2011, Prism Investments (C‑139/10, EU:C:2011:653, punt 40).


11      Zie mijn conclusie in de zaakMahnkopf (C‑558/16, EU:C:2017:965, punt 32). Zie ook mijn conclusie in de zaak Hőszig (C‑222/15, EU:C:2016:224, punten 31 en 47).


12      Ik wijs er dienaangaande op dat in de doctrine verschillend wordt gedacht over de toepassing van nationale bepalingen die een termijn stellen voor de indiening van een verzoek tot tenuitvoerlegging van een conservatoire maatregel bij de tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing. Bepaalde auteurs neigen naar de mening dat die bepalingen in dat geval niet moeten worden toegepast. Zie met name, Kropholler, J., von Hein, J., Europäisches Zivilprozessrecht: Kommentar zu EuGVO, Lugano-Übereinkommen, 9e druk, Verlag Recht und Wirtschaft, C.H. Beck, Frankfurt am Main, 2011, blz. 615 en 616, punt 10. Zie a contrario, Schack, H., Internationales Zivilverfahrensrecht mit internationalem Insolvenz- und Schiedsverfahrensrecht, C.H. Beck, München, 2014, punt 1066.


13      Zie in die zin, ter zake van de uitvoerbaarheid van een beslissing waarvan de tenuitvoerlegging wordt verzocht krachtens de regeling van verordening nr. 44/2001, arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments (C‑139/10, EU:C:2011:653, punten 37 en 39).


14      Zie wat de uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing betreft, arresten van 29 april 1999, Coursier (C‑267/97, EU:C:1999:213, punt 23), en 28 april 2009, Apostolides (C‑420/07, EU:C:2009:271, punten 65 en 66). Ik wijs erop dat in de doctrine zelfs naar voren is gebracht dat de toepassing van een bepaling van Spaans recht waarin een soortgelijke termijn als die van § 929, lid 2, ZPO wordt gesteld, bij de tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing niet in overeenstemming is met artikel 38 van verordening nr. 44/2001, aangezien daardoor een beslissing in de aangezochte lidstaat niet ten uitvoer zou kunnen worden gelegd, ongeacht de uitvoerbaarheid van die beslissing volgens het recht van de lidstaat van herkomst. Zie Steinmetz, A., „Anwendbarkeit der Ausschlussfrist in der spanischen ZPO auch auf ausländische Vollstreckungstitel?”, Recht der internationalen Wirtschaft, nr. 5, 2009, blz. 304.


15      Ik ben namelijk van mening dat een beslissing tot conservatoir beslag, zoals die waarvan de tenuitvoerlegging in het hoofdgeding is verzocht, een „maatregel tot bewaring van recht” in de zin van artikel 31 van verordening nr. 44/2001 is. Het gaat dus om een maatregel die bedoeld is om een feitelijke of juridische situatie te handhaven ter bewaring van rechten waarvan de erkenning langs andere weg wordt gevraagd bij de rechter die kennis neemt van het bodemgeschil. Zie arrest van 26 maart 1992, Reichert en Kockler (C‑261/90, EU:C:1992:149, punt 34).


16      Zie in die zin Goldstein S., „Recent Developments and Problems in the Granting of Preliminary Relief: a Comparative Analysis”, Revue hellénique de droit international, 1987‑1988, 40e en 41e jaargang, blz. 13. Mij lijkt dat de voorwaarden waaronder tot conservatoir beslag kan worden besloten, verschillen laten zien ter zake van met name de aard en ernst van het te lopen risico wanneer geen beslag word gelegd. Zie bijvoorbeeld in het Duitse recht § 917 ZPO, dat bepaalt dat een beslissing tot conservatoir beslag kan worden gegeven wanneer de tenuitvoerlegging van de eindbeslissing onmogelijk of wezenlijk moeilijker wordt, waarbij deze laatste voorwaarde door de doctrine wordt beschreven als een „veel specifiekere” voorwaarde. Zie Cuniberti, G., Les mesures conservatoires portant sur des biens situés à l’étranger, LGDJ, Parijs, 2000, blz. 267. In een vergelijkbare voorwaarde voorziet bijvoorbeeld het Poolse recht in artikel 7301, lid 2, van de Kodeks postępowania cywilnego (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz. U. 2014, positie 101). Wat het Italiaanse recht betreft, bepaalt artikel 671 van de codice di procedura civile (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) dat conservatoir beslag mag worden gelegd wanneer de inning van de vordering gevaar loopt (periculum in mora). Artikel 671 van dit wetboek heeft dan ook niet uitdrukkelijk betrekking op gevallen waarin door geen beslag te leggen moeilijkheden kunnen ontstaan bij de tenuitvoerlegging van de eindbeslissing. Zie over het conservatoire beslag naar Italiaans recht ook Cristofaro, M., „National Report – Italy”, in Harsági, V., Kengyel, M. (red.), Grenzüberschreitende Vollstreckung in der Europäischen Union, Sellier, München, 2011, blz. 119. Ik ben mij er evenwel van bewust dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de in de wetteksten vermelde voorwaarden waaronder beslag mag worden gelegd, ontwikkelingen in de rechtspraak ondergaan die de verschillen tussen de rechtstelsels van de lidstaten groter of kleiner kunnen maken.


17      Cuniberti, G., Les mesures conservatoires portant sur des biens situés à l’étranger, LGDJ, Parijs, 2000, blz. 267


18      Cuniberti, G., op. cit. blz. 255. Zie in die zin, wat conservatoire maatregelen in het algemeen, zonder vermelding van de kwestie van de uiteenlopende voorwaarden, betreft Hess, B., „The Brussels I Regulation: Recent Case Law of the Court of Justice and the Commission’s Proposed Recast”, Common Market Law Review, 2012, blz. 1098.


19      Zie in die zin, Wittmann, J., „BGH, 11.05.2017 ‑ V ZB 175/15: Anwendbarkeit der Vollziehungsfrist aus § 929 Abs. 2 ZPO bei Vollstreckung ausländischer Titel nach Maßgabe der EuGVVO”, Zeitschrift für Internationales Wirtschaftsrecht, 2018, nr. 1, blz. 42, die echter het feit benadrukt dat niet de tenuitvoerleggingsprocedure als zodanig, maar de spoedprocedure die naar de tenuitvoerlegging leidt, de grondslag is van de in § 929, lid 2, ZPO gestelde beperking in tijd.


20      Zie in die zin onder vigeur van het Executieverdrag, arrest van 4 februari 1988, Hoffmann (145/86, EU:C:1988:61, punt 11). Zie wat verordening nr.  44/2001 betreft, arresten van 28 april 2009, Apostolides (C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 66); 13 oktober 2011, Prism Investments (C‑139/10, EU:C:2011:653, punt 40), en 15 november 2012, Gothaer Allgemeine Versicherung e.a. (C‑456/11, EU:C:2012:719, punt 34).


21      Zie in die zin, De Miguel Asensio, P.A., „Recognition and Enforcement of Judgments in Intellectual Property Litigation: the Clip Principles”, in Basedow, J., Kono, T., en Metzger, A. (red.), Intellectual Property in the Global Arena – Jurisdiction, Applicable Law, and the Recognition of Judgments in Europe, Japan and the US, Mohr Siebeck, Tübingen, 2010, blz. 251, en Requejo Isidro, M., „The Enforcement of Monetary Final Judgments Under the Brussels Ibis Regulation (A Critical Assessment”, in Lazić, V., Stuij S., (red.), Brussels Ibis Regulation: Changes and Challenges of the Renewed Procedural Scheme, Springer, Den Haag, 2017, blz. 88.


22      Arrest van 26 april 2012, Health Service Executive (C‑92/12 PPU, EU:C:2012:255, punten 141 en 143).


23      Verordening van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).


24      Zie arresten van 28 april 2009, Apostolides (C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 66), en 13 oktober 2011, Prism Investments (C‑139/10, EU:C:2011:653, punt 40). Opgemerkt zij dat deze beperking wat de aan een buitenlandse beslissing toegekende werking betreft, door het Hof in zijn rechtspraak veel later is ingevoerd dan de eerste beperking, betreffende de leer van de uitbreiding van de werking, die al in het arrest van 4 februari 1988, Hoffmann (145/86, EU:C:1988:61, punt 11) is neergelegd. Ik wijs erop dat advocaat-generaal Darmon in zijn conclusie in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dit arrest ook die tweede beperking in zijn overwegingen heeft betrokken. Volgens hem hield deze tweede beperking verband met de noodzaak om tot een uniforme uitlegging te komen, en met het streven het beroep op de openbare orde zoveel mogelijk te voorkomen. Zie conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Hoffmann (145/86, niet gepubliceerd, EU:C:1987:358, punt 20). Deze overwegingen zijn echter niet terug te vinden in het arrest van het Hof.


25      Zie de publicaties aangehaald in voetnoot 21.


26      Overigens zou de vaststelling van een tweede beslissing tot conservatoir beslag in de lidstaat van herkomst de nietigverklaring van de eerdere beslissing kunnen meebrengen. In de situatie waarin een schuldeiser eerder op basis van die beslissing beslag heeft gelegd op in de lidstaat van herkomst gelegen activa van de debiteur, zou de vaststelling van een tweede beslissing de werking van dat beslag dan ook teniet kunnen doen.


27      Zie met betrekking tot de procedureregels die de toetsing door de cassatierechter regelen, arrest van 15 november 1983, Duijnstee (288/82, EU:C:1983:326, punten 13 en 14). Zie met betrekking tot de procedureregels aangaande de ontvankelijkheid van verzoeken, arrest van 15 mei 1990, Hagen (C‑365/88, EU:C:1990:203, punten 21 en 22).


28      Zie arresten van 3 oktober 1985, Capelloni en Aquilini (119/84, EU:C:1985:388, punt 21), en 4 februari 1988, Hoffmann (145/86, EU:C:1988:61, punt 29).


29      Zie arrest van 28 april 2009, Apostolides (C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 69).


30      Zie arrest van 27 april 2004, Turner (C‑159/02, EU:C:2004:228, punten 29 en 30).


31      Zie arrest van 10 februari 2009, Allianz en Generali Assicurazioni Generali (C‑185/07, EU:C:2009:69, punt 31).


32      Volgens artikel 31 van verordening nr. 44/2001 kunnen in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.


33      In elk geval zou het gaan om een nieuw verzoek, dat is gebaseerd op de actuele omstandigheden en door de gerechten van een andere lidstaat opnieuw is onderzocht. Verder zou alleen om de in het recht van die lidstaat voorziene maatregelen kunnen worden verzocht. Bovendien zou de schuldeiser verplicht zijn om de door het recht van die lidstaat ingestelde procedure te volgen. Dienaangaande zij erop gewezen dat volgens de verdragsluitende lidstaten van het Executieverdrag de regels voor nationale kortgedingprocedures meer kunnen verschillen dan de regels voor bodemprocedures. Zie in die zin arrest van 6 juni 2002, Italian Leather (C‑80/00, EU:C:2002:342, punt 42).


34      Zie de punten 33‑59 van deze conclusie.


35      Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).


36      Zie arrest van 1 maart 2018, Mahnkopf (C‑558/16, EU:C:2018:138). Zie ook mijn conclusie in de zaak Mahnkopf (C‑558/16, EU:C:2017:965, punten 101 en 102). Zie in die zin ook arrest van 12 oktober 2017, Kubicka (C‑218/16, EU:C:2017:755, punt 56).


37      Overigens wordt in de doctrine betoogd dat de verwijzing naar „dezelfde voorwaarden” in artikel 41, lid 1, van deze verordening niet enkel betrekking heeft op de rol van de lex fori, maar ook het verbod van discriminatie van buitenlandse beslissingen inhoudt. Zie in die zin, Grzegorczyk, P., „Wykonywanie w Polsce orzeczeń pochodzących z państw członkowskich Unii Europejskiej objętych reżimem automatycznej wykonalności”, in Marciniak, A., (red.), Egzekucja sądowa w świetle przepisów z zakresu międzynarodowego postępowania cywilnego, Currenda, Sopot, 2015, blz. 142. Voorts wordt in artikel 47, lid 2, van verordening nr. 2201/2003 ook verwezen naar „dezelfde voorwaarden”. In het arrest van 1 juli 2010, Povse (C‑211/10 PPU, EU:C:2010:400) heeft het Hof geoordeeld dat deze verwijzing eng moet worden uitgelegd. Volgens het Hof kan zij enkel betrekking hebben op de procedurele modaliteiten van de tenuitvoerlegging. Bovendien kan zij in geen geval een reden ten gronde zijn om zich tegen de betrokken beslissing te verzetten op grond dat de omstandigheden na de vaststelling van de beslissing waren gewijzigd. De betrokken motivering was aldus gebaseerd op dezelfde logica als § 929, lid 2, ZPO, te weten, volgens de verwijzende rechter en de Duitse regering, de tenuitvoerlegging beletten wegens een potentiële wijziging van de omstandigheden.


38      Zie in die in Cuniberti, G., Rueda, I., „European Commentaries on Private International Law”, deel I, Brussels Ibis Regulation-Commentary, Magnus, U., en Mankowski, P. (red.), Otto Schmidt, Keulen, 2016, blz. 846; Hartley, T., Civil Jurisdiction and Judgments in Europe. The Brussels I Regulation, the Lugano Convention, and the Hague Choice of Court Convention, Oxford University Press, Oxford, 2017, blz. 302; Kramer, X., „Cross-Border Enforcement and the Brussels I-bis Regulation: Towards a New Balance between Mutual Trust and National Control over Fundamental Rights”, Netherlands International Law Review, 2013, nr. 60(3), blz. 360, en Nuyts, A., „La refonte du règlement Bruxelles I”, Revue critique de droit international privé, 2013, nr. 1, blz. 1. e.v.., punt 15.


39      Kramer, X., op. cit., blz. 360.


40      Zie de punten 73‑77 van deze conclusie.


41      Zie de punten 33‑59 van deze conclusie.


42      Zie de punten 75‑77 van deze conclusie.