Language of document : ECLI:EU:C:2018:515

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

N. WAHL

van 28 juni 2018 (1)

Zaak C296/17

Wiemer & Trachte GmbH, in liquidatie

tegen

Zhan Oved Tadzher

[verzoek van de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Insolventieprocedures – Verordening (EG) nr. 1346/2000 – Artikel 3, lid 1 – Internationale bevoegdheid – Artikel 21 – Openbaarmakingsmaatregelen – Artikel 24 – Niet-opening van de insolventieprocedure – Uitvoering ten voordele van de schuldenaar – Vermoeden van onwetendheid – Actio pauliana”






 Inleiding

1.        Onderhavig verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije), betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, artikel 18, lid 2, en de artikelen 21 en 24 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures(2).

2.        Het Hof wordt met dit verzoek verzocht bepaalde verduidelijkingen aan te brengen betreffende, ten eerste, de uitlegging van de regels inzake de toekenning van de internationale bevoegdheid voor actiones paulianae die rechtstreeks voortvloeien uit een insolventieprocedure, en ten tweede, de voorwaarden inzake de bescherming van personen die een verbintenis hebben uitgevoerd ten voordele van de schuldenaar die is onderworpen aan een in een andere lidstaat geopende insolventieprocedure, terwijl zij die verbintenis hadden moeten uitvoeren voor de curator van die procedure. Het Hof wordt met name verzocht zich uit te spreken over de belangrijke en omstreden vraag, of de internationale bevoegdheid van de rechters van de lidstaat waar een hoofdinsolventieprocedure is geopend om kennis te nemen van de vorderingen die uit die procedure voortvloeien, al dan niet exclusief is.

 Toepasselijke bepalingen

3.        Overwegingen 2, 6, 7, 8, 29 en 30 van verordening nr. 1346/2000 luiden als volgt:

„(2)      Voor de goede werking van de interne markt zijn efficiënte en doeltreffende grensoverschrijdende insolventieprocedures nodig. Ter verwezenlijking van dat doel dient deze verordening te worden vastgesteld. Dit doel valt onder de samenwerking in burgerlijke zaken in de zin van artikel 65 van het [EG‑]Verdrag.

(6)      Op grond van het proportionaliteitsbeginsel mag deze verordening alleen voorschriften behelzen tot regeling van de rechterlijke bevoegdheid inzake de opening van een insolventieprocedure en de beslissingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen. Voorts moet deze verordening bepalingen bevatten betreffende de erkenning van die beslissingen en betreffende het toepasselijke recht, die eveneens met het noodzakelijkheidsbeginsel stroken.

(7)      Het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van het Verdrag van Brussel van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij de Verdragen inzake de toetreding tot dat Verdrag.

(8)      Met het oog op een meer efficiënte en doeltreffende afwikkeling van insolventieprocedures met grensoverschrijdende gevolgen is het noodzakelijk en aangewezen dat de bepalingen inzake rechterlijke bevoegdheid, erkenning en toepasselijk recht vervat worden in een instrument van het gemeenschapsrecht dat verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat.

(29)      In het belang van het economisch verkeer moet de wezenlijke inhoud van de beslissing tot opening van de procedure op verzoek van de curator worden bekendgemaakt in de andere lidstaten. Bekendmaking kan dwingend worden voorgeschreven wanneer zich in de betrokken lidstaat een vestiging bevindt. De bekendmaking mag in beide gevallen echter geen voorwaarde zijn voor erkenning van de buitenlandse procedure.

(30)      Het kan voorkomen dat sommige betrokkenen niet van de opening van de procedure op de hoogte zijn en te goeder trouw in strijd met de nieuwe situatie handelen. Ter bescherming van dergelijke personen, die – niet op de hoogte zijnde van de opening van de procedure in het buitenland – een verbintenis ten voordele van de schuldenaar uitvoeren die zij eigenlijk voor de buitenlandse curator hadden moeten uitvoeren, moet ervoor worden gezorgd dat deze uitvoering of betaling een bevrijdend karakter heeft.”

4.        Artikel 3, met als opschrift „Internationale bevoegdheid”, van die verordening bepaalt:

„1.      De rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn.

2.      Wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar op het grondgebied van een lidstaat gelegen is, zijn de rechters van een andere lidstaat slechts tot opening van een insolventieprocedure ten aanzien van deze schuldenaar bevoegd indien hij op het grondgebied van laatstgenoemde lidstaat een vestiging bezit. De gevolgen van deze procedure gelden alleen ten aanzien van de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden.

[...]”

5.        Artikel 16, lid 1, van de genoemde verordening bepaalt dat „[e]lke beslissing tot opening van een insolventieprocedure, genomen door een krachtens artikel 3 bevoegde rechter van een lidstaat, wordt erkend in alle andere lidstaten zodra de beslissing rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de procedure is geopend.”

6.        Volgens artikel 18 van die verordening, met als opschrift „Bevoegdheden van de curator”, geldt het volgende:

„1.      De curator die is aangewezen door een krachtens artikel 3, lid 1, bevoegde rechter kan in een andere lidstaat alle bevoegdheden uitoefenen die hem zijn verleend door het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend, zolang in die andere lidstaat geen andere insolventieprocedure is geopend, of geen tegenstrijdige conservatoire maatregel na een verzoek tot opening van een insolventieprocedure in die lidstaat is getroffen. Hij mag met name de goederen van de schuldenaar verwijderen uit het grondgebied van de lidstaat waar zij zich bevinden, met inachtneming van de artikelen 5 en 7.

2.      De curator die is aangewezen door een krachtens artikel 3, lid 2, bevoegde rechter kan in een andere lidstaat in en buiten rechte aanvoeren dat een roerend goed na de opening van de insolventieprocedure van het grondgebied van de lidstaat waar de procedure is geopend, is overgebracht naar het grondgebied van die andere lidstaat. Hij kan ook elk rechtsmiddel aanwenden dat de belangen van de schuldeisers dient.

[...]”

7.        Artikel 21, van verordening nr. 1346/2000, met als opschrift „Openbaarmaking”, bepaalt:

„1.      De curator kan verzoeken dat de hoofdzaken van de beslissing tot opening van de insolventieprocedure en, in voorkomend geval, van de beslissing inzake de aanwijzing van de curator in elke andere lidstaat openbaar worden gemaakt volgens de in die lidstaat geldende openbaarmakingsregels; in de openbaarmakingsmaatregelen wordt tevens de aangewezen curator vermeld alsmede de bevoegdheidsregel die van toepassing is krachtens artikel 3, lid 1, dan wel artikel 3, lid 2.

2.      Iedere lidstaat op het grondgebied waarvan de schuldenaar een vestiging heeft, kan evenwel openbaarmaking verplicht stellen. In voorkomend geval neemt de curator of de daartoe in de lidstaat waar de procedure als bedoeld in artikel 3, lid 1, is geopend bevoegde autoriteit de nodige maatregelen om openbaarmaking te verzekeren.”

8.        Artikel 24 van die verordening, met als opschrift „Uitvoering ten voordele van de schuldenaar”, bepaalt:

„1.      Degene die in een lidstaat een verbintenis uitvoert ten voordelen van de schuldenaar die is onderworpen aan een in een andere lidstaat geopende insolventieprocedure terwijl hij die verbintenis had moeten uitvoeren voor de curator van die procedure, wordt bevrijd indien hij niet van de opening van de procedure op de hoogte was.

2.      Degene die deze verbintenis heeft uitgevoerd vóór de in artikel 21 bedoelde openbaarmakingsmaatregelen wordt, totdat het tegendeel is bewezen, vermoed niet van de opening van de insolventieprocedure op de hoogte te zijn geweest; degene die deze verbintenis heeft uitgevoerd na de in artikel 21 bedoelde openbaarmakingsmaatregelen wordt, totdat het tegendeel is bewezen, geacht van de opening van de procedure op de hoogte te zijn geweest.”

9.        Artikel 25, lid 1, van die verordening bepaalt:

„De inzake het verloop en de beëindiging van een insolventieprocedure gegeven beslissingen van een rechter wiens beslissing tot opening van de procedure krachtens artikel 16 is erkend, alsmede een door die rechter bevestigd akkoord, worden eveneens zonder verdere formaliteiten erkend. [...]

De eerste alinea geldt eveneens voor beslissingen die rechtstreeks voortvloeien uit de insolventieprocedure en daar nauw op aansluiten, zelfs indien die beslissingen door een andere rechter worden gegeven.

De eerste alinea geldt eveneens voor beslissingen betreffende na het verzoek tot opening van een insolventieprocedure genomen conservatoire maatregelen.”

 Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof

10.      Wiemer & Trachte GmbH is een vennootschap op aandelen met zetel te Dortmund, Duitsland. Bij besluit van 10 mei 2004 heeft de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) de inschrijving in het Bulgaarse handelsregister bevolen van een vestiging van Wiemer & Trachte in Bulgarije.

11.      Bij beschikking van 3 april 2007 heeft het Amtsgericht Dortmund (rechter in eerste aanleg Dortmund, Duitsland) een voorlopige curator voor Wiemer & Trachte aangesteld en besloten dat de beschikkingshandelingen van die vennootschap slechts met toestemming van die curator geldig zijn. Die eerste beschikking is in het Duitse register ingeschreven op 4 april 2007. Bij een tweede beschikking, gegeven op 21 mei 2007 en ingeschreven in het register op 24 mei 2007, heeft de genoemde rechter aan Wiemer & Trachte een algemeen verbod opgelegd om over haar goederen te beschikken. Bij een derde beschikking, gegeven op 1 juni 2007 door die rechter, is het vermogen van de vennootschap aan een insolventieprocedure onderworpen. Die derde beschikking is ingeschreven in het register op 5 juni 2007.

12.      Op 18 en 20 april 2007 werden van de rekening van Wiemer & Trachte bij de bank Obedinena Balgarska banka AD, via de bestuurder van de Bulgaarse vestiging, bedragen van respectievelijk 2 149,30 EUR en 40 000 EUR overgeschreven op een rekening van Zhan Oved Tadzher, respectievelijk als „opgave reiskosten” en „voorschot voor beroepskosten”.

13.      Wiemer & Trachte heeft bij de Sofiyski gradski sad een vordering ingesteld tegen Tadzher, stellende dat die banktransacties ongeldig waren omdat zij hadden plaatsgevonden na de opening van de insolventieprocedure. Wiemer & Trachte verzocht om terugbetaling van bovengenoemde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente, in de insolvente boedel.

14.      Tadzher heeft betoogd dat de Bulgaarse rechter niet bevoegd was om de zaak te onderzoeken, dat het bedrag van het voorschot voor beroepskosten niet was gebruikt, en dat dit bedrag van 40 000 EUR was overgemaakt aan Wiemer & Trachte op 25 april 2007.

15.      De exceptie van onbevoegdheid van de Bulgaarse rechter werd in eerste aanleg niet toegewezen door de Sofiyski gradski sad, en evenmin in hoger beroep door de Sofiyski apelativen sad (rechter in tweede aanleg Sofia, Bulgarije). Bij beschikking van 28 januari 2013 heeft een kamer van de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) geoordeeld dat het cassatieberoep tegen de in hoger beroep gegeven beschikking niet ontvankelijk was en dat die beschikking, waarin was vastgesteld dat de Bulgaarse rechter bevoegd is voor de beslechting van de zaak ten gronde, kracht van gewijsde had.

16.      Wat het bodemgeschil betreft, heeft de Sofiyski gradski sad het door Wiemer & Trachte ingestelde beroep toegewezen en is Tadzher tegen die uitspraak in beroep gegaan. Bij arrest van 26 juli 2016 heeft de Sofiyski apelativen sad de in eerste aanleg gegeven beslissing opgeheven en de vordering tot betaling afgewezen omdat zij ongegrond en niet met bewijzen onderbouwd was.

17.      Daarop heeft Wiemer & Trachte beroep in cassatie ingesteld bij de Varhoven kasatsionen sad tegen het arrest van de Sofiyski apelativen sad, stellende dat artikel 24 van verordening nr. 1346/2000 niet van toepassing was op het geding.

18.      Daarop heeft de Varhoven kasatsionen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Dient artikel 3, lid 1, van [verordening nr. 1346/2000] aldus te worden uitgelegd dat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend, voor een actio pauliana tegen een verweerder die zijn zetel of woonplaats in een andere lidstaat heeft, een exclusieve bevoegdheid is, of is de curator in het geval van artikel 18, lid 2, van de verordening bevoegd om een actio pauliana bij een rechter in de lidstaat in te stellen waar verweerder zijn zetel of woonplaats heeft, als de actio pauliana van de curator wordt gebaseerd op een beschikking over roerende goederen die in de andere lidstaat heeft plaatsgevonden?

2)      Geldt de in artikel 24, lid 2, juncto lid 1 van verordening nr. 1346/2000 voorziene bevrijding voor de uitvoering in een lidstaat van een verbintenis ten voordele van de schuldenaar die is verricht via de bestuurder van een in deze lidstaat ingeschreven vestiging van de schuldplichtige vennootschap, als op het moment van uitvoering in een andere lidstaat een verzoek was ingediend tot opening van de insolventieprocedure betreffende de schuldenaar en een voorlopige curator was aangewezen, maar nog niet was beslist over de opening van de insolventieprocedure?

3)      Is artikel 24, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 over de uitvoering van een verbintenis van toepassing op de betaling van een geldbedrag aan de schuldenaar, als de oorspronkelijke overmaking van dit bedrag door de schuldenaar aan de betaler volgens het nationale recht van de insolventierechter als ongeldig wordt beschouwd en de ongeldigheid voortvloeit uit de opening van de insolventieprocedure?

4)      Geldt het in artikel 24, lid 2, van verordening nr. 1346/2000 vastgestelde vermoeden dat degene die de verbintenis heeft uitgevoerd, niet op de hoogte was van de opening van de insolventieprocedure, als de in artikel 21, lid 2, tweede volzin, van de verordening genoemde autoriteiten niet de vereiste maatregelen hebben getroffen om te verzekeren dat de beslissingen van de insolventierechter waarbij een voorlopige curator is aangewezen en tevens is bevolen dat beschikkingshandelingen door de vennootschap slechts met toestemming van de voorlopige curator geldig zijn, openbaar worden gemaakt in het register van de lidstaat waar de schuldenaar een vestiging heeft, wanneer de lidstaat waar zich de zetel van de vestiging bevindt, de openbaarmaking van deze beslissingen verplicht stelt, hoewel die lidstaat deze overeenkomstig artikel 25 juncto artikel 16 van de verordening erkent?”

19.      Wiemer & Trachte en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Een terechtzitting, die werd bijgewoond door die belanghebbenden, vond plaats op 3 mei 2018.

 Analyse

20.      Aangezien de context die de verwijzende rechter ertoe heeft gebracht onderhavig verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen, naar mijn mening niet ondubbelzinnig is, dienen een aantal inleidende opmerkingen te worden gemaakt over die context en, in het verlengde daarvan, over de relevantie van de gestelde vragen.

 Inleidende opmerkingen over de feitelijke context en de relevantie van de vragen van de verwijzende rechter

21.      In dit geval zijn er gegronde redenen om te twijfelen aan de relevantie van de vragen van de verwijzende rechter. Allereerst lijkt de nationale rechter reeds een beslissing te hebben genomen over de kwestie van de bevoegdheid van de Bulgaarse rechter (dat de kern vormt van de eerste prejudiciële vraag) om kennis te nemen van de vordering van verzoekster. Vervolgens vormt het feit zelf van de transactie waarover het hoofdgeding loopt nog onderwerp van discussie, volgens de gegevens in het aan het Hof voorgelegde dossier en zoals ter terechtzitting werd bevestigd.

22.      Ten eerste blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat een van zijn kamers het geschil betreffende de bevoegdheid van de Bulgaarse rechters om kennis te nemen van de vordering van Wiemer & Trachte blijkbaar definitief heeft beslecht(3), wat de vraag betreffende de internationale bevoegdheid om kennis te nemen van het hoofdgeding mogelijk overbodig maakt. Er bestaat derhalve redelijke twijfel over de relevantie van de eerste vraag voor de beslechting van het hoofdgeding.

23.      Niettemin, en in elk geval rekening houdende met het vermoeden van relevantie dat op prejudiciële vragen rust, kan niet worden uitgesloten dat nog moet worden vastgesteld op welke grond de Bulgaarse rechters bevoegd zijn om kennis te nemen van de door verzoekster ingestelde vordering. Vanuit dit oogpunt is het noodzakelijk, zoals door de eerste vraag wordt gesuggereerd, vast te stellen of het hoofdgeding een voorbeeld vormt van de mogelijke vorderingen waarin is voorzien bij verordening nr. 1346/2000.

24.      Het antwoord op die vraag kan belangrijke gevolgen hebben voor het onderzoek van de gegrondheid van de vordering tot terugbetaling van de litigieuze bedragen. Uit dit antwoord volgt met name of verweerder in het hoofdgeding zich eventueel kan beroepen op de bevrijdende werking als bedoeld in artikel 24, lid 1, van verordening nr. 1346/2000.

25.      Ten tweede en zoals blijkt uit de door verzoekster ter terechtzitting verstrekte toelichtingen, blijkt dat voor de verwijzende rechter nog wordt betwist of de litigieuze betaling heeft plaatsgevonden.

26.      Er dient te worden opgemerkt dat, ook al werd bij beschikking van 3 april 2007 van het Amtsgericht Dortmund een voorlopige curator aangewezen voor de goedkeuring van beschikkingshandelingen ten aanzien van de roerende goederen van Wiemer & Trachte, kort daarna (op 18 en 20 april 2007) een totaalbedrag van 42 149,30 EUR zou zijn overgeschreven van de rekening van de Bulgaarse vestiging van laatstgenoemde op een rekening op naam van verweerder. Dat bedrag zou volgens de verklaringen van verweerder grotendeels zijn terugbetaald op 25 april 2007 door de overschrijving door laatstgenoemde van een bedrag van 40 000 EUR aan de Bulgaarse vestiging van verzoekster.

27.      In die omstandigheden heeft Wiemer & Trachte besloten beroep in te stellen om de eerste storting ongeldig te verklaren en terugbetaling van dat bedrag te vorderen. De rechter in eerste aanleg (de Sofiyski gradski sad) had dat beroep toegewezen, maar de appelrechter (de Sofiyski apelativen sad) heeft het beroep ongegrond verklaard.

28.      Er moet evenwel worden opgemerkt dat verzoekster in het hoofdgeding, Wiemer & Trachte, de volgende verklaringen van de verwijzende rechter betwist: „het staat vast tussen partijen dat de beweerde betaling door verweerder van het bedrag van 40 000 EUR is uitgevoerd op 25 april 2007” en „[h]et geding betreft de vraag of die betaling een tenuitvoerlegging betekent ten voordele van de schuldenaar en of zij geldig is”.

29.      Volgens verzoekster en zoals zij ter pleitzitting heeft gepreciseerd, is de terugbetaling van het bedrag van 40 000 EUR nooit uitgevoerd. Indien dat het geval is, wat enkel aan de verwijzende rechter toekomt om te bevestigen of te ontkrachten(4), worden de tweede tot en met de vierde prejudiciële vraag grotendeels zonder voorwerp.

30.      Niettemin, en ook hier rekening houdend met het vermoeden van relevantie dat de door nationale rechters gestelde vragen betreffende de uitlegging van het recht van de Unie genieten, kan het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk worden verklaard.

 Eerste vraag: exclusieve of facultatieve bevoegdheid van de rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan de hoofdinsolventieprocedure is geopend om kennis te nemen van actiones paulianae op grond van de insolventie van de schuldenaar.

31.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen vast te stellen of de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de hoofdinsolventieprocedure is geopend, over een exclusieve bevoegdheid beschikken voor actiones paulianae op grond van insolventie, dan wel of die bevoegdheid, integendeel, facultatief is, in die zin dat de curator nog steeds dergelijke vorderingen kan instellen bij een rechter in een andere lidstaat.

32.      In onderhavig geval staan twee interpretaties tegenover elkaar.

33.      Volgens de eerste, die is gebaseerd op het beginsel „vis attractiva concursus”(5) en in zekere mate een historische basis heeft(6), zijn enkel de rechters van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend, bevoegd om kennis te nemen van vorderingen in verband met de insolventie, wanneer die vorderingen rechtstreeks uit de insolventie voortvloeien en daarmee nauw samenhangen. Aangezien, zoals het Hof al heeft geoordeeld(7), actiones paulianae als verbonden met de insolventieprocedure moeten worden beschouwd, sluit de bevoegdheid van de rechters die kennis moesten nemen van de opening van de insolventieprocedure, elke andere bevoegdheid uit.

34.      Volgens de tweede benadering, die volgens de Commissie uitgaat van een systematische en teleologische lezing van verordening nr. 1346/2000, kan bovengenoemde bevoegdheid enkel als facultatief worden beschouwd. Niet alleen kunnen actiones paulianae voortkomen uit materies en verbintenissen die niet noodzakelijk samenhangen met de hoofdinsolventieprocedure, maar ook mogen de mogelijkheden van de curator om dergelijke vorderingen in te stellen niet worden beperkt indien men de efficiëntie van de insolventieprocedures wil versterken.

35.      Alvorens rechtstreeks op die vraag te antwoorden, moeten eerst een paar zaken van algemene strekking in herinnering worden gebracht over de reikwijdte van verordening 1346/2000 en de erin vervatte beginselen inzake rechterlijke bevoegdheid.

 Algemene verduidelijkingen over de reikwijdte van de specifieke regels die voortvloeien uit verordening nr. 1346/2000

36.      Zonder dat het nodig is hier in detail te treden over de historische oorsprong en de precieze inhoud van verordening nr. 1346/2000(8), dient te worden benadrukt dat een van de prioritaire doelstellingen van die verordening het waarborgen van de efficiëntie van insolventieprocedures is, waarbij situaties van „forumshopping”(9) worden vermeden. Die verordening is dus bedoeld om de regels inzake het internationaal privaatrecht (en niet de substantiële regels) te harmoniseren die van toepassing zijn op het gebied van „collectieve procedures die, op de insolventie van de schuldenaar berustend, ertoe leiden dat deze schuldenaar het beheer en de beschikking over zijn vermogen geheel of ten dele verliest en dat een curator wordt aangewezen”(10).

37.      Die verordening moet de leemtes in de regelgeving wegwerken die het gevolg zijn van het feit dat faillissementen expliciet waren uitgesloten van het toepassingsgebied van het Executieverdrag(11) [en de daaropvolgende verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad(12)]. Ze heeft meer specifiek tot doel eenheid te brengen in de regels voor de vaststelling van het toepasselijke recht, de internationale bevoegdheid en de werking (erkenning en tenuitvoerlegging) van buitenlandse rechterlijke beslissingen. Daarbij worden door verordening nr. 1346/2000, in het toepassingsgebied van de tekst, de oplossingen vervangen die tot dan golden in het algemene internationaal privaatrecht van de lidstaten.

38.      Zoals wordt gesteld in het toelichtende rapport Virgós/Schmit(13), dat nuttige aanwijzingen verstrekt in het kader van de uitlegging van die verordening(14), vereist een insolventieprocedure, die een collectieve vordering is, dat de juridische situaties duidelijk zijn bepaald.

39.      Voorts houdt de efficiëntie van dergelijke procedures in dat de betrokken lidstaten de bevoegdheid erkennen van de rechters van de lidstaat waar de procedure is geopend, alsook de bevoegdheid van hun curatoren en de rechtsgevolgen van hun beslissingen.(15)

40.      Wat de internationale bevoegdheid betreft, berust het uit verordening nr. 1346/2000 voortvloeiende systeem op het onderscheid, zoals bepaald in artikel 3 ervan, tussen de hoofdprocedures (universele procedures) en de secundaire (territoriale) procedures.(16) Terwijl door het gemene recht van de lidstaten in het algemeen wordt toegestaan dat de nationale rechter zich bevoegd kan verklaren om een collectieve procedure te openen op diverse gronden (zoals de nationaliteit van een van de betrokken partijen of de aanwezigheid in het betrokken land van belangen van de schuldenaar), laat verordening nr. 1346/2000 rechters van de lidstaten enkel toe zich bevoegd te verklaren op basis van twee criteria: het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar en de aanwezigheid van een vestiging op het grondgebied van de betrokken lidstaat.

41.      Wat de zogenoemde actiones paulianae op grond van insolventie betreft, vermeldt het rapport Virgós/Schmit, in punt 77, verwijzende naar het standpunt dat was ingenomen in het arrest Gourdain(17), „dat er een element van aantrekking bestaat wanneer de vorderingen rechtstreeks voortvloeien uit de insolventie en nauw verbonden zijn met de insolventieprocedure”.

42.      Het Hof heeft zich bij dat standpunt aangesloten door, in zijn arrest Seagon(18), te stellen dat artikel 3, lid 1, van verordening 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat de rechters van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend, bevoegd zijn om uitspraak te doen over een faillissementspauliana die is gericht tegen een derde die zijn statutaire zetel in een andere lidstaat heeft.

43.      Er dient te worden opgemerkt dat die oplossing is bevestigd bij de herschikking door verordening (EU) 2015/848(19). Artikel 6 van die verordening bepaalt immers het volgende: „De rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan een insolventieprocedure is geopend overeenkomstig artikel 3, is bevoegd voor alle vorderingen die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeien en er nauw verband mee houden, zoals vorderingen tot nietigverklaring.”(20)

44.      Bijgevolg valt een actio pauliana waarmee de curator van de schuldenaar verzoekt om terugbetaling van een bedrag dat ten onrechte aan een derde is overgemaakt na de opening van de insolventieprocedure, zoals de in geding zijnde actio pauliana van Wiemer & Trachte, onder de in verordening nr. 1346/2000 bedoelde vorderingen.

45.      Maar betekent dit dat die bevoegdheid exclusief is, in die zin dat de regel „vis attractiva concursus” van de lidstaat op het grondgebied waarvan de hoofdinsolventieprocedure is geopend, de mogelijkheid uitsluit om een vordering (in het bijzonder een actio pauliana) in te stellen bij een rechter in een andere lidstaat?

46.      Zoals ik hierna zal uiteenzetten, meen ik dat het Hof die vraag enkel bevestigend kan beantwoorden.

 Exclusief of facultatief karakter van een regresvordering?

47.      Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 is, wat de internationale bevoegdheid betreft, het centrum van de voornaamste belangen de hoeksteen van het bij verordening nr. 1346/2000 ingevoerde systeem.

48.      Uit hoofde van de regel „vis attractiva concursus”, die tot doel heeft ter wille van de nabijheid en voorspelbaarheid een „verwatering” van geschillen te voorkomen, zouden niet alleen de rechterlijke bevoegdheid, maar ook het toepasselijke recht en de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissingen die in dat kader zijn genomen in beginsel moeten worden geconcentreerd in de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend.

49.      Indien enkel wordt gekeken naar de bewoordingen van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000, moet men evenwel vaststellen dat de regel „vis attractiva concursus” er niet duidelijk is uitgedrukt, in de zin dat in die bepaling niet uitdrukkelijk wordt aangegeven dat de rechters die bij de opening van de insolventieprocedure bevoegd zijn verklaard, eveneens als enigen bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen die uit die procedure voortvloeien of er nauw mee samenhangen. In die bepaling wordt, met betrekking tot een hoofdinsolventieprocedure, immers alleen gesteld dat de rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar is gelegen, bevoegd zijn de insolventieprocedure te openen.

50.      Het stilzwijgen van die bepaling over de kennisneming van vorderingen die betrekking hebben op insolventieprocedures en daarmee nauw samenhangen, dat ongetwijfeld te verklaren is door de omstandigheid dat in de rechtsstelsels van de diverse lidstaten de regel „vis attractiva concursus” op verschillende wijzen wordt begrepen, heeft geleid tot sterk uiteenlopende interpretaties inzake de mogelijkheid voor andere rechters dan die van de lidstaat waar die procedures zijn geopend om kennis te nemen van met die procedures samenhangende vorderingen.

51.      Wat in het bijzonder de zogenoemde actiones paulianae betreft, waaronder alle vorderingen worden begrepen die, op grond van de insolventie van de schuldenaar, erop gericht zijn, de transacties en verrichtingen die door en ten voordele van de schuldenaar zijn uitgevoerd, ongeldig te verklaren, is het zeer wel denkbaar dat, naast de transacties en verrichtingen die samenhangen met overeenkomsten die eventueel tussen de betrokken entiteiten zijn gesloten, er ook transacties en verrichtingen zijn die hun grondslag vinden in andere verbintenissen van civiel‑ of handelsrechtelijke aard. Indien men zich aldus aan een letterlijke lezing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 houdt, kan niet a priori worden uitgesloten dat rechters van andere lidstaten, krachtens de regels inzake territoriale bevoegdheid die zij dienen vast te stellen, bevoegd kunnen worden verklaard om kennis te nemen van actiones paulianae die door de curator zijn ingesteld.

52.      De voorstanders van de „facultatieve” aanpak voeren twee reeksen argumenten aan.

53.      In de eerste plaats stellen zij dat, hoewel verordening nr. 1346/2000 strekt tot beperking van situaties van „forum shopping”, zij daarentegen niet tot doel heeft de bevoegdheden te beperken van de curator die is aangesteld krachtens artikel 3, lid 1, van die verordening. Zoals advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in zijn conclusie in de zaak Seagon (C‑339/07, EU:C:2008:575, punten 64 e.v.) heeft aangegeven, kan worden gesteld dat, aangezien de uitoefening door de curator van een actio pauliana op grond van insolventie een voorrecht is dat bij hem berust, de rechterlijke bevoegdheid om uitspraak te doen over een dergelijke vordering niet altijd exclusief is.

54.      In de tweede plaats kan de mogelijkheid voor de curator om vorderingen in te stellen voor andere rechters dan die welke krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 worden aangewezen, niet alleen de efficiëntie van de door de curator ingestelde vorderingen ter bescherming van de boedel verhogen, maar er ook toe leiden dat het recht op een eerlijk proces beter in acht wordt genomen. De criteria voor aanwijzing van de rechter die krachtens die bepaling bevoegd is om kennis te nemen van een vordering, die afwijken van de aanwijzingscriteria die de lidstaten tot dan toe dienden vast te stellen, kunnen ertoe leiden dat vorderingen worden ingesteld tegen personen wier woonplaats zich niet in het forum concursus bevindt, waardoor hun procedurele rechten in gevaar komen.

55.      Het geheel van de argumenten lijkt mij, in teleologisch opzicht, vrij overtuigend. De doelstellingen van efficiëntie en snelheid van grensoverschrijdende insolventieprocedures pleiten immers voor de mogelijkheid voor de aangestelde curator om de rechters te kiezen bij wie hij zijn vorderingen wenst in te stellen. Die mogelijkheid biedt bovendien het voordeel dat zij het gemakkelijker maakt actiones paulianae direct in het forum van de betrokken verweerder uit te oefenen, waardoor de rechten van de verdediging doorgaans beter worden gewaarborgd.

56.      Toch lijkt het me, hoewel ik toegeef dat ik niet ongevoelig ben voor die argumenten, dat de rechtspraak van het Hof in de richting van een bekrachtiging van de regel „vis attractiva concursus” gaat. In dat verband dient te worden gewezen op twee lijnen in de rechtspraak.

57.      De eerste lijn in de rechtspraak betreft de afbakening van de respectieve toepassingsgebieden van de verschillende instrumenten voor de rechterlijke bevoegdheid, zoals die is ingezet door het arrest Gourdain.(21)

58.      In dat arrest heeft het Hof zich uitgesproken over het toepassingsgebied van het Executieverdrag en geoordeeld dat een actio pauliana, die de toename van het actief van de onderneming tegen wie een insolventieprocedure loopt tot voorwerp had, is verbonden met de faillissementsprocedure, aangezien zij rechtstreeks uit het faillissement voortvloeit en geheel binnen het kader van een faillissement of surséance van betaling passen. Een dergelijke vordering viel dus niet binnen het toepassingsgebied van het Executieverdrag en was niet onderworpen aan de daarin vastgestelde bevoegdheidsregels.

59.      In de latere rechtspraak(22) die betrekking heeft op de verhouding tussen de regels van verordening nr. 44/2001 en die van verordening nr. 1346/2000, wordt benadrukt dat het belangrijk is dat alle vorderingen in burgerlijke en handelszaken vallen onder uniforme Europese regels inzake internationale bevoegdheid die door een van de twee genoemde instrumenten zijn vastgesteld. Vermeden moet immers worden dat nationale regels inzake jurisdictiegeschillen worden aangenomen ten koste van de rechtszekerheid.(23)

60.      Zoals het Hof heeft opgemerkt in zijn arrest Seagon(24), wordt net dat criterium in overweging 6 van verordening nr. 1346/2000 gebruikt om het voorwerp van die verordening af te bakenen. Volgens die overweging regelt die verordening immers „de rechterlijke bevoegdheid inzake de opening van een insolventieprocedure en de beslissingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen”.

61.      De tweede lijn in de rechtspraak die bepalend is, is degene die voortvloeit uit het arrest Seagon.(25) Volgens dat arrest moet artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 aldus worden uitgelegd dat daarbij aan de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure is geopend eveneens internationale bevoegdheid wordt toegekend om kennis te nemen van vorderingen die rechtstreeks uit die procedure voortvloeien en er nauw mee samenhangen. Door, in datzelfde arrest, te verklaren dat de „bundeling van alle rechtstreeks met de insolventie van een onderneming verband houdende vorderingen voor de rechterlijke instanties van de lidstaat die bevoegd is voor de opening van de insolventieprocedure, [...] eveneens in overeenstemming [lijkt] te zijn met het [...] doel van een meer efficiënte en doeltreffende afwikkeling van insolventieprocedures met grensoverschrijdende gevolgen”, heeft het Hof, wanneer het arrest in zijn geheel wordt gelezen, zich uitgesproken voor een exclusieve bevoegdheid van de rechters die bevoegd verklaard zijn bij de opening van de hoofdinsolventieprocedure.(26)

62.      Aan die conclusie lijkt mijns inziens niet te kunnen worden afgedaan door de argumenten die zijn ontleend aan de bewoordingen van een aantal bepalingen van verordening nr. 1346/2000.

63.      Wat in de eerste plaats het argument betreft, dat artikel 18, lid 2, van die verordening, dat betrekking heeft op de „bevoegdheden van de curator”, voorziet in de mogelijkheid voor de curator die is aangewezen krachtens artikel 3, lid 2, van de verordening om actiones paulianae uit te oefenen in andere lidstaten, zij opgemerkt dat wordt gedoeld op de bijzondere situatie waarin de curator is aangewezen in het kader van een onder artikel 3, lid 2, van de verordening vallende secundaire procedure.

64.      Aangezien in het kader van een dergelijke procedure de prerogatieven van de curator territoriaal beperkt zijn, dient hij over de mogelijkheid te beschikken om in elke lidstaat in of buiten rechte elke actio pauliana in te stellen die in het belang is van de schuldeisers. Daarentegen moet worden opgemerkt dat in artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1346/2000, dat het geval betreft waarin, zoals in het hoofdgeding, de curator is aangewezen in het kader van een hoofdprocedure op grond van artikel 3, lid 1, van die verordening, uitsluitend sprake is van de mogelijkheid van de curator om „in een andere lidstaat alle bevoegdheden[(27)] uit [te] oefenen die hem zijn verleend door het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend”. Dat verschil in formulering is niet toevallig. Het is juist te verklaren door het feit dat de curator die in het kader van een hoofdprocedure is aangewezen, wordt geacht de daarmee verband houdende actiones paulianae in te stellen voor de rechters van de lidstaat waar de procedure is geopend. Het is dus niet vereist dat hij een beroep kan doen op de mogelijkheid om zich tot een rechter van een andere lidstaat te wenden.

65.      In de tweede plaats kan evenmin een argument worden ontleend aan artikel 25, lid 1, tweede alinea, van de genoemde verordening. Die bepaling heeft enkel betrekking op de erkenning en het executoire karakter van „beslissingen die rechtstreeks voortvloeien uit de insolventieprocedure en daar nauw op aansluiten, zelfs indien die beslissingen door een andere rechter worden gegeven”. Daarin wordt enkel erkend dat de rechters van een lidstaat op het grondgebied waarvan krachtens artikel 3, lid 1, van die verordening een insolventieprocedure is geopend, eveneens kennis kunnen nemen van het soort vordering dat in het hoofdgeding aan de orde is.(28)

66.      Ten slotte wil ik benadrukken dat de nieuwe verordening 2015/848 de regel „vis attractiva concursus” in artikel 6, lid 1 directer lijkt te hebben bekrachtigd voor vorderingen die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeien en er nauw verband mee houden.

67.      Overweging 35 van die laatste verordening gaat duidelijk in de richting van de exclusiviteit van de bevoegdheid van de rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan insolventieprocedures zijn geopend om kennis te nemen van vorderingen die rechtstreeks uit die insolventieprocedures voortvloeien en er nauw verband mee houden. Van die exclusiviteit wordt slechts afgeweken indien een dergelijke vordering verband houdt met een andere, op algemeen burgerlijk of handelsrecht gebaseerde vordering (artikel 6, lid 2, van verordening 2015/848), of met het oog op het instellen van vorderingen bedoeld om bestuurders van een schuldenaar die in strijd met hun plichten hebben gehandeld, te bestraffen, voor zover die rechters op grond van hun nationaal recht bevoegd zijn om dergelijke geschillen te behandelen (zie ook overweging 47 van verordening 2015/848).

68.      Uit al die overwegingen volgt dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de hoofdinsolventieprocedure is geopend, om kennis te nemen van actiones paulianae op basis van de insolventie van de schuldenaar, exclusief is.

69.      Gelet op het antwoord dat ik in overweging geef voor de eerste prejudiciële vraag, is het niet meer strikt noodzakelijk om te antwoorden op de andere vragen, die zijn gebaseerd op de premisse dat de Bulgaarse rechters bevoegd kunnen worden verklaard om kennis te nemen van de actio pauliana in het hoofdgeding.(29) Om zich te kunnen beroepen op de bepalingen van hoofdstuk II van verordening nr. 1346/2000, met als opschrift „Erkenning van de insolventieprocedure”, moet men zich immers in een geval bevinden waarin de internationale bevoegdheid van de rechters bij wie het geschil aanhangig is gemaakt, in onderhavig geval de Bulgaarse rechters, vast staat in de zin van artikel 3 van die verordening.

70.      Niettemin, voor het geval dat het Hof mijn conclusie niet volgt, zal ik hierna kort ingaan op de tweede, de derde en de vierde vraag.

 Tweede, derde en vierde vraag: reikwijdte van artikel 24 van verordening nr. 1346/2000

71.      Zoals in het rapport Virgós/Schmit met betrekking tot artikel 24 van verordening nr. 1346/2000 wordt uiteengezet, betekent de automatische erkenning van een insolventieprocedure die is geopend in een andere verdragsluitende staat, zoals vastgesteld in artikel 16 van die verordening, dat in bepaalde gevallen een deel van de betrokken personen mogelijk niet op de hoogte is van de opening van de insolventieprocedure en te goeder trouw „in strijd met de nieuwe omstandigheden” handelt.

72.      Die bepaling beoogt dus de situatie te regelen waarin een verbintenis te goeder trouw is uitgevoerd ten gunste van de schuldenaar, terwijl zij had moeten worden uitgevoerd ten gunste van de curator die is aangesteld in het kader van een insolventieprocedure die in een andere lidstaat is geopend. Het bevrijdende karakter van die uitvoering of betaling wordt erkend, voor gevallen waarin de betrokken persoon niet op de hoogte was van de opening van de procedure en te goeder trouw heeft gehandeld.

73.      Eveneens volgens het rapport Virgós/Schmit is er een vermoeden van onwetendheid van de opening van een insolventieprocedure, indien de openbaarmaking als bedoeld in artikel 21 van verordening nr. 1346/2000 niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig de in de betrokken staat geldende voorwaarden.

74.      Zoals de Commissie heeft opgemerkt, legt het rapport Virgós/Schmit het verband uit tussen de artikelen 16, 21 en 24 van verordening nr. 1346/2000. Terwijl artikel 16 van die verordening voorziet in de automatische erkenning van elke beslissing van een rechter van een lidstaat die bevoegd is krachtens artikel 3 van die verordening, versoepelt artikel 24 van de verordening die regel voor partijen die te goeder trouw een verbintenis hebben uitgevoerd, waarbij de goede trouw wordt beoordeeld in het licht van de omstandigheid dat de betrokken persoon niet van de opening van de procedure op de hoogte was. Die onwetendheid wordt vermoed indien de verbintenis is uitgevoerd vóór de openbaarmaking in de betrokken lidstaat.

75.      Die bepalingen moeten in hun geheel worden begrepen, gelet op het uit verordening nr. 1346/2000 voortvloeiende systeem van automatische erkenning, en de wens om derden te beschermen die te goeder trouw verbintenissen hebben uitgevoerd.

76.      Zoals het Hof heeft verklaard in zijn arrest Eurofood(30), berust, blijkens overweging 22 van verordening nr. 1346/2000, de voorrangsregel van artikel 16, lid 1, van de verordening, volgens welke de in een lidstaat geopende insolventieprocedure wordt erkend in alle andere lidstaten zodra de beslissing rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de procedure is geopend, op het beginsel van wederzijds vertrouwen, een beginsel dat vereist dat de rechter van een lidstaat bij wie een verzoek tot opening van een hoofdinsolventieprocedure is ingediend, nagaat of hij bevoegd is op grond van artikel 3, lid 1, van de verordening, dat wil zeggen dat hij onderzoekt of het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar zich in deze lidstaat bevindt. Daartegenover vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen, zoals in overweging 22 van de verordening wordt gepreciseerd, dat de rechters van de andere lidstaten de beslissing tot opening van een hoofdinsolventieprocedure erkennen, zonder dat zij de beoordeling van de eerste rechter inzake zijn bevoegdheid kunnen toetsen.(31)

77.      Dit is een belangrijke uitleggingsparameter, waarmee rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van de tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag. Dit onderzoek zal ik hieronder uiteenzetten.

 Tweede vraag: stadium van bevrijding van aansprakelijkheid in de zin van artikel 24 van verordening nr. 1346/2000

78.      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter vast te stellen in welk stadium een persoon, in voorkomend geval, een beroep kan doen op het bevrijdende effect als bedoeld in artikel 24, lid 1, van verordening nr. 1346/2000.

79.      Met andere woorden, er moet worden vastgesteld op welk moment kan worden gesteld dat een insolventieprocedure is geopend tegen een schuldenaar in de zin van die bepaling.

80.      Op dat punt biedt het arrest Eurofood(32) ontegenzeglijk erg waardevolle aanwijzingen.

81.      Ik herinner eraan dat het Hof in die zaak met name werd gevraagd of een beslissing van een rechter van een lidstaat bij wie een verzoek tot liquidatie van een vennootschap werd ingediend – en waardoor een bevoegde curator werd aangesteld met als gevolg dat de bestuurders van die vennootschap het recht werd ontnomen om diezelfde bevoegdheden uit te oefenen – moest worden aangemerkt als een „beslissing tot opening van een insolventieprocedure”, in de zin van verordening nr. 1346/2000.

82.      Het Hof heeft opgemerkt dat de voorwaarden en vormvoorschriften voor de opening van een insolventieprocedure vallen onder het nationale recht, en van lidstaat tot lidstaat aanmerkelijk verschillen(33), en geoordeeld dat het met het oog op de garantie van de doeltreffendheid van het door de verordening ingevoerde stelsel van belang is dat het beginsel van wederzijdse erkenning van artikel 16, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1346/2000 „zo vroeg mogelijk” in de procedure kan worden toegepast(34). Derhalve dient niet enkel een beslissing die door de regelgeving van de lidstaat van de betrokken rechter formeel als beslissing tot opening wordt gekwalificeerd, als een „beslissing tot opening van een insolventieprocedure” in de zin van de verordening te worden beschouwd, maar ook de beslissing die wordt gegeven na een op de insolventie van de schuldenaar gebaseerd verzoek tot opening van een procedure van bijlage A bij de verordening, wanneer deze beslissing ertoe leidt dat de schuldenaar het beheer en de beschikking over zijn vermogen verliest en dat een in bijlage C bij de verordening bedoelde curator wordt aangewezen.(35)

83.      Het komt mij voor dat die conclusie, mutatis mutandis, geldt voor de uitlegging van artikel 24 van verordening nr. 1346/2000.

84.      Zoals in het rapport Virgós/Schmit (punt 187) is uiteengezet, blijkt dat die bepaling, net zoals artikel 16 van de genoemde verordening, is ingevoerd om de ongewenste gevolgen te compenseren die voor door derden te goeder trouw uitgevoerde transacties zouden kunnen voortvloeien uit de automatische erkenning van beslissingen tot opening van een insolventieprocedure, opgevat in erg ruime zin.

85.      Artikel 24 van verordening nr. 1346/2000 beoogt specifiek de bescherming van derden die, te goeder trouw en na de opening van de insolventieprocedure, een verbintenis hebben uitgevoerd ten voordele van de gefailleerde schuldenaar, terwijl zij die verbintenis hadden moeten uitvoeren ten voordele van de curator. De goede trouw wordt, totdat het tegendeel is bewezen, vermoed wanneer de verbintenis is uitgevoerd vóór de vaststelling van de in artikel 21 van die verordening bedoelde openbaarmakingsmaatregelen.(36) De tegenpartij kan echter altijd aantonen dat een verbintenis te kwader trouw is uitgevoerd en er dus geen sprake kan zijn van het bevrijdende effect.

86.      Het is trouwens die oplossing waarvoor uitdrukkelijk wordt gekozen in de nieuwe verordening 2015/848. In artikel 2, lid 7, onder ii), van die verordening wordt, voor het doel van die verordening, de beslissing van een rechter om een insolventiefunctionaris aan te wijzen, met inbegrip van, volgens bijlage B, een voorlopige curator aangemerkt als „beslissing tot opening van een insolventieprocedure”.

87.      Gelet op een en ander wordt voorgesteld om op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 24 van verordening nr. 1346/2000 van toepassing is op de uitvoering in een lidstaat van een verbintenis ten voordele van de schuldenaar, die is verricht in het stadium dat een verzoek tot opening van een insolventieprocedure betreffende de activa van de schuldenaar is ingediend en een voorlopige curator is aangewezen in een andere lidstaat, maar nog geen rechterlijke beslissing tot opening van een insolventieprocedure is genomen in de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de verweerder zich bevindt.

 Derde vraag: relevantie van de aard van de juridische verbintenis en de juridische grondslag ervan voor de toepassing van artikel 24 van verordening nr. 1346/2000

88.      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 24 van verordening nr. 1346/2000 van toepassing is wanneer de initiële beschikkingshandeling van de gefailleerde schuldenaar volgens het nationale recht van de voor insolventie bevoegde rechter als ongeldig wordt beschouwd, en die ongeldigheid juist het gevolg is van de insolventieprocedure.

89.      Er zij aan herinnerd dat met artikel 24 van verordening nr. 1346/2000, gelezen in het licht van overweging 30 ervan, een algemene beschermingsmaatregel wordt ingevoerd voor beschikkingshandelingen die te goeder trouw worden uitgevoerd door derden die hun verbintenis uitvoeren ten voordele van de schuldenaar wanneer reeds een buitenlandse insolventieprocedure is geopend, maar zij niet op de hoogte zijn van die situatie.

90.      Zoals het Hof heeft verduidelijkt, is dit artikel geen conflictregel, maar een bepaling van materieel recht die in elke lidstaat van toepassing is ongeacht de lex concursus.(37)

91.      Noch de bewoordingen van artikel 24 van verordening nr. 1346/2000, noch de doelstelling van deze bepaling inzake de bescherming van derden-schuldenaars te goeder trouw, maken het mogelijk de toepassing ervan te beperken tot verbintenissen die zijn ontstaan buiten elk verband met de insolventieprocedure. Bijgevolg is noch de aard van de verbintenis van de derde tegenover de schuldenaar noch de rechtsgrondslag ervan relevant voor de toepassing van artikel 24 van verordening nr. 1346/2000.

92.      Niettemin moet erop worden gewezen dat die bepaling enkel geldt in gevallen waarin, gelet op alle omstandigheden van de betreffende zaak, nog steeds kan worden aangenomen dat de betrokken derde daadwerkelijk niet op de hoogte was van de opening van een insolventieprocedure, terwijl hij normaal gezien door de opening van die procedure verplicht was de betreffende betaling uit te voeren ten voordele van de in het kader van de procedure aangestelde curator.

93.      Bijgevolg kan, zoals ik al eerder heb aangegeven, de tegenpartij in elk geval nog steeds aantonen dat, ondanks het feit dat de beslissing tot opening van een insolventieprocedure in een lidstaat niet openbaar is gemaakt, de betrokken derde daarvan daadwerkelijk op de hoogte was, de uitvoering van een verbintenis te kwader trouw is uitgevoerd en er dus geen sprake kan zijn van het bevrijdende effect zoals bedoeld in artikel 24, lid 1, van verordening nr. 1346/2000.

94.      Bijgevolg is de rechtsgrondslag van de verbintenis van de derde tegenover de gefailleerde schuldenaar irrelevant voor de toepassing van artikel 24 van verordening nr. 1346/2000. Het is voor de tegenpartij nog steeds mogelijk aan te tonen dat, ondanks het feit dat de beslissing tot opening van een insolventieprocedure in een lidstaat niet openbaar is gemaakt, de betrokken derde daarvan daadwerkelijk op de hoogte was, de uitvoering van een verbintenis te kwader trouw is uitgevoerd en er dus geen sprake kan zijn van het bevrijdende effect.

 Vierde vraag: toepasselijkheid van het vermoeden van onwetendheid van artikel 24, lid 2, van verordening nr. 1346/2000

95.      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het vermoeden van onwetendheid van artikel 24, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 1346/2000 van toepassing is wanneer de handeling tot aanwijzing van een voorlopige curator en de handelingen met betrekking tot de beschikkingshandelingen van de gefailleerde schuldenaar niet openbaar zijn gemaakt in de lidstaat van de woonplaats van de schuldenaar, terwijl openbaarmaking van die handelingen in die lidstaat verplicht is gesteld overeenkomstig artikel 21, lid 2, van die verordening.

96.      De twijfels bij de verwijzende rechter hebben betrekking op de toepasselijkheid van dat vermoeden op de omstandigheden van onderhavige zaak, terwijl in artikel 16, lid 1, en artikel 25, lid 1, derde volzin, van verordening nr. 1346/2000 is voorzien in een automatische erkenning voor de beslissingen van de voor insolventie bevoegde rechter met betrekking tot conservatoire maatregelen van een rechter van een andere lidstaat.

97.      Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens, bepaalt het Bulgaarse recht dat buitenlandse beslissingen tot opening van een insolventieprocedure verplicht openbaar moeten worden gemaakt.

98.      Er zij aan herinnerd dat in artikel 21, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 de algemene regel wordt vastgesteld van de vrijheid van openbaarmaking van de beslissing tot opening van de insolventieprocedure en, in voorkomend geval, van de beslissing inzake de aanwijzing van de curator, in elke andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend. Volgens artikel 21, lid 2, van die verordening kan, bij wijze van uitzondering, de openbaarmaking van die beslissingen verplicht worden gesteld door de lidstaat op het grondgebied waarvan de schuldenaar een vestiging heeft. In dat geval neemt de curator of de autoriteit die daartoe bevoegd is in de lidstaat waar de procedure is geopend de nodige maatregelen om die openbaarmaking te verzekeren.

99.      Naar mijn mening vereist het bij verordening nr. 1346/2000 ingevoerde beginsel van wederzijdse erkenning noodzakelijkerwijs dat het in artikel 24, lid 2, van die verordening vastgestelde vermoeden van onwetendheid ook van toepassing is wanneer de in artikel 21, lid 2, van de verordening bedoelde autoriteiten niet alle nodige maatregelen hebben genomen om de openbaarmaking te verzekeren van een buitenlandse beslissing tot opening van een insolventieprocedure in het register van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich de zetel van de vestiging van de verweerder bevindt.

100. Die conclusie volgt overigens uit de tekst zelf van artikel 24, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 1346/2000. Het in die tekst vastgestelde vermoeden van onwetendheid betreffende de opening van de insolventieprocedure is van toepassing wanneer de derde-schuldenaar de verbintenis heeft uitgevoerd ten voordele van de gefailleerde schuldenaar vóór de in artikel 21 van die verordening vastgestelde openbaarmakingsmaatregelen. Geen enkele andere voorwaarde wordt in dat opzicht gesteld en de tekst van de bepaling doet geen afbreuk aan de verplichte openbaarmakingsmaatregelen zoals bedoeld in artikel 21, lid 2, van verordening nr. 1346/2000.

 Conclusie

101. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije) gestelde vragen als volgt te beantwoorden:

„1)      Artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de hoofdinsolventieprocedure is geopend, om kennis te nemen van actiones paulianae op grond van de insolventie van de schuldenaar, exclusief is.

2)      Artikel 24 van verordening nr. 1346/2000 is van toepassing op de uitvoering in een lidstaat van een verbintenis ten voordele van de schuldenaar, die is verricht in het stadium dat een verzoek tot opening van een insolventieprocedure betreffende de activa van de schuldenaar is ingediend en een voorlopige curator is aangewezen in een andere lidstaat, maar nog geen rechterlijke beslissing tot opening van een insolventieprocedure is genomen in de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de verweerder zich bevindt.

3)      De rechtsgrondslag van de verbintenis van de derde tegenover de gefailleerde schuldenaar is irrelevant voor de toepassing van artikel 24 van verordening nr. 1346/2000.

4)      Het in artikel 24, lid 2, van verordening nr. 1346/2000 vastgestelde vermoeden van onwetendheid is ook van toepassing indien de in artikel 21, lid 2, tweede volzin, van deze verordening bedoelde autoriteiten niet alle nodige maatregelen hebben getroffen om de openbaarmaking te verzekeren van een buitenlandse beslissing tot opening van een insolventieprocedure in het register van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich de zetel van de vestiging van de schuldenaar bevindt, terwijl de openbaarmaking van die beslissing door het recht van die lidstaat verplicht wordt gesteld.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans


2      PB 2000, L 160, blz. 1.


3      Er moet worden opgemerkt dat een formatie van de Varhoven kasatsionen sad zich bij beschikking van 28 januari 2013 ten gunste van de bevoegdheid van de Bulgaarse rechters heeft uitgesproken op grond van het arrest van 12 februari 2009, Seagon (C‑339/07, EU:C:2009:83).


4      Verzoekster in het hoofdgeding heeft verklaard dat de kwestie van het bewijs van die betaling een belangrijk onderdeel vormt van haar cassatieberoep bij de verwijzende rechter.


5      Volgens die regel vallen onder de bevoegdheid van de rechter die de insolventieprocedure heeft geopend niet enkel de eigenlijke insolventieprocedure, maar ook alle vorderingen die met de insolventie samenhangen. Ook al kan, zoals de Commissie in haar opmerkingen heeft aangegeven, een uitdrukking van die regel worden gevonden in het arrest van 22 februari 1979, Gourdain/Nadler (133/78, EU:C:1979:49), dient te worden opgemerkt dat sterk ter discussie staat of het gaat om een gevestigde regel.


6      Zie bijvoorbeeld de conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak Seagon (C‑339/07, EU:C:2008:575, voetnoot 33).


7      Zie arrest van 12 februari 2009, Seagon (C‑339/07, EU:C:2009:83).


8      Zie in dat verband onder meer de conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak Staubitz-Schreiber (C‑1/04, EU:C:2005:500, punten 6‑26).


9      Zie met name de overwegingen 2, 4 en 8 van verordening nr. 1346/2000.


10      Zie artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1346/2000.


11      Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32, hierna: „Executieverdrag”).


12      Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)


13      Toelichtend rapport van M. Virgós en E. Schmit van 3 mei 1996 bij het Verdrag inzake insolventieprocedures, document van de Raad van de Europese Unie, 6500/96, DRS 8 (CFC), punt 3 (hierna: „rapport Virgós/Schmit”).


14      Zie de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Eurofood IFSC (C‑341/04, EU:C:2005:579, punt 2).


15      Zie rapport Virgós/Schmit, punten 7‑9.


16      De insolventieprocedure die overeenkomstig lid 1 van dit artikel wordt geopend door de bevoegde rechter van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, en die als „hoofdprocedure” [(of „universele procedure”)] wordt gekwalificeerd, heeft universele gevolgen, voor zover zij van toepassing is op de goederen van de schuldenaar die zich bevinden in alle lidstaten waar de verordening geldt. Hoewel overeenkomstig lid 2 van dit artikel later een procedure kan worden geopend door de bevoegde rechter van de lidstaat waar de schuldenaar een vestiging bezit, gelden de gevolgen van deze procedure, die als „secundaire procedure” [(of „territoriale procedure”)] wordt gekwalificeerd, alleen ten aanzien van de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden (zie arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC, C‑341/04, EU:C:2006:281, punt 28).


17      Zie arrest van 22 februari 1979, Gourdain (133/78, EU:C:1979:49).


18      Zie arrest van 12 februari 2009, Seagon (C‑339/07, EU:C:2009:83, punt 28).


19      Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB 2015, L 141, blz. 19)


20      Zie eveneens overweging 35 van verordening 2015/848.


21      Zie arrest van 22 februari 1979, Gourdain (133/78, EU:C:1979:49, punt 4).


22      Zie met name arrest van 19 april 2012, F-Tex (C‑213/10, EU:C:2012:215), dat betrekking had op de vraag of de vordering tegen een derde, die door de schuldeiser van een in een insolventieprocedure verwikkelde schuldenaar wordt ingesteld op basis van een door de curator in die procedure gecedeerde vordering, valt onder het toepassingsgebied van verordening nr. 1346/2000 omdat een dergelijke vordering rechtstreeks uit die procedure voortvloeit en er nauw mee samenhangt, dan wel onder het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 omdat de betreffende vordering onder het begrip burgerlijke of handelszaken valt.


23      Zie in dit verband ook de nieuwe verordening 2015/848, waarin wordt gesteld dat „[de] uitlegging van deze verordening [...] hiaten in de regelgeving tussen beide instrumenten zo veel mogelijk [zou] moeten dichten”.


24      Zie arrest van 12 februari 2009, Seagon (C‑339/07, EU:C:2009:83, punt 20).


25      Zie arrest van 12 februari 2009, Seagon (C‑339/07, EU:C:2009:83, punten 22, 24 en 28).


26      Zie ook punt 4.2.6 van het verslag „External Evaluation of Regulation No. 1346/2000/EC on Insolvency Proceedings”, dat beschikbaar is op: https://publications.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/4d756fa7-b860‑4e36-b1f8-c6640dced486/language-en.


27      Cursivering door mij toegevoegd.


28      Zie arrest van 12 februari 2009, Seagon (C‑339/07, EU:C:2009:83, punt 26).


29      Zie ook punten 22‑24 hierboven.


30      Zie arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, EU:C:2006:281, punten 39 en 41).


31      Zie arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, EU:C:2006:281, punt 42).


32      Arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, EU:C:2006:281).


33      Arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, EU:C:2006:281, punt 51).


34      Arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, EU:C:2006:281, punt 52).


35      Arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, EU:C:2006:281, punt 54).


36      Zie rapport Virgós/Schmit, punt 187. Zie in dat verband eveneens de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Van Buggenhout en Van de Mierop (C‑251/12, EU:C:2013:295, punten 17 en 18).


37      Arrest van 19 september 2013, Van Buggenhout en Van de Mierop (C‑251/12, EU:C:2013:566, punt 23).