Language of document : ECLI:EU:C:2018:509

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

28 juni 2018 (*)

„Hogere voorziening – Uniemerk – Verordening (EG) nr. 207/2009 – Artikel 8, lid 5 – Artikel 76 – Oppositieprocedure – Relatieve weigeringsgronden – Verordening (EG) nr. 2868/95 – Regel 19 – Regel 50, lid 1 – Bestaan van eerdere beslissingen van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) die de bekendheid van het oudere merk erkennen – Beginsel van behoorlijk bestuur – Inaanmerkingneming van deze beslissingen in latere oppositieprocedures – Motiveringsplicht – Procedurele verplichtingen van de kamers van beroep van het EUIPO”

In zaak C‑564/16 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 7 november 2016,

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Botis en D. Hanf als gemachtigden,

rekwirant,

andere partij in de procedure:

Puma SE, gevestigd te Herzogenaurach (Duitsland), vertegenwoordigd door P. González-Bueno Catalán de Ocón, abogado,

verzoekende partij in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, A. Rosas, C. Toader en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 december 2017,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 januari 2018,

het navolgende

Arrest

1        Met zijn hogere voorziening verzoekt het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 9 september 2016, Puma/EUIPO – Gemma Group (Afbeelding van een springende katachtige) (T‑159/15, EU:T:2016:457; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO (hierna: „kamer van beroep”) van 19 december 2014 (zaak R 1207/2014‑5) inzake een oppositieprocedure tussen Puma SE en Gemma Group Srl (hierna: „litigieuze beslissing”) heeft vernietigd.

 Toepasselijke bepalingen

2        Artikel 8 van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het [Uniemerk] (PB 2009, L 78, blz. 1), met als opschrift „Relatieve weigeringsgronden”, bepaalt in lid 5 ervan:

„Na oppositie door de houder van een ouder merk in de zin van lid 2, wordt de inschrijving van het aangevraagde merk eveneens geweigerd, wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk en is aangevraagd voor waren of diensten die niet soortgelijk zijn aan die waarvoor het oudere merk ingeschreven is, indien het in geval van een ouder [Unie]merk een in de [Unie] bekend merk en in geval van een ouder nationaal merk een in de betrokken lidstaat bekend merk betreft, en indien door het gebruik zonder geldige reden van het aangevraagde merk ongerechtvaardigd voordeel getrokken wordt uit of afbreuk gedaan wordt aan het onderscheidende vermogen of de reputatie van het oudere merk.”

3        Artikel 63 van deze verordening, dat is opgenomen in titel VII met als opschrift „Beroepsprocedure”, bepaalt in lid 2 ervan:

„Bij het onderzoek van het beroep verzoekt de kamer van beroep zo dikwijls als nodig de partijen, binnen een door de kamer te stellen termijn te antwoorden op mededelingen van de andere partijen of van de kamer zelf.”

4        Artikel 75 van de voornoemde verordening bepaalt:

„De beslissingen van het Bureau worden met redenen omkleed. Zij kunnen slechts worden genomen op gronden waartegen de partijen verweer hebben kunnen voeren.”

5        Artikel 76 van verordening nr. 207/2009 luidt als volgt:

„1.      Tijdens de procedure onderzoekt het Bureau ambtshalve de feiten; in procedures inzake relatieve afwijzingsgronden blijft dit onderzoek echter beperkt tot de door de partijen aangevoerde feiten, bewijsmiddelen en argumenten en tot de door hen ingestelde vordering.

2.      Het Bureau hoeft geen rekening te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd.”

6        Artikel 78, lid 1, van die verordening bepaalt:

„In de procedure voor het Bureau zijn onder meer de volgende bewijsmiddelen toegelaten:

a)      horen van partijen;

b)      inwinnen van inlichtingen;

c)      overleggen van documenten en monsters;

d)      getuigenverhoor;

e)      deskundigenonderzoek;

f)      schriftelijke verklaringen die onder ede of belofte zijn afgelegd of overeenkomstig het recht van de staat waar zij afgelegd zijn, een soortgelijke werking hebben.”

7        Regel 19 van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1041/2005 van de Commissie van 29 juni 2005 (PB 2005, L 172, blz. 4) (hierna: „verordening nr. 2868/95”), met als opschrift „Substantiëring van de oppositie”, bepaalt in de leden 1 en 2 ervan:

„1.      Het Bureau stelt de opposant in de gelegenheid feiten, bewijzen en argumenten ter staving van zijn oppositie aan te dragen of ingevolge regel 15, lid 3, reeds aangedragen feiten, bewijzen of argumenten aan te vullen binnen een door het Bureau te stellen termijn [...].

2.      Binnen de in lid 1 bedoelde termijn overlegt de opposant ook bewijzen van het bestaan, de geldigheid en de beschermingsomvang van zijn ouder merk of recht, alsmede bewijsmateriaal waaruit blijkt dat hij gerechtigd is een oppositie in te dienen. De opposant verstrekt met name het volgende bewijsmateriaal:

a)      indien de oppositie berust op een merk dat geen [Uniemerk] is, bewijsmateriaal betreffende de indiening of inschrijving ervan door overlegging:

[...]

ii)      indien het merk ingeschreven is, van een kopie van het desbetreffende inschrijvingsbewijs en eventueel van het laatste vernieuwingsbewijs, waaruit blijkt dat de beschermingstermijn van het merk langer is dan de in lid 1 bedoelde termijn en de eventuele verlenging daarvan, of gelijkwaardige documenten, afgegeven door de administratie waarbij het merk werd ingeschreven;

[...]

c)      indien de oppositie berust op een bekend merk in de zin van artikel 8, lid 5, van [...] verordening [nr. 207/2009], naast het onder a) van dit lid bedoelde bewijsmateriaal, bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het merk bekendheid geniet, alsmede bewijsmateriaal of argumenten waaruit blijkt dat gebruik van het aangevraagde merk zonder geldige reden ongerechtvaardigd voordeel zou trekken uit of afbreuk zou doen aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het oudere merk;

[...]”

8        Regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95 luidt:

„Tenzij anders is bepaald, zijn de bepalingen die de procedure regelen bij behandeling door de instantie die de beslissing heeft genomen waartegen beroep wordt ingesteld, van overeenkomstige toepassing op de beroepsprocedure.

[...]

Wanneer het beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van een oppositieafdeling, beperkt de kamer van beroep het onderzoek van het beroep tot feiten en bewijsstukken die binnen de door de oppositieafdeling vastgestelde termijnen in overeenstemming met de verordening en deze regels zijn voorgelegd, tenzij de kamer van beroep van oordeel is dat ingevolge artikel [76, lid 2, van verordening nr. 207/2009] rekening moet worden gehouden met aanvullende feiten en bewijsstukken.”

 Voorgeschiedenis van het geding

9        Op 14 februari 2013 heeft Gemma Group bij het EUIPO een Uniemerkaanvraag ingediend krachtens verordening nr. 207/2009.

10      De inschrijvingsaanvraag betreft het volgende blauwe beeldteken:

Image not found

11      De waren waarvoor inschrijving werd aangevraagd, behoren tot klasse 7 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd, en zijn omschreven als volgt: „Machines voor de houtverwerking; machines voor de bewerking van aluminium; machines voor pvc-bewerking”.

12      De Uniemerkaanvraag is in het Blad van gemeenschapsmerken nr. 66/2013 van 8 april 2013 gepubliceerd.

13      Op 8 juli 2013 heeft Puma krachtens artikel 41 van verordening nr. 207/2009 oppositie ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk voor alle in punt 11 van het onderhavige arrest genoemde waren. Als grond voor de oppositie werd artikel 8, lid 5, van deze verordening aangevoerd.

14      De oppositie was met name gebaseerd op de volgende oudere merken (hierna: „oudere merken”):

–        het hieronder afgebeelde internationale beeldmerk, dat is ingeschreven op 30 september 1983 onder nummer 480105 en is vernieuwd tot 2023, met werking in Oostenrijk, de Benelux, Kroatië, Frankrijk, Hongarije, Italië, Portugal, Tsjechië, Roemenië, Slowakije en Slovenië, ter aanduiding van waren van de klassen 18, 25 en 28, die voor elk van deze klassen zijn omschreven als volgt:

–        klasse 18: „Schoudertassen en reistassen, reiskoffers en koffers, in het bijzonder voor sportuitrusting en ‑kleding”;

–        klasse 25: „Kledingstukken, laarzen, schoenen en pantoffels”;

–        klasse 28: „Spellen, speelgoederen; apparaten voor lichamelijke oefening, gymnastiek‑ en sportapparaten (voor zover niet begrepen in andere klassen), daaronder begrepen ballen (zijnde sportartikelen)”:

Image not found

–        het hieronder afgebeelde internationale beeldmerk, dat is ingeschreven op 17 juni 1992 onder nummer 593987 en is vernieuwd tot 2022, met werking in Oostenrijk, de Benelux, Bulgarije, Cyprus, Kroatië, Spanje, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië, Letland, Litouwen, Polen, Portugal, het Verenigd Koninkrijk, Tsjechië, Roemenië, Slovenië en Slowakije, ter aanduiding van met name waren van de klassen 18, 25 en 28, die voor elk van deze klassen zijn omschreven als volgt:

–        klasse 18: „Uit leder en kunstleder vervaardigde producten (voor zover begrepen in deze klasse); handtassen en andere etuis die niet geschikt zijn voor de producten die ze moeten bevatten alsmede kleine lederwaren, met name portemonnees, portefeuilles, sleuteletuis; handtassen, [...]”

–        klasse 25: „Kledingstukken, schoeisel, hoofddeksels; delen en onderdelen van schoeisel, zolen, inlegzolen en correctiezolen, hakken, laarzenschachten; [...]”

–        klasse 28: „Spellen, speelgoederen, daaronder begrepen miniatuurmodellen van schoenen en van ballen (als speelgoed); apparaten en toestellen voor fysieke training, gym en sport (voor zover begrepen in deze klasse); [...]”:

Image not found

15      Ter ondersteuning van de op artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 gebaseerde oppositie heeft Puma zich beroepen op de bekendheid van de oudere merken in alle lidstaten en voor alle in punt 14 van het onderhavige arrest opgesomde waren.

16      Op 10 maart 2014 heeft de oppositieafdeling van het EUIPO (hierna: „oppositieafdeling”) de oppositie in haar geheel afgewezen. Na het bestaan te hebben erkend van een zekere mate van overeenstemming van de conflicterende tekens, heeft zij zich met betrekking tot de bekendheid van ouder merk nr. 593987 op het standpunt gesteld dat om redenen van proceseconomie de stukken die Puma had overgelegd ten bewijze van het uitvoerige gebruik en de bekendheid ervan, niet hoefden te worden onderzocht en dat het onderzoek van de oppositie zou worden verricht op basis van de veronderstelling dat dit oudere merk een „groot onderscheidend vermogen” had. Op grond van deze premisse is zij echter tot de slotsom gekomen dat het relevante publiek geen verband zou leggen tussen de betrokken merken zoals vereist door artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009, vanwege de verschillen tussen de door elk van deze merken aangeduide waren.

17      Op 7 mei 2014 heeft Puma krachtens de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de oppositieafdeling.

18      Bij de litigieuze beslissing heeft de kamer van beroep het beroep verworpen. Ten eerste heeft zij geoordeeld dat er sprake was van een zekere mate van visuele overeenstemming van de oudere merken en het aangevraagde merk en dat deze merken hetzelfde idee van een „springende katachtige, die doet denken aan een poema” overbrachten. Ten tweede heeft de kamer van beroep het argument van Puma afgewezen dat de oppositieafdeling het bestaan van de bekendheid van de oudere merken had bevestigd, op grond dat de oppositieafdeling zich in werkelijkheid ertoe had beperkt te verklaren dat om redenen van proceseconomie in casu niet diende te worden overgegaan tot een beoordeling van de door Puma overgelegde bewijzen van de bekendheid en dat het onderzoek zou worden verricht op basis van de veronderstelling dat ouder merk nr. 593987 een „groot onderscheidend vermogen” had. De kamer van beroep heeft vervolgens de bewijzen in verband met de bekendheid van de oudere merken voor alle in punt 14 van het onderhavige arrest opgesomde waren onderzocht en van de hand gewezen. Ten derde was de kamer van beroep van oordeel dat, zelfs indien de bekendheid van de oudere merken moest worden geacht te zijn aangetoond, de op artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 gebaseerde oppositie moest worden afgewezen, aangezien evenmin was voldaan aan de andere voorwaarden, te weten het bestaan van ongerechtvaardigd voordeel dat wordt getrokken uit of afbreuk die wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van de oudere merken.

 Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

19      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 april 2015, heeft Puma beroep tot vernietiging van de litigieuze beslissing ingesteld. Ter ondersteuning ervan heeft Puma in wezen drie middelen aangevoerd, te weten, ten eerste, schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van behoorlijk bestuur, doordat de kamer van beroep de bewijzen inzake de bekendheid van de oudere merken van de hand had gewezen en had geconcludeerd dat de bekendheid ervan niet was aangetoond, ten tweede, schending van de artikelen 75 en 76 van verordening nr. 207/2009, doordat de kamer van beroep de bewijzen inzake de bekendheid van de oudere merken had onderzocht terwijl de oppositieafdeling niet was overgegaan tot een dergelijk onderzoek, en, ten derde, schending van artikel 8, lid 5, van deze verordening.

20      Meer bepaald met betrekking tot het eerste middel heeft Puma in wezen aangevoerd dat de kamer van beroep de beginselen van rechtszekerheid en behoorlijk bestuur had geschonden door de door Puma overgelegde bewijzen inzake de bekendheid van de oudere merken van de hand te wijzen en af te wijken van haar beslissingspraktijk inzake de bekendheid van die oudere merken.

21      Aangaande met name Puma’s argument dat de kamer van beroep geen motivering had verstrekt in verband met de rechtvaardigingsgronden voor een dergelijke afwijking van haar beslissingspraktijk, heeft het Gerecht de inhoud van het recht op behoorlijk bestuur in herinnering gebracht en heeft het verduidelijkt dat dit onder meer de plicht van de betrokken dienst omhelst om haar beslissingen met redenen te omkleden.

22      Het Gerecht heeft er tevens op gewezen dat het EUIPO volgens de rechtspraak van het Hof verplicht is om, overeenkomstig de beginselen van gelijke behandeling en behoorlijk bestuur, rekening te houden met beslissingen die inzake soortgelijke aanvragen reeds zijn genomen, en zeer aandachtig te onderzoeken of al dan niet een soortgelijke beslissing moet worden genomen, met dien verstande evenwel dat die beginselen samen met het wettigheidsbeginsel moeten worden geëerbiedigd.

23      Het Gerecht heeft verder in punt 30 van het bestreden arrest uiteengezet dat het EUIPO in drie beslissingen van 20 augustus 2010, 30 augustus 2010 en 30 mei 2011 (hierna: „drie eerdere beslissingen”) had geconcludeerd tot de bekendheid van de oudere merken en de brede kennis ervan door het publiek. In hetzelfde punt heeft het Gerecht de wezenlijke inhoud van deze beslissingen en de bewijzen die door Puma werden overgelegd in de procedures die tot die beslissingen hebben geleid, beschreven. In punt 31 van het bestreden arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat voornoemde beslissingen, waarnaar Puma in de procedure voor de kamer van beroep nochtans naar behoren had verwezen, niet werden onderzocht en zelfs niet werden vermeld in de litigieuze beslissing; de kamer van beroep had enkel eraan herinnerd dat het EUIPO niet was gebonden door zijn eerdere beslissingspraktijk.

24      Aldus heeft het Gerecht geoordeeld dat de bekendheid van de oudere merken door het EUIPO was vastgesteld in drie eerdere beslissingen, die zijn bevestigd door verschillende, door Puma overgelegde beslissingen van nationale bureaus, en voorts dat een dergelijke vaststelling een feitelijke vaststelling is die niet afhangt van het aangevraagde merk.

25      Het Gerecht kwam tot de volgende slotsom in punt 34 van het bestreden arrest:

„[...] [G]elet op de [...] rechtspraak, volgens welke het EUIPO rekening moet houden met beslissingen die inzake soortgelijke aanvragen reeds zijn genomen en zeer aandachtig moet onderzoeken of al dan niet een soortgelijke beslissing moet worden genomen, en gelet op haar motiveringsplicht, [mocht de kamer van beroep niet] afwijken van de beslissingspraktijk van het EUIPO zonder enige uitleg te verstrekken over de redenen waarom zij van oordeel was dat de in die beslissingen verrichte feitelijke vaststellingen inzake de bekendheid van de oudere merken niet of niet langer relevant waren. De kamer van beroep maakt immers geenszins gewag van een afname van die bekendheid sinds bovengenoemde recente beslissingen, en evenmin van een eventuele onrechtmatigheid van die beslissingspraktijk.”

26      Het Gerecht heeft in dit verband het argument van het EUIPO afgewezen dat die beslissingen niet in aanmerking dienden te worden genomen op grond dat bij geen enkele ervan de bewijzen van de bekendheid van de oudere merken waren gevoegd die in het kader van die procedures waren overgelegd. Het Gerecht heeft uiteengezet dat de kamer van beroep bij het onderzoek van een beroep tegen een beslissing van een oppositieafdeling beschikt over de beoordelingsbevoegdheid die voortvloeit uit regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95 teneinde te beslissen of rekening dient te worden gehouden met nieuwe of aanvullende feiten en bewijzen die niet binnen de door de oppositieafdeling vastgestelde termijn werden aangedragen.

27      Gelet op de concrete omstandigheden van de onderhavige zaak heeft het Gerecht in punt 37 van het bestreden arrest het volgende verduidelijkt:

„Gelet op haar recente eerdere beslissingspraktijk, die wordt bevestigd door een relatief groot aantal nationale beslissingen en een arrest van het Gerecht, had de kamer van beroep [...] overeenkomstig het beginsel van behoorlijk bestuur [...] hetzij verzoekster moeten verzoeken aanvullende bewijzen van de bekendheid van de oudere merken aan te dragen – al was het maar om deze te weerleggen –, waartoe zij bevoegd was op grond van regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95, hetzij de redenen moeten vermelden waarom zij van oordeel was dat de in die eerdere beslissingen verrichte vaststellingen met betrekking tot de bekendheid van de oudere merken in casu dienden te worden afgewezen. Dit was des te meer noodzakelijk omdat in bepaalde van die beslissingen op zeer gedetailleerde wijze de bewijzen werden vermeld die ten grondslag lagen aan de beoordeling van de bekendheid van de oudere merken, hetgeen haar aandacht had moeten vestigen op het bestaan ervan.”

28      Het Gerecht heeft dan ook geoordeeld dat het EUIPO het beginsel van behoorlijk bestuur had geschonden, en met name de verplichting om zijn beslissingen te motiveren, niet was nagekomen.

29      Ten slotte heeft het Gerecht geoordeeld dat, aangezien de mate van bekendheid van de oudere merken in aanmerking moet worden genomen bij de globale beoordeling van het bestaan van afbreuk in de zin van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009, waarover de kamer van beroep zich ten overvloede heeft uitgesproken in de litigieuze beslissing, de onjuiste rechtsopvatting waarvan deze kamer van beroep blijk heeft gegeven, een beslissende invloed kon hebben op het resultaat van de oppositie. De kamer van beroep was immers niet overgegaan tot een volledig onderzoek van de bekendheid van die oudere merken, zodat het Gerecht geen uitspraak kon doen op het middel inzake schending van datzelfde artikel 8, lid 5.

30      Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 44 van het bestreden arrest het eerste middel van Puma aanvaard en heeft het, zonder onderzoek van de andere middelen, de litigieuze beslissing vernietigd voor zover de kamer van beroep daarbij de oppositie van deze vennootschap had afgewezen.

 Conclusies van partijen in hogere voorziening

31      Het EUIPO concludeert tot:

–        vernietiging van het bestreden arrest en

–        verwijzing van Puma in de kosten.

32      Puma concludeert tot:

–        afwijzing van de hogere voorziening en

–        verwijzing van het EUIPO in de kosten.

 Hogere voorziening

33      Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert het EUIPO twee middelen aan. Het eerste betreft schending van artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 en van het beginsel van behoorlijk bestuur, gelezen in samenhang met regel 19, lid 2, onder c), van verordening nr. 2868/95 en artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009. Het tweede middel betreft schending van regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95 en van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009.

 Argumenten van partijen

 Eerste middel

34      Het eerste middel van het EUIPO omvat drie onderdelen.

35      In het kader van het eerste onderdeel van zijn eerste middel voert het EUIPO aan dat het Gerecht artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 en het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Immers, door vast te stellen dat Puma „naar behoren” had verwezen naar de drie eerdere beslissingen ter ondersteuning van haar oppositie, heeft het Gerecht impliciet maar noodzakelijkerwijs erkend dat een algemene en onnauwkeurige verwijzing naar de vaststellingen in die beslissingen en naar de door Puma overgelegde bewijzen in die eerdere procedures waarbij andere partijen betrokken waren, een geldig bewijs van de bekendheid in de zin van regel 19, lid 2, onder c), van verordening nr. 2868/95 vormde.

36      Het EUIPO verduidelijkt dat bekendheid geen feit is dat gevolgen erga omnes heeft, maar een vaststelling die beperkt is tot de partijen bij de betrokken procedure en alleen geldt voor die procedure, zodat eerdere beslissingen van het EUIPO waarbij de bekendheid van een merk wordt vastgesteld, als zodanig geen bewijs van bekendheid kunnen vormen in latere procedures. Een verwijzing naar zulke beslissingen kan dus slechts worden opgevat als een algemene en onnauwkeurige verwijzing naar in eerdere procedures voor het EUIPO overgelegde documenten, zodat een dergelijke verwijzing, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, niet kan worden aanvaard als een geldig bewijs van de bekendheid, omdat anders inbreuk zou worden gemaakt op de in procedures inter partes geldende en in artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 neergelegde neutraliteitsplicht van het EUIPO alsook op het beginsel van behoorlijk bestuur. Bij gebreke van precieze aanwijzing door de opposant van de bewijzen die hij wenst aan te voeren, is het onmogelijk voor het EUIPO om de rechten van de verdediging te waarborgen van de partij die inschrijving van een teken als merk aanvraagt.

37      Voorts schendt de vaststelling van het Gerecht de beginselen van hoor en wederhoor en wapengelijkheid tussen partijen in procedures inter partes, daar het aan de opposant en niet aan het EUIPO staat om de merkaanvrager in staat te stellen om de feiten die aan de vaststelling van eerdere beslissingen ten grondslag lagen, te beoordelen en, in voorkomend geval, te betwisten. Verder verduidelijkt het EUIPO dat de onmogelijkheid voor hem om de relevante documenten te identificeren in casu niet van „fysieke” aard was, maar verband hield met het feit dat het EUIPO, bij gebreke van een nauwkeurige verwijzing naar de bewijzen waarop Puma zich wilde beroepen, gedwongen zou zijn actief op zoek te gaan naar de relevante documenten voor het bewijs van de bekendheid. Aldus is Puma’s – voor het eerst voor het Hof aangevoerde – argument dat alle in de eerdere procedures overgelegde documenten in elk geval online toegankelijk zijn, niet enkel onjuist maar tevens irrelevant, zelfs al zou dit argument ontvankelijk worden geacht.

38      Op grond van deze eerste onjuiste rechtsopvatting heeft het Gerecht een kennelijk onjuiste lezing gemaakt van de litigieuze beslissing door te oordelen dat de eerdere beslissingen „zelfs niet vermeld” waren in de litigieuze beslissing, terwijl zij in de samenvatting van Puma’s argumenten stonden en rechtstreeks waren onderzocht door de kamer van beroep wat het gebrek aan juridisch bindend karakter ervan betreft alsook in de context van de redenering ten overvloede van de kamer van beroep.

39      In het kader van het tweede onderdeel van zijn eerste middel betoogt het EUIPO dat het Gerecht rechtens onjuist heeft geoordeeld door te stellen dat de kamer van beroep op grond van het beginsel van behoorlijk bestuur, zoals door het Hof uitgelegd in het arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM (C‑51/10 P, EU:C:2011:139), de reden had moeten toelichten waarom zij de door het EUIPO in de drie eerdere beslissingen gedane vaststellingen aangaande de bekendheid van de oudere merken niet in aanmerking had genomen. Het EUIPO meent dat deze vaststelling van het Gerecht is gebaseerd op twee onjuiste premissen: de eerste is de erkenning van een geldig beroep op deze eerdere beslissingen, wat niet het geval is, zoals blijkt uit de in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel aangevoerde argumenten.

40      De tweede onjuiste premisse is de erkenning, door het Gerecht, van het bestaan van een „beslissingspraktijk” van het EUIPO waarbij de bekendheid van de oudere merken is vastgesteld, aangezien een dergelijke erkenning het begrip „bekendheid” en de relatieve aard van de weigeringsgrond tot inschrijving als bedoeld in artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 miskent, alsmede voorbijgaat aan het feit dat de in artikel 76, lid 1, van die verordening voorziene procedure op tegenspraak verloopt.

41      Zelfs in het geval dat de opposant zich, zoals in casu, baseert op merken waarvan de bekendheid tevoren door het EUIPO is erkend, blijft hij immers verplicht om latere merkaanvragen per geval te betwisten door in elk van die gevallen de bekendheid aan te tonen van de merken waarop hij zich beroept. De bekendheid van een ouder merk hangt niet enkel af van de door de houder van dat merk overgelegde bewijzen maar ook van de tegenargumenten die door de andere partij in de procedure worden aangedragen.

42      Bijgevolg kan de vaststelling van bekendheid niet worden beschouwd als een eenvoudige feitelijke vaststelling, die in wezen statisch is, zoals het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld in punt 33 van het bestreden arrest. Integendeel, hoewel een dergelijke vaststelling niet strikt afhangt van het aangevraagde merk, is zij ondergeschikt aan de toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor in elke individuele oppositieprocedure. In casu komt de vaststelling van het Gerecht dat de drie eerdere beslissingen een „beslissingspraktijk” vormen, neer op de erkenning van het bestaan van een „vermoeden van bekendheid”, wat ingaat tegen artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 5, van deze verordening.

43      Deze miskenning van de waarde van de drie eerdere beslissingen heeft ertoe geleid dat het Gerecht blijk heeft gegeven van andere onjuiste rechtsopvattingen. Het Gerecht heeft immers – met toepassing van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM (C‑51/10 P, EU:C:2011:139), – ten onrechte gesteld dat de kamer van beroep de redenen had moeten aangeven waarom zij meende dat de in de drie eerdere beslissingen gedane vaststellingen betreffende de bekendheid van de oudere merken niet in aanmerking moesten worden genomen. Die rechtspraak is echter slechts relevant voor procedures ex parte betreffende de weigering van een inschrijvingsaanvraag op absolute gronden.

44      Zelfs indien deze rechtspraak toepasselijk zou zijn op procedures inter partes, geldt dit in ieder geval slechts voor kwesties die om redenen van openbare orde moeten worden opgeworpen, voor kwesties die volgens het EUIPO algemeen bekende feiten zijn of wanneer een reeds vastgestelde feitelijke situatie in de betrokken procedure vergelijkbaar wordt geacht met een in een eerdere procedure vastgestelde feitelijke situatie. Die rechtspraak is echter niet van toepassing op specifieke feiten die in eerdere procedures zijn aangevoerd of op in zulke procedures verrichte beoordelingen van bewijselementen teneinde in een latere procedure een feitelijke vaststelling te verrichten.

45      In het kader van het derde onderdeel van zijn eerste middel voert het EUIPO in wezen aan dat het Gerecht niet zonder schending van artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 en van het beginsel van behoorlijk bestuur kon oordelen, zoals het in punt 37 van het bestreden arrest heeft gedaan, dat de kamer van beroep de subsidiaire verplichting had om Puma ambtshalve te verzoeken aanvullende bewijzen van de aangevoerde bekendheid aan te dragen.

46      Puma betwist de drie onderdelen van het eerste middel van het EUIPO.

47      Puma voert met name aan dat het Gerecht het beginsel van behoorlijk bestuur op juiste wijze heeft toegepast door vast te stellen dat Puma „naar behoren had verwezen” naar de drie eerdere beslissingen in het kader van haar verplichting, krachtens regel 19, lid 2, onder c), van verordening nr. 2868/95, om de bekendheid van de oudere merken te bewijzen. Het is immers moeilijk te bevatten dat het inroepen van deze drie eerdere beslissingen een eenvoudige, algemene verwijzing vormt naar de in de eerdere procedures overgelegde documenten, terwijl het gaat om definitieve beslissingen van een administratieve overheid, die de bekendheid van de in het oppositiebezwaarschrift nauwkeurig aangeduide merken erkennen, die gepubliceerd zijn en gemakkelijk toegankelijk zijn op de site van het EUIPO en waarvan de relevante passages in het genoemde bezwaarschrift in de proceduretaal zijn samengevat. Aldus vormen dergelijke beslissingen als zodanig onvervangbare en afdoende bewijselementen van de bekendheid van de oudere merken. Verder is de bekendheid een objectief feit met werking erga omnes en de enige omstandigheid die daarop een invloed kan uitoefenen, is het tijdsverloop, maar het EUIPO heeft dienaangaande geen enkele analyse verstrekt.

48      Wat het tweede onderdeel van het eerste middel van het EUIPO betreft, voert Puma aan dat de kwalificatie van de drie eerdere beslissingen als „beslissingspraktijk” door het Gerecht niet voorbijgaat aan het feit dat de betrokken procedure op tegenspraak verloopt noch het begrip „bekendheid” miskent, aangezien geen enkele regel van Unierecht het EUIPO toestaat de beginselen van gelijke behandeling en behoorlijk bestuur van de hand te wijzen of te negeren, beginselen die het EUIPO verplichtten, de drie eerdere beslissingen in aanmerking te nemen en zeer aandachtig te onderzoeken of al dan niet in dezelfde zin moest worden beslist of, minstens Puma ambtshalve te verzoeken aanvullende bewijzen van de bekendheid van de oudere merken over te leggen.

49      Wat het derde onderdeel van het eerste middel van het EUIPO betreft, betwist Puma de argumenten van het EUIPO door in wezen aan te voeren dat de procedurele verplichtingen die door het Gerecht in punt 37 van het bestreden arrest worden uiteengezet, helemaal geen afbreuk doen aan de positie van het EUIPO in procedures inter partes.

 Tweede middel

50      Met zijn tweede middel betoogt het EUIPO dat het Gerecht tevens op incidentele wijze artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 heeft geschonden door in punt 37 van het bestreden arrest vast te stellen dat de kamer van beroep Puma had moeten verzoeken aanvullende bewijzen van de bekendheid van de oudere merken aan te dragen, waartoe zij bevoegd was op grond van regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95. Uit de bewoordingen, de context en de doelstelling van deze bepaling volgt immers duidelijk dat zij enkel van toepassing is op door de partijen op eigen initiatief ingeroepen feiten en aangedragen bewijzen. Het is evenmin mogelijk om deze bepaling naar analogie toe te passen op een situatie zoals in casu, aangezien voor dit type van verzoeken een specifieke rechtsgrond bestaat, te weten artikel 78, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009. Zo kan, volgens het EUIPO, geen van deze twee bepalingen dienen als middel om de neutraliteitsplicht van het EUIPO en het onderliggende beginsel van wapengelijkheid te omzeilen.

51      Puma betwist dat de door het Gerecht in punt 37 van het bestreden arrest verrichte beoordeling onrechtmatig is.

 Beoordeling door het Hof

 Eerste en tweede onderdeel van het eerste middel

52      Met de eerste twee onderdelen van het eerste middel, die samen dienen te worden onderzocht, betwist het EUIPO de beoordeling van het Gerecht inzake het eerste door Puma voor hem aangevoerde middel tot vernietiging, dat is ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van behoorlijk bestuur, voor zover de kamer van beroep de bewijzen inzake de bekendheid van de oudere merken van de hand had gewezen en had geconcludeerd dat de bekendheid ervan niet was aangetoond in het kader van de toepassing van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009.

53      Meer bepaald voert het EUIPO in wezen aan dat het Gerecht artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 en het beginsel van behoorlijk bestuur, gelezen in samenhang met regel 19, lid 2, onder c), van verordening nr. 2868/95 en artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009, heeft geschonden door te oordelen dat Puma voor de oppositieafdeling „naar behoren had verwezen” naar de drie eerdere beslissingen van het EUIPO en voorts dat de kamer van beroep overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur en gelijke behandeling, zoals uitgelegd in de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM (C‑51/10 P, EU:C:2011:139), deze beslissingen in overweging had moeten nemen en zeer aandachtig had moeten onderzoeken of al dan niet in dezelfde zin moest worden beslist, en dat zij niet mocht afwijken van de beslissingspraktijk van het EUIPO zonder enige uitleg te verstrekken over de redenen waarom zij van oordeel was dat de in die beslissingen verrichte feitelijke vaststellingen inzake de bekendheid van de oudere merken niet of niet langer relevant waren.

54      Dienaangaande volgt uit de bewoordingen van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 dat de toepassing van deze bepaling is onderworpen aan de volgende cumulatieve voorwaarden: ten eerste, de gelijkheid of de overeenstemming van de conflicterende merken, ten tweede, de bekendheid van het ter ondersteuning van de oppositie aangevoerde oudere merk en, ten derde, het bestaan van een risico dat door het gebruik zonder geldige reden van het aangevraagde merk ongerechtvaardigd voordeel getrokken wordt uit of afbreuk gedaan wordt aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het oudere merk (zie in die zin beschikking van 17 september 2015, Arnoldo Mondadori Editore/BHIM, C‑548/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:624, punt 54).

55      Wat meer in het bijzonder de tweede voorwaarde inzake de bekendheid van het merk betreft, die als enige in casu ter discussie staat, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat een merk bekend is in de zin van het Unierecht wanneer het bekend is bij een aanzienlijk deel van het publiek waarvoor de onder dat merk aangeboden waren of diensten bestemd zijn in een groot deel van het relevante grondgebied (zie in die zin arrest van 3 september 2015, Iron & Smith, C‑125/14, EU:C:2015:539, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56      Het bestaan van de bekendheid moet worden beoordeeld rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het geval, zoals, met name, het marktaandeel van het merk, de intensiteit, de geografische omvang en de duur van het gebruik ervan, en de omvang van de door de onderneming verrichte investeringen om het bekendheid te geven (arrest van 14 september 1999, General Motors, C‑375/97, EU:C:1999:408, punt 27).

57      De vraag of de oudere merken bekend zijn in de zin van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009, is weliswaar een vaststelling die deel uitmaakt van de feitelijke beoordeling door het Gerecht, waartegen geen hogere voorziening kan worden ingesteld, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van de aan het Gerecht aangedragen feiten en overgelegde bewijzen (zie in die zin arrest van 21 januari 2016, Hesse/BHIM, C‑50/15 P, EU:C:2016:34, punt 29), maar de vraag of de ter staving van de bekendheid aangedragen bewijzen regelmatig zijn verkregen en of de algemene rechtsbeginselen en de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, is een rechtsvraag die vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie in die zin arrest van 10 mei 2012, Rubinstein en L’Oréal/BHIM, C‑100/11 P, EU:C:2012:285, punt 74).

58      Wat de bewijslast en de bewijsvoering betreft ingeval een merkhouder de weigeringsgrond bedoeld in artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 wenst aan te voeren, bepaalt regel 19, lid 1 en lid 2, onder c), van verordening nr. 2868/95 dat het EUIPO de opposant in de gelegenheid stelt feiten, bewijzen en argumenten ter staving van zijn oppositie aan te dragen – onder meer bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het merk bekendheid geniet – of reeds aangedragen feiten, bewijzen of argumenten aan te vullen. Aangezien verordeningen nr. 207/2009 en nr. 2868/95 niet de bewijsmiddelen opsommen die de opposant kan aandragen om de bekendheid van het oudere merk te bewijzen, is de opposant in beginsel vrij om de vorm te kiezen van het bewijs waarvan hij overlegging aan het EUIPO nuttig acht in het kader van een op een ouder recht gebaseerde oppositie, en is het EUIPO verplicht de door de opposant overgelegde elementen te analyseren, zonder onmiddellijk een soort bewijs wegens de vorm ervan te kunnen weigeren (zie naar analogie arrest van 19 april 2018, EUIPO/Group, C‑478/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:268, punten 56‑59).

59      Verder bepaalt artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 dat het EUIPO tijdens de procedure in beginsel ambtshalve de feiten onderzoekt. Dezelfde bepaling vermeldt echter dat dit onderzoek in procedures inzake relatieve weigeringsgronden – zoals de weigeringsgrond van artikel 8, lid 5, van deze verordening – beperkt blijft tot de door de partijen aangevoerde feiten, bewijsmiddelen en argumenten en tot de door hen ingestelde vordering.

60      Bovendien moet het EUIPO, volgens vaste rechtspraak van het Hof, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden de algemene beginselen van het Unierecht naleven, onder meer het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur (arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punt 73, en beschikking van 11 april 2013, Asa/BHIM, C‑354/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:238, punt 41).

61      Het Hof heeft gepreciseerd dat het EUIPO, gelet op deze beginselen, rekening moet houden met beslissingen die inzake soortgelijke aanvragen reeds zijn genomen en zeer aandachtig moet onderzoeken of al dan niet een soortgelijke beslissing moet worden genomen waarbij, zoals het Gerecht in punt 20 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, de toepassing van die beginselen moet worden verzoend met de eerbiediging van het wettigheidsbeginsel, wat impliceert dat elke inschrijvingsaanvraag in elk concreet geval strikt en volledig moet worden onderzocht (zie in die zin arresten van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punten 74, 75 en 77, en 17 juli 2014, Reber Holding/BHIM, C‑141/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2089, punt 45, alsook beschikking van 14 april 2016, KS Sports/EUIPO, C‑480/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:266, punt 37).

62      In deze context is het van belang om onmiddellijk het argument van het EUIPO van de hand te wijzen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de in het vorige punt vermelde beginselen van het arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM (C‑51/10 P, EU:C:2011:139), toepasselijk zijn op de procedures die zijn gebaseerd op een relatieve weigeringsgrond, zoals de weigeringsgrond van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009.

63      Hoewel het Hof deze beginselen heeft ontwikkeld in een zaak betreffende een absolute weigeringsgrond, te weten die bedoeld in artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), heeft het vervolgens uitdrukkelijk geoordeeld dat die beginselen eveneens van toepassing zijn in het kader van oppositieprocedures die zijn gebaseerd op een relatieve weigeringsgrond (zie in die zin arrest van 17 juli 2014, Reber Holding/BHIM, C‑141/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2089, punt 46; beschikkingen van 11 april 2013, Asa/BHIM, C‑354/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:238, punt 42; 15 oktober 2015, Cantina Broglie 1/BHIM, C‑33/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:705, punt 49; 15 oktober 2015, Cantina Broglie 1/BHIM, C‑34/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:704, punt 49, en 14 april 2016, KS Sports/EUIPO, C‑480/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:266, punt 37).

64      Zoals het Gerecht in de punten 18 en 19 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, heeft het Hof ook reeds verduidelijkt dat volgens artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het recht op behoorlijk bestuur met name de plicht van de betrokken dienst omhelst, haar beslissingen met redenen te omkleden. Deze verplichting, die tevens voortvloeit uit artikel 75 van verordening nr. 207/2009 heeft als tweeledig doel, de betrokkenen in staat te stellen kennis te nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel om hun rechten te kunnen verdedigen, en voorts de Unierechter in staat te stellen zijn toezicht op de rechtmatigheid van de beslissing uit te oefenen (zie in die zin arrest van 10 mei 2012, Rubinstein en L’Oréal/BHIM, C‑100/11 P, EU:C:2012:285, punt 111, en 17 maart 2016, Naazneen Investments/BHIM, C‑252/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:178, punt 29).

65      Verder heeft deze verplichting dezelfde draagwijdte als die voortvloeiend uit artikel 296, tweede alinea, VWEU, dat vereist dat de motivering de redenering van degene die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doet komen, zonder dat het nodig is dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de voormelde vereisten voldoet, niet alleen moet worden gelet op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arrest van 21 oktober 2004, KWS Saat/BHIM, C‑447/02 P, EU:C:2004:649, punten 63‑65, en beschikking van 14 april 2016, KS Sports/EUIPO, C‑480/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:266, punt 32).

66      Uit het voorgaande volgt dat, in omstandigheden waarin een opposant voor de oppositieafdeling ter staving van zijn oppositie nauwkeurig eerdere beslissingen van het EUIPO inzake de bekendheid van zijn oudere merk inroept als bewijs van de bekendheid ervan in de zin van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009, het aan de instanties van het EUIPO staat om rekening te houden met de beslissingen die zij reeds hebben vastgesteld en zeer aandachtig te onderzoeken of al dan niet een soortgelijke beslissing moet worden genomen, overeenkomstig de in punt 61 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. Wanneer deze instanties beslissen om anders te oordelen dan in de eerdere beslissingen, moeten zij, gelet op de context waarin zij hun nieuwe beslissing vaststellen – waarbij het inroepen van die eerdere beslissingen deel uitmaakt van de context –, uitdrukkelijk motiveren waarom van die beslissingen wordt afgeweken.

67      In het licht van de voorgaande overwegingen dient te worden onderzocht of het Gerecht in casu, zoals het EUIPO betoogt, artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 en het beginsel van behoorlijk bestuur, gelezen in samenhang met regel 19, lid 2, onder c), van verordening nr. 2868/95 en artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009, heeft geschonden.

68      Ten eerste, aangaande het argument van het EUIPO dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in punt 31 van het bestreden arrest door te oordelen dat Puma „naar behoren had verwezen” naar de drie eerdere beslissingen waarbij de bekendheid van de oudere merken werd erkend, dient om te beginnen te worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 30 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat Puma in haar schrifturen voor de oppositieafdeling had gewezen op die drie eerdere beslissingen.

69      Zoals werd vermeld in punt 58 van het onderhavige arrest, is de opposant in beginsel in beginsel vrij in de keuze van de vorm van het bewijs waarvan hij overlegging aan het EUIPO nuttig acht. Niets verzet zich dus ertegen dat in een dergelijke context eerdere beslissingen van het EUIPO waarbij het bestaan van de bekendheid van een ouder merk in het kader van andere procedures inter partes wordt vastgesteld, als bewijselement ter staving van die bekendheid worden ingeroepen, met name wanneer zij nauwkeurig zijn aangeduid en de wezenlijke inhoud ervan in het oppositiebezwaarschrift is uiteengezet in de proceduretaal van de oppositie, zoals in casu het geval was.

70      Voor zover het EUIPO aanvoert dat het Gerecht, met de in punt 31 van het bestreden arrest verrichte vaststelling heeft erkend dat Puma’s verwijzing naar die beslissingen een geldige verwijzing inhoudt naar het geheel van overwegingen van het EUIPO en ook naar de door Puma in die eerdere procedures overgelegde bewijselementen, zodat die verwijzing een geldig bewijs kan vormen voor het bestaan van de bekendheid van de oudere merken in de zin van regel 19, lid 2, onder c), van verordening nr. 2868/95, dient te worden opgemerkt dat dit argument is gebaseerd op een onjuiste lezing van dat punt 31, dat overigens in de juiste context moet worden geplaatst.

71      Dienaangaande was de door het Gerecht in de punten 30 en 31 van het bestreden arrest verrichte analyse bedoeld als antwoord op het in punt 28 van dat arrest samengevatte argument van Puma dat de kamer van beroep niet kon afwijken van haar „beslissingspraktijk” die de bekendheid van de oudere merken erkende zonder uit te leggen waarom een dergelijke afwijking van de drie eerdere beslissingen gerechtvaardigd was.

72      Terwijl het EUIPO op dit argument had gerepliceerd door te verwijzen naar de motivering van de litigieuze beslissing, zoals blijkt uit punt 29 van het bestreden arrest, volgens welke de rechtmatigheid van de beslissingen van het EUIPO enkel moet worden beoordeeld op grond van verordening nr. 207/2009 en niet op basis van een eerdere beslissingspraktijk van het EUIPO of van de nationale bureaus, heeft het Gerecht in punt 30 van het bestreden arrest de inhoud van de drie eerdere beslissingen uiteengezet door een beschrijving van de daarin door de bevoegde instanties van het EUIPO verrichte beoordelingen en door vermelding van de bewijselementen waarop deze beslissingen waren gebaseerd.

73      Zoals blijkt uit de punten 28 tot en met 30 van het bestreden arrest, is het Gerecht overgegaan tot die bevindingen om te antwoorden op de vraag of het EUIPO bij de vaststelling van de litigieuze beslissing had voldaan aan zijn uit het beginsel van behoorlijk bestuur voortvloeiende verplichtingen, met name zijn in de punten 64 en 65 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte motiveringsplicht, in omstandigheden waarin Puma ter staving van haar oppositie eerdere beslissingen van het EUIPO had ingeroepen waarin was geconcludeerd tot de bekendheid van dezelfde oudere merken, waarbij Puma deze beslissingen nauwkeurig had aangeduid en in het bijzonder de relevante passages ervan alsook de aldaar vermelde bewijselementen had vermeld door ze in de proceduretaal samen te vatten.

74      Het is dus in die context dat het Gerecht in punt 31 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat Puma „naar behoren had verwezen” naar de drie eerdere beslissingen, zonder evenwel te erkennen dat de verwijzing naar die beslissingen een geldige verwijzing inhield naar alle bewijselementen die in de voor de instanties van het EUIPO gevoerde eerdere procedures waren overgelegd.

75      Hieruit volgt dat geen onjuiste rechtsopvatting kan worden verweten aan het Gerecht door in punt 31 van het bestreden arrest te oordelen dat Puma „naar behoren had verwezen” naar de drie eerdere beslissingen.

76      Ten tweede, aangaande het argument van het EUIPO dat het Gerecht het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden en de omvang van de motiveringsplicht van het EUIPO heeft miskend, dient te worden opgemerkt dat het EUIPO overeenkomstig de in de punten 61, 64 en 65 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak alsook overeenkomstig hetgeen reeds in punt 66 van het onderhavige arrest is beslist, rekening moest houden met de drie eerdere beslissingen waarnaar Puma in casu had verwezen en, wanneer het een van die beslissingen afwijkend standpunt innam ter zake van de bekendheid van de oudere merken – voorwerp van het onderzoek in die beslissingen alsook in casu –, uitdrukkelijk die afwijking diende te motiveren gelet op de context van de litigieuze beslissing.

77      Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat het Gerecht in punt 30 van het bestreden arrest een onderzoek heeft verricht van de drie eerdere beslissingen waarnaar Puma voor de oppositieafdeling had verwezen en waarvan de inhoud in het kader van de onderhavige hogere voorziening niet ter discussie staat, door de wezenlijke inhoud ervan uiteen te zetten. Het Gerecht heeft vervolgens in punt 33 van het bestreden arrest opgemerkt dat de bekendheid van de oudere merken door het EUIPO was vastgesteld in die drie eerdere beslissingen, die waren bevestigd door meerdere nationale beslissingen die betrekking hadden op dezelfde oudere merken, op dezelfde of soortgelijke waren als die welke in casu aan de orde zijn en op bepaalde lidstaten waarover het tevens gaat in de onderhavige zaak. Het Gerecht voegde daaraan toe dat de vaststelling van de bekendheid van de oudere merken een feitelijke vaststelling is die niet afhangt van het aangevraagde merk.

78      In punt 34 van het bestreden arrest heeft het Gerecht hieruit afgeleid dat „[i]n deze omstandigheden” en gelet op de verplichtingen die voortvloeien uit het beginsel van behoorlijk bestuur en het gelijkheidsbeginsel, „de kamer van beroep [...] niet mocht afwijken van de beslissingspraktijk van het EUIPO zonder enige uitleg te verstrekken over de redenen waarom zij van oordeel was dat de in [de drie eerdere] beslissingen verrichte feitelijke vaststellingen inzake de bekendheid van de oudere merken niet of niet langer relevant waren”.

79      Zodoende heeft het Gerecht terecht onderzocht of de kamer van beroep haar motiveringsplicht was nagekomen door in de litigieuze beslissing enkel eraan te herinneren dat het EUIPO niet gebonden was door zijn beslissingspraktijk, gelet op de context waarin deze beslissing was genomen en gelet op de rechtsregels die de betrokken materie beheersen, daaronder begrepen het beginsel van behoorlijk bestuur en het gelijkheidsbeginsel.

80      Anders dan het EUIPO beweert, kan het Gerecht geen onjuiste rechtsopvatting worden verweten met betrekking tot de uitlegging van die beginselen. Dienaangaande is het waar dat de instanties van het EUIPO niet automatisch gebonden zijn door hun eerdere beslissingen in die zin dat, zoals het Gerecht terecht heeft opgemerkt in punt 20 van het bestreden arrest, elke inschrijvingsaanvraag strikt en volledig moet worden onderzocht teneinde te voorkomen dat een merk onterecht wordt ingeschreven, zodat het onderzoek naar de bekendheid naargelang van de feitelijke omstandigheden van elk afzonderlijk geval wordt gedaan (zie naar analogie beschikking van 12 februari 2009, Bild digital en ZVS, C‑39/08 en C‑43/08, niet gepubliceerd, EU:C:2009:91, punt 17, alsook in die zin arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punt 77). Hieruit volgt echter niet dat deze instanties ontheven zijn van de in punt 66 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte verplichtingen die voortvloeien uit de voornoemde beginselen van behoorlijk bestuur en gelijke behandeling, waaronder de motiveringsplicht.

81      Laatstgenoemde plicht is des te belangrijker in omstandigheden als die van het onderhavige geval, waaraan in punt 77 van het onderhavige arrest is herinnerd en waarin de relevantie van bepaalde eerdere beslissingen van het EUIPO die voor de instanties van het EUIPO worden ingeroepen – ten behoeve van een volledig onderzoek van het bestaan van de bekendheid van het betrokken oudere merk, niet kan worden betwist, aangezien een dergelijk onderzoek niet strikt afhangt van het aangevraagde merk zoals het Gerecht in wezen heeft opgemerkt.

82      Het Gerecht heeft dus terecht geoordeeld dat de instanties van het EUIPO in dergelijke omstandigheden niet konden voldoen aan hun motiveringsplicht door enkel in herinnering te brengen dat de rechtmatigheid van de beslissingen van het EUIPO uitsluitend op grond van verordening nr. 207/2009 en niet op grond van zijn eerdere beslissingspraktijk moet wordt beoordeeld.

83      Ten slotte, voor zover het EUIPO aanvoert dat het Gerecht in punt 31 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de drie eerdere beslissingen „niet onderzocht en zelfs niet vermeld” waren in de litigieuze beslissing, volstaat het op te merken dat dit betoog niet kan slagen, daar de door het Gerecht verrichte vaststelling niet als tegenstrijdig met de inhoud van deze beslissing kan worden beschouwd.

84      Hoewel de kamer van beroep in het deel „middelen en argumenten van partijen” van de litigieuze beslissing heeft vermeld dat Puma had aangevoerd dat de bekendheid van de oudere merken in „meerdere beslissingen van het Bureau” was erkend, neemt dit immers niet weg dat de kamer van beroep onder de „door de opposante aangevoerde bewijzen” de drie eerdere beslissingen niet heeft vermeld en dat zij, in het deel van die beslissing met als opschrift „Gronden van de beslissing” die eerdere beslissingen niet heeft vermeld en deze evenmin heeft geanalyseerd wat de inhoud en de bewijswaarde ervan betreft in het kader van de eventuele bekendheid van de oudere merken, terwijl zij wel op die manier heeft gehandeld ten aanzien van meerdere beslissingen van nationale bureaus.

85      Gelet op alle bovenstaande overwegingen dient te worden geoordeeld dat het Gerecht artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 en het beginsel van behoorlijk bestuur, gelezen in samenhang met regel 19, lid 2, onder c), van verordening nr. 2868/95 en artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009, niet heeft geschonden door te oordelen dat de kamer van beroep – door enkel eraan te herinneren dat in omstandigheden als in casu de rechtmatigheid van de beslissingen van het EUIPO uitsluitend moet worden beoordeeld op grond van verordening nr. 207/2009, zoals uitgelegd door de Unierechter, en niet op basis van een eerdere beslissingspraktijk van het EUIPO of van de nationale bureaus – het beginsel van behoorlijk bestuur had geschonden, en met name de verplichting om haar beslissingen te motiveren niet is nagekomen, zodat de litigieuze beslissing onrechtmatig is.

86      Bijgevolg moeten het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.

 Derde onderdeel van het eerste middel en tweede middel

87      Met het derde onderdeel van het eerste middel en het tweede middel van de hogere voorziening, die samen dienen te worden onderzocht, verwijt het EUIPO het Gerecht schending van artikel 76, lid l, van verordening nr. 207/2009, gelezen in samenhang met het beginsel van behoorlijk bestuur, alsook van artikel 76, lid 2, van die verordening, gelezen in samenhang met regel 50, lid l, van verordening nr. 2868/95, door in punt 37 van het bestreden arrest te oordelen dat de kamer van beroep in de concrete omstandigheden van de onderhavige zaak Puma had moeten verzoeken aanvullende bewijzen van de bekendheid van de oudere merken aan te dragen – al was het maar om deze te weerleggen –, waartoe zij bevoegd was op grond van regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95.

88      Het EUIPO voert met name aan dat een dergelijke uitlegging van die bepalingen en beginselen strijdig is met het beginsel van hoor en wederhoor, dat is neergelegd in artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 wat procedures inter partes voor het EUIPO betreft, alsook voorbijgaat aan het feit dat de verplichting van het EUIPO tot uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid om al dan niet rekening te houden met te laat overgelegde feiten en bewijzen, enkel van toepassing is op door de partijen op eigen initiatief ingeroepen feiten en aangedragen bewijzen.

89      Met zijn betoog verwijt het EUIPO aldus in wezen het Gerecht dat het de discretionaire bevoegdheid waarover de kamer van beroep beschikt op grond van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009, gelezen in samenhang met regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95, om te beslissen of er al dan niet rekening moet worden gehouden met de aanvullende feiten en bewijzen die niet binnen de door de oppositieafdeling vastgestelde termijnen werden overgelegd, heeft omgevormd tot een verplichting, waarbij deze verplichting volgens het EUIPO ten onrechte ook wordt uitgebreid tot de feitelijke elementen en de bewijzen die de partijen niet op eigen initiatief hebben ingeroepen of aangedragen.

90      Dienaangaande blijkt uit punt 35 van het bestreden arrest dat het EUIPO voor het Gerecht de stelling heeft verdedigd dat de kamer van beroep niet verplicht was om rekening te houden met de drie eerdere beslissingen op grond dat Puma de bewijzen van de bekendheid van de oudere merken die in het kader van de procedures die tot de vaststelling van die beslissingen hadden geleid, niet had meegedeeld aan de oppositieafdeling. Volgens het EUIPO had verzoekster die bewijzen opnieuw moeten overleggen of op nauwkeurige wijze daarnaar moeten verwijzen.

91      Als antwoord op dit betoog heeft het Gerecht in punt 36 van het bestreden arrest terecht herinnerd aan de rechtspraak volgens welke artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 en regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95 aan de kamer van beroep van het EUIPO een beoordelingsbevoegdheid geven teneinde te beslissen of rekening dient te worden gehouden met nieuwe of aanvullende feiten en bewijzen die niet binnen de door de oppositieafdeling vastgestelde termijn werden aangedragen. Volgens deze bepalingen blijft het immers mogelijk aanvullende bewijzen aan te dragen wanneer bewijzen zijn overgelegd binnen de termijn die het EUIPO heeft gesteld, wat in casu vaststaat (zie in die zin arrest van 21 juli 2016, EUIPO/Grau Ferrer, C‑597/14, EU:C:2016:579, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92      Door in punt 37 van het bestreden arrest erop te wijzen dat „[g]elet op haar recente eerdere beslissingspraktijk, die wordt bevestigd door een relatief groot aantal nationale beslissingen en een arrest van het Gerecht, [...] de kamer van beroep [...] in de concrete omstandigheden van de onderhavige zaak overeenkomstig het beginsel van behoorlijk bestuur, [...] verzoekster [had] moeten verzoeken aanvullende bewijzen van de bekendheid van de oudere merken aan te dragen – al was het maar om deze te weerleggen –, waartoe zij bevoegd was op grond van regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95”, heeft het Gerecht zich evenwel niet gebaseerd op artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 en regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95, maar op het beginsel van behoorlijk bestuur.

93      In casu volgt uit de punten 30, 33 en 37 van het bestreden arrest dat de wezenlijke inhoud van de drie eerdere beslissingen in het oppositiebezwaarschrift in de proceduretaal werd uiteengezet door Puma, zodat dient te worden geoordeeld dat deze inhoud ter kennis is gebracht van de oppositieafdeling, van de kamer van beroep evenals van Gemma Group.

94      Eveneens blijkt uit het voormelde punt 30 van het bestreden arrest dat de bevoegde instanties van het EUIPO in die drie eerdere beslissingen hadden geoordeeld dat één van de oudere merken „op basis van een groot aantal bewijzen” „zeer bekend was, minstens in Frankrijk” en dat een ander merk „gelet op de talrijke overgelegde bewijzen” „door het gebruik ervan in de Unie een grote bekendheid had verworven” en een „groot onderscheidend vermogen had door het ‚langdurige en intensieve’ gebruik en de ‚hoge mate van herkenning’ ervan”. Het Gerecht heeft eveneens vastgesteld dat bepaalde van die beslissingen op zeer gedetailleerde wijze de bewijzen beschreven op basis waarvan kon worden geconcludeerd tot bekendheid van de oudere merken.

95      In een dergelijke context vormden de drie eerdere beslissingen vanwege de erkenning van de bekendheid van de oudere merken, een belangrijke aanwijzing van het feit dat deze merken ook in het kader van de betrokken oppositieprocedure als bekend konden worden beschouwd in de zin van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009, zoals reeds is opgemerkt in punt 81 van het onderhavige arrest.

96      Bijgevolg was het EUIPO, zoals werd geoordeeld in punt 76 van het onderhavige arrest, verplicht om rekening te houden met de drie eerdere beslissingen waarnaar Puma had verwezen en diende het zijn beslissing in casu uitdrukkelijk te motiveren aangezien het had beslist om een afwijkend standpunt in te nemen ten opzichte van het in die beslissingen ingenomen standpunt met betrekking tot de bekendheid van de oudere merken.

97      Geoordeeld dient te worden, zoals het Gerecht heeft gedaan, dat indien de kamer van beroep zelf tot de slotsom zou zijn gekomen dat zij haar uit het beginsel van behoorlijk bestuur voortvloeiende verplichtingen en in deze context met name haar in punt 66 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte motiveringsplicht niet kon nakomen zonder over de bewijzen te beschikken die in de loop van de eerdere procedures voor het EUIPO waren overgelegd, deze instantie gebruik had moeten maken van de bevoegdheid waarover zij beschikte om de overlegging van die bewijzen te vragen met het oog op de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid en op een volledig onderzoek van de oppositie.

98      Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, volgt immers uit artikel 63, lid 2, van verordening nr. 207/2009, gelezen in samenhang met artikel 78 van deze verordening, dat de kamer van beroep van het EUIPO bij het onderzoek ten gronde van het bij haar ingestelde beroep de partijen niet alleen zo dikwijls als nodig verzoekt, binnen een door de kamer te stellen termijn, te antwoorden op mededelingen van de kamer zelf, maar dat zij ook maatregelen van instructie kan nemen, zoals het aandragen van feiten of de overlegging van bewijzen. Ook uit deze bepalingen blijkt dat het mogelijk is dat de feitelijke context in de diverse stadia van de procedure voor het EUIPO wordt verruimd (arresten van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 58, en 28 februari 2018, mobile.de/EUIPO, C‑418/16 P, EU:C:2018:128, punt 57).

99      Gelet op deze rechtspraak en de in punt 91 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volgens welke het mogelijk blijft om aanvullende bewijzen aan te dragen wanneer bewijzen zijn overgelegd binnen de termijn die het EUIPO heeft gesteld, kan een verplichting, zoals die welke door het Gerecht in punt 37 van het bestreden arrest werd vastgesteld op grond van het beginsel van behoorlijk bestuur, niet als strijdig worden beschouwd met de bepalingen van verordening nr. 207/2009.

100    Aldus heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in datzelfde punt 37 van het bestreden arrest te oordelen dat in de concrete omstandigheden van de onderhavige zaak de kamer van beroep overeenkomstig het beginsel van behoorlijk bestuur hetzij de redenen had moeten vermelden waarom zij van oordeel was dat de door het EUIPO in de drie eerdere beslissingen verrichte vaststellingen met betrekking tot de bekendheid van de oudere merken in casu dienden te worden afgewezen, hetzij Puma had moeten verzoeken aanvullende bewijzen van de bekendheid van de oudere merken aan te dragen.

101    Gelet op een en ander dienen het derde onderdeel van het middel en het tweede middel van het EUIPO ongegrond te worden verklaard.

102    Aangezien alle ter ondersteuning van de hogere voorziening aangevoerde middelen en argumenten werden verworpen, dient de hogere voorziening te worden afgewezen.

 Kosten

103    Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat het Hof over de kosten beslist wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

104    Ingevolge artikel 138, lid 1, van datzelfde Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.

105    Aangezien het EUIPO in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van Puma in de kosten te worden verwezen.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart:

1)      De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)      Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.