Language of document : ECLI:EU:C:2018:530

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL

H. SAUGMANDSGAARD ØE

van 4 juli 2018 (1)

Zaak C220/17

Planta Tabak-Manufaktur Dr. Manfred Obermann GmbH & Co. KG

tegen

Land Berlin

[verzoek van het Verwaltungsgericht Berlin (bestuursrechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van de wetgevingen – Productie, presentatie en verkoop van tabaksproducten – Richtlijn 2014/40/EU – Artikel 7, leden 1 en 7 – Verbod om tabaksproducten met een kenmerkend aroma in de handel te brengen – Artikel 7, lid 14 – Overgangsperiode voor tabaksproducten met een kenmerkend aroma waarvan het verkoopvolume in de gehele Europese Unie 3 % of meer van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt – Geldigheidstoetsing – Beginsel van gelijke behandeling – Artikel 13, lid 1, onder c) – Uitlegging – Verbod van elementen of kenmerken die verwijzen naar een smaak, geur- of smaakstoffen of andere additieven, of het ontbreken daarvan – Toepassing op tabaksproducten met een kenmerkend aroma die na 20 mei 2016 nog steeds in de handel mogen worden gebracht”






I.      Inleiding

1.        Met zijn prejudiciële vragen verzoekt het Verwaltungsgericht Berlin (bestuursrechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) het Hof om een beslissing over de uitlegging en de geldigheid, in het licht van het primaire Unierecht, van een aantal bepalingen van richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van richtlijn 2001/37/EG.(2)

2.        Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Planta Tabak‑Manufaktur Dr. Manfred Obermann GmbH & Co. KG (hierna: „Planta Tabak”), een tabaksfabrikant, en Land Berlin (deelstaat Berlijn, Duitsland), over de toepassing van de Duitse wetgeving waarbij deze richtlijn is omgezet, op de door deze onderneming verhandelde producten.

3.        Met de talrijke vragen van de verwijzende rechter wordt het Hof verzocht om zich opnieuw te buigen over bepaalde aspecten waarop reeds is ingegaan in het kader van zijn arresten van 4 mei 2016, Polen/Parlement en Raad(3) alsmede Philip Morris Brands e.a.(4), in het bijzonder het verbod om tabaksproducten met een kenmerkend aroma in de handel te brengen en de voorschriften betreffende de presentatie van tabaksproducten, waarbij alle elementen of kenmerken die kunnen bijdragen tot het aanmoedigen van het verbruik ervan, zijn verboden, als bepaald in respectievelijk artikel 7, leden 1 en 7, en artikel 13, lid 1, van richtlijn 2014/40.

4.        Overeenkomstig het verzoek van het Hof blijft deze conclusie echter beperkt tot de volgende twee aspecten. Ik zal om te beginnen stilstaan bij de geldigheid van het eerste verbod in het licht van het beginsel van gelijke behandeling, aangezien de Uniewetgever in artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 heeft voorzien in een overgangsperiode voor tabaksproducten met een kenmerkend aroma waarvan het verkoopvolume in de gehele Unie 3 % of meer van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt. Vervolgens zal ik ingaan op de uitlegging van de tweede bepaling, teneinde na te gaan of zij verbiedt dat op tabaksproducten met een kenmerkend aroma die nog steeds mogen worden verkocht, het aroma dat zij bevatten, wordt vermeld.

5.        Ik zal het Hof in overweging geven om, in de eerste plaats, te antwoorden dat artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40 in overeenstemming is met het beginsel van gelijke behandeling en, in de tweede plaats, dat artikel 13, lid 1, van deze richtlijn een dergelijke vermelding van een kenmerkend aroma op de verpakking van deze nog steeds in de handel gebrachte producten inderdaad verbiedt.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Richtlijn 2014/40

6.        De overwegingen 16, 25 en 27 van richtlijn 2014/40 luiden:

„(16)      De waarschijnlijkheid van uiteenlopende regelgeving wordt nog vergroot door de bezorgdheid over tabaksproducten die een ander kenmerkend aroma hebben dan dat van tabak, hetgeen het beginnen met de consumptie van tabak kan vergemakkelijken of de consumptiepatronen kan beïnvloeden. Maatregelen die leiden tot een ongerechtvaardigde gedifferentieerde behandeling van verschillende soorten gearomatiseerde sigaretten moeten worden vermeden. Producten met een kenmerkend aroma met een groter verkoopvolume dienen evenwel over een langere termijn te worden uitgefaseerd, teneinde consumenten voldoende tijd te geven om naar andere producten over te stappen.

[...]

(25)      De etiketteringsregels moeten ook worden aangepast aan nieuw wetenschappelijk bewijsmateriaal. Zo is bijvoorbeeld de vermelding van de emissieniveaus voor teer, nicotine en koolmonoxide op sigarettenverpakkingseenheden misleidend gebleken, daar dit consumenten in de overtuiging brengt dat sommige sigaretten minder schadelijk zijn dan andere. [...]

[...]

(27)      Tabaksproducten en de verpakking daarvan kunnen de consumenten, met name jongeren, misleiden door te suggereren dat deze producten minder schadelijk zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval bij gebruik van sommige teksten of kenmerken als ,laag teergehalte’, ,light’, ,ultra-light’, ,mild’, ,natuurlijk’, ,biologisch’, ,zonder additieven’, ,zonder smaakstoffen’ of ,slim’, of bepaalde namen, afbeeldingen en figuratieve of andere tekens. Andere misleidende elementen omvatten maar zijn niet beperkt tot bijvoegsels of ander extra materiaal, bijvoorbeeld kleefetiketten, stickers, reclamebijlagen, krasloten en hoezen of kunnen betrekking hebben op de vorm van het tabaksproduct zelf. Bepaalde verpakkingen en tabaksproducten kunnen de consument eveneens misleiden door effecten te suggereren op het gebied van gewichtsverlies, sexappeal, sociale status, sociaal leven of eigenschappen zoals vrouwelijkheid, mannelijkheid of elegantie. Ook de grootte en de verschijningsvorm van de individuele sigaretten kunnen de consumenten misleiden door de indruk te wekken dat zij minder schadelijk zijn. [...]”

7.        Artikel 1 van deze richtlijn draagt het kopje „Onderwerp” en bepaalt het volgende:

„Deze richtlijn beoogt de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende:

a)      de ingrediënten en de emissies van tabaksproducten en de daarmee verband houdende rapportageverplichtingen, inclusief de maximumemissieniveaus voor teer, nicotine en koolmonoxide van sigaretten;

b)      bepaalde aspecten van de etikettering en verpakking van tabaksproducten, [...];

[...]

teneinde de interne markt voor tabak en aanverwante producten beter te doen functioneren, waarbij wordt uitgegaan van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, met name voor jongeren, en teneinde te voldoen aan de verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging (WHO Framework Convention for Tobacco Control – FCTC).”

8.        Artikel 7 van deze richtlijn, met als opschrift „Regulering van ingrediënten”, luidt:

„1.      De lidstaten verbieden het in de handel brengen van tabaksproducten met een kenmerkend aroma.

[...]

7.       De lidstaten verbieden het in de handel brengen van tabaksproducten met bestanddelen, zoals filters, papier, verpakkingen of capsules, die geur- of smaakstoffen bevatten of met technische elementen die de geur, de smaak of de intensiteit van de rook van de betreffende tabaksproducten kunnen wijzigen. Filters, papier en capsules mogen geen tabak of nicotine bevatten.

[...]

12. Andere tabaksproducten dan sigaretten en shagtabak zijn vrijgesteld van het verbod bedoeld in de leden 1 en 7. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 27 gedelegeerde handelingen om die vrijstelling voor een bepaalde productcategorie in te trekken als in een verslag van de Commissie wordt geconstateerd dat zich een aanzienlijke verandering in de omstandigheden heeft voorgedaan.

[...]

14. In het geval van tabaksproducten met een kenmerkend aroma waarvan het verkoopvolume in de gehele Unie 3 % of meer van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt, is het bepaalde in dit artikel van toepassing vanaf 20 mei 2020.

[...]”

9.        Artikel 13 van deze richtlijn bepaalt, onder het opschrift „Presentatie van het product”, het volgende:

„1.      De etikettering van verpakkingseenheden en van elke buitenverpakking en het tabaksproduct zelf bevat geen enkel element of kenmerk dat:

a)      een tabaksproduct aanprijst of het verbruik ervan aanmoedigt door een verkeerde indruk te wekken over de kenmerken, gevolgen voor de gezondheid, risico’s of emissies ervan; etiketten bevatten geen informatie over het gehalte aan nicotine, teer of koolmonoxide van het tabaksproduct;

b)      de suggestie wekt dat een bepaald tabaksproduct minder schadelijk is dan andere of gericht is op het verminderen van het effect van bepaalde schadelijke bestanddelen van rook, of activerende, energetische, genezende, verjongende, natuurlijke, biologische eigenschappen bezit of andere positieve gevolgen heeft voor de gezondheid of de levensstijl;

c)      verwijst naar een smaak, geur- of smaakstoffen of andere additieven, of het ontbreken daarvan;

[...]

3.      De krachtens de leden 1 en 2 verboden elementen en kenmerken omvatten maar zijn niet beperkt tot teksten, symbolen, namen, merken en al dan niet figuratieve tekens.”

B.      Duits recht

10.      Richtlijn 2014/40 is in Duitsland omgezet bij het Gesetz über Tabakerzeugnisse und verwandte Erzeugnisse (Duitse wet inzake tabaks- en aanverwante producten), van 4 april 2016 (BGBl. 2016 I, blz. 569; hierna: „TabakerzG”), die op 20 mei 2016 in werking is getreden.

11.      § 5 TabakerzG bepaalt, onder het opschrift „Ingrediënten”, het volgende:

„(1)      Het is verboden in de handel te brengen:

1.      sigaretten en shagtabak met

a)      een kenmerkend aroma of

b)      aroma’s in hun bestanddelen, dan wel met enig technisch element dat de geur, de smaak of de intensiteit van de rook van de betreffende tabaksproducten kan wijzigen; [...]”

12.      § 18 TabakerzG, „Verboden ter bescherming van de consument tegen misleiding”, bepaalt het volgende:

„[...]

(2)      Het is verboden om tabaksproducten in de handel te brengen door op de verpakkingseenheden en de buitenverpakkingen of het tabaksproduct zelf misleidende reclame-uitingen aan te brengen. Hiervan is met name sprake:

[...]

3.      wanneer de reclame-uitingen verwijzen naar een smaak, geur- of smaakstoffen, of het ontbreken daarvan;.

[...]”

13.      § 47 TabakerzG, „Overgangsbepalingen”, bepaalt in lid 4 ervan het volgende:

„In het geval van sigaretten of shagtabak waarvan het verkoopvolume in de gehele Unie 3 % of meer van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt, is § 5, lid 1, punt 1, onder a), van toepassing vanaf 20 mei 2020.”

III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof

14.      Planta Tabak is een familiebedrijf dat verschillende soorten tabaksproducten vervaardigt en verhandelt. Vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2014/40 was de vervaardiging van shagtabak met verschillende aroma’s een van de specialiteiten van deze onderneming. Het grootste deel hiervan was tabak waaraan menthol werd toegevoegd. Deze onderneming verhandelt tevens een beperkt assortiment sigaretten, voor het merendeel met een aroma, waterpijptabak alsmede, in mindere mate, cigarillo’s, sigaren en rookartikelen.

15.      Op 4 april 2016 is ter omzetting van richtlijn 2014/40 het TabakerzG door de Duitse wetgever vastgesteld. Op 25 april 2016 heeft Planta Tabak beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Berlin (bestuursrechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland), waarin zij opkomt tegen de toepassing, op de door haar gefabriceerde en verhandelde tabaksproducten, van de bepalingen van deze wet betreffende het verbod om tabaksproducten met een kenmerkend aroma in de handel te brengen, betreffende gezondheidswaarschuwingen en voorschriften inzake de presentatie van het product. Deze rechter twijfelt over de geldigheid en de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van deze richtlijn.

16.      In deze omstandigheden heeft het Verwaltungsgericht Berlin bij beslissing van 21 april 2017, ingekomen bij het Hof op 27 april 2017, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof onder meer de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      [...][(5)]

b)      Zijn de leden 1 en 7 van artikel 7 van richtlijn [2014/40] juncto lid 14 van artikel 7 van richtlijn [2014/40] ongeldig wegens schending van het beginsel van gelijke behandeling, omdat zij ten aanzien van de door de lidstaten vast te stellen verboden een onderscheid maken op grond van verkoopvolumes, zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat?

[...]

3)      a)      Dient artikel 13, lid 1, onder c), juncto lid 3 van richtlijn [2014/40] aldus te worden uitgelegd dat het de lidstaten gebiedt het gebruik van informatie die verwijst naar een smaak, naar geur- of smaakstoffen of naar andere additieven, ook te verbieden wanneer het niet om reclame-uitingen gaat en het gebruik van de ingrediënten nog is toegestaan?

b)      Is artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn [2014/40] ongeldig, omdat dit artikel inbreuk maakt op artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?[(6)]

17.      Planta Tabak, de Spaanse regering, de Franse regering, de Hongaarse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Noorse regering, het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend bij het Hof.

18.      Planta Tabak, de Spaanse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, het Parlement, de Raad en de Commissie zijn verschenen op de pleitzitting van 21 maart 2018.

IV.    Analyse

A.      Geldigheid van artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40 in het licht van het beginsel van gelijke behandeling [eerste vraag, onder b)]

1.      Inleidende opmerkingen

19.      Onder de verschillende bijdragen van richtlijn 2014/40 aan de Unieregelgeving op het gebied van tabak neemt het verbod om tabaksproducten met een kenmerkend aroma in de handel te brengen(7), neergelegd in artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, een prominente plaats in. Lid 7 van dit artikel verbiedt onder andere tabaksproducten met bestanddelen, zoals filters, papier, verpakkingen of capsules, die geur- of smaakstoffen bevatten of met technische elementen die de geur, de smaak of de intensiteit van de rook van de betreffende tabaksproducten kunnen wijzigen. Voorlopig hebben deze verboden alleen betrekking op sigaretten en shagtabak.(8)

20.      Met de vaststelling van deze verboden heeft de wetgever van de Unie beoogd tabaksproducten met een vanille-, chocolade- of mentholsmaak van de markt te halen. Overweging 16 van richtlijn 2014/40 bevat de redenen hiervoor. Kort gezegd heeft de wetgever overwogen dat deze producten het beginnen met de consumptie van tabak, vooral bij jeugdigen, kunnen vergemakkelijken of de consumptiepatronen kunnen beïnvloeden. Zoals het Hof heeft verklaard maskeren of verzachten deze aroma’s de bitterheid van de tabaksrook en dragen zij ertoe bij dat tabaksgebruik wordt bevorderd en onderhouden.(9)

21.      Deze verboden zijn in beginsel van kracht geworden op 20 mei 2016, te weten de datum waarop de lidstaten richtlijn 2014/40 in hun nationaal recht dienden te hebben omgezet.(10) Artikel 7, lid 14, van deze richtlijn bepaalt evenwel dat tabaksproducten met een kenmerkend aroma waarvan het verkoopvolume in de gehele Unie 3 % of meer van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt(11), tot 20 mei 2020 in de handel mogen worden gebracht.(12)

22.      Planta Tabak is, met de verwijzende rechter, van mening dat artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 een ongerechtvaardigd verschil in behandeling teweegbrengt tussen vergelijkbare tabaksproducten en, uit dien hoofde, in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling. Meer in het bijzonder is algemeen erkend dat de in die bepaling voorziene overgangsperiode geldt voor mentholsigaretten(13), maar dit zou niet opgaan, volgens de informatie waarover Planta Tabak beschikt, voor shagtabak waaraan menthol is toegevoegd.(14) Bovendien zou deze overgangsperiode niet van toepassing zijn op tabaksproducten die andere aroma’s bevatten, zoals vanille of eucalyptus. Al deze producten hebben evenwel objectief identieke kenmerken en dezelfde risico’s voor de menselijke gezondheid.

23.      Ik wijs erop dat het Hof zich in de arresten Polen/Parlement en Raad(15) alsmede Philip Morris Brands e.a.(16) reeds heeft uitgesproken over de geldigheid, in het licht van het evenredigheidsbeginsel, van de verboden om tabaksproducten met een kenmerkend aroma in de handel te brengen, bedoeld in artikel 7, leden 1 en 7, van richtlijn 2014/40. De vraag of deze bepalingen, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 14, van deze richtlijn, geldig zijn in het licht van het beginsel van gelijke behandeling, is daarentegen nieuw.

24.      Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat het beginsel van gelijke behandeling, als algemeen beginsel van Unierecht vereist dat, behoudens objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld.(17)

25.      Een van de bepalingen die de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vraag noemt, te weten artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40, roept een dergelijk verschil in behandeling in het leven. In deze bepaling wordt een onderscheid tussen tabaksproducten met een kenmerkend aroma gemaakt dat is gebaseerd op het verkoopvolume van elk ervan in een bepaalde productcategorie. Hieruit volgt, bijvoorbeeld, dat mentholsigaretten waarvan het verkoopvolume in de gehele Unie meer dan 3 % bedraagt binnen de categorie „sigaretten” enerzijds, en sigaretten met een minder gangbaar aroma waarvan het verkoopvolume onder deze drempel blijft anderzijds, verschillend worden behandeld. Terwijl die mentholsigaretten tot 20 mei 2020 in de handel kunnen worden gebracht, zouden de andere sigaretten met een aroma op 20 mei 2016 uit de markt moeten zijn genomen.

26.      Bijgevolg moet eerst worden nagegaan of tabaksproducten met een kenmerkend aroma die de in artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 bedoelde drempel van 3 % bereiken, en tabaksproducten die deze drempel niet bereiken, zich in een vergelijkbare situatie bevinden (2). Indien dit het geval is, moet vervolgens worden beoordeeld of dit verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is (3).

2.      Vergelijkbaarheid van situaties

27.      Volgens de rechtspraak van het Hof „[wordt] [d]e vergelijkbaarheid van verschillende situaties [...] beoordeeld met betrekking tot alle elementen die deze situaties kenmerken. Die elementen moeten met name worden bepaald en beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de handeling van de Unie die het betrokken onderscheid invoert. Bovendien moet rekening worden gehouden met de beginselen en doelstellingen van het gebied waaronder de betrokken handeling valt”.(18)

28.      De toepassing van deze „toets” op de onderhavige zaak werpt, gelet op de ingenomen standpunten(19), een voorafgaande vraag op: moet de vergelijkbaarheid van de betrokken situaties worden beoordeeld in het licht van de algemene doelstellingen van richtlijn 2014/40, of de specifieke doelen vanartikel 7, lid 14, van die richtlijn, dan wel deze twee tezamen?

29.      Gelet op de analyse in twee stappen die het Hof in zijn rechtspraak volgt – vergelijkbaarheid van situaties, objectieve rechtvaardiging – lijkt mij het navolgende logisch. Wat betreft de vergelijkbaarheid moet worden nagegaan of de betrokken situaties in beginsel vergelijkbaar zijn met het oog op de doelstellingen die het betrokken wetgevingsinstrument in het algemeen nastreeft. In voorkomend geval kan met betrekking tot de rechtvaardiging worden bepaald of ondanks deze principiële vergelijkbaarheid sprake is, wat een bijzondere bepaling van dit wetgevingsinstrument betreft, van specifieke overwegingen die verenigbaar zijn met het voorwerp en het doel van dit instrument en een verschil in behandeling kunnen rechtvaardigen.

30.      Kortom, voor een vergelijking van de situatie van tabaksproducten met een kenmerkend aroma die de drempel van 3 % van de verkoop in een bepaalde productcategorie overschrijden, en de situatie van tabaksproducten die hieronder blijven, moet mijns inziens worden aangeknoopt bij de algemene doelstellingen die met richtlijn 2014/40 worden nagestreefd. De specifieke doelen in artikel 7, lid 14, van deze richtlijn komen, volgens mij, in voorkomend geval aan de orde bij de beoordeling van de objectieve rechtvaardiging.

31.      Wat de doelstellingen van richtlijn 2014/40 betreft moet eraan worden herinnerd dat deze richtlijn ingevolge artikel 1 ervan een tweeledige, ja zelfs drieledige, doelstelling heeft. Zij bestaat erin de interne markt voor tabak en aanverwante producten beter te doen functioneren, waarbij wordt uitgegaan van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, met name voor jongeren, en te voldoen aan de verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit de kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik (FCTC).(20)

32.      Gelet op deze drieledige doelstelling is de Uniewetgever tot de slotsom gekomen dat alle tabaksproducten met een kenmerkend aroma in beginsel(21) onder dezelfde wettelijke regeling dienen te vallen. Hij was van mening dat al deze producten het beginnen met de consumptie van tabak kunnen vergemakkelijken of de consumptiepatronen kunnen beïnvloeden. Uit dien hoofde strekte de vaststelling van harmonisatiemaatregelen krachtens artikel 114 VWEU juist tot het vermijden van „[m]aatregelen die leiden tot een ongerechtvaardigde gedifferentieerde behandeling van verschillende soorten gearomatiseerde sigaretten”.(22) Deze maatregelen hadden tot doel om in algemene zin alle verschillen tussen nationale regelingen inzake het gebruik van ingrediënten die tabak een kenmerkend aroma geven, weg te nemen en te voorkomen.

33.      Overigens maakt de FCTC, die de Uniewetgever beoogde ten uitvoer te leggen, geen onderscheid tussen de tabaksproducten met een kenmerkend aroma. De gedeeltelijke richtsnoeren voor de uitvoering van de artikelen 9 en 10 van deze overeenkomst verlangen dat het gebruik van ingrediënten die met name voor de verbetering van de smaak in tabaksproducten worden gebruikt, wordt verboden, zonder enig onderscheid te maken tussen de verschillende aroma’s die aan tabaksproducten kunnen worden toegevoegd.(23)

34.      Het Hof heeft in zijn arresten van 4 mei 2016, Polen/Parlement en Raad en Philip Morris Brands e.a.(24) eenzelfde benadering gevolgd door te oordelen dat tabaksproducten met een kenmerkend aroma ten eerste objectieve soortgelijke kenmerken vertonen en ten tweede gelijksoortige effecten hebben op het beginnen met en blijven roken.

35.      De voorafgaande overwegingen brengen mij tot de slotsom dat alle gearomatiseerde tabaksproducten die onder de verboden van kenmerkende aroma’s van artikel 7, leden 1 en 7, van richtlijn 2014/40 vallen, zich voor de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling in vergelijkbare situaties bevinden, zonder dat het volume van de verkoop ervan in de Unie in dat opzicht van enig belang is.

3.      Bestaan van een objectieve rechtvaardiging

36.      Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een verschil in behandeling van vergelijkbare situaties gerechtvaardigd „indien het berust op een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen wanneer het verband houdt met een door de betrokken wetgeving nagestreefd wettelijk toelaatbaar doel, en dit verschil in verhouding staat tot het met de betrokken behandeling nagestreefde doel”.(25)

37.      Aangezien richtlijn 2014/40 een wetgevingshandeling van de Unie is, staat het aan de Uniewetgever om het bestaan van een dergelijk criterium aan te tonen door de hiertoe noodzakelijke elementen aan het Hof voor te leggen.(26)

38.      Het Hof erkent evenwel dat de Uniewetgever beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid op een gebied als het onderhavige, waarop van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarop hij ingewikkelde beoordelingen moet verrichten. Het Hof heeft niet de bedoeling om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de wetgever en beperkt zich tot een marginale rechterlijke toetsing, waarbij enkel wordt nagegaan of een maatregel kennelijk ongeschikt is om het door die wetgever nagestreefde doel te bereiken.(27) Wat meer in het bijzonder de toetsing van de naleving van het beginsel van gelijke behandeling betreft, worden willekeurige verschillen in behandeling, dat wil zeggen verschillen die kennelijk niet zijn gebaseerd op criteria die objectief en geschikt zijn ten opzichte van het nagestreefde doel, niet aanvaard.(28)

39.      In casu bevat overweging 16 van richtlijn 2014/40 een begin van een rechtvaardiging van het door artikel 7, lid 14, ervan in het leven geroepen verschil in behandeling. Deze overweging vermeldt dat producten met een kenmerkend aroma met een groter verkoopvolume over een langere termijn dienen te worden uitgefaseerd, „teneinde consumenten voldoende tijd te geven om naar andere producten over te stappen”.(29)

40.      Dienaangaande merken het Parlement, de Raad en de Commissie in hun opmerkingen op dat de wetgever rekening heeft willen houden met het feit dat bepaalde kenmerkende aroma’s bijzonder sterk zijn ingeburgerd bij consumenten, welke daarmee een belangrijke plaats in hun consumptiepatroon innemen. Dergelijke gewoonten zouden alleen geleidelijk kunnen verdwijnen.

41.      Bovendien heeft het Hof in zijn arresten Polen/Parlement en Raad en Philip Morris Brands e.a.(30) een andere aan de overgangsperiode van artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 ten grondslag liggende rechtvaardiging geformuleerd. In het kader van zijn analyse betreffende de geldigheid, in het licht van het evenredigheidsbeginsel, van het verbod van het in de handel brengen van tabaksproducten met een kenmerkend aroma, heeft het Hof geoordeeld dat deze overgangsperiode ook bedoeld is om de tabaksindustrie de tijd te geven zich aan te passen.(31)

42.      Deze twee rechtvaardigingen hebben dezelfde logica, namelijk het voorkomen van bepaalde economische en sociale gevolgen die kunnen voortvloeien uit een abrupt verbod van producten die in de Unie op grote schaal worden vervaardigd en geconsumeerd.

43.      Uit de totstandkomingsgeschiedenis van richtlijn 2014/40 blijkt ook dat, gedurende het wetgevingsproces, het idee was geopperd om tabaksproducten met een mentholaroma – die als sterk ingeburgerd bij de consument worden beschouwd – niet te verbieden. Het lijkt er namelijk op dat de overgangsperiode van artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 ten minste gedeeltelijk het resultaat is van een politiek compromis tussen enerzijds degenen die deze producten volledig wilden vrijstellen van het verbod op kenmerkende aroma’s en anderzijds degenen die dit verbod wel hierop wilden toepassen.(32)

44.      De verwijzende rechter betwijfelt of dergelijke motieven verenigbaar zijn met de door richtlijn 2014/40 nagestreefde doelstelling van bescherming van de menselijke gezondheid. Niettemin ben ik van mening dat de wetgever van de Unie op een gebied dat zo complex, gevoelig en economisch belangrijk is als de tabaksregelgeving, met een gefaseerd verbod op het in de handel brengen van tabaksproducten met een kenmerkend aroma de ruime beoordelingsmarge waarover hij beschikt, niet heeft overschreden.

45.      Dienaangaande is het veelzeggend dat de Uniewetgever de inwerkingtreding van het verbod op bepaalde tabaksproducten met een kenmerkend aroma slechts tijdelijk heeft uitgesteld. Naar mijn mening stond het de wetgever vrij om de doelstelling van bescherming van de menselijke gezondheid geleidelijk ten uitvoer te leggen, door te voorzien in beperkte vrijstellingen en passende overgangsperioden.(33)

46.      Het is trouwens vaste rechtspraak van het Hof dat de Uniewetgever, wanneer hij een complexe regeling moet herstructureren of opzetten, daarbij stapsgewijs te werk kan gaan, voor zover hij zijn keuze baseert op objectieve criteria, die in een passende verhouding staan tot de nagestreefde doelen.(34)

47.      Het feit dat eerst de „niche”‑producten uit de markt worden genomen en daarna de producten met een grotere populariteit bij de consumenten, waarbij in dit opzicht wordt uitgegaan van het verkoopvolume van een bepaalde productcategorie, vervult mijns inziens deze voorwaarden.

48.      Om te beginnen is een dergelijk criterium objectief wat de beoogde producten betreft. De overgangsperiode van artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 kan voor elk product gelden, ongeacht zijn kenmerken, mits het volume van zijn verkopen de voorgeschreven drempel bereikt. Zoals in herinnering is gebracht(35), hadden de door het Parlement voorgestelde amendementen die tot deze bepaling hebben geleid, weliswaar specifiek betrekking op menthol en producten met dit aroma, doch heeft de wetgever zijn huiswerk overgedaan en uiteindelijk voor een neutraal criterium gekozen.

49.      Bovendien is het criterium van het verkoopvolume neutraal ten opzichte van de fabrikanten. De wetgever is niet uitgegaan van hun respectieve marktaandelen, maar van de totale verkoop van elk product. De bewering van Planta Tabak dat tabaksproducten die de drempel van 3 % van artikel 7, lid 14, overschrijden voor het grootste deel door de weinige multinationale tabaksondernemingen worden verhandeld, terwijl de „niche”‑producten hoofdzakelijk door kleine en middelgrote ondernemingen zouden worden vervaardigd, valt op basis van het dossier waarover het Hof beschikt niet te verifiëren. Uit dit dossier volgt dat verzoekster in het hoofdgeding zelf gearomatiseerde sigaretten produceert en de Raad stelt, zonder te worden betwist, dat de multinationals ook „niche”‑producten op de markt brengen. Zelfs al zou deze bewering blijken te kloppen, is zij mijns inziens hoe dan ook niet doorslaggevend. Elk beleid heeft nadelige gevolgen voor sommige personen. Zoals vermeld in punt 38 van deze conclusie, is het voor de Unierechter belangrijk dat het onderscheid tussen begunstigden en benadeelden niet op een willekeurig criterium berust. In het onderhavige geval leidt de keuze van het criterium van de verkoophoeveelheid evenwel niet tot een dergelijke kritiek.

50.      Voorts is dit criterium immers passend ten opzichte van de verschillende genoemde doelstellingen, namelijk om aan de consument de tijd te geven zijn vaste gewoonten te veranderen en aan de industrie om zich aan te passen.(36) In dit verband weerspiegelt het verkoopvolume, dat uitdrukking is van vraag en aanbod, zowel de vaste consumptiepatronen als het economische belang van de productie in de Unie die geraakt wordt door het verbod van kenmerkende aroma’s.

51.      Zoals de Commissie opmerkt, heeft het criterium van het verkoopvolume in de Unie bovendien ook betekenis in het licht van de rechtsgrondslag waarop richtlijn 2014/40 is gebaseerd, namelijk artikel 114 VWEU, en van de met deze richtlijn nagestreefde harmonisatie. De impact van het verbod van bepaalde producten op de werking van de interne markt is immers tot op zekere hoogte afhankelijk van de omvang van het handelsverkeer tussen de lidstaten. Ook wat dit betreft geeft dit criterium dus een bepaalde indicatie van het handelsverkeer.

52.      Ik ben ook van mening dat de wetgever met zijn keuze voor een drempel van 3 % van het verkoopvolume in de gehele Unie van een bepaalde productcategorie de beoordelingsmarge die hij heeft, niet heeft overschreden. De wetgever kon redelijkerwijs aannemen dat een verkoopvolume van 3 % van een bepaalde productcategorie een weergave is van consumptiegewoonten en van een productie van niet geringe omvang.

53.      Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het door artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 in het leven geroepen verschil in behandeling tussen vergelijkbare tabaksproducten objectief gerechtvaardigd is. Daarom is deze bepaling mijns inziens geldig in het licht van het beginsel van gelijke behandeling.

B.      Uitlegging van artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 [derde vraag, onder a)]

54.      Met de inwerkingtreding op 20 mei 2016 van de verboden van artikel 7, leden 1 en 7, van richtlijn 2014/40 kan het merendeel van de tabaksproducten met een kenmerkend aroma niet langer worden verkocht in de Unie.

55.      Een aantal van deze producten kan evenwel na deze datum nog steeds wettig worden vervaardigd en verhandeld. Om te beginnen zijn – zoals vermeld in het kader van de eerste vraag, onder b)(37) – tabaksproducten met een kenmerkend aroma waarvan het verkoopvolume in de gehele Unie 3 % of meer van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt – dat wil zeggen in het bijzonder mentholsigaretten – pas vanaf 20 mei 2020 verboden. Voorts kunnen tabaksproducten anders dan sigaretten en shagtabak, zoals pijptabak, sigaren en cigarillo’s, nog steeds in de handel worden gebracht en zulks voor onbepaalde tijd.(38)

56.      Niettemin mag, ingevolge artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40, de etikettering van verpakkingseenheden en van elke buitenverpakking en het tabaksproduct zelf „geen enkel element of kenmerk” bevatten dat „verwijst naar een smaak, geur- of smaakstoffen of andere additieven, of het ontbreken daarvan”. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat de aldus verboden elementen en kenmerken onder andere „teksten, symbolen, namen, merken en al dan niet figuratieve tekens” omvatten.(39)

57.      Volgens Planta Tabak, die op dit punt door de verwijzende rechter wordt gevolgd, heeft dit een paradoxale situatie tot gevolg, waarin tabaksproducenten weliswaar bepaalde tabaksproducten met een kenmerkend aroma wettig in de handel kunnen brengen, maar op de etikettering van verpakkingseenheden en op elke buitenverpakking en het tabaksproduct zelf niet het hieraan toegevoegde aroma mogen vermelden.(40)

58.      Zonder een dergelijke vermelding zouden de consumenten evenwel niet kunnen bepalen welke tabaksproducten wel of, omgekeerd, niet gearomatiseerd zijn. Los van deze praktische overwegingen zou het verbod van artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 tot een economisch probleem leiden. Aangezien de aldus verboden elementen en kenmerken mede merken omvatten(41), zouden tabaksfabrikanten gedwongen worden om de merken die verwijzen naar een smaak, geur, aroma of ander additief, op te geven.

59.      In deze context verzoekt de verwijzende rechter het Hof om te preciseren of artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 alleen betrekking heeft op elementen of kenmerken met reclamedoeleinden die verder reiken dan enkel informatie over de aanwezigheid van een smaak, geur, aroma of ander additief in een bepaald tabaksproduct, dan wel of de vermelding zelf van dergelijke informatie verboden is.(42)

60.      Het Hof heeft in het arrest Philip Morris Brands e.a.(43) geoordeeld dat het verbod van ieder element of kenmerk op de etikettering van verpakkingseenheden, op de buitenverpakking en op het tabaksproduct zelf dat verwijst naar een smaak, geur- of smaakstoffen of andere additieven, vermeld in artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40, van toepassing is ongeacht de vraag of deze beweringen feitelijk juist zijn.

61.      Op dezelfde manier lijdt het naar mijn mening weinig twijfel dat deze bepaling zelfs neutrale en niet als reclame bedoelde verwijzingen verbiedt, omdat de bewoordingen van de bepaling zich niet lenen voor een andere uitlegging.

62.      Zoals de Commissie betoogt, wordt in de bewoordingen van artikel 13, lid 1, onder c), geen gewag gemaakt van enige beperking tot reclame-uitingen. Beoogd is elk („geen enkel”) element of kenmerk dat „verwijst” naar een smaak, geur- of smaakstoffen of andere additieven. Lid 3 van dit artikel (de aldus verboden elementen en kenmerken omvatten „maar zijn niet beperkt tot” teksten, symbolen, namen, merken en „al dan niet” figuratieve tekens) versterkt deze indruk van algemeenheid.

63.      Voorts heeft de Uniewetgever onder a), b) en e), van dit artikel 13, lid 1, weliswaar termen gebruikt die eventueel kunnen verwijzen naar het idee van een zekere vorm van reclame voor een bepaald product („aanprijst”; „aanmoedigt”; „de suggestie wekt”), doch het woord „verwijst”, dat wordt gebruikt onder c), weerspiegelt daarentegen enkel de vraag of, objectief gezien, informatie met betrekking tot een smaak, geur, aroma of een ander additief voorkomt op de verpakkingseenheden, de buitenverpakkingen en op de tabaksproducten zelf.(44)

64.      Verder wordt deze uitlegging gestaafd door de overwegingen 25 en 27 van richtlijn 2014/40. Hieruit volgt dienaangaande dat de Uniewetgever een verbod heeft beoogd van alle presentatie‑elementen van tabaksproducten die de consumenten, met name jongeren, kunnen misleiden wat de schadelijkheid van deze producten betreft. In dit kader heeft de wetgever overwogen dat gelet op het beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal bepaalde termen („laag teergehalte”, „light”, „ultra-light”, „mild”, „natuurlijk”, „biologisch”, „zonder additieven”, „zonder smaakstoffen” enz.) of bepaalde namen, afbeeldingen en tekens een dergelijke verkeerde indruk kunnen wekken.(45)

65.      De Uniewetgever heeft derhalve niet de bedoeling gehad zich te beperken tot het regelen van de elementen en kenmerken op de verpakkingen van tabaksproducten, door zich te richten op reclame-uitingen, met name die welke vals zijn of aan bepaalde ingrediënten een werking toeschrijven. Hij heeft elke vermelding van bepaalde informatie met een bewezen aansporende uitwerking op consumenten verboden, ook al is deze informatie waar en wordt zij op een neutrale en niet als reclame bedoelde wijze gepresenteerd.(46)

66.      De overwegingen 25 en 27 van richtlijn 2014/40 verwijzen weliswaar niet uitdrukkelijk naar de vermeldingen met betrekking tot de aanwezigheid van een smaak, van geur- of smaakstoffen of van andere additieven in een bepaald tabaksproduct; alleen de vermeldingen met betrekking tot de afwezigheid van dergelijke elementen worden genoemd, doch de logica van de wetgever is duidelijk: het louter vermelden van informatie op de etikettering van verpakkingseenheden en van elke buitenverpakking en het tabaksproduct zelf met betrekking tot de aanwezigheid van een smaak, van geur- of smaakstoffen of van andere additieven in een bepaald tabaksproduct kan, op zichzelf, de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid minimaliseren en hierdoor aanzetten tot consumptie en is, uit dien hoofde, verboden.(47)

67.      Het lijdt, mijns inziens, eveneens weinig twijfel dat wat betreft tabaksproducten met een kenmerkend aroma die na 20 mei 2016(48) nog steeds legaal kunnen worden vervaardigd en verhandeld, artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 elke vermelding van het aroma dat zij bevatten verbiedt op verpakkingseenheden, op buitenverpakkingen en op deze producten zelf.

68.      Er zij namelijk aan herinnerd dat volgens de definitie in deze richtlijn onder een „kenmerkend aroma” moet worden verstaan „een duidelijk waarneembare [...] geur of smaak [...] die het resultaat is van een additief of combinatie van additieven”.(49) Deze bepaling behelst dus een tweeledig verbod van de vermelding van een dergelijk kenmerkend aroma op de verpakking van de betrokken producten: om te beginnen als verwijzing naar een smaak of geur en, voorts, als verwijzing naar het additief of additieven waaruit die smaak of geur afkomstig is.

69.      Bovendien heeft de Uniewetgever in richtlijn 2014/40 niet voorzien in een afwijking van artikel 13, lid 1, onder c), met betrekking tot de producten die nog zijn toegestaan.(50) Dit is des te opmerkelijker omdat een dergelijke afwijking wel bestaat voor elektronische sigaretten en kruidenrookproducten.(51)

70.      De opneming in de werkingssfeer van artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 van nog in de handel toegestane tabaksproducten met een kenmerkend aroma komt dus voort uit een weloverwogen keuze van de wetgever. Het Hof kan in het kader van zijn uitleggingsbevoegdheid niet op de stoel van de wetgever gaan zitten door in deze richtlijn onderscheiden te introduceren die de wetgever niet heeft gemaakt.(52)

71.      Bijgevolg moet elke discussie over de noodzaak om op de verpakking van nog toegestane tabaksproducten met een kenmerkend aroma de hierin opgenomen aroma’s te vermelden, plaatsvinden in het kader van de derde prejudiciële vraag, onder b)(53), van de verwijzende rechter, betreffende de geldigheid van artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 in het licht van het in artikel 17 van het Handvest gewaarborgde eigendomsrecht. Aangezien deze vraag niet het onderwerp is van de onderhavige conclusie, zal ik mij, ten overvloede, beperken tot de volgende elementen.

72.      Ongeacht of men nu betoogt, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk in haar opmerkingen, dat de door de inschrijving van een merk toegekende rechten enkel negatief zijn – namelijk om te voorkomen dat derden hetzelfde kunnen doen – dan wel het standpunt inneemt dat een merk de houder ook het positieve gebruiksrecht verleent, ben ik van mening dat het gebruik van een merk hoe dan ook ondergeschikt is aan de naleving van de wet en met name van bepalingen met een dwingend doel als de bescherming van de menselijke gezondheid(54), zoals het geval is voor artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40.

73.      Het is juist dat Planta Tabak betwist dat deze bepaling gelet op dit doel noodzakelijk is. Aangezien bepaalde tabaksproducten zijn vrijgesteld van het in artikel 7, leden 1 en 7, van deze richtlijn vastgestelde verbod van het in de handel brengen, vereist dit doel, volgens haar, niet dat de aroma’s die deze producten bevatten, van de verpakkingen van deze producten verdwijnen.

74.      Evenwel pleit de bescherming van de gezondheid van de mens, met name van jongeren, ook voor het verdwijnen van elke vermelding van een kenmerkend aroma op de verpakking van nog toegestane tabaksproducten.

75.      Dienaangaande worden de onder de vrijstelling van artikel 7, lid 12, van richtlijn 2014/40 vallende producten, die hoofdzakelijk worden gebruikt door oudere consumenten en kleine delen van de bevolking(55), onverminderd nauwlettend gemonitord. In dit verband is het verbod van de presentatie-elementen die de consumptie van deze producten kunnen bevorderen, gerechtvaardigd om te voorkomen dat cigarillo’s met een vanille-aroma in de plaats komen van mentholsigaretten als toegangspoort voor jonge mensen naar het roken.(56) Wat betreft tabaksproducten waarvoor de in lid 14 van dat artikel bedoelde overgangsperiode geldt, moet, met het Parlement en de Franse regering, worden opgemerkt dat deze overgangsperiode niet bedoeld is om tabaksfabrikanten een extra termijn te bieden om nieuwe consumenten aan te trekken. De aantrekkelijkheid van deze producten moet onmiddellijk een halt worden toegeroepen, hetgeen met name inhoudt dat alle vermeldingen van een kenmerkend aroma op de verpakkingen moeten verdwijnen.

76.      De evenredigheid van artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 kan evenmin in twijfel worden getrokken in het licht van een vermeend vereiste van goede informatieverstrekking aan de consument. Op bepaalde gebieden, waaronder dat van de voedingsmiddelen, is het ongetwijfeld van groot belang om de consument te informeren over de ingrediënten van de producten die zij consumeren, zodat zij weten om welk voedingsmiddel het gaat, hiervan op gepaste wijze gebruik kunnen maken en voedingsmiddelen kunnen kiezen die beantwoorden aan hun eigen behoeften.(57)

77.      Tabaksproducten zijn echter geen gewone waren. De achterliggende gedachte is niet om consumenten gemakkelijker te laten kiezen tussen verschillende producten. Wat dit betreft komt het geven van passende informatie aan consumenten in wezen neer op het benadrukken van de bijzonder schadelijke gevolgen van tabak voor hun gezondheid. Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie in wezen betogen, wordt aan het doel om alle informatie te vermijden waardoor consumenten deze gevolgen zouden kunnen vergeten, meer gewicht gegeven dan aan de transparantie met betrekking tot de ingrediënten.

78.      Bovendien mogen de praktische gevolgen van het verbod van artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 niet worden overdreven. In het bijzonder kunnen tabaksfabrikanten producten met een kenmerkend aroma nog altijd onderscheiden van andere producten, mits zij geen van de elementen van artikel 13, lid 1, onder a) tot en met e), gebruiken.(58)

V.      Conclusie

79.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de eerste vraag, onder b), en de derde vraag, onder a), van het Verwaltungsgericht Berlin te beantwoorden als volgt:

„1)      Bij het onderzoek van de eerste prejudiciële vraag, onder b), is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van richtlijn 2001/37/EG.

2)      Artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten verplicht om te verbieden dat op de etikettering van verpakkingseenheden, op de buitenverpakking en op het tabaksproduct zelf elementen of kenmerken worden aangebracht die verwijzen naar een smaak, geur- of smaakstoffen of andere additieven, en zulks ook wanneer het niet om reclame-uitingen gaat en het gebruik van de ingrediënten nog is toegestaan.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      PB 2014, L 127, blz. 1.


3      Arrest C‑358/14, EU:C:2016:323.


4      Arrest C‑547/14, EU:C:2016:325.


5      Aangezien de onderhavige conclusie zich richt op bepaalde specifieke aspecten van de onderhavige zaak, wordt hier, om de in punt 4 daarvan uiteengezette reden, enkel ingegaan op de relevante vragen. Alle prejudiciële vragen kunnen worden geraadpleegd op internet en in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2017, C 239, blz. 25).


6      Hierna: „Handvest”.


7      Overeenkomstig de definitie van dit begrip in artikel 2, punt 25, van richtlijn 2014/40 gaat het om „een duidelijk waarneembare andere geur of smaak dan die van tabak en die het resultaat is van een additief of combinatie van additieven, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, fruit, specerijen, kruiden, alcohol, snoepgoed, menthol of vanille, die kan worden waargenomen voor of bij de consumptie van het tabaksproduct”.


8      De Uniewetgever heeft in artikel 7, lid 12, van richtlijn 2014/40 voorzien in een vrijstelling voor andere tabaksproducten – zoals pijptabak, sigaren en cigarillo’s – die wordt gehandhaafd zolang er zich geen aanzienlijke verandering voordoet in het volume van de verkoop aan of het consumptiepatroon van jongeren.


9      Arrest van 4 mei 2016, Polen/Parlement en Raad (C‑358/14, EU:C:2016:323, punten 44 en 54).


10      Overeenkomstig artikel 29, lid 1, van richtlijn 2014/40.


11      Het begrip „productcategorie” is niet gedefinieerd in richtlijn 2014/40. De betekenis ervan kan evenwel worden afgeleid uit artikel 2, punt 14, onder a), van deze richtlijn dat verwijst naar de „categorieën” die worden gevormd door sigaretten, shagtabak, pijptabak, waterpijptabak, sigaren, cigarillo’s, pruimtabak, snuiftabak of tabak voor oraal gebruik. Aangezien artikel 7, lid 12, van deze richtlijn vooralsnog het verbod van kenmerkende aroma’s beperkt tot sigaretten en shagtabak, kunnen enkel deze twee productcategorieën onder artikel 7, lid 14, van deze richtlijn vallen.


12      Voorts bevat artikel 30 van richtlijn 2014/40 een regeling voor het opgebruiken van bestaande voorraden aangezien de lidstaten tot 20 mei 2017 de verhandeling kunnen toestaan van tabaksproducten die vóór de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn zijn geproduceerd of in het vrije verkeer zijn gebracht.


13      Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de overgangsperiode geldt voor mentholsigaretten (zie in die zin arrest van 4 mei 2016, Polen/Parlement en Raad, C‑358/14, EU:C:2016:323, punt 100). Het is dienaangaande uitgegaan van de overeenstemmende beweringen van de partijen in de zaak die aan dit arrest ten grondslag lag (zie conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Polen/Parlement en Raad, C‑358/14, EU:C:2015:848, voetnoot 10).


14      Anders dan verzoekster in het hoofdgeding is de Raad van mening dat de overgangsperiode van artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 geldt voor shagtabak met een mentholaroma, alsmede voor mentholsigaretten. Het is evenwel niet nodig om in de onderhavige conclusie op deze vraag in te gaan.


15      Arrest van 4 mei 2016 (C‑358/14, EU:C:2016:323, punten 78‑104).


16      Arrest van 4 mei 2016 (C‑547/14, EU:C:2016:325, punten 168‑191).


17      Zie met name arresten van 14 december 2004, Arnold André (C‑434/02, EU:C:2004:800, punt 68); 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a. (C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 23), en 4 mei 2016, Pillbox 38 (C‑477/14, EU:C:2016:324, punt 35).


18      Arrest van 12 mei 2011, Luxemburg/Parlement en Raad (C‑176/09, EU:C:2011:290, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


19      Volgens Planta Tabak bevinden de verschillende tabaksproducten die kunnen vallen onder artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40, zich in vergelijkbare situaties ten aanzien van het door deze richtlijn nagestreefde doel van bescherming van de menselijke gezondheid. Het Parlement, de Raad en de Commissie zijn daarentegen van mening dat deze verschillende producten zich niet in vergelijkbare situaties bevinden, gelet op de doelstellingen van deze bepaling, waaronder die om de consument meer tijd te geven (zie punten 39 e.v. van deze conclusie).


20      Ondertekend te Genève op 21 mei 2003.


21      Tenzij anders vermeld in artikel 7, lid 12, van richtlijn 2014/40.


22      Overweging 16 van richtlijn 2014/40.


23      Afdeling 3.1.2.2 van deze richtsnoeren. Document beschikbaar op de volgende website: http://www.who.int/fctc/treaty_instruments/guidelines_articles_9_10_2017_french.pdf (laatstelijk geraadpleegd op 25 juni 2018).


24      Arresten van 4 mei 2016 (C‑358/14, EU:C:2016:323, punten 48‑54) en (C‑547/14, EU:C:2016:325, punt 114).


25      Arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a. (C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


26      Zie in die zin arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a. (C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


27      Zie met name arresten van 14 maart 1973, Westzucker (57/72, EU:C:1973:30, punt 14); 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco (C‑491/01, EU:C:2002:741, punt 123), en 17 december 2015, Neptune Distribution (C‑157/14, EU:C:2015:823, punt 76). Zie ook in die zin mijn conclusie in de zaak Swedish Match (C‑151/17, EU:C:2018:241, punt 41).


28      Zie in die zin arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a. (C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


29      Cursivering van mij.


30      Arresten van 4 mei 2016 (C‑358/14, EU:C:2016:323, punten 99, 100 en 102) en (C‑547/14, EU:C:2016:325, punten 187, 188 en 190).


31      Ik merk terzijde op dat naar mijn mening deze twee arresten niet aldus moeten worden begrepen dat de Uniewetgever systematisch moet voorzien in een overgangsperiode wanneer hij de vervaardiging en het in de handel brengen van bepaalde producten verbiedt. Een dergelijke periode maakt het weliswaar mogelijk om de economische en sociale gevolgen van dit verbod te verzachten en draagt zo bij tot de evenredigheid ervan, maar dit is geen conditio sine qua non, aangezien een verbod zonder overgangsperiode zeer wel rechtvaardig en noodzakelijk kan zijn met het oog op dwingende overwegingen zoals de bescherming van de gezondheid van de mens.


32      Er zij aan herinnerd dat geen enkele met artikel 7, lid 14, gelijkluidende bepaling te vinden was in het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten [COM (2012) 788 final]. Het verschijnen van deze bepaling gaat terug op de eerste lezing van dit voorstel door het Parlement. Hierin waren verschillende amendementen strekkende tot volledige uitsluiting van tabaksproducten met een mentholaroma van het verbod van kenmerkende aroma’s bij de parlementaire commissies ingediend. Zo had de commissie interne markt en consumentenbescherming voorgesteld om de lidstaten de mogelijkheid te bieden toestemming te verlenen aan „bepaalde traditionele tabaksaroma’s die niet bij andere tabaksmaakstoffen kunnen worden ingedeeld. Menthol wordt beschouwd als een traditioneel tabaksaroma.” Voorstellen in die zin waren ook gedaan door de commissie internationale handel en de commissie landbouw en plattelandsontwikkeling [zie het verslag van de commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de commissie internationale handel, de commissie industrie, onderzoek en energie, de commissie interne markt en consumentenbescherming, de commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en van de commissie juridische zaken (A7‑0276/2013)]. Onder de amendementen die op 8 oktober 2013 door het Parlement zijn aangenomen [P7_TA (2013) 398] bevond zich ook de toevoeging van een bepaling volgens welke het verbod op kenmerkende aroma’s niet van toepassing diende te zijn op „[h]etgebruik van menthol in al zijn op de datum van publicatie van deze richtlijn bekende commerciële vormen [...] gedurende een periode van 5 jaar [...]”. Tot slot heeft deze instelling in haar op 26 februari 2014 in eerste lezing ingenomen standpunt [EP-PE_TC1-COD (2012) 366], de toevoeging van de laatste volzin van overweging 16 en artikel 7, lid 14, in hun huidige bewoordingen voorgesteld. Deze bepalingen zijn overeind gebleven aan het einde van de wetgevingsprocedure.


33      Zie naar analogie arrest van 1 maart 2011, Association belge des Consommateurs Test‑Achats e.a. (C‑236/09, EU:C:2011:100, punten 21‑23).


34      Zie met name in die zin arresten van 29 februari 1984, Rewe‑Zentrale (37/83, EU:C:1984:89, punt 20); 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a. (C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 63); 17 oktober 2013, Schaible (C‑101/12, EU:C:2013:661, punt 91), en 4 mei 2016, Philip Morris Brands e.a. (C‑547/14, EU:C:2016:325, punten 63 en 134).


35      Zie voetnoot 32 van deze conclusie.


36      Ook andere overwegingen kunnen rechtvaardigen dat gevestigde en „niche”‑producten verschillend worden behandeld. In het onderhavige geval betoogt de Commissie dat het zonder een overgangsperiode uit de markt nemen van gearomatiseerde tabaksproducten die op grote schaal worden geconsumeerd, als neveneffect zou kunnen hebben dat de illegale handel in die producten toeneemt. Een dergelijk risico zou daarentegen beperkt zijn bij gearomatiseerde tabaksproducten die in de Unie enkel beperkt aftrek vinden. De mogelijkheden om te profiteren van de illegale handel in deze laatste producten zouden te verwaarlozen zijn, gezien de geringe vraag ernaar. Ik merk echter op dat het Hof een soortgelijk argument heeft afgewezen in zijn arrest van 4 mei 2016, Polen/Parlement en Raad (C 358/14, EU:C:2016:323, punt 88).


37      Zie met name punt 21 van deze conclusie.


38      Zie artikel 7, lid 12, van richtlijn 2014/40. Ook kan worden verwezen naar tabaksproducten die onder de regeling voor het opgebruiken van bestaande voorraden vallen als bedoeld in artikel 30 van deze richtlijn (zie voetnoot 12 van deze conclusie). Gezien hun marginale karakter zullen deze producten in deze conclusie niet worden besproken.


39      Cursivering van mij.


40      Planta Tabak verkoopt haar producten onder namen en merken die logischerwijs verwijzen naar het aroma dat ze bevatten, zoals „Rum and Maple” en „PL 88 Menthol” voor shagtabak, „Danish Black Vanilla Mixture” en „McLintock Wild Cherry” voor pijptabak, evenals „Unitas Excellent Lemon Mint” en „Black Vanilla” voor sigaretten. Sommige van deze producten zijn nog steeds toegestaan na 20 mei 2016, met name pijptabak.


41      Overeenkomstig artikel 13, lid 3, van richtlijn 2014/40.


42      Advocaat-generaal Kokott spreekt zich in haar conclusie in de zaken Polen/Parlement en Raad (C‑358/14, EU:C:2015:848, punt 28) en Philip Morris Brands e.a. (C‑547/14, EU:C:2015:853, punt 224) uit ten gunste van een strikte uitlegging van artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40. Volgens haar laat deze bepaling toe dat op de verpakking in neutrale, niet de vorm van reclame aannemende wijze aroma’s worden vermeld, voor zover het gebruik ervan bij wijze van uitzondering nog is toegestaan en zulks opdat de consument weet om welke producten het gaat.


43      Arrest van 4 mei 2016 (C‑547/14, EU:C:2016:325, punt 141).


44      In de andere taalversies van richtlijn 2014/40 behelzen de begrippen die zijn gebruikt in artikel 13, lid 1, onder c), ervan, eveneens een verbod van alleen al vermeldingen (zie onder andere „henviser” in het Deens; „beziehen” in het Duits; „refers to” in het Engels; „haga referencia” in het Spaans; „richiami” in het Italiaans; „hänvisar” in het Zweeds).


45      Zie in die zin ook arrest van 4 mei 2016, Philip Morris Brands e.a. (C‑547/14, EU:C:2016:325, punt 142).


46      Wat dit betreft is de vermelding van de emissieniveaus voor teer, nicotine en koolmonoxide een sprekend voorbeeld. Onder het stelsel van richtlijn 2001/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (PB 2001, L 194, blz. 26), het wetgevingsinstrument dat voorafging aan richtlijn 2014/40, moesten deze niveaus worden vermeld op een van de zijvlakken van de sigarettenpakjes. In het licht van nieuw wetenschappelijk bewijsmateriaal heeft de Uniewetgever evenwel overwogen dat vaststond dat de enkele vermelding van deze niveaus op zichzelf misleidend kan zijn, daar dit consumenten in de overtuiging brengt dat sommige sigaretten minder schadelijk zijn dan andere (zie overweging 25 van laatstgenoemde richtlijn).


47      De verwijzende rechter betwijfelt of de vermelding van ingrediënten die rechtmatig in een bepaald product zijn verwerkt, in een niet als reclame bedoelde vorm, een dergelijke aanmoedigende werking heeft. Niettemin staat het niet aan het Hof om in het kader van de uitlegging van artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 de analyse van de wetgever op dit punt ter discussie te stellen.


48      Waaronder, zoals gezegd, mentholsigaretten (tot 2020), alsmede pijptabak, waterpijptabak, sigaren en gearomatiseerde cigarillo’s.


49      Artikel 2, punt 25, van richtlijn 2014/40, waarvan de inhoud is weergegeven in voetnoot 7 van deze conclusie (cursivering van mij).


50      Specifieke voorschriften betreffende de etikettering van andere rooktabaksprodukten dan sigaretten, shagtabak en waterpijptabak – dat wil zeggen een aantal van de producten dat nog kenmerkende aroma’s mag hebben – zijn opgenomen in artikel 11 van richtlijn 2014/40. Dit artikel voorziet echter alleen in de mogelijkheid om die andere tabaksproducten vrij te stellen van de verplichting om de in artikel 9, lid 2, van die richtlijn bedoelde informatieboodschap en de gecombineerde gezondheidswaarschuwingen als bedoeld in artikel 10 daarvan weer te geven.


51      Overeenkomstig artikel 20, lid 4, onder b), van richtlijn 2014/40 moeten verpakkingseenheden en elke buitenverpakking van elektronische sigaretten en navulverpakkingen i een lijst van alle ingrediënten van het product bevatten, en ii onverminderd deze verplichting geen elementen of kenmerken bevatten als bedoeld in artikel 13, met uitzondering van artikel 13, lid 1, onder a) en c), betreffende informatie inzake het nicotinegehalte en de geur- of smaakstoffen. Artikel 21, lid 4, van deze richtlijn bevat overeenkomstige bepalingen met betrekking tot voor roken bestemde kruidenproducten.


52      Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Mischo in de zaak Cipriani (C‑395/00, EU:C:2002:209, punten 62 en 63), waarbij hij teruggrijpt op het aan het Romeins recht ontleende adagium „ubi lex non distinguit, nec nos distinguere debemus (waar de wet geen onderscheid maakt, zouden wij geen onderscheid moeten maken)”.


53      Deze vraag weerspiegelt het betoog van Planta Tabak dat artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 inbreuk maakt op haar fundamentele recht van eigendom. Volgens verzoekster in het hoofdgeding verbiedt deze bepaling de houders van de betrokken merken het genot van hun eigendom door redelijk of relevant gebruik ervan te maken. Dit verbod zou door zijn economische gevolgen neerkomen op formele onteigening.


54      Gesteld dat het Hof van oordeel is dat een merk aan de houder ervan een dergelijk positief recht verleent en dat artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 een beperking van dat recht inhoudt, moet deze bepaling naar mijn mening worden beschouwd als een regeling van het gebruik van de betrokken merken (artikel 17, lid 1, derde volzin, van het Handvest) en niet als een ontneming ervan (artikel 17, lid 1, tweede volzin, van het Handvest), aangezien deze bepaling geen afbreuk doet aan de geldigheid ervan en niet uitsluit dat zij elders worden gebruikt dan op de verpakking van tabaksproducten. Bovendien heeft artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 geen gevolgen voor de kern van het merkenrecht. Deze bepaling beperkt zich namelijk ertoe de opname van hierin opgesomde elementen in die merken te verbieden. Fabrikanten kunnen hun producten blijven individualiseren middels andere tekens. De oorspronkelijke functie van de merken wordt dus in acht genomen [zie in die zin arrest van 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco (C‑491/01, EU:C:2002:741, punten 152 en 153)].


55      Zie overwegingen 19 en 26 van richtlijn 2014/40.


56      Dienaangaande blijkt uit artikel 7, lid 12, gelezen in het licht van overweging 19 van richtlijn 2014/40, dat de vrijstelling van het verbod op het in de handel brengen van deze specifieke producten slechts zal worden gehandhaafd zolang er zich geen aanzienlijke verandering voordoet in het volume van de verkoop aan of het consumptiepatroon van jongeren.


57      Zie bijvoorbeeld overwegingen 3, 4 en 17 alsmede artikel 3, lid 1, van verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, richtlijn 90/496/EEG van de Raad, richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (PB 2011, L 304, blz. 18).


58      De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft aldus verwezen naar de mogelijkheid om de kleur van tabaksproductverpakkingen aan te passen, bijvoorbeeld door de kleur groen op menthol-tabaksproducten te gebruiken. Overigens is het lezen van de vermeldingen op de verpakking van tabaksproducten niet de enige manier waarop consumenten op de hoogte kunnen komen van de inhoud van deze producten. Zij kunnen ook bij de winkeliers navragen welke producten gearomatiseerd zijn. Bovendien heeft het Hof dit type argumenten, dat is gebaseerd op de noodzaak om de consumenten duidelijk en nauwkeurig te informeren, reeds afgewezen (zie in die zin arrest van 4 mei 2016, Philip Morris Brands e.a., C‑547/14, EU:C:2016:325, punt 160).