Language of document : ECLI:EU:C:2018:539

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

5 juli 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Voorschriften betreffende textielvezelbenamingen en de desbetreffende etikettering en merking – Verordening (EU) nr. 1007/2011 – Artikelen 7 en 9 – Zuivere textielproducten – Meervezelige textielproducten – Etiketterings- en merkingsvoorschriften”

In zaak C‑339/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Köln (rechter in eerste aanleg Keulen, Duitsland) bij beslissing van 18 mei 2017, ingekomen bij het Hof op 7 juni 2017, in de procedure

Verein für lauteren Wettbewerb eV

tegen

Princesport GmbH,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, E. Levits, A. Borg Barthet, M. Berger (rapporteur) en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Verein für lauteren Wettbewerb eV, vertegenwoordigd door I. Siegfried, Rechtsanwältin,

–        Princesport GmbH, vertegenwoordigd door M. Liesen, Rechtsanwalt,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en S. Eisenberg als gemachtigden,

–         de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en A. Kasalická als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Petersen en D. Kukovec als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, en artikel 9, lid 1, van verordening (EU) nr. 1007/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011 betreffende textielvezelbenamingen en de desbetreffende etikettering en merking van de vezelsamenstelling van textielproducten, en houdende intrekking van richtlijn 73/44/EEG van de Raad en richtlijnen 96/73/EG en 2008/121/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 272, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Verein für lauteren Wettbewerb eV, een vereniging ter bestrijding van oneerlijke mededinging, en Princesport GmbH over de etiketterings- en merkingsvoorschriften bij reclame voor en verkoop van textielproducten op internet door Princesport.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        In overweging 10 van verordening nr. 1007/2011 staat te lezen:

„Om alle consumenten in de Unie van dezelfde, juiste informatie te voorzien, moet het verplicht zijn de vezelsamenstelling op het etiket of het merk te vermelden. Deze verordening dient de ondernemingen echter niet te beletten om daarnaast aan te duiden dat het textielproduct kleine hoeveelheden vezels bevat die, wil het zijn oorspronkelijke kwaliteit behouden, bijzondere aandacht behoeven. Indien de vezelsamenstelling van een textielproduct uit technisch oogpunt moeilijk te specificeren is op het tijdstip van de fabricage, moet het mogelijk zijn op het etiket of het merk alleen de vezels te vermelden die op dat tijdstip bekend zijn, mits zij een bepaald percentage van het eindproduct uitmaken.”

4        Artikel 1 van die verordening bepaalt:

„Deze verordening regelt het gebruik van textielvezelbenamingen en de desbetreffende etikettering en merking van de vezelsamenstelling van textielproducten, [...] teneinde de werking van de interne markt te verbeteren en de consumenten te voorzien van nauwkeurige informatie.”

5        Artikel 4 van die verordening, met als opschrift „Algemeen voorschrift voor het op de markt aanbieden van textielproducten”, luidt:

„Alleen textielproducten die in overeenstemming met deze verordening geëtiketteerd of gemerkt zijn of van handelsdocumenten vergezeld gaan, mogen op de markt worden aangeboden.”

6        Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 bepaalt:

„Voor het omschrijven van de vezelsamenstellingen op etiketten en merkingen van textielproducten mogen uitsluitend de in bijlage I vermelde textielvezelbenamingen worden gebruikt.”

7        Artikel 7 van die verordening, met als opschrift „Zuivere textielproducten”, luidt:

„1.      Alleen textielproducten die uit één vezelsoort zijn samengesteld, mogen als ‚100 %’, ‚zuiver’ of ‚puur’ worden geëtiketteerd of gemerkt.

Deze of soortgelijke begrippen mogen niet voor andere textielproducten worden gebruikt.

2.      Onverminderd artikel 8, lid 3, kan een textielproduct dat niet meer dan 2 gewichtsprocent vreemde vezels bevat, worden behandeld alsof het uit één vezelsoort is samengesteld, mits deze hoeveelheid gerechtvaardigd wordt als technisch onvermijdelijk in het kader van goede fabricagemethodes en niet het resultaat is van routinematige toevoeging.

Een textielproduct dat een kaardbewerking heeft ondergaan, kan worden behandeld alsof het uit één vezelsoort is samengesteld als het niet meer dan 5 gewichtsprocent vreemde vezels bevat, mits deze hoeveelheid gerechtvaardigd wordt als technisch onvermijdelijk in het kader van goede fabricagemethodes en niet het resultaat is van routinematige toevoeging.”

8        Artikel 9, leden 1 en 5, van die verordening, met als opschrift „Meervezelige textielproducten”, bepaalt:

„1.      Op het etiket of merk van een textielproduct worden de naam en het gewichtspercentage van alle samenstellende vezels vermeld in afnemende volgorde.

[...]

5.      In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen vezels die nog niet zijn opgenomen in de lijst van bijlage I, worden aangeduid met de term ‚andere vezels’, onmiddellijk voorafgegaan of gevolgd door hun totale gewichtspercentage.”

9        Artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 bepaalt:

„Wanneer textielproducten op de markt worden aangeboden, zijn zij voorzien van een etiket of merk dat de vezelsamenstelling ervan aanduidt.

De etikettering of merking van textielproducten is duurzaam, goed leesbaar, zichtbaar en toegankelijk, alsook, in het geval van een etiket, stevig bevestigd.”

10      Artikel 16 van die verordening bepaalt:

„1.      Wanneer een textielproduct op de markt wordt aangeboden, wordt de in de artikelen 5, 7, 8 en 9 bedoelde omschrijving van de vezelsamenstelling van het textielproduct, in catalogussen en prospectussen, alsmede op de verpakking, het etiket en het merk aangeduid op een gemakkelijk leesbare, zichtbare en duidelijke wijze, en in een uniforme typografie qua grootte, opmaak en lettertype. Deze informatie is voor de consument duidelijk zichtbaar vóór de aankoop, ook als de aankoop langs elektronische weg plaatsvindt.

2.      Handelsmerken of -namen mogen onmiddellijk voor of na de in de artikelen 5, 7, 8 en 9 bedoelde omschrijving van de textielvezelsamenstelling worden vermeld.

[...]

Andere informatie wordt altijd afzonderlijk weergegeven.

3.      De etikettering of merking geschiedt in de officiële taal of talen van de lidstaat waar de textielproducten aan de consument worden aangeboden, tenzij deze lidstaat anders voorschrijft.

[...]”

 Duits recht

11      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de Verein für lauteren Wettbewerb schending aanvoert van een aantal bepalingen van het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (wet op de oneerlijke mededinging; hierna: „UWG”), zowel in de tot 10 december 2015 geldende versie (hierna: „oude versie”) als in de sinds die datum geldende versie (hierna: „nieuwe versie”).

12      § 4, punt 11, UWG (oude versie) bepaalde:

„Maakt zich in het bijzonder schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk, eenieder die

[...]

11. handelt in strijd met een wettelijk voorschrift dat mede is vastgesteld om in het belang van de marktdeelnemers het marktgedrag te reguleren”.

13      Die § 4, punt 11, UWG is vervangen door § 3a UWG (nieuwe versie). Deze laatste bepaling luidt:

„Eenieder die handelt in strijd met een wettelijk voorschrift dat mede is vastgesteld om in het belang van de marktdeelnemers het marktgedrag te reguleren, maakt zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk voor zover de inbreuk de belangen van consumenten, andere marktdeelnemers of concurrenten wezenlijk kan aantasten.”

14      § 8 UWG bepaalt:

„(1)      Tegen eenieder die zich schuldig maakt aan een krachtens § 3 of § 7 ontoelaatbare handelspraktijk, kan een vordering tot beëindiging worden ingesteld en, in geval van gevaar van recidive, een verbodsvordering. Het verbod kan reeds worden gevorderd bij gevaar dat de in § 3 of § 7 bedoelde ontoelaatbare handelspraktijk zich zal voordoen.

[...]

(3)      De in lid 1 bedoelde vorderingen kunnen worden ingesteld door:

[...]

2.      verenigingen met rechtspersoonlijkheid ter bevordering van de beroepsbelangen van het bedrijfsleven en van zelfstandigen, voor zover daarbij een aanzienlijk aantal bedrijven is aangesloten dat dezelfde of aanverwante goederen of diensten op dezelfde markt verkoopt c.q. aanbiedt, indien zij in het bijzonder op grond van hun persoonlijke, zakelijke en financiële omstandigheden in staat zijn hun statutaire plicht tot het bevorderen van de beroepsbelangen van het bedrijfsleven en van zelfstandigen daadwerkelijk te betrachten en voor zover de belangen van hun leden door de overtreding worden geraakt;

3.      bevoegde instanties die aantonen dat zij zijn vermeld in de lijst van de bevoegde instanties als bedoeld in § 4 van het Unterlassungsklagengesetz [wet inzake de stakingsvordering] of in de lijst van de Europese Commissie als bedoeld in artikel 4, lid 3, van richtlijn 2009/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen (PB 2009, L 110, blz. 30);

[...]”

15      In de verwijzingsbeslissing benadrukt het Landgericht Köln (rechter in eerste aanleg Keulen, Duitsland) dat uit de rechtspraak van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) volgt dat de bepalingen van verordening nr. 1007/2011 inzake de etikettering van textielproducten strekken tot bescherming van de consument en derhalve regelingen inzake marktgedrag in de zin van § 3a UWG (nieuwe versie) en § 4, punt 11, UWG (oude versie) vormen.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16      Van mening dat Princesport de etiketterings- en merkingsvoorschriften bij reclame voor en verkoop van haar uit één vezelsoort samengestelde textielproducten op internet niet naleeft en derhalve een aantal bepalingen van het UWG alsook artikel 5, lid 1, artikel 9, lid 1, en artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 schendt, heeft de Verein für lauteren Wettbewerb beroep ingesteld tegen die vennootschap.

17      Op 5 juli 2016 is tegen Princesport een verstekvonnis gewezen. Tegen dit vonnis heeft Princesport hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. In dit verband betoogt Princesport in wezen dat artikel 7 van verordening nr. 1007/2011 niet voorziet in de verplichting om zuivere textielproducten aan te duiden met de vermeldingen „zuiver” of „puur”, maar slechts duidelijk maakt dat alleen die producten met die vermeldingen mogen worden aangeduid.

18      De Verein für lauteren Wettbewerb is daarentegen van mening dat het absoluut noodzakelijk is dat zuivere textielproducten als zodanig worden aangeduid. Daarom kan alleen worden gekozen tussen de drie in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 genoemde omschrijvingen, namelijk de vermeldingen „100 %”, „zuiver” of „puur”. Daarenboven geldt de in artikel 9 van verordening nr. 1007/2011 vastgestelde verplichting om het gewichtspercentage van de in een product gebruikte textielvezels te vermelden ook voor producten die uit één vezelsoort zijn samengesteld. Bovendien mag de vermelding „zuiver” niet naast de vermelding „100 %”, maar alleen in plaats daarvan worden gebruikt.

19      Het Landgericht Köln heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet artikel 7, lid 1, van [verordening nr. 1007/2011] aldus worden uitgelegd dat het verplicht is duidelijk te maken dat het een zuiver textielproduct betreft dat uit één enkele vezelsoort is samengesteld?

2)      Is het gebruik van een van de drie in artikel 7 van [verordening nr. 1007/2011] genoemde vermeldingen ‚100 %’, ‚zuiver’ of ‚puur’ verplicht, of gaat het slechts om een keuze voor dergelijke producten, maar niet om een verplichting?

3)      Geldt de verplichting uit hoofde van artikel 9, lid 1, van [verordening nr. 1007/2011] om op het etiket of merk van een textielproduct de naam en het gewichtspercentage van alle samenstellende vezels te vermelden, ook voor zuivere textielproducten, zoals die welke onder artikel 7 van [verordening nr. 1007/2011] vallen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Opmerkingen vooraf

20      Opgemerkt zij dat een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin de textielproducten in kwestie via een onlinecatalogus worden verkocht, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1007/2011 valt.

21      Artikel 16, lid 1, van die verordening vermeldt namelijk uitdrukkelijk dat, wanneer een textielproduct op de markt wordt aangeboden, de in de artikelen 5, 7, 8 en 9 van die verordening bedoelde omschrijving van de vezelsamenstelling van het textielproduct, met name in catalogussen, wordt aangeduid op een gemakkelijk leesbare, zichtbare en duidelijke wijze. Bovendien moet deze informatie volgens die bepaling voor de consument duidelijk zichtbaar zijn vóór de aankoop, ook als de aankoop langs elektronische weg plaatsvindt.

22      Bijgevolg zijn de etiketterings- en merkingsvoorschriften, zoals vastgelegd in met name de artikelen 7 en 9 van verordening nr. 1007/2011, van toepassing bij reclame voor en verkoop van textielproducten op internet.

 Eerste vraag

23      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 aldus moet worden uitgelegd dat het voorziet in de verplichting om op het etiket of het merk van een textielproduct zoals de in het hoofdgeding verkochte textielproducten te vermelden dat het een zuiver textielproduct betreft dat uit één vezelsoort is samengesteld.

24      Die vraag heeft betrekking op het bestaan van een algemene verplichting tot etikettering of merking van zuivere textielproducten met als doel de vezelsamenstelling ervan aan te geven.

25      In dit verband moet worden vastgesteld dat de tekst van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1007/2011, waarin wordt bepaald dat „[a]lleen textielproducten die uit één vezelsoort zijn samengesteld, [...] als ‚100 %’, ‚zuiver’ of ‚puur’ [mogen] worden geëtiketteerd of gemerkt”, niet voorziet in een dergelijke algemene verplichting en derhalve geen antwoord geeft op de eerste vraag. Die bepaling preciseert namelijk wat kenmerkend is voor een zuiver textielproduct, te weten dat het uit één vezelsoort is samengesteld, en voorts bevat zij de voorschriften voor merking en etikettering van een dergelijk product.

26      Niettemin moet worden onderzocht of verordening nr. 1007/2011 voorziet in een algemene verplichting tot etikettering of merking van zuivere textielproducten met als doel de vezelsamenstelling ervan aan te geven.

27      Het feit dat de verwijzende rechter zijn eerste vraag formeel heeft beperkt tot de uitlegging van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1007/2011, belet het Hof immers niet om hem alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak, ongeacht of deze rechter in die vraag van die gegevens melding heeft gemaakt (zie in die zin arresten van 16 juni 2016, Lesar, C‑159/15, EU:C:2016:451, punt 22, en 18 januari 2017, Wortmann, C‑365/15, EU:C:2017:19, punt 33).

28      In de eerste plaats moet worden benadrukt dat een algemene verplichting tot etikettering of merking van textielproducten, met inbegrip van zuivere textielproducten, met als doel de vezelsamenstelling ervan aan te geven, ondubbelzinnig voortvloeit uit artikel 4 en artikel 14, lid 1, juncto overweging 10 van verordening nr. 1007/2011.

29      Allereerst bepaalt artikel 4 van die verordening namelijk dat alleen textielproducten die in overeenstemming met die verordening geëtiketteerd of gemerkt zijn of van handelsdocumenten vergezeld gaan, op de markt mogen worden aangeboden.

30      Vervolgens bepaalt artikel 14, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1007/2011 uitdrukkelijk dat „[w]anneer textielproducten op de markt worden aangeboden, [...] zij voorzien [zijn] van een etiket of merk dat de vezelsamenstelling ervan aanduidt”.

31      Ten slotte wordt in overweging 10 van die verordening benadrukt dat „het verplicht [moet] zijn” de vezelsamenstelling op het etiket of het merk te vermelden.

32      In de tweede plaats kan door de verplichting om op het etiket of het merk de vezelsoort te vermelden waarvan het textielproduct in kwestie is gemaakt, worden gewaarborgd dat aan de consument correcte en nauwkeurige informatie ter beschikking wordt gesteld. Alle consumenten in de Europese Unie dergelijke informatie verstrekken is volgens artikel 1 juncto overweging 10 van verordening nr. 1007/2011 een van de doelstellingen van die verordening.

33      Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 4 en artikel 14, lid 1, eerste alinea, juncto overweging 10 van verordening nr. 1007/2011 aldus moeten worden uitgelegd dat zij voorzien in een algemene verplichting tot etikettering of merking met als doel de vezelsamenstelling aan te geven van alle textielproducten, met inbegrip van textielproducten zoals gedefinieerd in artikel 7 van die verordening.

 Tweede vraag

34      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 aldus moet worden uitgelegd dat het voorziet in de verplichting om op het etiket of het merk van een zuiver textielproduct gebruik te maken van een van de drie in die bepaling genoemde vermeldingen, namelijk „100 %”, „zuiver” of „puur”.

35      In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 bepaalt dat „[a]lleen textielproducten die uit één vezelsoort zijn samengesteld, [...] als ‚100 %’, ‚zuiver’ of ‚puur’ [mogen] worden geëtiketteerd of gemerkt”. Derhalve „mogen” alleen zuivere textielproducten, die uit één vezelsoort zijn samengesteld, voorzien zijn van een merk of een etiket met een van de drie in die bepaling genoemde vermeldingen.

36      Uit het gebruik van het woord „mogen” in die bepaling blijkt ondubbelzinnig dat het gebruik van de vermeldingen „100 %”, „zuiver” of „puur” niet verplicht is, maar slechts facultatief is. Derhalve biedt die bepaling de mogelijkheid om op het etiket of het merk van het zuivere textielproduct in kwestie de naam te vermelden van de textielvezel waaruit dat product is samengesteld, zonder een van die drie vermeldingen aan te brengen.

37      Voorts volgt uit een lezing a contrario van artikel 7, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1007/2011 dat voor zuivere textielproducten „soortgelijke” vermeldingen als die genoemd in lid 1, eerste alinea, van dat artikel mogen worden gebruikt. Derhalve zijn de begrippen „100 %”, „zuiver” en „puur” slechts voorbeelden van vermeldingen die op het etiket of het merk kunnen worden aangebracht om duidelijk te maken dat het textielproduct in kwestie uit één vezelsoort is samengesteld.

38      Bovendien strookt een dergelijke uitlegging van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 met de doelstelling van die verordening, zoals vermeld in punt 32 van het onderhavige arrest. Een etiket of een merk waarop de naam van één enkele textielvezel wordt vermeld, stelt de consument namelijk in staat te beschikken over correcte en nauwkeurige informatie over de vezelsamenstelling van het textielproduct in kwestie.

39      Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat de verwijzende rechter in het kader van de tweede vraag ook wenst te vernemen of artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de mogelijkheid om de drie in die bepaling genoemde vermeldingen gecombineerd te gebruiken.

40      In dit verband moet worden opgemerkt dat de tekst zelf van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 zich niet verzet tegen een gecombineerd gebruik van die vermeldingen. Voorts strookt die uitlegging van die bepaling ook met de doelstelling van die verordening, zoals vermeld in punt 32 van het onderhavige arrest.

41      In ieder geval moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om de drie in de voornoemde bepaling genoemde vermeldingen gecombineerd aan te brengen op het etiket of het merk van het zuivere textielproduct in kwestie, beperkt blijft, aangezien die vermeldingen – die worden gebruikt om duidelijk te maken dat dit textielproduct uit één vezelsoort is samengesteld – synoniemen zijn, zodat elk dubbel gebruik waarschijnlijk nutteloos is.

42      Voorts blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier niet dat een praktijk zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een oneerlijke of misleidende handelspraktijk vormt die verboden is uit hoofde van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22).

43      Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 aldus moet worden uitgelegd dat het niet voorziet in de verplichting om op het etiket of het merk van een zuiver textielproduct gebruik te maken van een van de drie in die bepaling genoemde vermeldingen, namelijk „100 %”, „zuiver” of „puur”. Indien wordt gebruikgemaakt van deze vermeldingen, kunnen zij gecombineerd worden gebruikt.

 Derde vraag

44      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 aldus moet worden uitgelegd dat de verplichting om op het etiket of het merk de naam en het gewichtspercentage te vermelden van alle vezels waaruit het textielproduct in kwestie is samengesteld, ook geldt voor een zuiver textielproduct.

45      In dit verband moet worden vastgesteld dat artikel 9 van verordening nr. 1007/2011 van toepassing is op „[m]eervezelige textielproducten”, terwijl artikel 7 van die verordening ziet op „[z]uivere textielproducten”. Derhalve is de werkingssfeer van elk van deze artikelen beperkt tot een specifieke categorie textielproducten. Bijgevolg kunnen zuivere textielproducten niet binnen de werkingssfeer van artikel 9 van die verordening vallen, zodat de in lid 1 van dat artikel vastgestelde voorschriften niet voor dergelijke producten kunnen gelden.

46      Bovendien is een zuiver textielproduct per definitie uit één vezelsoort samengesteld, zodat de verplichting om het gewichtspercentage van „alle samenstellende vezels [...] in afnemende volgorde” te vermelden, niet voor een dergelijk product kan gelden.

47      Voorts moet worden benadrukt dat, indien de verplichting om het gewichtspercentage te vermelden van alle vezels waaruit het textielproduct is samengesteld, zoals neergelegd in artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1007/2011, voor zuivere textielproducten zou gelden, artikel 7, lid 1, van die verordening – dat, zoals volgt uit punt 43 van het onderhavige arrest, aldus moet worden uitgelegd dat het gebruik van de vermeldingen „100 %”, „zuiver” of „puur” slechts facultatief is – geen doel meer zou dienen.

48      Daarenboven moet worden opgemerkt dat de beperking van de werkingssfeer van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 de doelstelling van consumentenbescherming die, volgens artikel 1 juncto overweging 10 ervan, met die verordening wordt nagestreefd, niet ondermijnt.

49      Uit punt 33 van het onderhavige arrest volgt namelijk dat het in ieder geval verplicht blijft om op het etiket of het merk de vezelsoort te vermelden waaruit het zuivere textielproduct in kwestie is samengesteld.

50      Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 aldus moet worden uitgelegd dat de verplichting om op het etiket of het merk de naam en het gewichtspercentage te vermelden van alle vezels waaruit het textielproduct in kwestie is samengesteld, niet geldt voor een zuiver textielproduct.

 Kosten

51      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 4 en artikel 14, lid 1, eerste alinea, juncto overweging 10 van verordening (EU) nr. 1007/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011 betreffende textielvezelbenamingen en de desbetreffende etikettering en merking van de vezelsamenstelling van textielproducten, en houdende intrekking van richtlijn 73/44/EEG van de Raad en richtlijnen 96/73/EG en 2008/121/EG van het Europees Parlement en de Raad moeten aldus worden uitgelegd dat zij voorzien in een algemene verplichting tot etikettering of merking met als doel de vezelsamenstelling aan te geven van alle textielproducten, met inbegrip van textielproducten zoals gedefinieerd in artikel 7 van die verordening.

2)      Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 moet aldus worden uitgelegd dat het niet voorziet in de verplichting om op het etiket of het merk van een zuiver textielproduct gebruik te maken van een van de drie in die bepaling genoemde vermeldingen, namelijk „100 %”, „zuiver” of „puur”. Indien wordt gebruikgemaakt van deze vermeldingen, kunnen zij gecombineerd worden gebruikt.

3)      Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1007/2011 moet aldus worden uitgelegd dat de verplichting om op het etiket of het merk de naam en het gewichtspercentage te vermelden van alle vezels waaruit het textielproduct in kwestie is samengesteld, niet geldt voor een zuiver textielproduct.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.