Language of document : ECLI:EU:C:2018:534

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

5 juli 2018 (*)

„Hogere voorziening – Gemeenschapsmodel – Aanvraag voor gemeenschapsmodellen die bekers afbeelden – Verordening (EG) nr. 6/2002 – Artikel 36, lid 1, onder c) – Grafische voorstelling – Artikelen 45 en 46 – Toekenning van een datum van indiening – Voorwaarden – Verordening (EG) nr. 2245/2002 – Artikel 4, lid 1, onder e), en artikel 10, leden 1 en 2”

In zaak C‑217/17 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld per fax op 21 april 2017, waarvan het origineel werd neergelegd op 25 april 2017,

Mast-Jägermeister SE, gevestigd te Wolfenbüttel (Duitsland), vertegenwoordigd door C. Drzymalla, Rechtsanwalt,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door S. Hanne als gemachtigde,

verweerder in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: C. Vajda, kamerpresident, E. Juhász en C. Lycourgos (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 februari 2018,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 februari 2018,

het navolgende

Arrest

1        Met haar hogere voorziening verzoekt Mast-Jägermeister SE om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 9 februari 2017, Mast-Jägermeister/EUIPO (Bekers) (T‑16/16, EU:T:2017:68; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht heeft verworpen haar beroep tot vernietiging van de beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 17 november 2015 (zaak R 1842/2015‑3) betreffende aanvragen tot inschrijving van bekers als gemeenschapsmodellen (hierna: „litigieuze beslissing”).

 Toepasselijke bepalingen

 Internationaal recht

2        Het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom is ondertekend te Parijs op 20 maart 1883, is laatstelijk herzien te Stockholm op 14 juli 1967 en is gewijzigd op 28 september 1979 (Recueil des traités des Nations Unies, deel 828, nr. 11851, blz. 305; hierna: „Verdrag van Parijs”). Artikel 4, punt A, van dit verdrag, dat het voorrangsrecht regelt dat voortvloeit uit een aanvraag tot inschrijving van een intellectueel eigendomsrecht, bepaalt:

„1)      Hij, die op regelmatige wijze een aanvraag om octrooi van uitvinding, een gebruiksmodel, een tekening of model van nijverheid of een fabrieks- of handelsmerk in een van de landen der Unie heeft gedeponeerd, of zijn rechtverkrijgende, zal, voor het verrichten van het depot in de andere landen, gedurende de hierna te bepalen termijnen, een recht van voorrang genieten.

2)      Ieder depot, dat de waarde heeft van een regelmatig nationaal depot overeenkomstig de nationale wetgeving van elk land der Unie dan wel tweezijdige of meerzijdige verdragen, gesloten tussen verschillende landen der Unie, wordt erkend het recht van voorrang te doen ontstaan.

3)      Onder regelmatig nationaal depot moet worden verstaan ieder depot, dat toereikend is om de datum, waarop de aanvraag in het desbetreffende land is gedeponeerd, vast te stellen, onverschillig wat het verdere lot van die aanvraag is.”

 Unierecht

 Verordening (EG) nr. 6/2002

3        Artikel 36 van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1), met als opschrift „Voorschriften waaraan de aanvrage moet voldoen”, bepaalt:

„1.      De aanvrage om een ingeschreven gemeenschapsmodel moet bevatten:

a)      een verzoek tot inschrijving;

b)      gegevens op grond waarvan de aanvrager geïdentificeerd kan worden;

c)      een voor reproductie geschikte afbeelding van het model. Indien de aanvrage echter een tekening betreft en een verzoek om opschorting van de publicatie uit hoofde van artikel 50 inhoudt, kan de afbeelding van de tekening vervangen worden door een specimen.

2.      De aanvrage moet verder een opgave bevatten van de voortbrengselen waarin het model zal worden verwerkt of waarop het zal worden toegepast.

[...]

5.      De aanvrage voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld bij de uitvoeringsverordening.

[...]”

4        Artikel 38, lid 1, van deze verordening definieert de datum van indiening van de aanvraag tot inschrijving van een gemeenschapsmodel op de volgende manier:

„De datum van indiening van de aanvrage om een ingeschreven gemeenschapsmodel is die waarop de aanvrager de stukken met de in artikel 36, lid 1, bedoelde gegevens voorlegt aan het [EUIPO] [...]”.

5        Artikel 41 van de voormelde verordening, met het opschrift „Recht van voorrang”, bepaalt:

„1.      Wie op regelmatige wijze een aanvrage om een modelrecht of om een gebruiksmodel heeft ingediend in of voor een staat die partij is bij het Verdrag van Parijs of bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie [(WTO), ondertekend te Marrakesh op 15 april 1994], of zijn rechtverkrijgende, geniet voor de indiening van een aanvrage om een ingeschreven gemeenschapsmodel voor hetzelfde model of gebruiksmodel, voorrang gedurende zes maanden na de indiening van de eerste aanvrage.

2.      Elke aanvrage die de waarde heeft van een regelmatige nationale aanvrage overeenkomstig het recht van de staat waar de aanvrage is ingediend dan wel overeenkomstig bilaterale of multilaterale overeenkomsten, wordt geacht een recht van voorrang te doen ontstaan.

3.      Onder regelmatige nationale aanvrage wordt verstaan, een aanvrage waarvan de datum van indiening kan worden vastgesteld, ongeacht het verdere lot van die aanvrage.

[...]”

6        Titel V van verordening nr. 6/2002, met als opschrift „Inschrijvingsprocedure”, bestaat uit de artikelen 45 tot en met 50.

7        Artikel 45 van verordening nr. 6/2002, met als opschrift „Onderzoek of de aanvrage aan de vormvereisten voldoet”, luidt:

„1.      Het [EUIPO] onderzoekt of de aanvrage voldoet aan de vereisten van artikel 36, lid 1, voor de toekenning van een datum van indiening.

2.      Het [EUIPO] onderzoekt of:

a)      de aanvrage voldoet aan de andere vereisten van artikel 36, leden 2, 3, 4 en 5, en, in het geval van een meervoudige aanvrage, aan de vereisten van artikel 37, leden 1 en 2;

b)      de aanvrage voldoet aan de vormvereisten die in de uitvoeringsverordening voor de uitvoering van de artikelen 36 en 37 zijn vastgelegd;

c)      aan de vereisten van artikel 77, lid 2, is voldaan;

d)      aan de vereisten betreffende de aanspraak op voorrang is voldaan, indien op voorrang aanspraak wordt gemaakt.

3.      De voorwaarden voor het onderzoek naar de vormvereisten voor indiening, worden bij de uitvoeringsverordening vastgelegd.”

8        Artikel 46 van deze verordening dat als opschrift „Herstelbare gebreken” heeft, bepaalt:

„1.      Wanneer het [EUIPO] bij zijn onderzoek overeenkomstig artikel 45 vaststelt dat er gebreken zijn die kunnen worden hersteld, verzoekt het de aanvrager om deze binnen de voorgeschreven termijn op te heffen.

2.      Indien de gebreken verband houden met de vereisten van artikel 36, lid 1, en de aanvrager binnen de voorgeschreven termijn gehoor geeft aan het verzoek van het [EUIPO], kent het [EUIPO] als datum van indiening de datum toe waarop de gebreken zijn opgeheven. Indien de gebreken niet binnen de vastgestelde termijn worden opgeheven, wordt de aanvrage niet als aanvrage om een ingeschreven gemeenschapsmodel behandeld.

3.      Indien de gebreken verband houden met de vereisten van artikel 45, lid 2, onder a) tot en met c), met inbegrip van de betaling van taksen, en de aanvrager binnen de voorgeschreven termijn aan het verzoek van het [EUIPO] voldoet, kent het [EUIPO] als datum van indiening de datum toe waarop de aanvrage oorspronkelijk werd ingediend. Indien de vastgestelde gebreken niet worden opgeheven en de achterstallige betalingen niet binnen de voorgeschreven termijn worden verricht, wordt de aanvrage door het [EUIPO] afgewezen.

4.      Indien de gebreken verband houden met de vereisten van artikel 45, lid 2, onder d), heeft het verzuim om de gebreken binnen de voorgeschreven termijn op te heffen tot gevolg dat het recht van voorrang voor de aanvrage vervalt.”

9        Artikel 47 van de voormelde verordening, met als opschrift „Gronden voor niet-inschrijving”, luidt:

„1.      Indien het [EUIPO] bij zijn onderzoek overeenkomstig artikel 45 bemerkt dat het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd

a)      niet overeenstemt met de omschrijving van artikel 3, onder a), of

b)      strijdig is met de openbare orde of de goede zeden,

wijst het de aanvrage af.

2.      De aanvrage kan pas worden afgewezen, nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn aanvrage in te trekken of te wijzigen of zijn opmerkingen kenbaar te maken.”

 Verordening (EG) nr. 2245/2002

10      Artikel 4 van verordening (EG) nr. 2245/2002 van de Commissie van 21 oktober 2002 tot uitvoering van verordening nr. 6/2002 (PB 2002, L 341, blz. 28), met als opschrift „Afbeelding van het model”, bepaalt in lid 1 ervan:

„De afbeelding van het model bestaat uit een grafische of fotografische weergave van het model in zwart-wit of in kleur. De afbeelding voldoet aan de volgende eisen:

[...]

e)      het model wordt op een neutrale achtergrond weergegeven en wordt niet met inkt of correctievloeistof geretoucheerd. De kwaliteit van de afbeelding moet het mogelijk maken alle details van datgene waarvoor bescherming wordt gevraagd duidelijk te onderscheiden en de afbeelding te verkleinen of te vergroten tot een formaat van maximaal 8 bij 16 cm per perspectief teneinde het in het in artikel 72 van verordening (EG) nr. 6/2002 bedoelde Register van gemeenschapsmodellen [...] te kunnen opnemen [...]”.

11      Artikel 10 van deze verordening, met als opschrift „Onderzoek van de voorwaarden voor het toekennen van een datum van indiening en van andere formele voorwaarden”, bepaalt in de leden 1 en 2 ervan:

„1.      Het [EUIPO] deelt de aanvrager mee dat geen datum van indiening kan worden toegekend indien de aanvrage niet aan de voorwaarden voor het toekennen van een datum van indiening voldoet, omdat een of meer van de volgende gegevens ontbreken:

a)      een verzoek om inschrijving van het model als een ingeschreven gemeenschapsmodel;

b)      gegevens ter identificatie van de aanvrager;

c)      een afbeelding van het model overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder d) en e), of, indien van toepassing, een specimen.

2.      Indien de in lid 1 genoemde ontbrekende gegevens binnen twee maanden na ontvangst van de mededeling worden verstrekt, geldt als datum van indiening de datum waarop alle ontbrekende gegevens zijn verstrekt.

Indien de ontbrekende gegevens niet binnen die termijn worden verstrekt, wordt de aanvrage niet als een aanvrage van een gemeenschapsmodel behandeld. Reeds betaalde taksen worden terugbetaald.”

12      Artikel 12 van deze verordening, met als opschrift „Intrekking of correctie van de aanvrage”, bepaalt in lid 2 ervan:

„Op verzoek van de aanvrager mogen alleen de naam en het adres van de aanvrager, foute formuleringen of kopieerfouten of kennelijke vergissingen worden gecorrigeerd, voor zover dergelijke correcties geen invloed hebben op de afbeelding van het model.”

 Voorgeschiedenis van het geding

13      Op 17 april 2015 heeft rekwirante, Mast-Jägermeister, bij het EUIPO aanvragen tot inschrijving van twee gemeenschapsmodellen ingediend krachtens verordening nr. 6/2002.

14      De voortbrengselen waarvoor inschrijving is aangevraagd, zijn „bekers” van klasse 07.01 in de zin van de Overeenkomst van Locarno van 8 oktober 1968 tot instelling van een internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid, zoals gewijzigd.

15      Met een eerste onderzoeksrapport, opgesteld op 17 april 2015, heeft de onderzoeker rekwirante medegedeeld dat voor de twee modellen de opgave van het voortbrengsel, namelijk „bekers”, waarvoor om bescherming werd verzocht, niet overeenstemde met de ingediende afbeeldingen, op grond dat deze ook flessen bevatten. Hij heeft rekwirante bijgevolg voorgesteld om aan de twee modellen de opgave „Flessen” van klasse 09.01 in de zin van de Overeenkomst van Locarno toe te voegen. De onderzoeker heeft daaraan toegevoegd dat aangezien de voortbrengselen „Bekers” en „Flessen” tot verschillende klassen behoorden, de meervoudige aanvraag moest worden opgesplitst. Hij heeft aangegeven dat de aanvraag zou worden afgewezen indien zij niet binnen de gestelde termijn werd geregulariseerd.

16      Bij brief van 21 april 2015 heeft rekwirante geantwoord dat voor de in de afbeeldingen weergegeven flessen niet om bescherming werd verzocht, zodat zij voorstelde de opgave van de voortbrengselen als volgt te verduidelijken: „Drinkbekers als recipiënten voor een fles die daarvan deel uitmaakt”. Zij heeft daaraan toegevoegd dat klasse 07.01 van de Overeenkomst van Locarno voor deze opgave ook geschikt leek.

17      Met een tweede onderzoeksrapport van 25 juni 2015 heeft de onderzoeker geantwoord dat het ten gevolge van de brief van 21 april 2015 en het telefonisch onderhoud dat hij met rekwirante had gehad, duidelijk was dat deze niet om bescherming verzocht voor de flessen. Volgens de onderzoeker waren deze flessen nochtans duidelijk zichtbaar op de afbeeldingen en bleek uit een nieuw onderzoek dat de inschrijvingsaanvragen geen afbeeldingen bevatten die in overeenstemming waren met de bepalingen van artikel 4, lid 1, onder e), van verordening nr. 2245/2002. Hij heeft dus vastgesteld dat de kenmerken waarvoor om bescherming werd verzocht, vanwege de aanwezigheid van de flessen niet duidelijk zichtbaar waren. Hij heeft daaraan toegevoegd dat dit kon worden opgeheven door nieuwe perspectieven over te leggen waarin de aangevraagde kenmerken door stippellijnen of door randen in kleur worden afgebakend. Hij heeft aangegeven dat aan de aanvragen geen datum van indiening kon worden toegekend zolang de gebreken niet waren opgeheven. Hij heeft afgesloten met de vermelding dat, indien de gebreken binnen de gestelde termijn waren opgeheven, de datum waarop de nieuwe perspectieven waren ingediend als datum van indiening zou worden aanvaard, maar dat, bij gebreke daarvan, de inschrijvingsaanvragen zouden worden geacht niet te zijn ingediend.

18      Bij brief van 14 juli 2015 heeft rekwirante geantwoord dat was voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een datum van indiening, aangezien de ingediende afbeeldingen de modellen op een neutrale achtergrond toonden. Zij heeft gepreciseerd dat artikel 4, lid 1, onder e), van verordening nr. 2245/2002 betrekking had op de kwaliteit van de afbeeldingen en niet op de inhoud ervan. Zij heeft derhalve geen nieuwe perspectieven ingediend.

19      Met een derde onderzoeksrapport van 16 juli 2015 heeft de onderzoeker aangegeven dat hij bleef bij zijn onderzoeksrapport van 25 juni 2015, omdat de afbeeldingen een beker en een fles toonden.

20      Bij brief van 21 augustus 2015 heeft rekwirante, onder verwijzing naar een telefoongesprek dat zij met de onderzoeker had gehad, geantwoord dat zij niet begreep waarom de datum van indiening kon worden behouden wanneer een opgave van voortbrengsel werd toegevoegd of een meervoudige aanvraag werd opgesplitst, maar niet voor de aanvankelijk ingediende perspectieven. Rekwirante heeft verzocht om vaststelling van een voor beroep vatbare beslissing indien de onderzoeksbeslissing niet zou worden ingetrokken.

21      Met een vierde onderzoeksrapport van 24 augustus 2015 heeft de onderzoeker rekwirante medegedeeld dat de gebreken van de aanvragen konden worden opgeheven door nieuwe perspectieven in te dienen of door de opgave „Flessen” toe te voegen, en de meervoudige aanvraag op te splitsen.

22      Bij brief van 28 augustus 2015 heeft rekwirante verzocht om vaststelling van een voor beroep vatbare beslissing.

23      Bij beslissing van 31 augustus 2015 heeft de onderzoeker vastgesteld dat rekwirante de voormelde gebreken niet had opgeheven omdat zij het niet eens was met het onderzoeksrapport. Hij heeft overeenkomstig artikel 46, lid 2, van verordening nr. 6/2002 en artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2245/2002 geoordeeld dat de twee betrokken modelaanvragen niet konden worden beschouwd als aanvragen voor gemeenschapsmodellen, zodat geen datum van indiening kon worden toegekend. Bovendien heeft hij de terugbetaling van de reeds betaalde taks gelast.

24      Op 15 september 2015 heeft rekwirante krachtens de artikelen 55 tot en met 60 van verordening nr. 6/2002 bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de onderzoeker.

25      De derde kamer van beroep van het EUIPO heeft in punt 15 van de litigieuze beslissing bevestigd dat op basis van de afbeeldingen van de betrokken twee modellen niet kon worden vastgesteld of om bescherming werd verzocht voor de beker, voor de fles of voor een combinatie van beide. Zij heeft in punt 16 van de litigieuze beslissing aangegeven dat de overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 met de aanvraag in te dienen afbeelding diende ter identificatie van het model waarvan om bescherming werd verzocht, en overeenkomstig artikel 38, lid 1, van deze verordening een voorwaarde was voor toekenning van een datum van indiening. De datum van indiening bepaalt de anciënniteit van het ingeschreven model en de nieuwheid en het eigen karakter worden bepaald aan de hand van de vóór de datum van indiening openbaar gemaakte oudere modellen. De kamer van beroep heeft daaraan toegevoegd dat de afbeelding overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder e), van verordening nr. 2245/2002 het mogelijk moest maken alle details van datgene waarvoor bescherming werd gevraagd duidelijk te identificeren.

26      De kamer van beroep heeft daaraan in de punten 17 en 18 van de litigieuze beslissing toegevoegd dat de stelling dat het voorwerp van bescherming van de ingediende aanvragen duidelijk uit de afbeeldingen bleek, werd tegengesproken door de uiteenzetting van rekwirante zelf en dat haar voorstel om de betrokken voortbrengselen aan te duiden niet geschikt was om de gebreken in verband met de afbeelding van de modellen op te heffen, daar het niet kon worden gebruikt om de omvang van de bescherming te bepalen.

 Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

27      Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 januari 2016 heeft Mast-Jägermeister beroep tot vernietiging van de litigieuze beslissing ingesteld.

28      Ter ondersteuning van haar beroep heeft zij twee middelen aangevoerd. Het eerste middel betrof schending van de artikelen 45 en 46 van verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 36 van deze verordening, en het tweede betrof schending van de rechten van de verdediging.

29      Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de twee middelen afgewezen en het beroep derhalve in zijn geheel verworpen. Meer bepaald heeft het Gerecht een uitlegging van artikel 36, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 gegeven volgens welke de toepassing van die bepaling, zoals het EUIPO aanvoerde, zich uitstrekt tot onnauwkeurigheden of het ontbreken van zekerheid of duidelijkheid met betrekking tot het voorwerp van bescherming van het model waarvoor om inschrijving wordt verzocht.

 Conclusies van partijen

30      Met haar hogere voorziening verzoekt Mast-Jägermeister het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen, en

–        ingeval de hogere voorziening gegrond wordt verklaard, de in eerste aanleg ingestelde eerste en derde vordering toe te wijzen.

31      Het EUIPO verzoekt het Hof:

–        de hogere voorziening af te wijzen, en

–        rekwirante te verwijzen in de kosten.

 Hogere voorziening

32      Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante één middel aan: schending van de artikelen 45 en 46 van verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met de artikelen 36 en 38 van deze verordening.

 Argumenten van partijen

33      Volgens Mast-Jägermeister volgt uit de betekenis en de doelstelling van de artikelen 36 en 38 van verordening nr. 6/2002, artikel 4, lid 1, onder e), en artikel 10, lid 1, onder c), en lid 2, van verordening nr. 2245/2002 dat de toekenning van een datum van indiening slechts mag afhangen van een onderzoek van de afbeelding van het model vanuit de invalshoek van haar fysieke geschiktheid voor reproductie.

34      Om te beginnen beroept Mast-Jägermeister zich op de bewoordingen van artikel 36, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 en op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en van de Raad betreffende gemeenschapsmodellen (PB 1994, C 29, blz. 20) om te betogen dat deze bepaling enkel ziet op de fysieke geschiktheid van de afbeelding van een model voor reproductie, om te kunnen worden gepubliceerd in het Register van gemeenschapsmodellen.

35      Mast-Jägermeister voert aan dat de vraag of de afbeeldingen van de modellen waarvoor om inschrijving werd verzocht het niet mogelijk maken te bepalen of in casu bescherming wordt gevraagd voor de beker, de fles of een combinatie van beide, betrekking heeft op de beoordeling van de beschermingsomvang van een ingeschreven model in het kader van een eventuele inbreukprocedure en dus niet in de weg staat aan toekenning van een datum van indiening. Dienaangaande blijkt niet uit 4, lid 1, onder e), van verordening nr. 2245/2002 dat de afbeelding van het betrokken model niet de minste twijfel mag laten bestaan over datgene waarvoor om bescherming wordt verzocht.

36      Vervolgens benadrukt Mast-Jägermeister het belang van de datum van indiening van een gemeenschapsmodelaanvraag, die onder meer als rechtsgevolg heeft dat hij de termijn van voorrang doet ingaan tijdens welke de aanvrager de mogelijkheid heeft om in het buitenland latere aanvragen in te dienen voor zijn model en daartoe de voorrang zijn gemeenschapsmodelaanvraag kan inroepen. Dienaangaande verwijst Mast-Jägermeister naar artikel 4 van het Verdrag van Parijs, dat het voorrangsrecht in het kader van dit verdrag betreft. Wegens het belang van het voorrangsrecht moet de datum van indiening van de inschrijvingsaanvraag binnen de kortst mogelijke termijn worden vastgesteld, zodat de ontwerper zijn model voor het publiek toegankelijk kan maken zonder dat zijn eigen openbaarmaking van dit model de later in het buitenland ingediende aanvragen ongeldig maakt.

37      Rekwirante levert dus kritiek op de punten 35 en 36 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat uit de opzet van verordening nr. 6/2002 blijkt dat het EUIPO tijdens de onderzoeksprocedure van modellen moet vaststellen of de inschrijvingsaanvraag betrekking heeft op een model en niet strijdig is met de openbare orde of de goede zeden, en vervolgens moet nagaan of die inschrijvingsaanvraag voldoet aan de dwingende vereisten van artikel 36, lid 1, van verordening nr. 6/2002. Volgens rekwirante volgt niets dergelijks uit de opzet van verordening nr. 6/2002 en is die uitlegging strijdig met de wil om snel rechtszekerheid te verkrijgen voor de aanvrager.

38      Volgens Mast-Jägermeister is het onderzoek van de vraag of de aanvraag een datum van indiening kan worden toegekend, het meest dringende en eenvoudige onderzoek. Er moet immers slechts worden nagegaan of is voldaan aan de drie in artikel 36, lid 1, van verordening nr. 6/2002 vastgestelde voorwaarden. Dienaangaande is het onmogelijk dat de wetgever van de Europese Unie daadwerkelijk heeft verlangd dat in elk geval onmiddellijk wordt nagegaan of de aanvraag een model betreft en, in voorkomend geval, of dat model strijdig is met de openbare orde of de goede zeden, terwijl dit een moeilijk te beantwoorden vraag betreft die een diepgaand onderzoek verdient.

39      Zij meent dat de in artikel 36, lid 1, van verordening nr. 6/2002 vastgestelde voorwaarden voor toekenning van een datum van indiening moeten worden onderscheiden van de vormvoorwaarden die van toepassing zijn op de reproductie om het model te kunnen inschrijven. Dienaangaande kunnen de beoordelingen van de kamer van beroep van het EUIPO en van het Gerecht in elk geval in aanmerking worden genomen om te bepalen of een model kan worden ingeschreven, maar niet in het stadium van toekenning van een datum van indiening.

40      Wat verder het oordeel van de kamer van beroep en het Gerecht betreft dat de afbeelding het mogelijk moet maken alle details van datgene waarvoor bescherming wordt gevraagd duidelijk en nauwkeurig te onderscheiden, meent Mast-Jägermeister dat, indien artikel 4, lid 1, onder e), van verordening nr. 2245/2002 in die zin zou moeten worden uitgelegd dat deze bepaling aan het EUIPO een controlebevoegdheid ten gronde verleent in verband met de afbeelding van het model, het EUIPO en niet de aanvrager het voorwerp van de inschrijvingsaanvraag zou bepalen. Evenwel bepaalt de aanvrager door de aard van de afbeelding het voorwerp van zijn aanvraag tot inschrijving van een gemeenschapsmodel. De kenmerken die niet identificeerbaar zijn op een afbeelding worden niet beschermd.

41      Weliswaar kan elk met het onderzoek van een inschrijvingsaanvraag belast bureau de inschrijving van een model weigeren en bijgevolg een aanvraag tot inschrijving van een model afwijzen wanneer het van mening is dat de inschrijving tot rechtsonzekerheid leidt, maar dit vereiste van rechtszekerheid dient volgens Mast-Jägermeister volledig los te worden gezien van de rechtszekerheid die de aanvrager wordt verleend doordat zijn aanvraag minstens een datum van indiening wordt toegekend.

42      Mast-Jägermeister voert aan dat het door de kamer van beroep van het EUIPO vastgestelde gebrek geen grond vormt om de toekenning van een datum van indiening te weigeren. Volgens haar kunnen gecombineerde voortbrengselen, die bestaan uit twee of meerdere afzonderlijk hanteerbare of verhandelbare voortbrengselen, ook worden beschermd, aangezien de in de aanvraag zichtbaar afgebeelde verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan overeenkomstig artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002 het voorwerp van de bescherming van een ingeschreven model uitmaakt.

43      Ten slotte verwijst Mast-Jägermeister naar de overwegingen betreffende de opzet van verordeningen nr. 6/2002 en nr. 2245/2002. Zij merkt op dat artikel 46, lid 2, van verordening nr. 6/2002 uitdrukkelijk vermeldt dat enkel gebreken van de aanvraag in de zin van artikel 36, lid 1, van deze verordening rechtvaardigen dat een aanvraag niet als een aanvraag om een gemeenschapsmodel wordt behandeld en bijgevolg geen datum van indiening wordt toegekend. De gebreken als bedoeld in artikel 46, lid 3, van verordening nr. 6/2002 hebben daarentegen de afwijzing van de inschrijvingsaanvraag tot gevolg, wat veronderstelt dat een datum van indiening tevoren werd toegekend. Mast-Jägermeister duidt erop dat onder die laatste gebreken die bedoeld in artikel 45, lid 2, onder a), van verordening nr. 6/2002 vallen en dat deze bepaling verwijst naar de voorwaarden gesteld in artikel 36, lid 5, van verordening nr. 6/2002, dat zelf vereist dat de inschrijvingsaanvraag voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld bij verordening nr. 2245/2002. Bijgevolg kan een eventueel gebrek van de aanvraag in de zin van artikel 4, lid 1, onder e), van laatstgenoemde verordening slechts leiden tot afwijzing van de inschrijvingsaanvraag nadat een datum van indiening is toegekend.

44      Dienaangaande erkent Mast-Jägermeister dat een gecombineerde uitlegging van artikel 10, lid 1, onder c), en lid 2, van verordening nr. 2245/2002 en artikel 4, lid 1, onder e), van diezelfde verordening kan leiden tot strijdigheid met de bepalingen van artikel 46, leden 2 en 3, van verordening nr. 6/2002. De bepalingen van verordening nr. 2245/2002, die een uitvoeringsverordening is, moeten echter worden uitgelegd in het licht van de bepalingen van de basisverordening, te weten verordening nr. 6/2002.

45      Het EUIPO meent dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de bepalingen van verordeningen nr. 6/2002 en nr. 2245/2002. Het meent dus dat het enige middel ongegrond is en dat de hogere voorziening moet worden afgewezen.

 Beoordeling door het Hof

46      Met haar enige middel voert Mast-Jägermeister in wezen aan dat artikel 36, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002, gelezen tegen de achtergrond van de andere relevante bepalingen van deze verordening en van verordening nr. 2245/2002, in die zin moet worden uitgelegd dat de toekenning van een datum van indiening enkel afhangt van een onderzoek van de afbeelding van het model vanuit de invalshoek van haar fysieke geschiktheid voor reproductie. Aldus is rekwirante van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat dit artikel 36, lid 1, onder c), zich uitstrekt tot onnauwkeurigheden of het ontbreken van zekerheid of duidelijkheid met betrekking tot het voorwerp van de bescherming van het model waarvoor om inschrijving wordt verzocht.

47      De analyse van de gegrondheid van dit middel vereist een uitlegging van artikel 36, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002, volgens hetwelk de aanvraag om een ingeschreven gemeenschapsmodel „een voor reproductie geschikte afbeelding van het model” moet bevatten.

48      Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt, nastreeft (arresten van 19 september 2000, Commissie/Duitsland, C‑156/98, EU:C:2000:467, punt 50, en 19 oktober 2017, Raimund, C‑425/16, EU:C:2017:776, punt 22).

49      Wat om te beginnen de bewoordingen van artikel 36, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 betreft, deze luiden dat de aanvraag tot inschrijving van een model „een voor reproductie geschikte afbeelding van het model” moet bevatten. Deze bewoordingen lijken de nadruk te leggen op de technische kwaliteit van de afbeelding. Zoals de advocaat-generaal echter in punt 32 van haar conclusie heeft gesteld, slaat het begrip „afbeelding” zelf ook op de herkenbaarheid van het model.

50      Daarenboven dient te worden vastgesteld dat artikel 4, lid 1, onder e), van verordening nr. 2245/2002, zonder materiële vereisten toe te voegen aan het in artikel 36, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 gestelde vereiste, met name preciseert dat de kwaliteit van de afbeelding het mogelijk moet maken om alle details van datgene waarvoor bescherming wordt gevraagd, duidelijk te onderscheiden.

51      De analyse van de bewoordingen van dit artikel 36, lid 1, onder c), leidt dus tot het oordeel dat de afbeelding van het model waarvoor om inschrijving wordt verzocht, het mogelijk moet maken om dat model duidelijk te identificeren.

52      De letterlijke uitlegging van artikel 36, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 wordt bevestigd door de teleologische uitlegging van deze bepaling, die moet bijdragen tot de goede werking van het inschrijvingssysteem van modellen. Zo heeft het vereiste van grafische voorstelling inzonderheid ten doel, het model zelf af te bakenen, om aldus te bepalen wat precies de bescherming is die het ingeschreven model de houder ervan verleent (zie naar analogie arrest van 12 december 2002, Sieckmann, C‑273/00, EU:C:2002:748, punt 48).

53      Dienaangaande zij opgemerkt dat de inschrijving van een model in een openbaar register tot doel heeft om het toegankelijk te maken voor de bevoegde autoriteiten en voor het publiek, met name voor de marktdeelnemers.De bevoegde autoriteiten moeten zich een duidelijk en nauwkeurig beeld kunnen vormen van de aard van de elementen die een model vormen, teneinde te kunnen voldoen aan hun verplichtingen met betrekking tot het vooronderzoek van de inschrijvingsaanvragen, de publicatie en de instandhouding van een adequaat en nauwkeurig modellenregister (zie naar analogie arresten van 12 december 2002, Sieckmann, C‑273/00, EU:C:2002:748, punten 49 en 50, en 19 juni 2012, Chartered Institute of Patent Attorneys, C‑307/10, EU:C:2012:361, punt 47).

54      Verder moeten de marktdeelnemers zich ervan kunnen vergewissen welke inschrijvingen precies zijn verricht of welke aanvragen hun feitelijke of potentiële concurrenten precies hebben ingediend, en moeten aldus relevante informatie over de rechten van derden kunnen ontvangen (zie naar analogie arresten van 12 december 2002, Sieckmann, C‑273/00, EU:C:2002:748, punt 51, en 19 juni 2012, Chartered Institute of Patent Attorneys, C‑307/10, EU:C:2012:361, punt 48). Een dergelijk vereiste dient, zoals het Gerecht in wezen in punt 47 van het bestreden arrest aangeeft, ter verzekering van de rechtszekerheid van derden.

55      Hieruit volgt dat het stelsel van het gemeenschapsmodel dat uit verordening nr. 6/2002 voortvloeit, de uitlegging bevestigt waartoe de bewoordingen van artikel 36, lid 1, onder c), van deze verordening leiden, door te vereisen dat de afbeelding van een model waarvoor om inschrijving wordt verzocht het mogelijk maakt om dit model duidelijk te identificeren.

56      Deze conclusie wordt trouwens ook bevestigd door de omstandigheid dat de toekenning van een datum van indiening, die overeenkomstig artikel 38 van verordening nr. 6/2002 de datum is waarop de aanvrager de stukken met de in artikel 36, lid 1, van deze verordening bedoelde gegevens voorlegt aan het EUIPO, de houder van het betrokken model in staat stelt om aanspraak te maken op voorrang in de zin van artikel 41 van verordening nr. 6/2002. Anders dan Mast-Jägermeister beweert op grond van artikel 4 van het Verdrag van Parijs, waarvan de bewoordingen in wezen overeenstemmen met die van artikel 41 van verordening nr. 6/2002, rechtvaardigt het feit dat de indieningsdatum leidt tot dit voorrangsrecht immers als zodanig dat een afbeelding van het aangevraagde model zonder onnauwkeurigheden wordt vereist. Zoals de advocaat-generaal in wezen in punt 55 van haar conclusie heeft gesteld, brengt een onnauwkeurige inschrijvingsaanvraag het risico mee dat de verleende voorrang leidt tot buitensporige bescherming van een model waarvan het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt, niet duidelijk is aangeduid.

57      Ten slotte wordt de uitlegging, volgens welke artikel 36, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 vereist dat de in de inschrijvingsaanvraag opgenomen afbeelding van het model het mogelijk moet maken om datgene waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt, duidelijk te identificeren, ook bevestigd door de contextuele analyse van deze bepaling.

58      Aangezien artikel 36, lid 5, van verordening nr. 6/2002 bepaalt dat de inschrijvingsaanvraag moet voldoen aan de door verordening nr. 2245/2002 vastgestelde voorwaarden, moet dienaangaande verwezen worden naar andere bepalingen van laatstgenoemde verordening die de inschrijvingsaanvraag betreffen.

59      Zo heeft het EUIPO terecht erop gewezen dat artikel 12, lid 2, van verordening nr. 2245/2002 bepaalt dat een correctie van de inschrijvingsaanvraag geen invloed mag hebben op de afbeelding van het betrokken model. Dit impliceert noodzakelijkerwijze dat de inschrijvingsaanvraag, vooraleer een indieningsdatum te kunnen verkrijgen, een afbeelding moet bevatten die het mogelijk maakt datgene waarvoor bescherming wordt gevraagd, te identificeren. Verordening nr. 6/2002 kan immers niet aldus worden uitgelegd dat een inschrijvingsaanvraag wordt geacht geldig te zijn ingediend, hoewel deze aanvraag het niet mogelijk maakt om het model waarvoor om inschrijving wordt verzocht, duidelijk te identificeren en dit gebrek niet meer kan worden gecorrigeerd.

60      Aldus blijkt uit de punten 49 tot en met 59 van het onderhavige arrest dat uit de letterlijke, teleologische en contextuele analyse van artikel 36, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 volgt dat deze bepaling in die zin moet worden uitgelegd dat zij vereist dat de afbeelding van een model waarvoor om inschrijving wordt verzocht, het mogelijk maakt om dit model – waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt – duidelijk te identificeren.

61      Uit artikel 46, lid 2, van verordening nr. 6/2002 volgt dat een aanvraag die gebreken bevat die verband houden met de vereisten van artikel 36, lid 1, van deze verordening en die niet binnen de voorgeschreven termijn zijn opgeheven, niet als een gemeenschapsmodelaanvraag wordt behandeld en aan die aanvraag bijgevolg geen datum van indiening wordt toegekend.

62      De argumenten van Mast-Jägermeister betreffende de wisselwerking tussen de artikelen 45 en 46 van verordening nr. 6/2002, die in punt 43 van het onderhavige arrest zijn samengevat, kunnen niet slagen. De door Mast-Jägermeister ingediende aanvraag bevat immers een gebrek in de zin van artikel 36, lid 1, van verordening nr. 6/2002, aangezien deze aanvraag het niet mogelijk maakt om het model waarvoor om inschrijving wordt verzocht, duidelijk te identificeren. Zoals uit het vorige punt van het onderhavige arrest blijkt, impliceert een dergelijk gebrek volgens artikel 46, lid 2, van verordening nr. 6/2002 dat de betrokken aanvraag niet als een aanvraag om een ingeschreven gemeenschapsmodel wordt behandeld indien dit gebrek niet binnen de vastgestelde termijn is opgeheven.

63      Verder is het argument dat betrekking heeft op de punten 35 en 36 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht het verloop van de onderzoeksprocedure betreffende modellen verduidelijkt, niet ter zake dienend, aangezien de in die punten gemaakte beoordeling niet noodzakelijk is ter ondersteuning van haar uitlegging van artikel 36, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002, daar deze voortvloeit uit de beoordelingen in de punten 40 tot en met 46 van dat arrest.

64      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het enige middel van Mast-Jägermeister ongegrond is en dient te worden verworpen. Bijgevolg dient de hogere voorziening in haar geheel te worden afgewezen.

 Kosten

65      Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat het Hof over de kosten beslist wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

66      Volgens artikel 138, lid 1, van hetzelfde Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

67      Aangezien rekwirante met betrekking tot haar enige middel in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het EUIPO in de kosten van het EUIPO te worden verwezen.

Het Hof (Negende kamer) verklaart:

1)      De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)      Mast-Jägermeister SE wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.