Language of document : ECLI:EU:T:2018:445

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

12 juli 2018 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Europese markt van stroomkabels – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld – Eén enkele voortdurende inbreuk – Toerekenbaarheid van de inbreuk – Vermoeden – Onjuiste beoordeling – Vermoeden van onschuld – Rechtszekerheid – Beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid – Volledige rechtsmacht”

In zaak T‑419/14,

The Goldman Sachs Group, Inc., gevestigd te New York, New York (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door W. Deselaers, J. Koponen en A. Mangiaracina, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Giolito, L. Malferrari, H. van Vliet en J. Norris-Usher als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Prysmian SpA, gevestigd te Milaan (Italië),

Prysmian Cavi e Sistemi Srl, gevestigd te Milaan,

vertegenwoordigd door C. Tesauro, F. Russo en L. Armati, advocaten,

interveniëntes,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2014) 2139 final van de Commissie van 2 april 2014 inzake een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39610 – Stroomkabels), voor zover dit verzoekster betreft, en een verzoek tot verlaging van de aan haar opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: A. M. Collins, president, M. Kancheva (rapporteur) en R. Barents, rechters,

griffier: L. Grzegorczyk, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 maart 2017,

het navolgende

Arrest

I.      Voorgeschiedenis van het geding

A.      Verzoekster en betrokken sector

1        Verzoekster, The Goldman Sachs Group, Inc., is een Amerikaanse onderneming die als zaken- en effectenbank actief is in de belangrijkste financiële centra in de wereld. Van 29 juli 2005 tot 28 januari 2009 was zij de indirecte moedermaatschappij, via fondsen van GS Capital Partners V (hierna: „GSCP V‑fondsen”) en andere tussenvennootschappen, van Prysmian SpA en van haar volle dochteronderneming Prysmian Cavi e Sistemi Srl (hierna: „PrysmianCS”), voorheen Pirelli Cavi e Sistemi Energia SpA, daarna Prysmian Cavi e Sistemi Energia Srl. Prysmian en PrysmianCS vormen samen de groep Prysmian, een wereldwijde speler in de sector van onderzeese en ondergrondse stroomkabels.

2        Onderzeese en ondergrondse stroomkabels worden onder water respectievelijk onder de grond gebruikt voor het transport en de distributie van elektriciteit. Zij worden onderverdeeld in drie categorieën: laag-, midden-, en hoog- en superhoogspanning. Hoog- en superhoogspanningskabels worden in het merendeel van de gevallen verkocht in het kader van projecten. Deze projecten bestaan in een combinatie van stroomkabels en de noodzakelijke uitrustingen, installaties en bijkomende diensten. Hoog- en superhoogspanningskabels worden in de hele wereld verkocht aan grote exploitanten van nationale netten en aan andere stroomondernemingen, hoofdzakelijk in het kader van openbare aanbestedingen.

B.      Administratieve procedure

3        Bij brief van 17 oktober 2008 heeft de Zweedse vennootschap ABB AB de Commissie van de Europese Gemeenschappen een reeks verklaringen en documenten verstrekt die betrekking hadden op beperkende handelspraktijken in de sector van de productie en levering van ondergrondse en onderzeese stroomkabels. Deze verklaringen en documenten zijn overgelegd in het kader van een immuniteitsverzoek in de zin van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17; hierna: „clementieregeling”).

4        Van 28 januari tot en met 3 februari 2009 heeft de Commissie naar aanleiding van de verklaringen van ABB inspecties verricht in de bedrijfsruimten van Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi Energia alsook in die van andere betrokken Europese ondernemingen, namelijk Nexans SA en Nexans France SAS.

5        Op 2 februari 2009 hebben de Japanse vennootschappen Sumitomo Electric Industries Ltd, Hitachi Cable Ltd en J‑Power Systems Corp. een gezamenlijk verzoek om immuniteit voor geldboeten overeenkomstig punt 14 van de clementieregeling of, subsidiair, om vermindering van het bedrag ervan overeenkomstig punt 27 van die mededeling ingediend. Vervolgens hebben zij de Commissie andere mondelinge verklaringen en andere documenten doen toekomen.

6        In de loop van het onderzoek heeft de Commissie meerdere verzoeken om inlichtingen overeenkomstig artikel 18 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) en punt 12 van de clementieregeling toegezonden aan ondernemingen in de sector van de productie en de levering van ondergrondse en onderzeese stroomkabels.

7        Op 30 juni 2011 heeft de Commissie een procedure ingeleid en een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld ten aanzien van de volgende juridische entiteiten: Nexans France, Nexans, Pirelli & C. SpA, Prysmian Cavi e Sistemi Energia, Prysmian, Sumitomo Electric Industries, Hitachi Cable, J‑Power Systems, Furukawa Electric Co. Ltd, Fujikura Ltd, Viscas Corp., SWCC Showa Holdings Co. Ltd, Mitsubishi Cable Industries Ltd, Exsym Corp., ABB, ABB Ltd, Brugg Kabel AG, Kabelwerke Brugg AG Holding, nkt cables GmbH, NKT Holding A/S, Silec Cable SAS, Grupo General Cable Sistemas, SA, Safran SA, General Cable Corp., LS Cable & System Ltd, Taihan Electric Wire Co. Ltd en verzoekster.

8        Van 11 tot en met 18 juni 2012 hebben alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar, met uitzondering van Furukawa Electric, deelgenomen aan een administratieve hoorzitting voor de Commissie.

9        Bij arresten van 14 november 2012, Nexans France en Nexans/Commissie (T‑135/09, EU:T:2012:596), en 14 november 2012, Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi Energia/Commissie (T‑140/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:597), heeft het Gerecht de tot Nexans en Nexans France en de tot Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi Energia gerichte verificatiebeschikkingen gedeeltelijk nietig verklaard, namelijk voor zover zij betrekking hadden op andere stroomkabels dan onderzeese en ondergrondse hoogspanningskabels en het bij die andere kabels behorend materieel, en de beroepen verworpen voor het overige. Op 24 januari 2013 hebben Nexans en Nexans France hogere voorziening ingesteld tegen het eerste van deze arresten. Bij arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie (C‑37/13 P, EU:C:2014:2030), heeft het Hof deze hogere voorziening afgewezen.

10      Op 2 april 2014 heeft de Commissie besluit C(2014) 2139 final inzake een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39610 – Stroomkabels) (hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld.

C.      Bestreden besluit

1.      Betrokken inbreuk

11      In artikel 1 van het bestreden besluit is bepaald dat meerdere ondernemingen in verschillende perioden hebben deelgenomen aan één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU in de „sector van onderzeese en/of ondergrondse (super)hoogspanningskabels”. De Commissie heeft in essentie vastgesteld dat de belangrijkste Europese, Japanse en Zuid-Koreaanse producenten van onderzeese en ondergrondse stroomkabels van februari 1999 tot eind januari 2009 hadden deelgenomen aan een netwerk van multilaterale en bilaterale ontmoetingen en contacten hadden met de bedoeling de mededinging voor projecten betreffende ondergrondse en onderzeese (super)hoogspanningskabels in specifieke gebieden te beperken door de markten en de afnemers onder elkaar te verdelen, waardoor de normale mededinging werd vervalst (overwegingen 10‑13 en 66 van genoemd besluit).

12      In het bestreden besluit heeft de Commissie geoordeeld dat het kartel twee belangrijke configuraties had, die een samengesteld geheel vormden. Meer bepaald had het kartel twee bestanddelen, namelijk:

–        de „A/R kartelconfiguratie”, waarin de Europese ondernemingen, gewoonlijk de „R-leden” genoemd, de Japanse ondernemingen, aangeduid met „A-leden”, en tot slot de Zuid-Koreaanse ondernemingen, aangeduid met „K-leden”, waren verenigd. Met deze configuratie kon het doel van onderlinge verdeling van gebieden en afnemers tussen de Europese, Japanse en Zuid-Koreaanse producenten worden bereikt. Deze onderlinge verdeling kwam tot stand volgens een overeenkomst over het „thuisland”, op grond waarvan de Japanse en Zuid-Koreaanse producenten niet meedongen naar projecten in het „thuisland” van de Europese producenten, terwijl laatstgenoemde zich ertoe verbonden om buiten de Japanse en Zuid-Koreaanse markt te blijven. Daarenboven werden projecten in de „exportgebieden”, zijnde de rest van de wereld met uitzondering van onder meer de Verenigde Staten, onderling verdeeld, waarbij gedurende een zekere periode een „60/40-quotum” in acht werd genomen, wat betekende dat 60 % van de projecten aan de Europese producenten was voorbehouden en de resterende 40 % aan de Aziatische producenten;

–        de „Europese kartelconfiguratie”, die inhield dat tussen de Europese producenten gebieden en afnemers werden verdeeld voor projecten die moesten worden gerealiseerd in het Europese „thuisland” of projecten die aan de Europese producenten waren toegewezen (zie deel 3.3 van het bestreden besluit en meer in het bijzonder overwegingen 73 en 74 van dat besluit).

13      De Commissie heeft vastgesteld dat de karteldeelnemers rapportageverplichtingen hadden ingevoerd om te kunnen controleren of de verdelingsafspraken werden nageleefd (overwegingen 94‑106 en 111‑115 van het bestreden besluit).

14      De Commissie heeft de verschillende karteldeelnemers in drie groepen ingedeeld, rekening houdend met de rol die zij bij de tenuitvoerlegging van het kartel hadden gespeeld. Om te beginnen heeft zij de harde kern daarvan gedefinieerd, waartoe als Europese ondernemingen Nexans France, de dochterondernemingen van Pirelli & C., voorheen Pirelli SpA, die successievelijk aan het kartel hebben deelgenomen, en Prysmian Cavi e Sistemi Energia behoorden en als Japanse ondernemingen Furukawa Electric Co., Fujikura en hun joint venture Viscas alsook Sumitomo Electric Industries, Hitachi Cable en hun joint venture J‑Power Systems (overwegingen 545‑561 van het bestreden besluit). Vervolgens heeft zij een groep ondernemingen onderscheiden die geen deel uitmaakten van de harde kern maar die niettemin niet konden worden geacht ondergeschikte spelers in het kartel te zijn. In die groep heeft zij ABB, Exsym, Brugg Kabel en de entiteit gevormd door Sagem SA, Safran en Silec Cable ingedeeld (overwegingen 562‑575 van genoemd besluit). Tot slot heeft zij geoordeeld dat Mitsubishi Cable Industries, SWCC Showa Holdings, LS Cable & System, Taihan Electric Wire en nkt cables ondergeschikte spelers waren in het kartel (overwegingen 576‑594 van dat besluit).

2.      Aansprakelijkheid van verzoekster

15      Verzoekster is aansprakelijk gehouden wegens de uitoefening van beslissende invloed op Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi Energia van 29 juli 2005 tot 28 januari 2009 in haar hoedanigheid van moedermaatschappij.

16      Meer bepaald is de Commissie ten eerste in het licht van de beginselen van de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Europese Unie uitgegaan van het vermoeden dat Prysmian beslissende invloed had uitgeoefend op het marktgedrag van Prysmian Cavi e Sistemi Energia tussen ten minste 29 juli 2005 en 28 januari 2009 en dat verzoekster beslissende invloed had uitgeoefend op het marktgedrag van Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi Energia tussen ten minste 29 juli 2005 en 3 mei 2007 (overweging 782 van het bestreden besluit).

17      Ten tweede is de Commissie op basis van een analyse van de economische, organisatorische en juridische banden tussen verzoekster en haar dochterondernemingen tot de conclusie gekomen dat zij daadwerkelijk beslissende invloed op het marktgedrag van Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi Energia had uitgeoefend tussen ten minste 29 juli 2005 en 28 januari 2009 (overweging 783 van het bestreden besluit).

3.      Opgelegde geldboete

18      Bij artikel 2, onder f), van het bestreden besluit is aan verzoekster een geldboete van 37 303 000 EUR opgelegd, „hoofdelijk” met PrysmianCS en Prysmian voor haar deelname aan de mededingingsregeling in de periode van 29 juli 2005 tot 28 januari 2009.

19      Voor de berekening van de geldboeten heeft de Commissie toepassing gegeven aan artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 en de methode die is uiteengezet in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van [genoemd artikel] worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten van 2006”).

20      Wat in de eerste plaats het basisbedrag van de geldboeten betreft, heeft de Commissie, na de relevante waarde van de verkopen overeenkomstig punt 18 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten van 2006 te hebben bepaald (overwegingen 963‑994 van het bestreden besluit), overeenkomstig de punten 22 en 23 van genoemde richtsnoeren het aandeel van die waarden vastgesteld om de ernst van de inbreuk tot uitdrukking te brengen. Zij was in dat verband van mening dat de inbreuk naar zijn aard een van de ernstige mededingingsbeperkingen was, wat een percentage voor de ernst van 15 % rechtvaardigde. Ook heeft zij de coëfficiënt voor de ernst voor alle adressaten met 2 % verhoogd wegens het gecumuleerde marktaandeel en de nagenoeg wereldwijde geografische reikwijdte van de mededingingsregeling, die zich onder meer tot het gehele grondgebied van de Europese Economische Ruimte (EER) uitstrekte. Voorts was zij van oordeel dat het gedrag van de Europese ondernemingen schadelijker voor de mededinging was dan dat van de andere ondernemingen, doordat de Europese ondernemingen, naast aan de „A/R-kartelconfiguratie” te hebben deelgenomen, onderling de stroomkabelprojecten in het kader van de „Europese kartelconfiguratie” hadden verdeeld. Om die reden heeft zij het in aanmerking te nemen aandeel van de waarde van de verkopen voor de ernst van de inbreuk op 19 % vastgesteld voor de Europese ondernemingen en op 17 % voor de overige ondernemingen (overwegingen 997‑1010 van genoemd besluit).

21      Wat de vermenigvuldigingscoëfficiënt voor de duur van de inbreuk betreft, is de Commissie voor verzoekster uitgegaan van een coëfficiënt van 3,5 voor de periode van 29 juli 2005 tot 28 januari 2009. Voorts heeft zij in het basisbedrag van de geldboete een aanvullend bedrag, namelijk het leergeld, ter hoogte van 19 % van de waarde van de verkopen opgenomen (overwegingen 1011‑1016 van het bestreden besluit).

22      In de tweede plaats heeft de Commissie in het kader van de aanpassing van het basisbedrag van de geldboeten vastgesteld dat er geen verzwarende omstandigheden waren die van invloed konden zijn op de hoogte van het voor elke karteldeelnemer vastgestelde basisbedrag, behalve dan voor ABB. Wat de verzachtende omstandigheden betreft, heeft zij evenwel beslist om de mate waarin de verschillende ondernemingen aan de uitvoering van de mededingingsregeling hadden deelgenomen in het bedrag van de geldboeten tot uitdrukking te brengen. Zo heeft zij het basisbedrag van de geldboete voor de spelers met een ondergeschikte rol in het kartel met 10 % verlaagd en dat voor de ondernemingen die gemiddeld bij het kartel betrokken waren met 5 %. Verder heeft zij aan Mitsubishi Cable Industries en aan SWCC Showa Holdings voor de periode voorafgaand aan de oprichting van Exsym en aan LS Cable & System en Taihan Electric Wire een aanvullende korting van 1 % toegekend omdat zij geen wetenschap hadden van bepaalde aspecten van de enkele en voortdurende inbreuk en daar niet voor verantwoordelijk waren. Voor de ondernemingen die tot de harde kern van het kartel behoorden, waaronder verzoekster, is het basisbedrag van de geldboete daarentegen niet verlaagd (overwegingen 1017‑1020 en 1033 van het bestreden besluit). Daarenboven heeft de Commissie Mitsubishi Cable Industries een aanvullende korting van 3 % van de haar opgelegde geldboete toegekend overeenkomstig de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten van 2006, omdat zij daadwerkelijk haar medewerking had verleend buiten de clementieregeling om (overweging 1041 van genoemd besluit).

II.    Procesverloop en conclusies van partijen

23      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 juni 2014, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

24      Bij akten die op 2 en 11 oktober 2014 zijn neergelegd ter griffie van het Gerecht hebben Prysmian en PrysmianCS respectievelijk de European Private Equity and Venture Capital Association (Europese vereniging voor private equity en risicokapitaal) verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige zaak aan de zijde van de Commissie.

25      Bij beschikkingen van 25 juni 2015 heeft de president van de Achtste kamer van het Gerecht (oude samenstelling) het interventieverzoek van Prysmian en PrysmianCS, de interveniëntes, ingewilligd en gelast dat hun de niet-vertrouwelijke versie van de memories van verzoekster en de Commissie zou worden toegezonden. Het interventieverzoek van de European Private Equity and Venture Capital Association is afgewezen.

26      Interveniëntes hebben hun memories in interventie ingediend op 29 oktober 2015. Bij brieven van 14 januari en 5 februari 2016 heeft de Commissie respectievelijk verzoekster opmerkingen over de memorie van interveniëntes ingediend.

27      Bij beschikking van 14 september 2016 heeft de president van de Achtste kamer (oude samenstelling) van het Gerecht de verzoeken om vertrouwelijke behandeling van verzoekster en de Commissie, voor zover interveniëntes zich daartegen hadden verzet, gedeeltelijk ingewilligd.

28      Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op grond van artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, is de rechter-rapporteur aan de Achtste kamer (nieuwe samenstelling) toegevoegd, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.

29      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Achtste kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. Partijen hebben ter terechtzitting van 28 maart 2017 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

30      Verzoekster concludeert tot:

–        nietigverklaring van de artikelen 1 tot en met 4 van het bestreden besluit voor zover zij haar betreffen;

–        verlaging van de haar bij artikel 2 van het bestreden besluit opgelegde geldboete;

–        verwijzing van de Commissie in de kosten.

31      De Commissie, daarin ondersteund door de interveniëntes, concludeert tot:

–        afwijzing van alle vorderingen van verzoekster;

–        verwijzing van verzoekster in de kosten.

III. In rechte

32      Verzoekster concludeert in het kader van het beroep zowel tot gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden besluit als tot verlaging van de aan haar opgelegde geldboete.

A.      Vorderingen tot nietigverklaring

33      Verzoekster voert ter onderbouwing van haar vorderingen tot nietigverklaring vijf middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 101 VWEU en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 alsmede schending van het recht en een kennelijke beoordelingsfout voor zover het de conclusie van de Commissie betreft dat verzoekster aansprakelijk is voor de door interveniëntes gepleegde inbreuk. Het tweede middel ziet op schending van artikel 2 van genoemde verordening, ontoereikend bewijs en niet-nakoming van de motiveringsplicht die in artikel 296 VWEU is vastgelegd. Het derde middel betreft schending van artikel 101 VWEU en artikel 23, lid 2, van deze verordening alsmede van de beginselen van persoonlijke aansprakelijkheid en het vermoeden van onschuld. Met het vierde middel worden schending van artikel 101 VWEU en artikel 23, lid 2, van diezelfde verordening alsmede een kennelijke beoordelingsfout en schending van de beginselen van rechtszekerheid en het persoonlijke karakter van straffen gesteld. Volgens het vijfde middel zijn de rechten van de verdediging geschonden.

1.      Eerste middel: schending van artikel 101 VWEU en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 alsmede schending van het recht en een kennelijke beoordelingsfout

34      Verzoekster verwijt de Commissie dat zij haar hoofdelijk aansprakelijk heeft gehouden voor de betaling van de geldboete die wegens de door interveniëntes van 29 juli 2005 tot 28 januari 2009 gepleegde inbreuk is opgelegd. In essentie bestrijdt zij de conclusies van de Commissie die hierboven in de punten 15 tot en met 17 zijn uiteengezet, die in de eerste plaats inhouden dat kon worden vermoed dat zij van 29 juli 2005 tot 3 mei 2007 beslissende invloed op interveniëntes heeft uitgeoefend en in de tweede plaats dat een dergelijke invloed hoe dan ook kon worden afgeleid uit de analyse van de economische, organisatorische en juridische banden tussen haar en interveniëntes gedurende de gehele periode waarin zij deelnemingen in de groep Prysmian had.

35      Verzoekster laat dit middel in drie onderdelen uiteenvallen. In het kader van het eerste onderdeel betoogt zij dat de Commissie het recht heeft geschonden en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door voor de periode van 29 juli 2005 tot 3 mei 2007 uit te gaan van het vermoeden dat zij daadwerkelijk beslissende invloed op interveniëntes heeft uitgeoefend. In het kader van het tweede onderdeel voert zij een kennelijke beoordelingsfout van de Commissie aan omdat die heeft geoordeeld dat zij hoe dan ook beslissende invloed op interveniëntes heeft uitgeoefend gedurende de gehele periode waarin zij deelnemingen in die laatste had. In het kader van het derde onderdeel stelt dat zij dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan door in wezen tot de conclusie te komen dat zij niet een zuiver financiële investeerder was.

a)      Eerste onderdeel: toepassing van het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed voor de periode van 29 juli 2005 tot 3 mei 2007

36      Verzoekster betoogt om te beginnen dat de Commissie een fout heeft begaan door uit te gaan van een vermoeden van beslissende invloed harerzijds, aangezien haar deelneming in Prysmian, via de GSCP V-fondsen en andere tussenvennootschappen, aanzienlijk lager was dan 100 % gedurende het grootste deel van de periode waarin zij heeft geïnvesteerd. Zij wijst er in dit verband op dat haar deelneming in Prysmian, afgezien van een periode van 41 dagen, slechts tussen 91,1 % en 84,4 % bedroeg tot 3 mei 2007, de datum waarop de aandelen van Prysmian op de beurs van Milaan zijn gebracht door middel van een eerste openbare aanbieding (hierna: „datum van de beursgang”). Volgens haar heeft de Commissie het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed nog nooit toegepast in een zaak betreffende een effectieve deelneming in het kapitaal van minder dan 93 %.

37      Vervolgens meent verzoekster dat de Commissie een fout heeft begaan door het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed onder verwijzing naar de aan de aandelen in Prysmian verbonden stemrechten en niet het aandelenkapitaal van die laatste vennootschap toe te passen. Volgens haar is die benadering nog nooit gevolgd in haar beslissingspraktijk en kan daarvoor geen steun worden gevonden in de rechtspraak van de Unierechters. Daarnaast voert zij in wezen aan dat het bezit van 100 % van de stemrechten die aan de aandelen in een vennootschap zijn verbonden, niet hetzelfde is als het bezit van 100 % van het kapitaal van die vennootschap.

38      Bovendien verwijt zij de Commissie dat zij onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden dat zij aandelen in Prysmian heeft overgedragen aan Apollo Investment Corp. (hierna: „Apollo”) en dat zij aandelen in Prysmian heeft overgedragen aan de directie daarvan. Volgens haar laten deze overdrachten in essentie zien dat zij niet 100 % van de aan de aandelen in Prysmian verbonden stemrechten heeft kunnen uitoefenen, zoals de Commissie heeft gemeend in het bestreden besluit.

39      Tot slot stelt verzoekster dat zij, zelfs gesteld dat de Commissie het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed mocht toepassen voor de periode voorafgaand aan de datum van de beursgang, voldoende bewijzen heeft overgelegd om dit vermoeden te weerleggen.

40      De Commissie en interveniëntes bestrijden deze argumenten.

41      Met het eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoekster in wezen twee grieven aan, die eraan zijn ontleend dat de Commissie het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed ten onrechte heeft toegepast om haar hoofdelijk aansprakelijk te houden voor de betaling van de geldboete die aan haar dochterondernemingen is opgelegd voor de periode van 29 juli 2005 tot aan de datum van de beursgang en dat de Commissie ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat zij bedoeld vermoeden niet heeft kunnen weerleggen.

1)      Eerste grief: toepassing van het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed voor de periode van 29 juli 2005 tot 3 mei 2007

42      Het is vaste rechtspraak dat de gedragingen van een dochteronderneming aan de moeder kunnen worden toegerekend, met name wanneer die dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die de twee juridische entiteiten verenigen (zie arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, EU:C:2009:536, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43      De reden daarvoor is dat de moedermaatschappij en haar dochteronderneming in een dergelijke situatie deel uitmaken van één economische eenheid en dus één enkele onderneming in de zin van artikel 101 VWEU vormen. Doordat de moedermaatschappij en haar dochteronderneming één enkele onderneming vormen, kan de Commissie een boetebesluit tot de moedermaatschappij richten, zonder dat behoeft te worden aangetoond dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, EU:C:2009:536, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      Het is eveneens vaste rechtspraak dat een moedermaatschappij in het bijzondere geval waarin zij 100 % van het kapitaal van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gepleegd, in handen heeft, beslissende invloed kan uitoefenen op het gedrag van deze dochter en er een weerlegbaar vermoeden bestaat dat deze moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochter (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, EU:C:2009:536, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      In die omstandigheden volstaat het dat de Commissie bewijst dat het gehele kapitaal van een dochteronderneming in handen is van haar moedermaatschappij, om aan te nemen dat deze laatste beslissende invloed heeft op het commerciële beleid van de dochter. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, op welke de taak rust om dit vermoeden te weerleggen, afdoende bewijs overlegt dat haar dochteronderneming zich op de markt zelfstandig gedraagt (zie arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, EU:C:2009:536, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46      Tot slot moet eraan worden herinnerd dat er in het bijzondere geval waarin een vennootschap 100 % van het kapitaal van een tussenliggende vennootschap bezit die op haar beurt het volledige kapitaal van een dochteronderneming van het concern in handen heeft die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gemaakt, een weerlegbaar vermoeden bestaat dat deze maatschappij beslissende invloed uitoefent op het gedrag van de tussenliggende vennootschap en, indirect via deze laatste, op het gedrag van bovengenoemde dochteronderneming (zie in die zin arrest van 8 mei 2013, Eni/Commissie, C‑508/11 P, EU:C:2013:289, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47      In de onderhavige zaak staat vast dat de Commissie het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed heeft toegepast ondanks dat verzoekster niet 100 % van het aandelenkapitaal van Prysmian in handen had in de gehele periode van 29 juli 2005 tot aan de datum van de beursgang. Het is immers onbetwist dat de deelneming van verzoekster in bedoeld kapitaal aanvankelijk weliswaar 100 % van de aandelen bedroeg, maar dat de hoogte van die deelneming kort daarna en geleidelijk aan is afgenomen na de overdracht van aandelen aan Apollo op 7 september 2005 en de overdracht van aandelen aan de directie van Prysmian op 21 juli 2006, zoals volgt uit de overwegingen 739 tot en met 747 van het bestreden besluit. Bijgevolg benadrukt verzoekster in haar geschriften terecht dat haar deelneming in dit kapitaal voorafgaand aan de datum van de beursgang, afgezien van een periode van 41 dagen, tussen 91,1 % en 84,4 % van de aandelen bedroeg.

48      Zoals volgt uit de overwegingen 748 tot en met 754 van het bestreden besluit heeft de Commissie de toepassing van het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed echter niet gebaseerd op de hoogte van de deelneming van verzoekster in het kapitaal van Prysmian, maar op het feit dat verzoekster, ondanks de overdracht van bepaalde aandelen, 100 % van de aan de aandelen in die vennootschap verbonden stemrechten controleerde, wat haar volgens de Commissie in een positie plaatste die analoog is aan die van een enig eigenaar van de groep Prysmian.

49      Wat in dat verband in de eerste plaats de vraag betreft of het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed in die omstandigheden kan worden toegepast, moet erop worden gewezen dat de Commissie volgens vaste rechtspraak inderdaad het recht heeft om van genoemd vermoeden uit te gaan wanneer de moedermaatschappij zich in een vergelijkbare positie bevindt als een 100 %-eigenaar waar het gaat om haar vermogen om beslissende invloed uit te oefenen op het gedrag van haar dochteronderneming (zie in die zin arresten van 7 juni 2011, Total en Elf Aquitaine/Commissie, T‑206/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:250, punt 56; 12 december 2014, Repsol Lubricantes y Especialidades e.a./Commissie, T‑562/08, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1078, punt 42, en 15 juli 2015, Socitrel en Companhia Previdente/Commissie, T‑413/10 en T‑414/10, EU:T:2015:500, punt 204).

50      Derhalve moet worden geoordeeld dat wanneer een moedermaatschappij alle aan de aandelen in haar dochteronderneming verbonden stemrechten bezit, met name in combinatie met een grote meerderheidsdeelneming in het kapitaal van genoemde dochteronderneming, zoals in casu, bedoelde moedermaatschappij zich in een vergelijkbare situatie bevindt als de enig eigenaar van deze dochteronderneming, zodat de moedermaatschappij in staat is om de economische en commerciële strategie van de dochteronderneming te bepalen, zelfs wanneer zij niet het gehele of nagenoeg haar gehele maatschappelijke kapitaal in handen heeft, zoals ook de Commissie in wezen heeft uiteengezet in overweging 754 van het bestreden besluit.

51      Bovendien moet erop worden gewezen dat het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed is gebaseerd op de premisse dat de Commissie, wanneer de moedermaatschappij 100 % of van nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, zonder ondersteunend bewijs tot de conclusie kan komen dat genoemde moedermaatschappij de macht heeft om beslissende invloed op de dochteronderneming uit te oefenen, zonder dat de belangen van andere aandeelhouders in aanmerking hoeven te worden genomen bij het nemen van strategische beslissingen of het dagelijkse bestuur van die dochteronderneming, die haar marktgedrag niet zelfstandig bepaalt, maar in overeenstemming met de wensen van die moedermaatschappij handelt (zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, EU:C:2009:262, punt 73).

52      Die overwegingen zijn ten volle van toepassing in een geval waarin een moedermaatschappij de mogelijkheid heeft om alle aan de aandelen in de dochteronderneming verbonden stemrechten uit te oefenen, aangezien genoemde moedermaatschappij in staat is volledige controle over het gedrag van genoemde dochteronderneming uit te oefenen, zonder dat derden, met name andere aandeelhouders, zich daar in beginsel tegen kunnen verzetten. Uiteraard kan het niet worden uitgesloten dat de minderheidsaandeelhouders die geen van de aan de aandelen in die dochteronderneming verbonden stemrechten bezitten, ten aanzien van haar bepaalde rechten kunnen doen gelden, op basis waarvan zij in voorkomend geval ook een invloed op het gedrag van diezelfde dochteronderneming kunnen hebben. Dan kan die moedermaatschappij het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed echter weerleggen door bewijzen aan te dragen die kunnen aantonen dat niet zij het commerciële beleid van de dochteronderneming in kwestie op de markt bepaalt.

53      Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de situatie van verzoekster met een dergelijke casuspositie overeenstemt, moet eraan worden herinnerd dat de Commissie in de overwegingen 751 tot en met 754 van het bestreden besluit de redenen uiteenzet waarom de tussen verzoekster en Prysmian bestaande band tussen 29 juli 2005 en de datum van de beursgang volgens haar vergelijkbaar was met die van een moedermaatschappij die 100 % van het kapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft. Zij licht in wezen toe dat aan de twee overdrachten van aandelen in Prysmian die verzoekster heeft verricht ten gunste van Apollo en van het directieteam van Prysmian, garanties waren verbonden dat de nieuwe aandeelhouders louter passieve investeerders zouden zijn en geen aan de in hun aandelen verbonden stemrechten zouden uitoefenen.

54      Verzoekster betoogt op haar beurt dat de investeringen die door Apollo en door de directie van Prysmian zijn gedaan, niet louter passief waren en dat zij evenmin inhielden dat ten gunste van haar werd afgezien van de uitoefening van de aan de aandelen in die vennootschap verbonden stemrechten. Daarnaast verwijt zij de Commissie dat zij de twee door haar verrichte aandelenoverdrachten aan Apollo en aan de directie van Prysmian „over het hoofd heeft gezien” in de analyse.

55      Wat in de eerste plaats de overdracht van aandelen in Prysmian door verzoekster aan Apollo betreft, moet worden opgemerkt dat die volgens overweging 751 van het bestreden besluit tot stand is gekomen door de oprichting van een commanditaire vennootschap met de naam GS Prysmian Co-Invest LP, waarin Apollo slechts een commanditaire vennoot was. Verzoekster betwist deze vaststelling van de Commissie overigens niet. In meer bepaald clausule 5.7 van de verkoopovereenkomst tussen de GSCP V-fondsen en Apollo van 7 september 2005, zoals aangehaald in voetnoot 1115 van genoemd besluit, is het volgende bepaald:

„[vertrouwelijk](1)” (nadruk toegevoegd in het bestreden besluit).

56      Uit punt 55 hierboven volgt dat Apollo op basis van de koopovereenkomst erkende [vertrouwelijk].

57      Bijgevolg kon de Commissie op goede gronden oordelen dat aan de overdracht van aandelen in Prysmian door verzoekster aan Apollo garanties waren verbonden dat de nieuwe aandeelhouder louter een passieve investeerder zou zijn.

58      Verzoeksters betoog dat de Commissie niet kan steunen op louter de formele redactie van de verkoopovereenkomst tussen de GSCP V-fondsen en Apollo van 7 september 2005 – die geen weergave zou zijn van de werkelijke situatie die is ontstaan na de overdracht van aandelen in Prysmian door verzoekster aan Apollo – kan aan die conclusie niet afdoen. Zoals de Commissie stelt, voertverzoekster immers niets aan dat kan aantonen dat deze overeenkomst en met name clausule 5.7 daarvan geen weerspiegeling is van de werkelijke situatie tussen genoemde fondsen en Apollo.

59      Vervolgens volstaat het voor de verwerping van verzoeksters betoog dat in de verkoopovereenkomst tussen de GSCP V-fondsen en Apollo van 7 september 2005 slechts in aanmerking was genomen welk risico Apollo bereid was te aanvaarden in het kader van haar investering, dat erop wordt gewezen dat de redenen die tot de sluiting van genoemd contract hebben geleid, irrelevant zijn voor de beoordeling of verzoekster na de overdracht van aandelen in Prysmian door haar aan Apollo de mogelijkheid heeft behouden om alle aan die aandelen verbonden stemrechten uit te oefenen.

60      Tot slot kan verzoeksters betoog dat de toename van het aantal aandeelhouders binnen Prysmian op zich inhield dat er andere belangen waren waarmee binnen de onderneming rekening moest worden gehouden, niet slagen. Verzoekster verstrekt wat de door Apollo gedane investeringen betreft immers geen aanwijzingen over de aard van deze belangen of de wijze waarop die naar voren zouden komen in een context waarbinnen Apollo niet enig stemrecht kon uitoefenen.

61      Wat in de tweede plaats de overdracht van aandelen in Prysmian door verzoekster aan de directie van die vennootschap betreft, volgt uit overweging 752 van het bestreden besluit dat die overdracht gepaard is gegaan met een reeks voorwaarden die bedoelde directie moest aanvaarden en die zijn vastgelegd in het kader van een co-investeringsovereenkomst en een fiduciaire overeenkomst met een derde bank. Meer bepaald hebben de directeuren bij deze overeenkomsten aanvaard dat hun respectieve deelnemingen fiduciair zouden worden verworven en gehouden door bedoelde bank. Daarnaast volgt uit die overeenkomsten in wezen dat de directeuren de rechten die hun op grond van die overdracht waren toegekend, alleen mochten uitoefenen via de fiduciair handelende bank, die op haar beurt alleen aan de vergaderingen van aandeelhouders van Prysmian mocht deelnemen na ontvangst van steminstructies van de GSCP V-fondsen.

62      Verzoekster stelt dat de personen die betrokken waren bij de overdracht van aandelen in Prysmian door verzoekster aan de directie van die vennootschap, leden van de raad van hetzij Prysmian hetzij PrysmianCS waren. Volgens haar konden deze bestuurders dus invloed uitoefenen op Prysmian en konden zij, als verantwoordelijken voor de bepaling van het commerciële beleid van die groep, niet als louter passieve investeerders worden beschouwd. Zij stelt bovendien dat het doel van genoemde overdracht te plaatsen was in het kader van een stimuleringsregeling voor die directie, die de groei van de onderneming moest ondersteunen.

63      Vastgesteld moet echter worden dat die stellingen geen argumenten zijn waarmee kan worden afgedaan aan de vaststellingen van de Commissie in overweging 752 van het bestreden besluit. Ten eerste moet immers worden opgemerkt dat de directieleden van Prysmian, anders dan verzoekster stelt, geen aandeelhouders waren waarvan de belangen in aanmerking moesten worden genomen door de moedermaatschappij, aangezien zij de aan de aandelen in die vennootschap verbonden stemrechten niet mochten uitoefenen. In die omstandigheden toont verzoekster niet aan dat de positie van een directielid in dat geval anders is dan die van een directielid van een dochteronderneming waarvan de aandelen volledig in handen zijn van de moedermaatschappij. Ten tweede moet worden opgemerkt dat de stimulering van de motivatie van genoemde directieleden van Prysmian niet afhing van de mogelijkheid om bedoelde stemrechten uit te oefenen en dus geen verband hield met de uitdrukkelijke clausules in de co-investeringsovereenkomst en de fiduciaire overeenkomst waarin het die directie formeel werd verboden enig aandeelhoudersrecht uit te oefenen.

64      Hieruit volgt dat de overdrachten van aandelen in Prysmian door verzoekster aan Apollo en aan de directie van Prysmian terecht door de Commissie konden worden beschouwd als louter passief en dat zij inderdaad tot gevolg hadden gehad dat werd afgezien van de uitoefening van de aan de aandelen in Prysmian verbonden stemrechten ten voordele van verzoekster, die bijgevolg 100 % van genoemde stemrechten bleef bezitten.

65      Voor zover verzoekster de Commissie in de derde plaats een motiveringsgebrek verwijt, omdat zij de overdracht van aandelen in Prysmian door verzoekster aan Apollo en haar directie „over het hoofd had gezien” in haar analyse, volstaat de opmerking dat de toelichtingen die in de overwegingen 751 tot en met 754 van het bestreden besluit zijn gegeven, overduidelijk een gedetailleerde en toereikende motivering in de zin van de vaste rechtspraak vormen, die verzoekster in staat kan stellen de strekking van de beoordeling door de Commissie te begrijpen en het Gerecht om zijn toezicht op die beoordeling uit te oefenen (zie in die zin arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punt 147 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66      Gelet op een en ander was de mogelijkheid voor verzoekster om beslissende invloed op interveniëntes uit te oefenen wegens de mogelijkheid om alle aan de aandelen in Prysmian verbonden stemrechten uit te oefenen, gelet op de feiten van de onderhavige zaak vergelijkbaar met die waarover zij zou hebben beschikt als enig eigenaar.

67      In die omstandigheden moet na grondige toetsing en gelet op het feit dat verzoekster niet opkomt tegen de vaststelling van de Commissie dat Prysmian beslissende invloed op PrysmianCS heeft uitgeoefend, worden geoordeeld dat de Commissie zonder fouten te begaan tot het oordeel heeft kunnen komen dat het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed op het marktgedrag van interveniëntes op verzoekster kon worden toegepast voor de periode van 29 juli 2005 tot 3 mei 2007.

68      De eerste grief van het eerste onderdeel moet bijgevolg worden afgewezen.

2)      Tweede grief: weerlegging van het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed

69      Volgens verzoekster heeft zij, zelfs gesteld dat de Commissie het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed op opportune en passende wijze heeft toegepast, dit vermoeden in elk geval weerlegd tijdens de administratieve procedure. Zij meent in wezen dat er vele bewijzen zijn die aantonen dat interveniëntes zelfstandig op de markt hebben geopereerd, zonder enige instructie harerzijds.

70      Verzoekster voert in de eerste plaats aan dat met het bestreden besluit niet is aangetoond dat de medewerkers van de afdeling „Principal Investment Area” van haar divisie „Merchant Banking” (hierna: „PIA”), die de GSCP V-fondsen controleerden, invloed hebben uitgeoefend op het commerciële beleid van interveniëntes. Zij stelt dat de notulen van de raad van bestuur van Prysmian het bewijs leveren dat haar directie een dergelijk beleid voerde.

71      In dit verband moet met de Commissie worden opgemerkt dat verzoekster in het kader van deze grief niet op nauwkeurige wijze melding maakt van een specifieke e-mail of van specifieke notulen. Zoals volgt uit de rechtspraak die is aangehaald in punt 45 hierboven, is het aan verzoekster om, teneinde het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed te weerleggen, bewijzen aan te dragen die aantonen dat interveniëntes in werkelijkheid en anders dan de Commissie heeft vermoed, hun commerciële strategie zelfstandig bepaalden. Derhalve moet verzoeksters eerste argument worden afgewezen.

72      Verzoekster beroept zich in de tweede plaats op publiek afgelegde verklaringen van de leden van de raad van bestuur van Prysmian tijdens hun vergadering van 15 december 2005, waarin is verklaard dat Prysmian „niet onderworpen [was] aan het bestuur en de coördinatie door een andere onderneming”. Zij voegt daaraan toe dat indien interveniëntes wel onder haar zeggenschap zouden hebben gestaan, zij dat naar Italiaans recht dan publiek hadden moeten verklaren.

73      Niettemin moet ten eerste worden geoordeeld dat de publieke verklaringen die door de leden van de raad van bestuur van Prysmian kunnen zijn afgelegd tijdens hun vergaderingen, niet als zodanig kunnen aantonen dat de inhoud daarvan met de waarheid overeenstemt. In dat verband moet worden benadrukt dat verzoekster geen bewijs overlegt dat de waarheidsgetrouwheid van die publieke verklaringen kan onderbouwen.

74      Ten tweede kan het feit dat dergelijke verklaringen overeenkomstig het Italiaanse recht zijn afgelegd, zoals verzoekster stelt, niet aantonen dat verzoekster in werkelijkheid niet de moedermaatschappij was die de controle over de groep Prysmian voor haar rekening nam. Zoals de Commissie opmerkt, moet de uitoefening van beslissende invloed worden beoordeeld aan de hand van concrete bewijzen, zodat de vraag of een dochteronderneming zelfstandig over haar marktgedrag kan beslissen of dat zij juist onder beslissende invloed van haar moedermaatschappij staat, niet uitsluitend aan de hand van de relevante bepalingen van het nationale recht kan worden beoordeeld.

75      Verzoekster roept in de derde plaats het antwoord van interveniëntes op het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 20 oktober 2009 in, en meer bepaald het feit dat dit document geen verwijzing naar haar bevat. Het loutere feit dat in dit document geen verwijzing naar verzoekster voorkomt, bewijst echter wederom niet dat zij geen invloed op interveniëntes heeft uitgeoefend, met name in de periode voorafgaand aan de datum van de beursgang.

76      Verzoekster stelt in de vierde plaats dat zij geen instructies heeft gegeven en evenmin directe controle heeft uitgeoefend op kwesties van commerciële aard van de groep Prysmian. Zij legt in dat verband een korte „samenvatting” van een reeks argumenten over, die verder en „in detail” moesten worden uitgewerkt in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel. In de onderhavige zaak stelt een dergelijke verwijzing het Gerecht niet in staat om de strekking van die argumenten nauwkeurig vast te stellen. Het kan weliswaar niet worden uitgesloten dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop verzoekster zich beroept in het verzoekschrift voorkomen, maar het is aan haar om die coherent en begrijpelijk weer te gegeven. Meer in het bijzonder staat het niet aan het Gerecht om uit te zoeken of de ter onderbouwing van het tweede onderdeel van het eerste middel aangevoerde elementen ook elementen omvatten die de onderhavige grief kunnen onderbouwen (arrest van 27 september 2006, Roquette Frères/Commissie, T‑322/01, EU:T:2006:267, punt 209). Het onderhavige betoog moet derhalve niet-ontvankelijk worden geacht, onverminderd het gedetailleerde onderzoek daarvan in het kader van de analyse van het tweede onderdeel van het eerste middel.

77      Uit een en ander volgt dat verzoekster er, anders dan zij zelf stelt, niet in is geslaagd het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed te weerleggen met toereikende bewijzen die kunnen aantonen dat interveniëntes zich zelfstandig gedroegen op de markt.

78      De tweede grief van het eerste onderdeel moet bijgevolg worden afgewezen, en daarmee dit onderdeel in zijn geheel.

b)      Tweede onderdeel: conclusies van de Commissie ten aanzien van de periode van 29 juli 2005 tot 28 januari 2009

79      Verzoekster betoogt dat de bewijzen waarop de Commissie zich in het bestreden besluit baseert om haar hoofdelijk aansprakelijk te houden voor de betaling van de aan haar dochterondernemingen opgelegde geldboete voor de gehele inbreukperiode, niet aantonen dat zij in staat was beslissende invloed uit te oefenen of dat zij die ook daadwerkelijk op interveniëntes heeft uitgeoefend. Zij is in wezen van mening dat de Commissie rechtens niet genoegzaam heeft aangetoond dat interveniëntes met haar een economische eenheid in de zin van de rechtspraak vormden.

80      De Commissie en interveniëntes bestrijden deze argumenten.

81      Zoals volgt uit de rechtspraak die hierboven in punt 42 is aangehaald, kunnen de gedragingen van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij worden toegerekend wanneer die dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die deze twee juridische entiteiten verenigen.

82      Om uit te maken of een dochteronderneming haar marktgedrag zelfstandig bepaalt, dient volgens vaste rechtspraak rekening te worden gehouden met alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze dochteronderneming en haar moedermaatschappij, die in elk concreet geval anders kunnen zijn en waarvan dus geen uitputtende lijst kan worden opgesteld (zie arresten van 14 september 2016, Ori Martin en SLM/Commissie, C‑490/15 P en C‑505/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:678, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 september 2015, Philips/Commissie, T‑92/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:605, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

83      Wanneer een moedermaatschappij en haar dochteronderneming deel uitmaken van één enkele onderneming in de zin van artikel 101 VWEU, is de reden waarom de Commissie bevoegd is om het besluit waarbij geldboeten worden opgelegd aan de moedermaatschappij te richten, niet noodzakelijkerwijs een verhouding tussen de moedermaatschappij en de dochteronderneming waarin tot de inbreuk is aangezet, en nog minder de betrokkenheid van de eerste bij die inbreuk, maar het feit dat zij één enkele onderneming in de zin van artikel 101 VWEU vormen (zie arrest van 14 september 2016, Ori Martin en SLM/Commissie, C‑490/15 P en C‑505/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:678, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

84      Om het gedrag van een dochteronderneming te kunnen toerekenen aan haar moedermaatschappij, kan de Commissie voorts niet volstaan met de vaststelling dat de moedermaatschappij beslissende invloed kan uitoefenen op het gedrag van haar dochteronderneming, maar moet zij ook nagaan of zij dit daadwerkelijk heeft gedaan (zie arresten van 26 september 2013, EI du Pont de Nemours/Commissie, C‑172/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:601, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 26 september 2013, The Dow Chemical Company/Commissie, C‑179/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:605, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 september 2015, Toshiba/Commissie, T‑104/13, EU:T:2015:610, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

85      Aangezien het Gerecht de rechtmatigheid van het bestreden besluit krachtens artikel 263 VWEU slechts kan toetsen aan de hand van de daarin vermelde motivering, mag ter beantwoording van de vraag of de moedermaatschappij metterdaad zeggenschap heeft uitgeoefend over haar dochteronderneming, uitsluitend rekening worden gehouden met de bewijzen die de Commissie heeft verzameld in het besluit waarbij zij de aansprakelijkheid voor de inbreuk heeft toegerekend aan de moedermaatschappij. De enige relevante vraag is dus of die gegevens afdoende bewijs opleveren voor de inbreuk (zie arrest van 9 september 2015, Toshiba/Commissie, T‑104/13, EU:T:2015:610, punt 98 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

86      In het bestreden besluit is de Commissie op basis van, naar zij zelf stelt, objectieve factoren tot haar conclusie gekomen dat verzoekster beslissende invloed op interveniëntes heeft uitgeoefend, namelijk aan de hand van de economische, organisatorische en juridische banden tussen verzoekster en de groep Prysmian. Zoals zij die in de overwegingen 758 tot en met 781 van genoemd besluit heeft beschreven, zijn deze objectieve factoren ten eerste de bevoegdheid om de leden van de diverse raden van bestuur van Prysmian te benoemen, ten tweede de bevoegdheid om de aandeelhouders voor de algemene vergaderingen op te roepen en de herroeping van de bestuurders of van de volledige raad van bestuur voor te stellen, ten derde de effectieve vertegenwoordiging van verzoekster binnen de raad va3n bestuur van Prysmian, ten vierde de bestuursbevoegdheden van de vertegenwoordigers van verzoekster binnen de raad van bestuur, ten vijfde het belang van de rol die verzoekster binnen de door Prysmian opgerichte comités heeft gespeeld, ten zesde de ontvangst van geregelde voortgangsrapportages en maandelijkse rapporten, ten zevende de maatregelen die ervoor moesten zorgen dat na de datum van de beursgang nog steeds beslissende controle kon worden uitgeoefend en ten achtste het bewijs van gedrag dat kenmerkend is voor een eigenaar die uit de industrie afkomstig is.

87      Volgens de Commissie tonen de eerste zes objectieve factoren die hierboven in punt 86 zijn vermeld aan dat verzoekster zowel in de periode voorafgaand aan de datum van de beursgang als in de periode daarna beslissende invloed heeft uitgeoefend. De laatste twee hebben daarentegen uitsluitend betrekking op die laatste periode. Hoewel het Gerecht ten aanzien van de periode voorafgaand aan de datum van de beursgang reeds heeft geconstateerd dat de Commissie het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed terecht heeft toegepast en dat verzoekster er niet in is geslaagd dit te weerleggen, is in het in die context nog steeds noodzakelijk om alle door de Commissie in het bestreden besluit genoemde factoren te onderzoeken, aangezien die ook van toepassing zijn voor de periode na genoemde datum.

88      Bijgevolg moet de gegrondheid van elk van de door de Commissie aangevoerde factoren in het licht van de door verzoekster geformuleerde argumenten worden onderzocht en moet meer bepaald overeenkomstig de in de punten 81 tot en met 85 aangehaalde rechtspraak worden nagegaan of genoemde factoren in hun geheel beschouwd kunnen aantonen dat verzoekster het vermogen had om beslissende invloed op het marktgedrag van interveniëntes uit te oefenen en of zij die invloed ook daadwerkelijk heeft uitgeoefend.

1)      Bevoegdheid om de leden van de diverse raden van bestuur van Prysmian te benoemen en bevoegdheid om de aandeelhouders op te roepen voor de algemene vergaderingen en de herroeping van de bestuurders of de volledige raden van bestuur voor te stellen

89      In de overwegingen 758 tot en met 760 van het bestreden besluit legt de Commissie uit dat verzoekster de bevoegdheid had om de bestuurders binnen de raad van bestuur van Prysmian te benoemen en dat zij die bevoegdheid gedurende de gehele inbreukperiode heeft uitgeoefend. Zij voegt daaraan toe dat verzoekster ook de bevoegdheid had om de aandeelhouders voor de algemene vergaderingen op te roepen en om tijdens die algemene vergaderingen de herroeping van de bestuurders of de volledige raad van bestuur voor te stellen.

90      Verzoekster betwist niet de juistheid van de vaststellingen in het bestreden besluit die het bewijs leveren van haar bevoegdheid om de leden van de raad van bestuur van Prysmian te benoemen en die om de aandeelhouders voor de algemene vergaderingen op te roepen en de herroeping van de bestuurders of de volledige raad van bestuur voor te stellen. Evenmin betwist zij, zoals zij ter terechtzitting heeft bevestigd, de juistheid van de vaststellingen van de Commissie ten aanzien van de concrete samenstelling van de verschillende raden van bestuur van Prysmian gedurende de inbreukperiode. Zij voert echter aan dat die bevoegdheden haar niet in staat stelden om daadwerkelijke controle over de raad uit te oefenen of het commerciële beleid van Prysmian op beslissende wijze te beïnvloeden. Volgens haar heeft de Commissie niet het bewijs geleverd dat zij dergelijke controle daadwerkelijk heeft uitgeoefend.

91      In de eerste plaats moet ten aanzien van verzoeksters vermogen om beslissende invloed op interveniëntes uit te oefenen worden vastgesteld dat de bevoegdheid om de samenstelling van de raad van bestuur van een vennootschap te bepalen een objectief element is dat als zodanig bepalend is voor de mogelijkheid om de door die raad te nemen beslissingen en derhalve de vennootschap als geheel te controleren. De raad van bestuur is immers per definitie het orgaan dat met het bestuur en de vertegenwoordiging van de vennootschap in kwestie is belast en zijn taken zijn onder meer gewijd aan de bepaling en de bewaking van de voortgang van het commerciële beleid van de vennootschap in kwestie en de benoeming van de directie. Wat in het bijzonder Prysmian betreft, kan op basis van de vaststelling van de Commissie dat verzoekster de bevoegdheid had – zij het indirect via de GSCP V-fondsen – om alle leden die zitting zouden hebben binnen de onderscheiden raden van bestuur van die vennootschap te benoemen, worden geoordeeld dat verzoekster in staat was die raden te controleren alsook de beslissingen die deze raden in de uitvoering van hun taken moesten nemen.

92      Wat in de tweede plaats de vraag betreft of verzoekster bedoelde controle ook daadwerkelijk heeft uitgeoefend, moet overeenkomstig het in overweging 759 van het bestreden besluit gestelde en de vaststellingen die in het kader van het onderzoek van het eerste onderdeel van het onderhavige middel zijn gedaan, worden opgemerkt dat verzoekster volledige controle over de aan de aandelen in Prysmian verbonden stemrechten had in de periode voorafgaand aan de datum van de beursgang en dat zij tot november 2007 tevens over een absolute meerderheid beschikte binnen de algemene vergadering van aandeelhouders. Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft bevestigd, heeft zij dan ook alle leden van de raden van bestuur benoemd, aanvankelijk van de vennootschappen GSCP Athena Srl en GSCP Athena Energia Srl, op 9 en 11 mei 2005, die daarna in wezen Prysmian respectievelijk PrysmianCS zijn geworden, en vervolgens van Prysmian, op 15 december 2005 en 28 februari 2007.

93      Daarnaast moet worden opgemerkt, zoals ook de Commissie in overweging 759 van het bestreden besluit heeft gedaan, dat de raad van bestuur die op 28 februari 2007 is benoemd, dat wil zeggen voor de datum van de beursgang, is benoemd voor een periode die eindigde op 31 december 2009 en dat die raad na de datum van de beursgang ongewijzigd is gebleven tot aan het einde van de inbreukperiode. Hoewel verzoekster in die periode niet langer de absolute controle over de aan de aandelen in Prysmian verbonden stemrechten had, vormt de omstandigheid dat de samenstelling van genoemde raad ongewijzigd is gebleven een aanwijzing dat verzoekster controle over de raad van bestuur is blijven uitoefenen.

94      Voor bovenstaande beoordelingen kan voorts steun worden gevonden in de vaststelling van de Commissie, die niet is betwist door verzoekster, dat zij ook de bevoegdheid had om de aandeelhouders voor de algemene vergaderingen op te roepen en de herroeping van de bestuurders of zelfs de volledige raad van bestuur voor te stellen. Die bevoegdheid laat zien dat verzoekster het vermogen had om controle over de opeenvolgende raden van bestuur van Prysmian en over de door deze te nemen beslissingen uit te oefenen. Zoals verzoekster stelt, was de enige door de Commissie geconstateerde gelegenheid waarbij verzoekster de benoeming van de leden van de raad van bestuur van Prysmian heeft herroepen, volgens overweging 760 van het bestreden besluit inderdaad op 9 april 2009, dat wil zeggen na de inbreukperiode. Zoals de Commissie opmerkt, staat echter niets eraan in de weg dat wegens de relevantie ervan rekening wordt gehouden met feiten die zich na de formele beëindiging van een inbreuk hebben voorgedaan om feiten die zich tijdens de inbreukperiode hebben voorgedaan te beoordelen. Bovendien moet worden benadrukt dat verzoekster gedurende de gehele inbreukperiode over dezelfde bevoegdheden heeft beschikt.

95      Hieruit volgt dat de Commissie zich met recht op verzoeksters bevoegdheid om de leden van de raad van bestuur van Prysmian te benoemen en haar bevoegdheid om hun herroeping voor te stellen kon baseren als objectieve factoren om aan te tonen dat verzoekster het vermogen had om genoemde raad te controleren en die ook daadwerkelijk heeft gecontroleerd.

96      Verzoekster bestrijdt evenwel dat haar bevoegdheid om de leden van de raad van bestuur van Prysmian te benoemen en die om hun herroeping voor te stellen objectieve factoren vormen om aan te tonen dat zij genoemde raad ook daadwerkelijk heeft gecontroleerd. Ten eerste stelt zij dat de Commissie daarbovenop nog had moeten aantonen hoe verzoekster een dergelijke controle over de leden van de raden van bestuur van Prysmian concreet had uitgeoefend. Zij roept in dat verband het arrest van 6 maart 2012, FLS Plast/Commissie (T‑64/06, niet gepubliceerd, EU:T:2012:102), in.

97      Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat het arrest van 6 maart 2012, FLS Plast/Commissie (T‑64/06, niet gepubliceerd, EU:T:2012:102), waarbij het Gerecht het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig had verklaard, betrekking had op een moedermaatschappij die 60 % van het kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, waarbij de overige 40 % door een derde onderneming werd gehouden. Het Gerecht heeft erop gewezen dat niet kon worden vermoed dat de moedermaatschappij controle had uitgeoefend, aangezien de derde onderneming met een pakket van 40 % ook invloed kon uitoefenen op het gedrag van de dochteronderneming. De Commissie moest daarom nog steeds aantonen dat de verzoekende partij in kwestie de beslissende invloed eenzijdig uitoefende. Voorts heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie geen toelichting had verstrekt ten aanzien van de bevoegdheid van de vertegenwoordigers van de moedermaatschappij binnen de raad van bestuur van de dochteronderneming, zodat niet was komen vast te staan dat deze vertegenwoordigers over de bevoegdheid hadden beschikt om daadwerkelijke controle over de raad van bestuur als geheel uit te oefenen tijdens een deel van de inbreukperiode (arrest van 6 maart 2012, FLS Plast/Commissie, T‑64/06, niet gepubliceerd, EU:T:2012:102, punten 39 en 43).

98      De feiten van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 maart 2012, FLS Plast/Commissie (T‑64/06, niet gepubliceerd, EU:T:2012:102), verschillen bijgevolg van die van de onderhavige zaak, waarin verzoekster de mogelijkheid had om alle aan de aandelen in Prysmian verbonden stemrechten uit te oefenen in de periode voorafgaand aan de datum van de beursgang, en zelfs daarna was er geen andere aandeelhouder die een zodanig significant pakket aandelen bezat dat hij eveneens het gedrag van de dochteronderneming kon beïnvloeden, zoals verzoekster ook heeft bevestigd ter terechtzitting. Bijgevolg kan verzoekster zich niet met vrucht op genoemd arrest beroepen voor haar stelling dat de Commissie bovendien nog moest aantonen hoe zij concreet controle over de leden van de raden van bestuur van Prysmian had uitgeoefend.

99      Ten tweede stelt verzoekster dat de leden van de eerste raad van bestuur van Prysmian, van 15 december 2005, in werkelijkheid zijn benoemd door B., die destijds de algemeen directeur van Pirelli Cavi e Sistemi Energia was en daarna algemeen directeur van Prysmian is geworden.

100    Zoals zowel de Commissie als interveniëntes opmerken, moet evenwel worden vastgesteld dat deze stelling niet met enig door verzoekster aangevoerd bewijs is onderbouwd, met name niet door de e-mail van 20 februari 2007 die is aangevoerd, zodat zij moet worden afgewezen. Zelfs gesteld dat B. de kandidaten voor de raad van bestuur van Prysmian heeft voorgesteld, kan verzoekster voorts niet stellen dat B., en niet zijzelf, hen heeft uitgekozen en benoemd. Ook al stelt verzoekster tot slot dat het autonome marktgedrag van Prysmian conform de instructies van haar directie blijkt uit het feit dat B. vóór haar verwerving door de GSCP V-fondsen de algemeen directeur van Pirelli Cavi e Sistemi Energia is geweest, opgemerkt moet worden dat B. het enige lid van de raad van bestuur van Prysmian was die door Pirelli Cavi e Sistemi Energia was tewerkgesteld vóór haar acquisitie door de GSCP V-fondsen, zoals blijkt uit overweging 781 van het bestreden besluit. Volgens de rechtspraak vormt de omstandigheid dat een vennootschap een deel van de bestuursleden in het kader van een verwerving van een vennootschap vervangt, een aanwijzing van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed door de verwervende vennootschap op de verworven vennootschap (zie in die zin arrest van 16 september 2013, CEPSA/Commissie, T‑497/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:438, punt 176).

101    Ten derde benadrukt verzoekster dat de raad van bestuur van Prysmian slechts één keer per kwartaal bijeenkwam, wat volgens haar bevestigt dat de directie het bestuur over deze vennootschap in handen had, en niet de raad van bestuur. Een dergelijke stelling met betrekking tot regelmaat of frequentie van de bijeenkomsten van de raad van bestuur kan er echter niet aan afdoen dat de raad van bestuur het orgaan is dat in de uitoefening van zijn taken over de samenstelling en de taken van de directie beslist. Voorts voert verzoekster niets concreets aan dat kan aantonen dat de directie, en meer in het bijzonder B. als algemeen directeur, volledig autonoom was ten opzichte van genoemde raad van bestuur, zoals verzoekster beweert. Verzoeksters stelling is derhalve ongegrond.

102    Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat de bevoegdheid om de leden van de raad van bestuur te benoemen en de bevoegdheid om de aandeelhouders voor de algemene vergadering op te roepen en de herroeping van de bestuurders voor te stellen, objectieve factoren vormen die laten zien dat verzoekster in staat was om beslissende invloed op interveniëntes uit te oefenen en die ook daadwerkelijk heeft uitgeoefend.

2)      Effectieve vertegenwoordiging van verzoekster binnen de raad van bestuur van Prysmian

103    In de overwegingen 761 en 762 van het bestreden besluit zet de Commissie uiteen dat verzoekster erop toezag dat zij rechtstreeks was vertegenwoordigd binnen elke raad van bestuur van Prysmian, door bestuurders te benoemen met wie zij banden hadden, [vertrouwelijk]. Vervolgens hebben die bestuurders steeds minstens de helft van de zetels in de verschillende raden van bestuur van Prysmian bezet. Zij voegt daaraan toe dat de aan verzoekster verbonden bestuurders in sommige gevallen een doorslaggevende stem hadden, waardoor verzoekster daadwerkelijke controle over de beslissingen van de raad van bestuur kon behouden.

104    Verzoekster bestrijdt deze stelling door allereerst aan te voeren dat de bestuurders die de Commissie als haar werknemers heeft benoemd, in werkelijkheid PIA-bestuurders waren en dat zij door een met verzoekster „verwante” vennootschap, namelijk GS Services Ltd, werden tewerkgesteld. Vervolgens geeft zij te kennen dat de overige leden van de raad van bestuur onafhankelijke bestuurders waren, van wie de Commissie niet had aangetoond dat die aan hun verplichtingen tot onafhankelijkheid of hun fiduciaire verplichtingen hadden verzaakt. Tot slot stelt zij dat zij, anders dan de Commissie in het bestreden besluit heeft vastgesteld, nooit door minstens de helft van de leden van de raad van bestuur van Prysmian vertegenwoordigd is geweest.

105    De op dit punt door verzoekster geformuleerde argumenten kunnen echter niet worden aanvaard. Ten eerste moet namelijk worden geoordeeld dat de bestuurders die verzoekster „PIA-bestuurders” noemt, die door GS Services waren tewerkgesteld, ook werknemers van verzoekster waren, aangezien [vertrouwelijk], zoals de Commissie heeft toegelicht. [vertrouwelijk]

106    Ten tweede is het, wat de vaststelling van de Commissie betreft dat verzoekster gedurende de gehele inbreukperiode banden is blijven houden met ten minste de helft van de leden van de opeenvolgende raden van bestuur van Prysmian, inderdaad zo dat de hoogste vertegenwoordiging van de PIA-bestuurders binnen deze raden 43 % vóór de datum van de beursgang en ongeveer 33 % na deze datum was, zoals verzoekster stelt. Dat doet er echter niet aan af dat de Commissie in de overwegingen 761 en 762 van het bestreden besluit en de daarbij behorende voetnoten bewijzen aanvoert, zonder dat verzoekster het tegenbewijs heeft kunnen leveren, waaruit naar voren komt dat zij ook met andere leden van de raad van bestuur van Prysmian banden onderhield, met name door [vertrouwelijk].

107    In dat verband heeft het Hof voor recht verklaard dat een economische eenheid tussen de moedermaatschappij en haar dochteronderneming niet alleen als gevolg van de formele betrekking tussen hen kan ontstaan, maar ook op informele wijze, met name door het bestaan van een personele vervlechting tussen de juridische entiteiten die een dergelijke economische eenheid vormen (zie in die zin arrest van 11 juli 2013, Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje, C‑440/11 P, EU:C:2013:514, punt 68).

108    Rekening houdend met zowel de PIA-bestuurders als de bestuurders met wie verzoekster die andere soort banden onderhield, meer bepaald door [vertrouwelijk], is de conclusie van de Commissie dat verzoekster er gedurende de gehele periode op toezag dat zij door minstens de helft van de leden van de raad van bestuur werd vertegenwoordigd, derhalve gegrond. Ook al voert verzoekster voorts aan de bestuursleden met wie zij die andere soort banden had, als onafhankelijke bestuursleden handelden, vastgesteld moet worden dat een dergelijke status uitsluitend is gebaseerd op een beoordeling die de raad van bestuur van Prysmian van zichzelf heeft gemaakt, zoals volgt uit verzoeksters antwoord op het verzoek om inlichtingen van 13 maart 2013, dat bij het verzoekschrift is gevoegd. Het loutere feit dat deze raad van bestuur heeft geoordeeld dat sommige van zijn leden onafhankelijk waren, of zelfs dat zij een dergelijke beoordeling in de governanceverslagen heeft bekendgemaakt, zoals verzoekster stelt, kan op zich niet afdoen aan de vaststelling van de Commissie dat deze bestuursleden niet hebben opgehouden banden met verzoekster te onderhouden.

109    Hieruit volgt dat de Commissie zich terecht kon beroepen op de effectieve vertegenwoordiging van verzoekster binnen de raad van bestuur van Prysmian als objectieve factor om aan te tonen dat zij in staat was om beslissende invloed op interveniëntes uit te oefenen en die invloed ook daadwerkelijk heeft uitgeoefend.

3)      Bestuursbevoegdheden van de vertegenwoordigers van verzoekster binnen de raad van bestuur

110    In overweging 763 van het bestreden besluit licht de Commissie toe dat verzoekster er ook op toezag dat haar vertegenwoordigers binnen de raad van bestuur de ruimst mogelijke bestuursbevoegdheden bezaten. Meer bepaald wijst zij er ten eerste op dat op 15 december 2005 en 16 mei 2007 vier PIA-bestuurders zijn benoemd tot „managing director” van Prysmian, wat inhield dat aan hen bevoegdheden waren gedelegeerd die betrekking hadden op het gewone bestuur van die laatste vennootschap, waaronder de ondertekening van de documenten die met het dagelijkse bestuur verband hielden. Ten tweede zet zij uiteen dat, zelfs wanneer de bevoegdheden van de managing directors op 16 januari 2007 zijn ingetrokken met het oog op de voorbereiding van de beursgang, daarna twee PIA-bestuurders zijn toegewezen aan een „strategisch comité” dat in totaal uit drie leden bestond. Zij erkent dat dit comité niet over stembevoegdheden of veto’s beschikte, maar benadrukt dat dit comité een centrale rol speelde waar het de strategische en commerciële vraagstukken rond Prysmian betrof. Tot slot wijst zij erop dat dit comité in mei 2010 is opgeheven, vlak nadat verzoekster zich volledig uit Prysmian had teruggetrokken.

111    Verzoekster bestrijdt deze stellingen van de Commissie. Volgens haar blijkt uit een niet-vooringenomen onderzoek van de elementen die ter ondersteuning daarvan zijn aangevoerd dat de PIA-bestuursleden vóór de datum van de beursgang geen rol in het commerciële beleid van Prysmian hebben gespeeld. Zij stelt daarnaast dat het strategisch comité geen centrale rol heeft gespeeld in het commerciële beleid van Prysmian en slechts als raadgevend lichaam heeft gehandeld. Zij stelt dat overigens uit geen van de bewijzen blijkt dat de PIA-bestuurders door hun lidmaatschap van genoemd comité beslissende invloed op het commerciële beleid van Prysmian hebben uitgeoefend.

112    Wat verzoeksters eerste stelling betreft, inzake de periode die in wezen aan de datum van de beursgang voorafgaat, moet om te beginnen worden vastgesteld dat de bewijzen die de Commissie in het bestreden besluit inroept, met name in de voetnoten 1142 tot en met 1145, duidelijk en zonder ruimte voor twijfel laten zien dat drie PIA-bestuurders tot managing director van Prysmian zijn benoemd, op een totaal van vier.

113    Vervolgens blijkt uit de bijlagen bij het verzoekschrift dat de PIA-bestuurders zich op grond van de aan die managing directors gedelegeerde bevoegdheden met het dagelijkse bestuur van Prysmian bezighielden. Meer in het bijzonder hebben zij zich met name uitgesproken over een verzoek om toestemming om een bijkantoor in Qatar te openen, over benoemingen in de raden van bestuur van de dochterondernemingen van Prysmian en over vraagstukken met betrekking tot de tewerkstelling door laatstgenoemde vennootschap.

114    In die omstandigheden moet verzoeksters stelling dat de PIA-bestuurders vóór de datum van de beursgang geen rol hebben gespeeld in de commerciële gang van zaken binnen Prysmian worden afgewezen. Daarnaast stelt verzoekster weliswaar dat de betrokken beslissingen in de meeste gevallen reeds door de directie van Prysmian waren genomen, maar moet eraan worden herinnerd dat het feit dat de moedermaatschappij of haar vertegenwoordigers deze voorstellen moeten goedkeuren en dus het recht hebben om dit niet te doen of daarvan af te wijken, volgens de rechtspraak juist van beslissende invloed getuigt (arrest van 13 december 2013, HSE/Commissie, T‑399/09, niet gepubliceerd, EU:T:2013:647, punt 84).

115    Wat verzoeksters tweede stelling betreft, inzake de periode na de datum van de beursgang en meer in het bijzonder het strategisch comité, moet er om te beginnen op worden gewezen dat verzoekster niet betwist dat dit comité inderdaad uit drie leden was samengesteld, waaronder twee PIA-bestuurders. Wat zijn taken betreft, blijkt uit de bijlagen bij het verzoekschrift dat dit comité formeel was belast met het onderzoek van de budgetten en investeringen van Prysmian en met de verzekering van haar financiering en bijstand aan de raad van bestuur in de uitoefening van zijn taken. Meer specifiek toont de agenda van zijn vergadering van 16 juli 2008 aan dat het vraagstukken van commerciële strategie heeft bestudeerd, waaronder investeringen in Brazilië, China, Tunesië, Italië en Rusland.

116    Zelfs wanneer het strategisch comité geen besluitvormingsbevoegdheden had, zoals de Commissie ook zelf erkent in het bestreden besluit, kan dat bijgevolg niet betekenen dat het, zoals verzoekster beweert, geen rol speelde binnen de context van het strategische besluitvormingsproces binnen Prysmian.

117    Vervolgens voert verzoekster niettemin aan dat de PIA-bestuurders slechts beperkt raad hebben gegeven binnen het strategisch comité, door korte e-mails te sturen waarin zij hun beroepservaring op het gebied van investeringen deelden, zulks steeds op initiatief of verzoek van de directie. Zoals de Commissie verklaart, vormen deze e-mails niettemin het bewijs dat stelselmatig met de PIA-bestuurders contact werd opgenomen wanneer het om strategische beslissingen ging, daaronder begrepen potentiële investeringen, en dat zij actief betrokken waren bij de beslissingen over het commerciële beleid van Prysmian.

118    Tot slot stelt verzoekster dat B., als algemeen directeur van Prysmian, en haar directie de samenstelling van het strategisch comité hadden bepaald. Dienaangaande volstaat de opmerking dat voor deze stelling geen steun kan worden gevonden in de e-mail van 20 februari 2007 waarop zij zich beroept.

119    Hieruit volgt dat de Commissie terecht tot de conclusie kon komen dat de bestuursbevoegdheden van de PIA-bestuurders binnen de raad van bestuur van Prysmian gedurende de periode tot aan de datum van de beursgang, en vervolgens hun rol binnen het strategisch comité vanaf die datum, objectieve factoren vormen die kunnen aantonen dat verzoekster het vermogen had om beslissende invloed uit te oefenen op het marktgedrag van interveniëntes en dat zij die invloed gedurende de gehele inbreukperiode ook heeft uitgeoefend.

4)      Belang van de rol die verzoekster heeft gespeeld binnen de door Prysmian opgerichte comités

120    In overweging 764 van het bestreden besluit zet de Commissie uiteen dat de PIA-bestuurders ook een belangrijke rol hebben gespeeld in andere comités van Prysmian, die op 15 december 2005 zijn opgericht, namelijk het comité vergoedingen en het comité interne controle. Volgens haar behandelde het eerste met name vraagstukken in verband met vergoedingen en was het tot 28 februari 2007 samengesteld uit twee PIA-bestuurders op een totaal van drie leden; het tweede behandelde vraagstukken in verband met de naleving van de geldende regels, met name in verband met boekhouddocumenten, en bestond uit één PIA-bestuurder op een totaal van twee leden.

121    Verzoekster erkent dat de PIA-bestuurders aan deze comités hebben deelgenomen, maar stelt dat deze omstandigheid niet het bewijs levert dat zij beslissende invloed op Prysmian heeft uitgeoefend. Zij benadrukt bovendien dat vanaf 28 februari 2007 slechts één PIA-bestuurder aan genoemde comités heeft deelgenomen, meer bepaald het comité vergoedingen.

122    Ten aanzien van het comité vergoedingen moet worden opgemerkt dat het feit dat de PIA-bestuurders binnen dit comité in de meerderheid waren, zoals het geval was in de periode voorafgaand aan de datum van de beursgang, anders dan verzoekster stelt, inderdaad het bewijs kan leveren dat de moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op haar dochtermaatschappij, aangezien dit comité kon beslissen over de vergoeding van de directie van de dochteronderneming. De Commissie kan deze factor echter niet gebruiken als aanwijzing voor beslissende invloed voor de periode na die datum, aangezien er binnen het comité slechts één PIA-bestuurder op een totaal van drie leden was.

123    Wat het comité interne controle betreft, is het betoog van de Commissie evenmin gegrond. Aangezien dit comité in casu alleen taken als controle en verificatie van boekhouddocumenten en bijstand bij de opstelling van de balansen verrichtte, kan immers niet de conclusie worden getrokken dat verzoekster door genoemd comité in staat was het commerciële beleid van haar dochteronderneming te controleren. Bovendien moet worden opgemerkt dat, zoals uit overweging 764 van het bestreden besluit blijkt, geen van de PIA-bestuurders vanaf 28 februari 2007 zitting heeft gehad in dit comité, zodat die omstandigheid hoe dan ook niet ten grondslag kan worden gelegd aan de uitoefening van beslissende invloed voor de periode na de datum van de beursgang.

124    Hieruit volgt dat de Commissie geen rekening mocht houden met de deelname van de PIA-bestuurders aan de comités vergoedingen en interne controle als objectieve factor die het vermogen tot en de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed door verzoekster op interveniëntes gedurende de gehele inbreukperiode kon aantonen.

5)      Ontvangst van geregelde voortgangsrapportages en maandelijkse rapporten

125    In overweging 765 van het bestreden besluit verwijst de Commissie naar de ontvangst van geregelde voortgangsrapportages en maandelijkse rapporten door de PIA-bestuurders gedurende de gehele inbreukperiode.

126    Volgens verzoekster zijn deze rapporten irrelevant voor de beoordeling of door haar beslissende invloed is uitgeoefend op interveniëntes, aangezien die niet voor haar werden opgesteld maar bedoeld waren om aan een ruim publiek verslag uit te brengen over de resultaten van de onderneming. Bovendien stelt zij dat de rapporten alleen tot doel hadden om de PIA-managing directors kennis te kunnen laten nemen van de resultaten die de investering in Prysmian opbracht en dat van hen geen bijdrage werd verlangd.

127    Er dient met de Commissie aan te worden herinnerd dat in de rechtspraak van het Gerecht reeds is vastgesteld dat de raad van commissarissen van een dochteronderneming die voor het merendeel is samengesteld uit vertegenwoordigers van een moedermaatschappij, zich met behulp van rapporten geregeld op de hoogte kan houden van de commerciële activiteit van deze dochteronderneming (zie in die zin arrest van 13 december 2013, HSE/Commissie, T‑399/09, niet gepubliceerd, EU:T:2013:647, punt 93). Verzoeksters stelling in tegenovergestelde zin moet derhalve worden afgewezen.

128    Bovendien moet erop worden gewezen dat de PIA-bestuurders met behulp van de maandelijkse rapporten geregeld op de hoogte werden gehouden van de ontwikkeling van de commerciële activiteit van Prysmian. Zoals volgt uit de voorbeelden die in voetnoot 1157 van het bestreden besluit zijn aangehaald, ontvingen zij informatie over de commerciële activiteiten van deze vennootschap op het gebied van stroomkabels, met als onderwerpen financiën, energie, telecommunicatie, operationele activiteiten, human resources, logistiek, ontwikkeling van de inkoop en productontwikkeling en kwaliteit.

129    Mede gelet op de bevoegdheid van verzoekster om de leden van de onderscheiden raden van bestuur van Prysmian te benoemen en de gedelegeerde bevoegdheden waarover de PIA-bestuurders beschikten, zoals blijkt uit de overwegingen in de punten 110 tot en met 119 hierboven, is de ontvangst van geregelde voortgangsrapportages en maandelijkse rapporten een aanvullende factor die illustreert dat verzoekster geregeld op de hoogte werd gehouden van de commerciële strategie van haar dochteronderneming, wat kan bijdragen tot het bewijs van het bestaan van een economische eenheid tussen hen.

6)      Maatregelen die ervoor moesten zorgen dat na de datum van de beursgang nog steeds doorslaggevende controle kon worden uitgeoefend

130    In de overwegingen 766 tot en met 770 van het bestreden besluit stelt de Commissie dat verzoekster maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat zij zelfs na de beursgang in staat zou zijn om doorslaggevende controle over Prysmian uit te oefenen. Volgens haar betreft het de volgende vier maatregelen:

–        om te beginnen heeft verzoekster op 28 februari 2007, in haar hoedanigheid van enig indirect aandeelhouder, de raad van bestuur benoemd die Prysmian tot 9 april 2009 heeft aangestuurd, waarmee verzoekster heeft kunnen verhinderen dat er meteen na de beursgang in mei 2007 een nieuwe raad van bestuur zou komen;

–        vervolgens heeft verzoekster de statuten van deze vennootschap tijdens de algemene vergadering van Prysmian van 16 januari 2007 gewijzigd door daar onder andere een regeling inzake lijsten met voorstellen voor de benoeming en aanwijzing van nieuwe raden van bestuur in op te nemen (de Commissie licht toe dat verzoekster met deze regeling zeker kon stellen dat zij met een minder grote deelneming in staat zou zijn om in de toekomst ten minste vijf van de zes bestuursleden te benoemen en dus om de controle over Prysmian te behouden);

–        voorts is op 12 november 2007 9,9 % van de aandelen in Prysmian verkocht aan Taihan Electric Wire, die zich er in een brief van 6 november 2007 jegens Prysmian toe heeft verbonden om geen grotere investering dan 10 % van het volledige kapitaal van Prysmian aan te houden, om tijdens de algemene vergaderingen van aandeelhouders van Prysmian niet meer stemmen uit te brengen, daaronder begrepen via andere vennootschappen van de groep Taihan, dan met 10 % van de aandelen met stemrecht overeenstemt en om geen kandidaten voor te dragen voor benoeming tot bestuurder of met de controle belaste accountant van Prysmian (volgens de Commissie werd door die verbintenissen, en met name die laatste, voor verzoekster gewaarborgd dat de tweede aandeelhouder van Prysmian niet in staat zou zijn om een lijst met voorstellen voor te leggen of om vertegenwoordigers tot lid van de raad van bestuur van Prysmian te benoemen);

–        tot slot zijn er uitdrukkelijke verwijzingen naar de meerderheidsdeelneming van verzoekster na de beursgang, onder meer in de notulen van de vergadering van de raad van bestuur van 19 december 2007.

131    Verzoekster betoogt dat de Commissie er, ondanks het in het bestreden besluit gestelde, niet in is geslaagd aan te tonen dat zij met interveniëntes een economische eenheid in de zin van de rechtspraak vormde in de periode na de datum van de beursgang. Om te beginnen meent zij dat de Commissie het recht heeft geschonden, aangezien zij de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij heeft toegepast op een deelneming in het kapitaal van een omvang waarvoor er nog geen precedent is. Vervolgens stelt zij dat de benoeming van de raad van bestuur van Prysmian in februari 2007 haar er niet van heeft verzekerd dat zij de controle over deze vennootschap zou uitoefenen. Voorts zet zij uiteen dat de invoering van de regeling van de lijsten met voorstellen met het oog op de beursgang is geschied. Bovendien kan de investering van Taihan Electric Wire volgens haar niet worden verwaarloosd.

132    Ten eerste moet verzoeksters stelling dat de Commissie haar ten onrechte hoofdelijk aansprakelijk heeft gehouden voor de betaling van de aan haar dochterondernemingen opgelegde geldboete bij een omvang van een deelneming waarvoor er volgens haar geen precedent is, worden verworpen. Het volstaat immers eraan te herinneren dat een moedermaatschappij met een minderheidsparticipatie volgens de rechtspraak daadwerkelijk beslissende invloed op het marktgedrag van haar dochter kan uitoefenen, wanneer zij rechten heeft die verder gaan dan de rechten die normaal gesproken toekomen aan minderheidsaandeelhouders teneinde hun financiële belangen te beschermen, en die, bezien volgens de methode van de bundel van overeenstemmende juridische of economische aanwijzingen, kunnen aantonen dat er beslissende invloed wordt uitgeoefend op het marktgedrag van de dochteronderneming (arresten van 12 juli 2011, Fuji Electric/Commissie, T‑132/07, EU:T:2011:344, punt 183, en 9 september 2015, Toshiba/Commissie, T‑104/13, EU:T:2015:610, punt 97).

133    Ten tweede moet ten aanzien van verzoeksters argument dat de benoeming van de raad van bestuur op 28 februari 2007 haar niet van een controlerende positie heeft verzekerd, in herinnering worden gebracht dat de op die datum gevormde raad van bestuur, dat wil zeggen vóór de datum van de beursgang, zoals in punt 93 hierboven is uiteengezet, voor een periode tot en met 31 december 2009 is benoemd en dat de samenstelling ervan ongewijzigd is gebleven na de datum van de beursgang en zelfs na de einddatum van de inbreuk. Hoewel verzoekster in die periode geen absolute controle meer had over de aan de aandelen in Prysmian verbonden stemrechten, vormt het behoud van dezelfde samenstelling van die raad er een aanwijzing van dat verzoekster controle over de raad van bestuur is blijven uitoefenen na de beursgang.

134    Ten derde moet ten aanzien van verzoeksters stelling inzake de regeling van lijsten met voorstellen, namelijk dat een dergelijke regeling verplicht was gesteld in de gedragscode voor beursgenoteerde vennootschappen, worden opgemerkt dat verzoekster niet opkomt tegen de conclusie van de Commissie dat zij met die regeling kon verzekeren dat zij met een minder grote deelneming in staat zou zijn om ten minste vijf van de zes bestuursleden binnen de raad van bestuur van Prysmian te benoemen. Aangezien het irrelevant is of de regeling is voortgevloeid uit een initiatief van verzoekster of juridisch werd opgelegd in de geldende regelgeving, moet worden ingestemd met de conclusie van de Commissie dat verzoekster met deze regeling haar controle over de raad van bestuur van Prysmian na de beursgang kon behouden. Bovendien moet erop worden gewezen dat, zelfs wanneer verzoekster niet van deze regeling heeft gebruikgemaakt tijdens de inbreukperiode, dit ook niet noodzakelijk was, aangezien de samenstelling van de door verzoekster op 28 februari 2007 benoemde raad van bestuur, zoals reeds vermeld, ongewijzigd is gebleven tot na de einddatum van de inbreuk.

135    Ten vierde moet, wat de op 12 november 2007 gedane investering door Taihan Electric Wire betreft, waarvan verzoekster beweert dat die deze onderneming er niet van heeft weerhouden om haar rechten uit te oefenen, niettemin worden vastgesteld dat de verbintenis om geen kandidaten voor de raad van bestuur voor te dragen, zoals die volgt uit clausule nr. 2 in de brief van 6 november 2007, die bij het verzoekschrift is gevoegd, bedoeld was om te voorkomen dat bedoelde onderneming kon interveniëren in de samenstelling van de raad van bestuur. Bovendien, en anders dan verzoekster stelt, gold voor deze verbintenis niet als randvoorwaarde dat diezelfde onderneming haar deelneming in Prysmian naar meer dan 10 %zou verhogen.In dieomstandigheden is de Commissie terecht tot het oordeel gekomen dat die verbintenis tot gevolg had dat verzoekster de controle over de raad van bestuur van Prysmian behield, doordat de op een na belangrijkste aandeelhouder van de vennootschap ervan afzag om de samenstelling van die raad te beïnvloeden.

136    Wat ten vijfde de uitdrukkelijke verwijzing naar verzoeksters controle betreft, die volgens de Commissie blijkt uit de notulen van de vergadering van de raad van bestuur van 19 december 2007, volstaat de opmerking dat uit dit document inderdaad blijkt dat een van de PIA-bestuurders tijdens de evaluatie van de overdracht aan Taihan Electric Wire heeft verklaard dat het niet [vertrouwelijk]. Hoewel verzoekster de bewijswaarde van dit document in twijfel trekt, moet er voorts op worden gewezen dat het om formele notulen gaat die als zodanig worden geacht een weergave te zijn van de opmerkingen die de deelnemers aan die raad vastgelegd wensten te zien, waarbij verzoekster niets heeft overgelegd waaruit het tegendeel kan blijken.

137    Hieruit volgt dat de Commissie terecht heeft vastgesteld dat er vier maatregelen waren waaruit bleek dat verzoekster de controle over Prysmian had behouden na de beursgang, dat wil zeggen nadat zij niet langer de meerderheid van de aan de aandelen van die vennootschap verbonden stemrechten in handen had.

7)      Bewijs van gedrag dat kenmerkend is voor een uit de industrie afkomstige eigenaar

138    In overweging 771 van het bestreden besluit verklaart de Commissie dat uit het bewijs blijkt dat verzoekster zelfs na eind 2007, op een moment waarop zij indirect 31,69 % van de aandelen van Prysmian in handen had, er de voorkeur aan gaf dat Prysmian en andere dochterondernemingen van verzoekster over en weer aan elkaar zouden verkopen, zoals een eigenaar die uit de industrie afkomstig was. In voetnoot 1165 van genoemd besluit verwijst zij naar de e-mails die op 20 december 2007 zijn uitgewisseld tussen O. en B., een e-mail van O. van 2 januari 2008 en een e-mail van S. van 30 januari 2008.

139    Verzoekster bestrijdt de stelling van de Commissie met het argument dat O. met deze e-mails, als PIA-managing director, eenvoudigweg de aandacht van Prysmian wilde vestigen op de commerciële kansen en de naam van een contactpersoon bij een Noorse onderneming heeft gegeven. Volgens haar stelt de Commissie ten onrechte dat deze e-mails betrekking hadden op verkopen over en weer binnen de groep en toont zij niet aan dat de correspondentie heeft geleid tot latere contacten of dat deze correspondentie laat zien dat Prysmian onder druk is gezet om deze kansen te benutten.

140    Wat de inhoud van de e-mails in kwestie betreft, volgt uit de bijlagen bij het verweerschrift dat O. zich tot Prysmian heeft gewend om haar in kennis te stellen van een nieuwe acquisitie door verzoekster van een onderneming die televisiediensten aanbiedt in Noorwegen en zichzelf heeft aangeboden om contacten met die onderneming te leggen met het oog op de verkoop van stroomkabels. O. heeft tevens voorgesteld om op soortgelijke wijze te handelen voor zover het een door verzoekster in de Verenigde Staten gehouden vennootschap betrof.

141    Anders dan verzoekster stelt, komt uit de e-mails in kwestie naar voren dat de op de markt actieve ondernemingen het passend achtten om met haar contact op te nemen, in plaats van direct met de groep Prysmian, voor de eventuele verkoop van stroomkabels, waaruit haar status als gesprekspartner ten opzichte van die groep blijkt. Zelfs wanneer, zoals verzoekster betoogt, uit die e-mails niet blijkt dat verzoekster een instructie heeft gegeven om deze contacten te leggen of dat sprake is van een stelselmatige praktijk, had de Commissie geen ongelijk om die in haar analyse op te nemen als factor die kon aantonen dat verzoekster betrokken was bij de commerciële activiteit van Prysmian.

142    In die omstandigheden kon de Commissie zich terecht beroepen op de uitwisseling van e-mails in kwestie, met name die tussen O. en B. op 20 december 2007, als factor die de uitoefening van beslissende invloed door verzoekster op Prysmian kon aantonen.

8)      Beoordeling van alle in het bestreden besluit aangevoerde elementen

143    Uit de punten 89 tot en met 142 hierboven blijkt dat de Commissie haar conclusie ten aanzien van de uitoefening van beslissende invloed door verzoekster op interveniëntes kon onderbouwen met ten eerste haar bevoegdheid om de leden van de diverse raden van bestuur van Prysmian te benoemen, ten tweede haar bevoegdheid om de aandeelhouders voor de algemene vergaderingen op te roepen en de herroeping van de bestuurders of de volledige raad van bestuur voor te stellen, ten derde de gedelegeerde bevoegdheden van de PIA-bestuurders binnen de raden van bestuur en hun deelname aan het strategisch comité, ten vierde de ontvangst van geregelde voortgangsrapportages en maandelijkse rapporten, ten vijfde de door de Commissie opgesomde maatregelen waarmee moest worden verzekerd dat verzoekster doorslaggevende controle zou behouden na de beursgang en ten zesde het bewijs dat verzoekster zich als een uit de industrie afkomstige eigenaar heeft gedragen. In die omstandigheden moet na grondige toetsing worden geoordeeld dat de Commissie, zonder fouten te begaan, kon oordelen dat verzoekster niet alleen vóór de datum van de beursgang beslissende invloed had uitgeoefend, maar ook gedurende de gehele periode van 29 juli 2005 tot 28 januari 2009.

144    Het tweede onderdeel van het eerste middel moet dus worden afgewezen.

c)      Derde onderdeel: conclusie van de Commissie die in essentie inhoudt dat verzoekster niet een zuiver financiële investeerder was

145    Verzoekster betoogt dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan door te oordelen dat de investering van de GSCP V-fondsen in de groep Prysmian niet beantwoordde aan die van een zuiver financiële investeerder. Zij stelt dat de acquisitie van Prysmian door genoemde fondsen door professionele aandeelhouders is verricht en niet door managers of strategen. Bijgevolg kan zij niet als moedermaatschappij aansprakelijk worden gehouden.

146    Meer bepaald wijst verzoekster erop dat de GSCP V-fondsen noch de bevoegdheid noch de middelen hadden om het marktgedrag van de groep Prysmian te bepalen, dat het beheer van de portfoliovennootschap niet onder het mandaat van de PIA viel, die bedoelde fondsen heeft opgericht, dat de bestaande directie van Prysmian, die door de voormalige eigenaar van die vennootschap was aangesteld, de commerciële activiteiten is blijven aansturen, dat de PIA-bestuurders professionals op investeringsgebied waren, wier rol louter bestond in het houden van toezicht op de investering, dat er voor haar geen prikkel was om Prysmian te controleren, zoals blijkt uit de desinvesteringen waartoe zij kort na haar acquisitie is overgegaan en dat de groep Prysmian door de buitenwereld niet werd gezien als onderdeel van de groep waarvan zij de moedermaatschappij is en niet in die laatste groep was opgenomen voor boekhouddoelstellingen.

147    Daarnaast geeft verzoekster te kennen dat de maatregelen die zij ten aanzien van de groep Prysmian heeft genomen, anders dan de Commissie in het bestreden besluit heeft uiteengezet, niet identiek zijn aan die van een houdstermaatschappij van een industriële groep.

148    Tot slot verwijt verzoekster de Commissie dat zij tot het oordeel is gekomen dat het economische voordeel dat zij uit haar investering heeft gehaald, het bewijs kan leveren dat zij geen financiële investeerder was.

149    De Commissie en interveniëntes bestrijden deze argumenten.

150    Met het derde onderdeel van haar eerste middel komt verzoekster met name op tegen de oordelen van de Commissie in de overwegingen 773 tot en met 781 van het bestreden besluit, waarin zij antwoordt op de argumenten die verzoekster in de loop van de administratieve procedure had aangevoerd om te doen vaststellen dat haar gedrag ten opzichte van de groep Prysmian beantwoordde aan dat van een zuiver financiële investeerder.

151    Volgens de rechtspraak is de toekenning van de verantwoordelijkheid voor de door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk aan de moedermaatschappij niet van toepassing op zuiver financiële investeerders, namelijk het geval waarin een investeerder deelnemingen in een vennootschap heeft om financiële winst te verwezenlijken, maar zich van elke betrokkenheid bij het bestuur en de controle ervan onthoudt (zie in die zin arrest van 12 december 2012, 1. garantovaná/Commissie, T‑392/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:674, punten 50‑52). Het zijn van „zuiver financiële investeerder” vormt echter geen juridische maatstaf maar is juist een voorbeeld van een omstandigheid waarin het de moedermaatschappij vrijstaat om het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed te weerleggen (zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, EU:C:2009:262, punt 75).

152    Wat om te beginnen verzoeksters stellingen betreft dat de GSCP V-fondsen noch de bevoegdheid noch de middelen hadden om het marktgedrag van Prysmian te bepalen en dat het bestuur van dochterondernemingen niet binnen het mandaat van de PIA viel, moet worden geconstateerd dat deze overwegingen irrelevant zijn voor de vaststelling dat daadwerkelijk beslissende invloed is uitgeoefend. Bovendien worden zij tegengesproken door de objectieve factoren en aanwijzingen waarvan hierboven in punt 143 is vastgesteld dat die gegrond zijn. Daaraan moet worden toegevoegd dat, zoals ook de Commissie aanvoert, in het bestreden besluit niet is vastgesteld dat verzoekster bij het commerciële beheer van Prysmian betrokken was, maar dat zij beslissende invloed uitoefende op de commerciële beslissingen van die vennootschap. In dat verband moet eraan worden herinnerd dat de beoordeling of beslissende invloed is uitgeoefend, volgens vaste rechtspraak niet beperkt hoeft te blijven tot alleen de elementen die betrekking hebben op het commerciële beleid stricto sensu van de dochteronderneming op de markt (zie in die zin arrest van 15 juli 2015, HIT Groep/Commissie, T‑436/10, EU:T:2015:514, punt 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

153    Wat vervolgens verzoeksters stelling betreft dat de PIA-bestuurders die zitting hadden in de onderscheiden raden van bestuur van Prysmian niet de kwalificaties en ervaring hadden om de activiteiten van die onderneming aan te sturen, moet wederom worden geoordeeld dat een dergelijke omstandigheid irrelevant is voor de vaststelling dat een moedermaatschappij geen beslissende invloed op haar dochteronderneming heeft uitgeoefend. Hoe dan ook kan daarmee niet worden afgedaan aan het feit dat die bestuurders betrokken waren bij het commerciële beleid van Prysmian, aangezien zij, zoals in de punten 105 en 119 hierboven is vastgesteld, zitting hadden in de raden van bestuur van deze onderneming en in haar strategisch comité en zij gedelegeerde bestuursbevoegdheden bezaten.

154    Wat daarnaast verzoeksters stelling betreft dat zij er geen belang bij had om Prysmian te controleren, dit wordt eveneens tegengesproken door het feit dat zij gedurende de inbreukperiode alle raden van bestuur van die vennootschap heeft benoemd en zij na de beursgang zitting had in het strategisch comité van de onderneming. Deze stelling wordt ook overduidelijk tegengesproken door de verklaring van de PIA-bestuurder die hierboven in punt 136 is onderzocht.

155    Tot slot moet verzoeksters stelling die in wezen inhoudt dat de groep door de buitenwereld niet werd gezien als onderdeel van de groep waarvan zij de moedermaatschappij was en niet in genoemde groep was opgenomen voor boekhouddoelstellingen, worden afgewezen aangezien die niet de door de Commissie genoemde factoren en aanwijzingen van het bestaan van beslissende invloed kan weerleggen.

156    Uit een en ander volgt dat verzoekster er, anders dan zij zelf beweert, niet in is geslaagd aan te tonen dat de deelnemingen die zij in de groep Prysmian had, uitsluitend bedoeld waren om financieel te investeren en dat zij zich heeft onthouden van enige betrokkenheid bij het bestuur van en de controle over genoemde onderneming.

157    Het derde onderdeel van het eerste middel moet dus worden afgewezen, en daarmee het onderhavige middel in zijn geheel.

2.      Tweede middel: schending van artikel 2 van verordening nr. 1/2003, ontoereikend bewijs en niet-nakoming van de motiveringsplicht in artikel 296 VWEU

158    Verzoekster betoogt dat de Commissie artikel 2 van verordening nr. 1/2003 heeft geschonden en de motiveringsplicht in artikel 296 VWEU niet is nagekomen, doordat zij niet naar behoren rekening heeft gehouden met de relatie tussen haar en interveniëntes teneinde haar hoofdelijk aansprakelijk te houden voor de betaling van de aan haar dochterondernemingen opgelegde geldboete.

159    Verzoekster laat dit middel uiteenvallen in twee onderdelen. In het kader van het eerste onderdeel betoogt zij dat de door de Commissie aangevoerde bewijzen om haar hoofdelijk aansprakelijk te houden voor de betaling van de aan haar dochterondernemingen opgelegde geldboete onregelmatigheden vertonen en voortkomen uit de niet-onderbouwde verklaringen die interveniëntes in de loop van de administratieve procedure hebben ingediend. In het kader van het tweede onderdeel meent zij dat de Commissie haar besluit ontoereikend heeft gemotiveerd.

a)      Eerste onderdeel: schending van artikel 2 van verordening nr. 1/2003 en ontoereikend bewijs

160    Verzoekster verwijt de Commissie dat zij de conclusies ten aanzien van haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de aan haar dochterondernemingen opgelegde geldboete uitsluitend op de door interveniëntes afgelegde verklaringen heeft gebaseerd, hoewel die verklaringen, volgens haar, niet onderling overeenstemmend of betrouwbaar zijn.

161    Meer bepaald geeft verzoekster te kennen dat de verklaringen van interveniëntes niet op enig bewijs zijn gesteund en dat de Commissie die heeft aanvaard zonder die kritisch te benaderen. Ook merkt zij op dat de Commissie opzettelijk voorbij is gegaan aan het door haarzelf overgelegde bewijs om de inlichtingen van interveniëntes tegen de spreken. Verder stelt verzoekster dat de verklaringen van interveniëntes waarop de Commissie steunt, tegenstrijdig zijn met de verklaringen die zij eerder hadden afgelegd en met het bewijs dat zij hadden overgelegd vóór de mededeling van punten van bezwaar. De Commissie heeft dan ook verzaakt aan haar verplichting om de door interveniëntes overgelegde documenten zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken.

162    De Commissie en interveniëntes bestrijden deze argumenten.

163    Verzoekster betoogt dat de conclusies ten aanzien van haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de aan haar dochterondernemingen opgelegde geldboete die in het bestreden besluit voorkomen, niet berusten op toereikend en betrouwbaar bewijs. In essentie herhaalt zij het merendeel van de argumenten die in het kader van het eerste middel zijn aangevoerd, die moeten worden afgewezen om dezelfde redenen als die welke in het kader van dat middel zijn uitgewerkt.

164    Verzoekster stelt in de eerste plaats dat de Commissie de verklaringen van interveniëntes ten aanzien van haar bevoegdheid om de raad van bestuur van Prysmian te benoemen, de deelname van de PIA-bestuurders aan het strategisch comité, haar gedrag als uit de industrie afkomstige eigenaar en de gedelegeerde bevoegdheden van de PIA-bestuurders, letterlijk heeft overgenomen zonder die kritisch te onderzoeken.

165    Wat om te beginnen de bevoegdheid om de raden van bestuur te benoemen betreft, moet erop worden gewezen dat de conclusies van de Commissie niet uitsluitend op de verklaringen van Prysmian zijn gebaseerd, maar ook op de door verzoekster verstrekte inlichtingen en de statuten van de vennootschap, zoals blijkt uit overweging 762 en de voetnoten 1138 tot en met 1141 van het bestreden besluit. Waar verzoekster opnieuw te kennen geeft dat de eerste raad van bestuur is gekozen door B., als algemeen directeur van Prysmian, en niet door haarzelf, moet worden vastgesteld dat deze stelling, zoals hierboven in punt 100 is opgemerkt, niet met enig bewijs is onderbouwd door verzoekster.

166    Wat vervolgens verzoeksters deelname aan het strategisch comité betreft, volgt uit overweging 763 en de voetnoten 1148 tot en met 1153 van het bestreden besluit dat de Commissie haar conclusies heeft onderbouwd met de e-mails die zijn uitgewisseld door de PIA-bestuurders en de algemeen directeur van Prysmian en met de agenda voor de vergaderingen van dit comité en de notulen van de vergaderingen van de raden van bestuur. De Commissie heeft dus niet uitsluitend de verklaringen van interveniëntes overgenomen om haar conclusies ten aanzien van dit comité te onderbouwen, zoals verzoekster beweert. Zoals bovendien is uiteengezet in punt 115 hierboven, blijkt uit de agenda voor de vergadering van dit comité van 16 juli 2008 dat dit comité strategische vraagstukken bestudeerde, waaronder investeringen in Brazilië, China, Tunesië, Italië en Rusland, wat in tegenspraak is met verzoeksters stelling dat het comité in kwestie geen rol toekwam in het strategische besluitvormingsproces binnen Prysmian.

167    Voorts is de conclusie dat verzoekster er de voorkeur aan gaf dat over en weer zou worden verkocht binnen de groep, gebaseerd op de e-mails die op 20 december 2007 zijn uitgewisseld tussen O. en B., op een e-mail van O. van 2 januari 2008 en op een e-mail van S. van 30 januari 2008, zoals is toegelicht in overweging 771 van het bestreden besluit. De stelling dat deze vaststelling uitsluitend is gebaseerd op de verklaringen van interveniëntes moet derhalve worden afgewezen.

168    Wat tot slot de gedelegeerde bevoegdheden van de PIA-bestuurders betreft, volgt uit de punten 112 tot en met 114 hierboven dat het door de Commissie in het bestreden besluit aangevoerde bewijs, met name in de voetnoten 1142 tot en met 1145 van genoemd besluit, wordt gevormd door de notulen van de vergadering van de raad van bestuur van Prysmian van 15 december 2005. Anders dan verzoekster opmerkt, heeft de Commissie haar conclusies dus niet louter op de verklaringen van interveniëntes gebaseerd. Voor het overige kan voor de stellingen van de Commissie bevestiging worden gevonden in de bijlagen bij het verzoekschrift, waaruit naar voren komt dat de PIA-bestuurders zich op grond van de aan de managing directors gedelegeerde bevoegdheden bezighielden met het dagelijkse bestuur van Prysmian. Meer in het bijzonder hebben zij zich uitgesproken over een verzoek om toestemming om een bijkantoor in Qatar te openen, over benoemingen in de raden van bestuur van de dochterondernemingen en over vraagstukken met betrekking tot de tewerkstelling.

169    Uit een en ander volgt dat de door de Commissie gedane vaststellingen, anders dan verzoekster stelt, niet uitsluitend zijn gebaseerd op de verklaringen die door interveniëntes zijn afgelegd.

170    Voor zover verzoekster in de tweede plaats te kennen geeft dat de verklaringen van interveniëntes elkaar tegenspreken en dat de Commissie is voorbijgegaan aan hetgeen zijzelf tijdens de administratieve procedure heeft overgelegd, volstaat de vaststelling dat zij niet nauwkeurig aanhaalt om welke van die verklaringen of bewijzen het gaat, zodat de in die zin aangevoerde stellingen van verzoekster moeten worden afgewezen.

171    Het eerste onderdeel van het tweede middel moet derhalve worden afgewezen.

b)      Tweede onderdeel: niet-nakoming van de motiveringsplicht

172    Verzoekster meent dat de Commissie de krachtens artikel 296 VWEU op haar rustende motiveringsplicht niet is nagekomen. Meer bepaald verwijt zij de Commissie dat zij heeft verzuimd in te gaan op de gedetailleerde inlichtingen die zij in de loop van de administratieve procedure had verstrekt en dat zij haar conclusies onvoldoende heeft onderbouwd, met name die ten aanzien van de toepassing van het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed in de periode voorafgaand aan de datum van de beursgang, van de vaststelling dat gedurende de gehele inbreukperiode daadwerkelijk beslissende invloed is uitgeoefend op de groep Prysmian en van haar argument dat haar rol binnen Prysmian die van een zuiver financiële investeerder was.

173    De Commissie en interveniëntes weerleggen deze stellingen.

174    Overeenkomstig artikel 296 VWEU moeten alle handelingen, met inbegrip van besluiten, met redenen worden omkleed.

175    Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en moet de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechterlijke instantie haar toezicht kan uitoefenen (zie arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punt 147 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

176    Zo heeft de verplichting tot motivering van individuele besluiten volgens de rechtspraak zowel tot doel om de rechter in staat te stellen de wettigheid ervan te toetsen, als om de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of het besluit een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist. De motiveringsplicht van artikel 296 VWEU is een wezenlijk vormvoorschrift dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de omstreden handeling betreft (zie arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punten 146 en 148 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De grieven en argumenten ter betwisting van de gegrondheid van die handeling treffen derhalve geen doel in het kader van een middel betreffende gebrek aan of ontoereikende motivering (zie in die zin arresten van 22 maart 2001, Frankrijk/Commissie, C‑17/99, EU:C:2001:178, punten 35‑38, en 15 juni 2005, Corsica Ferries France/Commissie, T‑349/03, EU:T:2005:221, punten 52 en 59).

177    Anders dan verzoekster stelt, is de motivering van het bestreden besluit in de onderhavige zaak voldoende om haar in staat te stellen te begrijpen waarom de Commissie haar hoofdelijk aansprakelijk heeft gehouden voor de betaling van de aan haar dochterondernemingen opgelegde geldboete wegens haar directe deelname aan de mededingingsregeling in kwestie en om het Gerecht in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen.

178    Wat om te beginnen de beslissing betreft om het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed toe te passen voor de periode voorafgaand aan de datum van de beursgang, blijkt uit de overwegingen 748 tot en met 754 van het bestreden besluit namelijk dat de Commissie heeft toegelicht dat het feit dat verzoekster indirect de controle had over alle aan de aandelen in Prysmian verbonden stemrechten, haar in een vergelijkbare situatie plaatste als een enig eigenaar van die laatste vennootschap. Bovendien heeft de Commissie in met name de overwegingen 751 tot en met 753 van genoemd besluit toegelicht dat de door Apollo en de directie van Prysmian verrichte investeringen louter passief waren en dat zij inhielden dat zij ten gunste van verzoekster afzagen van de uitoefening van de aan de aandelen in Prysmian verbonden stemrechten. Op die basis heeft de Commissie in het licht van de in de overwegingen 697 tot en met 702 van dat besluit aangehaalde rechtspraak gemeend dat zij verzoekster op goede gronden hoofdelijk aansprakelijk kon houden voor de betaling van de aan haar dochterondernemingen opgelegde geldboete.

179    Wat vervolgens de vaststelling betreft dat verzoekster beslissende invloed op interveniëntes heeft uitgeoefend in de periode van 29 juli 2005 tot 28 januari 2009, heeft de Commissie haar conclusie dat verzoekster dergelijke invloed had uitgeoefend, toegelicht door zich overeenkomstig de rechtspraak te baseren op objectieve factoren, afgaand op de economische, organisatorische en juridische banden tussen verzoekster en interveniëntes. Deze factoren zijn een voor een en gedetailleerd beschreven in de overwegingen 758 tot en met 771 van het bestreden besluit, en als geheel afgewogen in de overwegingen 772 tot en met 781 van genoemd besluit. Bovendien heeft de Commissie geantwoord op de belangrijkste argumenten die verzoekster in het kader van die eindafweging had aangevoerd, met name in de overwegingen 773 tot en met 778 van dit besluit. Tot slot moet erop worden gewezen dat de toelichtingen van de Commissie, anders dan verzoekster stelt, niet alleen betrekking hadden op de periode voorafgaand aan de datum van de beursgang, maar ook op de periode na die datum, zoals wordt aangetoond door de maatregelen die in de overwegingen 766 tot en met 770 van datzelfde besluit zijn onderzocht.

180    Wat tot slot de conclusie betreft dat verzoekster ten opzichte van de groep Prysmian niet heeft gehandeld als een zuiver financiële investeerder, heeft de Commissie verzoekster een duidelijk antwoord gegeven in met name overweging 779 van het bestreden besluit, waarin zij verklaart dat de uitoefening van de stemrechten met betrekking tot beslissingen die voor het commerciële gedrag van de dochteronderneming van strategisch belang waren, zoals de benoeming van de hoofddirectie en de goedkeuring van de ondernemings- en bestuursplannen, ervan getuigt dat op kennelijke wijze beslissende invloed is uitgeoefend, en er niet van getuigt dat sprake was van een tijdelijke financiële investeerder.

181    Hieruit volgt dat de Commissie aan de krachtens artikel 296 VWEU op haar rustende motiveringsplicht heeft voldaan, zowel wat betreft de toepassing van het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed als wat betreft de vaststelling dat verzoekster gedurende de gehele inbreukperiode beslissende invloed heeft uitgeoefend op interveniëntes. Ook heeft zij toegelicht waarom verzoekster niet als een zuiver financiële investeerder ten opzichte van de groep Prysmian kon worden beschouwd.

182    Het tweede onderdeel van het tweede middel moet dus worden afgewezen, en daarmee dit middel in zijn geheel.

3.      Derde middel: schending van artikel 101 VWEU en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 alsmede schending van de beginselen van persoonlijke aansprakelijkheid en het vermoeden van onschuld

183    Verzoekster betoogt dat met het bestreden besluit haar grondrechten zijn geschonden.

184    Meer bepaald meent verzoekster ten eerste dat het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed dat de Commissie voor de periode voorafgaand aan de datum van de beursgang heeft toegepast, in strijd is met het vermoeden van onschuld en met artikel 6, lid 2, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 48, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Zij voegt daaraan toe dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het bewijs dat zij had overgelegd om het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed te weerleggen.

185    Ten tweede meent verzoekster dat het feit dat zij wegens haar hoedanigheid van moedermaatschappij hoofdelijk aansprakelijk is gehouden voor de betaling van de aan haar dochterondernemingen opgelegde geldboete, in strijd is met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid, aangezien noch zijzelf noch haar vertegenwoordigers binnen genoemde dochterondernemingen aan de in artikel 101 VWEU bedoelde inbreuk hebben deelgenomen.

186    De Commissie en interveniëntes bestrijden deze argumenten.

187    In de eerste plaats moet ten aanzien van de beginselen van persoonlijke aansprakelijkheid en het vermoeden van onschuld worden opgemerkt dat de Unierechter meerdere malen heeft vastgesteld dat de Commissie niet met genoemde beginselen in strijd handelt wanneer zij het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed toepast.

188    Allereerst dient er immers aan te worden herinnerd dat het feit dat binnen een groep de moedermaatschappij die beslissende invloed uitoefent op haar dochterondernemingen, hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de inbreuken die laatstgenoemde op het mededingingsrecht hebben gemaakt, volgens de rechtspraak geenszins een uitzondering op het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid vormt, maar juist een uitdrukking van dit beginsel is. De moedermaatschappij en de door haar beslissend beïnvloede dochterondernemingen vormen immers gezamenlijk één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht van de Unie en zijn aansprakelijk voor deze onderneming. Indien deze onderneming nu opzettelijk of door onachtzaamheid inbreuk maakt op de mededingingsregels, leidt dit tot persoonlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van alle rechtspersonen in de groepsstructuur (zie arrest van 27 september 2012, Nynäs Petroleum en Nynas Belgium/Commissie, T‑347/06, EU:T:2012:480, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, EU:C:2009:262, punt 97).

189    Vervolgens blijkt uit vaste rechtspraak dat het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed niet in strijd is met het vermoeden van onschuld, aangezien dit immers niet leidt tot een vermoeden van schuld van de ene of de andere van die vennootschappen (zie arrest van 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie, C‑625/13 P, EU:C:2017:52, punt 149 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en dat het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed weerlegbaar is (zie arrest van 19 juni 2014, FLS Plast/Commissie, C‑243/12 P, EU:C:2014:2006, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

190    Tot slot, en anders dan verzoekster stelt, is het vaste rechtspraak van het Hof dat het feit dat het moeilijk is om het voor de weerlegging van een vermoeden noodzakelijke tegenbewijs te leveren, op zich niet impliceert dat het vermoeden de facto onweerlegbaar is (zie in die zin arrest van 16 juni 2016, Evonik Degussa en AlzChem/Commissie, C‑155/14 P, EU:C:2016:446, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

191    Hieruit volgt dat verzoeksters argument dat het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed onverenigbaar is met de beginselen van persoonlijke aansprakelijkheid en het vermoeden van onschuld, zoals neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest, moet worden afgewezen.

192    In de tweede plaats kan verzoeksters stelling dat noch zijzelf noch haar vertegenwoordigers aan de mededingingsregeling in kwestie hebben deelgenomen, gezien de hierboven in punt 188 aangehaalde rechtspraak, niet slagen.

193    In de derde plaats moet ten aanzien van verzoeksters argument dat de Commissie geen toereikende redenen heeft aangedragen om de weerlegging van het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed door verzoekster af te wijzen, worden vastgesteld dat een dergelijk argument reeds is onderzocht in het kader van het tweede middel, zodat het om dezelfde redenen moet worden afgewezen.

194    Hieruit volgt dat het feit dat verzoekster wegens haar hoedanigheid van moedermaatschappij hoofdelijk aansprakelijk is gehouden voor de betaling van de aan haar dochterondernemingen opgelegde geldboete, anders dan verzoekster stelt, niet in strijd is met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid of het vermoeden van onschuld in de door verzoekster gestelde zin in het kader van het onderhavige middel.

195    Het derde middel moet dus worden afgewezen.

4.      Vierde middel: schending van artikel 101 VWEU en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 alsmede een kennelijke beoordelingsfout en schending van de beginselen van rechtszekerheid en het persoonlijke karakter van straffen

196    Verzoekster betoogt in essentie dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan en de beginselen van rechtszekerheid en het persoonlijke karakter van straffen heeft geschonden door niet de aandelen van de hoofdelijke medeschuldenaren in het kader van hun interne relatie te bepalen en zich te beperken tot de conclusie dat zij gebonden waren aan een hoofdelijke verplichting. Volgens haar is het niet noodzakelijk die aandelen te bepalen wanneer de vennootschappen tot dezelfde groep behoren op het tijdstip waarop het bestreden besluit wordt vastgesteld. Wanneer de door die vennootschappen gevormde economische eenheid echter niet meer bestaat, zoals in de onderhavige zaak het geval is, is de Commissie verplicht die aandelen in genoemd besluit te bepalen.

197    De Commissie bestrijdt deze argumenten.

198    Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie verplicht was het door ieder van hen te betalen deel van de geldboeten in het kader van hun interne relatie te bepalen, aangezien zij op de datum van vaststelling van het bestreden besluit niet langer één economische eenheid met interveniëntes vormde.

199    Volgens de rechtspraak van het Hof heeft het Unierechtelijke begrip hoofdelijke verplichting tot betaling van de geldboete, voor zover hiermee slechts uitdrukking wordt gegeven aan een gevolg dat van rechtswege voortvloeit uit het begrip onderneming, slechts betrekking op de onderneming en niet op de vennootschappen die hiervan deel uitmaken (zie arrest van 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie, C‑625/13 P, EU:C:2017:52, punt 150 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

200    Uit artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vloeit weliswaar voort dat de Commissie meerdere vennootschappen hoofdelijk een geldboete kan opleggen wanneer deze deel uitmaakten van dezelfde onderneming, maar noch de formulering van deze bepaling noch het doel van het hoofdelijkheidsmechanisme wettigt de conclusie dat deze sanctiebevoegdheid niet alleen de externe hoofdelijkheid betreft, maar tevens de bevoegdheid omvat om het aandeel van de hoofdelijke medeschuldenaren in het kader van hun interne relatie te bepalen (zie arrest van 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie, C‑625/13 P, EU:C:2017:52, punt 151 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

201    Het mechanisme van de hoofdelijkheid beoogt juist een aanvullend juridisch instrument te vormen waarover de Commissie beschikt om de doeltreffendheid van haar maatregelen tot invordering van de wegens inbreuken op de mededingingsregels opgelegde geldboeten te versterken, aangezien dit mechanisme voor de Commissie, als schuldeiser van de door deze geldboeten gevormde schuld, het insolvabiliteitsrisico verlaagt, wat bijdraagt tot de over het algemeen door de mededingingsregels beoogde afschrikkende werking (zie arrest van 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie, C‑625/13 P, EU:C:2017:52, punt 152 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

202    De vaststelling van het aandeel van de hoofdelijke medeschuldenaren in het kader van hun interne relatie dient evenwel niet dit dubbele doel. Het gaat immers om een geschil dat rijst in een latere fase en dat in beginsel geen enkel belang meer heeft voor de Commissie, aangezien de gehele geldboete aan haar is betaald door een of meerdere van deze medeschuldenaren (zie arrest van 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie, C‑625/13 P, EU:C:2017:52, punt 153 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

203    In het licht van de hierboven in de punten 199 tot en met 202 aangehaalde rechtspraak, volstaat in de onderhavige zaak de vaststelling dat de Commissie niet gehouden was om de aandelen van verzoekster en interveniëntes in het kader van hun interne relatie te bepalen. Aangezien de Commissie immers op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat verzoekster en interveniëntes gedurende de gehele inbreukperiode één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht vormden, zoals blijkt uit het onderzoek dat in het kader van het eerste middel is verricht, mocht zij zich ertoe beperken het bedrag van de geldboete en de hoofdelijk tot betaling daarvan gehouden vennootschappen te bepalen.

204    Daarnaast kan verzoeksters argument dat interveniëntes niet langer een dergelijke eenheid met haar vormden op de datum van vaststelling van het bestreden besluit, niet afdoen aan de conclusie die in punt 203 hierboven voorkomt.

205    Ten eerste moet erop worden gewezen dat de aanvaarding van het argument in kwestie zou indruisen tegen het eenvoudige begrip hoofdelijke aansprakelijkheid. Het hoofdelijkheidsmechanisme houdt per definitie in dat de Commissie zich hetzij tot de moedermaatschappij hetzij tot de dochteronderneming kan wenden, zonder dat zij in de door verzoekster aangevoerde zin hoeft te voorzien in aandelen. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, bestaat er immers geen „voorrang” ter zake van de oplegging van een geldboete door de Commissie aan deze of gene van deze vennootschappen (zie arrest van 18 juli 2013, Dow Chemical e.a./Commissie, C‑499/11 P, EU:C:2013:482, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

206    Ten tweede moet worden geoordeeld dat de aanvaarding van een dergelijk argument schadelijk zou kunnen zijn voor het doel van het hoofdelijkheidsmechanisme, dat er volgens de hierboven in punt 201 aangehaalde rechtspraak in is gelegen een aanvullend juridisch instrument te vormen waarover de Commissie beschikt om zowel de doeltreffendheid van haar maatregelen tot invordering van de opgelegde geldboeten als de over het algemeen door de mededingingsregels beoogde afschrikkende werking te versterken.

207    Gelet op een en ander moet na grondige toetsing worden geoordeeld dat de Commissie geen fout heeft begaan en evenmin de beginselen van rechtszekerheid en het persoonlijke karakter van straffen heeft geschonden door niet de aandelen van verzoekster en interveniëntes in het kader van hun interne relatie te bepalen.

208    Het vierde middel moet dus worden afgewezen.

5.      Vijfde middel: schending van de rechten van de verdediging

209    Verzoekster meent dat de Commissie tijdens de administratieve procedure haar rechten van verdediging heeft geschonden. Zij deelt dit vijfde middel op in drie onderdelen, die er ten eerste aan zijn ontleend dat de Commissie haar geen toegang heeft verleend tot documenten die van wezenlijk belang waren voor haar verdediging, ten tweede dat de Commissie de toegang tot andere documenten op onrechtmatige wijze heeft vertraagd en ten derde dat de buitensporig lange duur van de procedure haar heeft geschaad in haar mogelijkheden om zich te verdedigen.

a)      Eerste onderdeel: de Commissie heeft verzoekster geen toegang verleend tot documenten die van wezenlijk belang waren voor haar verdediging

210    Verzoekster betoogt dat de Commissie in het bestreden besluit heeft gesteund op meerdere belastende bewijzen om haar aansprakelijkheid voor de mededingingsregeling te onderbouwen, terwijl zij die niet aan haar had meegedeeld. Meer bepaald betreft dit het document dat het bewijs bevat van de omvang van de bevoegdheden die aan de PIA-bestuurders waren gedelegeerd en documenten met daarin het bewijs van de rol van het comité vergoedingen en die van het comité interne controle.

211    De Commissie bestrijdt deze argumenten.

212    Volgens vaste rechtspraak is de eerbiediging van de rechten van de verdediging in het Unierecht een grondrecht, dat is neergelegd in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, hetwelk vereist dat die rechten in elke procedure in acht worden genomen (zie arrest van 17 december 2014, Pilkington Group e.a./Commissie, T‑72/09, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1094, punt 232 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

213    De rechten van de verdediging van een onderneming zijn slechts geëerbiedigd indien die onderneming tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de aangehaalde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarop de Commissie haar bewering heeft gesteund dat een inbreuk is gepleegd (zie arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 66).

214    In die zin voorziet artikel 27, lid 1, van verordening nr. 1/2003 erin dat de Commissie ondernemingen en ondernemersverenigingen die het voorwerp van haar procedure uitmaken in de gelegenheid stelt hun standpunt ten aanzien van de door haar in aanmerking genomen bezwaren kenbaar te maken en dat de Commissie haar besluiten slechts doet steunen op de punten van bezwaar waarover de partijen opmerkingen hebben kunnen maken.

215    Nog volgens vaste rechtspraak levert het feit dat een belastend document niet is meegedeeld, slechts schending van de rechten van de verdediging op indien de betrokken onderneming aantoont dat de Commissie dat document heeft gebruikt ter staving van haar grief dat een inbreuk is gepleegd, en de gegrondheid van deze grief enkel met dat document kan worden bewezen. Indien er andere schriftelijke bewijzen bestaan waarvan partijen tijdens de administratieve procedure kennis hadden en die specifiek de conclusies van de Commissie staven, doet het wegvallen van een niet-meegedeeld belastend stuk als bewijs niet af aan de gegrondheid van de in het bestreden besluit in aanmerking genomen grieven. De betrokken onderneming dient dus aan te tonen dat de Commissie in haar besluit tot een ander resultaat zou zijn gekomen indien een niet-meegedeeld document op grond waarvan de Commissie deze onderneming heeft beschuldigd, als belastend bewijs zou zijn uitgesloten (zie arrest van 9 september 2015, Toshiba/Commissie, T‑104/13, EU:T:2015:610, punt 129 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

216    In de onderhavige zaak geeft verzoekster weliswaar te kennen dat zij van de Commissie noch het document inzake de omvang van de aan de PIA-bestuurders gedelegeerde bevoegdheden noch de documenten inzake het comité vergoedingen en het comité interne controle heeft ontvangen, maar moet met de Commissie worden vastgesteld dat die stelling feitelijke grondslag mist.

217    Zoals de Commissie toelicht, is om te beginnen het document inzake de omvang van de aan de PIA-bestuurders gedelegeerde bevoegdheden verzoekster op 27 maart 2012 ter kennis gebracht en heeft zij toegang tot zowel een vertrouwelijke als een niet-vertrouwelijke versie van genoemd document gehad.

218    Wat vervolgens het document inzake het comité vergoedingen betreft, moet erop worden gewezen dat dit de vertrouwelijke versie van het antwoord van interveniëntes op de mededeling van punten van bezwaar is. Verzoekster heeft op 4 januari en 12 maart 2012 en op 11 september 2013 toegang gehad tot de niet-vertrouwelijke versie van dit antwoord, waaruit de door de Commissie ten aanzien van verzoekster vermelde gegevens in het bestreden besluit blijken.

219    Tot slot is het document inzake het comité interne controle een document dat identiek is aan dat in bijlage 15 bij het antwoord van interveniëntes op een verzoek om inlichtingen van 20 oktober 2009, waartoe verzoekster in het bijzonder op 26 januari 2012 toegang heeft gehad.

220    Hieruit volgt dat de Commissie geen toegang heeft geweigerd tot de documenten die verzoekster in het verzoekschrift vermeldt, zodat zij heeft voldaan aan de verplichtingen die overeenkomstig de hierboven in punt 215 aangehaalde rechtspraak op haar rusten.

221    Voor het overige stelt verzoekster dat zij geen toegang heeft gehad tot andere documenten in het dossier, zoals de documenten [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk]. Aangezien die stelling voor het eerst voor het Gerecht is geformuleerd in het stadium van de repliek en niet is gebaseerd op gegevens waarvan in de loop van de behandeling is gebleken, is zij niet-ontvankelijk. Hoe dan ook moet met de Commissie worden opgemerkt dat document [vertrouwelijk] op 8 september 2011 aan verzoekster is toegezonden en dat document [vertrouwelijk] alleen publiek toegankelijke informatie bevat, zoals blijkt uit voetnoot 1127 van het bestreden besluit.

222    Het eerste onderdeel van het vijfde middel moet derhalve worden afgewezen.

b)      Tweede onderdeel: de Commissie heeft verzoeksters toegang tot andere documenten die van wezenlijk belang waren voor haar verdediging op onrechtmatige wijze vertraagd

223    Verzoekster betoogt om te beginnen dat de Commissie inlichtingen die voor haar verdediging van wezenlijk belang waren, in een veel te laat stadium van het onderzoek heeft verstrekt, te weten op 17 mei 2013, zodat zij niet in de gelegenheid is geweest om haar rechten van verdediging op passende wijze uit te oefenen. Deze inlichtingen, die zowel belastend als ontlastend waren, betroffen ten eerste bewijzen aan de hand waarvan de rol van het strategisch comité kon worden bepaald, ten tweede bewijzen betreffende de comités vergoedingen en interne controle, ten derde bewijzen ter zake van de vraagstukken die tijdens de maandelijkse vergaderingen werden bestudeerd en ten vierde bewijzen ter onderbouwing van de stelling van de Commissie dat zij als een uit de industrie afkomstige eigenaar heeft gehandeld.

224    Vervolgens stelt verzoekster dat de te late verspreiding van die inlichtingen de schending van haar rechten van verdediging niet heeft opgeheven, aangezien zij daarover geen beschikking heeft gehad in de fase van de voorbereiding van haar antwoord op de mededeling van bezwaar of tijdens de in juni 2012 gehouden hoorzitting. Indien zij in een eerder stadium de gelegenheid zou hebben gekregen om haar standpunt ten aanzien van de bewijzen kenbaar te maken, had de Commissie daar volgens haar dan bovendien beter rekening mee kunnen houden.

225    Daarnaast stelt verzoekster dat de door de Commissie aangedragen motivering dat de te late toegang tot die inlichtingen zijn rechtvaardiging vond in het feit dat eerst moest worden vastgesteld of de bewijzen gegrond waren alvorens die konden worden meegedeeld, grondslag mist. Zij merkt op dat de Commissie reeds een jaar eerder de beschikking over het merendeel van de bewijzen had.

226    Tot slot verzoekt verzoekster het Gerecht om de Commissie te gelasten alle relevante documenten die intern door de Commissie zijn opgesteld tussen 1 maart 2012 en 17 mei 2013 overeenkomstig artikel 64, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 over te leggen met het oog op een onderzoek achter gesloten deuren, en meer bepaald de correspondentie met de juridische dienst en de notulen van de vergaderingen van het met de zaak belaste team of de interne schriftelijke instructies aan het team.

227    De Commissie weerlegt deze argumenten.

228    Verzoekster betoogt in essentie dat de Commissie haar te laat toegang heeft verleend tot documenten die van wezenlijk belang waren voor haar verdediging.

229    Volgens de hierboven in punt 213 aangehaalde rechtspraak houdt de eerbiediging van de rechten van de verdediging in wezen in dat de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de aangehaalde feiten en omstandigheden.

230    In de onderhavige zaak moet worden opgemerkt dat verzoekster in het kader van het onderhavige onderdeel niet aanvoert, zoals zij wel in het kader van het eerste onderdeel heeft gedaan, dat zij geen toegang heeft gehad tot documenten die van wezenlijk belang waren om zich te verdedigen tegen de bezwaren die de Commissie ten aanzien van haar heeft geformuleerd in het bestreden besluit, maar de Commissie uitsluitend verwijt dat zij deze documenten te laat heeft toegezonden.

231    In de eerste plaats moet er evenwel op worden gewezen dat de door verzoekster ingeroepen documenten haar op 17 mei 2013 zijn toegezonden, dat wil zeggen ongeveer 10 maanden voor de vaststelling van het bestreden besluit. In die omstandigheden kan verzoekster niet met recht stellen dat zij niet de gelegenheid heeft gehad om opmerkingen hierover in te dienen omdat zij niet genoeg tijd had om die te bestuderen. Vervolgens moet worden vastgesteld dat verzoekster zich heeft uitgesproken over deze documenten, met name op 17 juni 2013, een maand na de toezending ervan, en dat niets in haar geschriften kan aantonen dat de Commissie onvoldoende tijd heeft gehad om rekening te houden met haar opmerkingen, zoals verzoekster beweert. Tot slot legt verzoekster niet nauwkeurig uit welke argumenten zij had kunnen formuleren indien het gebrek aan tijd dit niet had verhinderd.

232    In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat twee van de documenten die volgens verzoekster te laat zijn meegedeeld, betrekking hebben op de conclusies van de Commissie ten aanzien van haar deelname aan de comités vergoedingen en interne controle van Prysmian. Uit de analyse die hierboven in het kader van het eerste middel is verricht in de punten 120 tot en met 124 volgt dat deze twee elementen niet door de Commissie kunnen worden gebruikt als onderbouwing voor haar conclusie dat verzoekster beslissende invloed heeft uitgeoefend op interveniëntes. In die omstandigheden is verzoeksters verwijt inzake de te late toezending van die twee documenten betreffende bedoelde elementen niet ter zake dienend. Voor het overige kan verzoekster niet met recht stellen dat zij niet de tijd heeft gehad om die te bestuderen met het oog op haar verweer voor de Commissie. De documenten in kwestie waren immers relatief kort, namelijk notulen van de raad van bestuur van Prysmian en maandelijkse rapporten.

233    In de derde plaats kan verzoekster niet met recht stellen dat de op 17 mei 2013 meegedeelde documenten de enige grondslag voor de argumentatie van de Commissie vormden. In dit verband moet erop worden gewezen dat de conclusies van de Commissie in het bestreden besluit berusten op andere documenten, die verzoekster in hoofdzaak zijn meegedeeld na de vaststelling van de mededeling van punten van bezwaar op 30 juni 2011.

234    In de vierde plaats heeft verzoekster weliswaar geen toegang tot deze documenten kunnen hebben om haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar voor te bereiden, maar dient eraan te worden herinnerd dat de mededeling van punten van bezwaar volgens de rechtspraak een voorbereidend stuk is met zuiver voorlopige beoordelingen feitelijk en rechtens (arrest van 5 december 2013, SNIA/Commissie, C‑448/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:801, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Niets belet derhalve dat documenten die in antwoord op de mededeling van punten van bezwaar zijn ontvangen, in een later stadium worden gebruikt in het eindbesluit, vooropgesteld dat de belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om zich daarover uit te spreken, zoals in casu.

235    Bijgevolg is het tweede onderdeel van het vijfde middel ten dele niet ter zake dienend en ten dele ongegrond. Voor het overige volstaat het dat ten aanzien van de door verzoekster voorgestelde maatregel tot organisatie van de procesgang wordt opgemerkt dat zij niet uitlegt hoe die haar betoog zou kunnen ondersteunen. In die omstandigheden is er geen reden tot inwilliging van haar verzoek.

c)      Derde onderdeel: buitensporig lange duur van de administratieve procedure

236    Verzoekster betoogt dat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, gelet op de buitensporig lange duur van de administratieve procedure. Zij wijst er in dat verband op dat het onderzoek meer dan vijf jaar heeft geduurd, namelijk van 9 januari 2009 tot en met 2 april 2014. Zij voegt daaraan toe dat die duur gevolgen heeft gehad voor haar verdediging, aangezien zij de mededeling van punten van bezwaar pas op 30 juni 2011 heeft ontvangen, dus nadat de GSCP V-fondsen hun laatste deelneming in Prysmian in 2010 hadden vervreemd. Ook meent zij dat het Gerecht, voor het geval dat de buitensporig lange duur van de administratieve procedure niet de nietigverklaring van het bestreden besluit zou rechtvaardigen, niettemin de haar opgelegde geldboete ex aequo et bono zou moeten verlagen.

237    De Commissie bestrijdt deze argumenten.

238    Volgens vaste rechtspraak vormt de inachtneming van een redelijke termijn bij de afwikkeling van administratieve procedures op het gebied van het mededingingsbeleid, een algemeen beginsel van het Unierecht waarvan de Unierechters de naleving verzekeren (zie arrest van 19 december 2012, Heineken Nederland en Heineken/Commissie, C‑452/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:829, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

239    Het beginsel van de redelijke termijn in het kader van een administratieve procedure is herbevestigd in artikel 41, lid 1, van het Handvest, volgens hetwelk „eenieder […] er recht op [heeft] dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld” (zie arrest van 5 juni 2012, Imperial Chemical Industries/Commissie, T‑214/06, EU:T:2012:275, punt 284 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

240    De vraag of de duur van elke fase van de procedure redelijk is, moet worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van elke zaak, met name de context van de zaak, het gedrag van partijen tijdens de procedure, het belang van de zaak voor de verschillende betrokken ondernemingen en de ingewikkeldheid ervan (zie in die zin arrest van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, EU:T:1999:80, punt 126).

241    Ook heeft het Hof geoordeeld dat de administratieve procedure op het gebied van het mededingingsbeleid voor de Commissie aanleiding kan geven tot onderzoek van twee achtereenvolgende perioden, die elk een eigen logica hebben. De eerste periode, die duurt tot de mededeling van punten van bezwaar, begint op de datum waarop de Commissie krachtens de haar door de Uniewetgever verleende bevoegdheden maatregelen neemt die impliceren dat een onderneming een inbreuk wordt verweten. Zij moet de Commissie in staat stellen een standpunt in te nemen over de richting die de procedure zal nemen. De tweede periode loopt van de mededeling van punten van bezwaar tot de vaststelling van het definitieve besluit. Zij moet de Commissie in staat stellen zich definitief uit te spreken over de verweten inbreuk (arrest van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, EU:C:2006:592, punt 38).

242    Bovendien volgt uit de rechtspraak dat schending van het beginsel van de redelijke termijn tot nietigverklaring van het bestreden besluit kan leiden, wanneer die schending van invloed kan zijn geweest op de uitkomst van de procedure (zie in die zin arrest van 21 september 2006, Technische Unie/Commissie, C‑113/04 P, EU:C:2006:593, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

243    Gepreciseerd moet evenwel worden dat overschrijding van de redelijke termijn wat de toepassing van de mededingingsregels betreft, enkel bij besluiten houdende vaststelling van een inbreuk reden voor nietigverklaring kan zijn, mits is aangetoond dat door schending van dit beginsel inbreuk is gemaakt op de rechten van de verdediging van de betrokken ondernemingen. Buiten dit specifieke geval heeft de niet-nakoming van de verplichting om binnen een redelijke termijn te beslissen, geen gevolgen voor de geldigheid van de administratieve procedure op grond van verordening nr. 1/2003 (arrest van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, EU:C:2006:592, punt 42).

244    Tot slot is de eerbiediging van de rechten van de verdediging – een beginsel waarvan de fundamentele aard in de rechtspraak van het Hof herhaaldelijk is beklemtoond – van kapitaal belang in procedures zoals die in casu, zodat moet worden voorkomen dat deze rechten onherstelbaar worden aangetast door de buitensporig lange duur van de onderzoeksfase en dat deze duur eraan in de weg kan staan dat bewijs wordt vergaard ter weerlegging van het bestaan van gedragingen die tot aansprakelijkheid van de betrokken ondernemingen leiden. Om deze reden mag het onderzoek van de eventuele inbreuk op de uitoefening van de rechten van de verdediging niet beperkt blijven tot de fase waarin deze rechten hun volle werking hebben, te weten de tweede fase van de administratieve procedure. De beoordeling van de oorsprong van de eventuele aantasting van de doeltreffendheid van de rechten van de verdediging moet de gehele procedure omvatten, op basis van de totale duur daarvan (zie arrest van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, EU:C:2006:592, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

245    In de onderhavige zaak moet met betrekking tot de eerste fase van de administratieve procedure, die loopt van de kennisgeving van de verificatiebeschikking aan interveniëntes in januari 2009 tot de ontvangst van de mededeling van punten van bezwaar in juni 2011, worden vastgesteld dat een periode van 29 maanden is verstreken. De tweede fase van de administratieve procedure, die loopt van de ontvangst van de mededeling van punten van bezwaar tot de vaststelling van het bestreden besluit in april 2014, heeft op zijn beurt een periode van 33 maanden bestreken.

246    In dit verband moet worden geoordeeld dat de duur van de eerste fase van de administratieve procedure en die van de tweede fase van die procedure niet buitensporig lang zijn, gelet op de stappen die de Commissie heeft moeten ondernemen om het onderzoek af te ronden en het bestreden besluit vast te stellen.

247    Om te beginnen moet er immers met de Commissie op worden gewezen dat het onderzoek betrekking had op een mededingingsregeling met een wereldwijde reikwijdte en een groot aantal deelnemers, die ongeveer tien jaar heeft geduurd. Voorts heeft de Commissie tijdens het onderzoek aanzienlijke hoeveelheden bewijs dat zich in dossier bevond moeten verwerken, waaronder alle gegevens die tijdens de inspecties waren verzameld en van de clementieverzoeksters waren ontvangen. Verder heeft de Commissie in de loop van dat onderzoek verzoeken om inlichtingen krachtens artikel 18 van verordening nr. 1/2003 en punt 12 van de clementieregeling aan de deelnemers van de sector in kwestie toegezonden.

248    Bovendien moet erop worden gewezen dat de omvang van het bewijs de Commissie ertoe heeft gebracht om een besluit vast te stellen dat in de Engelse versie 287 bladzijden telt, waarvan bijlage I de volledige verwijzingen naar alle in de instructiefase verzamelde bewijzen bevat, en waren de omvang en reikwijdte van de mededingingsregeling en de taalproblemen ook aanzienlijk. In dat verband moet eraan worden herinnerd dat het bestreden besluit 26 adressaten had die uit een brede waaier van landen afkomstig waren en waarvan een groot deel in verschillende rechtsvormen aan het kartel had deelgenomen en gedurende of na de periode waarin het kartel bestond, is geherstructureerd. Bovendien moest bedoeld besluit, dat in het Engels is opgesteld, integraal worden vertaald in het Duits, het Frans en het Italiaans.

249    Tot slot blijkt uit de voorgeschiedenis van het geding, die hierboven in de punten 3 tot en met 10 is uiteengezet, dat de Commissie in de loop van de administratieve procedure een reeks stappen heeft ondernomen die de duur van elk van de fasen van bedoelde procedure rechtvaardigen en waarvan de gepastheid voor het onderzoek niet specifiek in twijfel is getrokken door verzoekster.

250    De duur van de twee fasen van de administratieve procedure was derhalve redelijk, teneinde de Commissie in staat te stellen om het bewijs en de argumenten van de bij het onderzoek betrokken partijen grondig te beoordelen.

251    Hieruit volgt dat verzoekster niet met recht kan stellen dat de duur van de administratieve procedure voor de Commissie buitensporig lang is geweest en dat laatstgenoemde het beginsel van de redelijke termijn heeft geschonden.

252    Zelfs wanneer zou worden vastgesteld dat de totale duur van de administratieve procedure buitensporig lang is geweest en het beginsel van de redelijke termijn is geschonden, zou een dergelijke vaststelling, afgaand op de rechtspraak die hierboven in de punten 242 tot en met 244 is aangehaald, hoe dan ook niet als zodanig volstaan om tot nietigverklaring van het bestreden besluit te komen.

253    Verzoekster geeft in dat verband te kennen dat de buitensporig lange duur van de administratieve procedure „een weerslag heeft gehad op haar vermogen om zich te verdedigen”, aangezien zij op het moment waarop zij ervan op de hoogte is gesteld dat het onderzoek zich ook tot haar uitstrekte, te weten de datum van de mededeling van punten van bezwaar, zijnde 30 juni 2011, haar laatste deelneming in interveniëntes reeds had overgedragen en slechts beperkt toegang tot het bewijs betreffende haar investering had. Wat dat betreft, volstaat het eraan te herinneren dat verzoekster krachtens de algemene voorzorgplicht die op elke onderneming of ondernemersvereniging rust, gehouden is ervoor te zorgen dat de gegevens aan de hand waarvan haar activiteiten konden worden nagegaan goed bewaard bleven in haar boeken en archieven, opdat zij met name zou kunnen beschikken over de noodzakelijke bewijzen in het geval van gerechtelijke of administratieve procedures (zie in die zin arrest van 16 juni 2011, Heineken Nederland en Heineken/Commissie, T‑240/07, EU:T:2011:284, punt 301 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Overeenkomstig het arrest van 27 juni 2012, Bolloré/Commissie (T‑372/10, EU:T:2012:325, punt 152), geldt die verplichting ook in geval van de overdracht van een dochteronderneming.

254    Voorts moet verzoeksters verzoek aan het Gerecht om het bedrag van de haar opgelegde geldboete ex aequo et bono te verlagen voor het geval dat de duur van de administratieve procedure niet de nietigverklaring van het bestreden besluit zou rechtvaardigen, worden geacht te zijn gedaan ter ondersteuning van haar vordering tot verlaging van die geldboete, die hieronder in punt 261 zal worden onderzocht.

255    Het derde onderdeel van het vijfde middel moet dus worden afgewezen, evenals dit middel in zijn geheel.

256    Gelet op een en ander moet de conclusie luiden dat verzoekster er niet in is geslaagd het bewijs te leveren dat de Commissie onregelmatigheden heeft begaan die rechtvaardigen dat het bestreden besluit nietig wordt verklaard voor zover dit haar betreft.

257    De door verzoekster geformuleerde vorderingen tot nietigverklaring moeten dan ook worden afgewezen.

B.      Vorderingen tot verlaging van de aan verzoekster opgelegde geldboete

258    Verzoekster verzoekt het Gerecht de haar opgelegde geldboete te verlagen om rekening te houden met de door de Commissie gemaakte fouten bij de berekening van het bedrag daarvan. Verzoekster verzoekt het Gerecht tevens om die geldboete ex aequo et bono te verlagen voor het geval dat de duur van de administratieve procedure niet de nietigverklaring van het bestreden besluit zou rechtvaardigen. Tot slot verzoekt zij het Gerecht om ook haar in aanmerking te laten komen voor enige aan interveniëntes toegekende verlaging van de geldboete naar aanleiding van het beroep dat tegen dat besluit is ingesteld in zaak T‑475/14, Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi/Commissie.

259    Alvorens tot het onderzoek van de verschillende vorderingen van verzoekster tot verlaging van de haar opgelegde geldboete over te gaan, moet eraan worden herinnerd dat het rechtmatigheidstoezicht wordt aangevuld door de volledige rechtsmacht die de Unierechter overeenkomstig artikel 261 VWEU bij artikel 31 van verordening nr. 1/2003 is verleend. Deze bevoegdheid gaat verder dan het eenvoudige wettigheidstoezicht op de sanctie en biedt de rechter de mogelijkheid om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie en derhalve de opgelegde geldboete of dwangsom op te heffen, te verlagen of te verhogen. Benadrukt moet echter worden dat de uitoefening van de volledige rechtsmacht niet neerkomt op ambtshalve toezicht. Voorts zij eraan herinnerd dat de procedure voor de Unierechters op tegenspraak wordt gevoerd. Met uitzondering van de middelen van openbare orde die de rechter ambtshalve moet opwerpen, zoals de omstandigheid dat de betrokken beslissing niet is gemotiveerd, staat het aan de verzoeker middelen tegen deze beslissing aan te voeren en bewijs te leveren ter onderbouwing van deze middelen (arrest van 8 december 2011, KME Germany e.a./Commissie, C‑389/10 P, EU:C:2011:816, punten 130 en 131).

1.      Vordering tot verlaging van de opgelegde geldboete wegens de door de Commissie begane fouten bij de berekening van het bedrag daarvan

260    Wat in de eerste plaats het door verzoeksters vordering tot verlaging van de haar opgelegde geldboete wegens de door de Commissie begane fouten bij de berekening van het bedrag daarvan betreft, moet erop worden gewezen dat de middelen die verzoekster ter ondersteuning van de vorderingen tot nietigverklaring heeft aangevoerd, zijn afgewezen en dat er in de onderhavige zaak niets voorhanden is dat een verlaging van die geldboete zou kunnen rechtvaardigen. Daaruit volgt dat de onderhavige vordering in haar geheel dient te worden afgewezen.

2.      Vordering tot verlaging van de geldboete wegens de buitensporig lange duur van de administratieve procedure

261    Wat in de tweede plaats het door verzoeksters vordering tot verlaging van de haar opgelegde geldboete wegens de buitensporig lange duur van de administratieve procedure betreft, volstaat het eraan te herinneren dat schending van het beginsel van inachtneming van de redelijke termijn door de Commissie weliswaar kan dienen ter rechtvaardiging van de nietigverklaring van een besluit dat is genomen na afloop van een administratieve procedure op grond van artikel 101 of artikel 102 VWEU wanneer er tevens sprake is van schending van het recht van verdediging van de betrokken onderneming, maar dat dergelijke schending van het beginsel van inachtneming van de redelijke termijn, voor zover deze al zou vaststaan, niet ertoe kan leiden dat de opgelegde geldboete wordt verlaagd (zie arrest van 26 januari 2017, Villeroy et Boch/Commissie, C‑644/13 P, EU:C:2017:59, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

262    Zoals volgt uit punt 251 hierboven, kon in de onderhavige zaak hoe dan ook niet worden vastgesteld dat de administratieve procedure buitensporig lang heeft geduurd. Hieruit volgt dat deze vordering moet worden afgewezen.

3.      Vordering tot verlaging van de geldboete om ook in aanmerking te komen voor enige aan interveniëntes toegekende verlaging van deze geldboete naar aanleiding van het beroep tegen het bestreden besluit in zaak T475/14

263    In de derde en laatste plaats moet ten aanzien van verzoeksters vordering om zelf ook in aanmerking te komen voor enige verlaging van de geldboete die het Gerecht aan interveniëntes zou toekennen naar aanleiding van het beroep tegen het bestreden besluit in zaak T‑475/14, Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi/Commissie, in herinnering worden gebracht dat verzoekster niet wegens haar directe deelname aan het kartel in kwestie aansprakelijk is gehouden voor de activiteiten daarvan. Volgens artikel 1 van dat besluit wordt zij immers uitsluitend in haar hoedanigheid van moedermaatschappij van interveniëntes aansprakelijk gehouden voor de inbreuk.

264    In het geval dat de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij uitsluitend voortvloeit uit de rechtstreekse deelneming van haar dochteronderneming aan de inbreuk en dat deze twee vennootschappen parallelle beroepen met hetzelfde voorwerp hebben ingesteld, kan het Gerecht, zonder ultra petita uitspraak te doen, rekening houden met het feit dat de vaststelling dat de dochteronderneming een inbreuk heeft gepleegd, met betrekking tot een bepaalde periode nietig is verklaard, en het bedrag van de aan de moedermaatschappij en haar dochteronderneming hoofdelijk opgelegde geldboete evenredig verminderen.

265    In dat verband kan een economische eenheid slechts aansprakelijk worden gesteld indien het bewijs wordt geleverd dat op zijn minst één entiteit de mededingingsregels van de Unie heeft geschonden, hetgeen vastgesteld moet zijn in een onherroepelijk geworden beslissing, en is de reden waarom is geconstateerd dat de dochteronderneming geen inbreukmakend gedrag heeft vertoond, niet van belang.

266    In een dergelijke context moet worden afgegaan op het volledig afgeleide karakter van de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij, die enkel voortvloeit uit het feit dat een dochteronderneming rechtstreeks aan de inbreuk heeft deelgenomen. In dat geval vindt de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij namelijk haar oorsprong in het inbreukmakende gedrag van haar dochteronderneming, dat aan de moedermaatschappij wordt toegerekend omdat deze vennootschappen een economische eenheid vormen. De aansprakelijkheid van de moedermaatschappij berust dus noodzakelijkerwijs op de feiten die aan de inbreuk van haar dochteronderneming ten grondslag liggen en waarmee haar aansprakelijkheid onlosmakelijk verbonden is.

267    Om diezelfde redenen moet worden gepreciseerd dat in een situatie waarin het aan de moedermaatschappij verweten gedrag niet specifiek wordt gekenmerkt door enig ander element, de vermindering van het bedrag van de geldboete die aan de dochteronderneming is opgelegd en waarvoor deze hoofdelijk verbonden is met haar moedermaatschappij, in beginsel ook de moedermaatschappij ten goede moet komen als aan de gestelde procedurele voorwaarden is voldaan.

268    In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat zowel verzoekster als interveniëntes beroep tegen het bestreden besluit hebben ingesteld en dat deze beroepen ten dele hetzelfde voorwerp hebben, namelijk, primair, de nietigverklaring van de geldboete waarin is voorzien in artikel 2, onder f), van genoemd besluit voor zover dit hen betreft en, subsidiair, de verlaging van bedoelde geldboete, die hun hoofdelijk is opgelegd.

269    In die omstandigheden moet verzoekster in aanmerking komen voor dezelfde voordelen die uit de eventuele nietigverklaring van het bestreden besluit voortvloeien als interveniëntes in het kader van het beroep dat in zaak T‑475/14 is ingesteld.

270    Niettemin moet worden vastgesteld dat het Gerecht bij zijn arrest van heden in de zaak T‑475/14, Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi/Commissie, het beroep in de zaak die heeft geleid tot dit arrest heeft verworpen, namelijk zowel wat de door interveniëntes geformuleerde vorderingen tot nietigverklaring betreft als hun vorderingen tot verlaging van de hun opgelegde geldboeten.

271    Verzoeksters vordering om ook in aanmerking te komen voor enige verlaging die aan interveniëntes zou worden toegekend naar aanleiding van het beroep tegen het bestreden besluit in de zaak T‑475/14, Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi/Commissie, kan bijgevolg niet slagen, zodat de vorderingen tot verlaging van de aan verzoekster opgelegde geldboete in hun geheel moeten worden afgewezen.

272    Gelet op een en ander dient het onderhavige beroep te worden verworpen.

IV.    Kosten

273    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

274    Aangezien verzoekster op alle punten en middelen in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in alle kosten.

275    Overeenkomstig artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht bepalen dat een andere interveniënt dan de in de leden 1 en 2 van dat artikel bedoelde, zijn eigen kosten zal dragen. In de omstandigheden van het onderhavige geding moet worden verklaard dat Prysmian en PrysmianCS hun eigen kosten zullen dragen.

HET GERECHT (Achtste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      The Goldman Sachs Group, Inc. zal haar eigen kosten en die van de Europese Commissie dragen.

3)      Prysmian SpA en Prysmian Cavi e Sistemi Srl zullen hun eigen kosten dragen.

Collins

Kancheva

Barents

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 juli 2018.

ondertekeningen


Inhoud


I. Voorgeschiedenis van het geding

A. Verzoekster en betrokken sector

B. Administratieve procedure

C. Bestreden besluit

1. Betrokken inbreuk

2. Aansprakelijkheid van verzoekster

3. Opgelegde geldboete

II. Procesverloop en conclusies van partijen

III. In rechte

A. Vorderingen tot nietigverklaring

1. Eerste middel: schending van artikel 101 VWEU en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 alsmede schending van het recht en een kennelijke beoordelingsfout

a) Eerste onderdeel: toepassing van het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed voor de periode van 29 juli 2005 tot 3 mei 2007

1) Eerste grief: toepassing van het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed voor de periode van 29 juli 2005 tot 3 mei 2007

2) Tweede grief: weerlegging van het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed

b) Tweede onderdeel: conclusies van de Commissie ten aanzien van de periode van 29 juli 2005 tot 28 januari 2009

1) Bevoegdheid om de leden van de diverse raden van bestuur van Prysmian te benoemen en bevoegdheid om de aandeelhouders op te roepen voor de algemene vergaderingen en de herroeping van de bestuurders of de volledige raden van bestuur voor te stellen

2) Effectieve vertegenwoordiging van verzoekster binnen de raad van bestuur van Prysmian

3) Bestuursbevoegdheden van de vertegenwoordigers van verzoekster binnen de raad van bestuur

4) Belang van de rol die verzoekster heeft gespeeld binnen de door Prysmian opgerichte comités

5) Ontvangst van geregelde voortgangsrapportages en maandelijkse rapporten

6) Maatregelen die ervoor moesten zorgen dat na de datum van de beursgang nog steeds doorslaggevende controle kon worden uitgeoefend

7) Bewijs van gedrag dat kenmerkend is voor een uit de industrie afkomstige eigenaar

8) Beoordeling van alle in het bestreden besluit aangevoerde elementen

c) Derde onderdeel: conclusie van de Commissie die in essentie inhoudt dat verzoekster niet een zuiver financiële investeerder was

2. Tweede middel: schending van artikel 2 van verordening nr. 1/2003, ontoereikend bewijs en niet-nakoming van de motiveringsplicht in artikel 296 VWEU

a) Eerste onderdeel: schending van artikel 2 van verordening nr. 1/2003 en ontoereikend bewijs

b) Tweede onderdeel: niet-nakoming van de motiveringsplicht

3. Derde middel: schending van artikel 101 VWEU en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 alsmede schending van de beginselen van persoonlijke aansprakelijkheid en het vermoeden van onschuld

4. Vierde middel: schending van artikel 101 VWEU en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 alsmede een kennelijke beoordelingsfout en schending van de beginselen van rechtszekerheid en het persoonlijke karakter van straffen

5. Vijfde middel: schending van de rechten van de verdediging

a) Eerste onderdeel: de Commissie heeft verzoekster geen toegang verleend tot documenten die van wezenlijk belang waren voor haar verdediging

b) Tweede onderdeel: de Commissie heeft verzoeksters toegang tot andere documenten die van wezenlijk belang waren voor haar verdediging op onrechtmatige wijze vertraagd

c) Derde onderdeel: buitensporig lange duur van de administratieve procedure

B. Vorderingen tot verlaging van de aan verzoekster opgelegde geldboete

1. Vordering tot verlaging van de opgelegde geldboete wegens de door de Commissie begane fouten bij de berekening van het bedrag daarvan

2. Vordering tot verlaging van de geldboete wegens de buitensporig lange duur van de administratieve procedure

3. Vordering tot verlaging van de geldboete om ook in aanmerking te komen voor enige aan interveniëntes toegekende verlaging van deze geldboete naar aanleiding van het beroep tegen het bestreden besluit in zaak T475/14

IV. Kosten


* Procestaal: Engels.


1      Weggelaten vertrouwelijke gegevens.