Language of document : ECLI:EU:C:2018:639

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

7 augustus 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele en industriële eigendom – Richtlijn 2004/48/EG – Artikel 4 – Procesbevoegdheid van een instantie voor collectieve vertegenwoordiging van merkhouders – Richtlijn 2000/31/EG – Artikelen 12 tot en met 14 – Aansprakelijkheid van een dienstverlener die IP‑adressen verhuurt en registreert waardoor domeinnamen en websites anoniem kunnen worden gebruikt”

In zaak C‑521/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tallinna Ringkonnakohus (rechter in tweede aanleg Tallinn, Estland) bij beslissing van 28 augustus 2017, ingekomen bij het Hof op 1 september 2017, in de procedure

Coöperatieve Vereniging SNBREACT U.A.

tegen

Deepak Mehta,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, J. Malenovský (rapporteur), M. Safjan, D. Šváby en M. Vilaras, rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Coöperatieve Vereniging SNB‑REACT U.A., vertegenwoordigd door K. Turk, vandeadvokaat, en M. Pild, advokaat,

–        de Estse regering, vertegenwoordigd door N. Grünberg als gemachtigde,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, P. Huurnink en J. Langer als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Wilman en E. Randvere als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45, met rectificaties in PB 2004, L 195, blz. 16, en PB 2007, L 204, blz. 27), alsmede van de artikelen 12 tot en met 14 van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”) (PB 2000, L 178, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Coöperatieve Vereniging SNB‑REACT U.A. (hierna: „SNB‑REACT”) en Deepak Mehta over diens aansprakelijkheid wegens inbreuk op de rechten van tien merkhouders.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 2000/31

3        Overweging 42 van richtlijn 2000/31 luidt:

„De in deze richtlijn vastgestelde vrijstellingen van de aansprakelijkheid gelden uitsluitend voor gevallen waarin de activiteit van de aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij beperkt is tot het technische proces van werking en het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk waarop door derden verstrekte informatie wordt doorgegeven of tijdelijk wordt opgeslagen, met als enig doel de doorgifte efficiënter te maken. Die activiteit heeft een louter technisch, automatisch en passief karakter, hetgeen inhoudt dat de aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij noch kennis noch controle heeft over de informatie die wordt doorgegeven of opgeslagen.”

4        Hoofdstuk II van deze richtlijn, met als opschrift „Beginselen”, omvat met name een afdeling 4, „Aansprakelijkheid van dienstverleners die als tussenpersoon optreden”, waarin de artikelen 12 tot en met 15 van deze richtlijn zijn samengebracht.

5        Artikel 12 van diezelfde richtlijn, met als opschrift „‚Mere conduit’ (doorgeefluik)”, bepaalt:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, of in het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk, de dienstverlener niet aansprakelijk is voor de doorgegeven informatie [...]

[...]

3.      Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van een rechtbank of een administratieve autoriteit om in overeenstemming met het rechtsstelsel van de lidstaat te eisen dat de dienstverlener een inbreuk beëindigt of voorkomt.”

6        Onder het opschrift „‚Caching’ (wijze van opslag)” luidt artikel 13 van richtlijn 2000/31:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de dienstverlener niet aansprakelijk is voor de automatische, tussentijdse en tijdelijke opslag van die informatie, wanneer deze opslag enkel geschiedt om latere doorgifte van die informatie aan andere afnemers van de dienst en op hun verzoek doeltreffender te maken [...]

[...]

2.      Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor een rechtbank of een administratieve autoriteit om in overeenstemming met het rechtsstelsel van de lidstaat te eisen dat de dienstverlener een inbreuk beëindigt of voorkomt.”

7        Artikel 14 van deze richtlijn, met als opschrift „,Hosting’ (,host’-diensten)”, bepaalt:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de dienstverlener niet aansprakelijk is voor de op verzoek van de afnemer van de dienst opgeslagen informatie [...]

[...]

3.      Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor een rechtbank of een administratieve autoriteit om in overeenstemming met het rechtsstelsel van de lidstaat te eisen dat de dienstverlener een inbreuk beëindigt of voorkomt. Het doet evenmin afbreuk aan de mogelijkheid voor lidstaten om procedures vast te stellen om informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.”

 Richtlijn 2004/48

8        Overweging 18 van richtlijn 2004/48 luidt:

„Niet alleen rechthebbenden moeten bevoegd zijn toepassing van deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen te vragen, maar ook – voor zover dit toegelaten is door en in overeenstemming is met het toepasselijk recht – personen die een rechtstreeks belang hebben en juridisch bevoegd zijn, waaronder mogelijk professionele organisaties, belast met het beheer van die rechten of de verdediging van de collectieve en individuele belangen die zij behartigen.”

9        Tot hoofdstuk I van deze richtlijn, met als opschrift „Doel en toepassingsgebied”, behoort met name artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift „Toepassingsgebied”, dat in lid 1 bepaalt:

„Onverminderd de middelen die in de [Unie-] of nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden, zijn de bij deze richtlijn vastgestelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 3 van toepassing op elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, zoals bepaald in het [Unie]recht en/of het nationale recht van de betrokken lidstaat.”

10      Tot hoofdstuk II van richtlijn 2004/48, met als opschrift „Maatregelen, procedures en rechtsmiddelen”, behoort met name artikel 4 van deze richtlijn, met als opschrift „Personen bevoegd tot het verzoeken van de toepassing van maatregelen, procedures en rechtsmiddelen”, dat luidt:

„De lidstaten zullen als personen die bevoegd zijn om de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen te verzoeken, erkennen:

a)      houders van intellectuele-eigendomsrechten, in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht,

b)      alle andere personen die gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, [...] voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht,

c)      instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel zijn erkend als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht,

d)      organisaties voor de verdediging van beroepsbelangen, die officieel zijn erkend als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht.”

 Ests recht

11      § 3 van de tsiviilkohtumenetluse seadustik (wetboek burgerlijke rechtsvordering) (RT I 2005, 26, 197), met als opschrift „Recht op toegang tot de rechter”, bepaalt in lid 2:

„Voor zover de wet hierin voorziet, behandelt de rechter een burgerlijke zaak ook dan wanneer zich een persoon tot hem wendt ter bescherming van een vermoedelijk wettelijk beschermd recht of belang van een derde of de gemeenschap.”

12      § 601 van de kaubamärgiseadus (merkenwet) (RT I 2002, 49, 308), met als opschrift „Vertegenwoordigers in gedingen ter zake van merken”, bepaalt in lid 2:

„De houder van een merk kan ter verdediging van zijn rechten worden vertegenwoordigd door een organisatie die rechtspersoonlijkheid bezit en de belangen van merkhouders vertegenwoordigt.”

13      § 8 van de infoühiskonna teenuse seadus (wet betreffende de diensten van de informatiemaatschappij) (RT I 2004, 29, 191), met als opschrift „Beperking van de aansprakelijkheid bij het louter doorgeven van informatie en het verschaffen van toegang tot een openbaar datacommunicatienetwerk”, bepaalt:

„1.      Wanneer een dienst enkel bestaat in het doorgeven in een openbaar datacommunicatienetwerk van door een afnemer van een dienst verstrekte informatie, of in het verschaffen van toegang tot een openbaar datacommunicatienetwerk, is de dienstverlener niet aansprakelijk voor de inhoud van de doorgegeven informatie [...]”

14      § 9 van deze wet, met als opschrift „Beperking van de aansprakelijkheid bij ‚caching’”, bepaalt:

„Wanneer een dienst bestaat in het doorgeven in een openbaar datacommunicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, waarbij de betrokken doorgiftemethode om technische redenen een tussentijdse opslag van die informatie vereist (,caching’), is de dienstverlener, wanneer deze opslag enkel geschiedt om latere doorgifte van die informatie aan andere afnemers van de dienst en op hun verzoek doeltreffender te maken, bij een automatische, tussentijdse en tijdelijke opslag niet aansprakelijk voor de inhoud van die informatie [...]”

15      § 10 van deze wet, met als opschrift „Beperking van de aansprakelijkheid bij het opslaan van informatie”, bepaalt in lid 1:

„Wanneer een dienst bestaat in de opslag van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, is de dienstverlener niet aansprakelijk voor de op verzoek van de afnemer van de dienst opgeslagen informatie [...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16      De vereniging SNB‑REACT is gevestigd in Amsterdam (Nederland) en houdt zich bezig met de collectieve vertegenwoordiging van merkhouders.

17      Zij heeft bij de Harju Maakohus (rechter in eerste aanleg Harju, Estland) een vordering tegen Mehta ingesteld tot beëindiging van de inbreuk op de rechten van tien van haar leden, tot onthouding van verdere inbreuken en tot vergoeding van de door hem berokkende schade.

18      Ter onderbouwing van haar vordering heeft SNB‑REACT aangevoerd dat Mehta domeinnamen op internet had geregistreerd waarop onrechtmatig gebruik werd gemaakt van tekens die gelijk zijn aan de merken van haar leden, alsmede websites waarop onrechtmatig waren met dergelijke tekens werden verkocht. Voorts, aldus SNB‑REACT, was Mehta de houder van de IP‑adressen die overeenstemmen met die domeinnamen en websites. Ten slotte betoogt SNB‑REACT dat Mehta aansprakelijk is wegens het onrechtmatige gebruik van de betrokken tekens door deze domeinnamen en websites en daarvan herhaaldelijk op de hoogte is gebracht.

19      Ter verweer voert Mehta aan dat hij de domeinnamen en websites waarvan SNB‑REACT gewag maakt, niet heeft geregistreerd en evenmin op enige wijze gebruik heeft gemaakt van tekens die gelijk zijn aan de merken van de leden van deze vereniging. Hoewel hij erkent houder te zijn van 38 000 IP‑adressen, stelt hij voorts dat hij ze enkel heeft verhuurd aan twee derde-vennootschappen. Ten slotte voert hij aan dat hij, gelet op deze activiteit, moet worden geacht louter een aanbieder van toegang tot een elektronisch communicatienetwerk te zijn en enkel informatie door te geven.

20      De Harju Maakohus heeft de vordering van SNB‑REACT afgewezen op grond dat, ten eerste, deze vereniging niet bevoegd was zich tot de rechter te wenden teneinde in eigen naam een vordering in te stellen tot eerbiediging van de rechten van haar leden en tot vergoeding van de schade die uit de inbreuk op deze rechten voortvloeit. Dienaangaande heeft deze rechter vastgesteld dat SNB‑REACT niet zelf de houdster was van de rechten op de merken waarop haar vordering zag, en vervolgens geoordeeld dat § 601, lid 2, van de merkenwet aldus moest worden uitgelegd dat een instantie als SNB‑REACT geen andere procesbevoegdheid had dan die welke is vereist om haar leden te vertegenwoordigen.

21      Ten tweede heeft de Harju Maakohus overwogen dat aan de hand van de door SNB‑REACT overgelegde bewijselementen kon worden aangetoond dat Mehta de houder was van de IP‑adressen die gekoppeld zijn aan de domeinnamen waarop onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van tekens die gelijk zijn aan de merken van de leden van deze vereniging, alsmede aan de websites die onrechtmatig waren met deze tekens verkopen. Daarentegen, aldus deze rechter, toonden deze bewijselementen niet aan dat Mehta de houder van deze domeinnamen en websites was en evenmin dat hij zelf onrechtmatig gebruik maakte van deze tekens. Op basis van deze overwegingen is deze rechter tot de slotsom gekomen dat Mehta niet aansprakelijk kon worden geacht voor de onrechtmatige activiteit van de exploitanten van deze domeinnamen en websites, overeenkomstig § 8, lid 1, van de wet betreffende de diensten van de informatiemaatschappij.

22      SNB‑REACT heeft hoger beroep ingesteld bij de Tallinna Ringkonnakohus (rechter in tweede aanleg Tallinn, Estland) en voert daartoe aan dat § 601, lid 2, van de merkenwet aldus kan worden uitgelegd dat op grond van deze bepaling een instantie voor collectieve vertegenwoordiging zich tot de rechter kan wenden teneinde in eigen naam een vordering in te stellen ter vrijwaring van de rechten en belangen van haar leden. Voorts heeft de rechter in eerste aanleg ten onrechte Metha niet aansprakelijk geacht op grond dat hij diensten heeft verleend aan exploitanten van domeinnamen en websites waarop online nagemaakte goederen worden verkocht. De in § 8, lid 1, van de wet betreffende diensten van de informatiemaatschappij gestelde beperking van de aansprakelijkheid geldt immers voor dienstverleners die enkel als neutrale tussenpersoon handelen, doch niet voor personen die – zoals Mehta – op de hoogte zijn van het bestaan van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten en bij die inbreuken een actieve rol spelen.

23      In zijn verwijzingsbeslissing wijst de Tallinna Ringkonnakohus erop dat gelet op deze argumenten en de twijfel die rijst over de verenigbaarheid van het nationale recht met het Unierecht, een prejudiciële beslissing van het Hof op twee punten noodzakelijk blijkt.

24      In de eerste plaats vraagt deze rechter zich af of een instantie als SNB‑REACT niet dient te beschikken over procesbevoegdheid teneinde in eigen naam een vordering in te stellen ter vrijwaring van de rechten en belangen van haar leden. Daarom verzoekt hij het Hof artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48 uit te leggen teneinde hem in staat in stellen met kennis van zaken te bepalen welke draagwijdte in het hoofdgeding moet worden gegeven aan de gezamenlijke bepalingen van § 3, lid 2, van het wetboek burgerlijke rechtsvordering en § 601, lid 2, van de merkenwet.

25      In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of Mehta, ook al heeft hij geen gebruik gemaakt van de tekens die inbreuk maken op de rechten van de leden van SNB‑REACT, niet aansprakelijk kan worden geacht op grond van het feit dat hij diensten heeft verleend aan de exploitanten van de domeinnamen en websites waarop die tekens onrechtmatig zijn gebruikt, door de IP‑adressen waarvan hij houder is, aan deze exploitanten te verhuren in omstandigheden waarin het hun mogelijk was anoniem te handelen. Voorts, aldus deze rechter, hangt het antwoord op deze vraag af van de betekenis van de artikelen 12 tot en met 14 van richtlijn 2000/31, die in nationaal recht zijn omgezet in de §§ 8 tot en met 10 van de wet betreffende de diensten van de informatiemaatschappij.

26      In deze context heeft de Tallinna Ringkonnakohus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 4, onder c), van richtlijn [2004/48] aldus worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die rechten van merkhouders beheren, te erkennen als personen die bevoegd zijn om ter verdediging van de rechten van merkhouders in eigen naam rechtsmiddelen aan te wenden en ter handhaving van de rechten van merkhouders in eigen naam een vordering bij de rechter in te stellen?

2)      Moeten de artikelen 12, 13 en 14 van richtlijn [2000/31] aldus worden uitgelegd dat ook een dienstverlener wiens dienst bestaat in de registratie van IP‑adressen, waardoor het mogelijk wordt IP‑adressen anoniem te koppelen aan domeinen en deze IP‑adressen te verhuren, moet worden aangemerkt als dienstverlener in de zin van deze bepalingen, op wie de in die bepalingen geregelde uitzonderingen op de aansprakelijkheid van toepassing zijn?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

27      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om een instantie voor collectieve vertegenwoordiging van merkhouders, zoals de vereniging in het hoofdgeding, de bevoegdheid te verlenen om in eigen naam te verzoeken om de toepassing van de door deze richtlijn vastgestelde rechtsmiddelen teneinde de rechten van deze houders te vrijwaren, alsmede om zich in eigen naam tot de rechter te wenden teneinde deze rechten te doen gelden.

28      Om te beginnen zij opgemerkt dat, terwijl artikel 4, onder a), van richtlijn 2004/48 bepaalt dat de lidstaten de houders van intellectuele-eigendomsrechten in elk geval erkennen als bevoegd om te verzoeken om de toepassing van de in hoofdstuk II van deze richtlijn bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, in de drie bepalingen onder b) tot en met d) van artikel 4 van deze richtlijn wordt verduidelijkt dat de lidstaten andere personen en bepaalde welomschreven instanties slechts voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht erkennen als daartoe bevoegde personen.

29      Met name krachtens artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48 erkennen de lidstaten instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel zijn erkend als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht, als personen die daartoe bevoegd zijn.

30      Gelet op deze bewoordingen dient te worden verduidelijkt wat de betekenis en de draagwijdte zijn van de begrippen „toepasselijk recht” en „toegestaan”.

31      Aangaande, allereerst, de verwijzing naar het toepasselijk recht in artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48 dient dit begrip, gelet op artikel 2, lid 1, van deze richtlijn, te worden begrepen als een verwijzing naar zowel het relevante nationale recht als, in voorkomend geval, het Unierecht.

32      Aangaande, vervolgens, het tweede element dat in punt 30 van dit arrest wordt vermeld, zij opgemerkt dat artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48 niet aldus kan worden uitgelegd dat het de lidstaten een onbeperkte speelruimte biedt om instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten al dan niet te erkennen als personen die bevoegd zijn om in eigen naam te verzoeken om de toepassing van de door deze richtlijn geboden rechtsmiddelen teneinde deze rechten te beschermen. Een dergelijke uitlegging zou deze bepaling, die het recht van deze Staten beoogt te harmoniseren, immers tot een dode letter maken.

33      Bovendien blijkt uit overweging 18 van richtlijn 2004/48, tegen de achtergrond waarvan deze bepaling moet worden gelezen, dat het de wens van de Uniewetgever was om niet alleen de houders van intellectuele-eigendomsrechten, maar ook de personen die een rechtstreeks belang hebben bij de vrijwaring van die rechten en juridisch bevoegd zijn, voor zover dit is toegelaten door en in overeenstemming is met het toepasselijk recht, te erkennen als bevoegd om te verzoeken om de toepassing van de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin deze richtlijn voorziet. Bovendien kan blijkens deze overweging laatstbedoelde categorie van personen professionele organisaties omvatten die belast zijn met het beheer van die rechten of de verdediging van de collectieve en individuele belangen die zij behartigen.

34      Bijgevolg moet artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48, uitgelegd tegen de achtergrond van overweging 18 van deze richtlijn, aldus worden opgevat dat wanneer een instantie voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die is erkend als bevoegd om de houders van deze rechten te vertegenwoordigen, naar nationaal recht wordt geacht een rechtstreeks belang te hebben bij de vrijwaring van die rechten en bovendien overeenkomstig dat recht zich tot de rechter kan wenden, de lidstaten verplicht zijn om deze instantie te erkennen als bevoegd om te verzoeken om de toepassing van de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin deze richtlijn voorziet, alsmede om zich tot de rechter te wenden teneinde deze rechten te vrijwaren.

35      Artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48 beoogt derhalve te waarborgen dat, wanneer een instantie voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die de houders van deze rechten vertegenwoordigt, naar nationaal recht beschikt over de bevoegdheid om zich tot de rechter te wenden om deze rechten te vrijwaren, haar eenzelfde bevoegdheid specifiek wordt verleend teneinde de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin deze richtlijn voorziet, af te dwingen.

36      Is aan deze voorwaarde niet voldaan, dan zijn de lidstaten niet verplicht om deze bevoegdheid te verlenen.

37      In casu gaat het blijkens de verwijzingsbeslissing om een instantie voor de collectieve vertegenwoordiging van merkhouders.

38      Het staat aan de nationale rechter om uit te maken of een dergelijke instantie naar nationaal recht wordt geacht een rechtstreeks belang te hebben bij de vrijwaring van de rechten van de merkhouders die zij vertegenwoordigt en of zij overeenkomstig dat recht zich tot de rechter kan wenden, in welk geval aan deze instantie de bevoegdheid moet worden verleend om te verzoeken om de toepassing van de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin deze richtlijn voorziet.

39      Gelet op voorgaande overwegingen dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om een instantie voor de collectieve vertegenwoordiging van merkhouders, zoals de vereniging in het hoofdgeding, de bevoegdheid te verlenen om in eigen naam te verzoeken om de toepassing van de in deze richtlijn vastgestelde rechtsmiddelen teneinde de rechten van deze houders te vrijwaren en om zich in eigen naam tot de rechter te wenden teneinde deze rechten te doen gelden, mits deze instantie naar nationaal recht wordt geacht een rechtstreeks belang te hebben bij de vrijwaring van deze rechten en overeenkomstig dat recht zich daartoe tot de rechter kan wenden, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

 Tweede vraag

40      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 12 tot en met 14 van richtlijn 2000/31 aldus moeten worden uitgelegd dat de daarin vastgestelde beperkingen van de aansprakelijkheid gelden voor een dienstverlener als de dienstverlener in het hoofdgeding, die IP‑adressen verhuurt en registreert zodat domeinnamen anoniem kunnen worden gebruikt.

41      Uit zowel de titel van richtlijn 2000/31 als meer in het bijzonder de bewoordingen van artikel 12, lid 1, artikel 13, lid 1, en artikel 14, lid 1, van deze richtlijn blijkt dat deze drie bepalingen van toepassing zijn ingeval een dienst van de informatiemaatschappij wordt verleend.

42      De Uniewetgever heeft het begrip „dienst van de informatiemaatschappij” omschreven als elke dienst die, via elektronische apparatuur voor de verwerking en de opslag van gegevens, op afstand wordt verricht op individueel verzoek van een afnemer van diensten en gewoonlijk tegen vergoeding (arrest van 23 maart 2010, Google France en Google, C‑236/08–C‑238/08, EU:C:2010:159, punt 110). Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, omvat dit begrip bovendien met name diensten die contact mogelijk maken tussen personen die online waren verkopen en hun klanten (zie in die zin arrest van 12 juli 2011, L’Oréal e.a., C‑324/09, EU:C:2011:474, punt 109). In casu dient de verwijzende rechter na te gaan of dit het geval is daar het Hof niet over voldoende elementen beschikt om uit te maken of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde dienst onder dit begrip valt.

43      Ingeval een dergelijke dienst wordt verleend, moet worden beoordeeld of de in artikel 12, lid 1, artikel 13, lid 1, en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 gestelde beperkingen van de aansprakelijkheid gelden voor de verlener van deze dienst.

44      Daartoe is het allereerst noodzakelijk vast te stellen onder welke bepaling de betrokken dienst valt en daartoe moet worden uitgemaakt of deze dienst gelet op zijn kenmerken een dienst voor doorgifte zonder meer („mere conduit”), een dienst voor het leveren van een wijze van opslag („caching”) of een dienst voor opslag („hosting”) vormt.

45      Is dat het geval, dan dient vervolgens te worden nagegaan of is voldaan aan de voorwaarden die specifiek betrekking hebben op de betrokken categorie diensten, zoals uitgewerkt in respectievelijk artikel 12, lid 1, artikel 13, lid 1, of artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31.

46      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat met de prejudiciële vraag niet wordt beoogd aanvullende verduidelijking te krijgen over de uitlegging van de voorwaarden waarvan sprake is in de vorige twee punten van dit arrest, maar dat deze vraag uitsluitend ziet op de criteria aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat een dienst als die in het hoofdgeding een louter technisch, automatisch en passief karakter heeft.

47      Ten slotte is het vaste rechtspraak dat artikel 12, lid 1, artikel 13, lid 1, en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 moeten worden uitgelegd tegen de achtergrond van overweging 42 van deze richtlijn, waaruit volgt dat de in deze richtlijn vastgestelde vrijstellingen van de aansprakelijkheid uitsluitend gelden voor gevallen waarin de activiteit van de aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij een louter technisch, automatisch en passief karakter heeft, hetgeen inhoudt dat deze aanbieder kennis van noch controle heeft over de informatie die wordt doorgegeven of opgeslagen door de ontvanger van zijn diensten (arresten van 23 maart 2010, Google France en Google, C‑236/08–C‑238/08, EU:C:2010:159, punt 113, en 15 september 2016, Mc Fadden, C‑484/14, EU:C:2016:689, punt 62).

48      Deze beperkingen van de aansprakelijkheid gelden daarentegen niet ingeval een aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij een actieve rol speelt door het zijn klanten mogelijk te maken hun online verkoopactiviteit te optimaliseren (zie in die zin arrest van 12 juli 2011, L’Oréal e.a., C‑324/09, EU:C:2011:474, punten 113, 116 en 123 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49      In casu wordt in de verwijzingsbeslissing uiteengezet dat de dienstverlener over wie het gaat in het hoofdgeding, IP‑adressen verhuurt en registreert waardoor zijn klanten domeinnamen en websites anoniem kunnen gebruiken.

50      In deze omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om zich aan de hand van alle relevante feitelijke gegevens en bewijzen ervan te vergewissen dat deze dienstverlener kennis van noch controle heeft over de door zijn klanten doorgegeven of opgeslagen informatie en geen actieve rol speelt waardoor zijn klanten hun online verkoopactiviteit kunnen optimaliseren.

51      Niettemin zij opgemerkt dat indien de verwijzende rechter na zijn onderzoek tot de slotsom komt dat de activiteit van de dienstverlener om wie het in het hoofdgeding gaat onder de in punt 43 van dit arrest bedoelde beperkingen van de aansprakelijkheid kan vallen, het hem overeenkomstig artikel 12, lid 3, artikel 13, lid 2, en artikel 14, lid 3, van richtlijn 2000/31 vrij staat om de betrokkene, ingeval het bestaan van een inbreuk of het gevaar van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht afdoende is aangetoond, een gericht bevel op te leggen teneinde deze inbreuk te beëindigen of dat gevaar af te wenden (arrest van 15 september 2016, Mc Fadden, C‑484/14, EU:C:2016:689, punten 77, 78 en 94).

52      Gelet op voorgaande overwegingen dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat de artikelen 12 tot en met 14 van richtlijn 2000/31 aldus moeten worden uitgelegd dat de daarin vastgestelde beperkingen van de aansprakelijkheid gelden voor een dienstverlener als die in het hoofdgeding, die IP‑adressen verhuurt en registreert waardoor domeinnamen anoniem kunnen worden gebruikt, mits deze dienst onder een van de in deze artikelen bedoelde categorieën van diensten valt en aan alle overeenstemmende voorwaarden voldoet, voor zover de activiteit van een dergelijke dienstverlener een louter technisch, automatisch en passief karakter heeft, hetgeen impliceert dat hij kennis van noch controle heeft over de door zijn klanten doorgegeven of opgeslagen informatie en geen actieve rol speelt door zijn klanten in staat te stellen hun online verkoopactiviteit te optimaliseren, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

 Kosten

53      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om een instantie voor de collectieve vertegenwoordiging van merkhouders, zoals de vereniging in het hoofdgeding, de bevoegdheid te verlenen om in eigen naam te verzoeken om de toepassing van de in deze richtlijn vastgestelde rechtsmiddelen teneinde de rechten van deze houders te vrijwaren en om zich in eigen naam tot de rechter te wenden teneinde deze rechten te doen gelden, mits deze instantie naar nationaal recht wordt geacht een rechtstreeks belang te hebben bij de vrijwaring van deze rechten en overeenkomstig dat recht zich daartoe tot de rechter kan wenden, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

2)      De artikelen 12 tot en met 14 van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van diensten van de informatiemaatschappij, met name elektronische handel, op de interne markt („richtlijn betreffende elektronische handel”) moeten aldus worden uitgelegd dat de daarin vastgestelde beperkingen van de aansprakelijkheid gelden voor een dienstverlener als die in het hoofdgeding, die IPadressen verhuurt en registreert waardoor domeinnamen anoniem kunnen worden gebruikt, mits deze dienst onder een van de in deze artikelen bedoelde categorieën van diensten valt en aan alle overeenstemmende voorwaarden voldoet, voor zover de activiteit van een dergelijke dienstverlener een louter technisch, automatisch en passief karakter heeft, hetgeen impliceert dat hij kennis van noch controle heeft over de door zijn klanten doorgegeven of opgeslagen informatie en geen actieve rol speelt door zijn klanten in staat te stellen hun online verkoopactiviteit te optimaliseren, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

ondertekeningen


*      Procestaal: Ests.