Language of document : ECLI:EU:C:2018:642

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

7 augustus 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 2011/83/EU – Artikel 2, punt 9 – Begrip verkoopruimten – Criteria – Verkoopovereenkomst gesloten op de stand van een handelaar tijdens een beurs”

In zaak C‑485/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 13 juli 2017, ingekomen bij het Hof op 10 augustus 2017, in de procedure

Verbraucherzentrale Berlin eV

tegen

Unimatic Vertriebs GmbH,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: J. Malenovský, kamerpresident, M. Safjan (rapporteur) en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Verbraucherzentrale Berlin eV, vertegenwoordigd door R. Jahn, Rechtsanwalt,

–        Unimatic Vertriebs GmbH, vertegenwoordigd door P. Rau, Rechtsanwalt,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin en J. Van Holm als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Hödlmayr en N. Ruiz García als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 9, van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64, met rectificatie in PB 2014, L 325, blz. 30).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Verbraucherzentrale Berlin eV (een consumentenvereniging) en Unimatic Vertriebs GmbH (een distributiemaatschappij; hierna: „Unimatic”) over de verstrekking van informatie over het herroepingsrecht van de consument in geval van een verkoopovereenkomst die is gesloten tijdens een beurs.

 Toepasselijke bepalingen

 Recht van de Unie

3        Overwegingen 4, 5, 7, 21, 22 en 37 van richtlijn 2011/83 luiden als volgt:

„(4)      [...] Harmonisatie van bepaalde aspecten van overeenkomsten op afstand en buiten verkoopruimten gesloten consumentenovereenkomsten is noodzakelijk voor de bevordering van een echte interne markt voor de consument, waarbij een juist evenwicht ontstaat tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel.

(5)      [...] De volledige harmonisatie van consumenteninformatie en van het herroepingsrecht voor overeenkomsten op afstand en buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten zal dan ook bijdragen tot een hoog beschermingsniveau voor de consument en een beter functioneren van de [interne] markt.

[...]

(7)      Volledige harmonisatie van een aantal centrale regelgevingsaspecten moet de rechtszekerheid voor zowel de consumenten als de handelaren aanzienlijk verbeteren. [...] Bovendien moeten de consumenten een hoog gemeenschappelijk niveau van bescherming genieten in de gehele Unie.

[...]

(21)      Een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst zou gedefinieerd moeten worden als een overeenkomst waarbij de handelaar en de consument ten tijde van de sluiting beide persoonlijk aanwezig waren, op een plaats die niet de verkoopruimte van de handelaar is, bijvoorbeeld bij de consument thuis of op zijn arbeidsplaats. Bij een verkoopsituatie buiten verkoopruimten kunnen consumenten onder mogelijke psychologische druk staan of te maken krijgen met een verrassingselement, ongeacht of zij nu zelf om het bezoek van de handelaar gevraagd hebben of niet. De definitie van ‚buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst’ dient ook de situaties te omvatten waarin de consument in een verkoopsituatie buiten verkoopruimten persoonlijk en individueel wordt aangesproken, maar de overeenkomst onmiddellijk daarna wordt gesloten in de verkoopruimten van de handelaar of met behulp van een middel voor communicatie op afstand. [...] Aankopen die worden verricht tijdens een door de handelaar georganiseerde excursie waarbij er reclame wordt gemaakt voor de aangeschafte goederen en deze te koop worden aangeboden, dienen te worden beschouwd als buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten.

(22)      Het begrip verkoopruimten dient alle ruimten, van welke aard ook (winkels, kramen, bestelwagens), te omvatten die voor de handelaar als permanente of gewoonlijke bedrijfsruimte dienen. Marktkramen en stands op beurzen dienen als verkoopruimten te worden beschouwd als zij aan deze voorwaarde voldoen. Ruimten voor detailhandel, waar de handelaar op seizoenbasis zijn activiteiten verricht, bijvoorbeeld tijdens het toeristenseizoen of in een skioord of badplaats, dienen als verkoopruimten te worden beschouwd, aangezien de handelaar er gewoonlijk zijn activiteiten uitvoert. Publiek toegankelijke plaatsen, zoals straten, winkelcentra, stranden, sportfaciliteiten en openbaar vervoer, die door de handelaar in uitzonderlijke gevallen voor zijn zakelijke activiteiten gebruikt worden, alsook privéwoningen en arbeidsplaatsen, dienen niet als verkoopruimten beschouwd te worden. [...]

[...]

(37)      [...] Bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten dient de consument over een herroepingsrecht te beschikken wegens het verrassingselement en/of psychologische druk. Herroeping van de overeenkomst dient een einde te maken aan de verplichting van de contractpartijen om de overeenkomst uit te voeren.”

4        Artikel 2, „Definities”, van deze richtlijn luidt als volgt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

8)      ‚buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst’: iedere overeenkomst tussen de handelaar en de consument:

a)      die wordt gesloten in gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de handelaar en de consument op een andere plaats dan de verkoopruimten van de handelaar;

b)      waarvoor door de consument een aanbod werd gedaan onder dezelfde omstandigheden als bedoeld onder a);

c)      die gesloten wordt in de verkoopruimten van de handelaar of met behulp van een middel voor communicatie op afstand, onmiddellijk nadat de consument persoonlijk en individueel is aangesproken op een plaats die niet de verkoopruimte van de handelaar is, in gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de handelaar en de consument; of

d)      die gesloten wordt tijdens een excursie die door de handelaar is georganiseerd met als doel of effect de promotie en de verkoop van goederen of diensten aan de consument;

9)      ‚verkoopruimten’:

a)      iedere onverplaatsbare ruimte voor detailhandel waar de handelaar op permanente basis zijn activiteiten uitvoert, of

b)      iedere verplaatsbare ruimte voor detailhandel waar de handelaar gewoonlijk zijn activiteiten uitvoert;

[...]”

5        Artikel 5 van de richtlijn betreft de „[i]nformatieverplichtingen voor andere dan overeenkomsten op afstand of buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten”.

6        Artikel 6 van deze richtlijn, met het opschrift „Informatievoorschriften voor overeenkomsten op afstand en buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten”, bepaalt in lid 1:

„Voordat de consument door een overeenkomst op afstand of een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst, dan wel een daarmee overeenstemmend aanbod daartoe is gebonden, verstrekt de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze de volgende informatie:

[...]

h)      wanneer een herroepingsrecht bestaat, de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van dat recht overeenkomstig artikel 11, lid 1, alsmede het modelformulier voor herroeping opgenomen in bijlage I, deel B;

[...]”

7        Artikel 7 van richtlijn 2011/83, met het opschrift „Formele vereisten voor buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten”, bepaalt in lid 1:

„Bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten verstrekt de handelaar de in artikel 6, lid 1, genoemde informatie aan de consument op papier of, indien de consument hiermee instemt, op een andere duurzame gegevensdrager. Die informatie wordt verstrekt in een leesbare vorm en in een duidelijke en begrijpelijke taal.”

8        Artikel 9 van deze richtlijn, „Herroepingsrecht”, bepaalt in lid 1:

„Behoudens wanneer de in artikel 16 bepaalde uitzonderingen van toepassing zijn, beschikt de consument over een termijn van 14 dagen om de overeenkomst op afstand of de buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst zonder opgave van redenen te herroepen, en zonder andere kosten te moeten dragen dan die welke in artikel 13, lid 2, en artikel 14 zijn vastgesteld.”

 Duits recht

9        Richtlijn 2011/83 is omgezet in Duits recht bij het Gesetz zur Umsetzung der Verbraucherrechterichtlinie und zur Änderung des Gesetzes zur Regelung der Wohnungsvermittlung (wet tot omzetting van de richtlijn betreffende consumentenrechten en tot wijziging van de wet houdende regeling van de makelaardij) van 20 september 2013 (BGBl. 2013 I, blz. 3642).

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10      Unimatic is een distributiemaatschappij die producten aanbiedt op de „Grüne Woche”, een beurs die elk jaar in Berlijn (Duitsland) wordt gehouden. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Unimatic haar producten uitsluitend op beurzen te koop aanbiedt.

11      Op 22 januari 2015 heeft een klant bij de stand van Unimatic op deze beurs een stoomstofzuiger ter waarde van 1 600 EUR besteld. Unimatic heeft deze klant er niet van in kennis gesteld dat hij naar Duits recht en in overeenstemming met artikel 9 van richtlijn 2011/83 een herroepingsrecht had.

12      De Verbraucherzentrale Berlin heeft overwogen dat Unimatic deze klant ervan in kennis had moeten stellen dat hij een herroepingsrecht had, aangezien de verkoopovereenkomst buiten verkoopruimten is gesloten.

13      Dientengevolge heeft de Verbraucherzentrale Berlin bij het Landgericht Freiburg (rechter in eerste aanleg Freiburg, Duitsland) een vordering ingediend ertoe strekkende dat het Unimatic wordt verboden haar producten te verkopen zonder consumenten in kennis te stellen van hun herroepingsrecht.

14      Het Landgericht Freiburg heeft de vordering van de Verbraucherzentrale Berlin afgewezen. Het hoger beroep tegen deze beslissing bij het Oberlandesgericht Karlsruhe (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Baden-Württemberg, Karlsruhe, Duitsland) is verworpen.

15      Onder deze omstandigheden heeft de Verbraucherzentrale Berlin beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter, het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland).

16      De verwijzende rechter meent dat de bewoordingen van de bepalingen van richtlijn 2011/83 geen criteria omvatten aan de hand waarvan kan worden beoordeeld in hoeverre een handelaar in een concreet geval zijn activiteiten „gewoonlijk” in een ruimte voor detailhandel uitvoert in de zin van artikel 2, punt 9, onder b), van deze richtlijn.

17      In dat verband is het aangewezen, gelet op met name overweging 22 van richtlijn 2011/83, rekening te houden met het feit dat de handelaar gewoonlijk gebruikmaakt van een bepaalde verkoopmethode, dat wil zeggen dat hij regelmatig, en niet enkel incidenteel, zijn producten in een bepaalde ruimte voor detailhandel verkoopt.

18      Daarnaast kan deze benadering ertoe leiden dat de consument die een product aanschaft dat op een beurs te koop wordt aangeboden door een handelaar die beschikt over een „vaste” winkel waarin hij gewoonlijk datzelfde product aanbiedt en enkel incidenteel op beurzen actief is, een herroepingsrecht als bedoeld in artikel 9 van richtlijn 2011/83 heeft, maar dat de verkoop door een andere handelaar die gewoonlijk zijn producten op beurzen aanbiedt en niet beschikt over een vaste winkel, niet wordt beschouwd als een verkoopovereenkomst „buiten verkoopruimten” en dientengevolge niet gepaard gaat met een herroepingsrecht.

19      Volgens een andere benadering, die door de verwijzende rechter wordt uiteengezet, is niet de manier waarop een handelaar zijn verkoopactiviteiten organiseert beslissend voor de beoordeling of de overeenkomst buiten „verkoopruimten” in de zin van artikel 2, punt 9, van richtlijn 2011/83 is gesloten, maar de aard van het verkochte product. Als het gaat om een product dat in de regel op beurzen wordt verkocht, moet worden aangenomen dat de consument moest verwachten dat op de betrokken beurs dergelijke producten te koop zouden worden aangeboden. Daarentegen moet worden gewaakt voor de bescherming van de consument in het geval van andere soorten producten waarvan hij niet hoefde te verwachten dat ze op deze beurs zouden worden aangeboden. Deze benadering is gegrond op het in richtlijn 2011/83 neergelegde doel van het herroepingsrecht, namelijk de consument beschermen tegen het overhaast sluiten van een overeenkomst in een voor hem verrassende situatie of onder psychologische druk.

20      In het kader van de in het vorige punt bedoelde benadering zijn de verwachtingen en de perceptie van de consument van belang. Daartoe is het, aan de ene kant, mogelijk rekening te houden met de verwachtingen van de consument op het moment waarop hij beslist de beurs te gaan bezoeken, gegrond op de informatie over de goederen of diensten die daar worden aangeboden. Aan de andere kant is het mogelijk aangewezen voor de uitlegging van artikel 2, punt 9, van richtlijn 2011/83 eerder te kijken naar de concrete omstandigheden waarin de overeenkomst tijdens de beurs is gesloten.

21      Daarop heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Is een beursstand in een hal die door een handelaar wordt gebruikt voor de verkoop van zijn producten gedurende een beurs die enkele dagen per jaar plaatsvindt, een onverplaatsbare ruimte voor detailhandel in de zin van artikel 2, punt 9, onder a), van richtlijn 2011/83 of een verplaatsbare ruimte voor detailhandel in de zin van artikel 2, punt 9, onder b), van richtlijn 2011/83?

2)      Voor het geval dat deze een verplaatsbare ruimte voor detailhandel vormt:

Is het ter beantwoording van de vraag of een handelaar zijn activiteiten ‚gewoonlijk’ op beursstands uitvoert, bepalend

a)      hoe de handelaar zijn activiteiten organiseert, dan wel

b)      of de consument rekening moet houden met de totstandkoming van een overeenkomst inzake de betrokken goederen op de concrete beurs?

3)      Voor het geval dat bij het antwoord op de tweede vraag de perceptie van de consument doorslaggevend is [tweede vraag, onder b)]:

Moet ter beantwoording van de vraag of de consument rekening moet houden met de totstandkoming van een overeenkomst inzake de betrokken goederen op de beurs in kwestie, worden gekeken naar hoe de beurs aan het publiek wordt gepresenteerd dan wel welke feitelijke indruk de consument van de beurs heeft op het ogenblik dat hij de overeenkomst aangaat?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

22      Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, punt 9, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat een stand, als aan de orde in het hoofdgeding, van een handelaar op een beurs, waarop hij gedurende enkele dagen per jaar zijn activiteiten uitvoert, moet worden opgevat als „verkoopruimten” in de zin van deze bepaling.

23      Vooraf moet eraan worden herinnerd dat richtlijn 2011/83 het begrip verkoopruimten in artikel 2, punt 9, onder a), definieert als iedere onverplaatsbare ruimte voor detailhandel waar de handelaar op permanente basis zijn activiteiten uitvoert, en daarnaast, in artikel 2, punt 9, onder b), als iedere verplaatsbare ruimte voor detailhandel waar de handelaar gewoonlijk zijn activiteiten uitvoert.

24      In overweging 22 van deze richtlijn wordt in dat verband nader verklaard dat alle ruimten van welke aard ook (winkels, kramen, bestelwagens) die voor de handelaar als permanente of gewoonlijke bedrijfsruimte dienen, als verkoopruimten dienen te worden beschouwd.

25      Aldus heeft de wetgever van de Unie bepaald dat verkoopruimten kunnen bestaan in onverplaatsbare of verplaatsbare ruimten voor detailhandel waar de handelaar op permanente basis of gewoonlijk zijn activiteiten uitvoert.

26      Richtlijn 2011/83 omschrijft niet wat moet worden verstaan onder een activiteit die „op permanente basis” of „gewoonlijk” wordt uitgevoerd noch verwijst zij naar het nationale recht voor de precieze betekenis van die uitdrukkingen.

27      Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist de uniforme toepassing van het Unierecht dat, wanneer een bepaling van Unierecht voor een bepaald begrip niet naar het recht van de lidstaten verwijst, dat begrip in de gehele Unie autonoom en uniform wordt uitgelegd, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de bewoordingen van de betrokken bepaling, maar ook met haar context en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 8 maart 2018, DOCERAM, C‑395/16, EU:C:2018:172, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28      Derhalve moeten de begrippen in artikel 2, punt 9, onder a) en b), van richtlijn 2011/83 voor de toepassing van deze richtlijn worden uitgelegd als autonome begrippen van Unierecht die in alle lidstaten uniform moeten worden uitgelegd.

29      In dat verband moet ten eerste worden vastgesteld dat de activiteiten van een handelaar die worden uitgevoerd op een stand als die in het hoofdgeding, die zich gedurende enkele dagen per kalenderjaar bevindt op een beurs, niet kunnen worden beschouwd als activiteiten die „op permanente basis”, in de gangbare betekenis van die uitdrukking, worden uitgevoerd.

30      Ten tweede moet met betrekking tot de uitdrukking „gewoonlijk” worden opgemerkt dat dit woord in zijn gebruikelijke betekenis kan worden opgevat als een verwijzing naar ofwel een zekere bestendigheid in de tijd van de betrokken activiteit ofwel naar de omstandigheid dat de betrokken ruimte normaliter voor de uitvoering van deze activiteit wordt benut. Dientengevolge kan deze bepaling louter op grond van de betekenis ervan in de omgangstaal op voorhand niet eenduidig worden uitgelegd.

31      Niettemin bepaalt het feit dat een handelaar zijn activiteiten op permanente basis of gewoonlijk uitvoert in bepaalde „verkoopruimten” in de zin van artikel 2, punt 9, van richtlijn 2011/83 de omvang van de bescherming van de consument die in deze richtlijn wordt verleend.

32      Ten eerste behelzen de artikelen 6 en 7 van richtlijn 2011/83 namelijk informatievoorschriften en formele vereisten voor „buiten verkoopruimten” gesloten overeenkomsten in de zin van artikel 2, punt 8, van deze richtlijn. Bovendien wordt de consument in de artikelen 9 tot en met 16 een herroepingsrecht na de sluiting van een dergelijke overeenkomst toegekend en de voorwaarden en de wijze van uitoefening van het recht beschreven. Ten tweede wordt een „buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst” gedefinieerd met behulp van het begrip verkoopruimten in de zin van artikel 2, punt 9, van deze richtlijn.

33      De doelstelling van de in het vorige punt genoemde bepalingen wordt met name in overweging 21 van richtlijn 2011/83 uiteengezet; volgens deze overweging kunnen consumenten bij een verkoopsituatie buiten verkoopruimten van een handelaar onder mogelijke psychologische druk staan of te maken krijgen met een verrassingselement, ongeacht of zij zelf om het bezoek van de handelaar hebben gevraagd of niet. In zoverre heeft de wetgever van de Unie ook situaties op het oog gehad waarin de consument buiten verkoopruimten persoonlijk en individueel wordt aangesproken, maar de overeenkomst onmiddellijk daarna wordt gesloten in de verkoopruimten van de handelaar of met behulp van een middel voor communicatie op afstand.

34      Daaruit volgt dat de wetgever van de Unie heeft voorzien in bescherming van de consument, wat betreft buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, voor het geval waarin de consument zich op het moment van het sluiten van de overeenkomst niet bevindt in een ruimte die op permanente basis of gewoonlijk door de handelaar wordt bezet, omdat hij heeft gemeend dat een consument die zich spontaan naar een dergelijke ruimte begeeft, kan verwachten dat hij door de handelaar wordt aangesproken, zodat hij in voorkomend geval niet met recht kan stellen dat hij door het aanbod van die handelaar is verrast.

35      Bovendien moet eraan worden herinnerd dat het begrip verkoopruimten al voorkwam in artikel 1, lid 1, eerste streepje, van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB 1985, L 372, blz. 31), die is ingetrokken bij en vervangen door richtlijn 2011/83.

36      In de vierde overweging van richtlijn 85/577 werd uiteengezet dat overeenkomsten die buiten de verkoopruimten van de handelaar worden gesloten, worden gekenmerkt door het feit dat het initiatief tot de besprekingen in de regel van de handelaar uitgaat en de consument zich op generlei wijze op deze besprekingen heeft voorbereid en wordt overvallen, en dat de consument dikwijls niet in staat is kwaliteit en prijs van het aanbod met andere aanbiedingen te vergelijken. In deze overweging werd daarnaast gepreciseerd dat dit verrassingselement niet alleen bestaat bij via huis-aan-huisverkoop gesloten overeenkomsten, doch ook bij andere typen overeenkomsten waartoe de handelaar buiten zijn verkoopruimten het initiatief neemt.

37      Met name gelet op deze vierde overweging van richtlijn 85/577 heeft het Hof in de punten 34 tot en met 37 van het arrest van 22 april 1999, Travel Vac (C‑423/97, EU:C:1999:197), geoordeeld dat het begrip verkoopruimten in de zin van die richtlijn de ruimten omvatte waar de handelaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht en die duidelijk als verkooplokaliteit aan het publiek kenbaar zijn gemaakt.

38      Aangezien uit overweging 22 van richtlijn 2011/83 blijkt dat die richtlijn met het begrip verkoopruimten tevens doelt op die plaatsen waar een aanbod voor een aankoop voor een consument geen verrassingselement oplevert, is de leer die kan worden getrokken uit dat arrest van het Hof over de uitlegging van richtlijn 85/577 nog steeds relevant voor de uitlegging van dit begrip in de zin van richtlijn 2011/83.

39      Gezien deze overwegingen en de overwegingen in punt 34 van het onderhavige arrest moet de uitdrukking „gewoonlijk” in de zin van artikel 2, punt 9, onder b), van richtlijn 2011/83 worden opgevat als een verwijzing naar het feit dat de litigieuze ruimte normaliter voor de betrokken activiteit wordt benut.

40      Aan deze uitlegging wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat artikel 2, punt 9, onder a), van richtlijn 2011/83 met betrekking tot onverplaatsbare ruimten verwijst naar zakelijke activiteiten die een handelaar niet „gewoonlijk” maar „op permanente basis” uitvoert. In het geval van deze ruimten impliceert het loutere feit dat de betrokken activiteit er op permanente basis wordt uitgevoerd namelijk noodzakelijkerwijs dat deze activiteit voor een consument „normaal” of „gewoon” is. Daar de in deze verkoopruimten uitgevoerde activiteit permanent moet zijn, kan de consument niet worden overvallen door het soort aanbod dat hij daar krijgt.

41      Met betrekking tot, meer bepaald, een situatie als in het hoofdgeding waarin een handelaar zijn activiteiten uitvoert op een stand van een beurs, moet eraan worden herinnerd dat marktkramen en stands op beurzen als verkoopruimten dienen te worden beschouwd als zij aan deze voorwaarde voldoen, zoals in overweging 22 van richtlijn 2011/83 wordt uiteengezet.

42      Uit deze overweging komt ook naar voren dat ruimten voor detailhandel waar de handelaar op seizoenbasis zijn activiteiten verricht, bijvoorbeeld tijdens het toeristenseizoen of in een skioord of badplaats, als verkoopruimten dienen te worden beschouwd, aangezien die handelaar er gewoonlijk zijn activiteiten uitvoert. Publiek toegankelijke plaatsen, zoals straten, winkelcentra, stranden, sportfaciliteiten en openbaar vervoer, die door deze handelaar in uitzonderlijke gevallen voor zijn zakelijke activiteiten worden gebruikt, alsook privéwoningen en arbeidsplaatsen, dienen daarentegen niet als verkoopruimten te worden beschouwd.

43      Gelet op het voorgaande moet bij het bepalen of een stand op een beurs in een gegeven geval als verkoopruimten in de zin van artikel 2, punt 9, van deze richtlijn moet worden gekwalificeerd, rekening worden gehouden met de concrete verschijningsvorm van deze stand in de ogen van het publiek en, meer in het bijzonder, met de kwestie of deze stand in de ogen van een gemiddelde consument het voorkomen heeft van een plaats waar de handelaar die hem drijft, gewoonlijk zijn activiteiten – met inbegrip van seizoengebonden activiteiten – uitvoert, zodat een dergelijke consument die zich daarheen begeeft, redelijkerwijs kan verwachten dat hem een aanbod voor een aankoop wordt gedaan.

44      Daarbij is de perceptie van de gemiddelde consument van belang, te weten een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument (zie naar analogie arresten van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai, C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 74; 26 oktober 2016, Canal Digital Danmark, C‑611/14, EU:C:2016:800, punt 39, en 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 47).

45      In die context is het aan de nationale rechter om de verschijningsvorm te beoordelen waarin de betrokken stand zich aan de gemiddelde consument presenteert, waarbij hij rekening moet houden met het geheel aan feitelijke omstandigheden van de activiteiten van de handelaar, en met name met de informatie in de ruimten waar de beurs wordt gehouden. De duur van de betrokken beurs is daarvoor op zichzelf niet doorslaggevend, aangezien de wetgever van de Unie heeft gewild dat de ruimte waar een handelaar op seizoenbasis zijn activiteiten verricht, een verkoopruimte in de zin van artikel 2, punt 9, van deze richtlijn kan vormen, zoals uit overweging 22 van richtlijn 2011/83 naar voren komt.

46      Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 2, punt 9, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat een stand van een handelaar op een beurs, als aan de orde in het hoofdgeding, waarop deze gedurende enkele dagen per jaar zijn activiteiten uitvoert, moet worden opgevat als „verkoopruimten” in de zin van deze bepaling indien een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument, in het licht van het geheel aan feitelijke omstandigheden van deze activiteiten, en met name van de uiterlijke verschijningsvorm van deze stand en de informatie in de ruimten waar de beurs wordt gehouden, redelijkerwijs kon verwachten dat die handelaar er zijn activiteiten uitvoert en hem aanspreekt om een overeenkomst te sluiten, hetgeen aan de nationale rechter is om na te gaan.

 Kosten

47      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 2, punt 9, van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat een stand van een handelaar op een beurs, als aan de orde in het hoofdgeding, waarop deze gedurende enkele dagen per jaar zijn activiteiten uitvoert, moet worden opgevat als „verkoopruimten” in de zin van deze bepaling indien een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument, in het licht van het geheel aan feitelijke omstandigheden van deze activiteiten, en met name van de uiterlijke verschijningsvorm van deze stand en de informatie in de ruimten waar de beurs wordt gehouden, redelijkerwijs kon verwachten dat die handelaar er zijn activiteiten uitvoert en hem aanspreekt om een overeenkomst te sluiten, hetgeen aan de nationale rechter is om na te gaan.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.