Language of document : ECLI:EU:T:2018:219

Gevoegde zaken T‑133/16–T‑136/16

Caisse régionale de crédit agricole mutuel Alpes Provence e.a.

tegen

Europese Centrale Bank

„Economisch en monetair beleid – Prudentieel toezicht op kredietinstellingen – Artikel 4, lid 1, onder e), en lid 3, van verordening (EU) nr. 1024/2013 – Persoon die daadwerkelijk het beleid van de kredietinstelling bepaalt – Artikel 13, lid 1, van richtlijn 2013/36/EU en artikel L. 511‑13, tweede alinea, van het Franse monetair en financieel wetboek – Beginsel dat de toezichthoudende taken behorende bij het voorzitterschap van het leidinggevend orgaan van een kredietinstelling en de functie van CEO in dezelfde instelling niet worden gecombineerd – Artikel 88, lid 1, onder e), van richtlijn 2013/36 en artikel L. 511‑58 van het Franse monetair en financieel wetboek”

Samenvatting – Arrest van het Gerecht (Tweede kamer – uitgebreid) van 24 april 2018

1.      Economisch en monetair beleid – Economisch beleid – Toezicht op de financiële sector van de Unie – Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme – Prudentieel toezicht op kredietinstellingen – Cumulatie van de functie van voorzitter van het leidinggevend orgaan van een kredietinstelling en de functie van CEO van dezelfde instelling – Weigering van toestemming van de Europese Centrale Bank – Rechterlijke toetsing – Omvang

(Verordening nr. 1024/2013 van de Raad, art. 4, lid 3; richtlijn 2013/36 van het Europees Parlement en de Raad, art. 13, lid 1)

2.      Recht van de Europese Unie – Uitlegging – Methoden – Letterlijke, systematische, historische en teleologische uitlegging

3.      Economisch en monetair beleid – Economisch beleid – Toezicht op de financiële sector van de Unie – Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme – Prudentieel toezicht op kredietinstellingen – Vereiste dat ten minste twee personen daadwerkelijk het beleid van de kredietinstelling bepalen – Begrip

(Richtlijn 2013/36 van het Europees Parlement en de Raad, art. 13, lid 1)

4.      Nationaal recht – Uitlegging – Inaanmerkingneming van de door de rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat gegeven uitlegging – Inaanmerkingneming van een arrest van een nationale rechterlijke instantie dat is gewezen na het voor de Unierechter bestreden besluit – Toelaatbaarheid

1.      Aangaande een beslissing over de benoeming van de voorzitter van de raad van bestuur van een kredietinstelling tot daadwerkelijk bestuurder van deze instelling, is de Europese Centrale Bank gehouden om in overeenstemming met artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1024/2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, niet alleen toepassing te geven aan artikel 13, lid 1, van richtlijn 2013/36 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, maar eveneens aan de bepaling van nationaal recht waarin dit artikel is omgezet.

Overeenkomstig artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1024/2013 past de ECB immers voor het vervullen van de haar bij deze verordening opgedragen taken en het waarborgen van hoogwaardige toezichtsnormen alle toepasselijke bepalingen van Uniewetgeving toe, en wanneer het daarbij gaat om richtlijnen, de nationale wetgeving waarbij die richtlijnen zijn omgezet. Bijgevolg impliceert artikel 4, lid 3, van deze verordening noodzakelijkerwijs dat de Unierechter de rechtmatigheid van besluiten waarbij werd geweigerd goed te keuren dat de voorzitter van een raad van bestuur eveneens als daadwerkelijk bestuurder van een kredietinstelling optreedt, moet beoordelen ten aanzien van zowel artikel 13, lid 1, van richtlijn 2013/36 als de relevante bepaling van het betreffende nationale recht.

(zie punten 47‑49)

2.      Zie de tekst van de beslissing.

(zie punten 54, 55)

3.      Uit de letterlijke, historische, teleologische en contextuele uitleggingen van artikel 13, lid 1, van richtlijn 2013/36 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen volgt dat de uitdrukking „twee personen [...] die daadwerkelijk het beleid bepalen van de [...] instelling” betrekking heeft op leden van het leidinggevend orgaan die eveneens deel uitmaken van de directie van de kredietinstelling.

Hieruit vloeit namelijk noodzakelijkerwijs voort dat binnen de systematiek van richtlijn 2013/36 de doelstelling van degelijke governance van kredietinstellingen wordt gerealiseerd door een effectief toezicht op de directie door de niet-uitvoerende leden van het leidinggevend orgaan na te streven, wat een evenwichtige machtsverdeling binnen het leidinggevend orgaan impliceert. Vast staat echter dat de doelmatigheid van een dergelijk toezicht in het gedrang kan komen ingeval de voorzitter van het leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie, zonder formeel de functie van CEO uit te oefenen, tegelijkertijd belast zou zijn met de daadwerkelijke leiding van de werkzaamheden van de kredietinstelling.

(zie punten 79, 83)

4.      De strekking van nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen moet worden beoordeeld met inachtneming van de uitlegging die de nationale rechterlijke instanties daaraan geven. In dat verband vormt de omstandigheid dat het arrest van een nationale rechterlijke instantie van latere datum is dan het besluit dat bij de Unierechter wordt bestreden, geen belemmering om hier rekening mee te houden teneinde de desbetreffende nationale bepaling uit te leggen, aangezien verzoekende partij de mogelijkheid heeft gehad om haar opmerkingen voor de Unierechter uiteen te zetten.

(zie punten 84, 87)