Language of document : ECLI:EU:C:2018:701

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

12 september 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken – Bijzondere bevoegdheid – Artikel 5, punt 3 – Bevoegdheid inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad – Plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen – Consument die zijn woonplaats heeft in een lidstaat en die door bemiddeling van een in deze lidstaat gevestigde bank effecten heeft aangekocht die zijn uitgegeven door een in een andere lidstaat gevestigde bank – Bevoegdheid om kennis te nemen van het rechtsmiddel dat door deze consument wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van deze bank is ingesteld”

In zaak C‑304/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 10 mei 2017, ingekomen bij het Hof op 24 mei 2017, in de procedure

Helga Löber

tegen

Barclays Bank plc,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), kamerpresident, C. G. Fernlund, J.‑C. Bonichot, S. Rodin en E. Regan, rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Helga Löber, vertegenwoordigd door L. Aigner, Rechtsanwalt,

–        Barclays Bank plc, vertegenwoordigd door H. Bielesz, Rechtsanwalt,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door G. Papadaki, S. Papaioannou en T. Papadopoulou als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en M. Heller als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 mei 2018,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Helga Löber en Barclays Bank plc betreffende een vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad tegen deze bank.

 Toepasselijke bepalingen

3        De overwegingen 11 en 12 van verordening nr. 44/2001 luiden:

„(11)      De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.

(12)      Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.”

4        Artikel 2, lid 1, van deze verordening bepaalt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

5        Artikel 5, punten 1 en 3, van die verordening bepaalt het volgende:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.      a)      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

[...]

3.      ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

6        Barclays Bank is een in Londen (Verenigd Koninkrijk) gevestigde bank met een filiaal in Frankfurt am Main (Duitsland).

7        Deze bank heeft X1 Global EUR Index-certificaten (hierna: „certificaten”) in de vorm van obligaties aan toonder uitgegeven, waarop institutionele beleggers hebben ingetekend, die de certificaten vervolgens op de secundaire markt hebben verkocht, onder andere aan consumenten in Oostenrijk.

8        De certificaten werden uitgegeven op basis van een Duitse basisprospectus van 22 september 2005, waarvan de Österreichische Kontrollbank (Oostenrijkse toezichthoudende bank) in kennis werd gesteld, en tegen algemene voorwaarden die dateerden van 20 december 2005. De inschrijvingsperiode van het openbaar aanbod liep van 20 december 2005 tot en met 24 februari 2006. De emissie van de certificaten vond plaats op 31 maart 2006.

9        Het terug te betalen bedrag en dientengevolge de waarde van de certificaten waren bepaald aan de hand van een index die uit een portefeuille van verschillende doelfondsen bestaat, zodat de waarde van de certificaten rechtstreeks aan deze portefeuille was gekoppeld. Die portefeuille werd samengesteld en beheerd door X1 Fund Allocation GmbH, een in Duitsland gevestigde vennootschap. Het in deze certificaten belegde geld, dat in een frauduleus piramidesysteem werd gebruikt, is evenwel grotendeels verloren gegaan en de certificaten zijn waardeloos geworden.

10      Löber, die haar woonplaats heeft in Wenen (Oostenrijk), heeft door bemiddeling van twee verschillende Oostenrijkse banken, die respectievelijk in Salzburg (Oostenrijk) en in Graz (Oostenrijk) zijn gevestigd, in totaal 28 648,43 EUR in de certificaten belegd.

11      Löber heeft als gedupeerde belegger bij het Handelsgericht Wien (handelsrechter in eerste aanleg Wenen, Oostenrijk) tegen Barclays Bank een vordering ingesteld tot betaling door laatstgenoemde van een bedrag van 34 459,06 EUR, tot vaststelling van de contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid van Barclays Bank en tot openbaarmaking van de financiële toestand van deze bank. Ter onderbouwing van haar betoog voert zij met name aan dat de informatie in de prospectus betreffende de certificaten hiaten vertoonde.

12      Bij beschikking van 18 juli 2016 heeft het Handelsgericht Wien zich onbevoegd verklaard en deze vordering afgewezen, met name op grond dat Löber zich met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001, niet had beroepen op het feit dat de betrokken schade rechtstreeks was ingetreden op een bij een bank te Wenen geopende bankrekening die met haar kon worden geassocieerd. Volgens deze rechter had Löber de certificaten door bemiddeling van een in Graz of Salzburg gevestigde bank verkregen en had deze schade zich in laatstgenoemde plaatsen voorgedaan en niet binnen het rechtsgebied van dat gerecht.

13      Löber is tegen deze beschikking in beroep gegaan bij het Oberlandesgericht Wien (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Wenen, Oostenrijk), dat die beschikking bij beschikking van 6 december 2016 heeft bevestigd door te oordelen dat artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/2001 van toepassing is en de Oostenrijkse gerechten onbevoegd zijn.

14      Löber heeft tegen de beschikking van het Oberlandesgericht Wien beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter opdat wordt vastgesteld dat het Handelsgericht Wien op grond van met name artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 bevoegd is.

15      Daarop heeft het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Is de op grond van artikel 5, punt 3, van verordening [nr. 44/2001] bevoegde rechter voor buitencontractuele vorderingen wegens prospectusaansprakelijkheid ingeval

–        de belegger zijn op een gebrekkige prospectus gebaseerde beleggingsbeslissing in zijn woonplaats heeft genomen

–        en hij, op grond van deze beslissing, de aankoopprijs voor de op de secundaire markt verworven effecten van zijn rekening bij een Oostenrijkse bank heeft gestort op een afwikkelingsrekening die hij aanhoudt bij een andere Oostenrijkse bank, vanwaar de aankoopprijs vervolgens in opdracht van de verzoekende partij aan de verkoper is overgemaakt:

a)      de rechter van het rechtsgebied waar de belegger zijn woonplaats heeft,

b)      de rechter van het rechtsgebied waar zich de zetel of het filiaal dat de rekening beheert, bevindt van de bank waarbij de verzoekende partij de bankrekening aanhoudt vanwaar het geïnvesteerde bedrag is overgemaakt op de afwikkelingsrekening,

c)      de rechter van het rechtsgebied waar zich de zetel of het filiaal dat de rekening beheert, bevindt van de bank die de afwikkelingsrekening beheert,

d)      een van deze rechters naar keuze van de verzoekende partij,

e)      geen van deze rechters?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

16      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen hoe artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 moet worden uitgelegd om te bepalen welk gerecht van een lidstaat als gerecht van de plaats waar zich het schadebrengende feit heeft voorgedaan in de zin van deze bepaling, bevoegd is om kennis te nemen van een vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad tegen een in een lidstaat gevestigde bank die een certificaat heeft uitgegeven, op grond dat de in de prospectus betreffende dit certificaat vervatte informatie ontoereikend was, welke vordering is ingesteld door een belegger die in een andere lidstaat woont en daar een belegging heeft verricht, wanneer de schade die deze belegger stelt te hebben geleden bestaat in financiële schade die zich heeft voorgedaan op een bankrekening bij een bank die gevestigd is op het grondgebied van de lidstaat waar die belegger zijn woonplaats heeft.

17      Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat de bijzondere bevoegdheidsregel in artikel 5, punt 3, van deze verordening autonoom en eng moet worden uitgelegd (arresten van 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 43; 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 37, en 21 april 2016, Austro-Mechana, C‑572/14, EU:C:2016:286, punt 29).

18      De bevoegdheid waarin artikel 2 van die verordening voorziet, namelijk de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft, is namelijk de algemene regel, en deze verordening voorziet slechts als uitzondering op deze algemene regel in regels voor bijzondere of exclusieve bevoegdheid in limitatief opgesomde gevallen waarin de verweerder kan of, naargelang van het geval, moet worden opgeroepen voor een gerecht van een andere lidstaat (arresten van 13 juli 2006, Reisch Montage, C‑103/05, EU:C:2006:471, punt 22, en 12 mei 2011, BVG, C‑144/10, EU:C:2011:300, punt 30).

19      Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvat het begrip „verbintenissen uit onrechtmatige daad” alle vorderingen die ertoe strekken een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houden met een „verbintenis uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/2001 (arresten van 27 september 1988, Kalfelis, 189/87, EU:C:1988:459, punten 17 en 18; 13 maart 2014, Brogsitter, C‑548/12, EU:C:2014:148, punt 20; 21 april 2016, Austro-Mechana, C‑572/14, EU:C:2016:286, punt 32, en 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 24).

20      Het Hof heeft in het bijzonder geoordeeld dat artikel 5, punt 3, van deze verordening van toepassing is op een vordering waarmee de emittent van een certificaat aansprakelijk wordt gesteld voor de prospectus voor dit certificaat en wegens niet-nakoming van andere op die emittent rustende informatieverplichtingen, voor zover die aansprakelijkheid niet berust op een „verbintenis uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, punt 1, onder a), van die verordening (arrest van 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 57).

21      Wat het hoofdgeding betreft, volstaat het op te merken dat de verwijzende rechter verklaart dat de voor hem aangevoerde aansprakelijkheid uit hoofde van de prospectus niet berust op een verbintenis uit overeenkomst en dat Löber met de vordering in het hoofdgeding met name beoogt dat Barclays Bank aansprakelijk wordt gesteld uit onrechtmatige daad.

22      Aangaande het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 zij eraan herinnerd dat dit begrip zowel doelt op de plaats waar de schade is ingetreden als op de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat, zodat de verweerder naar keuze van de eiser voor het gerecht van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen (arresten van 10 juni 2004, Kronhofer, C‑168/02, EU:C:2004:364, punt 16; 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 45; 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 38, en 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 28).

23      In dat verband heeft het Hof geoordeeld dat het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet zo ruim kan worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt (arresten van 19 september 1995, Marinari, C‑364/93, EU:C:1995:289, punt 14; 10 juni 2004, Kronhofer, C‑168/02, EU:C:2004:364, punt 19, en 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 34), en dat dit begrip niet ook de plaats omvat waar de verzoeker woont en waar zich het centrum van zijn vermogen bevindt, op de enkele grond dat hij aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit een in een andere lidstaat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen (arresten van 10 juni 2004, Kronhofer, C‑168/02, EU:C:2004:364, punt 21, en 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 35).

24      Zo rechtvaardigt het enkele feit dat de verzoeker financiële gevolgen ondervindt niet dat de gerechten van de woonplaats van deze laatste bevoegd zijn wanneer zowel de schadebrengende gebeurtenis als het intreden van de schade zich op het grondgebied van een andere lidstaat voordoen (arrest van 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 49).

25      Daarentegen is bevoegdheid van die gerechten gerechtvaardigd voor zover de woonplaats van de verzoeker inderdaad de plaats is van de schadebrengende gebeurtenis of het intreden van de schade (arrest van 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 50).

26      In casu gaat het in het hoofdgeding om het bepalen van de plaats van het intreden van de schade.

27      Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat deze plaats de plaats is waar de beweerde schade zich concreet voordoet (arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 52).

28      Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat op grond van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 de gerechten van de woonplaats van de verzoeker – uit hoofde van het intreden van de schade – bevoegd zijn om kennis te nemen van een vordering waarmee de emittent van een certificaat aansprakelijk wordt gesteld voor de prospectus voor dit certificaat en wegens niet-nakoming van andere op die emittent rustende informatieverplichtingen, onder meer wanneer de beweerde schade zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van de verzoeker bij een in het rechtsgebied van deze gerechten gevestigde bank (arrest van 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 57).

29      In zijn arrest van 16 juni 2016, Universal Music International Holding (C‑12/15, EU:C:2016:449), heeft het Hof gepreciseerd dat deze vaststelling was gedaan in een bijzondere context, die werd gekenmerkt door omstandigheden die tezamen bijdroegen tot toekenning van bevoegdheid aan die gerechten (arrest van 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 37).

30      Zo heeft het Hof geoordeeld dat artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat als „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet kan worden aangemerkt, bij gebreke van andere aanknopingspunten, de plaats in een lidstaat waar de schade is ingetreden wanneer die schade uitsluitend bestaat in een financieel verlies dat rechtstreeks intreedt op de bankrekening van de verzoeker en het rechtstreekse gevolg is van een onrechtmatige gedraging die zich heeft voorgedaan in een andere lidstaat (arrest van 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 40).

31      In de onderhavige zaak blijkt dat de specifieke omstandigheden van het hoofdgeding tezamen bijdragen tot toekenning van bevoegdheid aan de Oostenrijkse gerechten.

32      Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft Löber haar woonplaats namelijk in Oostenrijk en zijn alle betalingen betreffende de beleggingstransactie die in het hoofdgeding aan de orde is, via Oostenrijkse bankrekeningen verricht, te weten de persoonlijke bankrekening van Löber en de speciaal voor de uitvoering van deze transactie bestemde afwikkelingsrekeningen.

33      Naast het feit dat Löber in het kader van die transactie alleen met Oostenrijkse banken heeft gehandeld, blijkt daarenboven uit de verwijzingsbeslissing ook dat zij de certificaten op de Oostenrijkse secundaire markt heeft verkregen, dat de haar verstrekte informatie over de certificaten de informatie in de prospectus betreffende deze certificaten is, waarvan kennis is gegeven aan de Österreichische Kontrollbank, en dat zij in Oostenrijk op basis van deze informatie zich ertoe heeft verbonden om te beleggen, welke verbintenis definitief op haar vermogen drukte.

34      Voorts is de toebedeling van de bevoegdheid aan de Oostenrijkse gerechten in omstandigheden als die in het hoofdgeding in overeenstemming met de in de overwegingen 11 en 12 van verordening nr. 44/2001 genoemde doelstellingen van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels waarin deze verordening voorziet, de verbondenheid tussen de door deze regels aangewezen gerechten en de vordering alsmede de goede rechtsbedeling.

35      Dienaangaande moet met name eraan worden herinnerd dat de aanwijzing van de plaats van vestiging van de bank waarbij verzoekers bankrekening is geopend waarop de schade zich rechtstreeks voordoet, als de plaats van het intreden van de schade, strookt met het doel van verordening nr. 44/2001 de rechtsbescherming van in de Unie gevestigde personen te versterken – de verzoeker kan gemakkelijk bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en de verweerder kan redelijkerwijs voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen – daar de emittent van een certificaat die zijn wettelijke verplichtingen met betrekking tot de prospectus niet nakomt erop moet rekenen, wanneer hij besluit de kennisgeving van de prospectus voor dat certificaat in andere lidstaten te doen, dat in die lidstaten wonende onvoldoende geïnformeerde marktdeelnemers in dat certificaat investeren en schade lijden (zie in die zin arrest van 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 56).

36      Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat in een situatie als in het hoofdgeding, waarin een belegger tegen een bank – die een certificaat heeft uitgegeven waarin deze belegger heeft belegd – een vordering instelt wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ten gevolge van de prospectus betreffende dit certificaat, de gerechten van de woonplaats van deze belegger als gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in de zin van deze bepaling, bevoegd zijn om kennis te nemen van deze vordering wanneer de beweerde schade bestaat in financiële schade die zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van die belegger bij een in het rechtsgebied van deze gerechten gevestigde bank en de overige specifieke omstandigheden van deze situatie eveneens bijdragen tot toekenning van bevoegdheid aan die gerechten.

 Kosten

37      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat in een situatie als in het hoofdgeding, waarin een belegger tegen een bank – die een certificaat heeft uitgegeven waarin deze belegger heeft belegd – een vordering instelt wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ten gevolge van de prospectus betreffende dit certificaat, de gerechten van de woonplaats van deze belegger, als gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in de zin van deze bepaling, bevoegd zijn om kennis te nemen van deze vordering wanneer de beweerde schade bestaat in financiële schade die zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van die belegger bij een in het rechtsgebied van deze gerechten gevestigde bank en de overige specifieke omstandigheden van deze situatie eveneens bijdragen tot toekenning van bevoegdheid aan die gerechten.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.