Language of document : ECLI:EU:C:2018:735

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

19 september 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2005/29/EG – Oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten – Lening met hypothecaire zekerheid – Hypothecaire executieprocedure – Herwaardering van een onroerende zaak voorafgaand aan een openbare verkoop – Geldigheid van de executoriale titel – Artikel 11 – Passende en doeltreffende middelen tegen oneerlijke handelspraktijken – Verbod voor de nationale rechter om het bestaan van oneerlijke handelspraktijken te beoordelen – Onmogelijkheid om de hypothecaire executieprocedure te schorsen – Artikelen 2 en 10 – Gedragscode – Geen juridisch bindend karakter van deze code”

In zaak C‑109/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de Primera Instancia n° 5 de Cartagena (rechtbank in eerste aanleg nr. 5 Cartagena, Spanje) bij beslissing van 20 februari 2017, ingekomen bij het Hof op 3 maart 2017, in de procedure

Bankia, SA

tegen

Juan Carlos Marí Merino,

Juan Pérez Gavilán,

María de la Concepción Marí Merino,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, A. Tizzano (rapporteur), vicepresident van het Hof, E. Levits, A. Borg Barthet en M. Berger, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 februari 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        Bankia SA, vertegenwoordigd door J. M. Rodríguez Cárcamo en A. M. Rodríguez Conde, abogados,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. J. García-Valdecasas Dorrego als gemachtigde,

–        Ierland, vertegenwoordigd door A. Joyce, M. Browne en J. Quaney als gemachtigden, bijgestaan door M. Gray, BL,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Rius, N. Ruiz García en A. Cleenewerck de Crayencour als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 maart 2018,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 11 van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2005, L 149, blz. 22).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Bankia SA enerzijds, en Juan Carlos Marí Merino, Juan Pérez Gavilán en María de la Concepción Marí Merino (hierna: „verweerders in het hoofdgeding”) anderzijds, over een hypothecaire executieprocedure.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 93/13

3        Artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) bepaalt:

„Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.”

4        Artikel 6, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

5        Artikel 7, lid 1, van die richtlijn bepaalt:

„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

 Richtlijn 2005/29

6        In de overwegingen 9, 20 en 22 van richtlijn 2005/29 heet het:

„(9)      Deze richtlijn vormt geen beletsel voor het instellen van individuele vorderingen door degenen die schade hebben geleden ten gevolge van oneerlijke handelspraktijken. Deze richtlijn doet evenmin afbreuk aan de communautaire en nationale regels inzake verbintenissenrecht [...].

[...]

(20)      Het is wenselijk een plaats in te ruimen voor gedragscodes aan de hand waarvan handelaren in bepaalde economische sectoren de beginselen van deze richtlijn effectief kunnen toepassen. In sectoren waar voor het gedrag van de handelaren specifieke bindende voorschriften gelden, moeten de handelaren ook het bewijs van de in die sector vereiste professionele toewijding leveren. Het op nationaal of communautair niveau uitoefenen van controle door codehouders om oneerlijke handelspraktijken uit te bannen, kan het inschakelen van een administratieve of rechterlijke instantie voorkomen en moet dan ook worden aangemoedigd. Met het oog op een hoog niveau van consumentenbescherming kunnen consumentenorganisaties worden geïnformeerd over en betrokken bij het opstellen van de gedragscodes.

[...]

(22)      De lidstaten moeten sancties vaststellen voor inbreuken op de bepalingen van deze richtlijn en moeten erop toezien dat deze worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn.”

7        Artikel 2 van die richtlijn luidt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

d)      ,handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten’ (hierna ,de handelspraktijken’ genoemd): iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten;

[...]

f)      ,gedragscode’: een overeenkomst of een aantal niet bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat voorgeschreven regels waarin wordt vastgesteld hoe handelaren die zich aan de code binden, zich moeten gedragen met betrekking tot een of meer bepaalde handelspraktijken of bedrijfssectoren;

[...]”

8        Artikel 3, lid 2, van die richtlijn bepaalt:

„Deze richtlijn laat het verbintenissenrecht en, in het bijzonder, de regels betreffende de geldigheid, de opstelling en de rechtsgevolgen van contracten onverlet.”

9        Artikel 5, leden 1 en 2, van die richtlijn luidt als volgt:

„1.      Oneerlijke handelspraktijken zijn verboden.

2.      Een handelspraktijk is oneerlijk wanneer zij:

a)      in strijd is met de vereisten van professionele toewijding,

en

b)      het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is of, indien zij op een bepaalde groep consumenten gericht is, het economisch gedrag van het gemiddelde lid van deze groep, met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren.”

10      Artikel 10 van richtlijn 2005/29 bepaalt:

„Deze richtlijn sluit eventueel door de lidstaten aangemoedigd toezicht op oneerlijke handelspraktijken door houders van gedragscodes en het inschakelen van deze instanties door de in artikel 11 bedoelde personen of organisaties niet uit, indien de mogelijkheid van behandeling door dergelijke instanties bestaat naast de gerechtelijke of de administratieve procedure bedoeld in dat artikel.

Inschakeling van deze controle-instanties sluit in geen geval een beroep op de in artikel 11 bedoelde administratieve of rechtsmiddelen uit.”

11      Artikel 11 van die richtlijn luidt:

„1.      De lidstaten zorgen voor de invoering van passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, zodat de naleving van deze richtlijn in het belang van de consumenten kan worden afgedwongen.

Daartoe behoren wettelijke bepalingen op grond waarvan personen of organisaties die volgens de nationale wetgeving een rechtmatig belang hebben bij het bestrijden van oneerlijke handelspraktijken, met inbegrip van de concurrenten:

a)      in rechte kunnen optreden tegen die oneerlijke handelspraktijken,

en/of

b)      die oneerlijke handelspraktijken kunnen voorleggen aan een administratieve instantie die bevoegd is om hetzij zelf een uitspraak te doen over een klacht, hetzij een passende gerechtelijke procedure in te leiden.

Elke lidstaat beslist welke van deze procedures wordt gevolgd en of de rechterlijke of administratieve instantie mag eisen dat afdoening van de klacht eerst langs andere wegen, waaronder die bedoeld in artikel 10, wordt beproefd. Deze procedures kunnen worden gevolgd ongeacht of de getroffen consumenten zich bevinden op het grondgebied van de lidstaat waar de handelaar gevestigd is, of in een andere lidstaat.

Elke lidstaat beslist

a)      of deze rechtsmiddelen afzonderlijk of gezamenlijk tegen een aantal handelaren uit dezelfde economische sector mogen worden gebruikt,

en

b)      of deze rechtsmiddelen tegen een houder van een gedragscode mogen worden gebruikt als de gedragscode het niet-naleven van wettelijke voorschriften bevordert.

2.      In het kader van de in lid 1 bedoelde wettelijke bepalingen verlenen de lidstaten aan rechterlijke of administratieve instanties bevoegdheden om, ingeval deze instanties dergelijke maatregelen, rekening houdend met alle belangen die op het spel staan en met name het algemeen belang, nodig achten:

a)      te bevelen dat de oneerlijke handelspraktijken worden gestaakt of een gerechtelijke procedure in te leiden ter verkrijging van zo’n bevel,

of

b)      indien de oneerlijke handelspraktijk nog niet is uitgevoerd, maar op het punt staat te worden uitgevoerd, de praktijk te verbieden of een gerechtelijke procedure in te leiden om de praktijk te laten verbieden,

ook zonder bewijs van daadwerkelijk geleden verlies of schade of van opzet of onachtzaamheid van de handelaar.

[...]”

12      Artikel 13 van die richtlijn bepaalt:

„De lidstaten stellen de sancties vast die van toepassing zijn op schendingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle maatregelen die nodig zijn voor de toepassing van deze sancties. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn.”

 Spaans recht

 Wet op de burgerlijke rechtsvordering

13      Artikel 695, lid 1, van de Ley de Enjuiciamiento Civil (Spaanse wet op de burgerlijke rechtsvordering) bepaalt:

„In de in dit hoofdstuk genoemde procedures kan de geëxecuteerde zich uitsluitend verzetten op de volgende gronden:

1)      tenietgaan van de zekerheid of van de verbintenis waarvoor de zekerheid is gesteld [...],

2)      onjuiste berekening van het verschuldigde bedrag, wanneer de schuld waarvoor de zekerheid is gesteld het saldo vertegenwoordigt dat leidt tot sluiting van een rekening tussen de executant en de geëxecuteerde [...],

3)      in geval van executie van verhypothekeerde roerende zaken of roerende zaken waarop een bezitloos pandrecht rust, de omstandigheid dat die zaken zijn bezwaard met een ander pandrecht, hypotheek op roerende of onroerende zaken of beslag, eerder ingeschreven dan de zekerheid waarop de procedure betrekking heeft [...],

4)      een oneerlijk contractueel beding dat de grondslag vormt voor de executie of op basis waarvan het verschuldigde bedrag is vastgesteld.”

14      Artikel 698, lid 1, van de wet op de burgerlijke rechtsvordering luidt:

„Op ieder bezwaar van de schuldenaar, de derde-bezitter of een andere betrokkene, dat niet in de bovenstaande artikelen is genoemd, daaronder begrepen bezwaren die de nietigheid van de titel alsmede het verval, de vaststaande aard, het tenietgaan of het bedrag van de vordering betreffen, wordt in de desbetreffende procedure beslist, zonder dat dit leidt tot schorsing of vertraging van de in het onderhavige hoofdstuk bedoelde procedure.”

 Koninklijk wetsbesluit 6/2012

15      Artikel 1 van Real Decreto-ley 6/2012 de medidas urgentes de protección de deudores hipotecarios sin recursos (Spaans koninklijk wetsbesluit inzake urgente beschermingsmaatregelen voor hypothecaire schuldenaren zonder middelen van bestaan) van 9 maart 2012 bepaalt dat dit tot doel heeft maatregelen vast te stellen die de herstructurering aanmoedigen van de hypotheekschuld van schuldenaren die het bij de betaling van hun schuld buitengewoon moeilijk hebben, en instrumenten in het leven te roepen ter versoepeling van hypothecaire executieprocedures.

16      Artikel 5 van dat koninklijk wetsbesluit luidt:

„1.      Kredietinstellingen of andere instellingen die beroepshalve hypothecaire leningen of kredieten verstrekken, onderschrijven de in de bijlage opgenomen gedragscode vrijwillig.

[...]

4.      Zodra een kredietinstelling de gedragscode heeft onderschreven en de schuldenaar aantoont dat hij zich onder de uitsluitingsdrempel bevindt, zijn de bepalingen van de gedragscode dwingend van toepassing.

[...]

9.      De instellingen die de gedragscode hebben onderschreven dienen hun klanten op gepaste wijze te informeren over de mogelijkheid om zich te beroepen op de bepalingen van de code [...].”

17      Artikel 6 van dat koninklijk wetsbesluit bepaalt:

„1.      Op de naleving van de gedragscode door de instellingen die deze hebben onderschreven, zal worden toegezien door de daartoe opgerichte commissie van toezicht.

[...]

4.      De commissie van toezicht ontvangt en beoordeelt de informatie die de Banco de España (Spaanse centrale bank) haar krachtens de leden 5 en 6 bezorgt en publiceert halfjaarlijks een verslag over de mate waarin de gedragscode wordt nageleefd.

[...]

6.      Bezwaren over de vermeende niet-naleving van de gedragscode door een kredietinstelling kunnen worden ingediend bij de Banco de España. Deze bezwaren krijgen dezelfde behandeling als de andere bezwaren waarvoor de Banco de España bevoegd is.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

18      Op 30 januari 2006 sloten verweerders in het hoofdgeding bij Bankia een hypothecaire lening voor een hoofdsom van 166 000 EUR, die moest worden afbetaald over een periode van 25 jaar. In deze overeenkomst werd de „instelprijs” van de verhypothekeerde zaak, dit wil zeggen de startwaarde van de zaak bij eventuele veiling ervan, overeenkomstig het Spaanse recht vastgesteld op 195 900 EUR.

19      Na een eerste vernieuwing op 29 januari 2009, werd deze overeenkomst bij notariële akte van 18 oktober 2013 opnieuw vernieuwd. In het kader van deze tweede vernieuwing werd de instelprijs van het betrokken gebouw teruggebracht tot 57 689 EUR en de termijn voor terugbetaling van de nog uitstaande schuld van 102 750 EUR verlengd tot 40 jaar. Daarnaast werd de buitengerechtelijke verkoop van het gebouw toegestaan en wordt thans in de overeenkomst bepaald dat dit gebouw het hoofdverblijf is van verweerders in het hoofdgeding.

20      Met de aldus vernieuwde hypothecaire leningsovereenkomst als executoriale titel heeft Bankia de hypothecaire executieprocedure ingeleid. Verweerders in het hoofdgeding hebben op 8 maart 2016 tegen deze procedure verzet aangetekend, op grond dat deze overeenkomst oneerlijke bedingen bevat. Ten eerste is de instelprijs volgens hen immers in hun nadeel verlaagd, en diende de verlenging van de terugbetalingstermijn er alleen toe de kredietnemers ertoe aan te zetten de vernieuwing van deze overeenkomst te aanvaarden. Bankia heeft dus gehandeld op een manier die strijdig is met de professionele toewijding doordat zij van de herstructurering van de schuld heeft geprofiteerd om de taxatiewaarde van het betrokken gebouw te wijzigen. Ten tweede is op grond van de gedragscode voor banken voldaan aan de voorwaarden waaronder de kredietnemers de executie konden vermijden en zich van de schuld konden bevrijden door de woning in betaling te geven en daar te blijven wonen als huurders. Aangezien deze code bindend was, had Bankia de door verweerders in het hoofdgeding voorgestelde inbetalinggeving dus moeten aanvaarden.

21      De verwijzende rechter vraagt zich af of de praktijken van Bankia oneerlijke handelspraktijken zijn in de zin van richtlijn 2005/29.

22      Dienaangaande geeft hij aan dat het verzet tegen de hypothecaire executieprocedure overeenkomstig het nationale recht alleen kan worden gebaseerd op een van de in artikel 695 van de wet op de burgerlijke rechtsvordering exhaustief vastgestelde gronden. Het bestaan van een oneerlijk beding in de overeenkomst die dient als executoriale titel is weliswaar een van die gronden, maar dit geldt niet voor het bestaan van oneerlijke handelspraktijken, die slechts via een afzonderlijke vordering kunnen worden getoetst. Het instellen van een dergelijke vordering zou echter niet leiden tot de schorsing van de hypothecaire executieprocedure, aangezien de feitenrechter overeenkomstig artikel 698 van de wet op de burgerlijke rechtsvordering niet bevoegd is om deze te schorsen.

23      In dit kader is de verwijzende rechter van oordeel dat indien hij op basis van het Unierecht de oneerlijke gedraging van de handelaar zou kunnen toetsen tijdens de hypothecaire executieprocedure, zoals hij dat op basis van richtlijn 93/13 kan voor oneerlijke bedingen, hij de geldigheid van de vernieuwing van de hypothecaire leningsovereenkomst die op 18 oktober 2013 heeft plaatsgevonden zou kunnen beoordelen. Bovendien zouden verweerders in het hoofdgeding daadwerkelijk kunnen eisen dat de inbetalinggeving wordt aanvaard indien de gedragscode voor banken dwingend was voor de kredietinstellingen die deze hebben onderschreven, hetgeen een einde zou maken aan de hypothecaire executie en aan hun persoonlijke aansprakelijkheid.

24      Daarop heeft de Juzgado de Primera Instancia n° 5 de Cartagena (rechtbank in eerste aanleg nr. 5 Cartagena, Spanje) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 11 van richtlijn 2005/29 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals de vigerende Spaanse hypothecaire executieregeling (artikelen 695 en volgende juncto artikel 552, lid 1, van de wet op de burgerlijke rechtsvordering), waarin geen rechterlijke toetsing van oneerlijke handelspraktijken plaatsvindt, noch ambtshalve noch op verzoek van een partij, aangezien deze regeling de toetsing van overeenkomsten en akten waarbij mogelijkerwijs sprake is van oneerlijke handelspraktijken, bemoeilijkt of onmogelijk maakt?

2)      Moet artikel 11 van richtlijn 2005/29 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals de Spaanse regeling waarbij niet is gewaarborgd dat de betreffende gedragscode daadwerkelijk wordt nageleefd indien de executerende partij besluit zich daar niet aan te houden (artikelen 5 en 6 juncto artikel 15 van [koninklijk wetsbesluit 6/2012])?

3)      Moet artikel 11 van richtlijn 2005/29 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de Spaanse regeling waarbij de consument bij een hypothecaire executie niet kan verzoeken om naleving van de betreffende gedragscode, met name wat ,datio in solutum’ en het tenietgaan van de schuld betreft (artikel 3 van de gedragscode die als bijlage is gehecht aan [koninklijk wetsbesluit 6/2012])?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste prejudiciële vraag

25      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 11 van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die de rechter die kennisneemt van de hypothecaire executieprocedure verbiedt de geldigheid van de executoriale titel ambtshalve of op verzoek van een partij te toetsen uit het oogpunt van het bestaan van oneerlijke handelspraktijken en, in ieder geval, de rechter die bevoegd is voor de beslissing ten gronde over het bestaan van deze praktijken verbiedt voorlopige maatregelen te nemen, zoals de schorsing van de hypothecaire executieprocedure.

26      Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat volgens Bankia de verlaging van de taxatiewaarde van de verhypothekeerde zaak in het hoofdgeding niet kan worden beschouwd als een „handelspraktijk” in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29, aangezien deze niet „rechtstreeks verband” houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product of dienst aan de consument. In ieder geval is deze verlaging niet „oneerlijk” in de zin van artikel 5, lid 2, van deze richtlijn. In deze omstandigheden hoeft de eerste prejudiciële vraag niet te worden beantwoord, aangezien richtlijn 2005/29 in casu niet van toepassing is.

27      Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat alleen wanneer de verwijzende rechter de geldigheid van de executoriale titel in het licht van richtlijn 2005/29 mag of moet toetsen – hetgeen juist afhangt van het antwoord op zijn eerste vraag – hij moet nagaan of deze richtlijn van toepassing is op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feiten.

28      Bijgevolg dient de eerste prejudiciële vraag te worden beantwoord.

29      In dit verband moet in herinnering worden geroepen dat richtlijn 2005/29 ertoe strekt een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de regels inzake oneerlijke handelspraktijken volledig te harmoniseren (zie in die zin arrest van 16 april 2015, UPC Magyarország, C‑388/13, EU:C:2015:225, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Het is juist om een dergelijk hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, dat die richtlijn voorziet in een algemeen verbod op oneerlijke handelspraktijken die het economische gedrag van consumenten verstoren (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Trento Sviluppo en Centrale Adriatica, C‑281/12, EU:C:2013:859, punten 31 en 32).

31      Het is echter ook vaste rechtspraak dat die richtlijn in artikel 5, lid 1, slechts bepaalt dat oneerlijke handelspraktijken „verboden zijn” en de lidstaten dus een beoordelingsmarge laat bij de keuze van de nationale maatregelen om deze praktijken overeenkomstig de artikelen 11 en 13 van deze richtlijn te bestrijden, op voorwaarde dat deze maatregelen passend en doeltreffend zijn en de vastgestelde sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn (zie in die zin arrest van 16 april 2015, UPC Magyarország, C‑388/13, EU:C:2015:225, punten 56 en 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Bovendien vormt richtlijn 2005/29, overeenkomstig overweging 9, geen beletsel voor het instellen van met name individuele vorderingen door degenen die schade hebben geleden ten gevolge van oneerlijke handelspraktijken en doet deze evenmin afbreuk aan de Unie- en nationale regels inzake verbintenissenrecht, met inbegrip van – zoals uitdrukkelijk blijkt uit artikel 3, lid 2, van deze richtlijn – de regels betreffende de geldigheid, de opstelling en de rechtsgevolgen van contracten.

33      Bijgevolg kan een overeenkomst die dient als executoriale titel niet ongeldig worden verklaard alleen op grond dat deze bedingen bevat die strijdig zijn met het algemene verbod op oneerlijke handelspraktijken van artikel 5, lid 1, van die richtlijn.

34      Daaruit volgt dat voor de nuttige werking van richtlijn 2005/29 niet vereist is dat de lidstaten de rechter die kennisneemt van de hypothecaire executieprocedure, toestaan de geldigheid van de executoriale titel ambtshalve of op verzoek van een partij te toetsen uit het oogpunt van het bestaan van oneerlijke handelspraktijken.

35      In deze context vraagt de verwijzende rechter zich onder verwijzing naar met name het arrest van 14 maart 2013, Aziz (C‑415/11, EU:C:2013:164), ook af of artikel 11 van deze richtlijn, dat onder meer vereist dat de nationale maatregelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken passend en doeltreffend zijn, in de weg staat aan een nationale regeling als vervat in de artikelen 695 en 698 van de wet op de burgerlijke rechtsvordering, volgens welke de consument niet alleen zich niet kan verzetten tegen de hypothecaire executieprocedure met het argument dat aan de executoriale titel oneerlijke handelspraktijken ten grondslag liggen, aangezien de executierechter niet bevoegd is om deze toetsing te verrichten, maar daartoe ook een beroep ten gronde bij een andere rechter moet instellen, die deze hypothecaire executieprocedure niet kan schorsen.

36      Anders dan inzonderheid de Europese Commissie aanvoert, kan de conclusie van het Hof in dat arrest, dat werd gewezen in het kader van richtlijn 93/13, niet worden uitgebreid tot richtlijn 2005/29, aangezien deze richtlijnen er weliswaar allebei toe strekken een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, maar deze doelstelling op verschillende manieren nastreven.

37      Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt immers uitdrukkelijk dat oneerlijke bedingen de consument niet binden.

38      Aangezien deze dwingende bepaling beoogt het in de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt, dient de nationale rechter, zelfs ambtshalve, te beoordelen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, oneerlijk is, en aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de handelaar te compenseren (zie in die zin arrest van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C‑618/10, EU:C:2012:349, punten 40 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39      Gelet op deze rechtspraak heeft het Hof in punt 59 van het arrest van 14 maart 2013, Aziz (C‑415/11, EU:C:2013:164), geoordeeld dat een procedure als die welke in wezen voortvloeit uit de artikelen 695 en 698 van de wet op de burgerlijke rechtsvordering afbreuk deed aan de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 nagestreefde bescherming, doordat de rechter in de declaratoire procedure, bij wie de consument een verzoek had ingediend, strekkende tot vaststelling dat een aan een executoriale titel ten grondslag liggend contractueel beding oneerlijk was in het licht van richtlijn 93/13, in de onmogelijkheid verkeerde om voorlopige maatregelen tot schorsing of vertraging van de hypothecaire executieprocedure te gelasten wanneer dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn ter verzekering van de volle werking van zijn einduitspraak.

40      Dat geldt niet voor richtlijn 2005/29.

41      Zoals in de punten 32 en 33 van het onderhavige arrest is opgemerkt, verbiedt die richtlijn immers alleen oneerlijke handelspraktijken.

42      Bovendien eist artikel 11 van richtlijn 2005/29 van de lidstaten alleen dat zij zorgen voor de invoering van passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken. Deze middelen kunnen bestaan in het in rechte optreden tegen deze praktijken of in een administratief beroep met mogelijkheid tot beroep bij de rechter, waarbij dat optreden en dat beroep ertoe strekken een einde te maken aan deze praktijken. Voorts moeten lidstaten krachtens artikel 13 van deze richtlijn zorgen voor een gepast stelsel van sancties voor beroepsbeoefenaren die oneerlijke handelspraktijken toepassen.

43      Daaruit volgt dat een contractueel beding louter op basis van de bepalingen van die richtlijn niet ongeldig kan worden verklaard, ook al zijn de partijen bij de overeenkomst dit overeengekomen op basis van een oneerlijke handelspraktijk.

44      In deze omstandigheden vereist richtlijn 2005/29 ter verzekering van de volle werking van de einduitspraak van de rechter bij wie een beroep ten gronde inzake het bestaan van dergelijke praktijken is ingesteld, niet dat deze rechter voorlopige maatregelen vaststelt, zoals de schorsing van de hypothecaire executieprocedure. Deze uitspraak zou hoe dan ook, louter op basis van deze richtlijn, geen gevolgen met zich mee kunnen brengen voor de geldigheid van de betrokken overeenkomst en, a fortiori, voor de geldigheid van de executoriale titel.

45      Het is zo dat een nationale regeling niet voldoet aan de vereisten van artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 wanneer zij niet voorziet in de mogelijkheid tot schorsing van een hypothecaire executieprocedure, zodat met de uitspraak van de rechter in de declaratoire procedure waarbij het oneerlijke karakter van het aan de hypotheek ten grondslag liggende contractueel beding wordt vastgesteld en de uitwinningsprocedure dus nietig wordt verklaard, in alle gevallen waarin de uitwinning van de met hypotheek bezwaarde onroerende zaak reeds vóór deze uitspraak heeft plaatsgevonden, aan de consument slechts bescherming achteraf wordt geboden die uitsluitend in schadevergoeding bestaat (arrest van 14 maart 2013, Aziz, C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 60). Om de in punt 44 genoemde reden geldt dit echter niet voor de vereisten van artikel 11 van richtlijn 2005/29.

46      Aangezien deze richtlijn, zoals in punt 32 van dit arrest in herinnering is gebracht, geen beletsel vormt voor het instellen van individuele vorderingen door degenen die schade hebben geleden ten gevolge van oneerlijke handelspraktijken en evenmin afbreuk doet aan de Unie- en nationale regels inzake verbintenissenrecht, kan een bescherming die in schadevergoeding bestaat immers worden beschouwd als één van de door artikel 11 van richtlijn 2005/29 vereiste passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken.

47      Een regeling als aan de orde in het hoofdgeding kan bijgevolg geen afbreuk doen aan de doeltreffendheid van de door richtlijn 2005/29 nagestreefde bescherming.

48      Dit gezegd zijnde dient nog te worden benadrukt dat wanneer de rechter die kennisneemt van de hypothecaire executieprocedure de geldigheid van de executoriale titel toetst in het licht van richtlijn 93/13, of dit nu ambtshalve dan wel – zoals in casu het geval lijkt te zijn – op verzoek van een partij is, het hem vrijstaat om in het kader daarvan het oneerlijke karakter te beoordelen van een handelspraktijk op basis waarvan deze titel tot stand is gekomen.

49      De kwalificatie van een handelspraktijk als oneerlijk volstaat als zodanig weliswaar niet om vast te stellen dat een beding in een overeenkomst oneerlijk is, maar is een van de elementen die de bevoegde rechter kan betrekken in zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van de bedingen in een overeenkomst, welke beoordeling overeenkomstig artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 alle omstandigheden van het betrokken geval in aanmerking moet nemen (zie in die zin arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič, C‑453/10, EU:C:2012:144, punten 43 en 44).

50      Uiteraard heeft de kwalificatie als oneerlijke handelspraktijk geen rechtstreekse gevolgen voor de vraag of de overeenkomst geldig is uit het oogpunt van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 (arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič, C‑453/10, EU:C:2012:144, punt 46).

51      Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 11 van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die de rechter die kennisneemt van de hypothecaire executieprocedure verbiedt de geldigheid van de executoriale titel ambtshalve of op verzoek van een partij te toetsen uit het oogpunt van het bestaan van oneerlijke handelspraktijken en, in ieder geval, de rechter die bevoegd is voor de beslissing ten gronde over het bestaan van deze praktijken verbiedt voorlopige maatregelen te nemen, zoals de schorsing van de hypothecaire executieprocedure.

 Tweede en derde vraag

52      Met de tweede en de derde vraag, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 11 van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die een gedragscode als vermeld in artikel 10 van deze richtlijn geen juridisch bindend karakter verleent.

53      Bankia en de Spaanse regering zijn van mening dat deze vragen niet hoeven te worden beantwoord, aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gedragscode voor banken in ieder geval geen gedragscode is in de zin van artikel 10 van richtlijn 2005/29.

54      Dienaangaande zij opgemerkt dat het niet aan het Hof staat om vast te stellen of deze gedragscode voor banken binnen de definitie van de gedragscode in artikel 2, onder f), van die richtlijn valt.

55      Aangezien de twijfels dienaangaande voorts het vermoeden van relevantie dat aan elke prejudiciële vraag wordt toegekend niet kunnen omkeren (arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 20), dienen deze vragen te worden beantwoord.

56      Daartoe zij eraan herinnerd dat in dat artikel 2, onder f), de „gedragscode” wordt gedefinieerd als „een overeenkomst of een aantal niet bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat voorgeschreven regels waarin wordt vastgesteld hoe handelaren [...] zich moeten gedragen”.

57      Zoals blijkt uit overweging 20 van richtlijn 2005/29 bestaat de rol die in de richtlijn aan deze codes wordt gegeven erin handelaren in staat te stellen zelf in bepaalde economische sectoren de beginselen van deze richtlijn effectief toe te passen, de vereisten inzake professionele toewijding na te leven en het inschakelen van een administratieve of rechterlijke instantie te voorkomen.

58      Artikel 6, lid 2, onder b), van richtlijn 2005/29 bepaalt weliswaar dat de niet-nakoming door de handelaar van een gedragscode een oneerlijke handelspraktijk kan vormen, maar deze richtlijn verplicht de lidstaten niet te voorzien in rechtstreekse gevolgen voor handelaren alleen omdat zij zich niet hebben gehouden aan een gedragscode nadat zij deze hebben onderschreven.

59      In deze omstandigheden dient op de tweede en de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 11 van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling die een gedragscode als vermeld in artikel 10 van deze richtlijn geen juridisch bindend karakter verleent.

 Kosten

60      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 11 van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die de rechter die kennisneemt van de hypothecaire executieprocedure verbiedt de geldigheid van de executoriale titel ambtshalve of op verzoek van een partij te toetsen uit het oogpunt van het bestaan van oneerlijke handelspraktijken en, in ieder geval, de rechter die bevoegd is voor de beslissing ten gronde over het bestaan van deze praktijken verbiedt voorlopige maatregelen te nemen, zoals de schorsing van de hypothecaire executieprocedure.

2)      Artikel 11 van richtlijn 2005/29 moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling die een gedragscode als vermeld in artikel 10 van deze richtlijn geen juridisch bindend karakter verleent.

ondertekeningen


*      Procestaal: Spaans.