Language of document : ECLI:EU:C:2018:385

Zaak C673/16

Relu Adrian Coman e.a.

tegen

Inspectorat General pentru Imigrări

en

Minister Afacerilor Interne

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Curte Constituţională)

„Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Artikel 21 VWEU – Recht van de burgers van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven – Richtlijn 2004/38/EG – Artikel 3 – Begunstigden – Familieleden van de burger van de Unie – Artikel 2, punt 2, onder a) – Begrip ,echtgenoot’ – Huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht – Artikel 7 – Verblijfsrecht voor meer dan drie maanden – Grondrechten”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 5 juni 2018

1.        Burgerschap van de Unie – Verdragsbepalingen – Recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven – Burger van de Unie die naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, terugkeert na in een andere lidstaat te hebben verbleven in zijn enkele hoedanigheid van burger van de Unie – Afgeleid verblijfsrecht van de leden van zijn familie, staatsburgers van een derde staat – Voorwaarden – Daadwerkelijk verblijf van de burger van de Unie in de lidstaat van ontvangst krachtens richtlijn 2004/38 – Toepassing naar analogie van de in die richtlijn neergelegde toekenningsvoorwaarden

(Art. 21, lid 1, VWEU; richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad)

2.        Burgerschap van de Unie – Verdragsbepalingen – Recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven – Burger van de Unie die naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, terugkeert na in een andere lidstaat te hebben verbleven in zijn enkele hoedanigheid van burger van de Unie – Afgeleid verblijfsrecht van de leden van zijn familie, staatsburgers van een derde staat – Burger van de Unie die met een derdelander van hetzelfde geslacht in de echt is verbonden door een in de gastlidstaat wettig gesloten huwelijk – Weigering van de lidstaat waarvan de burger van de Unie de nationaliteit bezit, om een verblijfsrecht op zijn grondgebied toe te kennen aan die derdelander, op grond dat het recht van deze lidstaat het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht niet erkent – Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardiging op grond van redenen in verband met de openbare orde en de nationale identiteit – Geen

(Art. 21, lid 1, VWEU; richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, lid 1)

3.        Burgerschap van de Unie – Verdragsbepalingen – Recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven – Burger van de Unie die naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, terugkeert na in een andere lidstaat te hebben verbleven in zijn enkele hoedanigheid van burger van de Unie – Afgeleid verblijfsrecht van de leden van zijn familie, staatsburgers van een derde staat – Derdelander die in een lidstaat overeenkomstig het recht daarvan is gehuwd met een burger van de Unie van hetzelfde geslacht – Verblijfsrecht van meer dan drie maanden op het grondgebied van de lidstaat waarvan de burger van de Unie de nationaliteit heeft – Voorwaarden

(Art. 21, lid 1, VWEU; richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7)

1.      Zie de tekst van de beslissing.

(zie punten 23‑25)

2.      In een situatie waarin een burger van de Unie zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend doordat hij zich in overeenstemming met de voorwaarden van artikel 7, lid 1, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, heeft begeven naar en daadwerkelijk heeft verbleven in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en daar een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd met een derdelander van hetzelfde geslacht, met wie hij in de echt is verbonden door een in de gastlidstaat wettig gesloten huwelijk, moet artikel 21, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan de burger van de Unie de nationaliteit bezit, aan de derdelander een verblijfsrecht op het grondgebied van deze lidstaat weigeren op grond dat het recht van deze lidstaat het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht niet erkent.

(zie punt 51, dictum 1)

3.      Artikel 21, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, een derdelander van hetzelfde geslacht als de burger van de Unie, die met deze is gehuwd in een lidstaat overeenkomstig het recht daarvan, beschikt over een verblijfsrecht van meer dan drie maanden op het grondgebied van de lidstaat waarvan de burger van de Unie de nationaliteit heeft. Voor dit afgeleide verblijfsrecht kunnen geen strengere voorwaarden gelden dan die welke zijn gesteld in artikel 7 van richtlijn 2004/38.

(zie punt 56, dictum 2)