Language of document :

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 september 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Ítélőtábla - Hongarije) – OTP Bank Nyrt., OTP Faktoring Követeléskezelő Zrt / Teréz Ilyés, Emil Kiss

(Zaak C-51/17)1

(Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen – Richtlijn 93/13/EEG – Werkingssfeer – Artikel 1, lid 2 – Dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen – Artikel 3, lid 1 – Begrip „beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld” – Beding dat na de sluiting van een overeenkomst ingevolge een tussenkomst van de nationale wetgever in de overeenkomst is opgenomen – Artikel 4, lid 2 – Duidelijke en begrijpelijke formulering van een beding – Artikel 6, lid 1 – Ambtshalve onderzoek door de nationale rechter van de oneerlijkheid van een beding – Tussen verkoper en consument gesloten kredietovereenkomst in buitenlandse valuta)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Ítélőtábla

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: OTP Bank Nyrt., OTP Faktoring Követeléskezelő Zrt

Verwerende partijen: Teréz Ilyés, Emil Kiss

Dictum

Het begrip „beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld” in artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat het ook ziet op een contractueel beding dat is gewijzigd door een dwingende nationale wettelijke bepaling die na de sluiting van een overeenkomst met een consument is vastgesteld ter vervanging van een nietig beding in deze overeenkomst.

Artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat de werkingssfeer van deze richtlijn zich niet uitstrekt tot bedingen waarin dwingende nationale wettelijke bepalingen zijn overgenomen, die na de sluiting van een leningovereenkomst met een consument zijn ingevoegd ter vervanging van een nietig beding in deze overeenkomst, en de toepassing opleggen van een door de Nationale Bank vastgestelde wisselkoers. Een beding betreffende het wisselkoersrisico als dat in het hoofdgeding, is evenwel niet op grond van die bepaling van de werkingssfeer van de richtlijn uitgesloten.

Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat financiële instellingen op grond van het vereiste dat een contractueel beding duidelijk en begrijpelijk moet zijn geformuleerd, verplicht zijn leningnemers voldoende informatie te verstrekken om hen in staat te stellen goed geïnformeerde en prudente beslissingen te nemen. In dat verband betekent dat vereiste dat een beding betreffende het wisselkoersrisico voor de consument formeel en grammaticaal begrijpelijk moet zijn, maar ook wat de praktische reikwijdte ervan betreft, zodat een gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet alleen zich ervan bewust kan zijn dat de binnenlandse valuta in waarde kan verminderen ten opzichte van de vreemde valuta waarin de lening is opgesteld, maar ook de potentieel aanzienlijke economische gevolgen van een dergelijke beding voor zijn financiële verplichtingen kan beoordelen.

Artikel 4 van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling of de contractuele bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn, alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, in aanmerking moeten worden genomen, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst, ook al heeft de nationale wetgever een aantal van die bedingen op een later tijdstip oneerlijk of vermoedelijk oneerlijk en bijgevolg nietig verklaard.

Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 moeten aldus worden uitgelegd dat het aan de nationale rechter staat om ambtshalve – in plaats van de consument in zijn hoedanigheid van verzoekende partij – aan te voeren dat een contractueel beding mogelijkerwijs oneerlijk is, zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt.

____________

1 PB C 144 van 8.5.2017.