Language of document :

Hogere voorziening ingesteld op 20 september 2018 door Furukawa Electric Co. Ltd tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 12 juli 2018 in zaak T-444/14, Furukawa Electric / Europese Commissie

(Zaak C-589/18 P)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Furukawa Electric Co. Ltd (vertegenwoordigers: C. Pouncey, A. Luke, solicitors)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Viscas Corp.

Conclusies

het arrest in zaak T-444/2014, Furukawa Electric/Commissie, vernietigen, voor zover hierbij het eerste onderdeel van het vijfde middel en het derde onderdeel van het derde middel van Furukawa, die betrekking hebben op de berekening van de aan Furukawa opgelegde geldboete en de verwijzing van Furukawa in de kosten, zijn afgewezen;

artikel 2, eerste alinea, onder n), van besluit C(2014) 2139 final van de Commissie1 nietig verklaren, voor zover hierbij het bedrag van de aan Furukawa opgelegde geldboete is vastgesteld op 8 858 000 EUR;

het bedrag van de in artikel 2, eerste alinea, onder n, van het besluit van de Commissie aan Furukawa opgelegde geldboete vaststellen op 4 844 000 EUR;

indien het Hof het arrest in zaak T-422/2014, Viscas/Commissie, vernietigt, en de in artikel 2, eerste alinea, onder p), van besluit C(2014) 2139 final van de Commissie, aan Viscas opgelegde geldboete verlaagt, Furukawa een overeenkomstige verlaging toekennen van de geldboete waartoe zij volgens punt 291 van het arrest van het Gerecht in zaak T-444/2014 hoofdelijk is veroordeeld, en

de Commissie verwijzen in de kosten van Furukawa in deze procedure en in de procedure voor het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Rekwirante stelt dat het arrest van het Gerecht op de volgende gronden dient te worden vernietigd:

In de eerste plaats heeft het Gerecht bij de uitlegging van punt 18 van de boeterichtsnoeren2 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Europese Commissie gerechtigd was om bij de vaststelling van de relevante waarde van de door rekwirante in de periode van 18 februari 1999 tot 30 september 2001 verrichte verkopen, verkopen van Fujikura Ltd. in aanmerking te nemen, aangezien er in deze periode geen structurele, organisatorische of juridische banden waren tussen deze entiteit en rekwirante. Rekwirante en Fujikura Ltd. vormden in deze periode niet één enkele onderneming en het was daarom juridisch niet juist om bij de berekening van de waarde van de verkopen van rekwirante die verkopen in aanmerking te nemen. Door dat toch te doen, heeft het Gerecht het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid geschonden. Hierdoor is de geldboete die aan rekwirante is opgelegd, verhoogd tot 200 000 EUR.

In de tweede plaats heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het de regels inzake gelijke behandeling onjuist heeft toegepast door te oordelen dat de Commissie gerechtigd was om punt 18 van de boeterichtsnoeren toe te passen op alle adressaten van het besluit van de Commissie inzake „Stroomkabels”, ondanks de fundamenteel verschillende situaties van de partijen. De Europese producenten namen deel aan zowel een wereldwijd marktverdelingskartel als een Europees kartel, terwijl de Japanse en Koreaanse producenten (waaronder ook rekwirante) enkel deelnamen aan een wereldwijd marktverdelingskartel. Gelet op de schending van het beginsel van gelijke behandeling die voortvloeit uit de algemene toepassing van punt 18 van de boeterichtsnoeren op alle adressaten, waardoor de Europese producenten beloond worden met een verlaging van 44 % van hun respectieve verkoopwaarden (en daarmee hun boetes), en op het arrest van het Hof in zaak 580/12 P, Guardian Industries en Guardian Europe/Commissie, verzoekt rekwirante het Hof om de schending ongedaan te maken door de aan rekwirante opgelegde geldboete met 44 % te verlagen.

____________

1 Besluit van de Commissie van 2 april 2014 inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak AT.39610 – Stroomkabels) (kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 2139 final) (PB 2014, C 319, blz. 10).

2 Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2).