Language of document :

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (Hongarije) op 7 augustus 2018 – TB / Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal

(Zaak C-519/18)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: TB

Verwerende partij: Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal

Prejudiciële vragen

Dient artikel 10, lid 2, van richtlijn 2003/86/EG1 van de Raad inzake het recht op gezinshereniging (hierna: „richtlijn”) aldus te worden uitgelegd dat wanneer een lidstaat op grond van dit artikel de toegang toestaat van een gezinslid dat niet tot de in artikel 4 van de richtlijn genoemde kring van gezinsleden behoort, op dit gezinslid uitsluitend de in artikel 10, lid 2, gestelde voorwaarde („ten laste komen van de vluchteling”) kan worden toegepast?

Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, betekent de in artikel 4, lid 2, onder a), van de richtlijn bepaalde hoedanigheid „ten laste komen” („dependency”) een feitelijke situatie waarin de verschillende vormen van afhankelijkheid gezamenlijk en cumulatief aanwezig dienen te zijn, of is, naargelang de specifieke omstandigheden van het geval, het bestaan van één van deze vormen op zich al voldoende voor het bestaan van die hoedanigheid? Is, in deze samenhang, een nationale regeling die individuele afweging uitsluit en uitsluitend één feitelijk element (dat kenmerkend is voor de afhankelijkheid: „wegens hun gezondheidstoestand kennelijk niet in staat zijn zelf in hun levensonderhoud te voorzien”) aanmerkt als zijnde voldoende om aan de voorwaarde te voldoen, verenigbaar met de in artikel 10, lid 2, van de richtlijn gestelde voorwaarde („ten laste komen van de vluchteling”)?

Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend is, dus indien de lidstaat andere voorwaarden kan toepassen naast de voorwaarde van artikel 10, lid 2, van de richtlijn („ten laste komen van de vluchteling”), betekent dit dat het de lidstaat vrij staat om welke andere voorwaarde ook, met inbegrip van de in artikel 4, leden 2 en 3, van de richtlijn voor andere gezinsleden genoemde voorwaarden, op te leggen, of mag de lidstaat uitsluitend de in artikel 4, lid 3, van de richtlijn genoemde voorwaarde toepassen? Indien dit laatste het geval is: wat voor feitelijke situatie betekent „objectively unable to provide for their own needs on account of their state of health” („wegens hun gezondheidstoestand kennelijk niet in staat zijn zelf in hun levensonderhoud te voorzien”) van artikel 4, lid 3, van de richtlijn? Moet deze formulering zo worden uitgelegd dat het gezinslid niet in staat is „in zijn eigen levensonderhoud te voorzien” of dat hij niet in staat is „voor zichzelf te zorgen”, of wellicht op een andere wijze?

____________

1 Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003, L 251, blz. 12).