Language of document : ECLI:EU:C:2018:981

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 5 december 2018 (1)

Zaak C341/17 P

Helleense Republiek

tegen

Europese Commissie

„Hogere voorziening – EOGFL, ELGF en Elfpo – Onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven – Uitgaven die de Helleense Republiek heeft verricht – Verordening (EG) nr. 1782/2003 – Verordening (EG) nr. 796/2004 –Oppervlaktegebonden steunregeling – Begrip ‚blijvend grasland’ – Forfaitaire financiële correctie”






I.      Inleiding

1.        Met de onderhavige hogere voorziening vordert de Helleense Republiek vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 maart 2017 in de zaak Griekenland/Commissie(2), voor zover het Gerecht in dat arrest haar beroep tegen uitvoeringsbesluit 2014/950/EU(3) van de Europese Commissie, waarbij forfaitaire verminderingen van de bijdrage van de Europese Unie aan verschillende types landbouwsteun die door de Helleense Republiek worden uitgekeerd worden vastgelegd, heeft verworpen.

2.        De steunregeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: „GLB”) onderscheidt zich niet alleen door enige technische complexiteit, maar ook door het feit dat de bepalingen ervan voortdurend worden gepreciseerd, geactualiseerd en aangevuld.

3.        Dit heeft onder meer tot gevolg dat verschillende begrippen ter omschrijving van subsidiabele hectaren landbouwgrond worden gehanteerd. De terminologische verschillen, die hoofdzakelijk voortvloeien uit de specifieke regelgevingscontext waarin de begrippen in kwestie worden gebruikt, kunnen aanzienlijke moeilijkheden opleveren bij het bepalen van de voorwaarden voor de subsidiabiliteit van de betrokken hectaren landbouwgrond.

4.        Deze moeilijkheden doen zich in de onderhavige hogere voorziening voor bij het bepalen van de reikwijdte van het begrip „blijvend grasland”, zoals dat tussen 2005 en 2015 gestalte kreeg in het systeem van het GLB. In hogere voorziening wordt met name de vraag opgeworpen of de strikte uitlegging van dit begrip door de Commissie, die door het Gerecht in het bestreden arrest is bevestigd(4), rechtmatig is. Volgens deze uitlegging kan land alleen als „blijvend grasland” worden aangemerkt wanneer daarop voor het overgrote deel een vegetatie van grassen en kruidachtige voedergewassen aanwezig is, maar geen vegetatie van houtachtige gewassen aanwezig is. Deze strikte uitlegging heeft verstrekkende gevolgen voor de uitbetaling van landbouwsteun in de mediterrane landen, wat verklaart waarom het Koninkrijk Spanje in casu aan de zijde van de Helleense Republiek heeft geïntervenieerd. De bepaling van de reikwijdte van het begrip „blijvend grasland” is niet alleen van belang voor de onderhavige procedure, maar ook voor een andere hogere voorziening(5) die door de Helleense Republiek bij het Gerecht is ingesteld alsook voor een procedure die door het Koninkrijk Spanje bij het Gerecht is ingeleid(6).

II.    Toepasselijke bepalingen

5.        In deze procedure in hogere voorziening gaat het om verlagingen van bijdragen van de Unie aan steunbetalingen voor het aanvraagjaar 2008. Het desbetreffende toepasselijke rechtskader bestaat uit verordening (EG) nr. 1782/2003(7) en de op basis daarvan vastgestelde uitvoeringsverordeningen (EG) nrs. 795/2004(8) en 796/2004(9).

6.        Verordening nr. 1782/2003 werd vervangen door verordening (EG) nr. 73/2009(10), die op haar beurt werd vervangen door verordening (EG) nr. 1307/2013(11). Deze laatste bepaling wordt door de Helleense Republiek aangevoerd omdat de daarin vervatte definitie van „blijvend grasland”, althans wat de bewoordingen ervan betreft, uitdrukkelijk ruimer is dan die van de in casu toepasselijke verordening nr. 1782/2003.

A.      Verordening nr. 1782/2003

7.        Bij verordening nr. 1782/2003 werden gemeenschappelijke bepalingen betreffende de rechtstreekse betalingen op grond van de verschillende inkomenssteunregelingen in het kader van het GLB vastgesteld. De overwegingen 3, 4, 21 en 24 van verordening nr. 1782/2003 luidden dienaangaande als volgt:

„(3)      Om te vermijden dat landbouwgrond wordt opgegeven en te waarborgen dat de grond in goede landbouw‑ en milieuconditie wordt gehouden, moeten normen worden vastgesteld, die al dan niet op bepalingen van de lidstaten kunnen berusten. Daarom is het dienstig een communautair kader te bepalen waarbinnen de lidstaten normen kunnen stellen met inachtneming van de specifieke kenmerken van de betrokken gebieden, inclusief de bodem‑ en klimaatgesteldheid en de bestaande landbouwsystemen (grondgebruik, vruchtwisseling, landbouwmethoden) en landbouwstructuren.

(4)      Aangezien blijvend grasland een positief milieueffect heeft, is het dienstig maatregelen ter bevordering van de instandhouding van bestaand blijvend grasland vast te stellen om een massale omzetting in bouwland te voorkomen.

[...]

(21)      De rechtstreekse inkomenssteun waarin de steunregelingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voorzien, heeft vooral tot doel de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren. Dit doel hangt nauw samen met de instandhouding van plattelandsgebieden. Om een verkeerde besteding van communautaire middelen te voorkomen, mogen geen steunbetalingen worden gedaan aan landbouwers die de voorwaarden voor het verkrijgen van die betalingen kunstmatig hebben gecreëerd.

[...]

(24)      Het concurrerender maken van de communautaire landbouw en het bevorderen van de toepassing van voedselkwaliteit‑ en milieunormen gaan noodzakelijkerwijs gepaard met een verlaging van de institutionele prijzen voor landbouwproducten en een stijging van de productiekosten voor de communautaire landbouwbedrijven. Voor het bereiken van deze doelstellingen en het bevorderen van een marktgerichtere en duurzame landbouw moet de verschuiving van productiesteun naar steun aan de producent worden voltooid door de invoering van een systeem met ontkoppelde inkomenssteun voor elk bedrijf. Terwijl de ontkoppeling de feitelijk aan de landbouwers betaalde bedragen ongewijzigd zal laten, zal dankzij de ontkoppeling sprake zijn van een veel doeltreffender inkomenssteun. Het is daarom dienstig de ene bedrijfstoeslag afhankelijk te stellen van de naleving van randvoorwaarden op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede de handhaving van het landbouwbedrijf in goede landbouw‑ en milieuconditie.”

8.        Volgens artikel 2, eerste alinea, onder c), van verordening nr. 1782/2003 wordt

„onder ‚landbouwactiviteit’ verstaan: landbouwproducten produceren, fokken of telen tot en met het oogsten, het melken, het fokken en het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de grond in goede landbouw‑ en milieuconditie als vastgesteld op grond van artikel 5 houden”.

9.        Artikel 29 van verordening nr. 1782/2003 bepaalde het volgende:

„Onverminderd bijzondere bepalingen in afzonderlijke steunregelingen, wordt niet uitbetaald aan begunstigden van wie vaststaat dat zij de voorwaarden voor de uitbetaling kunstmatig hebben gecreëerd om een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met de doelstellingen van de betrokken steunregeling.”

10.      Een essentieel onderdeel van verordening nr. 1782/2003 was de van de productie losgekoppelde bedrijfstoeslag die in titel III is geregeld. Om in aanmerking te komen voor de bedrijfstoeslag, moesten landbouwers „toeslagrechten” verkrijgen die tezamen met de door de landbouwer aangegeven subsidiabele hectaren de betaling van een bedrijfstoeslag per hectare opleverden. In dit verband was in artikel 44, („Gebruik van de toeslagrechten”), lid 2, in de versie die in de onderhavige procedure van toepassing is(12), bepaald:

„2.      Onder ‚subsidiabele hectare’ wordt verstaan welke landbouwgrond ook van het bedrijf in de vorm van bouwland en blijvend grasland met uitzondering van de grond die voor blijvende teelten, als bosgrond of voor niet-landbouwactiviteiten in gebruik was.”

B.      Verordeningen nr. 795/2004 en nr. 796/2004

11.      Artikel 2 van verordening nr. 795/2004, in de in casu toepasselijke versie(13), luidde, voor zover hier relevant:

„Voor de toepassing van titel III van verordening (EG) nr. 1782/2003 en van de onderhavige verordening wordt verstaan onder:

a) ‚landbouwgrond’: de totale door bouwland, blijvend grasland en blijvende teelten ingenomen oppervlakte.”

12.      Artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 796/2004, in de bij verordeningen nr. 239/2005 en nr. 972/2007 gewijzigde versie die in casu van toepassing is(14), bevatte de volgende definities:

„1. ‚bouwland’: voor teelt van gewassen gebruikte grond en braakgelegde grond of grond die overeenkomstig artikel 5 van verordening (EG) nr. 1782/2003 in een goede landbouw‑ en milieuconditie wordt gehouden, ongeacht of die grond zich al dan niet onder een kas of onder een vaste of verplaatsbare beschutting bevindt;

1 bis. ‚perceel landbouwgrond’: een aaneengesloten stuk grond waarop één enkele gewasgroep wordt geteeld door één enkele landbouwer; in het geval echter dat in het kader van de onderhavige verordening een afzonderlijke aangifte van het gebruik van een oppervlakte binnen een gewasgroep nodig is, wordt het perceel landbouwgrond verder begrensd door dat specifieke gebruik;

[...]

2. ‚blijvend grasland’: grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die gedurende ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf werd opgenomen met uitzondering van de grond die valt onder [...] braakleggingsregelingen [...];

2 bis. ‚grassen of andere kruidachtige voedergewassen’: alle kruidachtige planten die in de lidstaat traditioneel in natuurlijk grasland voorkomen of normaliter in zaadmengsels voor grasland worden opgenomen (ongeacht of het betrokken grasland al dan niet voor het weiden van dieren wordt gebruikt). [...]”

13.      Met betrekking tot artikel 2, eerste alinea, punten 2 en 2 bis, van verordening nr. 796/2004 was in de eerste overweging van verordening nr. 239/2005, waaruit die bepalingen in de hier opgenomen versie voortvloeien, vermeld:

„Artikel 2 van verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie bevat een aantal begripsomschrijvingen die verduidelijking behoeven. Met name moet de omschrijving van ‚blijvend grasland’ in punt 2 van dat artikel worden verduidelijkt en dient ook een begripsomschrijving van de daarin gebruikte term ‚grassen of andere kruidachtige voedergewassen’ te worden opgenomen. In dit verband dient echter in aanmerking te worden genomen dat de lidstaten behoefte hebben aan enige flexibiliteit om rekening te kunnen houden met plaatselijke landbouwkundige omstandigheden.”

14.      Artikel 8, („Algemene beginselen met betrekking tot de percelen landbouwgrond”), lid 1, van verordening nr. 796/2004, in de in casu toepasselijke versie (dat wil zeggen, die welke nog niet door verordening nr. 380/2009 was gewijzigd)(15), bepaalde:

„1.      Een perceel met bomen wordt voor de toepassing van de oppervlaktegebonden steunregelingen als een perceel landbouwgrond beschouwd mits het op dat perceel mogelijk is de in artikel 51 van verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde landbouwactiviteiten of, indien van toepassing, de voorgenomen productie op soortgelijke wijze te beoefenen als op percelen zonder bomen in dezelfde regio.”

15.      Artikel 30, lid 2, van verordening nr. 796/2004, dat steeds ongewijzigd is gebleven, luidde als volgt:

„2.       De totale oppervlakte van een perceel landbouwgrond kan in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat het volgens de gebruikelijke normen van de betrokken lidstaat of regio om een volledig gebruikt perceel gaat. Is dit niet het geval, dan wordt de werkelijk gebruikte oppervlakte in aanmerking genomen.

Voor de regio’s waar bepaalde elementen, met name heggen, sloten en muren, van oudsher deel uitmaken van de goede landbouwmethoden op het gebied van teelten of grondgebruik, kunnen de lidstaten besluiten dat de oppervlakte van die elementen als een onderdeel van de volledig gebruikte oppervlakte moet worden beschouwd op voorwaarde dat zij een door de lidstaten te bepalen totale breedte niet overschrijdt. Die breedte moet overeenkomen met een traditionele breedte in de betrokken regio en mag niet meer dan 2 m bedragen.

[...]”

C.      Verordening nr. 1307/2013

16.      Met verordening nr. 1307/2013 werd aangeknoopt bij de hervormingen van het GLB in de jaren 90 van de vorige eeuw en het eerste decennium van deze eeuw.

17.      Artikel 4 van verordening nr. 1307/2013 bepaalt thans:

„1.       In deze verordening wordt verstaan onder:

[...]

h) ‚blijvend grasland en blijvend weiland’ (samen ‚blijvend grasland’): grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen, alsmede, indien lidstaten daartoe besluiten, begraasbaar land dat deel uitmaakt van de gangbare plaatselijke praktijken waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen in weiland;

[...]

2. De lidstaten

[...]

De lidstaten kunnen besluiten dat begraasbaar land dat deel uitmaakt van de gangbare plaatselijke praktijken en waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen in weiland, moet worden beschouwd als blijvend grasland als bedoeld in lid 1, onder h)”.

18.      Artikel 32, lid 5, van verordening nr. 1307/2013 met betrekking tot de toepassing van de basisbetalingsregeling, die in beginsel overeenkomt met de bedrijfstoeslagregeling van verordening nr. 1782/2003, luidt voorts:

„Voor de bepaling van ‚subsidiabele hectare’ kunnen lidstaten die het besluit, als bedoeld in artikel 4, lid 2, tweede alinea, hebben genomen een verminderingscoëfficiënt toepassen om de betrokken hectaren in ‚subsidiabele hectaren’ om te zetten.”

III. Achtergrond van het geding

A.      Besluit van de Commissie

19.      Volgens de punten 1 tot en met 11 van het bestreden arrest kan de voorgeschiedenis van het geding in wezen worden beschreven als volgt.

20.      In september 2008 en in februari 2009 voerde de Europese Commissie twee onderzoeken met betrekking tot uitgaven inzake oppervlaktegebonden steun en areaalgerelateerde maatregelen voor plattelandsontwikkeling, die de Helleense Republiek had verricht in het kader van het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, en in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)(16).

21.      Bij brieven van 21 november 2008 en 13 mei 2009 stelde de Commissie de Helleense Republiek in kennis van de resultaten van de onderzoeken, ten aanzien waarvan de Helleense Republiek haar standpunt in januari en juli 2009 schriftelijk kenbaar heeft gemaakt.

22.      Dientengevolge vond op 8 april 2010 een bilateraal gesprek plaats. Op 2 juni 2010 deed de Commissie haar conclusies toekomen aan de Helleense Republiek, waarop deze op 2 augustus 2010 heeft geantwoord.

23.      Op 31 mei 2013 deelde de Commissie de Helleense Republiek mee dat zij vasthield aan haar standpunt inzake het nettobedrag en de motivering van de beoogde correcties.

24.      Daarop legde de Helleense Republiek de zaak op 11 juli 2013 voor aan het bemiddelingsorgaan, dat tenslotte in zijn advies van 31 januari 2014 weliswaar geen toenadering tussen de standpunten van de partijen kon optekenen, maar de partijen uitnodigde weer contact met elkaar op te nemen.

25.      Op 26 maart 2014 stelde de Commissie haar definitieve standpunt vast. Zij laakte, ten eerste, tekortkomingen in de werking van het systeem voor de identificatie van percelen landbouwgrond en van het geografische informatiesysteem(17), die de kruiscontroles en de administratieve controles hadden belemmerd; ten tweede, tekortkomingen bij controles ter plaatse en, ten derde, fouten bij de berekening van betalingen en sancties. Voorts wees de Commissie erop dat die wantoestanden herhaaldelijk waren vastgesteld. Het definitieve nettobedrag van de correctie ten aanzien van de Helleense Republiek bedroeg 86 007 771,11 EUR.

26.      Op 19 december 2014 stelde de Commissie het bestreden uitvoeringsbesluit vast. Bij dit besluit verwierp de Commissie jegens de Helleense Republiek, voor het aanvraagjaar 2008, uitgaven ten belope van 61 012 096,85 EUR aan oppervlaktegebonden steun, waarop zij vervolgens 2 135 439,32 EUR in mindering bracht, wat een financiële impact van 58 876 657,53 EUR opleverde. Voorts verwierp de Commissie uitgaven ten belope van 10 504 096,85 EUR aan areaalgerelateerde maatregelen voor plattelandsontwikkeling, waarop zij vervolgens 2 588 231,20 EUR in mindering bracht, wat een financiële impact van 7 916 160,70 EUR opleverde.

27.      Hierbij ging het om de volgende types correcties:

–        voor landbouwers die uitsluitend grasland aangaven, werd een forfaitaire correctie van 10 % vastgesteld;

–        voor landbouwers die geen grasland hadden aangegeven, werd een forfaitaire correctie van 2 % vastgesteld;

–        voor aanvullende oppervlaktegebonden steun werd een forfaitaire correctie van 5 % vastgesteld;

–        voor alle areaalgerelateerde maatregelen voor plattelandsontwikkeling werd een forfaitaire correctie van 5 % vastgesteld.

28.      In het bij het bestreden besluit gevoegde syntheseverslag(18) motiveerde de Commissie de correcties aan de hand van de herhaaldelijk vastgestelde tekortkomingen in het geïntegreerde beheer‑ en controlesysteem, meer bepaald in de werking van het LPIS‑GIS en bij de controles ter plaatse, die volgens haar niet aan de vereisten van artikel 20 van verordening nr. 1782/2003 of die van de artikelen 23 en 30 van verordening nr. 796/2004 voldeden. Zo werden onder meer de volgende onregelmatigheden geconstateerd:

–        Bij het gebruik van het LPIS‑GIS waren – in het bijzonder wat het als grasland gebruikte land betreft – onjuistheden betreffende de grenzen van de referentiepercelen en de subsidiabele maximumoppervlakte daarvan vastgesteld. Daardoor waren de kruiscontroles, die moeten voorkomen dat dezelfde steun meermaals wordt toegekend, in vele gevallen niet sluitend.

–        Bij de controles ter plaatse waren hectaren die niet voldeden aan de criteria voor blijvend grasland op grond van artikel 2, eerste alinea, punten 2 en 2 bis, van verordening nr. 796/2004, als subsidiabel aangemerkt; de gronden waarop een vegetatie van houtachtige of kruidachtige voedergewassen aanwezig was, bevonden zich in afgelegen gebieden en de grenzen ervan waren niet zichtbaar. Er had geen opmeting van de oppervlakten plaatsgevonden. Bovendien waren zowel de controles ter plaatse door middel van teledetectie als de gebruikelijke controles ter plaatse ontoereikend.

29.      Deze tekortkomingen zorgden ervoor dat de essentiële en aanvullende controles voortdurend gebrekkig functioneerden, waardoor de landbouwfondsen het gevaar liepen verlies te lijden voor wat oppervlaktegebonden steun betreft. Zij hadden tevens gevolgen gehad voor de aanvullende, aan de gronden „gekoppelde” steun.

B.      Arrest van het Gerecht

30.      Met het beroep van 2 maart 2015 verzocht de Helleense Republiek het Gerecht om nietigverklaring van het bestreden uitvoeringsbesluit, voor zover daarbij was vastgesteld dat voor het aanvraagjaar 2008 10 % van het totaalbedrag van de uitgaven aan steun voor grasland, 5 % van het totaalbedrag van de uitgaven aan aanvullende oppervlaktegebonden steun en 5 % van het totaalbedrag van de uitgaven aan areaalgerelateerde maatregelen voor plattelandsontwikkeling waren onttrokken aan EU-financiering.

31.      Het Gerecht stelde, ten eerste, met betrekking tot de correctie van 10 % ten aanzien van de uitgaven inzake steun voor grasland vast dat deze correctie, ongeacht de uitlegging van het begrip „blijvend grasland”, alleen al wegens de tekortkomingen van het geïntegreerde beheer‑ en controlesysteem gerechtvaardigd en evenredig was(19). Het Gerecht baseerde zich hiervoor op het onjuiste gebruik van het LPIS‑GIS en de gevolgen daarvan voor het opsporen van meervoudige aangiften, de betrouwbaarheid van de administratieve kruiscontroles, de omstandigheid dat de gronden niet waren opgemeten bij de controles ter plaatse en de onjuiste uitvoering van de controles door middel van teledetectie. Tevens waren er geen gegevens bewaard die inzicht in de daadwerkelijk verrichte controles ter plaatse hadden kunnen verschaffen(20). In het licht van deze aanzienlijke tekortkomingen achtte het Gerecht de vraag of de aangegeven hectaren als „blijvend grasland” overeenkomstig artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 subsidiabel waren en daarmee ook de vraag betreffende de uitlegging van dat begrip niet relevant voor de beslechting van het geding(21). Desalniettemin sloot het Gerecht zich uitdrukkelijk aan bij het standpunt van de Commissie ten aanzien van de subsidiabiliteit van de hectaren en de aan dat standpunt ten grondslag liggende uitlegging van het begrip „blijvend grasland”(22).

32.      Ten tweede werd de correctie van 5 % voor aanvullende oppervlaktegebonden steun door het Gerecht gehandhaafd.(23)

33.      Ten derde verklaarde het Gerecht het bestreden uitvoeringsbesluit nietig voor zover daarbij, ten aanzien van de areaalgerelateerde maatregelen voor plattelandsontwikkeling, het bedrag van de uitgaven die inzake het begrotingsjaar 2009 met betrekking tot het aanvraagjaar 2008 waren vastgesteld, werd gecorrigeerd van 5 007 867,36 EUR tot 2 689 811,61 EUR (na aftrek van 2 318 055,75 EUR). Volgens het Gerecht had de Commissie namelijk niet toereikend gemotiveerd in hoeverre met een vroegere correctie uit hoofde van uitvoeringsbesluit 2013/214/EU(24) rekening was gehouden om te vermijden dat de correctie tweemaal zou worden vastgesteld(25).

34.      Het Gerecht heeft het beroep voor het overige verworpen en de Helleense Republiek verwezen in de kosten.

IV.    Conclusies en procedure bij het Hof

35.      Bij verzoekschrift van 6 juni 2017 heeft de Helleense Republiek de onderhavige hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest. Zij verzoekt het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden uitvoeringsbesluit werd verworpen,

–        het bestreden uitvoeringsbesluit nietig te verklaren, en

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

36.      De Commissie van haar kant verzoekt het Hof:

–        de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk ongegrond te verklaren,

–        de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.

37.      Het Koninkrijk Spanje is in het geding tussengekomen aan de zijde van de Helleense Republiek. Het verzoekt het Hof:

–        de hogere voorziening gegrond te verklaren, en

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

38.      Partijen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. De terechtzitting vond plaats op 13 september 2018.

V.      Juridische beoordeling

39.      De hogere voorziening, die volgens de Commissie niet-ontvankelijk is (zie hierover onder A), is gebaseerd op in totaal zes middelen. Met de eerste drie middelen komt de Helleense Republiek op tegen de beoordeling van het Gerecht betreffende de forfaitaire correctie van 10 % voor landbouwers die alleen grasland hebben aangegeven (zie hierover onder B). Met het vierde en vijfde middel laakt zij de beoordeling van het Gerecht betreffende de forfaitaire correctie van 5 % voor aanvullende oppervlaktegebonden steun (zie hierover onder C). Met het zesde middel uit de Helleense Republiek ten slotte kritiek op de beoordeling door het Gerecht betreffende de forfaitaire correctie van 5 % inzake plattelandsontwikkeling, voor zover deze door het Gerecht niet nietig werd verklaard (zie hierover onder D).

A.      Ontvankelijkheid van de hogere voorziening

40.      Anders dan de Commissie betoogt, beperkt de Helleense Republiek zich niet tot een herhaling van de reeds in eerste aanleg tegen het oorspronkelijke besluit van de Commissie aangevoerde middelen. Hoewel de middelen in hogere voorziening sterk gelijken op die welke oorspronkelijk tegen het besluit van de Commissie zijn aangevoerd en los van de uitvoerige verwijzingen naar de memories in eerste aanleg, ontwikkelt de Helleense Republiek aan de hand van concrete, deels letterlijk overgenomen passages uit het arrest een zelfstandige juridische kritiek op de redenering van het Gerecht.

41.      Het beroep is derhalve ontvankelijk.

B.      Middelen van de hogere voorziening tegen de beoordeling van het Gerecht betreffende de financiële correctie van 10 % ten aanzien van de uitgaven voor landbouwers die alleen grasland hebben aangegeven

42.      De Helleense Republiek voert drie middelen in hogere voorziening aan tegen de beoordeling van het Gerecht betreffende de forfaitaire correctie van 10 % van de uitgaven voor landbouwers die alleen grasland hebben aangegeven(26).

43.      Het eerste en tweede middel van de hogere voorziening houden verband met de vraag omtrent de subsidiabiliteit van de aangegeven hectaren uit hoofde van artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004, waarin het begrip „blijvend grasland” wordt gedefinieerd (zie hierover onder 1 en 2). Met het derde middel betwist de Helleense Republiek de opvatting van het Gerecht dat het forfaitaire correctiepercentage van 10 % alleen al wegens de tekortkomingen van het geïntegreerde beheer‑ en controlesysteem had kunnen worden vastgesteld (zie hierover onder 3).

1.      Eerste middel van de hogere voorziening

44.      Met haar eerste middel van de hogere voorziening maakt de Helleense Republiek, ten eerste, aanmerkingen op de schending van artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 door een uitlegging van het begrip „blijvend grasland”, die blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (zie hierover onder a). Ten tweede komt zij op tegen een overweging in punt 66 van het bestreden arrest, die volgens haar blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ontoereikend is gemotiveerd (zie hierover onder b). Ten derde verwijt zij het Gerecht onvoldoende toelichting te hebben gegeven bij het voor de uitlegging van het begrip „blijvend grasland” bepalende toetsingscriterium (zie hierover onder c).

a)      Eerste onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening

45.      De Helleense Republiek voert aan dat het bestreden arrest voorbijgaat aan de correcte uitlegging van het begrip „blijvend grasland” voor wat betreft de soorten vegetatie die daaronder vallen.

46.      Volgens het Gerecht was het in verordening nr. 796/2004 vastgestelde criterium aangaande steun voor grasland het type vegetatie op het betrokken land. Dat criterium moest ervoor zorgen dat geen steun wordt uitbetaald voor grond waarop geen landbouwactiviteit wordt verricht. Wanneer andere planten dan kruidachtige gewassen overheersten, was dit een aanwijzing dat de landbouwactiviteit op de betrokken oppervlakten was opgegeven. Door de definitie van „blijvend grasland” te beperken tot enkel land met grassen en kruidachtige voedergewassen, moest dus het gevaar worden afgewend dat steun zou worden verleend voor gronden die niet daadwerkelijk voor de veehouderij worden gebruikt(27).

47.      Volgens de overwegingen van het Gerecht(28) moet voor de indeling van een landbouwgrond als „blijvend grasland” overeenkomstig verordeningen nr. 1782/2003 en nr. 796/2004 dus sprake zijn van een „oppervlakte met een vegetatie die wordt gebruikt voor de landbouwproductie”(29), waaronder „in beginsel alleen grassen en kruidachtige voedergewassen”(30) vallen, maar waarvoor „bossen en percelen met een vegetatie van houtachtige gewassen [daarentegen] in beginsel(31)” niet in aanmerking komen. Slechts „een marginale aanwezigheid van houtachtige gewassen” kan worden getolereerd „voor zover de ontwikkeling van kruidachtige voedergewassen en dus de doeltreffende benutting van de percelen als grasland daardoor niet belemmerd [...]” wordt.(32)

48.      Details, met name aangaande de mate waarin het naast elkaar voorkomen van kruidachtige gewassen en houtachtige gewassen concreet kan worden getolereerd, worden niet vermeld. Het Gerecht verwijst in dit verband weliswaar naar de leidraad van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie uit 2008(33), die richtsnoeren bevat betreffende de meest geschikte handelwijzen om te voldoen aan de vigerende wettelijke voorschriften inzake het GLB(34), maar het verzuimt evenwel om de precieze betekenis die het daaraan geeft, nader toe te lichten(35).

49.      De Helleense Republiek, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, pleit voor een ruime uitlegging van het begrip „blijvend grasland”, waaronder ook het zogenoemde „grasland van het mediterrane type” valt, waarvan de vegetatie ook (of uitsluitend) wordt gekenmerkt door kreupelhout en houtachtige gewassen.

50.      Volgens vaste rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie moeten bepalingen van Unierecht niet alleen aan de hand van de bewoordingen ervan worden uitgelegd, maar ook aan de hand van de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaken.(36)

51.      De grondslag voor de uitlegging wordt in dit geval gevormd door het systeem van oppervlaktegebonden steun, zoals blijkt uit de op het aanvraagjaar 2008 toepasselijke verordeningen nr. 1782/2003 en nr. 796/2004.

52.      De Helleense Republiek verwijst voorts naar artikel 4, lid 1, onder h), van verordening nr. 1307/2013, dat een ruime definitie van het begrip „blijvend grasland” bevat. Volgens die definitie kunnen ook gronden met andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, als „blijvend grasland” in aanmerking komen, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen of daar waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen in weiland, het genoemde land deel uitmaakt van de gangbare plaatselijke praktijken.(37)

53.      Zoals alle partijen terecht opmerken, is rechtstreekse toepassing van deze bepaling, die pas na het voor deze zaak relevante tijdvak in werking is getreden, uitgesloten omdat voor deze bepaling niet was voorzien in terugwerkende kracht. Anders dan de Helleense Republiek betoogt, kan ook in het kader van de uitlegging slechts in beperkte mate een beroep op die bepaling worden gedaan. Latere bepalingen doen louter op zich in eerste instantie immers geen bindende uitspraak over de normatieve inhoud van de vorige bepaling, aangezien gewijzigde bewoordingen niet alleen als verduidelijking kunnen worden opgevat, maar ook als een inhoudelijke wijziging van de rechtssituatie.(38) Toch moet in dit geval worden geconstateerd dat de definitie van „blijvend grasland” in verordening nr. 1307/2013 althans niet in de weg staat aan een ruime uitlegging van dit begrip in het kader van verordening nr. 1782/2013.

54.      Dientengevolge vormt artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004, in de versie die op het voor de onderhavige zaak relevante tijdstip van toepassing was, het uitgangspunt voor de uitlegging.(39) Daarin wordt „blijvend grasland” gedefinieerd als „grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die gedurende ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling [...] wordt opgenomen”. Onder „grassen of andere kruidachtige voedergewassen” wordt volgens artikel 2, eerste alinea, punt 2 bis, verstaan: „alle kruidachtige planten die in de lidstaat traditioneel in natuurlijk grasland voorkomen of normaliter in zaadmengsels voor grasland worden opgenomen (ongeacht of het betrokken grasland al dan niet voor het weiden van dieren wordt gebruikt)”.(40)

55.      Hieruit kunnen drie conclusies worden getrokken: ten eerste dient volgens artikel 2, eerste alinea, punten 2 en 2 bis, van verordening nr. 796/2004 voor de indeling als „blijvend grasland” sprake te zijn van een „uit kruidachtige planten bestaande” vegetatie.(41) Ten tweede doet het niet ter zake hoe deze vegetatie is ontstaan. Artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 vermeldt uitdrukkelijk zowel ingezaaide als natuurlijke vegetatie. Hieruit volgt ten derde dat de formulering „[voor de teelt] van grassen of andere kruidachtige voedergewassen” niet moet worden begrepen in de gebruikelijke betekenis van het woord „teelt” als aanplant en actieve grondbewerking om landbouwproducten te produceren. Zij kan hoogstens wijzen op een gebruik van de betrokken gronden voor landbouwdoeleinden.

56.      De bewoordingen van artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 omvatten bijgevolg ongetwijfeld alleen landbouwgebieden waarop uitsluitend een vegetatie van kruidachtige gewassen aanwezig is. De bewoordingen betreffende gemengde gronden zijn onduidelijk. Zo is het de vraag of de uitdrukkelijke vermelding van „grassen of andere kruidachtige voedergewassen” bedoeld is om de aanwezigheid of het gebruik voor landbouwdoeleinden van andere soorten vegetatie categorisch uit te sluiten.

57.      Een strikte opvatting volgens welke gemengde gronden en gronden waarop uitsluitend een vegetatie van houtachtige gewassen aanwezig is, niet onder het begrip „blijvend grasland” vallen, moet echter worden verworpen.

58.      Zo wordt, ten eerste, in de eerste overweging van verordening nr. 239/2005 bepaald dat de lidstaten ter zake van de definities van „blijvend grasland” en „grassen of andere kruidachtige voedergewassen” over enige flexibiliteit moeten beschikken om rekening te kunnen houden met de verschillende landbouwkundige omstandigheden in de Unie.(42) Hieruit kan worden geconcludeerd dat de definitie van „blijvend grasland” in artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004, zoals gewijzigd bij verordening nr. 239/2005, – in het bijzonder voor wat de vegetatie betreft – niet te strikt mag worden uitgelegd. Zoals zowel de Helleense Republiek als het Koninkrijk Spanje ter terechtzitting hebben uiteengezet, vormen vooral milieuomstandigheden zoals de geografie, het klimaat en landbouwtradities factoren die gevolgen hebben voor de landbouwkundige omstandigheden.

59.      Ten tweede moet in acht worden genomen dat verordening nr. 796/2004 met haar definitie van „blijvend grasland” bijdraagt aan de uitvoering van verordening nr. 1782/2003, waarin onder meer de bedrijfstoeslag is geregeld, in het kader waarvan „blijvend grasland” een subsidiabele hectare is.(43) Een uitvoeringsverordening moet zoveel mogelijk in overeenstemming met de basisverordening worden uitgelegd.(44)

60.      Verordening nr. 1782/2003 vereist geen specifieke vegetatie voor „blijvend grasland”. Artikel 44, lid 2, van deze verordening sluit alleen „blijvende teelten” en „bosgrond” uit.(45) Volgens sommige taalversies suggereert deze bepaling een vegetatie met „kruidachtige gewassen”(46), maar in de overgrote meerderheid van de taalversies worden echter begrippen gebruikt die ten aanzien van de vegetatie neutraal zijn en het best worden vertaald met „blijvende weide(n)”(47).

61.      Bovendien is „blijvend grasland” volgens artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1782/2003, gelezen in samenhang met artikel 2, onder a), van verordening nr. 795/2004, een subcategorie van „landbouwgrond”. In artikel 2, onder a), van verordening nr. 795/2004 wordt het begrip „landbouwgrond” namelijk gedefinieerd als „de totale door bouwland, blijvend grasland en blijvende teelten ingenomen oppervlakte”.(48)

62.      Het typerende kenmerk voor een subsidiabele hectare landbouwgrond bestaat erin dat daarop een „landbouwactiviteit” overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder c), van verordening nr. 1782/2003 wordt uitgeoefend.(49) Dit volgt in de eerste plaats uit de afbakening ten opzichte van de opgegeven landbouwgrond, zoals die welke in de derde overweging van die verordening is vermeld, en in de tweede plaats uit de in de overwegingen 21 en 24 tot uiting komende functie van de bedrijfstoeslag, namelijk zorgen voor de stabilisatie van het landbouwbedrijfsinkomen om de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren(50). Blijkens de motivering van het voorstel van de Commissie voor verordening nr. 1782/2003 zouden echter alleen landbouwers „die actief produceren of de grond in goede omstandigheden voor de landbouw houden, zodat de koppeling met grond behouden blijft”(51), in aanmerking komen voor inkomenssteun.

63.      Uit het voorgaande volgt voor de definitie van „blijvend grasland” dat het type vegetatie ten opzichte van het grondgebruik een criterium van ondergeschikt belang is. Het daadwerkelijke gebruik van de grond is dus doorslaggevend voor een landbouwactiviteit die typisch is voor „blijvend grasland”(52). Dat kan volgens artikel 2, lid 1, onder c), van verordening nr. 1782/2003 bijvoorbeeld veehouderij zijn, zoals door de Helleense Republiek en het Koninkrijk Spanje is aangevoerd.

64.      Bijgevolg kan de aanwezigheid van houtachtige gewassen niet eraan in de weg staan dat land wordt ingedeeld als „blijvend grasland”, wanneer daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de effectieve uitoefening van de landbouwactiviteit. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de houtachtige gewassen ten opzichte van de kruidachtige gewassen slechts een ondergeschikte rol spelen. Bovendien kan de effectieve uitoefening van een landbouwactiviteit zelfs door de aanwezigheid van houtachtige gewassen vereist zijn. Of er sprake is van een effectieve uitoefening moet immers steeds in de concrete context van de hierboven genoemde(53) landbouwkundige omstandigheden worden beoordeeld. Daarom moeten ook gemengde percelen met een vegetatie van overwegend of uitsluitend houtachtige gewassen in ieder geval onder het begrip „blijvend grasland” vallen wanneer een vegetatie met overwegend kruidachtige gewassen op grond van de heersende landbouwkundige omstandigheden onwaarschijnlijk is en die percelen moeten worden gebruikt voor landbouwactiviteiten die typisch zijn voor „blijvend grasland”.

65.      Deze ruime uitlegging van het begrip „blijvend grasland”, die naast percelen met louter kruidachtige gewassen ook gemengde percelen en percelen met uitsluitend houtachtige gewassen omvat, voor zover deze effectief worden gebruikt voor landbouw, strookt tevens met de doelen van verordening nr. 1782/2003, namelijk de stabilisatie van het landbouwbedrijfsinkomen, de instandhouding van plattelandsgebieden en de bescherming van het milieu.

66.      Het doel van de stabilisatie van het landbouwbedrijfsinkomen(54) geldt overeenkomstig de opzet van verordening nr. 1782/2003 zonder onderscheid voor de gehele landbouwbevolking in de Unie. De regionale herkomst van een landbouwer mag derhalve, direct noch indirect, bepalend zijn voor de toegang tot de in deze verordening geregelde bedrijfstoeslag. Dit zou echter het geval zijn indien het type vegetatie, waarvan de aanwezigheid in grote mate afhankelijk is van het klimaat, beslissend is voor de subsidiabiliteit van landbouwgrond. Het zou daarom onaanvaardbaar zijn dat actieve landbouwers die de gronden waarover zij kunnen beschikken onder de heersende landbouwkundige omstandigheden effectief gebruiken, louter wegens een andere klimaatgebonden vegetatie minder voordeel uit inkomensstabilisatie door de bedrijfstoeslag zouden halen dan landbouwers in andere lidstaten van de Unie.

67.      Daarenboven hangt de inkomensstabilisatie volgens de eenentwintigste overweging van verordening nr. 1782/2003 nauw samen met de instandhouding van plattelandsgebieden.(55) Dienaangaande had de Commissie bij de hervorming van het GLB 2003 bewust ook oog voor de gerichte bevordering van de uiteenlopende traditionele en ecologisch waardevolle landbouwsystemen, om de trend van een sterkere specialisatie in de dierlijke en graanproductie en in de meerjarige teelten een halt toe te roepen.(56) Tegen deze achtergrond lijkt het wenselijk dat juist de op traditionele wijze bewerkte gemengde percelen en percelen met uitsluitend houtachtige gewassen voor steun in aanmerking worden genomen.

68.      Daarnaast behoort milieubescherming niet alleen tot de algemene doelstellingen van het GLB(57), maar ook tot de concrete doelen van de bedrijfstoeslagregeling in verordening nr. 1782/2003(58). In dit verband is steun voor „blijvend grasland” volgens de overwegingen 3 en 4 van deze verordening van bijzonder belang, omdat hij zorgt voor financiële prikkels om ecologisch ongewenste scenario’s, namelijk het opgeven van landbouwgrond of de omzetting van nog meer oppervlakten in bouwland, te voorkomen. Aan de effectiviteit van dit mechanisme zou evenwel afbreuk worden gedaan wanneer de definitie van „blijvend grasland” in artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 ten aanzien van de vegetatie al te strikt zou worden uitgelegd. En zelfs wanneer niet hoeft te worden gevreesd voor het opgeven van of een wijziging van het gebruik, lijkt een ruime definitie noodzakelijk te zijn met het oog op de milieubescherming. Anders zou namelijk een stimulans worden geboden om afwijkende vegetatiestructuren te verwijderen zonder rekening te houden met het ecologische nut ervan, zelfs wanneer zij geen nadelige gevolgen voor de uitoefening van de landbouwactiviteit op de betrokken gronden hebben.

69.      Een op de doelstellingen van verordening nr. 1782/2003 gebaseerde ruime opvatting van „blijvend grasland”, die voornamelijk aanknoopt bij een effectief gebruik voor landbouw, betekent echter niet dat het in artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 verankerde vegetatiecriterium overbodig wordt. Dat criterium ligt veeleer aan de grondslag van een wettelijk vermoeden, in die zin dat een voor landbouw gebruikte grond met vegetatie die uitsluitend uit kruidachtige gewassen bestaat, zonder meer kan worden aangemerkt als „blijvend grasland” in de zin van artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004. Daarentegen moet voor gemengde percelen of percelen met uitsluitend houtachtige gewassen nader onderzoek worden verricht, in het kader waarvan moet worden aangetoond dat er sprake is van effectief gebruik en, in voorkomend geval, van de traditionele bewerkingsvorm.

70.      Voorts benadrukken artikel 8, lid 1, en artikel 30, lid 2, van verordening nr. 796/2004(59) dat een doeltreffend gebruik voor landbouw en traditionele bewerkingsvormen belangrijker zijn voor de subsidiabiliteit van grond dan bepaalde landschapselementen. Volgens die bepalingen worden percelen met bomen of andere landschapselementen, zoals heggen, sloten of muren, toch aangemerkt als percelen landbouwgrond, voor zover de landbouwactiviteit niet wordt beperkt of die landschapselementen deel uitmaken van de plaatselijke landbouwtradities.(60)

71.      Artikel 132, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1782/2003 (betreffende het extensiveringsbedrag), waarnaar het Koninkrijk Spanje verwijst, is daarentegen niet meteen van belang voor de uitlegging van het begrip „blijvend grasland”. Het extensiveringsbedrag maakt deel uit van een op het terugdringen van de intensieve veehouderij gerichte, niet-oppervlaktegebonden steunregeling, die reeds voor de invoering van de bedrijfstoeslag van toepassing was. Het in dat verband gebruikte begrip „grasland” beschrijft geen subsidiabele oppervlakten, maar dient louter als rekenkundige meeteenheid voor de berekening van het veebezettingsgetal, dat wil zeggen het aantal stuks grootvee per hectare. Ook al mag op grond van het feit dat „blijvend grasland” vooral voor de veehouderij wordt gebruikt, worden uitgegaan van enige toenadering tussen de begrippen, moet de betekenis van het begrip „blijvend grasland” uitsluitend in zijn specifieke context worden bepaald.

72.      De opneming van gemengde percelen en percelen met uitsluitend houtachtige gewassen in de definitie van „blijvend grasland” overeenkomstig artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 leidt tenslotte niet tot een toename van het risico van misbruik. In de eenentwintigste overweging en in artikel 29 van verordening nr. 1782/2003 is weliswaar bepaald dat geen betalingen mogen worden gedaan aan landbouwers die de voorwaarden voor het verkrijgen van betalingen van de bedrijfstoeslag kunstmatig hebben gecreëerd om een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met de doelstellingen van de bedrijfstoeslagregeling.(61) Voor gemengde percelen en percelen met uitsluitend houtachtige gewassen die hoogstens pro forma worden gebruikt – dat wil zeggen dat het niet de bedoeling is het landbouwpotentieel van de percelen louter te benutten om ervoor te zorgen dat zij subsidiabel zijn –, wordt echter ook bij een ruime definitie van „blijvend grasland” geen steun verstrekt, aangezien deze voornamelijk gericht is op het gebruik van de percelen voor landbouw.

73.      Per slot van rekening lijkt de ruime opvatting van het begrip „blijvend grasland” in de op het aanvraagjaar 2008 toepasselijke verordeningen nr. 1782/2003 en nr. 796/2004, die berust op het effectieve gebruik van land voor een landbouwactiviteit die typisch is voor „blijvend grasland”, daarmee sterk op de definitie van „blijvend grasland” in artikel 4, lid 1, onder h), van de latere verordening nr. 1307/2013. Deze definitie omvat naast land met uitsluitend grassen uitdrukkelijk ook begraasbaar land met andere plantensoorten, dat deel uitmaakt van gangbare plaatselijke praktijken.(62) Daaruit volgt dat het begrip „blijvend grasland” volgens artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 – hoewel uit verordening nr. 1307/2013 op zichzelf in beginsel geen dwingende conclusies kunnen worden getrokken voor de uitlegging van verordening nr. 796/2004(63) – in elk geval niet in ruimere zin mag worden uitgelegd dan het in artikel 4, lid 1, onder h), van verordening nr. 1307/2013 vervatte begrip.

74.      In dit verband maakt verordening nr. 1307/2013 het mogelijk om bij de berekening van de bedrijfstoeslag ermee rekening te houden dat voor percelen met uitsluitend kruidachtige gewassen typisch andere instandhoudingswerkzaamheden vereist zijn dan voor gemengde percelen of percelen met uitsluitend houtachtige gewassen. Artikel 32, lid 5, van verordening nr. 1307/2013 voorziet hiervoor namelijk in een verminderingscoëfficiënt die door de lidstaten kan worden toegepast. Deze stemt ten aanzien van de werking ervan overeen met een pro-rata-systeem, waarin bijvoorbeeld het in het bestreden arrest genoemde Griekse actieplan van 2012(64) voorziet met het oog op de nieuwe regeling door verordening nr. 1307/2013(65). Wanneer een dergelijk systeem wordt toegepast, wordt het totale aantal hectaren „blijvend grasland” procentueel verminderd ten behoeve van de berekening van de te betalen bedrijfstoeslag naargelang de bestaande hoeveelheid houtachtige gewassen.

75.      Indien het begrip „blijvend grasland” in artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 wordt opgevat als grond die effectief wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit die typisch is voor „blijvend grasland”, staat dit dus niet in de weg aan de toepassing van een dergelijk pro-rata-systeem. Hierdoor kan bij de berekening van de steun proportioneel rekening worden gehouden met de hoeveelheid kruidachtige gewassen op gronden die bestaan uit blijvend grasland.

76.      Hierdoor wordt de principiële indeling van de betrokken oppervlakten als „blijvend grasland” evenwel niet ter discussie gesteld. Anders dan de Commissie stelt, gaat de vraag betreffende de subsidiabiliteit van een „uit blijvend grasland bestaande oppervlakte” vooraf aan de vraag of de steun voor deze oppervlakte, op grond van de aanwezigheid van houtachtige gewassen, door toepassing van een pro-rata-systeem procentueel kan worden verminderd, zoals het Koninkrijk Spanje ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt.

77.      In het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat het daadwerkelijke, effectieve gebruik van een oppervlakte voor een landbouwactiviteit een fundamentele voorwaarde vormt voor de subsidiabiliteit van die oppervlakte uit hoofde van verordening nr. 1782/2003.(66) Alles bij elkaar genomen heeft het Gerecht het in het bestreden besluit vervatte standpunt van de Commissie evenwel bevestigd en daarmee te veel belang gehecht aan de signaalfunctie van de uit kruidachtige gewassen bestaande vegetatie als bepalende voorwaarde voor de indeling van land als „blijvend grasland”.(67) Derhalve slaagt het eerste onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening.

b)      Tweede onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening

78.      Met het tweede onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening betwist de Helleense Republiek de vaststelling van het Gerecht in punt 66 van het bestreden arrest, volgens welk de litigieuze hectaren, ongeacht de definitie van het begrip „blijvend grasland”, niet subsidiabel waren. Het Gerecht heeft er – net zoals de Commissie in het bestreden uitvoeringsbesluit – onvoldoende rekening mee gehouden dat slechts een gering deel van de aangegeven oppervlakten werd gebruikt om toeslagrechten in het kader van de bedrijfstoeslagregeling te activeren.(68)

79.      Met deze grief alludeert de Helleense Republiek op het zogenoemde buffereffect. Dit vloeit voort uit het feit dat vele landbouwers meer grond dan toeslagrechten hebben, zodat slechts een deel van het aangegeven „blijvend grasland” als grondslag voor de betaling van bedrijfstoeslag kan dienen. Dit leidt tot een vermindering van het risico van verlies voor de landbouwfondsen, dat bestaat wanneer gronden worden gebruikt voor de activering van toeslagrechten die niet aan de criteria voldoen. Aangenomen wordt namelijk dat er nog niet aangegeven gronden zijn die wel aan deze criteria zouden hebben voldaan. Het buffereffect is dus een belangrijke factor bij de berekening van het correctiepercentage, dat wordt bepaald op basis van de omvang van de gebreken van het controlesysteem en de daaruit voor de landbouwfondsen voortvloeiende risico’s van verlies.

80.      Het Gerecht buigt zich in punt 66 van het bestreden arrest evenwel niet over de berekening van het correctiepercentage, maar maakt alleen duidelijk dat de litigieuze oppervlakten, ongeacht wat onder het begrip „blijvend grasland” moet worden verstaan, niet subsidiabel waren. Zoals uit punt 40 blijkt en door de Commissie ter terechtzitting is bevestigd, ging het bij de litigieuze oppervlakten namelijk noch om uitsluitend uit grasland bestaande oppervlakten, noch om gemengde percelen of percelen met uitsluitend houtachtige gewassen, maar – voor zover zij konden worden gelokaliseerd – om zanderig kustgebied, bosgrond of iets dergelijks.

81.      Derhalve moet de grief worden afgewezen.

c)      Derde onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening

82.      Met het derde onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening stelt de Helleense Republiek dat sprake is van ontoereikende motivering: uit de overwegingen van het Gerecht in de punten 20 tot en met 22 van het bestreden arrest wordt onvoldoende duidelijk welk toetsingscriterium door het Gerecht is gehanteerd voor het eerste middel. Zij hebben geen betrekking op het juridische kernprobleem van het eerste middel, namelijk de uitlegging van het begrip „blijvend grasland” als bedoeld in artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004.

83.      Deze grief berust op een onnauwkeurige lezing van de punten 20 tot en met 22 van het bestreden arrest. De daarin vervatte overwegingen zijn namelijk in het geheel niet bedoeld om gericht het juridische toetsingscriterium inzake het eerste middel toe te lichten. Zij gaan veeleer vooraf aan de juridische beoordeling van alle middelen en geven toelichting op de voor het gehele arrest relevante beginselen uit de rechtspraak inzake de bewijslast, die op de Commissie rust voor zover zij uitgaven uit de landbouwfondsen ontzegt wegens schendingen van het Unierecht. De bepalingen die naar het oordeel van het Gerecht relevant zijn voor de uitlegging van het begrip „blijvend grasland” zijn daarentegen vermeld in de punten 27 tot en met 32 van het bestreden arrest. Hieruit kan geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting worden afgeleid.

84.      Bijgevolg is het derde onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening ongegrond.

2.      Tweede middel van de hogere voorziening

85.      Met haar tweede middel van de hogere voorziening stelt de Helleense Republiek dat er sprake is van schending van artikel 296 VWEU, waarin is bepaald dat de rechtshandelingen van de Unie met redenen moeten worden omkleed, omdat het Gerecht blijkt heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de grief af te wijzen volgens welke het bestreden uitvoeringsbesluit ontoereikend was gemotiveerd (zie hiervoor onder a). Voorts betoogt de Helleense Republiek dat het bestreden arrest zelf ontoereikend is gemotiveerd aangezien het Gerecht het arrest in strijd met artikel 36 juncto artikel 53, lid 1, van het Statuut van het Hof van Justitie, en artikel 117 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ontoereikend heeft gemotiveerd (zie hierover onder b).

a)      Eerste onderdeel van het tweede middel van de hogere voorziening

86.      Met het eerste onderdeel van haar tweede middel van de hogere voorziening klaagt de Helleense Republiek aan dat het Gerecht in de punten 68 tot en met 76 van het bestreden arrest artikel 296 VWEU heeft geschonden. Zo heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het argument af te wijzen, volgens welk niet alle argumenten van de Helleense Republiek met betrekking tot de uitlegging van het begrip „blijvend grasland” door de Commissie in aanmerking zijn genomen in de motivering van het bestreden uitvoeringsbesluit.

87.      Zoals het Gerecht onder verwijzing naar de relevante rechtspraak verklaart(69), is een besluit om uitgaven niet ten laste van de landbouwfondsen te brengen toereikend gemotiveerd wanneer de in het kader van de exercitie voor de goedkeuring van de rekeningen gevoerde correspondentie en het syntheseverslag aantonen dat de betrokken lidstaat nauw betrokken was bij de procedure en derhalve bekend was met de motivering waarop het besluit is gebaseerd. Dit is gerechtvaardigd op grond van de specifieke kenmerken van de exercitie voor de goedkeuring van de rekeningen, die voorziet in een vergaande participatie van de lidstaten. Volgens de vaststellingen van het Gerecht in de punten 72 tot en met 74 van het bestreden arrest, die door de Helleense Republiek niet worden betwist, is de kwestie van de uitlegging van het begrip „blijvend grasland” uitvoerig besproken tijdens de exercitie voor de goedkeuring van de rekeningen. Uit de verwerping van de door de Helleense Republiek aangevoerde ontoereikende motivering van het besluit van de Commissie kan bijgevolg geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting worden afgeleid.

88.      Het eerste onderdeel van het tweede middel van de hogere voorziening is derhalve ongegrond.

b)      Tweede onderdeel van het tweede middel van de hogere voorziening

89.      Ook de in het tweede onderdeel van het tweede middel van de hogere voorziening aangevoerde grief dat het Gerecht in het bestreden arrest onvoldoende aandacht heeft besteed aan de argumentatie van de Helleense Republiek met betrekking tot de uitlegging van het begrip „blijvend grasland”, moet worden afgewezen.

90.      Het Gerecht heeft de uitlegging van het begrip „blijvend grasland” namelijk uitvoerig behandeld en heeft daarbij rekening gehouden met de argumenten van de Helleense Republiek.(70) Hierbij heeft het Gerecht in het bijzonder ook de argumenten inzake het belang van zowel de subsidiabiliteit van mediterraan grasland voor de mediterrane landen als de bij verordening nr. 1307/2013 ingevoerde nieuwe regeling besproken, die door de Helleense Republiek in het kader van het tweede middel van de hogere voorziening zijn aangevoerd.

3.      Derde middel van de hogere voorziening

91.      Met haar derde middel van de hogere voorziening laakt de Helleense Republiek de vaststellingen van het Gerecht in de punten 88 tot en met 103 van het bestreden besluit, volgens welke het correctiepercentage van 10 % ten aanzien van steun voor landbouwers die uitsluitend grasland hebben aangegeven –ongeacht de definitie van het begrip „blijvend grasland” – evenredig is. In dit verband voert de Helleense Republiek in wezen aan dat het Gerecht de motivering van het bestreden uitvoeringsbesluit op ongeoorloofde wijze heeft aangevuld, het bestreden arrest tevens in dit opzicht ontoereikend heeft gemotiveerd (zie hierover onder a) en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden (zie hierover onder b).

a)      Eerste onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening

92.      Volgens de Helleense Republiek zijn de punten 88 tot en met 103 van het bestreden arrest in drie opzichten onjuist: ten eerste heeft het Gerecht het bestreden uitvoeringsbesluit ongeoorloofd aangevuld door aan te nemen dat de onregelmatigheden in het beheer‑ en controlesysteem op zich volstonden ter rechtvaardiging van het correctiepercentage van 10 % ten aanzien van landbouwers die alleen grasland hebben aangegeven. Dat besluit berust louter op de niet-subsidiabiliteit van de als „blijvend grasland” aangegeven oppervlakten en daarmee op de onjuiste uitlegging van het begrip „blijvend grasland” in artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004. Ten tweede heeft het Gerecht zich niet gebogen over de ongerechtvaardigde verhoging van het correctiepercentage van 5 %, die in het vorige jaar gold, naar 10 %, noch over de geconstateerde verbeteringen ten aanzien van de gebruikelijke controles ter plaatse. Ten derde besteedt het arrest onvoldoende aandacht aan het zogenoemde „buffereffect”(71) en de invloed daarvan op het correctiepercentage.

93.      Anders dan de Helleense Republiek opmerkt, blijkt uit het syntheseverslag, waarin de motivering van het bestreden uitvoeringsbesluit is vervat, evenwel dat de Commissie het correctiepercentage van 10 % ten aanzien van de steun voor landbouwers die alleen grasland hebben aangegeven, niet voornamelijk heeft gebaseerd op de niet-subsidiabiliteit van bepaalde oppervlakten, maar op de tekortkomingen van het controlesysteem. De niet-subsidiabiliteit wordt alleen als aanwijzing voor de gebreken van de controles ter plaatse in aanmerking genomen. Dientengevolge vormt de aanvulling door het Gerecht van het besluit van de Commissie, door in het bestreden arrest het correctiepercentage te motiveren aan de hand van de verschillende tekortkomingen van het controlesysteem, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.(72)

94.      Tevens heeft het Gerecht het belang van de geconstateerde verbetering ten aanzien van de controles ter plaatse(73), het correctiepercentage in het vorige jaar(74) en het buffereffect(75) uitdrukkelijk behandeld.

95.      In het licht hiervan kan het resultaat van die beoordeling, in het bijzonder dat de tekortkomingen van het controlesysteem het correctiepercentage – los van de kwestie van de definitie van „blijvend grasland” – rechtvaardigen, noch als een ongeoorloofde aanvulling van de motivering van de Commissie, noch als ontoereikend gemotiveerd worden beschouwd. Het eerste onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening is derhalve ongegrond.

b)      Tweede onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening

96.      Volgens de Helleense Republiek levert de bevestiging van het correctiepercentage van 10 % ten aanzien van de steun voor landbouwers die alleen grasland hebben aangegeven, in de punten 88 tot en met 103 van het bestreden arrest, schending van het evenredigheidsbeginsel op. Het correctiepercentage had 5 % moeten bedragen. Het correctiepercentage van 10 % is tot stand gekomen omdat de tekortkomingen van het controlesysteem ten aanzien van alle aangegeven oppervlakten zijn beoordeeld zonder voldoende rekening te houden met het buffereffect(76).

97.      Volgens de door het Gerecht toegepaste criteria die in de rechtspraak zijn ontwikkeld(77), wordt de hoogte van een forfaitair correctiepercentage bepaald op basis van de omvang van de gebreken van het controlesysteem en de daaruit voor de landbouwfondsen voortvloeiende risico’s van verlies door uitgaven die niet door het Unierecht zijn gedekt. Bij de bepaling van het correctiepercentage moet het evenredigheidsbeginsel steeds in acht worden genomen.

98.      In casu heeft het Gerecht net zoals de Commissie aangenomen dat de geconstateerde onregelmatigheden waarvan het LPIS‑GIS en de controles ter plaatse blijk gaven, moeten worden gekwalificeerd als een zeer gebrekkige toepassing van het controlesysteem, die wordt getypeerd door een hoog risico van verlies voor de fondsen. Volgens het Gerecht zou dit overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van de financiële consequenties bij de voorbereiding van het besluit inzake de goedkeuring van de jaarrekening van het EOGFL, afdeling Garantie(78), principieel een correctiepercentage van 25 % hebben gerechtvaardigd(79). De Commissie heeft ter terechtzitting in hogere voorziening zelfs erop gewezen dat zij een correctiepercentage tot wel 50 % had overwogen. Nadat de litigieuze oppervlakten in Griekenland later op basis van een ruimere definitie opnieuw in kaart waren gebracht, bleek dat de subsidiabele oppervlakten met ruwweg 50 % waren gedaald, wat de omvang van oorspronkelijke problemen bij de toepassing van het controlesysteem aan het licht had gebracht. Op dit aspect was ook in het bestreden arrest reeds gewezen.(80) Het ten opzichte van 25 % of 50 % sterk verlaagde correctiepercentage van 10 %, was dus te danken aan het feit dat rekening was gehouden met het buffereffect.(81)

99.      Deze overwegingen tonen aan dat het Gerecht naar behoren rekening heeft gehouden met het evenredigheidsbeginsel en de desbetreffende invalshoeken en dat het daarbij geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven. In dit verband moet overigens steeds in acht worden genomen dat het om een forfaitaire correctie gaat. De Helleense Republiek lijkt juist daaraan voorbij te gaan wanneer zij stelt dat de tekortkomingen van het controlesysteem alleen in aanmerking moeten worden genomen voor zover deze zich hebben voorgedaan met betrekking tot oppervlakten die voor de activering van toeslagrechten in aanmerking zijn gebruikt.

100. Voorts betoogt de Helleense Republiek dat er sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel op grond dat de vaststellingen in punt 103 van het bestreden arrest in tegenspraak zijn met de vaststellingen van het Hof in het arrest in de zaak Planes Bresco(82). Het is hoe dan ook niet duidelijk in hoeverre de uit het arrest Planes Bresco aangehaalde passage, waarin de subsidiabele hectaren blijvend grasland in de zin van artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1782/2003 theoretisch worden afgebakend ten opzichte van het voor de berekening van de toeslagrechten van een bedrijf oorspronkelijk in aanmerking genomen voederareaal als bedoeld in artikel 43, lid 2, van deze verordening, relevant is voor de beoordeling van de evenredigheid van het correctiepercentage.

101. Bijgevolg moet ook het tweede onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening als ongegrond worden afgewezen.

4.      Voorlopige conclusie

102. Bij wijze van voorlopige conclusie moet dus worden vastgesteld dat alleen het eerste onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening slaagt. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in het bestreden arrest een te strikte uitlegging van het begrip „blijvend grasland” in artikel 2, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 796/2004 toe te passen.

103. Deze onjuiste rechtsopvatting leidt in casu evenwel niet tot vernietiging van het bestreden arrest.(83) Het Gerecht heeft immers uitdrukkelijk vastgesteld dat de tekortkomingen van het geïntegreerde beheer‑ en controlesysteem de vastgestelde correctie van 10 % ten aanzien van landbouwers die alleen grasland hebben aangegeven, ongeacht de kwestie van de definitie van „blijvend grasland”, rechtvaardigen.(84) Daarmee heeft het Gerecht zelf de redenen vermeld waarop het dictum van het bestreden arrest, los van de uitlegging van het begrip „blijvend grasland”, berust. Deze vaststelling van het Gerecht werd door de Helleense Republiek zonder succes betwist. Daarom kan het feit dat het eerste onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening slaagt, niet tot vernietiging van het bestreden arrest leiden.

104. Aan deze vaststelling doet overigens niet af dat het in casu niet alleen in verband met de steun voor landbouwers die alleen grasland hebben aangegeven, maar ook in verband met alle steun die door de verminderingen uit hoofde van het uitvoeringsbesluit zijn geraakt, om steun ging die gebonden was aan de aangegeven percelen landbouwgrond.(85)

105. De aanvullende oppervlaktegebonden steun knoopt namelijk niet aan bij het bestaan van subsidiabel land in de vorm van blijvend grasland, maar bij gronden die worden gebruikt voor de teelt van bepaalde landbouwproducten.(86) Voorts heeft de Helleense Republiek, in haar hogere voorziening, de vaststellingen van het Gerecht inzake de verminderingen van de steun voor areaalgerelateerde maatregelen voor plattelandsontwikkeling niet ten aanzien van de subsidiabiliteit van de gebruikte oppervlakten of de evenredigheid van de verminderingen gelaakt, maar alleen ten aanzien van de niet-inachtneming van uitvoeringsbesluit 2013/214 voor het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2010.(87)

106. Derhalve kan de vaststelling van de onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de uitlegging van het begrip „blijvend grasland” in het kader van het onderhavige middel van de hogere voorziening geen rol spelen bij de beoordeling van de verminderingen met betrekking tot zowel de aanvullende oppervlaktegebonden steun als de areaalgerelateerde maatregelen voor plattelandsontwikkeling.

C.      Middelen van de hogere voorziening tegen de beoordeling van het Gerecht betreffende de financiële correctie van 5 % ten aanzien van aanvullende oppervlaktegebonden steun

107. Met het vierde en vijfde middel van de hogere voorziening verzet de Helleense Republiek zich tegen de beoordeling van het Gerecht betreffende de forfaitaire correctie van 5 % ten aanzien van aanvullende oppervlaktegebonden steun.(88)

1.      Vierde middel

108. Met haar vierde middel van de hogere voorziening voert de Helleense Republiek de onjuiste en ontoereikend gemotiveerde uitlegging en toepassing van artikel 31 van verordening (EG) nr. 1290/2005(89) juncto artikel 11 van verordening (EG) nr. 885/2006(90) aan. Deze bepalingen verlangen dat de Commissie op haar initiatief alle controleresultaten waarop de financiële correctie per slot van rekening is gebaseerd, tijdens een bilaterale vergadering met de betrokken lidstaat bespreekt.

109. Het Gerecht heeft niet zulk een belang gehecht aan deze bilaterale vergadering. Volgens het Gerecht bepaalt artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 dat de procedure op tegenspraak, die tot het besluit over de goedkeuring van de rekeningen leidt, wordt ingeleid door een eerste schriftelijke mededeling, waarbij de lidstaat reeds uitvoerig moet worden ingelicht over de controleresultaten om te verzekeren dat hij zich met kennis van zaken daarover kan uitspreken(91). Voor zover de Commissie aan deze informatieverplichting heeft voldaan, kan de lidstaat zich niet erop beroepen dat de resultaten ook niet tijdens de bilaterale vergadering als bedoeld in artikel 11, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 885/2006 zijn besproken.(92)

110. Deze uitlegging geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

111. Artikel 31 van verordening nr. 1290/2005 noch artikel 11 van verordening nr. 885/2006 bevat voorschriften inzake de inhoud van de bilaterale bespreking. In de eerstgenoemde bepaling is alleen bepaald dat de controleresultaten schriftelijk moeten worden meegedeeld aan de lidstaat, ten aanzien waarvan de laatstgenoemde bepaling preciseert dat de controleresultaten reeds in de eerste schriftelijke mededeling moeten vervat zijn.

112. De bilaterale vergadering zelf dient dan niet meer in de eerste plaats tot het verstrekken van informatie aan de lidstaat, maar moet reeds in dit vroege stadium van de procedure mogelijk maken dat op basis van de eerder plaatsgevonden uitwisseling van informatie instemming wordt bereikt over de juridische beoordeling van de inbreuken en de te nemen maatregelen, zoals artikel 31, lid 3, van verordening nr. 1290/2005 verlangt.

113. Bovendien heeft het Gerecht zijn opvatting van de inhoud van de procedurele waarborgen van artikel 31 van verordening nr. 1290/2005 juncto artikel 11 van verordening nr. 885/2006 logisch en begrijpelijk toegepast op de aangevoerde feiten.(93)

114. Overigens zijn de overwegingen van het Gerecht ook voldoende uitvoerig en begrijpelijk. Derhalve moet ook de kritiek van de Helleense Republiek dat de motivering van het Gerecht met betrekking tot de bedoelde procedurele waarborgen ontoereikend en tegenstrijdig is, worden verworpen.

115. Bijgevolg is het vierde middel van de hogere voorziening in zijn geheel ongegrond.

2.      Vijfde middel van de hogere voorziening

116. In het kader van het vijfde middel van de hogere voorziening laakt de Helleense Republiek de ontoereikende motivering van de ten aanzien van aanvullende oppervlaktegebonden steun opgelegde correctie van 5 % en de ongeoorloofde aanvulling van de motivering van het bestreden uitvoeringsbesluit door de punten 126 tot en met 128 en de punten 132 en 133 van het bestreden arrest.

117. Anders dan de Commissie stelt, mag dit vijfde middel van de hogere voorziening niet als niet-ontvankelijk worden afgewezen. De motivering van dit middel is weliswaar – net als andere punten van het verzoekschrift in hogere voorziening – vaag geformuleerd, maar wat de essentie ervan betreft is het juist door de verwijzing naar bepaalde passages van het arrest voldoende concreet om te kunnen onderzoeken of het gegrond is.

118. Anders dan de Helleense Republiek meent, blijken de invalshoeken die bepalend waren voor de vaststelling van de correctie van 5 % ten aanzien van de aanvullende oppervlaktegebonden steun, op inzichtelijke wijze uit het bestreden arrest.(94) Dit betreft namelijk de reeds genoemde onregelmatigheden in het controlesysteem, die – zoals eerder vermeld – ook uit het syntheseverslag blijken(95), en het feit dat het buffereffect niet relevant is voor de aanvullende oppervlaktegebonden steun(96) en derhalve de omstandigheid dat het voor de aanvullende oppervlaktegebonden steun vastgestelde verminderingspercentage van 5 % hoger uitviel dan dat van 2 % betreffende de steun voor landbouwers die geen grasland hebben aangegeven(97). In het kader van zijn desbetreffende uiteenzettingen heeft het Gerecht ook naar behoren rekening gehouden met de desbetreffende argumenten van de Helleense Republiek.

119. Dientengevolge blijkt ook het vijfde middel van de hogere voorziening ongegrond te zijn.

D.      Het middel van de hogere voorziening tegen de beoordeling van het Gerecht betreffende de financiële correctie van 5 % ten aanzien van areaalgerelateerde maatregelen voor plattelandsontwikkeling (zesde middel van de hogere voorziening)

120. Het zesde middel van de hogere voorziening betreft de forfaitaire correctie van 5 % met betrekking tot plattelandsontwikkeling, voor zover deze door het Gerecht niet nietig is verklaard.(98)

121. Dienaangaande stelt de Helleense Republiek dat het Gerecht haar in eerste aanleg aangevoerde grief niet integraal heeft behandeld, wat neerkomt op een motiveringsgebrek. Zo heeft het Gerecht de grief dat onvoldoende rekening is gehouden met de reeds bij uitvoeringsbesluit 2013/214 vastgestelde correctie ten aanzien van steun voor plattelandsontwikkeling alleen met betrekking tot het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2009 behandeld, maar niet met betrekking tot het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2010.

122. In haar verzoekschrift in eerste aanleg had de Helleense Republiek met haar middel betreffende de correctie van 5 % ten aanzien van de steun voor plattelandsontwikkeling in de eerste plaats aangevoerd dat bij de beoordeling van de feiten sprake was van een motiveringsgebrek en een fout, alsook van schending van het evenredigheidsbeginsel, en dientengevolge de betrokken correctie in haar geheel (dat wil zeggen 5 % van de betrokken uitgaven, wat neerkomt op een bedrag van 10 504 391,90 EUR(99)) betwist. In de tweede plaats had de Helleense Republiek aangeklaagd dat de Commissie onvoldoende rekening had gehouden met een eerdere correctie ten bedrage van 6 175 094,49 EUR, die uit hoofde van uitvoeringsbesluit 2013/214 op dezelfde gronden was vastgesteld, daar zij het bedrag van 10 504 391,90 EUR slechts met 2 588 231,20 EUR had verminderd.(100) Dit argument van de Helleense Republiek strekte niet tot nietigverklaring van het basisbedrag van de correctie betreffende de steun voor plattelandsontwikkeling (5 % van de betrokken uitgaven, 10 504 391,90 EUR), maar tot nietigverklaring van het bestreden uitvoeringsbesluit, voor zover bij de berekening van het bedrag dat op dit basisbedrag in mindering dient te worden gebracht niet naar behoren rekening gehouden is met uitvoeringsbesluit 2013/214.

123. In het bestreden arrest verwierp het Gerecht om te beginnen de grief betreffende het motiveringsgebrek alsook – zij het impliciet – de grief met betrekking tot de onjuiste beoordeling van de feiten en de schending van het evenredigheidsbeginsel.(101) In dit verband had de Helleense Republiek aangeklaagd dat de Commissie onvoldoende rekening had gehouden met de toename van het aantal controles ter plaatse, hoewel de versterkte controles tot een aanzienlijke vermindering van de uit de geconstateerde tekortkomingen voortvloeiende risico’s had geleid. Het Gerecht heeft deze grief inhoudelijk behandeld en verworpen, ook al heeft het de rechtsgronden ter zake van de onjuiste beoordeling van de feiten en de schending van het evenredigheidsbeginsel niet nog eens uitdrukkelijk vermeld.(102) Uit die verwerping blijkt dat het Gerecht het verzoek van de Helleense Republiek om nietigverklaring van de correctie van 5 % ten aanzien van steun voor plattelandsontwikkeling in zijn geheel heeft afgewezen.

124. Wat het tweede onderdeel van het desbetreffende middel betreft, dat betrekking had op het feit dat onvoldoende rekening was gehouden met de correctie uit hoofde van het eerdere uitvoeringsbesluit 2013/214 en verband houdt met het onderhavige middel van de hogere voorziening, heeft het Gerecht het verzoek van de Helleense Republiek daarentegen gedeeltelijk ingewilligd. Zo kwam het Gerecht ondanks zijn onderzoek en berekeningen tot de conclusie dat niet duidelijk was hoe de bedragen die de Commissie in mindering had gebracht op de correctie van 5 % ten aanzien van steun voor plattelandsontwikkeling, waren berekend. Het Gerecht concludeerde daaruit dat het bestreden uitvoeringsbesluit blijk geeft van een motiveringsgebrek voor wat betreft de inaanmerkingneming van de eerdere correctie ten aanzien van steun voor plattelandsontwikkeling, die uit hoofde van uitvoeringsbesluit 2013/214 was vastgesteld.(103)

125. De desbetreffende overwegingen van het Gerecht in zowel de motivering als in het dictum van het bestreden arrest hadden echter zonder aanwijsbare reden enkel betrekking op de in het bestreden uitvoeringsbesluit vastgestelde correctie ten aanzien van het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2009 en het in dit verband in mindering gebrachte bedrag (correctie ten bedrage van 5 007 867,36 EUR, verlaging met 2 318 055,75 EUR, en definitief bedrag van 2 689 811, 61 EUR(104)). De Helleense Republiek had in haar verzoekschrift in eerste aanleg evenwel uitdrukkelijk erop gewezen dat volgens het bestreden uitvoeringsbesluit 2013/2014 rekening moet worden gehouden met de gehele correctie ten aanzien van de steun voor plattelandsontwikkeling, die bij het bestreden uitvoeringsbesluit was vastgesteld, die zowel het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2009 als het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2010 betrof. Uit uitvoeringsbesluit 2013/214, het bestreden uitvoeringsbesluit en de bijhorende syntheseverslagen blijkt inderdaad dat beide uitvoeringsbesluiten inzake steun voor plattelandsontwikkeling in correcties voorzien voor het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2009 en het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2010.(105)

126. Door enkel de correctie voor het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2009 te behandelen, heeft het Gerecht de argumentatie van de Helleense Republiek niet integraal behandeld. Dat levert schending van de motiveringsplicht op.(106)

127. Het zesde middel van de hogere voorziening is derhalve gegrond.

128. Uit de uiteenzetting in de punten 122 en 125 van deze conclusie blijkt overigens dat dit middel van de hogere voorziening, anders dan de Commissie betoogt, geen verruiming van de in eerste aanleg aangevoerde middelen vormt. Dit middel van de hogere voorziening heeft ook betrekking op de motivering van het bestreden arrest en op de vraag of het betoog van de Helleense Republiek door het Gerecht afdoende is behandeld, en heeft geen betrekking, zoals de Commissie van mening is, op feitelijke vraagstukken die in hogere voorziening niet kunnen worden onderzocht.

129. In ieder geval moet met de Commissie worden vastgesteld dat het dictum van het bestreden arrest in het licht van de motivering van dat arrest aldus moet worden uitgelegd dat het Gerecht niet het basisbedrag van de correctie van 5 % ter zake van steun voor plattelandsontwikkeling voor het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2009 nietig heeft verklaard, maar enkel het (ontoereikende) bedrag dat de Commissie op dat basisbedrag in mindering heeft gebracht om rekening te houden met de reeds uit hoofde van uitvoeringsbesluit 2013/214 vastgestelde correctie.(107) Dientengevolge moet het onderhavige middel van de hogere voorziening aldus worden opgevat dat de Helleense Republiek verzoekt om vernietiging van het bestreden arrest, voor zover het Gerecht met betrekking tot de steun voor plattelandsontwikkeling geen rekening heeft gehouden met de correctie die reeds door uitvoeringsbesluit 2013/214 op dezelfde gronden was vastgesteld voor het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2010.

VI.    Vernietiging van het bestreden arrest en definitieve beslechting van het geding

130. Artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie bepaalt dat in geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening het Hof van Justitie de beslissing van het Gerecht vernietigt. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.

131. Het eerste onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening en het zesde middel van de hogere voorziening slagen. Er werd echter reeds vastgesteld dat het slagen van het eerste onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening niet tot vernietiging van het bestreden arrest kan leiden.(108) Het bestreden arrest dient derhalve alleen te worden vernietigd voor wat betreft de beoordeling door het Gerecht van de financiële correctie van 5 % ten aanzien van steun voor plattelandsontwikkeling, waarop het zesde middel van de hogere voorziening betrekking heeft.

132. In dit opzicht is de onderhavige zaak ook in staat van wijzen. Het Gerecht heeft de grief inzake de dubbele vaststelling van een correctie alleen met betrekking tot het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2009 behandeld. De desbetreffende overwegingen, volgens welke de Commissie niet kon motiveren in hoeverre de bij uitvoeringsbesluit 2013/214 vastgestelde correctie invloed heeft gehad op de hoogte van de correctie uit hoofde van het bestreden uitvoeringsbesluit, kunnen evenwel ook worden toegepast op de correctie met betrekking tot het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2010. Bijgevolg kan het Hof de zaak in dit opzicht zelf afdoen.

VII. Kosten

133. Artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat volgens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt dat elke partij haar eigen kosten draagt indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Indien dit gelet op de omstandigheden van de zaak gerechtvaardigd voorkomt, kan het Hof beslissen dat een partij naast in haar eigen kosten ook in een deel van de kosten van de andere partij wordt verwezen.

134. In casu wordt de Helleense Republiek zowel met betrekking tot de hogere voorziening als met betrekking tot de procedure in eerste aanleg in het gelijk gesteld.

135. Daarom lijkt het gerechtvaardigd om zowel ten aanzien van de kosten van de procedure in eerste aanleg als ten aanzien van de kosten van de procedure in hogere voorziening te beslissen dat de Helleense Republiek een derde deel van zowel haar eigen kosten als die van de Commissie moet dragen, en dat de Commissie twee derde deel van zowel haar eigen kosten als die van de Helleense Republiek dient te dragen.

VIII. Conclusie

136. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:

„1)      Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 maart 2017, T‑112/15, EU:T:2017:239, wordt vernietigd voor zover het Gerecht de grief betreffende de financiële correctie van 5 % ten aanzien van de steun voor plattelandsontwikkeling, volgens welke een correctie met betrekking tot het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2010 tweemaal op dezelfde grond is vastgesteld, heeft verworpen en de Helleense Republiek in alle kosten van de procedure in eerste aanleg heeft verwezen.

2)      Uitvoeringsbesluit 2014/950/EU van de Commissie van 19 december 2014 wordt ten aanzien van de uitgaven die de Helleense Republiek heeft verricht op het gebied van de plattelandsontwikkeling – Elfpo As 2 (2007-2013, areaalgerelateerde maatregelen), nietig verklaard voor wat betreft de inachtneming van uitvoeringsbesluit 2013/214/EU van de Commissie van 2 mei 2013 bij de berekening van de correctie met betrekking tot het begrotingsjaar 2010 wegens tekortkomingen van het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen (LPIS) en bij controles ter plaatse (tweede pijler, aanvraagjaar 2008).

3)      De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.

4)      De Helleense Republiek draagt één derde van haar eigen kosten van de procedure in eerste aanleg en van haar kosten van de procedure in hogere voorziening, alsmede één derde van de kosten van de Commissie in eerste aanleg en van dier kosten in hogere voorziening.

5)      De Commissie draagt twee derde van haar eigen kosten van de procedure in eerste aanleg en van haar kosten van de procedure in hogere voorziening, alsook twee derde van de kosten van de Helleense Republiek in eerste aanleg en van dier kosten in hogere voorziening.”


1      Oorspronkelijke taal: Duits.


2      T‑112/15, EU:T:2017:239; hierna: „bestreden arrest”.


3      Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 19 december 2014 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2014, L 369, blz. 71); hierna: „bestreden uitvoeringsbesluit”.


4      Die uitlegging werd ondertussen door het Gerecht nogmaals bevestigd: zie arrest van 4 oktober 2018, Griekenland/Commissie, T‑272/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:651, punten 33‑66).


5      Zaak C‑252/18 P, Griekenland/Commissie.


6      Zaak T‑459/16, Spanje/Commissie.


7      Verordening van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB 2003, L 270, blz. 1). Verordening nr. 1782/2003 werd meermaals gewijzigd. Voor zover kan worden nagegaan, is noch in het bestreden uitvoeringsbesluit noch in het bestreden arrest uitdrukkelijk vermeld op welke gewijzigde versie de Commissie en het Gerecht zich in casu hebben gebaseerd. Wat de op deze zaak toepasselijke bepalingen van verordening nr. 1782/2003 betreft, is – voor zover kan worden nagegaan – alleen artikel 44, lid 2 later gewijzigd; in dit verband blijkt uit punt 28 van het bestreden arrest dat het Gerecht zich heeft gebaseerd op de oorspronkelijke versie van artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1782/2003, dat wil zeggen op de versie van deze bepaling vóór de wijziging ervan door artikel 123, punt 5, van verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad van 29 april 2008 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 1493/1999, (EG) nr. 1782/2003, (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 3/2008 en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 2392/86 en (EG) nr. 1493/1999 (PB 2008, L 148, blz. 1); die volgens artikel 129, lid 2, onder c), ervan overigens pas met ingang van 1 januari 2009 van toepassing was. De onderhavige conclusie berust daarom ook op de oorspronkelijke versie van artikel 44, lid 2, verordening nr. 1782/2003 (zie punt 10 van onderhavige conclusie).


8      Verordening van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin [is] voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB 2004, L 141, blz. 1). Ook verordening nr. 795/2004 werd meermaals gewijzigd. Het is niet noodzakelijk om uitvoerig na te gaan welke laatstelijk gewijzigde versie van deze verordening van toepassing was in de in casu relevante periode; voor de onderhavige procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat op zijn minst de oorspronkelijke versie van het hier (in punt 11 van onderhavige conclusie) aangehaalde artikel 2, onder a), in toepassing was, aangezien het pas is geschrapt bij artikel 1, punt 1, van de met ingang van 1 januari 2009 geldende verordening (EG) nr. 370/2009 van de Commissie van 6 mei 2009 tot wijziging van verordening (EG) nr. 795/2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad (PB 2009, L 114, blz. 3).


9      Verordening van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB 2004, 2004, L 141, blz. 18). Ook verordening nr. 796/2004 werd meermaals gewijzigd. Ook in dit geval hoeft niet uitvoerig te worden nagegaan welke laatstelijk gewijzigde versie van deze verordening van toepassing was in de in casu relevante periode; voor de onderhavige procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat in elk geval de in casu toepasselijke bepalingen van toepassing waren in de versie die door verordening (EG) nr. 239/2005 (PB 2005, L 42, blz. 3) en verordening (EG) nr. 972/2007 (PB 2007, L 216, blz. 3) was gewijzigd, maar nog niet door verordening (EG) nr. 380/2009 van de Commissie van 8 mei 2009 (PB 2009, L 116, blz. 9) (zie punten 12‑14 van onderhavige conclusie).


10      Verordening van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB 2009, L 30, blz. 16).


11      Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 608).


12      Zie hierboven, voetnoot 7.


13      Zie hierboven, voetnoot 8.


14      Zie hierboven, voetnoot 9.


15      Zie hierboven, voetnoot 9.


16      Samen hierna afgekort: „landbouwfondsen”.


17      Hierna: „LPIS‑GIS”.


18      Hierna „syntheseverslag”.


19      Zie in het bijzonder punten 40‑43, 66, 77 en 84‑97 van het bestreden arrest.


20      Zie in het bijzonder punten 40, 41 en 89‑94 van het bestreden arrest.


21      Zie in het bijzonder punten 66, 88 en 95 van het bestreden arrest.


22      Punten 24‑67, met name punten 33‑36 van het bestreden arrest.


23      Punten 107‑137 van het bestreden arrest.


24      Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 2 mei 2013 houdende onttrekking aan EU‑financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2013, L 123, blz. 11).


25      Punten 152‑168 van het bestreden arrest.


26      Punten 23‑106 van het bestreden arrest.


27      Punt 35 van het bestreden arrest.


28      Punten 24‑67 van het bestreden arrest.


29      Punt 29 van het bestreden arrest.


30      Punt 34 van het bestreden arrest.


31      Punt 36 van het bestreden arrest.


32      Punten 35 en 51 van het bestreden arrest.


33      Hierna: aanbevelingen overeenkomstig WikiCAP.


34      Toegankelijk via http://ies-webarchive-ext.jrc.it/mars/mars/Bulletins-Publications/Art-30-guidelines-version-of-22‑05‑2008-for-the-2008-campaign.html.


35      Punten 37‑39 van het bestreden arrest.


36      Arresten van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 61; 14 januari 2016, Vodafone, C‑395/14, EU:C:2016:9, punt 40, en 25 januari 2018, Commissie/Tsjechië, C‑314/16, EU:C:2018:42, punt 47.


37      Zie punt 17 van onderhavige conclusie.


38      Het door de Helleense Republiek aangehaalde arrest van het Gerecht van 6 november 2014, Griekenland/Commissie, T‑632/11, EU:T:2014:934, punten 90‑99, leidt niet tot een andere conclusie. Ook in dat arrest is de voor de beslechting van die zaak relevante uitlegging uitsluitend gebaseerd op de ratione temporis toepasselijke regelingen, terwijl de verwijzing naar de latere bepaling alleen ter illustratie dient.


39      Zie punt 5, voetnoot 9, alsmede punt 12 en voetnoot 14 van onderhavige conclusie.


40      Zie punt 12 van onderhavige conclusie.


41      Aangezien artikel 2, eerste alinea, punten 2 en 2 bis, van verordening nr. 796/2004 de aanwezigheid van „grassen of andere kruidachtige voedergewassen” in uitdrukkelijk vermeldt, kan worden aangenomen dat een dergelijk „vereiste inzake kruidachtige gewassen” geldt, hoewel in de meeste taalversies voor de beschrijving van de betrokken gronden als zodanig begrippen worden gehanteerd die ten aanzien van de vegetatie neutraal zijn en het best worden vertaald met „blijvende weide(n)”. Zie de Nederlandse („blijvend grasland”), Duitse („Dauergrünland”), Deense („permanente græsarealer”) en Poolse („trwałe użytki zielone”) taalversie enerzijds en de Franse („pâturages permanents”), Engelse („permanent pasture”), Italiaanse („pascolo permanente”), Spaanse („pastos permanentes”), Portugese („pastagens permanentes”), Estse („püsikarjamaa”), Finse („pysyvä laidun”), Griekse („μόνιμος βοσκότοπος”), Hongaarse („állandó legelő”) of Bulgaarse („постоянни пасбища”) taalversie anderzijds. Zie dienaangaande tevens punt 60 en voetnoten 46 en 47 van onderhavige conclusie.


42      Zie punt 13 van onderhavige conclusie.


43      Zie punt 10 van onderhavige conclusie.


44      Arresten van 10 maart 1971, Deutsche Tradax, 38/70, EU:C:1971:24, punt 10; 19 juli 2012, Pie Optiek, C‑376/11, EU:C:2012:502, punt 34, en 26 juli 2017, Tsjechië /Commissie, C‑696/15 P, EU:C:2017:595, punt 33.


45      Zie nogmaals punt 10 van onderhavige conclusie.


46      Zie bijvoorbeeld de Duitse („Dauergrünland”), de Nederlandse („blijvend grasland”), of Deense („permanente græsarealer”) taalversie.


47      Zie bijvoorbeeld de Franse („pâturages permanents”), Engelse („permanent pasture”), Italiaanse („pascolo permanente”), Spaanse („pastos permanentes”), Portugese („pastagens permanentes”), Estse („püsikarjamaa”), Finse („pysyvän laitumen”), Poolse („trwałe pastwiska”), Griekse („μόνιμους βοσκοτόπους”), Hongaarse („állandó legelőből”) of Bulgaarse („постоянни пасища”) taalversie.


48      Zie punt 11 van onderhavige conclusie.


49      Zie punt 8 van onderhavige conclusie.


50      Zie punt 7 van onderhavige conclusie.


51      COM(2003) 23 definitief, blz. 4.


52      Zie in die zin ook arresten van 14 oktober 2010, Landkreis Bad Dürkheim, C‑61/09, EU:C:2010:606, punt 37; 2 oktober 2014, Grund, C‑47/13, EU:C:2014:2248, punt 35; 2 juli 2015, Wree, C‑422/13, EU:C:2015:438, punt 36, en 9 juni 2016, Planes Bresco, C‑333/15 en C‑334/15, EU:C:2016:426, punt 35.


53      Zie punt 58 van onderhavige conclusie.


54      Zie punt 62 van onderhavige conclusie.


55      Zie punt 7 van onderhavige conclusie.


56      Zie de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 10 juli 2002 getiteld „Tussenbalans van het gemeenschappelijk landbouwbeleid”, COM(2002) 394 definitief, blz. 8, 12 en 13.


57      Arrest van 16 juli 2009, Leth, C‑428/07, EU:C:2009:458, punt 29.


58      Zie COM (2002) 394 definitief blz. 9, 13 en 21; COM (2003) 23 definitief, blz. 10; arrest van 14 oktober 2010, Landkreis Bad Dürkheim, C‑61/09, EU:C:2010:606, punt 39, waarin wordt verwezen naar de overwegingen 3, 21 en 24 van verordening nr. 1782/2003.


59      Zie de punten 14 en 15 van onderhavige conclusie.


60      Zie voor een toelichting hierop: de aanbevelingen volgens WikiCAP 2008 (http://ies-webarchive-ext.jrc.it/mars/mars/Bulletins-Publications/Art-30-guidelines-version-of-22‑05‑2008-for-the-2008-campaign.html) en de aanbevelingen volgens WikiCAP 2009 (http://ies-webarchive-ext.jrc.it/mars/mars/Bulletins-Publications/Art30-guidelines-for-the-2009-campaign.html)


61      Zie de punten 7 en 9 van onderhavige conclusie.


62      Zie de punten 17 en 52 van onderhavige conclusie.


63      Zie punt 53 van onderhavige conclusie.


64      Zie in het bijzonder de punten 58, 61 en 64 van het bestreden arrest.


65      Ter terechtzitting heeft de Commissie desgevraagd uiteengezet dat het eind 2012 uitgewerkte actieplan ertoe strekte de problemen waarvan het controlesysteem blijk had gegeven, geleidelijk te verhelpen. Het actieplan werd evenwel pas samen met de hervorming van het GLB door verordening nr. 1307/2013 uitgevoerd.


66      Zie punt 29 van het bestreden arrest.


67      Zie de punten 46 en 47 van onderhavige conclusie.


68      Zie punt 10 van onderhavige conclusie voor wat betreft de bedrijfstoeslag.


69      Punt 71 van het bestreden arrest.


70      Zie de punten 24‑65, en in het bijzonder de punten 43‑65, van het bestreden arrest.


71      Zie punt 79 van onderhavige conclusie voor wat betreft het buffereffect.


72      Zie punt 31 van onderhavige conclusie en punten 84‑96 van het bestreden arrest.


73      Punten 98‑100 van het bestreden arrest.


74      Punt 101 van het bestreden arrest.


75      Punten 95, 102 en 103 van het bestreden arrest.


76      Zie punt 92 van onderhavige conclusie.


77      Punten 78‑83 van het bestreden arrest.


78      Document VI/5330/97 van 23 december 1997.


79      Punten 82, 95 en 105 van het bestreden arrest.


80      Punt 102 van het bestreden arrest; de verwijzing in dat punt naar „de toepassing vanaf 2012 van de ruimere definitie van ‚grasland’, die uit houtachtige gewassen bestaande vegetatie omvat”, is niet in tegenspraak met punt 64 van het bestreden arrest, volgens welk niets erop duidt dat het hierboven reeds genoemde actieplan vóór 2012 van toepassing was. Punt 102 heeft namelijk uitsluitend betrekking op het opnieuw in kaart brengen van de oppervlakten het LPIS‑GIS te updaten, waarmee volgens de door de Commissie ter terechtzitting verstrekte informatie reeds onmiddellijk na de uitwerking van het actieplan werd aangevangen om de daadwerkelijke toepassing ervan vanaf 2014/2015 voor te bereiden.


81      Punten 95, 102 en 103 van het bestreden arrest.


82      Arrest van 9 juni 2016, C‑333/15 en C‑334/15, EU:C:2016:426, punt 39.


83      Dat een middel van de hogere voorziening niet slaagt omdat het dictum op andere, door het Gerecht zelf aangevoerde rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt, kan het Hof ook na een inhoudelijke toetsing van het desbetreffende middel van de hogere voorziening vaststellen. Zie arrest van 12 november 1996, Ojha/Commissie, C‑294/95 P, EU:C:1996:434, punt 52.


84      Punten 66, 88 en 95 van het bestreden arrest.


85      Zie de punten 26 en 27 van onderhavige conclusie.


86      Zie de overwegingen van het Gerecht in punt 136 van het bestreden arrest en de artikelen 72 e.v. van verordening nr. 1782/2003.


87      Zie punten 120 en 121 van onderhavige conclusie.


88      Punten 107‑137 van het bestreden arrest.


89      Verordening van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 2005, L 209, blz. 1).


90      Verordening van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de erkenning van de betaalorganen en andere instanties en de goedkeuring van de rekeningen inzake het ELGF en het Elfpo (PB 2006, L 171, blz. 90).


91      Punten 113‑116 van het bestreden arrest.


92      Punt 120 van het bestreden arrest.


93      Punten 115‑119 van het bestreden arrest.


94      Punten 126‑136 van het bestreden arrest.


95      Zie punt 93 van onderhavige conclusie.


96      Aangaande het buffereffect, zie punt 79 van onderhavige conclusie. Zoals het Gerecht in punt 136 van het bestreden arrest uitlegt, is met betrekking tot aanvullende oppervlaktegebonden steun geen sprake van een buffereffect. Voor deze aan de productie gekoppelde steun worden immers geen gebruik gemaakt van toeslagrechten die worden geactiveerd door subsidiabele oppervlakten die in aantal geringer zijn dan het totaal van de door een landbouwer aangegeven oppervlakten. Bij aanvullende oppervlaktegebonden steun dient alleen de daadwerkelijk bebouwde oppervlakte die is aangegeven als basis voor de betrokken steun.


97      Zie punt 27 van onderhavige conclusie.


98      Punten 138‑168 van het bestreden arrest.


99      Zie punten 26 en 27 van onderhavige conclusie.


100      Zie punt 26 van onderhavige conclusie.


101      Punten 140‑151 van het bestreden arrest.


102      Punten 141‑145 alsmede punten 150 en 151 van het bestreden arrest.


103      Punten 152‑168 en het dictum van het bestreden arrest.


104      De totale correctie ten aanzien van steun voor plattelandsontwikkeling, waarin het bestreden uitvoeringsbesluit voorziet, bestaat uit de volgende bedragen: correctie ten bedrage van in totaal 10 504 391,90 EUR, waarvan 5 007 867,36 EUR voor het begrotingsjaar 2009 en 5 496 524,54 EUR voor het begrotingsjaar 2010; vermindering ten bedrage van in totaal 2 588 231,20 EUR, waarvan 2 318 055,75 EUR voor het begrotingsjaar 2009 en 270 175,45 EUR voor het begrotingsjaar 2010; definitief bedrag van 7 916 160,70 EUR, waarvan 2 689 811,61 EUR voor het begrotingsjaar 2009 en 5 226 349,09 EUR voor het begrotingsjaar 2010.


105      Het kan mogelijk tot verwarring leiden dat uitvoeringsbesluit 2013/214 niet alleen in correcties voor het aanvraagjaar 2008 voorzag, maar ook voor het aanvraagjaar 2009. Uit het syntheseverslag bij dit uitvoeringsbesluit blijkt evenwel dat de correcties voor het aanvraagjaar 2008 betrekking hadden op de begrotingsjaren 2009 én 2010. Uitvoeringsbesluit 2013/214 had dus net zoals het bestreden uitvoeringsbesluit zowel betrekking op het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2009 als op het aanvraagjaar 2008/begrotingsjaar 2010. Overigens heeft de Commissie zowel in haar schriftelijke opmerkingen als ter terechtzitting aangegeven dat zij, ter uitvoering van het bestreden arrest, reeds werkt aan een nieuwe berekening van het bedrag dat met inachtneming van uitvoeringsbesluit 2013/214 in mindering moet worden gebracht op de uit hoofde van het bestreden uitvoeringsbesluit opgelegde correctie ten aanzien van steun voor plattelandsontwikkeling en dat deze vermindering zowel betrekking heeft op de correctie ten bedrage van 5 007 867,36 EUR voor het begrotingsjaar 2009 als op de correctie ten bedrage van 5 496 524,54 EUR voor het begrotingsjaar 2010.


106      Arresten van 14 juli 2005, Acerinox/Commissie, C‑57/02 P, EU:C:2005:453, punt 36; 11 april 2013, Mindo/Commissie, C‑652/11 P, EU:C:2013:229, punt 41, en 30 mei 2018, L’Oréal/EUIPO, C‑519/17 P en C‑522/17 P–C‑525/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:348, punt 81 e.v.


107      Zie de punten 122‑124 van onderhavige conclusie.


108      Zie punt 103 van onderhavige conclusie.