Language of document : ECLI:EU:C:2018:1019

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

13 december 2018 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Steunmaatregelen van de staten – Artikel 107, lid 1, VWEU – Artikel 108, lid 3, VWEU – Openbare omroeporganisaties – Financiering – Regeling van een lidstaat krachtens welke alle meerderjarigen die op het nationale grondgebied een woning bezitten, een bijdrage moeten betalen aan de openbare omroepen”

In zaak C‑492/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Tübingen (rechter in tweede aanleg Tübingen, Duitsland) bij beslissing van 3 augustus 2017, ingekomen bij het Hof op 11 augustus 2017, in de procedure

Südwestrundfunk

tegen

Tilo Rittinger,

Patrick Wolter,

Harald Zastera,

Dagmar Fahner,

Layla Sofan,

Marc Schulte,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, president van de Zevende kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, K. Jürimäe (rapporteur), C. Lycourgos, E. Juhász en C. Vajda, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: K. Malacek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 juli 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        Südwestrundfunk, vertegenwoordigd door H. Kube, Hochschullehrer,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Möller als gemachtigden,

–        de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk, H. Shev, C. Meyer-Seitz, L. Zettergren en A. Alriksson als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Blanck-Putz, K. Herrmann, C. Valero en G. Braun als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 2018,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 49, 107 en 108 VWEU, van artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en van artikel 10 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), alsmede van het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Südwestrundfunk (hierna: „SWR”), een regionale publiekrechtelijke omroeporganisatie, en anderzijds Tilo Rittinger, Patrick Wolter, Harald Zastera, Marc Schulte, Layla Sofan en Dagmar Fahner, over executoriale titels van SWR om bij die personen de door hen niet voldane omroepbijdrage te innen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Verordening nr. 659/1999

3        In artikel 1 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] (PB 1999, L 83, blz. 1) was bepaald:

„Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a)      ,steun’, elke maatregel die aan alle in artikel [107, lid 1, VWEU] vervatte criteria voldoet;

b)      ,bestaande steun’,

i)      […] alle steun die voor de inwerkingtreding van het Verdrag in de respectieve lidstaat bestond, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tot uitvoering zijn gebracht en die na de inwerkingtreding nog steeds van toepassing zijn;

ii)      goedgekeurde steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die door de Commissie of de Raad zijn goedgekeurd;

[…]

c)      ,nieuwe steun’, alle steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die geen bestaande steun is, met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun;

[…]”

4        Verordening nr. 659/1999 is ingetrokken bij verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248, blz. 9). Verordening 2015/1589 bevat dezelfde definities als die welke zijn aangehaald in het vorige punt van het onderhavige arrest.

 Verordening nr. 794/2004

5        Artikel 4 van verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van verordening nr. 659/1999 (PB 2004, L 140, blz. 1, met rectificatie in PB 2005, L 25, blz. 74, en rectificatie van de rectificatie in PB 2005, L 131, blz. 45), met als opschrift „Vereenvoudigde aanmeldingsprocedure voor bepaalde wijzigingen in bestaande steun”, bepaalt:

„1.      Voor de toepassing van artikel 1, onder c), van [verordening nr. 659/1999] wordt onder een wijziging in bestaande steun iedere wijziging verstaan, met uitzondering van aanpassingen van louter formele of administratieve aard die de beoordeling van de verenigbaarheid van de steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt niet kunnen beïnvloeden. Een verhoging van de oorspronkelijk voor een bestaande steunregeling voorziene middelen met maximaal 20 %, wordt echter niet als een wijziging van bestaande steun beschouwd.

2.      De volgende wijzigingen van bestaande steun worden aangemeld door middel van het in bijlage II opgenomen formulier voor vereenvoudigde aanmelding:

a)      verhogingen van de voor een goedgekeurde steunregeling voorziene middelen met meer dan 20 %;

b)      de verlenging van een bestaande goedgekeurde steunregeling voor een periode tot zes jaar, al dan niet met een verhoging van de voorziene middelen;

c)      de aanscherping van de criteria voor de toepassing van een goedgekeurde steunregeling, een verlaging van de steunintensiteit of van de in aanmerking komende uitgaven.

De Commissie poogt naar beste vermogen binnen een termijn van één maand een besluit te nemen over alle door middel van het vereenvoudigde aanmeldingsformulier aangemelde steun.

[…]”

 Duits recht

6        Op 31 augustus 1991 hebben de deelstaten het Staatsvertrag für Rundfunk und Telemedien (Rundfunkstaatsvertrag, akkoord tussen de deelstaten betreffende het omroepwezen en de telecommunicatiemiddelen, GBl. 1991, blz. 745; hierna: „RStV”) gesloten, dat laatstelijk is gewijzigd bij het Neunzehnte Staatsvertrag zur Änderung rundfunkrechtlicher Staatsverträge (Neunzehnter Rundfunkänderungsstaatsvertrag, negentiende akkoord tussen de deelstaten tot wijziging van akkoorden tussen de deelstaten betreffende het omroepwezen) van 3 december 2015 (GBl. 2016, blz. 126). § 12 van dit akkoord, met als opschrift „Passende toekenning van financiële middelen, beginsel van financiële compensatie”, luidt:

„(1)      De toekenning van financiële middelen moet het openbare omroepwezen in staat stellen zijn constitutionele en wettelijke opdrachten uit te voeren. Door die toekenning moet met name worden gewaarborgd dat het openbare omroepwezen blijft bestaan en zich verder ontwikkelt.

(2)      Het beginsel van financiële compensatie tussen de regionale omroeporganisaties maakt deel uit van de regeling voor de financiering van de [Arbeitsgemeinschaft der öffentlichrechtlichen Rundfunkanstalten der Bundesrepublik Deutschland (ARD)]. Dit beginsel waarborgt met name dat de omroeporganisaties Saarländischer Rundfunk [(Saarlandse omroep)] en Radio Bremen hun opdrachten op passende wijze uitoefenen. Het bedrag dat voor de financiële compensatie is bestemd en de aanpassing van dit bedrag aan de omroepbijdrage worden berekend overeenkomstig het Rundfunkfinanzierungsstaatsvertrag [(akkoord tussen de deelstaten betreffende de financiering van het omroepwezen)].”

7        § 13 RStV, met als opschrift „Financiering”, bepaalt:

„Het openbare omroepwezen wordt gefinancierd door de omroepbijdrage, reclame-inkomsten en andere inkomsten. De omroepbijdrage is de belangrijkste financieringsbron. In het kader van de opdracht van het openbare omroepwezen zijn programma’s en aanbiedingen tegen bijzondere vergoeding niet geoorloofd; […]”

8        In § 14 van dit akkoord, met als opschrift „Financieringsbehoefte van het openbare omroepwezen”, is bepaald:

„(1)      De financieringsbehoefte van het openbare omroepwezen wordt door de onafhankelijke Kommission zur Überprüfung und Ermittlung des Finanzbedarfs der Rundfunkanstalten [(commissie voor het onderzoek en de vaststelling van de financieringsbehoefte van de omroeporganisaties)] regelmatig overeenkomstig de beginselen van efficiëntie en zuinigheid, rekening houdend met de daarmee samenhangende mogelijkheden tot rationalisatie, onderzocht en vastgesteld op basis van de behoeften die zijn meegedeeld door de in de ARD verenigde regionale omroeporganisaties, het [Zweite Deutsche Fernsehen (ZDF)] en het publiekrechtelijke lichaam ,Deutschlandradio’.

(2)      Bij het onderzoek en de vaststelling van de financieringsbehoefte wordt met name rekening gehouden met:

1.      het op concurrerende wijze voortzetten van de bestaande radioprogramma’s, alsmede de televisieprogramma’s die zijn toegestaan op basis van een akkoord tussen alle deelstaten (instandhoudingsbehoefte);

2.      nieuwe radio‑ en televisieprogramma’s die op grond van het recht van de deelstaten toelaatbaar zijn, de deelname aan de nieuwe technische mogelijkheden op het gebied van de productie en distributie van radio‑ en televisieprogramma’s, en de mogelijkheid om nieuwe omroepvormen tot stand te brengen (ontwikkelingsbehoefte);

3.      de algemene kostenontwikkeling en de specifieke kostenontwikkeling in de mediasector;

4.      de ontwikkeling van de inkomsten uit de bijdrage, reclame-inkomsten en overige inkomsten;

5.      de belegging, de renteopbrengst en het geëigende gebruik van de overschotten die ontstaan wanneer de totale jaarlijkse inkomsten die worden verworven door de in de ARD verenigde regionale omroeporganisaties, door het ZDF of door Deutschlandradio, meer bedragen dan het totaal van de uitgaven voor de uitvoering van hun opdracht.

[…]

(4)      De bijdrage wordt vastgesteld bij akkoord tussen de deelstaten.”

9        De deelstaat Baden-Württemberg (Duitsland) heeft het Rundfunkbeitragsstaatsvertrag (akkoord tussen de deelstaten betreffende de omroepbijdrage) – op grond waarvan de oude bijdrage met ingang van 31 december 2012 is vervangen door de huidige omroepbijdrage – ten uitvoer gelegd bij het Gesetz zur Geltung des Rundfunkbeitragsstaatsvertrags (wet tot uitvoering van het akkoord tussen de deelstaten betreffende de omroepbijdrage) van 18 oktober 2011, zoals laatstelijk gewijzigd bij artikel 4 van het negentiende akkoord tussen de deelstaten tot wijziging van akkoorden tussen de deelstaten betreffende het omroepwezen van 3 december 2015 (hierna: „omroepbijdragewet”). In de omroepbijdragewet wordt uiteengezet hoe de omroepbijdrage – die sinds 1 januari 2013 moet worden betaald door degenen die deze bijdrage verschuldigd zijn – wordt geïnd. § 1 ervan luidt:

„De omroepbijdrage is bestemd voor de in § 12, lid 1, RStV bedoelde passende toekenning van financiële middelen aan het openbare omroepwezen, alsmede voor de financiering van de in § 40 van dat akkoord vermelde opdrachten.”

10      § 2 van de omroepbijdragewet, met als opschrift „Door de particuliere sector verschuldigde omroepbijdrage”, bepaalt:

„(1)      In de particuliere sector is voor elke woning een omroepbijdrage verschuldigd, te betalen door de gebruiker ervan (de bijdrageplichtige).

(2)      Onder gebruiker van een woning wordt elke meerderjarige verstaan die deze woning zelf bewoont. Wordt vermoed gebruiker van de woning te zijn, eenieder die:

1.      overeenkomstig de bepalingen inzake registratie aldaar geregistreerd staat, of

2.      als huurder wordt genoemd in de huurovereenkomst met betrekking tot de woning.

[…]

(3)      Indien meerdere personen een en dezelfde bijdrage zijn verschuldigd, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk overeenkomstig § 44 van de Abgabenordnung [(algemene belastingwet)]. […]

(4)      De omroepbijdrage is niet verschuldigd door bijdrageplichtigen die voorrechten genieten uit hoofde van artikel 2 van het Gesetz zu dem Wiener Übereinkommen vom 18. April 1961 über diplomatische Beziehungen [(wet betreffende het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer)] van 6 augustus 1964 (BGBl. 1964 II, blz. 957) of andere bepalingen die daarmee vergelijkbaar zijn.”

11      In § 10 van de omroepbijdragewet staat te lezen:

„(1)      De uit de omroepbijdrage verkregen inkomsten komen ten goede aan de omroeporganisatie van de deelstaat en, voor zover zulks in het Rundfunkfinanzierungsstaatsvertrag [(akkoord tussen de deelstaten betreffende de financiering van het omroepwezen)] is bepaald, aan het [ZDF], Deutschlandradio en de Landesmedienanstalt [(regionale autoriteit voor de media)] binnen het gebied waarvan zich de woning of de lokalen van de bijdrageplichtige bevinden of het motorrijtuig is ingeschreven.

[…]

(5)      Het bedrag van de achterstallige omroepbijdragen wordt vastgesteld door de bevoegde regionale omroeporganisatie. […]

(6)      Schulden wegens achterstallige bijdragen worden geïnd door middel van de bestuurlijke tenuitvoerleggingsprocedure. […]

(7)      Elke regionale omroeporganisatie geeft aan de haar krachtens dit akkoord opgedragen taken en aan de daarmee verbonden rechten en verplichtingen zelf geheel of gedeeltelijk uitvoering door tussenkomst van een dienst van de publiekrechtelijke regionale omroeporganisaties die wordt bestuurd in het kader van een publiekrechtelijke beheersgemeenschap zonder rechtsbevoegdheid. De regionale omroeporganisatie kan derden belasten met bepaalde activiteiten die verband houden met de invordering van de omroepbijdrage en de identificatie van de bijdrageplichtigen, en kan de nadere regels ter zake vaststellen bij het in § 9, lid 2, bedoelde reglement. […]”

12      Aangezien de nadere regels inzake de administratieve invordering („Beitreibung”) eveneens onder de bevoegdheid van de deelstaten vallen, heeft de deelstaat Baden-Württemberg ter zake op 12 maart 1974 het Verwaltungsvollstreckungsgesetz für Baden-Württemberg, Landesverwaltungsvollstreckungsgesetz (wet van Baden-Würtemberg betreffende de bestuurlijke tenuitvoerleggingsprocedure) vastgesteld.

 Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

13      Verzoekers in de hoofdgedingen zijn de omroepbijdrage („Rundfunkbeitrag”) verschuldigd, maar hebben deze bijdrage geheel of gedeeltelijk niet betaald.

14      In 2015 en 2016 heeft SWR – de bevoegde regionale omroeporganisatie – aan de schuldenaren van de omroepbijdrage executoriale titels doen toekomen met het oog op de invordering van de niet-betaalde bedragen voor de periode tussen januari 2013 en eind 2016.

15      Aangezien de schuldenaren van de omroepbijdrage deze bijdrage nog steeds niet hadden betaald, is SWR op grond van die titels overgegaan tot gedwongen tenuitvoerlegging van haar schuldvorderingen.

16      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat die schuldenaren bij de te hunnen aanzien territoriaal bevoegde rechterlijke instantie – te weten respectievelijk het Amtsgericht Reutlingen (rechter in eerste aanleg Reutlingen, Duitsland), het Amtsgericht Tübingen (rechter in eerste aanleg Tübingen, Duitsland) en het Amtsgericht Calw (rechter in eerste aanleg Calw, Duitsland) – zijn opgekomen tegen de hen betreffende invorderingsprocedure.

17      De drie door de betrokken schuldenaren bij het Amtsgericht Tübingen ingestelde vorderingen zijn toegewezen. De bij het Amtsgericht Reutlingen en het Amtsgericht Calw ingestelde vorderingen zijn daarentegen afgewezen.

18      Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat alle partijen van wie de vordering is afgewezen, tegen de hen betreffende afwijzende beslissing hoger beroep hebben ingesteld bij de verwijzende rechter.

19      De verwijzende rechter, die deze zaken heeft gevoegd, merkt op dat de hoofdgedingen hoofdzakelijk betrekking hebben op aangelegenheden die onder het recht inzake de tenuitvoerlegging van niet-betaalde schuldvorderingen vallen, maar dat deze aangelegenheden nauw verbonden zijn met het toepasselijke materiële recht.

20      Hij is van oordeel dat de bepalingen van de betreffende wettelijke regeling in strijd zijn met het Unierecht.

21      Ten eerste merkt de verwijzende rechter op dat het Duitse openbare omroepwezen gedeeltelijk wordt gefinancierd met de omroepbijdrage. Elke meerderjarige inwoner van Duitsland is deze bijdrage in beginsel verschuldigd op straffe van een geldboete, en in de deelstaat Baden-Württemberg wordt zij met name overgemaakt aan de openbare omroepen SWR en ZDF. Die bijdrage vormt staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU ten gunste van deze omroepen, die op grond van artikel 108, lid 3, VWEU had moeten worden aangemeld bij de Commissie.

22      In dit verband beklemtoont de verwijzende rechter dat de vroegere omroepbijdrage, die verschuldigd was wegens het bezit van een ontvangtoestel, op 1 januari 2013 ingrijpend is gewijzigd door de inwerkingtreding van de verplichting tot betaling van de huidige omroepbijdrage, die sindsdien verschuldigd is door eenieder die gebruiker van een woning is. Hij herinnert eraan dat de regeling voor de financiering van het Duitse openbare omroepwezen door de Commissie is beoordeeld in het kader van het in artikel 108, lid 1, VWEU bedoelde voortdurende onderzoek van de in de lidstaten bestaande steunregelingen. In dit verband blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt, dat de Commissie zich in het kader van haar beschikking van 24 april 2007 [C(2007) 1761 definitief betreffende staatssteun E 3/2005 (ex CP 2/2003, CP 232/2002, CP 43/2003, CP 243/2004 en CP 195/2004) – Die Finanzierung der öffentlich-rechtlichen Rundfunkanstalten in Deutschland (ARD/ZDF)] (hierna: „beschikking van 24 april 2007”), die betrekking had op die regeling voor de financiering, op het standpunt heeft gesteld dat de destijds verschuldigde omroepbijdrage als bestaande steun moest worden aangemerkt. Tevens is de verwijzende rechter van oordeel dat de nieuwe regeling voor de financiering had moeten worden aangemeld, op grond dat de financiering van het omroepwezen aanzienlijk werd gewijzigd bij de omroepbijdragewet. Daarbij komt dat de daaruit voortvloeiende staatssteun niet met de interne markt verenigbaar is uit hoofde van artikel 107, lid 3, VWEU.

23      Ten tweede is de omroepbijdrage in strijd met het Unierecht omdat de opbrengst ervan wordt gebruikt voor de totstandbrenging van een nieuw transmissiesysteem voor digitale terrestrische televisie, DVB‑T2, ten aanzien waarvan niet is bepaald dat het door buitenlandse omroepen zal kunnen worden benut. Volgens de verwijzende rechter is de situatie vergelijkbaar met die welke aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 15 september 2011, Duitsland/Commissie (C‑544/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:584), waarin het ging over de omschakeling van analogetransmissietechnologie naar digitaletransmissietechnologie.

24      De verwijzende rechter is van oordeel dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde bijdrage in werkelijkheid moet worden gelijkgesteld met een belasting die voor een doel is bestemd („Zwecksteuer”). Dat de voorheen geheven omroepbijdrage is vervangen door een persoonlijke omroepbijdrage, vormt een fundamentele wijziging van het financieringsstelsel van het openbare omroepwezen. Anders dan het geval was bij het vroegere financieringsstelsel, resulteert de betaling van laatstgenoemde bijdrage immers niet in een individuele tegenprestatie ten gunste van de bijdrageplichtigen. Derhalve dragen alle meerderjarigen die in Duitsland een woning gebruiken, bij tot de financiering van het openbare omroepwezen, zoals bij een belasting gebruikelijk is. Het gaat om een financiering door hoofdzakelijk de staat in de zin van de rechtspraak van het Hof die voortvloeit uit het arrest van 13 december 2007, Bayerischer Rundfunk e.a. (C‑337/06, EU:C:2007:786). De huidige bijdrageregeling vormt dan ook onrechtmatige steun voor de invoering van het DVB‑T2-systeem, die met belastinggeld wordt gefinancierd.

25      Ten derde genieten de openbare omroepen dankzij de wettelijke regeling in kwestie een reeks voordelen waarover particuliere omroepen niet beschikken. Deze voordelen vormen een economisch voordeel en – gelet op de algemene aard van de verplichting om de omroepbijdrage te betalen – staatssteun. Zij berusten op bepalingen die van het gemene recht afwijken en die de openbare omroepen de mogelijkheid bieden om zelf de executoriale titels af te geven die nodig zijn voor de gedwongen tenuitvoerlegging van schuldvorderingen. Deze wijze van afgifte van executoriale titels is sneller, eenvoudiger en goedkoper dan een gerechtelijke procedure tot invordering van schulden. Daarnaast is zij nadelig voor de gebruikers, aangezien het voor hen onmogelijk of uitermate moeilijk is om vóór de afgifte van de executoriale titel en vóór de tenuitvoerlegging beroep in te stellen en een verzoek tot rechterlijke toetsing in te dienen.

26      Ten vierde tast de omroepbijdragewet, met name de §§ 2 en 3 ervan, de in artikel 11 van het Handvest en artikel 10 EVRM bedoelde vrijheid van informatie aan. De omroepbijdrage vormt een doelbewust opgeworpen belemmering van de toegang tot elke vorm van informatie die per satelliet, via de kabel of via een netwerk voor mobiele telefonie wordt verspreid. Particulieren dienen de omroepbijdrage te betalen ongeacht of zij daadwerkelijk het genot hebben van de programma’s van de openbare omroepen.

27      Ten vijfde is de verwijzende rechter van oordeel dat de omroepbijdrage in strijd is met de vrijheid van vestiging. Zij druist eveneens in tegen het gelijkheidsbeginsel en is discriminerend voor vrouwen. Met betrekking tot dit laatste punt beklemtoont de verwijzende rechter dat die bijdrage per woning verschuldigd is, ongeacht het aantal personen dat daar woont, zodat het door elke meerderjarige te betalen bedrag sterk varieert naargelang van het aantal personen dat deel uitmaakt van het gezin. Alleenstaande ouders – die voor het merendeel vrouwen zijn – worden benadeeld ten opzichte van meerderjarigen die lid zijn van een woongemeenschap.

28      In deze omstandigheden heeft het Landgericht Tübingen (rechter in tweede aanleg Tübingen, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Is de [omroepbijdragewet] onverenigbaar met het Unierecht omdat de bijdrage die uit hoofde daarvan sinds 1 januari 2013 in beginsel door iedere meerderjarige inwoner van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg onvoorwaardelijk dient te worden betaald ten gunste van de omroepen SWR en ZDF, moet worden beschouwd als een met het Unierecht strijdige steunmaatregel die uitsluitend die openbare omroepen bevoordeelt ten opzichte van particuliere omroepen? Dienen de artikelen 107 en 108 VWEU aldus te worden uitgelegd dat voor de [omroepbijdragewet] de goedkeuring van de Commissie vereist was en die wet bij gebreke daarvan ongeldig is?

2)      Dienen de artikelen 107 en 108 VWEU aldus te worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op de in de [omroepbijdragewet] vastgelegde regeling uit hoofde waarvan in beginsel iedere meerderjarige inwoner van de deelstaat Baden-Württemberg onvoorwaardelijk verplicht is een bijdrage te betalen die uitsluitend ten goede komt aan overheidsomroepen/openbare omroepen, omdat die bijdrage neerkomt op een met het Unierecht strijdige begunstigende steunmaatregel die ertoe strekt omroepen uit andere lidstaten van de Europese Unie technisch uit te sluiten, gezien het feit dat de bijdragen worden gebruikt voor de totstandbrenging van een concurrerende vorm van transmissie (DVB‑T2-monopolie), ten aanzien waarvan niet is bepaald dat zij door buitenlandse omroepen zal kunnen worden benut? Dienen de artikelen 107 en 108 VWEU aldus te worden uitgelegd dat zij ook van toepassing zijn op indirecte financiële steun en op andere economisch relevante privileges (recht om executoriale titels vast te stellen, bevoegdheid om als onderneming en als overheidsinstantie op te treden, betere positie bij de berekening van schulden)?

3)      Is het verenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van begunstigende steunmaatregelen dat op grond van een […] wet van de deelstaat Baden-Württemberg een Duitse televisieomroep die weliswaar is opgezet als overheidsinstantie met een publiekrechtelijke grondslag, maar tegelijkertijd op de reclamemarkt concurreert met particuliere zenders, ten opzichte van die particuliere zenders wordt begunstigd doordat hij zich, anders dan zijn particuliere concurrenten, niet tot de gewone rechter hoeft te wenden om voor zijn vorderingen jegens kijkers een executoriale titel te verkrijgen alvorens hij tot gedwongen tenuitvoerlegging kan overgaan, maar zelf, zonder tussenkomst van de rechter, executoriale titels kan vaststellen waarmee hij op dezelfde wijze tot gedwongen tenuitvoerlegging kan overgaan?

4)      Is het verenigbaar met artikel 10 EVRM en artikel 11 van het Handvest […] dat een lidstaat in een […] wet van de deelstaat Baden-Württemberg bepaalt dat een televisieomroep die is opgezet als overheidsinstantie, van iedere in het omroepgebied woonachtige meerderjarige op straffe van een geldboete een bijdrage mag verlangen ter financiering van juist die omroep, ongeacht of die persoon over een ontvangtoestel beschikt en of hij enkel gebruikmaakt van de diensten van andere omroepen, te weten buitenlandse of particuliere omroepen?

5)      Is de [omroepbijdragewet], in het bijzonder de §§ 2 en 3 daarvan, verenigbaar met de Unierechtelijke beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie indien de ter financiering van een publiekrechtelijke televisieomroep door iedere inwoner onvoorwaardelijk te betalen bijdrage een alleenstaande moeder naar verhouding vele malen zwaarder treft dan een lid van een woongemeenschap? Moet richtlijn 2004/113/EG [van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PB 2004, L 373, blz. 37)] aldus worden uitgelegd dat deze ook van toepassing is op de litigieuze omroepbijdrage en dat een indirecte discriminatie reeds moet worden aangenomen wanneer het feitelijk voor 90 % vrouwen zijn die zwaarder worden belast?

6)      Is de [omroepbijdragewet], in het bijzonder de §§ 2 en 3 daarvan, verenigbaar met de Unierechtelijke beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie indien de ter financiering van een publiekrechtelijke televisieomroep door iedere inwoner onvoorwaardelijk te betalen bijdrage twee keer zo hoog is voor personen die om professionele redenen een tweede woning nodig hebben, als voor andere economisch actieve personen?

7)      Is de [omroepbijdragewet], in het bijzonder de §§ 2 en 3 daarvan, verenigbaar met de Unierechtelijke beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie en met de Unierechtelijke vrijheid van vestiging indien de ter financiering van een publiekrechtelijke televisieomroep door iedere inwoner onvoorwaardelijk te betalen bijdrage impliceert dat een Duitser die in Duitsland vlak bij de grens met een EU‑buurland woont, uitsluitend op grond van de ligging van zijn woning de bijdrage verschuldigd is, terwijl een Duitser die net over de grens woont – en over dezelfde ontvangstmogelijkheid beschikt als eerstgenoemde Duitser – die bijdrage niet verschuldigd is, net zoals een onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie die zich om professionele redenen op Duits grondgebied net over de grens moet vestigen, de bijdrage verschuldigd is terwijl een Unieburger die zich aan de andere zijde van de grens vestigt de bijdrage niet hoeft te betalen, ook al hebben de betrokkenen in beide gevallen geen belangstelling voor het ontvangen van de Duitse zender?”

 Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

29      SWR betoogt dat de verwijzende rechter, die een alleensprekende rechter is, de procedures overeenkomstig de relevante nationale procedurele voorschriften had moeten doorverwijzen naar een collegiale rechtsprekende formatie binnen de verwijzende rechterlijke instantie, zodat die rechter niet bevoegd is om het Hof op grond van artikel 267 VWEU te verzoeken om een prejudiciële beslissing.

30      In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat artikel 267, tweede alinea, VWEU bepaalt dat wanneer in een zaak die aanhangig is voor een rechterlijke instantie van een lidstaat, een vraag wordt opgeworpen die het voorwerp kan uitmaken van een prejudiciële verwijzing, die rechterlijke instantie het Hof kan verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis.

31      Tegen deze achtergrond zij beklemtoond dat zowel het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties als de voorrang van het Unierecht vereist dat het de nationale rechter vrijstaat om, op elk ogenblik van de procedure dat hij passend acht, alle naar zijn oordeel noodzakelijke prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen (zie in die zin arrest van 4 juni 2015, Kernkraftwerke Lippe‑Ems, C‑5/14, EU:C:2015:354, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Voorts zij eraan herinnerd dat het niet aan het Hof staat om na te gaan of de verwijzingsbeslissing is gegeven met inachtneming van de nationale regels betreffende de rechterlijke organisatie en de procesgang (beschikking van 6 september 2018, Di Girolamo, C‑472/17, niet gepubliceerd, EU:C:2018:684, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33      Het betoog van SWR dat de nationale voorschriften betreffende de rechterlijke organisatie zijn geschonden, staat er dan ook niet aan in de weg dat de verwijzende rechter het Hof overeenkomstig artikel 267 VWEU verzoekt om een prejudiciële beslissing.

34      Derhalve is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

35      SWR en de Duitse regering betogen in wezen dat de uitlegging van het Unierecht waarom de verwijzende rechter verzoekt, wat de meeste gestelde vragen betreft, geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van de hoofdgedingen, en dat het aan de orde gestelde probleem van hypothetische aard is. Enkel de vragen die verband houden met de privileges van de openbare omroepen op het gebied van gedwongen tenuitvoerlegging, zijn in dit verband relevant.

36      In herinnering dient te worden gebracht dat het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingevoerde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om gelet op de bijzonderheden van de zaak zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer deze vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dan ook in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 26 juli 2017, Persidera, C‑112/16, EU:C:2017:597, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37      Niettemin kan het Hof op een prejudiciële vraag van een nationale rechter geen uitspraak doen wanneer duidelijk blijkt dat de door deze rechter gevraagde uitlegging van een Unierechtelijke regel geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke of juridische gegevens die het nodig heeft om een nuttig antwoord op de gestelde vragen te kunnen geven (arrest van 31 januari 2008, Centro Europa 7, C‑380/05, EU:C:2008:59, punt 53).

38      In herinnering dient te worden gebracht dat aan het Unierecht een uitlegging moet worden gegeven die nuttig is voor de nationale rechter, zodat deze nauwgezet moet voldoen aan de voor de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing geldende vereisten, die uitdrukkelijk zijn vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en die de verwijzende rechter wordt geacht te kennen (arrest van 26 juli 2017, Persidera, C‑112/16, EU:C:2017:597, punt 27). Deze vereisten worden tevens in herinnering gebracht in de aanbevelingen van het Hof aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2018, C 257, blz. 1).

39      Zo is het onontbeerlijk dat – zoals is bepaald in artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering – in de verwijzingsbeslissing zelf wordt uiteengezet waarom de verwijzende rechter zich over de uitlegging of de geldigheid van een aantal Unierechtelijke bepalingen vragen stelt, alsook welk verband er bestaat tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling. Het is eveneens onontbeerlijk dat – zoals is bepaald in artikel 94, onder a), van het Reglement voor de procesvoering – in de verwijzingsbeslissing zelf op zijn minst wordt uiteengezet op welke feitelijke gegevens de vragen berusten. Volgens de rechtspraak van het Hof gelden deze vereisten a fortiori op het gebied van de mededinging, dat wordt gekenmerkt door complexe feitelijke en juridische situaties (arrest van 26 juli 2017, Persidera, C‑112/16, EU:C:2017:597, punten 28 en 29).

40      Ten eerste wenst de verwijzende rechter in casu met zijn eerste tot en met derde vraag in wezen van het Hof te vernemen hoe de artikelen 107 en 108 VWEU moeten worden uitgelegd, teneinde te bepalen of de wijziging die bij de omroepbijdragewet is aangebracht in de regeling voor de financiering van het Duitse omroepwezen, overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU ter kennis had moeten worden gebracht van de Commissie, en of die artikelen zich tegen een dergelijke regeling verzetten.

41      Anders dan SWR en de Duitse regering betogen, staat om te beginnen de omstandigheid dat de hoofdgedingen de invordering van de omroepbijdrage betreffen, niet eraan in de weg dat de nationale rechter het in artikel 107, lid 1, VWEU bedoelde begrip „steunmaatregel” uitlegt en toepast, met name om vast te stellen of die omroepbijdrage al dan niet had moeten worden onderworpen aan de in artikel 108, lid 3, VWEU neergelegde voorafgaande controleprocedure, en om in voorkomend geval na te gaan of de betrokken lidstaat deze verplichting is nagekomen.

42      Uit de rechtstreekse werking van artikel 108, lid 3, VWEU vloeit namelijk voort dat de nationale rechterlijke instanties de justitiabelen dienen te waarborgen dat overeenkomstig hun nationale recht alle consequenties uit de schending van deze bepaling zullen worden getrokken, zowel wat betreft de geldigheid van handelingen tot uitvoering van de betrokken steunmaatregelen als wat betreft de terugvordering van financiële steun die is verleend in strijd met die bepaling of met eventuele voorlopige maatregelen (zie in die zin arresten van 11 juli 1996, SFEI e.a., C‑39/94, EU:C:1996:285, punten 39 en 40; 16 april 2015, Trapeza Eurobank Ergasias, C‑690/13, EU:C:2015:235, punt 52, en 11 november 2015, Klausner Holz Niedersachsen, C‑505/14, EU:C:2015:742, punten 23 en 24).

43      Daarbij komt dat het Hof de verwijzende rechter alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht kan verschaffen die hem in staat stellen de verenigbaarheid van een nationale maatregel met dat recht te beoordelen met het oog op de beslechting van het voor hem aanhangige geding. Op het gebied van staatssteun kan het Hof met name aan de verwijzende rechter de uitleggingsgegevens verstrekken die hem in staat stellen om te bepalen of een nationale maatregel als „staatssteun” in de zin van het Unierecht kan worden aangemerkt (arrest van 10 juni 2010, Fallimento Traghetti del Mediterraneo, C‑140/09, EU:C:2010:335, punt 24), of om in voorkomend geval vast te stellen of die maatregel bestaande dan wel nieuwe steun vormt (zie in die zin arrest van 19 maart 2015, OTP Bank, C‑672/13, EU:C:2015:185, punt 60).

44      Gelet op het voorwerp van de hoofdgedingen blijken de eerste tot en met de derde prejudiciële vraag dan ook niet kennelijk irrelevant, aangezien zij de uitlegging van de artikelen 107 en 108 VWEU betreffen.

45      Voorts dient te worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met het eerste onderdeel van de tweede prejudiciële vraag meer bepaald wenst te vernemen of de in het geding zijnde omroepbijdrage met de artikelen 107 en 108 VWEU in overeenstemming is voor zover zij impliceert dat sprake is van staatssteun die ertoe strekt een aan de DVB‑T2-norm beantwoordend transmissiesysteem tot stand te brengen ten aanzien waarvan niet is bepaald dat het zal kunnen worden benut door omroepen die in andere lidstaten van de Unie zijn gevestigd.

46      De verwijzingsbeslissing bevat evenwel geen feitelijke of juridische gegevens die het Hof in staat stellen om een nuttig antwoord te geven op de desbetreffende vragen van de verwijzende rechter. Met name zet deze rechter weliswaar uiteen dat de omroepbijdrage het mogelijk heeft gemaakt het systeem in kwestie – dat enkel ten goede komt aan de omroepen in Duitsland – te financieren, maar hij preciseert niet wat de voorwaarden voor de financiering van dit systeem zijn, noch waarom andere omroepen datzelfde systeem niet kunnen gebruiken.

47      Derhalve is het eerste onderdeel van de tweede prejudiciële vraag niet-ontvankelijk. De eerste tot en met de derde prejudiciële vraag moeten voor het overige ontvankelijk worden verklaard.

48      Ten tweede verzoekt de verwijzende rechter met zijn vierde tot en met zijn zevende vraag het Hof om uitlegging van het in artikel 11 van het Handvest en artikel 10 EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, van richtlijn 2004/113, van het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel alsook van de vrijheid van vestiging.

49      Vastgesteld moet worden dat de verwijzende rechter geenszins uiteenzet welk verband er volgens hem bestaat tussen de hoofdgedingen en de Unierechtelijke bepalingen waarop hij met die vragen doelt. Met name heeft hij geen enkel concreet gegeven verstrekt dat de conclusie wettigt dat de in de hoofdgedingen betrokken personen zich bevinden in een van de situaties waarop die vragen zien.

50      Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de rechtvaardiging van een verzoek om een prejudiciële beslissing niet gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding dat verband houdt met het Unierecht (arrest van 21 december 2016, Tele2 Sverige en Watson e.a., C‑203/15 en C‑698/15, EU:C:2016:970, punt 130 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51      Bijgevolg zijn de vierde tot en met de zevende prejudiciële vraag niet-ontvankelijk.

52      Gelet op een en ander zijn enkel de eerste prejudiciële vraag, het tweede onderdeel van de tweede prejudiciële vraag, en de derde prejudiciële vraag ontvankelijk.

 Ten gronde

 Eerste prejudiciële vraag

53      Vooraf zij eraan herinnerd dat het, zoals de advocaat-generaal heeft beklemtoond in punt 45 van zijn conclusie, buiten kijf staat dat de vaststelling van de omroepbijdragewet bestaande steun wijzigt in de zin van artikel 1, onder c), van verordening nr. 659/1999.

54      De eerste prejudiciële vraag moet dan ook zo worden opgevat dat de verwijzende rechter daarmee in wezen wenst te vernemen of artikel 1, onder c), van verordening nr. 659/1999 aldus moet worden uitgelegd dat een wijziging van de regeling voor de financiering van het openbare omroepwezen van een lidstaat waarbij, zoals het geval is met de wijziging die in de hoofdgedingen aan de orde is, een wegens het bezit van een toestel voor de ontvangst van radio en/of televisie verschuldigde omroepbijdrage wordt vervangen door een omroepbijdrage die met name verschuldigd is wegens het gebruik van een woning of bedrijfsruimte, een wijziging in bestaande steun in de zin van die bepaling vormt, die krachtens artikel 108, lid 3, VWEU moet worden aangemeld bij de Commissie.

55      In herinnering moet worden gebracht dat artikel 4, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 794/2004 bepaalt dat voor de toepassing van artikel 1, onder c), van verordening nr. 659/1999 onder een wijziging in bestaande steun iedere wijziging moet worden verstaan, met uitzondering van aanpassingen van louter formele of administratieve aard die de verenigbaarheid van de steunmaatregel met de interne markt niet kunnen beïnvloeden. In dit verband wordt in artikel 4, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 794/2004 gepreciseerd dat een verhoging van de oorspronkelijk voor een bestaande steunregeling uitgetrokken middelen met maximaal 20 % niet als een wijziging van bestaande steun wordt beschouwd.

56      Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te kunnen geven, moet bijgevolg worden vastgesteld of de omroepbijdragewet een wijziging in bestaande steun vormt als bedoeld in de in het vorige punt van dit arrest genoemde bepalingen, omdat in deze wet wordt bepaald dat de bijdrage die ertoe strekt het openbare omroepwezen in Duitsland te financieren, niet langer verschuldigd is wegens het bezit van een ontvangtoestel maar met name wegens het gebruik van een woning, zodat die wet het feit wijzigt dat leidt tot het ontstaan van de verplichting om die bijdrage te betalen.

57      Deze vraag komt uiteindelijk erop neer dat moet worden nagegaan of de vaststelling van de omroepbijdragewet de bestaande steun die aan de orde was in de beschikking van 24 april 2007, wezenlijk wijzigt, dan wel of die wet slechts een aanpassing van louter formele of administratieve aard is die de verenigbaarheid van de steunmaatregel met de interne markt niet kan beïnvloeden.

58      Zoals SWR, de Duitse en de Zweedse regering alsook de Commissie hebben betoogd in hun bij het Hof ingediende opmerkingen, en zoals bovendien blijkt uit de gegevens in het dossier waarover het Hof beschikt, vormt de vervanging van de oude omroepbijdrage door de huidige omroepbijdrage slechts een niet-wezenlijke wijziging in de bestaande steun die aan de orde was in de beschikking van 24 april 2007.

59      De wijziging van het feit waardoor de omroepbijdrage verschuldigd wordt, is immers niet van invloed geweest op de door de Commissie in de beschikking van 24 april 2007 beoordeelde bestanddelen van de regeling voor de financiering van het openbare omroepwezen in Duitsland.

60      Zo staat ten eerste vast dat de doelstelling van de regeling voor de financiering van het Duitse openbare omroepwezen niet is gewijzigd bij de omroepbijdragewet, aangezien de huidige omroepbijdrage – net als de omroepbijdrage waarvoor zij in de plaats is gekomen – nog steeds is bestemd ter financiering van het openbare omroepwezen.

61      Ten tweede staat eveneens vast dat deze regeling dezelfde kring van begunstigden heeft als de vorige regeling.

62      Ten derde blijkt uit de voor het Hof ter sprake gebrachte gegevens niet dat de aan de openbare omroepen opgedragen openbaredienstverleningstaak of de voor subsidiëring in aanmerking komende activiteiten van deze omroepen zijn gewijzigd bij de omroepbijdragewet.

63      Ten vierde is bij de omroepbijdragewet het feit gewijzigd waardoor de omroepbijdrage verschuldigd wordt.

64      Zoals met name SWR, de Duitse regering en de Commissie hebben betoogd, had de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde wijziging echter voornamelijk tot doel de voorwaarden voor de invordering van de omroepbijdrage te vereenvoudigen tegen een achtergrond van evoluerende technieken waarmee uitzendingen van openbare omroepen kunnen worden ontvangen.

65      Daarbij komt dat – zoals de Duitse regering en de Commissie hebben aangevoerd in hun bij het Hof ingediende opmerkingen en zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 55 van zijn conclusie – de vervanging van de oude omroepbijdrage door de huidige omroepbijdrage niet heeft geleid tot een aanzienlijke toename van de vergoeding die de openbare omroepen ontvangen om de kosten te dekken die verband houden met de openbaredienstverleningstaken waarmee zij zijn belast.

66      In deze omstandigheden is, gelet op de gegevens in het dossier waarover het Hof beschikt, niet aangetoond dat de omroepbijdragewet een wezenlijke wijziging van de regeling voor de financiering van het openbare omroepwezen in Duitsland inhoudt die vereist dat de vaststelling van deze wet overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU wordt aangemeld bij de Commissie.

67      Gelet op een en ander dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 1, lid c), van verordening nr. 659/1999 aldus moet worden uitgelegd dat een wijziging van de regeling voor de financiering van het openbare omroepwezen van een lidstaat waarbij, zoals het geval is met de wijziging die in de hoofdgedingen aan de orde is, een wegens het bezit van een toestel voor de ontvangst van radio en/of televisie verschuldigde omroepbijdrage wordt vervangen door een omroepbijdrage die met name verschuldigd is wegens het gebruik van een woning of bedrijfsruimte, geen wijziging in bestaande steun in de zin van deze bepaling vormt, die krachtens artikel 108, lid 3, VWEU moet worden aangemeld bij de Commissie.

 Tweede onderdeel van de tweede prejudiciële vraag en derde prejudiciële vraag

68      Met het tweede onderdeel van zijn tweede vraag en met zijn derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 107 en 108 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, waarbij aan de openbare omroepen bevoegdheden worden verleend die afwijken van het gemene recht en die deze omroepen in staat stellen om zelf over te gaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging van achterstallige omroepbijdragen.

69      In dit verband heeft de Commissie, zoals SWR en de Duitse regering in hun bij het Hof ingediende opmerkingen hebben beklemtoond, bij haar onderzoek van de regeling voor de financiering van het openbare omroepwezen – en meer bepaald bij haar onderzoek van de oude omroepbijdrage – in het kader van de beschikking van 24 april 2007 rekening gehouden met de bevoegdheden van openbaar gezag waarover de openbare omroepen beschikken met het oog op de invordering van de omroepbijdrage. In het licht van deze beschikking moeten die bevoegdheden – die er juist toe strekken die bijdrage in te vorderen – worden geacht deel uit te maken van de bestaande steun die wordt gevormd door die bijdrage.

70      Zoals de advocaat-generaal in punt 87 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zijn die bevoegdheden niet op enigerlei manier gewijzigd bij de omroepbijdragewet.

71      Vastgesteld dient dan ook te worden dat de omroepbijdragewet geen verandering kan brengen in de beoordeling die de Commissie in het kader van de beschikking van 24 april 2007 heeft verricht met betrekking tot de bovengenoemde bevoegdheden.

72      Zoals de Commissie heeft opgemerkt in haar schriftelijke opmerkingen en zoals de advocaat-generaal heeft uiteengezet in punt 84 van zijn conclusie, zijn de bevoegdheden van openbaar gezag waarover de openbare omroepen met het oog op de invordering van de omroepbijdrage beschikken, bovendien inherent aan hun openbaredienstverleningstaken.

73      Derhalve moet op het tweede onderdeel van de tweede prejudiciële vraag en op de derde prejudiciële vraag worden geantwoord dat de artikelen 107 en 108 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, waarbij aan de openbare omroepen bevoegdheden worden verleend die afwijken van het gemene recht en die deze omroepen in staat stellen om zelf over te gaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging van achterstallige omroepbijdragen.

 Kosten

74      Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 1, lid c), van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] moet aldus worden uitgelegd dat een wijziging van de regeling voor de financiering van het openbare omroepwezen in een lidstaat waarbij, zoals het geval is met de wijziging die in de hoofdgedingen aan de orde is, een wegens het bezit van een toestel voor de ontvangst van radio en/of televisie ontvangtoestel verschuldigde omroepbijdrage wordt vervangen door een omroepbijdrage die met name verschuldigd is wegens het gebruik van een woning of bedrijfsruimte, geen wijziging in bestaande steun in de zin van deze bepaling vormt, die krachtens artikel 108, lid 3, VWEU moet worden aangemeld bij de Europese Commissie.

2)      De artikelen 107 en 108 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, waarbij aan de openbare omroepen bevoegdheden worden verleend die afwijken van het gemene recht en die deze omroepen in staat stellen om zelf over te gaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging van achterstallige omroepbijdragen.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.