Language of document : ECLI:EU:T:2018:964

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

14 december 2018 (*)

„Openbare dienst – Ambtenaren – Herziening van het Statuut – Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 – Standaardfuncties – Overgangsregels met betrekking tot de indeling in standaardfuncties – Artikel 31 van bijlage XIII bij het Statuut – Assistenten in de overgangsfase – Bevordering krachtens artikel 45 van het Statuut enkel toegestaan binnen de loopbaanstroom die overeenstemt met de uitgeoefende standaardfunctie – Toegang tot de standaardfunctie ‚senior assistent’ (AST 10) uitsluitend krachtens de procedure van artikel 4 en artikel 29, lid 1, van het Statuut – Gelijke behandeling – Verlies van de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor bevordering tot de rang AST 10 – Gewettigd vertrouwen”

In zaak T‑525/16,

GQ, ambtenaar van de Europese Commissie en de andere ambtenaren van de Europese Commissie wier namen in de bijlage zijn vermeld(1), vertegenwoordigd door T. Bontinck en A. Guillerme, advocaten,

verzoekers,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Currall en G. Gattinara, vervolgens door G. Gattinara en C. Berardis-Kayser en ten slotte door G. Gattinara en G. Berscheid als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Europees Parlement, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Dean en N. Chemaï, vervolgens door J. Steele, L. Deneys en J. Van Pottelberge als gemachtigden,

en door

Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Bauer en E. Rebasti, vervolgens door M. Bauer en R. Meyer als gemachtigden,

interveniënten,

betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie waarbij het tot aanstelling bevoegd gezag van die instelling verzoekers heeft ingedeeld in de standaardfunctie „assistent in de overgangsfase”, met als gevolg het verlies, met ingang van 1 januari 2014, van de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor bevordering naar een hogere rang, zoals bevestigd bij het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 3 juli 2014 houdende afwijzing van de door verzoekers tussen 11 en 28 maart 2014 ingediende klachten,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: I. Pelikánová, president, P. Nihoul en J. Svenningsen (rapporteur), rechters,

griffier: M. Marescaux, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 oktober 2018,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        GQ en de zeven andere verzoekers van wie de namen in de bijlage staan, zijn ambtenaren van de Europese Commissie van de functiegroep assistenten (AST) in de rang AST 9.

2        Uit bijlage I, afdeling A, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, in de versie die gold van 1 mei 2004 tot en met 31 december 2013 (hierna: „Statuut van 2004”) volgt dat de ambtenaren van de functiegroep assistenten, ingedeeld overeenkomstig artikel 5 van dit Statuut, konden worden bevorderd van de rang AST 1 naar de rang AST 11 door bevordering krachtens artikel 45 van dit Statuut, welke procedure inhield „[b]evordering [...] door benoeming van de betrokken ambtenaar in de eerstvolgende hogere rang van de functiegroep waartoe hij behoort”, „uitsluitend op basis van een selectie onder de ambtenaren die een diensttijd van ten minste twee jaar in hun rang hebben volbracht, na een vergelijkende beoordeling van de verdiensten van de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen”. Onder het regime van dat Statuut kon de ambtenaar in de functie van assistent van de rang AST 9 dus krachtens artikel 45 van dat Statuut in aanmerking komen voor bevordering naar de rang AST 10 en vervolgens naar de rang AST 11.

3        Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (PB 2013, L 287, blz. 15), is in werking getreden op 1 november 2013. De overwegingen 17, 18 en 19 van die verordening luiden als volgt:

„17)      De Raad verzocht de Commissie om een studie en de indiening van passende voorstellen in verband met artikel 5, lid 4, bijlage I, afdeling A, en artikel 45, lid 1, van het statuut [van 2004], teneinde verantwoordelijkheid en rang duidelijk aan elkaar te koppelen en ervoor te zorgen dat er bij het vergelijkend onderzoek van de verdiensten in het kader van bevordering een grotere klemtoon wordt gelegd op het niveau van de verantwoordelijkheden.

18)      Gelet op dit verzoek is het passend om de bevordering tot een hogere rang te doen afhangen van persoonlijke toewijding, de verbetering van vaardigheden en bekwaamheden, en de uitvoering van taken waarvan het belang rechtvaardigt dat de ambtenaar in die hogere rang wordt benoemd.

19)      De loopbaan in de functiegroepen AD [administrateurs] en AST [assistenten] moet zodanig worden geherstructureerd dat de hoogste rangen zullen worden voorbehouden aan een beperkt aantal ambtenaren die het hoogste niveau van verantwoordelijkheid dragen. Daarom kunnen administrateurs alleen opklimmen tot de rang van AD 12, tenzij ze benoemd worden voor een specifiek ambt boven die rang, en moeten de rangen AD 13 en 14 voorbehouden zijn voor ambtenaren met een functie die grote verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Op dezelfde manier kunnen ambtenaren in rang AST 9 alleen worden bevorderd tot rang AST 10 volgens de in artikel 4 en artikel 29, lid 1, van het Statuut vastgestelde procedure.”

4        Artikel 5, lid 4, van het Statuut van de ambtenaren, in de met ingang van 1 januari 2014 toepasselijke versie (hierna: „nieuw Statuut” of „Statuut”), bepaalt het volgende:

„In bijlage I, afdeling A, [van het nieuwe Statuut] is een overzicht van de verschillende standaardfuncties opgenomen. Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling kan op basis van dit overzicht en na overleg met het comité voor het statuut, uitvoeriger de bij ieder type van standaardfunctie behorende taken en bevoegdheden vaststellen.”

5        Uit bijlage I, afdeling A, punt 2, bij het nieuwe Statuut, dat het opschrift „Standaardfuncties in elk van de in artikel 5, lid 4 bedoelde functiegroepen” draagt, volgt dat wat de functiegroep AST betreft:

–        de op de standaardfunctie „assistent” nieuw benoemde ambtenaren kunnen opklimmen van de rang AST 1 naar de rang AST 9;

–        de op de standaardfunctie „senior assistent” nieuw benoemde ambtenaren kunnen opklimmen van de rang AST 10 naar de rang AST 11.

6        Ingevolge bijlage I, afdeling A, punt 2, van het nieuwe Statuut is de „assistent” belast met de „[u]itvoering van administratieve, technische of opleidingsactiviteiten die een zekere mate van autonomie vereisen, met name wat de uitvoering betreft van de voorschriften en regelgeving of algemene instructies, of als persoonlijk assistent van een lid van een instelling, van een kabinetschef van een lid of van een (adjunct-)directeur-generaal of een gelijkwaardige senior manager”. De „senior assistent” op zijn beurt is belast met de „[u]itvoering van administratieve, technische of opleidingsactiviteiten die een hoge mate van autonomie vereisen met een grote verantwoordelijkheid voor personeelsbeheer, uitvoering van begroting of politieke coördinatie”.

7        Artikel 45 van het Statuut van 2004 is voorts gewijzigd door de toevoeging, in de versie van deze bepaling in het nieuwe Statuut, van de volgende volzin: „Tenzij de in artikel 4 en artikel 29, lid 1, [van het Statuut] vastgestelde procedure wordt toegepast, kunnen ambtenaren alleen worden bevorderd indien zij een ambt bekleden dat overeenstemt met één van de standaardfuncties die in bijlage I, afdeling A, bij de eerstvolgende hogere rang is vermeld.”

8        In het kader van overgangsmaatregelen waarop bijlage XIII van het nieuwe Statuut betrekking heeft, bepaalt artikel 31 van deze bijlage het volgende:

„1.      In afwijking van punt 2 van afdeling A van bijlage I is het onderstaande overzicht van standaardfuncties in de functiegroep AST van toepassing op ambtenaren die op 31 december 2013 in dienst zijn:

Senior assistent in de overgangsfase

AST 10 – AST 11

Assistent in de overgangsfase

AST 1 – AST 9

Administratief assistent in de overgangsfase

AST 1 – AST 7

Ondersteunend medewerker in de overgangsfase

AST 1 – AST 5


2.      Met ingang van 1 januari 2014 deelt het tot aanstelling bevoegde gezag de ambtenaren in functiegroep AST die op 31 december 2013 in dienst zijn, als volgt in:

a)      De ambtenaren die op 31 december 2013 behoren tot rang AST 10 of AST 11, worden als senior assistent in de overgangsfase ingedeeld.

b)      De ambtenaren die niet onder punt a) vallen en die vóór 1 mei 2004 tot de vroegere categorie B behoorden of die vóór 1 mei 2004 tot de vroegere categorie C of D behoorden en zonder beperking zijn toegetreden tot de functiegroep AST, alsook de ambtenaren die na 1 mei 2004 zijn aangeworven in de functiegroep AST, worden als assistent in de overgangsfase ingedeeld.

c)      De ambtenaren die niet onder de punten a) en b) vallen en die vóór 1 mei 2004 tot de vroegere categorie C behoorden, worden ingedeeld als administratief assistent in de overgangsfase.

d)      De ambtenaren die niet onder de punten a) en b) vallen en die vóór 1 mei 2004 tot de vroegere categorie D behoorden, worden ingedeeld als ondersteunend medewerker in de overgangsfase.

3.      De indeling in een standaardfunctie geldt totdat aan de ambtenaar een nieuwe taak wordt toebedeeld die overeenstemt met een andere standaardfunctie. Administratieve assistenten in de overgangsfase en ondersteunende medewerkers in de overgangsfase kunnen enkel overeenkomstig de in artikelen 4 en 29, lid 1, van het Statuut vastgestelde procedure worden benoemd in de standaardfunctie assistent zoals gedefinieerd in afdeling A van bijlage I. Bevordering wordt alleen toegestaan binnen de loopbaanstromen die overeenstemmen met elke in lid 1 vermelde standaardfunctie.

[...]”

9        Op 16 december 2013 heeft de Commissie besluit C(2013) 8968 final houdende algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het nieuwe Statuut vastgesteld, bekendgemaakt in Mededelingen van de administratie nr. 55‑2013 van 19 december 2013. Volgens artikel 3, tweede streepje, van deze algemene uitvoeringsbepalingen „kan een ambtenaar enkel worden bevorderd, indien hij op het moment waarop de bevorderingsronde aanvangt, een functie vervult die overeenstemt met één van de standaardfuncties voor de rang waarnaar hij kan worden bevorderd, als vermeld in bijlage I, afdeling A, in artikel 30, lid 1, of in artikel 31, lid 1, van bijlage XIII bij het [nieuwe] Statuut”.

10      Na de inwerkingtreding op 1 januari 2014 van de in de punten 3 tot en met 9 hierboven genoemde maatregelen werden verzoekers ingedeeld in de standaardfunctie „assistent in de overgangsfase”, wat een loopbaanontwikkeling tussen de rangen AST 1 en AST 9 inhoudt. Het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) van de Commissie heeft aldus in het computersysteem voor het personeelsbeheer „SysPer 2” de persoonsdossiers van verzoekers gewijzigd door hierin te vermelden dat zij aan een dergelijke standaardfunctie verbonden taken vervulden, met als gevolg dat zij met ingang van 1 januari 2014 niet meer in aanmerking kwamen voor bevordering naar de hogere rang AST 10.

11      Tussen 11 en 28 maart 2014 hebben verzoekers krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut elk een klacht ingediend tegen zowel de algemene als de individuele besluiten van het TABG, strekkende tot het blokkeren van de bevordering van verzoekers naar de rang AST 10 in het kader van de jaarlijkse bevorderingsronde uit hoofde van artikel 45 van het Statuut.

12      Bij in identieke bewoordingen geformuleerde besluiten van 3 juli 2014 heeft het TABG de klachten van verzoekers afgewezen.

 Procedure en conclusies van partijen

13      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie op 17 oktober 2014 en ingeschreven onder nummer F‑111/14, hebben verzoekers het onderhavige beroep ingesteld.

14      Bij beschikking van 26 november 2014 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht voor ambtenarenzaken, de partijen gehoord, besloten de onderhavige zaak te schorsen tot de uitspraken in de zaken U4U e.a./Parlement en Raad (T‑17/14) en USFSPEI/Parlement en Raad (T‑75/14) definitief waren geworden.

15      Op 10 december 2014 en 20 januari 2015 hebben respectievelijk de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement op grond van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, verzocht om toelating tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Zij werden ervan in kennis gesteld dat hun verzoeken bij de hervatting van de procedure zouden worden behandeld.

16      Krachtens artikel 3 van verordening (EU, Euratom) 2016/1192 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de overdracht aan het Gerecht van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden (PB 2016, L 200, blz. 137), is de onderhavige zaak in de staat waarin zij zich op 31 augustus 2016 bevond overgedragen aan het Gerecht en moet zij thans worden behandeld overeenkomstig het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. De zaak is ingeschreven onder nummer T‑525/16 en toegewezen aan de Eerste kamer.

17      Na de uitspraak van het arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad (T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489), en daarna het arrest van 16 november 2017, USFSPEI/Parlement en Raad (T‑75/14, EU:T:2017:813), alsmede de vaststelling dat geen hogere voorziening was ingesteld tegen deze uitspraken binnen de termijn van artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de procedure in de onderhavige zaak hervat en is de Commissie verzocht een verweerschrift in te dienen, wat zij binnen de gestelde termijn, namelijk op 15 april 2018, heeft gedaan.

18      Bij beschikking van 17 april 2018 zijn het Parlement en de Raad krachtens artikel 144 van het Reglement voor de procesvoering toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.

19      Op 29 en 30 mei 2018 hebben respectievelijk het Parlement en de Raad hun memorie in interventie ingediend, waarover de hoofdpartijen geen opmerkingen hebben ingediend.

20      Op 30 mei 2018 hebben verzoekers gerepliceerd in het kader van de tweede memoriewisseling die was toegestaan door het Gerecht.

21      Naar aanleiding van de indiening in het kader van de zaak GM e.a./Commissie (T‑539/16) van een verzoek om voeging van die zaak met de onderhavige zaak, zijn partijen dienaangaande gehoord en hebben zij geen bezwaar gemaakt.

22      Na de indiening van de memorie van dupliek op 18 juli 2018 is de schriftelijke behandeling gesloten.

23      Bij beschikking van 18 september 2018 is de onderhavige zaak, de partijen gehoord, voor de mondelinge behandeling gevoegd met de zaken T‑526/16 (FZ e.a./Commissie) en T‑540/16 (FZ e.a./Commissie).

24      Partijen hebben ter terechtzitting van 17 oktober 2018 pleidooi gehouden. Ter terechtzitting heeft het Gerecht de Commissie verzocht om binnen een termijn van twee weken bepaalde informatie over de huidige statutaire positie van verzoekers te verschaffen. Na het antwoord van de Commissie van 31 oktober 2018 en de opmerkingen van verzoekers van 13 november daaraanvolgend is de mondelinge behandeling gesloten.

25      Verzoekers verzoeken het Gerecht:

–        primair,

–        artikel 45 van en bijlage I bij het nieuwe Statuut alsmede de daarmee verband houdende overgangsmaatregelen onwettig te verklaren;

–        zowel de algemene als de individuele besluiten van het TABG om elke mogelijkheid te blokkeren om verzoekers, als ambtenaren van de rang AST 9, in het kader van de jaarlijkse bevorderingsronde 2014 te bevorderen, nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten;

–        subsidiair,

–        zowel de algemene als de individuele besluiten van het TABG om elke mogelijkheid te blokkeren om verzoekers, als ambtenaren van de rang AST 9, in het kader van de jaarlijkse bevorderingsronde 2014 te bevorderen, nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

26      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekers te verwijzen in de kosten.

27      Het Parlement verzoekt het Gerecht „de argumenten van [verzoekers] strekkende tot verkrijging van de niet-toepasselijkheid van artikel 45 van het [nieuwe] Statuut” af te wijzen.

28      De Raad verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekers te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Ontvankelijkheid van het beroep

29      Om te beginnen benadrukt de Commissie dat het beroep, ofschoon zij concludeert tot de ontvankelijkheid ervan, in feite slechts gericht is tegen de besluiten van het TABG om verzoekers met ingang van 1 januari 2014 in te delen in de standaardfunctie „assistent in de overgangsfase”, en dat, zo bezien, deze voor hen bezwarende handeling voorwerp is geweest van hun klachten die binnen de in het Statuut vastgestelde termijnen zijn ingediend.

30      Aangezien het bestaan van een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Statuut een onmisbare voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van beroepen van ambtenaren tegen de instelling waartoe zij behoren, moet in de omstandigheden van de onderhavige zaak om te beginnen worden nagegaan tegen welke handelingen verzoekers door middel van het onderhavige beroep willen opkomen en of deze voor hen bezwarende handelingen vormen (zie in die zin arrest van 28 april 2017, HN/Commissie, T‑588/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:292, punt 39, en beschikking van 16 juli 2015, FG/Commissie, F‑20/15, EU:F:2015:93, punt 43).

31      Dienaangaande had het TABG – anders dan het geval was voor ambtenaren met de functie van administrateur, die konden worden ingedeeld in verschillende standaardfuncties, zoals „senior administrateur in de overgangsfase”, „administrateur in de overgangsfase”, „administrateur”, „adviseur of gelijkwaardig”, dan wel „eenheidshoofd of gelijkwaardig” (zie in die zin arresten van 28 april 2017, HN/Commissie, T‑588/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:292, punt 40, en 16 juli 2015, EJ e.a./Commissie, F‑112/14, EU:F:2015:93, punt 43) –in het onderhavige geval weliswaar geen andere keuze dan de ambtenaren die op 31 december 2013 de functie van assistent AST 9 vervulden, in te delen in de enige standaardfunctie „assistent in de overgangsfase” die was voorzien in artikel 31, lid 2, onder b), van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut.

32      Maar, zoals de Commissie benadrukt, ook al past het TABG enkel de bepalingen van het nieuwe in werking getreden Statuut toe, het besluit, dat voor het eerst toepassing geeft aan deze bepalingen, kan worden beschouwd als een bezwarende handeling (zie in die zin arresten van 4 juli 1985, Agostini e.a./Commissie, 233/83, EU:C:1985:291, punt 13, en 20 juli 2017, Barnett en Mogensen/Commissie, T‑148/16 P, niet gepubliceerd, EU:T:2017:539, punt 47).

33      Ook al zijn zij, gelet op de bewoordingen van artikel 31, lid 2, van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut, in gebonden bevoegdheid genomen, de besluiten van het TABG om verzoekers per 1 januari 2014 in te delen in de standaardfunctie „assistent in de overgangsfase”, die hun beslag hebben gekregen door de aantekening, op 30 januari 2013, betreffende de indeling in die standaardfunctie in hun respectieve persoonsdossier in SysPer 2 (hierna: „bestreden besluiten”), zijn voor hen bezwarend, omdat zij tot gevolg hebben dat zij niet meer in aanmerking komen voor bevordering naar de rang AST 10 (zie in die zin arresten van 28 april 2017, HN/Commissie, T‑588/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:292, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 juli 2015, EJ e.a./Commissie, F‑112/14, EU:F:2015:93, punt 45). Voorts zijn deze besluiten in ieder geval betwist door middel van klachten die binnen een termijn van drie maanden overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut zijn ingediend.

34      In die omstandigheden moet het onderhavige beroep ontvankelijk worden verklaard voor zover het is gericht tegen de bestreden besluiten. Gelet op het evolutieve karakter van de precontentieuze procedure moet ook rekening worden gehouden met de motivering van de besluiten tot afwijzing van verzoekers klachten, daar deze motivering geacht wordt samen te vallen met die van de bestreden besluiten (zie in die zin arresten van 9 december 2009, Commissie/Birkhoff, T‑377/08 P, EU:T:2009:485, punten 58 en 59, en 16 januari 2018, SE/Raad, T‑231/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:3, punt 22).

 Vordering tot vaststelling van de onwettigheid van bepaalde statutaire bepalingen

35      Wat betreft de vordering die ertoe strekt dat het Gerecht de onwettigheid van artikel 45 van het nieuwe Statuut en de daarop betrekking hebbende overgangsmaatregelen vaststelt, zij eraan herinnerd dat in het kader van de vordering tot nietigverklaring van een individueel besluit dat hem raakt, een ambtenaar of personeelslid zich krachtens artikel 277 VWEU kan beroepen op de onwettigheid van een handeling van algemene strekking, op grond waarvan dit besluit is vastgesteld. Volgens artikel 277 VWEU is namelijk alleen de Unierechter bevoegd om de onwettigheid van een handeling van algemene strekking vast te stellen en om gevolgen te trekken uit de daaruit resulterende niet-toepasselijkheid voor het individuele besluit dat voor hem wordt bestreden (arrest van 27 oktober 2016, Cerafogli/ECB, T‑787/14 P, EU:T:2016:633, punt 49).

36      De vaststelling van de onwettigheid door de Unierechter overeenkomstig artikel 277 VWEU heeft evenwel geen gevolgen erga omnes, omdat deze vaststelling, ook al leidt zij tot de onwettigheid van de bestreden individuele handeling, de handeling van algemene strekking in de rechtsorde laat voortbestaan zonder aantasting van de wettigheid van de andere handelingen die op basis daarvan zijn vastgesteld en die niet binnen de beroepstermijn zijn aangevochten (zie in die zin arresten van 21 februari 1974, Kortner e.a./Raad e.a., 15/73‐33/73, 52/73, 53/73, 57/73‐109/73, 116/73, 117/73, 123/73, 132/73 en 135/73‐137/73, EU:C:1974:16, punten 37 en 38, en 27 oktober 2016, ECB/Cerafogli, T‑787/14 P, EU:T:2016:633, punt 53).

37      Bijgevolg is de Unierechter in het kader van een vordering tot nietigverklaring van een individueel bezwarend besluit dus weliswaar bevoegd om incidenteel de onwettigheid van een bepaling van algemene strekking waarop het bestreden besluit is gebaseerd vast te stellen, maar is hij niet bevoegd tot dergelijke vaststellingen in het dictum van zijn arresten (zie in die zin arrest van 21 oktober 2009, Ramaekers‑Jørgensen/Commissie, F‑74/08, EU:F:2009:142, punt 37).

38      Zoals de Commissie terecht betoogt, moet de vordering strekkende tot de vaststelling door het Gerecht van de onwettigheid van artikel 45 van en bijlage I bij het nieuwe Statuut, alsmede de hierop betrekking hebbende overgangsmaatregelen, aangezien zij niet onder een exceptie van onwettigheid krachtens artikel 277 VWEU valt en strekt tot nietigverklaring van de bestreden besluiten, kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.

 Vordering tot nietigverklaring

39      Ter onderbouwing van hun vordering tot nietigverklaring voeren verzoekers primair de eerste twee middelen aan, ontleend aan ten eerste onwettigheid van artikel 45 van en bijlage I bij het nieuwe Statuut, en ten tweede onwettigheid van deze bepalingen wegens het ontbreken van overgangsbepalingen ter compensatie van het verlies van de mogelijkheid voor ambtenaren van de rang AST 9 om in aanmerking te komen voor bevordering. Subsidiair voeren zij twee andere middelen aan, ontleend aan ten eerste schending van dit artikel en het bestaan van een kennelijke beoordelingsfout, en ten tweede niet-nakoming van de motiveringsplicht.

40      De Commissie, ondersteund door het Parlement en de Raad, concludeert tot ongegrondverklaring van alle middelen.

 Eerste middel: onwettigheid van artikel 45 van en bijlage I bij het nieuwe Statuut

41      Volgens verzoekers vormt de in het nieuwe Statuut vastgelegde regeling, te weten de onmogelijkheid voor ambtenaren van de rang AST 9 die zijn ingedeeld in de standaardfunctie „assistent in de overgangsfase” om te worden bevorderd naar de hogere rang overeenkomstig artikel 45 van het nieuwe Statuut, aangezien zij niet zijn opgenomen in een standaardfunctie die het mogelijk maakt in aanmerking te komen voor de rang AST 10, een schending van het beginsel van gelijke behandeling, het beginsel van loopbaanontwikkeling en het evenredigheidsbeginsel alsook een niet-nakoming van de zorgplicht. In dit verband zijn zij van mening dat zij bij hun aanwerving in aanmerking kwamen om uiteindelijk zonder beperking naar de rang AST 11 te kunnen worden bevorderd. Artikel 45 van en bijlage I bij het nieuwe Statuut zouden dus hun verworven rechten aantasten. Zij beroepen zich hiermee op de onwettigheid van voornoemde bepalingen.

42      De Commissie, ondersteund door het Parlement en de Raad, concludeert tot ongegrondverklaring van de exceptie van onwettigheid.

43      Het onderhavige middel bestaat uit zes onderdelen die achtereenvolgens moeten worden onderzocht.

–       Eerste onderdeel van het eerste middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het recht op ontwikkeling van de loopbaan

44      Tot staving van het eerste onderdeel van het eerste middel betogen verzoekers dat, gelet op artikel 5, lid 5, van het Statuut, volgens hetwelk „[v]oor alle ambtenaren die tot dezelfde functiegroep behoren, [...] dezelfde voorwaarden inzake aanwerving en loopbaanverloop [gelden]”, de Uniewetgever het beginsel van gelijke behandeling en het recht op ontwikkeling van de loopbaan heeft miskend.

45      Om te beginnen zijn verzoekers van mening dat door in artikel 31, leden 1 tot en met 3, van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut, dat ziet op „overgangsmaatregelen van toepassing op de ambtenaren van de Unie”, te bepalen dat „[b]evordering [...] [voortaan] alleen [wordt] toegestaan binnen de loopbaanstromen die overeenstemmen met elke [...] standaardfunctie”, de wetgever van de Unie het beginsel van gelijke behandeling en het recht op ontwikkeling van de loopbaan heeft geschonden door verzoekers op te sluiten in de standaardfunctie „assistent in de overgangsfase” die voor hen niet langer de mogelijkheid biedt om te worden bevorderd naar de rang AST 10, aangezien die rang voorbehouden is aan ambtenaren met de standaardfunctie „senior assistent in de overgangsfase”, als bedoeld in artikel 31, lid 1, van die bijlage, dan wel met de in afdeling A, punt 2, van bijlage I bij het nieuwe Statuut in het leven geroepen functie „senior assistent”.

46      Voorts zou de Uniewetgever ook de beginselen van gelijke behandeling en het recht op ontwikkeling van de loopbaan hebben miskend door aan artikel 45 van het nieuwe Statuut de zinsnede toe te voegen dat „[t]enzij de in artikel 4 en artikel 29, lid 1, [van het Statuut] vastgestelde procedure wordt toegepast, [...] ambtenaren alleen [kunnen] worden bevorderd indien zij een ambt bekleden dat overeenstemt met één van de standaardfuncties die in bijlage I, afdeling A, bij de eerstvolgende hogere rang is vermeld”.

47      Verzoekers zijn van mening ongelijk te zijn behandeld ten opzichte van de assistenten van lagere rang dan de rang AST 9, aangezien deze in aanmerking zouden kunnen blijven komen voor bevordering op basis van een vergelijking van de bestendigheid van de verdiensten in de tijd, terwijl in hun geval bevordering naar de rang AST 10 alleen mogelijk zou zijn krachtens de procedure van artikel 4 en artikel 29, lid 1, van het Statuut, op basis waarvan geen bevordering door het aantonen van de bestendigheid van de verdiensten in de tijd mogelijk zou zijn, aangezien zij hoofdzakelijk zou zijn gebaseerd op de beoordeling van de bekwaamheid van ambtenaren van de rang AST 9 die hun belangstelling kenbaar hebben gemaakt om in aanmerking te komen voor een vacante betrekking als „senior assistent”.

48      Bovendien betogen verzoekers dat terwijl de assistenten van lagere rangen, te weten de rangen AST 1 tot en met AST 8, de garantie hebben te worden bevorderd gezien het aantal bevorderingen dat jaarlijks door het TABG binnen de instelling moet worden goedgekeurd, zijzelf zouden zijn blootgesteld aan onzekerheid wat betreft het aantal vacatures voor „senior assistenten” waarover het TABG jaarlijks beslist uit hoofde van de procedure van artikel 4 en artikel 29, lid 1, van het Statuut. Voorts zou het TABG in het kader van de benoemingsprocedure voor deze aanstellingen over een ruimere beoordelingsbevoegdheid beschikken dan in het kader van de bevorderingsprocedure, met name omdat het paritair bevorderingscomité geen rol hierin heeft. Verzoekers voegen daaraan toe dat zij in het kader van deze benoemingsprocedure niet alleen concurreren met de andere assistenten van de Commissie, net als bij de vergelijking van de verdiensten uit hoofde van de bevorderingsprocedure, maar ook met die van de andere instellingen, hetgeen hun kans op bevordering zou verminderen.

49      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de rechtsverhouding tussen een ambtenaar en de administratie statutair en niet contractueel van aard is (zie in die zin arrest van 19 maart 1975, Gillet/Commissie, 28/74, EU:C:1975:46, punt 4). Dit betekent dat de rechten en de verplichtingen van de ambtenaar op elk moment door de wetgever kunnen worden gewijzigd. Hierbij zijn de wetten waarbij een wettelijke bepaling wordt gewijzigd, zoals de krachtens artikel 336 VWEU vastgestelde verordeningen tot wijziging van het Statuut, behoudens uitzondering, in beginsel van toepassing op de toekomstige gevolgen van onder de oude regeling ontstane situaties. Dit is alleen anders voor situaties die onder de vroegere regel zijn ontstaan en definitief tot stand zijn gekomen en die verworven rechten in het leven roepen (arresten van 22 december 2008, Centeno Mediavilla e.a./Commissie, C‑443/07 P, EU:C:2008:767, punten 60‑62, en 16 juli 2015, EJ e.a./Commissie, F‑112/14, EU:F:2015:90, punt 58).

50      Volgens de rechtspraak wordt, in de context van een herziening van het Statuut, een recht enkel als verworven beschouwd wanneer het rechtscheppende feit ervan zich vóór de wetswijziging heeft voorgedaan. Dit geldt echter niet voor een recht waarvan het rechtscheppende feit niet is ontstaan onder de wettelijke regeling die is gewijzigd. Konden ambtenaren, zoals in casu, tot de datum van inwerkingtreding van het nieuwe Statuut uitsluitend in aanmerking komen voor bevordering en hing deze bevordering af van een daartoe strekkend besluit van het TABG tot bevordering naar de rang AST 10 dat het, in dit geval op 1 januari 2014, nog niet had genomen, dan kunnen dergelijke ambtenaren zich niet beroepen op een verworven recht met betrekking tot het behoud van een aanspraak op die bevordering na deze datum (zie in die zin arresten van 22 december 2008, Centeno Mediavilla e.a./Commissie, C‑443/07 P, EU:C:2008:767, punten 63‑65, en 16 juli 2015, EJ e.a./Commissie, F‑112/14, EU:F:2015:90, punt 59).

51      Bovendien kunnen de ambtenaren zich niet op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen beroepen om op te komen tegen de toepassing van een nieuwe wettelijke regel, met name op een gebied waarop de Uniewetgever over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt (arresten van 22 december 2008, Centeno Mediavilla e.a./Commissie, C‑443/07 P, EU:C:2008:767, punt 91, en 16 juli 2015, EJ e.a./Commissie, F‑112/14, EU:F:2015:90, punt 60). Bijgevolg moeten de argumenten van verzoekers inzake schending van het beginsel van het gewettigd vertrouwen en hun vermeende verworven rechten met betrekking tot het in aanmerking komen voor bevordering naar de rang AST 10, wegens de plafonnering van hun loopbaan die door deze wetgever en/of door de Commissie zou zijn besloten en die voortvloeit uit hun indeling in de standaardfunctie „assistent in de overgangsfase”, worden afgewezen.

52      Voorts moet worden beklemtoond dat, gelet op zijn ruime beoordelingsbevoegdheid, de Uniewetgever in overweging 19 van verordening nr. 1023/2013 en in bijlage I, afdeling A, punt 2, bij het nieuwe Statuut op goede gronden kon menen dat de rangen AST 10 en AST 11 moesten worden voorbehouden aan een beperkt aantal ambtenaren, in casu alleen aan assistenten met een functie die, in de bewoordingen van overweging 19, grote verantwoordelijkheden met zich brengt, dat wil zeggen „een grote verantwoordelijkheid voor personeelsbeheer, uitvoering van begroting of politieke coördinatie”.

53      Met name kon de Uniewetgever, anders dan verzoekers betogen, zich op het standpunt stellen dat de toegang tot een functie in de rang AST 10, aangeduid als „senior assistent”, niet meer moest plaatsvinden in het kader van een bevordering krachtens artikel 45 van het Statuut van 2004, welke procedure volgens de rechtspraak de loopbaan van de ambtenaren beoogt af te stemmen op de verrichte inspanningen en gebleken verdiensten, waaronder de duur (arresten van 11 juli 2007, Konidaris/Commissie, T‑93/03, EU:T:2007:209, punt 91, en 16 juli 2015, EJ e.a./Commissie, F‑112/14, EU:F:2015:90, punt 72), maar voortaan moest geschieden in het kader van de benoemingsprocedure als bedoeld in artikel 4 en artikel 29, lid 1, van het Statuut.

54      Deze procedure ter voorziening in een vacature in de zin van artikel 29, lid 1, van het Statuut ziet er immers op dat, in het belang van de dienst, wordt gezocht naar de ambtenaar van de instelling of van andere instellingen die het meest geschikt is voor de werkzaamheden van de functie waarin moet worden voorzien. Gelet op de doelstelling van de Uniewetgever om publiek geld rationeel te besteden en op het verband tussen de functies en de rang, kon de Uniewetgever ervan uitgaan dat een dergelijke procedure het TABG het best in staat kan stellen de functies die het belangrijkst zijn en door een hoog niveau worden gekenmerkt, toe te vertrouwen aan een beperkt aantal ambtenaren met de meest geschikte beroepsvaardigheden, in casu aan assistenten die verantwoordelijkheden kunnen dragen welke belangrijk zijn en een hoge mate van autonomie vereisen.

55      Bovendien moet worden beklemtoond dat het TABG beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de organisatie en de structurering van zijn diensten en, bijgevolg, van het niveau van de verantwoordelijkheden die gepaard gaan met de taken die het noodzakelijk acht om aan zijn ambtenaren en personeelsleden toe te vertrouwen (zie arrest van 28 april 2017, HN/Commissie, T‑588/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:292, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit betekent dat het TABG vrij is om, onder toezicht van de begrotingsautoriteit, het aantal werkelijk benodigde senior assistenten te bepalen en te rationaliseren.

56      In tegenstelling tot wat verzoekers betogen, is de wijziging van het Statuut met betrekking tot de loopbaanstructuur van assistenten in dit opzicht niet in strijd met de handhaving in het nieuwe Statuut van artikel 5, lid 5, ingevolge waarvan „[v]oor alle ambtenaren die tot dezelfde functiegroep behoren, [...] dezelfde voorwaarden inzake aanwerving en loopbaanverloop [gelden]”. In het nieuwe statutaire raamwerk gelden namelijk voor alle assistenten, ongeacht de datum van hun aanwerving of indiensttreding, dezelfde voorwaarden voor het verloop van hun loopbaan, dat wil zeggen een mogelijke carrièreontwikkeling tot de rang AST 9 via het mechanisme van bevordering voorzien in artikel 45 van het nieuwe Statuut en een doorgroei boven deze rang uit ter vervulling van functies met een hoog niveau van verantwoordelijkheid, zoals die van de „senior assistent”, die uitsluitend via de procedure van artikel 4 en artikel 29, lid 1, van het nieuwe Statuut verloopt.

57      Wat het beginsel van het recht op ontwikkeling van de loopbaan betreft, zij er nog aan herinnerd dat in het Unierecht uitdrukkelijk noch een beginsel van eenheid van de loopbaan noch een beginsel van loopbaan is verankerd. In de rechtspraak is daarentegen het beginsel van het recht op ontwikkeling van de loopbaan geformuleerd als een bijzondere vorm van het op ambtenaren van toepassing zijnde beginsel van gelijke behandeling (arrest van 5 maart 2008, Toronjo Benitez/Commissie, F‑33/07, EU:F:2008:25, punten 87 en 88, en beschikking van 27 september 2011, Lübking e.a./Commissie, F‑105/06, EU:F:2011:152, punten 81 en 82).

58      Dienaangaande volgt uit artikel 5, lid 5, van het Statuut inderdaad dat „[v]oor alle ambtenaren die tot dezelfde functiegroep behoren, [...] dezelfde voorwaarden inzake aanwerving en loopbaanverloop [gelden]”. Uit artikel 45 en artikel 31, lid 3, van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut, welke bijlage dezelfde juridische waarde heeft als het Statuut zelf (zie in die zin arresten van 24 november 2010, Commissie/Raad, C‑40/10, EU:C:2010:713, punt 61, en 5 februari 2016, Barnett en Mogensen/Commissie, F‑56/15, EU:F:2016:11, punt 68), volgt evenwel dat de Uniewetgever heeft besloten dat met ingang van 1 januari 2014, „[t]enzij de in artikel 4 en artikel 29, lid 1, vastgestelde procedure wordt toegepast, [...] ambtenaren alleen [kunnen] worden bevorderd indien zij een ambt bekleden dat overeenstemt met één van de standaardfuncties die in bijlage I, afdeling A, [bij het Statuut] bij de eerstvolgende hogere rang is vermeld” en dat, met andere woorden, „[b]evordering [...] alleen [wordt] toegestaan binnen de loopbaanstromen die overeenstemmen met elke in lid 1 [van artikel 31 van bijlage XIII bij het Statuut] vermelde standaardfunctie”.

59      Zoals volgt uit overweging 19 van verordening nr. 1023/2013 had de Uniewetgever bij de tenuitvoerlegging van artikel 5, lid 5, van het Statuut, dat „dezelfde voorwaarden inzake aanwerving en loopbaanverloop” voor alle assistenten vereist, de bedoeling om de loopbaan van assistenten te „herstructureren” door te voorzien in twee opeenvolgende loopbaantrajecten voor hen, te weten het eerste in de rangen AST 1 tot en met AST 9 en het tweede voorbehouden aan assistenten met een functie die grote verantwoordelijkheden met zich brengt, dat de toegang mogelijk maakt tot de hoogste AST-rangen, te weten AST 10 en AST 11.

60      Zoals de Raad benadrukt heeft de wetgever van de Unie, door voor te schrijven dat ambtenaren voortaan, tenzij de in artikel 4 en artikel 29, lid 1, van het Statuut vastgestelde procedure wordt toegepast, alleen kunnen worden bevorderd indien zij een ambt bekleden dat overeenstemt met een van de standaardfuncties voor de eerstvolgende hogere rang, voorzien in een beperking die zonder onderscheid geldt voor alle functiegroepen en, binnen deze groepen, voor alle administrateurs en assistenten, en dit ongeacht de datum van hun aanwerving of indiensttreding.

61      In elk geval is enkel sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling, zijnde een algemeen beginsel van het Unierecht dat is verankerd in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dat van toepassing is op het ambtenarenrecht van de Unie, wanneer twee categorieën personen wier situatie feitelijk en rechtens niet wezenlijk verschilt, bij hun indeling op verschillende wijze worden behandeld en dat verschil in behandeling niet objectief gerechtvaardigd wordt. Bij de toepassing van dit beginsel moet het onderzoek van de te vergelijken situaties rekening houden met alle elementen die deze situaties kenmerken (arrest van 16 juli 2015, EJ e.a./Commissie, F‑112/14, EU:F:2015:90, punt 65; zie ook in die zin arresten van 22 december 2008, Centeno Mediavilla e.a./Commissie, C‑443/07 P, EU:C:2008:767, punt 76, en 15 november 2011, Nolin/Commissie, T‑58/11 P, EU:T:2011:664, punten 37 en 38).

62      Bijgevolg moet worden nagegaan of de ambtenaren in de rang AST 9, ingedeeld in de standaardfunctie „assistent in de overgangsfase”, zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van ambtenaren van lagere rangen, te weten de rangen AST 1 tot en met AST 8, die verder aanspraak kunnen maken op bevordering op grond van artikel 45 van het Statuut.

63      In dit verband zij met betrekking tot de assistenten die op 31 december 2013 in dienst waren eraan herinnerd dat, in tegenstelling tot het geval voor administrateurs, het TABG enkel waar het ging om assistenten in de rangen AST 1 tot en met AST 7 beschikte over een beoordelingsmarge ter zake van de standaardfunctie waarin zij moesten worden ingedeeld. Laatstgenoemden konden worden ingedeeld in de standaardfuncties in de overgangsfase van hetzij „ondersteunend medewerker in de overgangsfase” (AST 1 – AST 5), hetzij „administratief assistent in de overgangsfase” (AST 1 – AST 7), hetzij „assistent in de overgangsfase” (AST 1 – AST 9). Ambtenaren die, zoals verzoekers, krachtens het Statuut van 2004 de standaardfunctie van „assistent” hadden en op 31 december 2013 waren ingedeeld in rang AST 9, konden daarentegen enkel worden ingedeeld in de standaardfunctie „assistent in de overgangsfase”.

64      Assistenten in de rangen AST 1 tot en met AST 8 bevinden zich objectief niet in dezelfde situatie als ambtenaren in de rang AST 9, aangezien zij, anders dan laatstgenoemden en ook al waren zij onder vigeur van het Statuut van 2004 allemaal ingedeeld in dezelfde standaardfunctie, nog niet de hoogste rang hebben bereikt die is voorzien voor de standaardfunctie waarin zij kunnen doorgroeien.

65      Uit de rechtspraak volgt dat het beginsel van gelijke behandeling impliceert dat alle ambtenaren die naar eenzelfde rang zijn bevorderd, bij gelijke verdiensten, dezelfde kansen op bevordering naar de hogere rang dienen te hebben (zie arrest van 16 juli 2015, EJ e.a./Commissie, F‑112/14, EU:F:2015:90, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zo bezien is het in lijn met dit beginsel dat assistenten in de overgangsfase of assistenten allen onderworpen zijn aan de bevorderingsprocedure als bedoeld in artikel 45 van het Statuut voor het bereiken van de in deze standaardfunctie hoogst bereikbare rang en dat, wanneer deze rang AST 9 eenmaal is bereikt, zij allen aan dezelfde procedure zijn onderworpen, in casu die van artikel 4 en artikel 29 van het Statuut, voor de toegang tot een ambt van een hogere rang, in casu de rang AST 10, waarvan het aantal door het TABG wordt bepaald afhankelijk van zijn behoeften.

66      Ten overvloede merkt het Gerecht op dat ambtenaren in de rang AST 9 die in het kader van een aanstelling krachtens artikel 29, lid 1, van het Statuut op deze wijze zijn bevorderd naar de rang AST 10, zich op hun beurt evenmin in dezelfde situatie bevinden als ambtenaren die in aanmerking konden komen voor bevordering naar de rang AST 10 op grond van artikel 45 van het Statuut van 2004 en die deze mogelijkheid hebben verloren als gevolg van de keuze van de wetgever van de Unie om de ambten van assistenten van de rangen AST 10 en AST 11 voor te behouden aan een beperkt aantal ambtenaren dat het hoogste niveau van verantwoordelijkheid draagt.

67      Hoe dan ook wordt door verzoekers noch beweerd noch aangetoond dat zij op 31 december 2013 het hoogste niveau van verantwoordelijkheid droegen in de zin van overweging 19 van verordening nr. 1023/2013, dan wel „een grote verantwoordelijkheid voor personeelsbeheer, uitvoering van begroting of politieke coördinatie” in de zin van afdeling A, punt 2, van bijlage I bij het nieuwe Statuut.

68      Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

–       Tweede onderdeel van het eerste middel: schending van het evenredigheidsbeginsel

69      Ter ondersteuning van het tweede onderdeel van het eerste middel betogen verzoekers dat het blokkeren van hun loopbaan in de rang AST 9, wat zou voortvloeien uit de nieuwe statutaire bepalingen, onevenredig is ten opzichte van de door de wetgever van de Unie kenbaar gemaakte doelstelling om de hoogste rangen voor te behouden aan een beperkt aantal ambtenaren dat het hoogste niveau van verantwoordelijkheid draagt. Om te beginnen zou een dergelijke doelstelling reeds zijn verwezenlijkt omdat krachtens het Statuut van 2004 de toegang tot de rangen AD 15 en AD 16 voor administrateurs is geblokkeerd, aangezien deze rangen enkel bestemd zijn voor directeuren en directeuren‑generaal. Voorts zou de betrokken maatregel in het geval van verzoekers niet geëigend zijn om de beweerde doelstelling te realiseren, aangezien het TABG het aantal rangen dat zou moeten worden voorbehouden aan ambtenaren die een hoog niveau van verantwoordelijkheid dragen, jaarlijks kan herzien, waardoor de carrièrekansen van ambtenaren van de functiegroep assistenten op ongerechtvaardigde wijze zou worden beperkt.

70      Wat dit betreft zij eraan herinnerd dat het evenredigheidsbeginsel vereist dat handelingen van de instellingen van de Unie niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelstellingen. Wat het rechterlijk toezicht op de naleving van die voorwaarden betreft, is aan de Uniewetgever in het kader van de uitoefening van de hem toegekende bevoegdheden een ruime discretionaire bevoegdheid toegekend op gebieden waarop van hem politieke, economische en sociale keuzen worden verlangd en waarop hij ingewikkelde beoordelingen en afwegingen moet maken. Het gaat er dus niet om of een op een dergelijk gebied vastgestelde maatregel de enige of best mogelijke maatregel was. Wanneer de wetgever van de Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, hetgeen het geval is wanneer hij krachtens artikel 336 VWEU wijzigingen van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden vaststelt, kan enkel de kennelijke ongeschiktheid daarvan ter bereiking van het door de bevoegde instellingen nagestreefde doel de rechtmatigheid van die maatregel in het licht van het evenredigheidsbeginsel aantasten (arrest van 26 februari 2016, Bodson e.a./EIB, T‑240/14 P, EU:T:2016:104, punten 116 en 117).

71      In casu blijkt dat, wat betreft de bepalingen van de herziening die op 1 januari 2014 in werking zijn getreden en in de onderhavige zaak aan de orde zijn, de wetgever van de Unie zich als rechtmatig doel heeft gesteld de bevordering naar een hogere rang te doen afhangen van persoonlijke toewijding, de verbetering van vaardigheden en bekwaamheden, en de uitvoering van taken waarvan het belang rechtvaardigt dat de ambtenaar in die hogere rang wordt benoemd.

72      De wetgever van de Unie had immers als doel de aanpak van de onbevredigende, in de praktijk binnen het ambtenarenapparaat van de Unie geconstateerde situatie, namelijk dat niet noodzakelijkerwijs een duidelijk verband kon worden vastgesteld tussen de verantwoordelijkheden en de rang van ambtenaren. Dienaangaande volgt in het bijzonder uit het verslag van de Commissie van 30 april 2011 aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de gelijkwaardigheid van de oude en de nieuwe loopbaanstructuur [COM(2011) 171 definitief] dat „[b]innen een eenheid [...] het nieuwe loopbaansysteem [van het Statuut van 2004] grotere effecten op de salarisstructuur [kon] hebben dan aanvankelijk werd verwacht” en dat „het niet onmogelijk [was] dat een eenheidshoofd minder verdient dan alle ambtenaren in zijn eenheid, inclusief zijn secretariaatsmedewerker” en dat „[e]en ambtenaar [...] vanaf rang AD 9 [kon] worden benoemd tot eenheidshoofd, maar administrateurs [konden] doorgroeien tot AD 14 (dat wil zeggen vijf rangen in plaats van slechts één rang hoger dan de beginrang van een eenheidshoofd in het oude systeem) en secretariaatsmedewerkers tot AST 11 (twee rangen hoger)”.

73      Bij de vergelijking van de verdiensten in het kader van bevordering moest de nadruk volgens de wetgever van de Unie voortaan meer worden gelegd op het niveau van de verantwoordelijkheden. Kortom, uit verordening nr. 1023/2013 blijkt ondubbelzinnig dat de Uniewetgever een einde wenste te maken aan de door het Statuut van 2004 geboden mogelijkheid dat ambtenaren zonder meer konden worden bevorderd naar de hoogste rangen zonder dat een verband kon worden aangetoond tussen de door hen te dragen verantwoordelijkheden en de bezette rang, wat ertoe kon leiden dat ambtenaren van de functiegroep assistenten naar de rang AST 10 of AST 11 konden worden bevorderd zonder noodzakelijkerwijs een hoog niveau van verantwoordelijkheden dan wel meer verantwoordelijkheden te dragen.

74      Gelet op dit legitieme doel mocht de wetgever van de Unie, zonder het evenredigheidsbeginsel te miskennen, van mening zijn dat de rangen AST 10 en AST 11, die recht geven op een bijzonder hoog salaris dat identiek is aan dat van ambtenaren van de functiegroep administrateurs van de rang AD 10 en AD 11, voortaan uitsluitend bestemd zijn voor assistenten die een hoog niveau van verantwoordelijkheid dragen. Een dergelijke maatregel lijkt immers geëigend om het geconstateerde ontbrekende verband te verhelpen tussen, enerzijds, de hoge rang waarnaar bepaalde assistenten waren bevorderd via het bevorderingsmechanisme van artikel 45 van het Statuut, dat voornamelijk is gebaseerd op de verdiensten in de tijd en niet op de vaardigheden en bekwaamheden van de betrokkenen, en, anderzijds, het niveau van de verantwoordelijkheden die zij droegen en dat in de loop van de tijd hetzelfde kon blijven.

75      De door verzoekers aangevoerde omstandigheid dat wat betreft de functiegroep administrateurs, de rangen AD 15 en AD 16 onder vigeur van het Statuut van 2004 uitsluitend aan directeuren waren voorbehouden, is niet relevant. Bovendien moet worden opgemerkt dat in het kader van de in 2014 van kracht geworden herziening de wetgever van de Unie de toegang tot de hoogste rangen, uitsluitend door het mechanisme voor bevordering in de zin van artikel 45 van het nieuwe Statuut, heeft willen uitsluiten voor zowel administrateurs, die niet langer kunnen opklimmen tot de rangen AD 13 en AD 14 via enkel dit mechanisme, als „assistenten” of „assistenten in de overgangsfase”, voor wie de toegang, louter via bevordering, tot de rangen AST 10 en AST 11 voortaan eveneens is uitgesloten ten gunste van een benoeming-bevordering in de standaardfunctie „senior assistent” krachtens de procedure van artikel 4 en artikel 29, lid 1, van het Statuut.

76      Gelet op een en ander dient het tweede onderdeel van het eerste middel te worden afgewezen.

–       Derde onderdeel van het eerste middel: schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en niet-nakoming van de zorgplicht

77      In het kader van het derde onderdeel van het eerste middel betogen verzoekers dat het TABG door de bestreden besluiten vast te stellen onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen en hiermee zowel het beginsel van behoorlijk bestuur als zijn zorgplicht heeft miskend. Bovendien hekelen zij het feit dat zij voortaan opnieuw tests moeten afleggen ter beoordeling van hun geschiktheid voor het uitoefenen van de functie van „senior assistent”, terwijl zij niet zijn veranderd van functiegroep, het TABG hen reeds had onderworpen aan dergelijke geschiktheidstests bij hun aanwerving en zij tijdens hun loopbaan blijk hebben gegeven van verdiensten.

78      Met betrekking tot de door verzoekers aangevoerde schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en de niet-nakoming van de zorgplicht, moet worden vastgesteld dat deze beginselen het TABG niet de mogelijkheid bieden voorbij te gaan aan de door de wetgever van de Unie vastgestelde statutaire bepalingen die als zodanig bindend zijn voor het TABG, evenals voor alle andere tot aanstelling bevoegde gezagsorganen van de instellingen, organen en instanties van de Unie. Met name de zorgplicht kan niet aldus worden uitgelegd dat het TABG verplicht is het verlies van de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor bevordering naar de rang AST 10, zoals vastgesteld door de wetgever, te compenseren door interne maatregelen om meer functies van „senior assistenten” in de rangen AST 10 en AST 11 in het leven te roepen, omdat het TABG met een dergelijke benadering, door het gewenste effect van de maatregelen die zijn aangenomen in het kader van de herziening te verkleinen, zou ingaan tegen de wil van de wetgever van de Unie.

79      Uit verordening nr. 1023/2013 blijkt immers ondubbelzinnig dat de Uniewetgever een einde wenste te maken aan de door het Statuut van 2004 geboden mogelijkheid dat ambtenaren zonder meer konden worden bevorderd naar de hoogste rangen zonder dat een verband kon worden aangetoond tussen de door hen te dragen verantwoordelijkheden en de bezette rang, wat ertoe kon leiden dat ambtenaren van de functiegroep assistenten naar de rang AST 10 of de rang AST 11 konden worden bevorderd zonder noodzakelijkerwijs een hoog niveau van verantwoordelijkheden dan wel meer verantwoordelijkheden te dragen.

80      In die omstandigheden kon het TABG enkel de statutaire bepalingen toepassen, aangezien het over geen enkele beoordelingsmarge beschikte bij zijn besluiten om verzoekers in te delen in de standaardfunctie van „assistent in de overgangsfase” krachtens artikel 31, lid 2, van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut.

81      In weerwil van de moeilijkheden waarvan verzoekers gewag maken wat betreft hun voortaan beperktere vooruitzichten op toegang tot een AST 10‑functie, gelet op de selectievere en strengere regels voor toegang tot de standaardfunctie van „senior assistent”, stond het dus niet aan het TABG om in naam van het beginsel van behoorlijk bestuur of van zijn zorgplicht de toepassing van de nieuwe statutaire bepalingen te ondermijnen.

82      Bijgevolg moet het derde onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.

–       Vierde onderdeel van het eerste middel: schending van verworven rechten

83      Ter ondersteuning van het vierde onderdeel van het eerste middel betogen verzoekers dat de wetgever van de Unie, door uitsluiting van de mogelijkheid dat zij kunnen worden bevorderd naar de rang AST 10 in het kader van de bevorderingsprocedure zoals voorzien in artikel 45 van het Statuut, hun verworven rechten van vergelijking van hun verdiensten met die van alle ambtenaren van de rang AST 9 heeft geschonden.

84      Dienaangaande kan worden volstaan met eraan te herinneren dat wanneer ambtenaren, zoals in casu, tot de datum van inwerkingtreding van het nieuwe Statuut uitsluitend in aanmerking konden komen voor bevordering, en deze bevordering afhing van een daartoe strekkend besluit van het TABG tot bevordering naar de rang AST 10 dat het, in casu op 1 januari 2014, nog niet had genomen, dergelijke ambtenaren zich niet kunnen beroepen op een verworven recht met betrekking tot het behoud van een aanspraak op die bevordering na deze datum (zie in die zin arresten van 22 december 2008, Centeno Mediavilla e.a./Commissie, C‑443/07 P, EU:C:2008:767, punten 63‑65, en 16 juli 2015, EJ e.a./Commissie, F‑112/14, EU:F:2015:90, punt 59). Wat dit betreft is de rechtspraak van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), die geen betrekking heeft op het Statuut, irrelevant (zie in die zin arrest van 13 december 2017, Arango Jaramillo e.a./EIB, T‑482/16 RENV, EU:T:2017:901, niet gepubliceerd, punt 113).

85      Bovendien kunnen verzoekers niet met recht stellen dat de beperking van de toegang tot de rang AST 10 tot personen die zijn geselecteerd na afloop van de procedure van artikel 4 en artikel 29, lid 1, van het Statuut met het oog op de vervulling van de toekomstige functies van „senior assistenten”, „duidelijk afbreuk doet aan de fundamentele arbeidsvoorwaarden die voor hen bepalend zijn geweest bij het aanvaarden en voortzetten van een dienstverband bij de instellingen” van de Unie.

86      Krachtens het nieuwe Statuut zijn ambtenaren van de rang AST 9 immers niet verstoken van toegang tot de rang AST 10, alleen moeten zij, om tot een dergelijke rang te worden bevorderd, blijk geven van de kwaliteiten die het TABG vereist om te beantwoorden aan het hoge niveau van verantwoordelijkheden van de houders van dergelijke ambten. Het gaat dus niet om een blokkering van hun loopbaan, maar, zoals de Raad stelt, om een verandering in de wijze van bevordering naar de rangen AST 10 en AST 11, de hoogste rangen van de functiegroep assistenten, namelijk door te worden geselecteerd voor een nieuwe functie met een hoog niveau van echte verantwoordelijkheden die het daarmee gepaard gaande hoge salaris rechtvaardigen. Het staat verzoekers dan ook nog steeds vrij om deel te nemen aan een selectieprocedure uit hoofde van artikel 4 en artikel 29 van het Statuut voor de functie van „senior assistent”, teneinde alsnog aanspraak te kunnen maken op bevordering naar de rang AST 10 (zie in die zin arrest van 28 april 2017, HN/Commissie, T‑588/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:292, punt 86). Dat is overigens wat verzoekers ook hebben gedaan en voor zes van hen heeft dit erin geresulteerd dat zij konden worden benoemd in de functie van senior assistent met aanspraak op bevordering naar de rangen AST 10 en AST 11.

87      Gelet op het voorgaande dient het vierde onderdeel van het eerste middel ongegrond te worden verklaard.

–       Vijfde onderdeel van het eerste middel: schending van de percentages als bedoeld in artikel 9 van bijlage XIII en in afdeling B van bijlage I bij het nieuwe Statuut

88      In het kader van het vijfde onderdeel van het eerste middel betogen verzoekers dat de nieuwe statutaire bepalingen strijdig zijn met de regels en beginselen op het gebied van de bevorderingspercentages, zoals bedoeld in afdeling B van bijlage I bij het nieuwe Statuut en artikel 9 van bijlage XIII bij dit Statuut, aangezien zij niet langer in aanmerking kunnen komen voor deze percentages en bijgevolg niet kunnen rekenen op een bevordering naar de rang AST 10.

89      Wat dit aangaat, moet worden vastgesteld dat dit argument niet kan slagen. De wetgever van de Unie heeft immers, om te zorgen voor meer samenhang tussen de rangen AST 10 en AST 11 en het niveau van verantwoordelijkheden die de in deze rangen benoemde ambtenaren dragen, uitgesloten dat de toegang tot deze rangen geschiedt door het enkele mechanisme voor bevordering bedoeld in artikel 45 van het Statuut, dat voorheen, met een zekere mate van automatisme, waarborgde dat een bepaald aantal assistenten van de rang AST 9 jaarlijks zou worden bevorderd naar de rang AST 10 zonder noodzakelijkerwijs een hoog niveau van verantwoordelijkheden dan wel meer verantwoordelijkheden te dragen.

90      Het was dus logisch voor de wetgever van de Unie om erin te voorzien dat, als gevolg daarvan, het aantal functies van „senior assistent” van de rang AST 10 onder vigeur van het nieuwe Statuut juist niet wordt bepaald aan de hand van de percentages die van toepassing zijn in het kader van de bevorderingsprocedure. Integendeel, de in de context van de statutaire herziening vastgestelde maatregel beoogde immers dat het TABG dit, overigens beperkte, aantal functies bepaalt naargelang van zijn werkelijke behoeften aan personeel op hoog niveau onder de functiegroep assistenten en niet langer door een automatisme.

91      Aangezien bovendien de uitsluiting van de toepassing van de bevorderingsprocedure van artikel 45 van het Statuut voor de verkrijging van toegang tot de rang AST 10 niet in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling, behoeft in casu niet te worden nagegaan of de mechanismen die normaal gesproken van toepassing zijn op de bevorderingsprocedure, hadden moeten worden uitgebreid naar de procedure van artikel 4 en artikel 29, lid 1, van het Statuut.

92      Het is om te beginnen trouwens inherent aan het doel van de statutaire herziening om het aantal ambten van de rangen AST 10 en AST 11 te beperken tot ambtenaren die een hoog niveau van verantwoordelijkheid dragen, juist door de vervulling van dergelijke ambten niet enkel via het bevorderingsmechanisme te laten plaatsvinden.

93      Voorts staat het aan het TABG om het aantal door hem benodigde functies van senior assistenten en de voor de vervulling ervan gewenste competentieprofielen te bepalen en tevens om de toestemming van de begrotingsautoriteit te verkrijgen om dergelijke posten te creëren. Zou de wetgever van de Unie hebben besloten het TABG te verplichten jaarlijks te voorzien in een bepaald aantal aanstellingen van senior assistent van de rang AST 10, dan zou dit indirect hebben geleid tot de herinvoering van een bevorderingsstelsel dat het, vanuit zijn oogpunt bezien, niet mogelijk zou hebben gemaakt zich ervan te verzekeren dat de bevordering naar de hoogste rangen, zoals de rangen AST 10 en AST 11, afhangt van persoonlijke toewijding, de verbetering van vaardigheden en bekwaamheden en de uitvoering van taken met een hoog niveau van verantwoordelijkheid.

94      Deze overwegingen gelden a fortiori voor de percentages die zijn voorzien in afdeling B van bijlage I bij het Statuut, die, zoals de Commissie terecht opmerkt, hoe dan ook enkel tot en met 30 april 2011 konden worden toegepast.

95      Gelet op een en ander dient het vijfde onderdeel van het eerste middel te worden afgewezen.

–       Zesde onderdeel van het eerste middel: schending van het „pact” dat de vak of beroepsorganisaties en de Raad bij de goedkeuring van de vorige herziening van het Statuut hebben gesloten

96      In het kader van het zesde onderdeel van het eerste middel betogen verzoekers dat de wetgever van de Unie en de Commissie door de vaststelling van verordening nr. 1023/2013 om te beginnen het tussen de Raad en de vak‑ of beroepsorganisaties (hierna: „VBO’s”) in het kader van de statutaire herziening van 2004 gesloten akkoord hebben miskend, en voorts tekortgeschoten zijn in hun verplichting tot behoorlijke afstemming met de VBO’s en, met name, nuttig overleg met hen door verstrekking van de relevante informatie. Wat in het bijzonder de blokkering van de loopbaan van assistenten van de rang AST 9 betreft, zou er geen enkele dialoog hebben plaatsgevonden en uiteindelijk zouden de VBO’s mondjesmaat en gebrekkig zijn geïnformeerd over de geplande wijzigingen in het kader van de statutaire herziening. Verzoekers leiden hieruit af dat de artikelen 27 en 28 van het Handvest van de grondrechten zijn geschonden.

97      Dienaangaande heeft het Gerecht reeds geoordeeld dat het akkoord dat de Raad en de VBO’s hadden gesloten in het kader van de vaststelling van de herziening die heeft geleid tot het Statuut van 2004, enkel betrekking had op die herziening en dat de latere vaststelling van verordening nr. 1023/2013 dus geen afbreuk kon doen aan dit akkoord, omdat anders de wetgever van de Unie de mogelijkheid wordt ontnomen om de hem door artikel 336 VWEU toegekende bevoegdheid uit te oefenen (zie in die zin arrest van 16 november 2017, USFSPEI/Parlement en Raad, T‑75/14, EU:T:2017:813, punten 86‑89).

98      Over de vraag of de VBO’s voldoende waren ingelicht en geraadpleegd in het kader van de procedure van goedkeuring van het nieuwe Statuut, mede gelet op de artikelen 27 en 28 van het Handvest van de grondrechten, heeft het Gerecht zich reeds uitvoerig uitgesproken door uitputtend in te gaan op de dienaangaande door meerdere VBO’s geformuleerde grieven in de arresten van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad (T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punten 120‑174), en 16 november 2017, USFSPEI/Parlement en Raad (T‑75/14, EU:T:2017:813, punten 96‑124).

99      Bij gebreke van een wezenlijk nieuwe argumentatie ten opzichte van die welke uitvoerig en onderbouwd door de VBO’s zelf naar voren is gebracht in de zaken die hebben geleid tot de in punt 98 hierboven vermelde twee arresten, moet, om dezelfde redenen als in die twee arresten, in afwachting waarvan de onderhavige zaak was opgeschort, het zesde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

100    Gelet op de afwijzing van de verschillende onderdelen ervan moet het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen.

 Tweede middel: onwettigheid van artikel 31 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut wegens het ontbreken van overgangsbepalingen ter compensatie van het verlies van de ambtenaren van de rang AST 9 om voor bevordering in aanmerking te komen

101    In het kader van het tweede middel betogen verzoekers dat artikel 31 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut onwettig is omdat het, in tegenstelling tot hetgeen in artikel 30 van deze bijlage is bepaald voor de functiegroep administrateurs, niet voorziet in een overgangsregeling die assistenten, op gelijksoortige wijze als in de voor administrateurs bestemde regeling, de mogelijkheid zou hebben geboden te worden ingedeeld in standaardfuncties die recht geven op de bevordering naar de rang AST 10, dan wel de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een bijkomende verhoging van hun basissalaris. Volgens verzoekers gaat het om een schending van het beginsel van gelijke behandeling tussen deze twee functiegroepen. Bovendien zou op deze manier het gewettigd vertrouwen van verzoekers in de vaststelling van overgangsmaatregelen zijn geschonden.

102    De Commissie, ondersteund door het Parlement en de Raad, concludeert tot ongegrondverklaring van het middel.

103    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat er sprake is van schending van het beginsel van gelijke behandeling wanneer twee categorieën personen van wie de rechtspositie en de feitelijke situatie niet wezenlijk verschillen, verschillend worden behandeld en die verschillende behandeling niet objectief gerechtvaardigd is. Bij de toepassing van dat beginsel moet het onderzoek van de te vergelijken situaties rekening houden met alle elementen die deze situaties kenmerken (zie in die zin arresten van 22 december 2008, Centeno Mediavilla e.a./Commissie, C‑443/07 P, EU:C:2008:767, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 november 2011, Nolin/Commissie, T‑58/11 P, EU:T:2011:664, punt 38).

104    Bovendien is op een gebied dat valt onder de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid, zoals de vaststelling van overgangsregels die een billijke overgang van een oude naar een nieuwe statutaire regeling beogen te garanderen, enkel sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling wanneer de betrokken instelling een onderscheid maakt dat op willekeur berust of kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het doel van de betrokken regeling (arrest van 20 maart 2012, Kurrer e.a./Commissie, T‑441/10 P–T‑443/10 P, EU:T:2012:133, punt 54).

105    In casu moet worden vastgesteld dat, gelet op de aard van de functies die zij uitoefenen en de minimumeisen voor toegang tot dergelijke functies, zoals met name is geregeld in artikel 5, lid 3, van het Statuut, de situatie van ambtenaren van de functiegroep administrateurs en de situatie, feitelijk en rechtens, van ambtenaren van de functiegroep assistenten objectief en wezenlijk van elkaar verschillen.

106    Gezien het verschil in aard van de uitgeoefende functies tussen ambtenaren van de functiegroep administrateurs en die van de functiegroep assistenten, was de wetgever van de Unie niet gehouden om overgangsmaatregelen vast te stellen dan wel te voorzien in maatregelen van dezelfde aard voor beide functiegroepen.

107    Bijgevolg mocht de Uniewetgever om te beginnen uitsluitend voor administrateurs die op 31 december 2013 in dienst waren, bepalen dat zij, afhankelijk van de taken en verantwoordelijkheden die zij hadden, dienovereenkomstig konden worden ingedeeld in verschillende standaardfuncties zoals „administrateur”, „administrateur in de overgangsfase”, „senior administrateur in de overgangsfase”, „adviseur of gelijkwaardig” en „afdelingshoofd of gelijkwaardig”, naargelang van het niveau of de aard van hun verantwoordelijkheden. Bovendien volgt de invoering van de standaardfunctie van „senior assistent” uit een soortgelijke redenering. Bij ontstentenis van vergelijkbare situaties tussen de twee functiegroepen was deze wetgever daarom niet gehouden om voor de groep assistenten te voorzien in de mogelijkheid van een afwijkende indeling zoals die in artikel 30, lid 3, van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut, welke is gebaseerd op de uitoefening van „speciale verantwoordelijkheden” door bepaalde administrateurs die als zodanig vóór 31 december 2015 zijn aangewezen.

108    Voorts kon de wetgever van de Unie ook voorzien in een overgangsregeling zoals die van artikel 30, leden 5 tot en met 10, van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut, enkel ten gunste van administrateurs van de rangen AD 12 en AD 13 op grond van aan deze functiegroep eigen overwegingen. In dit verband mocht hij, zoals de Raad opmerkt, met name rekening houden met het feit dat deze functiegroep het zwaarst getroffen was door de vorige statutaire herziening.

109    In elk geval mochten verzoekers, in tegenstelling tot wat zij betogen, bij hun respectieve aanwerving niet erop vertrouwen dat hun loopbaan noodzakelijkerwijs een salarisstijging overeenkomstig die van de rangen AST 10 of AST 11 zou gaan inhouden. Evenmin kunnen zij van de wetgever van de Unie de vaststelling eisen van een overgangsregeling die specifiek van toepassing is op hun individuele situatie.

110    Gelet op het voorgaande dient het tweede middel te worden afgewezen.

 Derde middel: schending van artikel 45 van het Statuut en kennelijk onjuiste beoordeling

111    Ter ondersteuning van het subsidiair aangevoerde derde middel beroepen verzoekers zich op „schending van artikel 45 van het Statuut en een kennelijke beoordelingsfout”, welk middel in wezen gericht is tegen overweging 19 van de door de Uniewetgever vastgestelde verordening nr. 1023/2013. Dienaangaande betogen zij dat aangezien de „harde kern” van het bevorderingsstelsel van artikel 45 niet was gewijzigd door deze verordening, de wetgever van de Unie gehouden was de uitgangpunten van dit stelsel in acht te nemen en hen dus niet had mogen uitsluiten van elke vergelijkende beoordeling van hun verdiensten met het oog op de bevordering naar de hogere rang. Op deze wijze zou voornoemde overweging 19 in strijd zijn met artikel 45 van het Statuut.

112    De Commissie, ondersteund door het Parlement en de Raad, concludeert tot ongegrondverklaring van dit middel.

113    In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat de wetgever van de Unie het Statuut op elk moment kan wijzigen door middel van krachtens artikel 336 VWEU vastgestelde verordeningen (zie beschikking van 23 april 2015, Bensai/Commissie, F‑131/14, EU:F:2015:34, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Heeft hij besloten dat te doen, dan kan hem niet worden verweten ditzelfde Statuut te miskennen, aangezien hij degene is geweest die het heeft vastgesteld, inclusief de wijzigingen ervan, en dit Statuut hem dus niet bindt zoals wetgeving van hogere rang, bijvoorbeeld het Verdrag, dat wel doet.

114    Bovendien en in elk geval, gesteld dat het derde middel kan worden opgevat als een tegen overweging 19 van verordening nr. 1023/2013 gerichte exceptie van onwettigheid en dat het ontvankelijk is, hoewel een overweging volgens de rechtspraak op zich niet vatbaar kan zijn voor een beroep tot nietigverklaring (beschikking van 17 september 2014, Afepadi e.a./Commissie, T‑354/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:798, punt 32), moet worden vastgesteld dat juist door het vaststellen van deze overweging alsmede de wijziging van artikel 45 en artikel 31 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut, de wetgever van de Unie duidelijk de bevorderingsprocedure van artikel 45 van het Statuut heeft willen wijzigen door haar niet van toepassing te verklaren op AST 9-ambtenaren, welke voortaan enkel kunnen opklimmen naar de rang AST 10 na een procedure voor benoeming in de functie van „senior assistent” van die rang krachtens artikel 4 en artikel 29, lid 1, van het Statuut. Dienaangaande heeft deze wetgever, in tegenstelling tot wat verzoekers betogen, uitdrukkelijk een zin toegevoegd aan de tekst van artikel 45 van het nieuwe Statuut teneinde de toepassing van deze procedure uit te sluiten voor situaties als die van verzoekers, waarin de ambtenaren de hoogste rang hebben bereikt die voor dat type functie is voorzien.

115    Het derde middel moet dus worden afgewezen.

 Vierde middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht

116    In het kader van het vierde middel, dat subsidiair wordt aangevoerd, verwijten verzoekers de Commissie dat zij niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht door niet uitgebreider, in aanvulling op de uitleg van de wetgever van de Unie in de overwegingen 17 tot en met 19 van verordening nr. 1023/2013, toe te lichten waarom zij niet geacht werden verantwoordelijkheden van het hoogste niveau uit te oefenen en voortaan enkel konden worden bevorderd naar de rang AST 10 volgens de in artikel 4 en artikel 29, lid 1, van het Statuut neergelegde benoemingsprocedure.

117    De Commissie, ondersteund door het Parlement en de Raad, concludeert tot ongegrondverklaring van dit middel.

118    Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat de door artikel 25, tweede alinea, van het Statuut voorgeschreven motiveringsplicht, die enkel de in artikel 296 VWEU neergelegde algemene verplichting herhaalt, tot doel heeft om enerzijds de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen of het besluit gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid ervan voor de rechter van de Unie kan worden betwist, en anderzijds deze laatste in staat te stellen de rechtmatigheid van die handeling te toetsen. Hieruit volgt dat de motivering in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene moet worden meegedeeld en dat het ontbreken van een motivering niet kan worden geregulariseerd door de omstandigheid dat de betrokkene tijdens de procedure voor de Unierechter kennis krijgt van de redenen voor het besluit (arresten van 26 november 1981, Michel/Parlement, 195/80, EU:C:1981:284, punt 22, en 28 februari 2008, Neirinck/Commissie, C‑17/07 P, EU:C:2008:134, punt 50).

119    Bij de tenuitvoerlegging van deze beginselen moet evenwel rekening worden gehouden met het evolutieve karakter van de precontentieuze fase, volgens hetwelk de administratieve klacht en de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing daarvan een onderdeel vormen van een complexe procedure, aangezien de uitwerking van het besluit waarbij het definitieve standpunt van de instelling wordt vastgelegd pas wordt beëindigd bij de vaststelling van het antwoord door het TABG op de klacht (zie in die zin arrest van 21 mei 2014, Mocová/Commissie, T‑347/12 P, EU:T:2014:268, punten 33, 34 en 45).

120    In dit verband heeft het Gerecht eraan herinnerd dat de aanvulling van de motivering in het stadium van het besluit tot afwijzing van de klacht, in overeenstemming was met het doel van artikel 90, lid 2, van het Statuut, volgens hetwelk het besluit over de klacht zelf met redenen wordt omkleed. Deze bepaling impliceert immers noodzakelijkerwijs dat het gezag dat zich over de klacht moet uitspreken niet gebonden is aan de enkele motivering – die in voorkomend geval ontoereikend of zelfs onbestaand is – van het besluit waartegen de klacht is ingediend (arresten van 7 juli 2011, Longinidis/Cedefop, T‑283/08 P, EU:T:2011:338, punt 72, en 21 mei 2014, Mocová/Commissie, T‑347/12 P, EU:T:2014:268, punt 35).

121    In casu zijn de bestreden besluiten niet vergezeld gegaan van een specifieke motivering van het TABG. Het TABG heeft zich immers in wezen beperkt tot de uitvoering van de statutaire bepalingen die in hernieuwde vorm op 1 januari 2014 in werking zijn getreden en, in het geval van verzoekers, hun indeling in de standaardfunctie „assistent in de overgangsfase” inhielden, hetgeen is geconcretiseerd door een wijziging van hun persoonsdossier in SysPer 2 met ingang van die datum.

122    In antwoord op de klachten van verzoekers heeft het TABG evenwel uitgelegd dat het uitvoering gaf aan de door de wetgever van de Unie besloten statutaire bepalingen, zonder dienaangaande over een beoordelingsvrijheid te beschikken, en hun op gedetailleerde wijze duidelijk gemaakt wat de uitdagingen en modaliteiten zijn van de uitvoering van de in 2014 van toepassing geworden statutaire herziening. Gelet op de motiveringsplicht als bedoeld in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut is een dergelijke toelichting van het TABG, als vaststeller van de bestreden besluiten die in gebonden bevoegdheid zijn genomen, voldoende.

123    Voor zover verzoekers met het onderhavige middel de Uniewetgever willen verwijten de uit hoofde van artikel 296 VWEU op hem rustende motiveringsplicht te hebben miskend, is, specifiek in verband met de overwegingen 17 tot en met 19 van verordening nr. 1023/2013, reeds geoordeeld dat de motivering van de wijzigingen van artikel 45, alsook van de bijlagen I en XIII bij het nieuwe Statuut betreffende de loopbaanstructuur, duidelijk en ondubbelzinnig de redenering van het Parlement en de Raad tot uitdrukking bracht, waardoor verzoekers dus de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel konden kennen en het Gerecht zijn toezicht kon uitoefenen (zie in die zin arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad, T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punten 182 en 183).

124    Voorts blijkt duidelijk uit het nieuwe Statuut dat enkel wanneer het TABG besluit om, naargelang zijn behoeften, functies als „senior assistent” in het leven te roepen of vacatures voor dit type functie te vervullen, de ambtenaren van de rang AST 9 krachtens artikel 4 en artikel 29 van het Statuut hun belangstelling voor dit soort functie kenbaar kunnen maken en, in voorkomend geval, door het TABG kunnen worden gekozen voor de vervulling van deze functie door middel van bevordering naar de rang AST 10.

125    Gelet op een en ander moet het vierde middel worden afgewezen. Bijgevolg moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.

 Kosten

126    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

127    Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

128    Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten.

129    Bijgevolg dragen het Parlement en de Raad hun eigen kosten.

HET GERECHT (Eerste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      GQ en de andere ambtenaren van de Europese Commissie wier namen zijn opgenomen in de bijlage worden verwezen in de kosten.

3)      Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie dragen hun eigen kosten.

PelikánováNihoulSvenningsen

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 december 2018.

De griffier

 

      De president

E. Coulon


*      Procestaal: Frans.


1      De lijst van de andere ambtenaren van de Europese Commissie is enkel bij de aan partijen betekende versie gevoegd.