Language of document : ECLI:EU:T:2018:972

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid)

14 december 2018(*)

„Openbare dienst – Ambtenaren – Artikel 42 quater van het Statuut – Verlof in het belang van de dienst – Gelijke behandeling – Verbod van discriminatie op grond van leeftijd – Kennelijke beoordelingsfout – Aansprakelijkheid”

In zaak T‑750/16,

FV, voormalig ambtenaar van de Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door L. Levi en A. Tymen, vervolgens door L. Levi, advocaten.

verzoekster,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bauer en R. Meyer als gemachtigden,

verweerder,

ondersteund door

Europees Parlement, vertegenwoordigd door A. Troupiotis en J. A. Steele als gemachtigden,

en door

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Berscheid en D. Martin als gemachtigden,

interveniënten,

betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU, ten eerste tot nietigverklaring van het besluit van de Raad van 8 december 2015 waarbij verzoekster op grond van artikel 42 quater van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie op verlof in het belang van de dienst is geplaatst en, voor zover nodig, van het besluit van 19 juli 2016 waarbij verzoeksters klacht is afgewezen, en ten tweede tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden,

wijst

HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: M. Prek, president, E. Buttigieg (rapporteur), F. Schalin, B. Berke en J. Costeira, rechters,

griffier: M. Marescaux, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 juli 2018,

het navolgende

Arrest

I.      Voorgeschiedenis van het geding

1        Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) is onder meer gewijzigd bij verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 (PB 2013, L 287, blz. 15).

2        De overwegingen 1, 3, 7 en 12 van verordening nr. 1023/2013 zijn als volgt verwoord:

„(1)      De Europese Unie en haar meer dan 50 instellingen en agentschappen moeten kunnen blijven beschikken over een kwalitatief hoogwaardig Europees overheidsapparaat, zodat zij haar doelstellingen kan verwezenlijken, haar beleid en werkzaamheden kan uitvoeren alsook haar taken kan uitvoeren overeenkomstig de Verdragen volgens de hoogst denkbare normen, zodat ze berekend is op de interne en de externe uitdagingen waarmee zij in de toekomst te maken zal krijgen en om de burgers van de Unie te dienen.

[...]

(3)      Gezien de verhouding van de omvang van het Europese ambtenarenapparaat tot de doelstellingen van de Unie en haar inwoneraantal, mag een verlaging van het aantal personeelsleden van de instellingen en agentschappen van de Unie niet leiden tot een aantasting van hun vermogen om hun taken, plichten en functies overeenkomstig hun verplichtingen en bevoegdheden uit hoofde van de Verdragen te vervullen. Er is in dit verband behoefte aan transparantie met betrekking tot de personeelskosten die elke instelling en elk agentschap met betrekking tot alle voor hen werkzame personeelscategorieën moet dragen.

[...]

(7)      Meer algemeen is het de bedoeling de personele middelen zo goed mogelijk te beheren in het kader van een Europees ambtenarenapparaat dat gekenmerkt wordt door uitmuntendheid, vakbekwaamheid, onafhankelijkheid, loyaliteit, onpartijdigheid en stabiliteit, alsook door culturele en taalverscheidenheid en aantrekkelijke aanwervingsvoorwaarden.

[...]

(12)      In zijn conclusies van 8 februari 2013 over het meerjarig financieel kader wees de Europese Raad erop dat indien men de overheidsfinanciën op korte, middellange en lange termijn wil consolideren, alle overheden en hun personeel een bijzondere inspanning zullen moeten leveren om efficiënter en doelmatiger te gaan werken en zich aan te passen aan de veranderende economische context. Hiermee trok de Raad in feite één lijn met de Commissie in haar voorstel van 2011 tot wijziging van het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie; met dit voorstel beoogde de Commissie immers kostenefficiëntie en erkende ze dat de uitdagingen waarmee de Europese Unie momenteel te maken heeft, een bijzondere inspanning vragen van alle overheidsdiensten en hun voltallige personeel om efficiënter te gaan werken en zich aan te passen aan de veranderende economische en sociale context. [...]”

3        Bij artikel 1, punt 24, van verordening nr. 1023/2013 is in hoofdstuk 2 van titel III van het Statuut een afdeling 7, met als opschrift „Verlof in het belang van de dienst”, toegevoegd die slechts uit één bepaling, namelijk artikel 42 quater, bestaat. Die bepaling luidt:

„Een ambtenaar met ten minste tien dienstjaren kan ten vroegste vijf jaar voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd bij besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag op verlof in het belang van de dienst worden geplaatst om organisatorische redenen die verband houden met de verwerving van nieuwe bekwaamheden binnen de instellingen.

Het totale aantal ambtenaren die op verlof in het belang van de dienst worden geplaatst, mag niet meer bedragen dan 5 % van de ambtenaren in alle instellingen die het voorafgaande jaar met pensioen zijn gegaan. Het aldus berekende totale aantal wordt aan de instellingen toegewezen overeenkomstig het aantal ambtenaren in elke instelling op 31 december van het voorgaande jaar. Het getal dat uit deze toewijzing voortvloeit, wordt voor elke instelling naar boven afgerond tot het volgende gehele getal.

Een dergelijk verlof heeft niet het karakter van een tuchtrechtelijke maatregel.

De duur van het verlof komt in beginsel overeen met de periode tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. In een buitengewone situatie kan het tot aanstelling bevoegde gezag evenwel besluiten het verlof te beëindigen en de ambtenaar te herplaatsen.

Wanneer de op verlof in het belang van de dienst geplaatste ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, wordt hij automatisch op pensioen gesteld.

Verlof in het belang van de dienst is aan de volgende regels onderworpen:

a)      de ambtenaar kan in zijn ambt worden vervangen door een andere ambtenaar;

b)      gedurende het verlof in het belang van de dienst neemt de salarisanciënniteit van de ambtenaar niet toe en komt hij niet in aanmerking voor bevordering.

De aldus op verlof gestelde ambtenaar ontvangt een toelage die overeenkomstig bijlage IV wordt berekend.

Op verzoek van de ambtenaar wordt op de toelage een bijdrage in de pensioenregeling ingehouden, die op basis van die uitkering wordt berekend. In een dergelijk geval wordt de dienstperiode als ambtenaar met verlof in het belang van de dienst in aanmerking genomen voor de berekening van de pensioenjaren in de zin van artikel 2 van bijlage VIII.

Op de vergoeding wordt geen aanpassingscoëfficiënt toegepast.”

4        Verordening nr. 1023/2013 is in werking getreden op 1 november 2013 en artikel 42 quater is sinds 1 januari 2014 van toepassing.

5        Verzoekster, FV, is een voormalig ambtenaar van de Raad van de Europese Unie. Zij is op 1 mei 1981 als ambtenaar op proef in dienst getreden bij het secretariaat-generaal van de Raad (hierna „SGR”) en is op 1 november 1981 in vaste dienst aangesteld. Tijdens haar loopbaan is zij bij verschillende diensten van de Raad werkzaam geweest.

6        [vertrouwelijk] (1)

7        [vertrouwelijk]

8        Bij mededeling aan het personeel nr. 71/15 van 23 oktober 2015 (hierna: „MP 71/15”) heeft de secretaris-generaal van de Raad informatie over de uitvoering van artikel 42 quater van het Statuut door de instelling verstrekt. In die mededeling staat te lezen:

„[...] De instellingen van de EU moeten voortdurend innoveren en moderniseren, wat met zich brengt dat de ambtenaren nieuwe bekwaamheden moeten verwerven en hun kennis actueel moeten houden om zich aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen. Die nieuwe bekwaamheden kunnen bijvoorbeeld verband houden met nieuwe IT‑instrumenten, met nieuwe systemen voor het opstellen van documenten van de Europese Raad/de Raad, met nieuwe aanbestedingsprocedures of interne auditprocedures, met nieuwe werkmethoden of met nieuwe management‑ of organisatiemethoden.

Verlof in het belang van de dienst moet het mogelijk maken ambtenaren die moeite hebben om nieuwe bekwaamheden te verwerven en zich aan te passen aan de veranderende werkomgeving, op verlof in het belang van de dienst te plaatsen vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. [...]

Voor 2015 zijn er vijf (5) mogelijkheden bij de Raad en de Europese Raad [...]”.

9        [vertrouwelijk]

10      [vertrouwelijk]

11      [vertrouwelijk]

12      [vertrouwelijk]

13      [vertrouwelijk]

14      [vertrouwelijk]

15      [vertrouwelijk]

16      [vertrouwelijk]

17      [vertrouwelijk]

18      [vertrouwelijk]

19      [vertrouwelijk]

20      [vertrouwelijk]

II.    Procedure en conclusies van partijen

21      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 oktober 2016, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

22      Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verzoekster verzocht om anonimiteit overeenkomstig artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Bij beslissing van 30 januari 2017 heeft het Gerecht dit verzoek ingewilligd.

23      Bij op 28 november 2016 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verzoekster op grond van artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering verzocht om bepaalde gegevens uit het verzoekschrift en de bijlagen daarbij weg te laten uit de documenten die toegankelijk zijn voor het publiek.

24      Op 1 februari 2017 heeft de Raad een verweerschrift ingediend.

25      Bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 24 en 10 februari 2017, hebben het Europees Parlement en de Europese Commissie verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.

26      Bij op 8 maart 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten heeft verzoekster verzocht om bepaalde gegevens in het verzoekschrift en de bijlagen daarbij ten aanzien van het Parlement en de Commissie vertrouwelijk te behandelen indien deze instellingen tot interventie werden toegelaten. Zij heeft een niet-vertrouwelijke versie van die documenten bij dat verzoek gevoegd.

27      Op 20 april 2017 heeft verzoekster haar repliek neergelegd.

28      Bij op 17 mei 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verzoekster verzocht om bepaalde gegevens in de repliek en de bijlagen daarbij ten aanzien van het Parlement en de Commissie vertrouwelijk te behandelen indien deze instellingen tot interventie werden toegelaten. Zij heeft een niet-vertrouwelijke versie van die documenten bij dat verzoek gevoegd.

29      Bij beschikking van 8 juni 2017, FV/Raad (T‑750/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:420), zijn het Parlement en de Commissie toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusie van de Raad. Aangezien verzoekster heeft verzocht om bepaalde gegevens in de bovengenoemde memories en de bijlagen daarvan vertrouwelijk te behandelen, is de mededeling van die processtukken aan het Parlement en de Commissie bij die beschikking voorlopig beperkt tot de niet-vertrouwelijke versies ervan in afwachting van eventuele opmerkingen van die instellingen over de verzoeken om vertrouwelijke behandeling overeenkomstig artikel 144, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.

30      Bij op 28 juni 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie het verzoek om vertrouwelijke behandeling met betrekking tot het verzoekschrift en de bijlagen daarbij betwist. Het Parlement heeft geen bezwaar geuit tegen dat verzoek.

31      Op 17 juli 2017 heeft de Raad zijn dupliek neergelegd.

32      Op 19 maart en 12 juli 2017 hebben respectievelijk het Parlement en de Commissie hun memorie in interventie neergelegd.

33      Bij op 21 augustus 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verzoekster gevraagd om bepaalde gegevens in de dupliek en de bijlagen daarbij ten aanzien van het Parlement en de Commissie vertrouwelijk te behandelen en heeft zij een niet-vertrouwelijke versie van die documenten bij dat verzoek gevoegd.

34      Bij op 1 september 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Raad te kennen gegeven dat hij geen opmerkingen had over de memories in interventie van het Parlement en de Commissie.

35      Bij op 5 september 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten heeft verzoekster haar opmerkingen over de memories in interventie van het Parlement en de Commissie ingediend.

36      Bij op 25 september 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie het verzoek om vertrouwelijke behandeling met betrekking tot de dupliek en de bijlagen daarbij betwist. Het Parlement heeft geen bezwaar geuit tegen dat verzoek.

37      Bij beschikking van 26 januari 2018 heeft de president van de Tweede kamer van het Gerecht verzoeksters verzoeken om vertrouwelijke behandeling gedeeltelijk toegewezen, haar een termijn opgelegd om een niet-vertrouwelijke versie van het verzoekschrift, de dupliek en de bijlagen daarbij over te leggen, en heeft hij erop gewezen dat de Commissie, nadat de niet-vertrouwelijke versie van de documenten aan haar was betekend, over een termijn beschikte om eventuele aanvullende opmerkingen bij haar memorie in interventie in te dienen.

38      Op 7 maart 2018 heeft de Commissie aanvullende opmerkingen bij haar memorie in interventie ingediend.

39      Bij op 22 maart 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Raad te kennen gegeven dat hij geen opmerkingen had over de aanvullende opmerkingen van de Commissie.

40      Op 5 april 2018 heeft verzoekster opmerkingen over de aanvullende opmerkingen van de Commissie ingediend.

41      Op 6 april 2018 heeft de griffie van het Gerecht partijen in kennis gesteld van de sluiting van de schriftelijke behandeling.

42      Bij brief van 24 april 2018 heeft verzoekster op grond van artikel 106 van het Reglement voor de procesvoering een met redenen omkleed verzoek ingediend om in het kader van de mondelinge behandeling te worden gehoord.

43      Op voorstel van de Tweede kamer heeft het Gerecht op 16 mei 2018 overeenkomstig artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering beslist om de zaak naar een uitgebreide kamer te verwijzen.

44      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer – uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het partijen, in het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering voorziene maatregelen tot organisatie van de procesgang, verzocht om bepaalde vragen schriftelijk te beantwoorden en een aantal documenten over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

45      Ter terechtzitting van 10 juli 2018 zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij geantwoord op de vragen van het Gerecht.

46      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het besluit van 8 december 2015 en, voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht van 19 juli 2016, nietig te verklaren;

–        de Raad te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de geleden materiële en immateriële schade;

–        de Raad te verwijzen in alle kosten.

47      De Raad verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

48      Het Parlement verzoekt het Gerecht het beroep te verwerpen.

49      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

A.      Voorwerp van het beroep

50      In het kader van haar conclusies verzoekt verzoekster om nietigverklaring van het besluit van 8 december 2015 en, „voor zover nodig”, van het besluit tot afwijzing van de klacht van 19 juli 2016. Zij voert aan dat dit verzoek ontvankelijk is, niet enkel voor zover het is gericht tegen het besluit van 8 december 2015, maar eveneens voor zover het is gericht tegen het besluit tot afwijzing van de klacht, aangezien dat besluit nieuwe elementen bevat in vergelijking met het besluit van 8 december 2015.

51      De andere partijen in het geding hebben de ontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring van de twee bovengenoemde besluiten niet bestreden.

52      In herinnering moet worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak de administratieve klacht als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut en de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing daarvan een onderdeel van een samengestelde procedure vormen en slechts een voorwaarde zijn om beroep te kunnen instellen bij de rechter. Derhalve heeft een beroep, zelfs indien dit formeel tegen de afwijzing van de klacht is gericht, tot gevolg dat bij de rechter beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend (zie in die zin arrest van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punten 7 en 8), behalve wanneer de afwijzing van de klacht een andere strekking heeft dan die van het besluit waartegen de klacht is ingediend (arrest van 25 oktober 2006, Staboli/Commissie, T‑281/04, EU:T:2006:334, punt 26).

53      Elk uitdrukkelijk of stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van een klacht zonder meer vormt immers enkel een bevestiging van de handeling of het nalaten waarover de betrokkene zich beklaagt en vormt op zich geen voor beroep vatbaar besluit, zodat de vordering gericht tegen dat besluit zonder zelfstandige inhoud in vergelijking met het oorspronkelijke besluit, moet worden aangemerkt als gericht tegen het oorspronkelijke besluit (zie arrest van 19 juni 2015, Z/Hof van Justitie, T‑88/13 P, EU:T:2015:393, punt 141 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      Het is mogelijk dat een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht, gelet op de inhoud ervan, het door de verzoekende partij bestreden besluit niet bevestigt. Dit is het geval wanneer het besluit tot afwijzing van de klacht een heronderzoek van de situatie van de verzoekende partij op basis van nieuwe gegevens rechtens en feitelijk bevat of het oorspronkelijke besluit wijzigt of aanvult. In die gevallen vormt de afwijzing van de klacht een besluit dat is onderworpen aan het toezicht van de rechter, die het in aanmerking neemt bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit of het zelfs beschouwt als een bezwarend besluit dat in de plaats komt van het oorspronkelijke besluit (arrest van 15 september 2017, Skareby/EDEO, T‑585/16, EU:T:2017:613, punt 18).

55      In casu zij allereerst opgemerkt dat de klacht en het beroep bij het Gerecht binnen de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut voorgeschreven termijnen zijn ingediend respectievelijk ingesteld.

56      Vervolgens moet worden opgemerkt dat het besluit tot afwijzing van de klacht de betekenis noch de strekking wijzigt van het besluit van 8 december 2015 waarbij verzoekster krachtens artikel 42 quater van het Statuut op verlof in het belang van de dienst is geplaatst. Daarnaast vult het besluit tot afwijzing van de klacht de motivering van het besluit van 8 december 2015 aan wat betreft de beoordeling van verzoeksters vermogen om nieuwe bekwaamheden te verwerven en om zich aan te passen aan de veranderende werkomgeving, en worden daarin, in het kader van die beoordeling, feitelijke gegevens in aanmerking genomen die op 8 december 2015, de datum van de vaststelling van het besluit waarbij verzoekster op verlof in het belang van de dienst is geplaatst, niet beschikbaar waren. Het Gerecht verwijst in dit verband naar de over verzoekster opgestelde beoordelingsrapporten 2014 en 2015 die volgens de toelichtingen van de Raad na het besluit van 8 december 2015, maar vóór het besluit tot afwijzing van de klacht zijn opgesteld.

57      Derhalve moet worden vastgesteld dat het besluit van 8 december 2015 waarbij verzoekster krachtens artikel 42 quater van het Statuut op verlof in het belang van de dienst is geplaatst (hierna: „bestreden besluit”) in casu het enige voor verzoekster bezwarende besluit was, waarvan de rechtmatigheid echter zal worden beoordeeld rekening houdend met de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht.

B.      Verzoek tot nietigverklaring

58      Ter ondersteuning van haar verzoek tot nietigverklaring voert verzoekster vijf middelen aan, ten eerste, een exceptie van onwettigheid van artikel 42 quater van het Statuut, ten tweede, schending van die bepaling alsook van MP 71/15, en kennelijke beoordelingsfouten, ten derde, schending van het recht om te worden gehoord, ten vierde, niet-nakoming van de zorgplicht en, ten vijfde, misbruik van bevoegdheid.

1.      Eerste middel: onwettigheid van artikel 42 quater van het Statuut

a)      Opmerkingen vooraf

59      Verzoekster betoogt dat artikel 42 quater van het Statuut onwettig is, omdat het in strijd is met het beginsel van gelijkheid voor de wet en het non-discriminatiebeginsel met name op grond van leeftijd, die zijn vastgelegd in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16), alsmede met artikel 1 quinquies van het Statuut.

60      In die context voert verzoekster aan dat artikel 42 quater van het Statuut, aangezien dat artikel uitsluitend van toepassing is op ambtenaren en functionarissen „ten vroegste vijf jaar voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd”, een verschil in behandeling op grond van leeftijd oplevert zoals dat is gedefinieerd in artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2000/78. Volgens verzoekster wordt dat verschil in behandeling niet objectief en redelijk gerechtvaardigd door een legitiem doel in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78. Zelfs al zou ervan worden uitgegaan dat artikel 42 quater van het Statuut een dergelijk legitiem doel nastreeft, zijn de daartoe ingezette middelen passend noch noodzakelijk in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78.

61      Het Parlement, de Raad en de Commissie bestrijden verzoeksters betoog en verzoeken om afwijzing van het onderhavige middel.

62      Om te beginnen moeten de bepalingen worden vastgesteld in het licht waarvan de door verzoekster opgeworpen exceptie van onwettigheid moet worden onderzocht.

63      In dat verband zij opgemerkt dat het gelijkheidsbeginsel een in artikel 20 van het Handvest van de grondrechten neergelegd algemeen beginsel van Unierecht is waarvan het in artikel 21, lid 1, van dit Handvest neergelegde non-discriminatiebeginsel een bijzondere uitdrukking vormt (arrest van 5 juli 2017, Fries, C‑190/16, EU:C:2017:513, punt 29).

64      Daarnaast preciseert artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten dat de bepalingen van dit Handvest met name zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel.

65      Hieruit volgt dat de wettigheid van artikel 42 quater van het Statuut, dat bij verordening nr. 1023/2013 in het Statuut is opgenomen, moet worden beoordeeld in het licht van de hogere norm van artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, waarnaar in verzoeksters betoog wordt verwezen, die elke discriminatie, met name op grond van leeftijd, verbiedt.

66      Met betrekking tot verzoeksters beroep op richtlijn 2000/78 moeten allereerst de relevante bepalingen worden weergegeven.

67      Artikel 1 van richtlijn 2000/78, met als opschrift „Doel”, luidt:

„Deze richtlijn heeft tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.”

68      Artikel 2 van richtlijn 2000/78, met als opschrift „Het begrip discriminatie”, bepaalt in de leden 1 en 2:

„1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden.

2. Voor de toepassing van lid 1 is er:

a)      ‚directe discriminatie’, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden;

b)      ‚indirecte discriminatie’, wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt,

i)      tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn [...]

[...]”

69      Artikel 6 van richtlijn 2000/78, met als opschrift „Rechtvaardiging van verschillen in behandeling op grond van leeftijd”, bepaalt in lid 1:

„1. Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

Dergelijke verschillen in behandeling kunnen onder meer omvatten:

a)      het creëren van bijzondere voorwaarden voor toegang tot arbeid en beroepsopleiding, van bijzondere arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden, met inbegrip van voorwaarden voor ontslag en beloning voor jongeren, oudere werknemers en werknemers met personen ten laste, teneinde hun opneming in het arbeidsproces te bevorderen, en hun bescherming te verzekeren;

b)      de vaststelling van minimumvoorwaarden met betrekking tot leeftijd, beroepservaring of ‑anciënniteit in een functie voor toegang tot de arbeid of bepaalde daaraan verbonden voordelen;

c)      de vaststelling van een maximumleeftijd voor aanwerving, gebaseerd op de opleidingseisen voor de betrokken functie of op de noodzaak van een aan pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren.”

70      Voorts zij in herinnering gebracht dat uit artikel 288, derde alinea, VWEU voortvloeit dat richtlijnen verbindend zijn ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd zijn. Daaruit volgt dat richtlijn 2000/78, zoals overigens in artikel 21 ervan is gepreciseerd, is gericht tot de lidstaten en niet tot de instellingen. De bepalingen van deze richtlijn kunnen als zodanig derhalve geen verplichtingen opleggen aan de instellingen bij de uitoefening van hun wetgevende of besluitvormende bevoegdheden (zie in die zin en naar analogie arresten van 9 september 2003, Rinke, C‑25/02, EU:C:2003:435, punt 24, en 21 mei 2008, Belfass/Raad, T‑495/04, EU:T:2008:160, punt 43) en kunnen als zodanig evenmin een basis vormen voor een exceptie van onwettigheid van artikel 42 quater van het Statuut (zie in die zin arrest van 21 september 2011, Adjemian e.a./Commissie, T‑325/09 P, EU:T:2011:506, punt 52).

71      Ook al kan richtlijn 2000/78 als zodanig de instellingen van de Unie geen verplichtingen opleggen bij de uitoefening van hun wetgevende of besluitvormende bevoegdheden teneinde de arbeidsverhoudingen van die instellingen met hun personeelsleden te regelen, dit neemt niet weg dat de in die richtlijn neergelegde of ontwikkelde regels of beginselen tegen die instellingen kunnen worden aangevoerd wanneer blijkt dat zij slechts de specifieke uitdrukking vormen van de fundamentele regels van de Verdragen en van algemene beginselen die rechtstreeks gelden voor die instellingen (zie in die zin arrest van 14 december 2016, Todorova Androva/Raad e.a., T‑366/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2016:729, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72      Het Hof heeft reeds erkend dat richtlijn 2000/78 het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd dat een algemeen beginsel van het recht van de Unie is, voor het gebied van arbeid en beroep heeft geconcretiseerd (zie in die zin arrest van 13 november 2014, Vital Pérez, C‑416/13, EU:C:2014:2371, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

73      Hieruit volgt dat de bepalingen van richtlijn 2000/78 als zodanig weliswaar niet de basis kunnen vormen voor de exceptie van onwettigheid van artikel 42 quater van het Statuut, maar dat deze wel een inspiratiebron kunnen vormen voor de vaststelling van de verplichtingen van de Uniewetgever op het gebied van het ambtenarenapparaat van de Unie, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken daarvan. Op deze wijze zal het Gerecht richtlijn 2000/78 in casu in aanmerking nemen.

74      Wat betreft verzoeksters beroep op artikel 1 quinquies van het Statuut, dient eraan te worden herinnerd dat deze bepaling voor de toepassing van het Statuut ziet op het verbod van iedere vorm van discriminatie, onder meer op grond van leeftijd. Deze bepaling is in het Statuut opgenomen bij verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB 2004, L 124, blz. 1).

75      Aangezien artikel 1 quinquies van het Statuut in dezelfde handeling van verordenende aard als artikel 42 quater van het Statuut – dat wil zeggen in het Statuut – voorkomt en dus op dezelfde plaats staat in de hiërarchie van normen, is deze bepaling geen norm waaraan de wettigheid van artikel 42 quater van het Statuut kan worden getoetst. Overigens heeft verzoekster verduidelijkt dat enkel naar artikel 1 quinquies van het Statuut was verwezen omdat in die bepaling het algemene beginsel van gelijkheid voor de wet en het non-discriminatiebeginsel met name op grond van leeftijd zijn vastgelegd.

76      Gelet op een en ander moet dan ook worden vastgesteld dat de wettigheid van artikel 42 quater van het Statuut aan artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten moet worden getoetst, waarbij binnen de in punt 73 hierboven uiteengezette grenzen rekening moet worden gehouden met richtlijn 2000/78.

77      Zoals reeds is opgemerkt (zie punt 63 hierboven) wordt in artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten het non-discriminatiebeginsel geformuleerd, dat een bijzondere uitdrukking vormt van het in artikel 20 van het Handvest vastgelegde beginsel van gelijke behandeling.

78      Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist het beginsel van gelijke behandeling dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest van 5 juli 2017, Fries, C‑190/16, EU:C:2017:513, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79      Eerst moet worden onderzocht of artikel 42 quater van het Statuut een verschil in behandeling op grond van leeftijd in het leven roept en als dat het geval is, moet daarna worden onderzocht of dat verschil in behandeling niettemin in overeenstemming is met artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, doordat het voldoet aan de criteria van artikel 52, lid 1, van het Handvest (zie in die zin arrest van 5 juli 2017, Fries, C‑190/16, EU:C:2017:513, punt 35).

b)      Verschil in behandeling op grond van leeftijd

80      In herinnering zij gebracht dat artikel 42 quater van het Statuut „ten vroegste vijf jaar voor [de betrokken ambtenaar] de pensioengerechtigde leeftijd [bereikt]” van toepassing is. De Raad heeft verduidelijkt dat deze bepaling van toepassing is op ambtenaren in de leeftijdscategorie tussen 55 en 66 jaar. Uit de toepasselijke wettelijke bepalingen en uit de verklaringen van de Raad in het kader van zijn schriftelijke antwoord op een vraag van het Gerecht blijkt dat die leeftijdscategorie op basis van de hierna volgende redenering is bepaald.

81      Wat de ambtenaren die vóór 1 januari 2014 in dienst zijn getreden betreft, moet artikel 22, lid 1, vijfde alinea, van bijlage XIII bij het Statuut in aanmerking worden genomen, dat bepaalt:

„Voor ambtenaren die vóór 1 januari 2014 in dienst zijn getreden, wordt de voor alle verwijzingen naar de pensioengerechtigde leeftijd in dit Statuut in aanmerking te nemen pensioengerechtigde leeftijd vastgesteld volgens bovenstaande bepalingen, voor zover in dit Statuut niet anders is bepaald.”

82      Die pensioengerechtigde leeftijd varieert tussen 60 en 65 jaar, afhankelijk van de leeftijd van de ambtenaar op 1 mei 2014, zoals blijkt uit de eerste vier alinea’s van artikel 22, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut.

83      Wat de ambtenaren die na 1 januari 2014 in dienst zijn getreden betreft, is de pensioengerechtigde leeftijd krachtens artikel 52, eerste alinea, onder a), van het Statuut op 66 jaar vastgesteld.

84      Hieruit volgt dat aangezien het verlof in het belang van de dienst kan worden toegepast voor ambtenaren met tien dienstjaren die ten vroegste vijf jaar van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zijn verwijderd, dat verlof in het belang van de dienst potentieel betrekking heeft op de ambtenaren tussen 55 jaar (voor degenen die 60 jaar of ouder waren op 1 mei 2014 en waarvan de pensioengerechtigde leeftijd dus op 60 jaar was vastgesteld ) en 66 jaar (voor degenen die na 1 januari 2014 waren aangeworven en waarvan de pensioengerechtigde leeftijd dus op 66 jaar is vastgesteld).

85      Aangezien artikel 42 quater van het Statuut uitsluitend van toepassing is op ambtenaren binnen de leeftijdscategorie tussen 55 jaar en 66 jaar en niet van toepassing is op jongere ambtenaren die niet binnen bovengenoemde leeftijdscategorie vallen, roept die bepaling een verschil in behandeling op grond van leeftijd in het leven.

86      Opgemerkt zij dat de Raad eraan twijfelt of artikel 42 quater van het Statuut onder het begrip discriminatie in de zin van artikel 2 van richtlijn 2000/78 kan vallen, aangezien in dat artikel 42 quater niet naar een „bepaalde leeftijd” wordt verwezen, maar naar de pensioengerechtigde leeftijd van de betrokken ambtenaren, die kan verschillen. Daarom zou het gaan om een begeleidende maatregel bij de pensionering om het „schokeffect” van dat vertrek te verzachten en niet om discriminatie op grond van een bepaalde leeftijd in vergelijking tot een andere. Om die redenering te onderbouwen heeft de Raad tevens opgemerkt dat de toepassing van artikel 42 quater van het Statuut afhankelijk is van een tweede voorwaarde die losstaat van de leeftijd, namelijk die van ten minste tien dienstjaren.

87      Dit betoog van de Raad heeft betrekking op de rechtvaardiging van het verschil in behandeling op grond van leeftijd dat in artikel 42 quater van het Statuut is vervat, en stelt niet ter discussie dat er sprake is van een verschil in behandeling. Aangezien die bepaling uitsluitend betrekking heeft op ambtenaren die binnen een bepaalde, duidelijk geïdentificeerde leeftijdscategorie vallen, roept zij een verschil in behandeling in het leven dat rechtstreeks op leeftijd is gebaseerd, ondanks het feit dat de bedoelde leeftijdscategorie wordt bepaald op basis van de pensioengerechtigde leeftijd van de betrokken ambtenaren. De vraag of dat verschil in behandeling een door artikel 21 van het Handvest van de grondrechten verboden discriminatie vormt, is een andere kwestie dan die van het bestaan van een verschil in behandeling.

88      Daarnaast moet, nog steeds in antwoord op het betoog van de Raad dat in punt 86 hierboven is uiteengezet, worden vastgesteld dat het feit dat in artikel 42 quater van het Statuut andere voorwaarden zijn opgenomen die losstaan van leeftijd, zoals de voorwaarde in verband met de dienstjaren van de betrokken ambtenaren en de voorwaarde betreffende de „organisatorische redenen die verband houden met de verwerving van nieuwe bekwaamheden”, niet wegneemt dat wanneer die voorwaarden zijn vervuld, de ambtenaren in de leeftijdscategorie in kwestie anders worden behandeld dan de ambtenaren die niet tot die leeftijdscategorie behoren.

89      Volgens vaste rechtspraak kan de Uniewetgever slechts worden verweten dat hij het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden wanneer hij vergelijkbare situaties verschillend behandelt en daardoor bepaalde personen ten opzichte van anderen worden benadeeld (zie arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uit die rechtspraak volgt dat in casu moet worden onderzocht of het verschil in behandeling op grond van leeftijd, dat in het leven is geroepen door artikel 42 quater van het Statuut, een nadeel met zich brengt voor de ambtenaren in die leeftijdscategorie ten opzichte van degenen die niet tot die leeftijdscategorie behoren (zie in die zin arrest van 5 juli 2017, Fries, C‑190/16, EU:C:2017:513, punt 33).

90      In casu kan aan de ambtenaren die in de leeftijdscategorie in kwestie vallen en dientengevolge mogelijkerwijs aan de maatregel in artikel 42 quater van het Statuut zijn onderworpen, tegen hun wil een verandering van hun administratieve positie worden opgelegd doordat zij niet langer in „actieve dienst” in de zin van artikel 36 van het Statuut zijn, maar „op verlof in het belang van de dienst” worden geplaatst. Daarnaast kunnen die ambtenaren hun loopbaan niet verder ontwikkelen, aangezien krachtens artikel 42 quater, zesde alinea, onder b), van het Statuut hun plaatsing in een hogere salaristrap wordt stopgezet en zij niet meer in aanmerking komen voor bevordering.

91      De ambtenaren die niet onderworpen zijn aan de toepassing van artikel 42 quater van het Statuut hebben op het vlak van hun loopbaanontwikkeling niet met dergelijke nadelen te maken.

92      Daarnaast zien de ambtenaren die op verlof in het belang van de dienst zijn geplaatst hun inkomsten uit arbeid onmiskenbaar dalen, met name als gevolg van het feit dat zij niet langer het basissalaris ontvangen, aangezien dat wordt vervangen door een toelage als bedoeld in de zevende alinea van artikel 42 quater van het Statuut. Krachtens deze bepaling wordt die toelage berekend overeenkomstig bijlage IV bij het Statuut, wat betekent dat de ambtenaren die op verlof in het belang van de dienst zijn geplaatst, gedurende de eerste drie maanden waarin de maatregel wordt toegepast een maandelijkse vergoeding ontvangen die gelijk is aan hun basissalaris, over de vierde tot en met de zesde maand waarin de maatregel wordt toegepast een maandelijkse vergoeding die gelijk is aan 85 % van het basissalaris en vanaf de zevende maand tot aan het einde van het verlof, te weten tot zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken, een maandelijkse vergoeding die gelijk is aan 70 % van het basissalaris. Volgens de negende alinea van artikel 42 quater van het Statuut wordt op die vergoeding geen aanpassingscoëfficiënt toegepast. Bovendien kan de hierboven bedoelde financiële schade oplopen omdat de plaatsing in een hogere salaristrap van de betrokken ambtenaren wordt stopgezet en zij niet meer in aanmerking komen voor bevordering, zoals reeds was opgemerkt.

93      De ambtenaren die niet tot de desbetreffende leeftijdscategorie behoren en waarop artikel 42 quater van het Statuut dientengevolge niet kan worden toegepast, ondervinden niet de financiële nadelen die in punt 92 hierboven zijn geïdentificeerd.

94      Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat artikel 42 quater van het Statuut een verschil in behandeling op grond van leeftijd in het leven roept.

c)      Eerbiediging van de criteria in artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten

95      Volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten moeten beperkingen op de uitoefening van de daarin erkende rechten en vrijheden bij wet worden gesteld en moeten dergelijke beperkingen de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

96      In casu moet worden vastgesteld dat het verschil in behandeling op grond van leeftijd dat door artikel 42 quater van het Statuut in het leven is geroepen, moet worden geacht te zijn ingesteld bij „wet” in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, aangezien die bepaling haar oorsprong vindt in verordening nr. 1023/2013 (zie in die zin arrest van 5 juli 2017, Fries, C‑190/16, EU:C:2017:513, punt 37).

97      Daarnaast moet worden geconstateerd dat het hierboven bedoelde verschil in behandeling betrekking heeft op een kwestie waarvan het toepassingsgebied in het kader van het ambtenarenapparaat van de Unie beperkt is, namelijk het op verlof in het belang van de dienst plaatsen van bepaalde ambtenaren die voldoen aan een bepaald aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde die betrekking heeft op de leeftijd. Bijgevolg „eerbiedigt” dat verschil in behandeling „de wezenlijke inhoud” van het non-discriminatiebeginsel in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten (zie in die zin arrest van 5 juli 2017, Fries, C‑190/16, EU:C:2017:513, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

98      Ter ondersteuning van die vaststelling zij opgemerkt dat artikel 42 quater, tweede alinea, van het Statuut bepaalt dat het totale aantal ambtenaren die jaarlijks op verlof in het belang van de dienst worden geplaatst, niet meer mag bedragen dan 5 % van de ambtenaren in alle instellingen die het voorafgaande jaar met pensioen zijn gegaan. Daaruit blijkt dat, rekening houdend met die bovengrens en met de voorwaarden voor de toepassing van artikel 42 quater van het Statuut die zijn opgenomen in de eerste alinea van die bepaling, het aantal ambtenaren die op verlof in het belang van de dienst kunnen worden geplaatst zeer beperkt is, zoals tevens blijkt uit de schriftelijke antwoorden van het Parlement, de Raad en de Commissie op een vraag van het Gerecht. Zo heeft de Raad erop gewezen dat er in 2015, 2016 en 2017 intern telkens vier ambtenaren op verlof in het belang van de dienst waren geplaatst op een totaal van 2 757 ambtenaren die op 31 december 2017 bij de Raad in dienst waren.

99      Het Gerecht zal onderzoeken of de twee resterende voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, krachtens welke het door artikel 42 quater van het Statuut in het leven geroepen verschil in behandeling op grond van leeftijd kan worden gerechtvaardigd, in casu zijn vervuld. Die voorwaarden zijn de voorwaarde dat het verschil in behandeling beantwoordt aan een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang en de voorwaarde van de evenredigheid.

1)      Beantwoordt het verschil in behandeling op grond van leeftijd, dat door artikel 42 quater van het Statuut in het leven is geroepen aan een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang?

100    De Raad, ondersteund door het Parlement en de Commissie, betoogt in wezen dat met het verschil in behandeling op grond van leeftijd, dat door artikel 42 quater van het Statuut in het leven is geroepen, drie doelstellingen van algemeen belang in het kader van het personeelsbeleid worden nagestreefd. In de eerste plaats wordt met dat verschil in behandeling de doelstelling inzake de optimalisering van de investeringen van de instellingen voor beroepsopleiding nagestreefd, doordat zij gericht kunnen investeren in ambtenaren met een aan pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren. In de tweede plaats is het hierboven genoemde verschil in behandeling gericht op de begeleiding van ambtenaren die bijna de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, en die er niet in slagen om nieuwe bekwaamheden te verwerven en zich aan te passen aan de veranderende werkomgeving van de instellingen. In de derde plaats wordt met dat verschil in behandeling in wezen naar een evenwichtige leeftijdsstructuur tussen jonge en oudere ambtenaren gestreefd, wat dan weer de aanstelling en bevordering van die jonge ambtenaren, de uitwisseling van ervaringen en de innovatie, alsook de geografische diversiteit bevordert.

101    Verzoekster betwist dat er sprake is van de drie bovengenoemde doelstellingen. Zij betoogt dat de enige doelstelling die met artikel 42 quater van het Statuut wordt nagestreefd een verlaging van de kosten en van het aantal personeelsleden van de instellingen is, „door zich te ontdoen” van ambtenaren die bijna de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en die een hoger salaris hebben. Die doelstelling is dan ook geen legitieme doelstelling „van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding” in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78, op basis waarvan het verschil in behandeling op grond van leeftijd dat bij artikel 42 quater van het Statuut is ingevoerd, wordt gerechtvaardigd.

102    In de eerste plaats moet worden onderzocht of de door de instellingen aangevoerde doelstellingen bestaan. In dit verband dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van artikel 42 quater van het Statuut en, in voorkomend geval, met de algemene context aan de hand waarvan het onderliggende doel van het verschil in behandeling op grond van leeftijd dat door die bepaling in het leven is geroepen, kan worden bepaald (zie naar analogie arresten van 16 oktober 2007, Palacios de la Villa, C‑411/05, EU:C:2007:604, punten 56 en 57; 21 juli 2011, Fuchs en Köhler, C‑159/10 en C‑160/10, EU:C:2011:508, punt 39, en 6 november 2012, Commissie/Hongarije, C‑286/12, EU:C:2012:687, punt 58).

103    Wat de eerste doelstelling betreft, die van de optimalisering van de investeringen voor beroepsopleiding, zij om te beginnen opgemerkt dat voor de toepassing van artikel 42 quater van het Statuut geldt dat er sprake moet zijn van „organisatorische redenen die verband houden met de verwerving van nieuwe bekwaamheden”. De verwijzing naar de „verwerving van nieuwe bekwaamheden” toont het verband tussen de bovengenoemde bepaling en beroepsopleiding aan.

104    Voorts blijkt uit het dossier, en met name uit de conclusies van de Europese Raad van 7 en 8 februari 2013, dat verordening nr. 1023/2013 en bijgevolg artikel 42 quater van het Statuut zijn vastgesteld in een context waarin het Europees overheidsapparaat begrotingsdiscipline aan de dag hoorde te leggen, waarin de lidstaten de wil moesten tonen om hun efficiëntie en prestaties te verbeteren en waarin het aantal personeelsleden van de instellingen geleidelijk tot 5 % werd verlaagd in de periode 2013‑2017.

105    Daarnaast zij in herinnering gebracht dat in de overwegingen 1, 3, 7 en 12 van verordening nr. 1023/2013 wordt gesproken van ten eerste de behoefte van de Unie om te kunnen blijven beschikken over een kwalitatief hoogwaardig overheidsapparaat (punt 1) dat bij een verlaging van het aantal personeelsleden de aan de instellingen toevertrouwde taken kan blijven vervullen (punt 3), ten tweede de behoefte aan optimalisering van het beheer van de personele middelen (punt 7), en ten derde, onder verwijzing naar de bovengenoemde conclusies van de Europese Raad, de behoefte om efficiënter en doelmatiger te gaan werken en zich aan te passen aan de veranderende economische context en kostenefficiëntie te waarborgen (punt 12).

106    De bovenvermelde overwegingen van verordening nr. 1023/2013 wijzen op de wil van de Uniewetgever om de doelstelling na te streven van het efficiënt beheer van de uitgaven voor het Europees overheidsapparaat op het vlak van kostenefficiëntie, zodat het kwalitatief hoogwaardige niveau van dat overheidsapparaat kan worden behouden en de Unie uiteindelijk haar doelstellingen kan verwezenlijken, alsook haar beleid en haar taken kan uitvoeren in een context van begrotingsdiscipline en van verlaging van het aantal personeelsleden van de instellingen. Gelet op deze constatering en op de overwegingen die in punt 103 hierboven zijn uiteengezet, moet worden vastgesteld dat de doelstelling van optimalisering van de investeringen voor de beroepsopleiding van ambtenaren, die door de Uniewetgever wordt nagestreefd door middel van het verschil in behandeling op grond van leeftijd dat in het leven is geroepen door artikel 42 quater van het Statuut, is aangetoond.

107    Zonder dat moet worden onderzocht of de twee andere door de instellingen aangevoerde doelstellingen bestaan, moet in de tweede plaats worden getoetst of die eerste doelstelling, waarvan het bestaan is aangetoond, een „door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang” in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten is.

108    De eerste doelstelling is in wezen gericht op het goede beheer van de openbare middelen op het vlak van kostenefficiëntie in een context van begrotingsdiscipline en verlaging van het aantal personeelsleden van de instellingen. In dat verband zij opgemerkt dat de begroting van de Unie krachtens artikel 310, lid 5, VWEU wordt uitgevoerd volgens het beginsel van goed financieel beheer. Daarnaast bepaalt artikel 30, lid 1, van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1) dat de kredieten worden aangewend volgens de beginselen van goed financieel beheer, met name de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid. In artikel 30, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 966/2012 wordt gepreciseerd dat efficiëntie betekent dat de beste verhouding tussen de ingezette middelen en de verkregen resultaten wordt nagestreefd. Uit deze bepalingen volgt dat de doelstelling van de Uniewetgever om de optimalisering van de uitgaven van de instellingen op het terrein van de beroepsopleiding te waarborgen door middel van het door artikel 42 quater van het Statuut in het leven geroepen verschil in behandeling op grond van leeftijd, een „door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang” is.

109    Aangezien de eerste doelstelling op het beleid inzake beroepsopleiding van de instellingen is gericht, valt zij binnen het toepassingsgebied van artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/78, waarin de doelstelling op het terrein van de beroepsopleiding wordt vermeld bij de legitieme doelstellingen die door nationale maatregelen in het leven geroepen verschillen in behandeling op grond van leeftijd kunnen rechtvaardigen. Hieruit volgt dat, eveneens op grond van de hierboven vermelde richtlijn, die in casu een inspiratiebron vormt voor de vaststelling van de verplichtingen van de Uniewetgever (zie punt 73 hierboven), de eerste doelstelling een „door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang” in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten is (zie naar analogie arrest van 5 juli 2017, Fries, C‑190/16, EU:C:2017:513, punten 42 en 43).

110    Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat het verschil in behandeling op grond van leeftijd dat door artikel 42 quater van het Statuut in het leven is geroepen, ten minste aan één door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten beantwoordt.

111    Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door verzoeksters betoog dat in punt 101 hierboven is weergegeven. Ongeacht de vraag die in dat betoog is opgeworpen of de doelstelling van de kostenverlaging en van het aantal personeelsleden van de instellingen als zodanig een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang is, moet immers worden vastgesteld dat verzoekster niet aantoont dat dat de enige doelstelling is die door artikel 42 quater van het Statuut wordt nagestreefd. In dat verband zij in herinnering gebracht dat is aangetoond dat in het onderhavige geval ten minste één andere legitieme doelstelling door de Uniewetgever wordt nagestreefd, namelijk de doelstelling inzake de optimalisering van de investeringen voor de beroepsopleiding van ambtenaren.

112    Daar het verschil in behandeling op grond van leeftijd dat in het leven is geroepen door artikel 42 quater van het Statuut aan ten minste één door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang beantwoordt, moet worden onderzocht of dat verschil in behandeling in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten (zie in die zin arrest van 5 juli 2017, Fries, C‑190/16, EU:C:2017:513, punt 39).

2)      Evenredigheid

113    De evenredigheidsbeoordeling van het verschil in behandeling op grond van leeftijd dat in het leven is geroepen door artikel 42 quater van het Statuut, impliceert dat moet worden onderzocht of dat verschil in behandeling geschikt is om de nagestreefde doelstelling te verwezenlijken en of dat niet verder gaat dan daartoe noodzakelijk is (zie in die zin arrest van 5 juli 2017, Fries, C‑190/16, EU:C:2017:513, punt 44).

114    In dit verband moet naar analogie met de ruime beoordelingsbevoegdheid die aan de nationale wetgever is toegekend bij het bepalen van de maatregelen waarmee een bepaalde doelstelling van sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid kan worden verwezenlijkt (arresten van 16 oktober 2007, Palacios de la Villa, C‑411/05, EU:C:2007:604, punt 68; 5 maart 2009, Age Concern England, C‑388/07, EU:C:2009:128, punt 51, en 9 september 2015, Unland, C‑20/13, EU:C:2015:561, punt 57), worden erkend dat de Uniewetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt bij het bepalen van de maatregelen waarmee een doelstelling van algemeen belang in het kader van het personeelsbeleid kan worden verwezenlijkt. Rekening houdend met die ruime beoordelingsbevoegdheid heeft de toetsing van de rechter in casu betrekking op de vraag of het niet onredelijk lijkt dat de Uniewetgever van mening is dat het verschil in behandeling op grond van leeftijd dat is ingevoerd bij artikel 42 quater van het Statuut, passend en noodzakelijk kan zijn voor het bereiken van het aangevoerde legitieme doel (zie naar analogie arresten van 16 oktober 2007, Palacios de la Villa, C‑411/05, EU:C:2007:604, punt 72; 12 januari 2010, Petersen, C‑341/08, EU:C:2010:4, punt 70, en 9 september 2015, Unland, C‑20/13, EU:C:2015:561, punt 65).

115    Wat de eerste aangevoerde doelstelling betreft, inzake de optimalisering van de investeringen voor beroepsopleiding, zij eraan herinnerd dat artikel 42 quater van het Statuut in een context van begrotingsdiscipline en van verlaging van het aantal personeelsleden van de instellingen is vastgesteld. Zoals uit het dossier blijkt, gaat het om een geleidelijke verlaging met 5 % van het aantal personeelsleden in de periode 2013‑2017, die van toepassing is op alle instellingen, organen en instanties van de Unie. De bovengenoemde bepaling is tevens vastgesteld in een context waarin de wil bestond om de efficiëntie en prestaties van het Europees overheidsapparaat op het vlak van kostenefficiëntie te verbeteren, zoals met name uit punt 12 van verordening nr. 1023/2013 blijkt.

116    De Raad heeft gepreciseerd dat de instellingen in die context en om een veranderend takenpakket te garanderen voor een afnemend aantal personeelsleden, hun werkmethoden moesten wijzigen en van de ambtenaren moesten eisen dat zij zich aanpasten en regelmatig nieuwe bekwaamheden verwierven. Daarbij kwamen tevens de mogelijkheden die werden geboden door de informatisering en de digitalisering van de procedures, waardoor de behoeften op het vlak van laaggeschoolde arbeid zijn afgenomen. Al die omstandigheden hebben de instellingen ertoe gedwongen massaal te investeren in de voortdurende bijscholing van hun ambtenaren.

117    De Raad heeft aangevoerd dat, gelet op die omstandigheden, artikel 42 quater van het Statuut de instellingen de mogelijk biedt om de investeringen in de beroepsopleiding te richten op ambtenaren met een aan pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren en om een vorm van vervroegd pensioen aan te bieden aan ambtenaren die aan het einde van hun loopbaan zijn gekomen.

118    Wanneer de ambtenaren nieuwe bekwaamheden moeten verwerven en de instellingen derhalve in een context van begrotingsdiscipline en van verlaging van het aantal personeelsleden dienen te investeren in de beroepsopleiding, kan immers niet worden betwist dat door ambtenaren die bijna de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt op verlof in het belang van de dienst te plaatsen, middelen voor de beroepsopleiding van die ambtenaren worden vrijgemaakt die kunnen worden besteed aan de beroepsopleiding van jongere ambtenaren, die een langere loopbaan bij de instellingen voor zich hebben. Hieruit volgt dat dergelijk verlof in het belang van de dienst bijdraagt tot de optimalisering van de investeringen in de beroepsopleiding, omdat het bijdraagt tot de verbetering van de verhouding tussen de kosten die met die investeringen gepaard gaan en de voordelen die zij meebrengen voor de instellingen. Daarom moet worden vastgesteld dat het verschil in behandeling op grond van leeftijd dat is ingevoerd bij artikel 42 quater van het Statuut, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Uniewetgever beschikt (zie punt 114 hierboven), een geschikt middel is om de eerste doelstelling van de Uniewetgever te verwezenlijken.

119    Wat betreft de beoordeling van de vraag of het bovengenoemde verschil in behandeling verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling, dient deze maatregel in zijn eigen regelingscontext te worden geplaatst en moet rekening worden gehouden zowel met het nadeel dat daaraan kleeft voor de betrokken ambtenaren als met het voordeel daarvan voor met name de instellingen (zie in die zin en naar analogie arrest van 5 juli 2017, Fries, C‑190/16, EU:C:2017:513, punt 53).

120    Wat betreft de voordelen voor de instellingen, moet worden vastgesteld dat de optimalisering van de investeringen voor beroepsopleiding, die met het verschil in behandeling op grond van leeftijd wordt nagestreefd, ertoe bijdraagt dat de instellingen uiteindelijk hun taken kunnen blijven uitvoeren in een context van begrotingsdiscipline en van verlaging van het aantal personeelsleden.

121    Door het bovengenoemde verschil in behandeling opnieuw in de context van artikel 42 quater van het Statuut en van het Statuut in het algemeen te plaatsen, moet daarnaast worden opgemerkt dat het verlof in het belang van de dienst uiteindelijk een instrument voor personeelsbeheer is dat ter beschikking staat van de instellingen, aangezien het een bijkomende ambtelijke stand is waarin de ambtenaren kunnen worden geplaatst, die bij de andere ambtelijke standen in artikel 35 van het Statuut hoort, te weten actieve dienst, detachering, verlof om redenen van persoonlijke aard, ter beschikking, verlof wegens militaire dienst en ouderschapsverlof en verlof om gezinsredenen.

122    Bovendien moet worden geconstateerd dat in het Statuut geen bepalingen voorkomen die een „alternatief” zijn voor de maatregel in artikel 42 quater van het Statuut. In het bijzonder en aangezien verzoekster verwijst naar artikel 51 van het Statuut betreffende onvoldoende geschiktheid voor het ambt, zij opgemerkt dat die bepaling erop is gericht de onbevredigende uitvoering van de taken die aan een ambtenaar zijn opgedragen, vast te stellen en te bestraffen, en dat zij losstaat van overwegingen in verband met het belang van de dienst, terwijl de maatregel die krachtens artikel 42 quater van het Statuut wordt vastgesteld, verband houdt met het belang van de dienst.

123    Als bijkomend instrument voor personeelsbeheer levert artikel 42 quater van het Statuut ipso facto voordelen op voor de instellingen.

124    Wat betreft de schade die aan de betrokken ambtenaren wordt berokkend, moet rekening worden gehouden met de overwegingen in de punten 90 tot en met 92 hierboven.

125    Tegelijk zij opgemerkt dat die ambtenaren, zoals de Raad eveneens terecht opmerkt, tegen redelijke financiële voorwaarden op verlof in het belang van de dienst worden geplaatst. Met name zij in herinnering gebracht dat de betrokken ambtenaren immers tot aan het einde van het verlof een maandelijkse vergoeding ontvangen waarvan de berekening, die is weergegeven in punt 92 hierboven, door het Gerecht niet onredelijk wordt geacht. Daarnaast kunnen de betrokken ambtenaren, zoals blijkt uit artikel 42 quater, achtste alinea, van het Statuut pensioenbijdragen blijven betalen en zo hun pensioen blijven opbouwen. De voorwaarde van tien dienstjaren in artikel 42 quater van het Statuut draagt dan ook ertoe bij dat de in die bepaling vervatte maatregel evenredig is, in die zin dat, zoals het Parlement terecht heeft opgemerkt, die voorwaarde ertoe leidt dat die maatregel enkel wordt toegepast op ambtenaren met een zodanig salarisniveau en dusdanige pensioenrechten dat die de financiële nadelen van een opgelegd verlof in het belang van de dienst verzachten. Ten slotte moet in herinnering worden gebracht ten eerste dat de maatregel in artikel 42 quater van het Statuut afhankelijk is gesteld van een aantal voorwaarden die zijn opgenomen in de eerste alinea van die bepaling, ten tweede dat de instellingen, die over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken voor het vaststellen van die maatregel, niet verplicht zijn die maatregel toe te passen, en ten derde dat het totale aantal ambtenaren dat aan die maatregel kan worden onderworpen, beperkt is tot 5 % van de ambtenaren in alle instellingen die het voorafgaande jaar met pensioen zijn gegaan (zie punt 98 hierboven).

126    Gelet op de in punt 120 tot en met 125 hierboven vervatte overwegingen lijkt het niet onredelijk dat de Uniewetgever het noodzakelijk acht het opgelegde verlof in het belang van de dienst voor te behouden aan ambtenaren in de leeftijdscategorie in kwestie en niet aan ambtenaren die niet tot die leeftijdscategorie behoren, teneinde de legitieme doelstelling van de optimalisering van de investeringen voor beroepsopleiding te bereiken. Daarom moet worden vastgesteld dat het verschil in behandeling op grond van leeftijd dat door artikel 42 quater van het Statuut in het leven is geroepen, evenredig is aan de eerste aangevoerde legitieme doelstelling.

127    Aangezien is aangetoond dat het verschil in behandeling op grond van leeftijd evenredig is aan de eerste aangevoerde legitieme doelstelling, dient te worden vastgesteld dat het verschil in behandeling dat door artikel 42 quater van het Statuut in het leven is geroepen niet in strijd is met artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten daar het de criteria die zijn geformuleerd in artikel 52, lid 1, ervan, eerbiedigt. Derhalve moet de exceptie van onwettigheid die is opgeworpen tegen artikel 42 quater van het Statuut worden verworpen.

2.      Tweede middel: schending van artikel 42 quater van het Statuut alsook van MP 71/15, en kennelijke beoordelingsfouten

128    Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit artikel 42 quater van het Statuut en MP 71/15 schendt en dat het kennelijke beoordelingsfouten bevat. In die context voert zij onder meer aan dat de Raad de verwerving van nieuwe bekwaamheden niet heeft gerechtvaardigd op grond van het belang van de dienst dat hij meende te moeten dienen door artikel 42 quater van het Statuut op verzoekster toe te passen, dat hij de reële organisatorische redenen die het verwerven van nieuwe bekwaamheden noodzakelijk maken niet heeft geïdentificeerd en dat hij niet heeft bepaald welke nieuwe bekwaamheden zij niet in staat zou zijn te verwerven. De Raad heeft daarentegen te lang bij onder meer haar beweerdelijk negatieve beoordelingsrapporten en haar gedrag in de dienst stilgestaan, met andere woorden met zaken die niet binnen de werkingssfeer van artikel 42 quater van het Statuut vallen. Verzoekster betwist tevens de vaststelling in het bestreden besluit dat zij niet over het vermogen beschikte om zich aan te passen aan de veranderende behoeften van het werk.

129    De Raad bestrijdt verzoeksters betoog en verzoekt om afwijzing van het onderhavige middel.

a)      Afbakening van de bepalingen die in casu van toepassing zijn

130    In herinnering zij gebracht dat artikel 42 quater van het Statuut uitdrukkelijk bepaalt dat de betrokken ambtenaren in het belang van de dienst op verlof worden geplaatst. Daarnaast wordt in dat artikel als voorwaarde voor de toepassing ervan gesteld dat er sprake is van „organisatorische redenen die verband houden met de verwerving van nieuwe bekwaamheden binnen de instellingen”.

131    Tevens moet eraan worden herinnerd dat de secretaris-generaal van de Raad bij MP 71/15 informatie heeft verstrekt over de uitvoering van artikel 42 quater van het Statuut door die instelling (zie punt 8 hierboven), door met name de inhoud van die „organisatorische redenen die verband houden met de verwerving van nieuwe bekwaamheden” wat die instelling betreft te preciseren. Uit die mededeling en uit de preciseringen die in het kader van het besluit tot afwijzing van de klacht zijn verstrekt (zie met name de punten 44 en 64 van dat besluit) vloeit voort dat de Raad voor de toepassing van artikel 42 quater van het Statuut rekening houdt met de volgende twee factoren: ten eerste neemt hij de „organisatorische redenen die verband houden met de verwerving van nieuwe bekwaamheden” binnen die instelling in aanmerking, in die zin dat hij die behoeften inschat die het noodzakelijk maken dat de betrokken ambtenaren nieuwe bekwaamheden verwerven, en ten tweede houdt hij rekening met het vermogen van die ambtenaren om dergelijke bekwaamheden te verwerven en zich aan te passen aan de veranderende werkomgeving.

132    De Raad heeft in punt 44 van het besluit tot afwijzing van de klacht en in zijn verweer voor het Gerecht verduidelijkt dat de beoordeling van de tweede in punt 131 hierboven geïdentificeerde factor noodzakelijkerwijs een zekere prognose inhoudt in de zin dat het gaat om een inschatting, op basis van de gegevens waarover het tot aanstelling bevoegde gezag (hierna: „TABG”) beschikt op het moment waarop het zijn besluit neemt, of het redelijk was te veronderstellen dat de betrokken ambtenaren moeite zouden hebben om zich aan te passen aan de veranderende werkomgeving en aan de toekomstige behoeften van de dienst.

133    Uit de toepasselijke bepalingen, in casu artikel 42 quater van het Statuut zoals dat is gepreciseerd bij MP 71/15, die bindend is voor de Raad, volgt dat de inschatting van de twee in punt 131 hierboven genoemde factoren een toekomstgerichte inschatting is, zoals die instelling overigens ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht heeft bevestigd.

134    Verzoekster bestrijdt de rechtmatigheid van de uitlegging van artikel 42 quater van het Statuut door de Raad. Ten eerste betoogt zij dat de Raad met MP 71/15 die bepaling onjuist heeft opgevat door te stellen dat het verlof in het belang van de dienst zal worden toegepast op „ambtenaren die moeite hebben om nieuwe bekwaamheden te verwerven en zich aan te passen aan de veranderende werkomgeving”. Ten tweede voert zij aan dat de redenering van de Raad die is weergegeven in punt 76 van het verweer, volgens welke het zou gaan „om een inschatting van het potentieel van een ambtenaar om nieuwe bekwaamheden te verwerven en zich aan te passen aan de veranderende werkomgeving”, wegens die onrechtmatige opvatting eveneens buiten beschouwing moet worden gelaten, aangezien de Raad zich daarbij baseert op inschattingen die de bewoordingen van artikel 42 quater van het Statuut niet toestaan.

135    Dat betoog van verzoekster dwingt ertoe de verenigbaarheid van de benadering van de Raad, zoals die is beschreven in MP 71/15 en is uitgelegd in het besluit tot afwijzing van de klacht en in de schrifturen voor het Gerecht, te toetsen aan de hogere norm van artikel 42 quater van het Statuut (zie in die zin arrest van 22 september 2015, Barnett/EESC, F‑20/14, EU:F:2015:107, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

136    In dat verband zij in herinnering gebracht dat in artikel 42 quater van het Statuut uitdrukkelijk wordt verwezen naar „het belang van de dienst”. Zoals de Raad heeft gepreciseerd in het kader van zijn schriftelijke antwoord op een vraag van het Gerecht vormen de „organisatorische redenen die verband houden met de verwerving van nieuwe bekwaamheden”, waarop dat artikel tevens is gericht, een specifiek aspect van het belang van de dienst.

137    Aangezien de „organisatorische redenen” verband houden met de „verwerving van nieuwe bekwaamheden” en slechts een specifiek aspect van het belang van de dienst in het kader van artikel 42 quater van het Statuut vormen, moet worden vastgesteld dat de bewoordingen van die bepaling de Raad niet verbieden om met het oog op „organisatorische redenen die verband houden met de verwerving van nieuwe bekwaamheden”, rekening te houden met het vermogen van de betrokken ambtenaren „om nieuwe bekwaamheden te verwerven en zich aan te passen aan de veranderende werkomgeving” zoals is uiteengezet in MP 71/15.

138    Dat een eigenschap van de betrokken ambtenaren in aanmerking wordt genomen, is ook niet strijdig met de ratio legis van artikel 42 quater van het Statuut. Aangezien is vastgesteld dat die bepaling de doelstelling van de optimalisering van de investeringen voor de beroepsopleiding van de instellingen op het vlak van kostenefficiëntie nastreeft, lijkt het immers verenigbaar met die doelstelling dat de Raad bij de bepaling van de kosten van investeringen voor de beroepsopleiding rekening houdt met het vermogen van de betrokken ambtenaren om nieuwe bekwaamheden te verwerven en zich aan te passen aan de veranderende werkomgeving. Dat rekening wordt gehouden met een eigenschap van de betrokken ambtenaren lijkt eveneens te worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat de toepassing van artikel 42 quater van het Statuut voor hen nadelige gevolgen met zich brengt en hun tegen hun wil kan worden opgelegd (zie de punten 90 tot en met 92 hierboven). Hieruit volgt dat het in aanmerking nemen van een eigenschap van de betrokken ambtenaren tot gevolg heeft dat die bepaling ten aanzien van hen minder strikt wordt toegepast.

139    Daarom moet worden besloten dat de inschatting, door de Raad, van het vermogen van de betrokken ambtenaren om nieuwe bekwaamheden te verwerven en zich aan te passen aan de veranderende werkomgeving verenigbaar is met artikel 42 quater van het Statuut.

140    Aangezien die inschatting is gericht op het nastreven van het belang van de dienst, moet zij noodzakelijkwijs betrekking hebben op het toekomstige vermogen van de betrokken ambtenaren om nieuwe bekwaamheden te verwerven en zich aan te passen aan de veranderende werkomgeving en moet zij derhalve een zekere prognose omvatten, zoals de Raad terecht betoogt. In het tegenovergestelde geval zou die inschatting niet gericht zijn op het belang van de dienst. Daarom moet eveneens worden geconstateerd dat de prognose, die deel uitmaakt van de beoordeling van de tweede factor die in punt 131 hierboven is geïdentificeerd, verenigbaar is met artikel 42 quater van het Statuut.

141    Gelet op een en ander moet verzoeksters betoog dat in punt 134 hierboven is weergegeven, worden afgewezen.

142    Uit de toepasselijke bepalingen, namelijk artikel 42 quater van het Statuut en MP 71/15, blijkt dat de Raad in casu verplicht was twee factoren in te schatten van de „organisatorische redenen die verband houden met de verwerving van nieuwe bekwaamheden”, te weten ten eerste de toekomstige organisatorische behoeften van de instelling die de verwerving van nieuwe bekwaamheden noodzakelijk maken, en ten tweede verzoeksters vermogen om nieuwe vooraf geïdentificeerde bekwaamheden te verwerven om uiteindelijk de kostenefficiëntie die gepaard gaat met investeringen voor de beroepsopleiding in te schatten, overeenkomstig de door artikel 42 quater van het Statuut nagestreefde doelstelling.

b)      Beoordeling van de toekomstige organisatorische behoeften in het onderhavige geval

143    Allereerst zij opgemerkt dat de Raad in zijn schrifturen voor het Gerecht onder verwijzing naar punt 9, onder c), van het bestreden besluit, heeft verduidelijkt dat het TABG in casu niet alleen de veranderingen binnen de dienst waar verzoekster werkzaam was, maar tevens de organisatorische behoeften van de instelling, te weten van het secretariaat-generaal van de Raad (hierna: „SGR”), in zijn geheel in aanmerking had genomen en dat die benadering niet in strijd was met artikel 42 quater van het Statuut noch dat een kennelijke beoordelingsfout was gemaakt. Verzoekster heeft betwist dat de Raad daadwerkelijk de beoordeling heeft verricht die hij beweerde te hebben verricht.

144    Daarom dient te worden onderzocht of de Raad in casu een toekomstgerichte en daadwerkelijke beoordeling van de organisatorische behoeften van de dienst waar verzoekster werkte en eveneens van de instelling in haar geheel heeft gemaakt, zoals hij beweert te hebben gedaan.

145    Aangezien de beoordeling van de organisatorische behoeften betrekking heeft op de beoordeling van het belang van de dienst, moet worden erkend dat de Raad voor het verrichten van die beoordeling over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt die door het Gerecht alleen ter discussie kan worden gesteld in het geval van kennelijke beoordelingsfouten, feitelijke onjuistheden of misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arresten van 12 december 2000, Dejaiffe/BHIM, T‑223/99, EU:T:2000:292, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 mei 2018, Barnett/EESC, T‑23/17, niet gepubliceerd, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2018:271, punten 36 en 38).

146    Ook al is de draagwijdte van de rechterlijke toetsing in casu beperkt, deze vereist evenwel dat de Raad, die het bestreden besluit heeft vastgesteld, voor het Gerecht kan aantonen dat hij bij de vaststelling van dat besluit zijn beoordelingsbevoegdheid daadwerkelijk heeft uitgeoefend, wat veronderstelt dat rekening wordt gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van de desbetreffende situatie (zie in die zin en naar analogie arresten van 7 september 2006, Spanje/Raad, C‑310/04, EU:C:2006:521, punt 122, en 11 juli 2007, Wils/Parlement, F‑105/05, EU:F:2007:128, punt 75).

147    Hieruit volgt dat de Raad ten minste de basisgegevens moet kunnen overleggen waarmee rekening moest worden gehouden als grondslag voor het bestreden besluit en waarvan de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid afhing, en die duidelijk en ondubbelzinnig moet kunnen uiteenzetten (zie in die zin en naar analogie arresten van 7 september 2006, Spanje/Raad, C‑310/04, EU:C:2006:521, punt 123, en 11 juli 2007, Wils/Parlement, F‑105/05, EU:F:2007:128, punt 76).

148    Aangezien de Raad de kostenefficiëntie van een investering in verzoeksters beroepsopleiding moet beoordelen, omvatten de hierboven bedoelde basisgegevens logischerwijs gegevens over de aard en de omvang van de toekomstige hervormingen.

149    In de eerste plaats blijkt in casu uit het dossier dat verzoekster in haar nota van 1 december 2015 (zie punt 13 hierboven) onder meer heeft aangevoerd dat het TABG niet had aangetoond dat er sprake was van „organisatorische redenen die verband houden met de verwerving van nieuwe bekwaamheden” die rechtvaardigden dat zij tegen haar wil op verlof in het belang van de dienst werd geplaatst en dat het niet had aangegeven welke nieuwe bekwaamheden moesten worden verworven.

150    In de tweede plaats volgt uit het bestreden besluit dat het enige relevante punt waarin de problematiek in verband met de inschatting van de toekomstige organisatorische behoeften wordt aangesneden, punt 9, onder a) en c), zijn.

151    In punt 9, onder a), van het bestreden besluit heeft het TABG erop gewezen dat de eenheid [vertrouwelijk] waarin verzoekster werkzaam was haar werkmethoden aanpaste in navolging van de hervormingen die in andere diensten van het directoraat [vertrouwelijk] werden doorgevoerd. Het TABG heeft die hervormingen, die onder meer bestonden uit de tenuitvoerlegging van „nieuwe flexibele procedures” en „activiteiten”, uit de „digitalisering van workflow” en uit de „vaststelling van interinstitutionele IT‑oplossingen”, algemeen vastgesteld. Het TABG heeft erop gewezen dat de uitvoering van die hervormingen van het personeel de geschikte knowhow en een zekere mate van flexibiliteit vereiste.

152    Het Gerecht is van mening dat de inhoud van het hierboven bedoelde punt 9, onder a), niet aantoont dat het TABG zowel op het niveau van de eenheid [vertrouwelijk] als op het niveau van het directoraat [vertrouwelijk] een daadwerkelijke en toekomstgerichte inschatting van de organisatorische behoeften heeft gemaakt. De gegevens die in dat punt zijn verstrekt, tonen immers niet aan dat de hervormingen waarvan hier sprake is toekomstige hervormingen zijn, noch dat rekening is gehouden met de aard en de omvang van die hervormingen. Met andere woorden, die gegevens bewijzen niet dat de Raad de toekomstige organisatorische behoeften in aanmerking heeft genomen zoals hij verplicht was te doen volgens zijn toekomstgerichte benadering en zij tonen evenmin aan dat de Raad de aard en de omvang van die hervormingen heeft ingeschat opdat hij de kostenefficiëntie die met verzoeksters opleidingsbehoeften gepaard gaat, zou kunnen beoordelen.

153    Wat punt 9, onder c), van het bestreden besluit betreft, moet worden vastgesteld dat de Raad zich ertoe beperkt erop te wijzen dat de diensten van het SGR „zich voortdurend aanpassen aan de aard en de verhoging van het ritme van de vergaderingen die bij de Raad worden gehouden en aan de evolutie van de dynamiek van het wetgevingsproces”. Die gegevens tonen evenwel niet aan dat de Raad een toekomstgerichte inschatting van de organisatorische behoeften van het SGR in zijn geheel heeft gemaakt zoals hij heeft verklaard te hebben gedaan (zie punt 143 hierboven). Zelfs indien wordt aangenomen dat de Raad een dergelijke inschatting heeft gemaakt, is niet bewezen dat hij daarbij rekening heeft gehouden met de aard en de omvang van de toekomstige hervormingen. De overwegingen in punt 9, onder c), van het bestreden besluit lijken immers betrekking te hebben op het onderzoek van verzoeksters potentieel op het vlak van mobiliteit, zoals uit de eerste en de laatste zin van dat punt blijkt.

154    De overige bepalingen van punt 9 van het bestreden besluit, dat de motivering voor het toepassen op verzoekster van artikel 42 quater van het Statuut bevat, hebben geen betrekking op de inschatting van de toekomstige organisatorische behoeften. Punt 9, onder b), van het bestreden besluit verstrekt gegevens over verzoeksters loopbaangeschiedenis en bevat een inschatting van haar aanpassingsvermogen gebaseerd op gegevens over haar loopbaan tot de dag waarop het bestreden besluit is vastgesteld. Punt 9, onder d) en e), van het bestreden besluit biedt een inschatting van verzoeksters potentieel op het vlak van mobiliteit waarbij onder e) wordt besloten dat dat er niet is. De inschatting van dat potentieel is echter geen beoordeling van de toekomstige organisatorische behoeften daar deze betrekking heeft op de vraag of verzoekster naar een andere dienst kon worden overgeplaatst, en niet op de vraag of de kostenefficiëntie verzoeksters beroepsopleiding rechtvaardigde, zodat zij zich kon aanpassen aan de toekomstige hervormingen. Hoe dan ook blijkt uit de nota van de personeelsdienst van 17 november 2015 (zie punt 11 hierboven), op basis waarvan de inschatting van verzoeksters potentieel op het vlak van mobiliteit is verricht, dat de inschatting van dit potentieel eveneens was beïnvloed door verzoeksters persoonlijke keuzen, die volgens die nota een bepaald aantal functies die beschikbaar waren, had geweigerd. In die nota kwam geen enkele inschatting van de toekomstige organisatorische behoeften voor.

155    In de derde plaats zij opgemerkt dat verzoekster in haar klacht tegen het bestreden besluit onder meer opnieuw heeft betwist dat er sprake was van een hervorming op basis waarvan kon worden gerechtvaardigd dat artikel 42 quater van het Statuut op haar werd toegepast. In het besluit tot afwijzing van de klacht wordt echter niet ingegaan op die bewering van verzoekster en meer algemeen bevat het besluit geen enkel gegeven dat aantoont dat de Raad een daadwerkelijke en toekomstgerichte beoordeling van de organisatorische behoeften heeft gemaakt. Deze instelling heeft haar analyse beperkt tot een inschatting van verzoeksters vermogen om nieuwe bekwaamheden te verwerven en zich aan te passen aan de veranderende werkomgeving, en heeft haar besluit dat dat vermogen niet aanwezig was gebaseerd op de redenering die is samengevat in punt 33 van het besluit tot afwijzing van de klacht, waarin staat te lezen dat „iemand die moeite heeft om haar normale taken te verrichten […] niet in staat [is] de inspanning te leveren die de aanpassing aan een veranderende realiteit met zich brengt”.

156    In de vierde plaats beperkt de Raad zich ertoe voor het Gerecht, in antwoord op verzoeksters betoog over het achterwege blijven van identificatie van de reële organisatorische behoeften die de verwerving van nieuwe bekwaamheden noodzakelijk maken (zie punt 128 hierboven), in zijn verweer onder verwijzing naar punt 9, onder c), van het bestreden besluit te verklaren dat „de wijzigingen in de werkmethoden van het SGR en de toegenomen behoeften op het vlak van aanpassingsvermogen van het personeel die daaruit voortvloeien, ook voor de ambtenaren van functiegroep AST, niet louter hypothetisch zijn, maar een realiteit zijn waarmee het TABG rekening dient te houden”. Deze loutere verklaring van de Raad bewijst geenszins dat een daadwerkelijke en toekomstgerichte inschatting van de organisatorische behoeften is verricht en voegt geen essentiële informatie toe aan de gegevens die in punt 9, onder c), van het bestreden besluit, dat op zich al onvoldoende was om een dergelijk bewijs te leveren, zijn verstrekt (zie punt 153 hierboven). Het betoog van de Raad in dupliek beperkt zich eveneens ertoe punt 9 van het bestreden besluit uiteen te zetten.

157    Daarnaast geeft de verwijzing van de Raad voor het Gerecht naar de nota van het afdelingshoofd [vertrouwelijk] van 26 oktober 2015 (zie punt 11 hierboven) over een reorganisatie van de dienst [vertrouwelijk] die in 2014 heeft plaatsgevonden na de komst van een nieuwe [vertrouwelijk] geen nuttige gegevens over de vraag of een daadwerkelijke en toekomstgerichte inschatting van de organisatorische behoeften van de dienst, van de eenheid [vertrouwelijk] of van het SGR in zijn geheel is verricht. Zoals overigens uit de hierboven vermelde nota van 26 oktober 2015 blijkt, en zoals dat is bevestigd door de Raad in zijn dupliek, strekte de verwijzing naar een reorganisatie die in het verleden heeft plaatsgevonden alleen ter onderbouwing van de vaststelling met betrekking tot verzoeksters vermeende onvermogen om nieuwe bekwaamheden te verwerven en zich aan te passen aan de veranderende werkomgeving.

158    In de vijfde plaats, gelet op het betoog van de Raad in punt 42 van de dupliek, dat aldus kan worden opgevat dat die instelling voor die inschatting in casu rekening heeft gehouden met de toekomstige organisatorische behoeften – de verlaging van het aantal personeelsleden waarmee zij die moest doorvoeren –, heeft de Raad ter terechtzitting na een vraag van het Gerecht verduidelijkt dat dit niet het geval was. Daarnaast blijkt uit de inhoud van het bestreden besluit noch uit de inhoud van het besluit tot afwijzing van de klacht dat met die factoren rekening is gehouden.

159    Gelet op een en ander moet worden geconstateerd dat de Raad niet heeft aangetoond dat hij bij de vaststelling van het bestreden besluit zijn beoordelingsbevoegdheid daadwerkelijk heeft uitgeoefend wat betreft toekomstige organisatorische behoeften die het noodzakelijk maakten dat verzoekster nieuwe bekwaamheden verwierf, aangezien hij niet heeft aangetoond dat hij een toekomstgerichte inschatting heeft gemaakt en dat hij rekening heeft gehouden met ten eerste de aard en de omvang van de hervormingen die zich aandienden en ten tweede de organisatorische behoeften van de instelling in haar geheel, zoals hij verklaart te hebben gedaan. Daarentegen blijkt uit het dossier dat de Raad het bestreden besluit in werkelijkheid uitsluitend heeft gebaseerd op de inschatting van verzoeksters vermogen om nieuwe bekwaamheden te verwerven. Aangezien die beoordeling niet in verband is gebracht met de daadwerkelijke en toekomstige organisatorische behoeften heeft de Raad oneigenlijk gebruik gemaakt van artikel 42 quater van het Statuut, dat vereist dat de betrokken instelling rekening houdt met objectieve gegevens die verband houden met „organisatorische redenen”. Wanneer dergelijke gegevens niet in aanmerking worden genomen, bestaat immers de kans dat het opgelegde verlof waarop de bovengenoemde bepaling ziet, een tuchtrechtelijk karakter aanneemt ten aanzien van de ambtenaren die door deze maatregel worden geraakt.

160    In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de Raad de grenzen heeft overschreden van de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover hij in casu beschikte, zodat het tweede middel moet worden aanvaard. Hieruit volgt dat het bestreden besluit waarbij verzoekster op verlof in het belang van de dienst is geplaatst, nietig moet worden verklaard, zonder dat de andere door haar aangevoerde middelen hoeven te worden onderzocht.

C.      Schadevordering

161    Verzoekster betoogt dat zij door het bestreden besluit materiële en immateriële schade heeft geleden.

162    De materiële schade zou in essentie bestaan in een verlies van inkomsten en de Raad moet alle gevolgen verbinden aan de nietigverklaring van het bestreden besluit en het besluit waarbij de klacht is afgewezen.

163    In het bijzonder is de Raad gehouden tot betaling aan verzoekster van het verschil tussen ten eerste haar netto-inkomen (basissalaris en toelagen) en de toelage die wordt betaald op grond van artikel 42 quater van het Statuut (zoals die is vastgesteld in bijlage IV bij het Statuut) voor de periode van januari tot en met maart 2016, en ten tweede tussen haar netto-inkomen (basissalaris en toelagen) en haar pensioen vanaf 1 april 2016. Voor die berekeningen dient rekening te worden gehouden met de ondermijning van verzoeksters loopbaanontwikkeling, die niet alleen de plaatsing in hogere salaristrappen meebrengt, maar eveneens de kans op bevordering vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, die is vastgesteld op 65 jaar. Ten slotte moet vertragingsrente over al die bedragen worden berekend tegen de rentevoet van de Europese Centrale Bank (ECB), vermeerderd met twee punten. Verzoekster raamt de schade op 121 101,72 EUR, zonder dat daarbij rekening is gehouden met onder meer de vertragingsrente, met de plaatsing in twee nieuwe salaristrappen op 1 april 2018 en 1 april 2020 en met de ontwikkeling van haar loopbaan door bevordering.

164    Wat de materiële schade betreft, voert verzoekster eveneens financiële problemen aan die door de twee bovengenoemde besluiten zijn veroorzaakt. [vertrouwelijk] Verzoekster raamt de materiële schade die daaruit voortvloeit op 30 000 EUR, onder voorbehoud van wijziging.

165    [vertrouwelijk]

166    [vertrouwelijk]

167    [vertrouwelijk]

168    [vertrouwelijk]

169    Verzoekster concludeert dat de geleden immateriële schade niet kan worden hersteld met alleen maar een arrest houdende nietigverklaring en raamt de vergoeding van die schade ex aequo et bono op 70 000 EUR.

170    Ondersteund door de Commissie concludeert de Raad primair tot afwijzing van de schadevordering en voert hij subsidiair aan dat de door verzoekster gevorderde bedragen voor de vermeende schade buitensporig lijken en tot een redelijkere verhouding moeten worden teruggebracht.

171    Uit vaste rechtspraak blijkt dat in het kader van een verzoek tot schadevergoeding dat door een ambtenaar of functionaris is ingediend, de aansprakelijkheid van de Unie onderstelt dat aan een aantal voorwaarden is voldaan, te weten de onrechtmatigheid van het aan de instellingen verweten gedrag, het werkelijk bestaan van de schade en een oorzakelijk verband tussen het beweerde gedrag en de gestelde schade (zie arrest van 12 juli 2012, Commissie/Nanopoulos, T‑308/10 P, EU:T:2012:370, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

172    Verzoekster heeft in casu betoogd dat er sprake is van materiële en immateriële schade.

1.      Materiële schade

173    De door verzoekster aangevoerde materiële schade bestaat uit twee componenten: het inkomstenverlies als gevolg van het haar opgelegde verlof in het belang van de dienst en de financiële gevolgen doordat zij niet in staat is de schulden die zij is aangegaan terug te betalen.

174    Wat de eerste component betreft, betoogt verzoekster dat „verweerder alle gevolgen moet verbinden aan de nietigverklaring van de bestreden besluiten”. Zij expliciteert vervolgens wat die gevolgen zijn.

175    Daaruit volgt dat de door verzoekster gevorderde vergoeding voor de materiële schade samenvalt met de verplichtingen die krachtens artikel 266 VWEU op de Raad rusten als gevolg van de nietigverklaring van het bestreden besluit.

176    In dat verband zij in herinnering gebracht dat overeenkomstig artikel 266 VWEU de instelling waarvan een handeling nietig is verklaard door de Unierechter, gehouden is de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van de beslissing tot nietigverklaring, teneinde de gevolgen te compenseren van haar onrechtmatigheid. In beginsel moet de administratie de betrokken ambtenaar derhalve in exact dezelfde situatie plaatsen als die waarin hij thans zonder de vastgestelde onrechtmatigheid zou verkeren. Teneinde de eventuele gevolgen van die onrechtmatigheid in de tijd te corrigeren en op voorwaarde dat het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen naar behoren wordt gerespecteerd, kan de administratie een handeling met terugwerkende kracht vaststellen (zie in die zin arrest van 13 september 2011, AA/Commissie, F‑101/09, EU:F:2011:133, punt 41).

177    Aangezien de door verzoekster gevorderde vergoeding voor de eerste component van de materiële schade samenvalt met de verplichtingen die op de Raad rusten als gevolg van de nietigverklaring van het bestreden besluit, moet bijgevolg worden vastgesteld dat verzoeksters verzoek voorbarig is en derhalve niet kan worden toegewezen (zie in die zin arrest van 17 november 2017, Teeäär/ECB, T‑555/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:817, punt 59).

178    Wat de tweede component betreft, moet ten eerste worden vastgesteld dat verzoekster niet aantoont dat haar financiële schade reëel en zeker is. [vertrouwelijk] Die gegevens tonen echter niet aan dat er sprake is van zekere schade, maar van hypothetische schade.

179    Ten tweede zij opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak de schade een voldoende rechtstreeks gevolg van de verweten gedraging moet zijn om voor vergoeding in aanmerking te komen (arresten van 4 oktober 1979, Dumortier e.a./Raad, 64/76, 113/76, 167/78, 239/78, 27/79, 28/79 en 45/79, EU:C:1979:223, punt 21; 25 juni 1997, Perillo/Commissie, T‑7/96, EU:T:1997:94, punt 41, en 27 juni 2000, Meyer/Commissie, T‑72/99, EU:T:2000:170, punt 49). De verzoekende partij dient het causaal verband te bewijzen (arresten van 18 september 1995, Blackspur e.a./Raad en Commissie, T‑168/94, EU:T:1995:170, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 oktober 2004, I/Hof van Justitie, T‑256/02, EU:T:2004:306, punt 49). In casu toont verzoekster niet aan dat er sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen de daling van haar inkomsten als gevolg van het bestreden besluit en haar onvermogen om de schulden die zij is aangegaan terug te betalen. Dat onvermogen kan het gevolg zijn van verschillende factoren die buiten de invloedssfeer van de Raad vallen en met name het gevolg zijn van verzoeksters financiële beheer waarvoor de Raad niet aansprakelijk kan worden gesteld.

180    Gelet op een en ander moet verzoeksters verzoek tot vergoeding van de materiële schade worden afgewezen.

2.      Immateriële schade

181    De Unierechter heeft gepreciseerd dat de nietigverklaring van een onrechtmatige handeling op zich een passend en in beginsel afdoend herstel kan vormen van de immateriële schade die deze handeling kan hebben veroorzaakt, tenzij de verzoekende partij aantoont dat zij immateriële schade heeft geleden die kan worden gescheiden van de aan de nietigverklaring ten grondslag liggende onrechtmatigheid en door die nietigverklaring niet volledig kan worden hersteld (zie arrest van 31 maart 2004, Girardot/Commissie, T‑10/02, EU:T:2004:94, punt 131 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

182    In casu houden de in de punten 166 en 167 hierboven uiteengezette factoren die immateriële schade zouden hebben veroorzaakt, verband met de vaststelling van het bestreden besluit. Dienaangaande oordeelt het Gerecht dat de nietigverklaring van dat besluit in casu een toereikend herstel vormt van de immateriële schade die uit die factoren voortvloeit.

183    Wat betreft de immateriële schade die in punt 165 hierboven is beschreven, is er geen verband met het bestreden besluit [vertrouwelijk].

184    Wat betreft de immateriële schade waarvan in punt 168 hierboven melding wordt gemaakt, zij opgemerkt dat verzoekster niet aantoont dat er sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen de daling van haar inkomsten en [vertrouwelijk].

185    Gelet op een en ander moet verzoeksters verzoek tot vergoeding van de immateriële schade eveneens worden afgewezen. Bijgevolg moet haar vordering tot schadevergoeding in haar geheel te worden afgewezen.

IV.    Kosten

186    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

187    Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van verzoekster worden verwezen in de kosten.

188    Het Parlement en de Commissie zullen overeenkomstig artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering hun eigen kosten dragen.

HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het besluit van 8 december 2015 waarbij FV op verlof in het belang van de dienst is geplaatst, wordt nietig verklaard.

2)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)      De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van FV.

4)      Het Europees Parlement en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.

Prek

Buttigieg

Schalin

Berke

 

                  Costeira

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 december 2018.

ondertekeningen


Inhoud


I. Voorgeschiedenis van het geding

II. Procedure en conclusies van partijen

III. In rechte

A. Voorwerp van het beroep

B. Verzoek tot nietigverklaring

1. Eerste middel: onwettigheid van artikel 42 quater van het Statuut

a) Opmerkingen vooraf

b) Verschil in behandeling op grond van leeftijd

c) Eerbiediging van de criteria in artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten

1) Beantwoordt het verschil in behandeling op grond van leeftijd, dat door artikel 42 quater van het Statuut in het leven is geroepen aan een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang?

2) Evenredigheid

2. Tweede middel: schending van artikel 42 quater van het Statuut alsook van MP 71/15, en kennelijke beoordelingsfouten

a) Afbakening van de bepalingen die in casu van toepassing zijn

b) Beoordeling van de toekomstige organisatorische behoeften in het onderhavige geval

C. Schadevordering

1. Materiële schade

2. Immateriële schade

IV. Kosten


*      Procestaal: Frans.


1      Vertrouwelijke gegevens weggelaten.