Language of document : ECLI:EU:C:2018:1021

BESCHIKKING VAN HET HOF (Grote kamer)

17 december 2018 (*)

„Kort geding – Artikel 279 VWEU – Verzoek om voorlopige maatregelen – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 47 – Daadwerkelijke rechtsbescherming – Onafhankelijkheid van de rechters”

In zaak C‑619/18 R,

betreffende een verzoek om voorlopige maatregelen krachtens artikel 279 VWEU en artikel 160, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, ingediend op 2 oktober 2018,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Banks, H. Krämer en S. L. Kaleda als gemachtigden,

verzoekende partij,

tegen

Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna, K. Majcher en S. Żyrek als gemachtigden,

verwerende partij,

ondersteund door:

Hongarije, vertegenwoordigd door Z. Fehér als gemachtigde,

interveniërende partij,

geeft

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), vicepresident, A. Arabadjiev, A. Prechal, M. Vilaras, T. von Danwitz, C. Toader, F. Biltgen, K. Jürimäe en C. Lycourgos, kamerpresidenten, L. Bay Larsen, D. Šváby, C. G. Fernlund, C. Vajda en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal E. Tanchev gehoord,

de volgende

Beschikking

1        Met haar verzoek in kort geding verzoekt de Europese Commissie het Hof om de Republiek Polen te gelasten, in afwachting van het arrest waarbij het Hof uitspraak doet over de grond van de zaak:

–        de toepassing van de bepalingen van artikel 37, §§ 1 tot en met 4, en van artikel 111, §§ 1 en 1 bis, van de ustawa o Sądzie Najwyższym (wet inzake het hooggerechtshof) van 8 december 2017 (Dz.U. van 2018, volgnr. 5) en van artikel 5 van de ustawa o zmianie ustawy – Prawo o ustroju sądów powszechnych, ustawy o Sądzie Najwyższym oraz niektórych innych ustaw (wet houdende wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken, de wet inzake het hooggerechtshof, en bepaalde andere wetten) van 10 mei 2018 (Dz.U. van 2018, volgnr. 1045; hierna: „wijzigingswet”) (hierna samen: „litigieuze nationale bepalingen”) alsmede van elke op grond van deze bepalingen genomen maatregel op te schorten;

–        alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de rechters bij de Sąd Najwyższy (hooggerechtshof, Polen) die door de litigieuze bepalingen worden geraakt, hun ambt op de post die zij op 3 april 2018, de datum van inwerkingtreding van de wet inzake het hooggerechtshof, bekleedden, verder kunnen uitoefenen met hetzelfde statuut en dezelfde rechten en arbeidsvoorwaarden als die welke zij tot 3 april 2018 genoten;

–        zich te onthouden van elke maatregel ter benoeming van rechters bij de Sąd Najwyższy in de plaats van de rechters die door de litigieuze nationale bepalingen worden geraakt, en van elke maatregel ter benoeming van de nieuwe eerste president van deze rechterlijke instantie of ter aanwijzing van de persoon die met de leiding van deze rechterlijke instantie wordt belast in de plaats van de eerste president totdat de nieuwe eerste president is benoemd, en

–        de Commissie uiterlijk een maand na de kennisgeving van de beschikking van het Hof waarbij de gevraagde voorlopige maatregelen worden gelast, en daarna regelmatig elke maand, op de hoogte te stellen van alle maatregelen die zij heeft genomen om volledig aan deze beschikking te voldoen.

2        Voorts heeft de Commissie op grond van artikel 160, lid 7, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om de in punt 1 vermelde voorlopige maatregelen te verlenen nog voordat verweerster haar opmerkingen heeft ingediend, gelet op het onmiddellijke risico van ernstige en onherstelbare schade voor het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming in het kader van de toepassing van het Unierecht.

3        Deze verzoeken zijn geformuleerd in het kader van een door de Commissie op 2 oktober 2018 krachtens artikel 258 VWEU ingesteld beroep wegens niet‑nakoming (hierna: „beroep wegens niet-nakoming”) strekkende tot vaststelling dat de Republiek Polen de krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door, enerzijds, de pensioenleeftijd van de rechters bij de Sąd Najwyższy te verlagen en deze wijziging toe te passen op de rechters in functie die vóór 3 april 2018 bij deze rechterlijke instantie zijn benoemd, en anderzijds, de president van de Republiek Polen de discretionaire bevoegdheid te verlenen om de ambtstermijn van de rechters bij deze rechterlijke instantie die de nieuwe pensioenleeftijd hebben bereikt, te verlengen. Dit beroep is ingeschreven onder zaaknummer C‑619/18.

4        Bij beschikking van 19 oktober 2018, Commissie/Polen (C‑619/18 R, niet gepubliceerd, EU:C:2018:852), heeft de vicepresident van het Hof krachtens artikel 160, lid 7, van het Reglement voor de procesvoering het verzoek om voorlopige maatregelen voorlopig toegewezen totdat de beschikking wordt gegeven waarbij de onderhavige kortgedingprocedure wordt beëindigd.

5        De vicepresident van het Hof heeft de onderhavige zaak krachtens artikel 161, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering verwezen naar het Hof, dat de zaak, gelet op het belang ervan, overeenkomstig artikel 60, lid 1, van dat Reglement aan de Grote kamer heeft toegewezen.

6        Bij besluit van de president van het Hof van 30 oktober 2018 is Hongarije toegelaten tot interventie aan de zijde van de Republiek Polen tijdens de mondelinge behandeling.

7        Bij beschikking van de president van het Hof van 15 november 2018, Commissie/Polen (C‑619/18, EU:C:2018:910), is beslist om zaak C‑619/18 te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 133 van het Reglement voor de procesvoering.

8        Op 16 november 2018 zijn zowel partijen als Hongarije in hun mondelinge opmerkingen gehoord tijdens een hoorzitting voor de Grote kamer.

 Toepasselijke bepalingen

 Poolse grondwet

9        Artikel 183, lid 2, van de Poolse grondwet bepaalt dat de eerste president van de Sąd Najwyższy wordt benoemd voor zes jaar.

 Wet inzake het hooggerechtshof

10      Artikel 37, §§ 1 tot en met 4, van de wet inzake het hooggerechtshof bepaalt:

„1.      Een rechter bij de Sąd Najwyższy gaat met pensioen zodra hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, tenzij hij uiterlijk zes maanden en niet eerder dan twaalf maanden voordat hij de leeftijd [van 65 jaar] bereikt, een verklaring indient houdende zijn wens om zijn ambt te blijven uitoefenen, hij daarbij tevens een overeenkomstig de voorschriften voor kandidaat-rechters afgegeven attest overlegt waaruit blijkt dat zijn gezondheidstoestand hem toestaat zijn taken als rechter te vervullen, en de president van de Republiek Polen ermee instemt dat hij het ambt van rechter bij de Sąd Najwyższy blijft uitoefenen.

1 bis.            Alvorens een dergelijke toestemming te verlenen wint de president van de Republiek Polen het advies van de nationale raad voor de magistratuur in. De nationale raad voor de magistratuur legt de president van de Republiek Polen zijn advies voor binnen een termijn van 30 dagen vanaf de dag waarop deze laatste om dat advies heeft verzocht. Indien de nationale raad voor de magistratuur zijn advies niet binnen de in de tweede zin bepaalde termijn heeft voorgelegd, wordt hij geacht een gunstig advies te hebben uitgebracht.

1ter.      Voor het uitbrengen van het in § 1bis bedoelde advies houdt de nationale raad voor de magistratuur rekening met het belang van het rechtsstelsel of met een belangrijk maatschappelijk belang, in het bijzonder de rationele toewijzing van de leden [van de Sąd Najwyższy], of met de behoeften die voortvloeien uit de werklast van bepaalde kamers [van de Sąd Najwyższy].

2.      De verklaring en het attest bedoeld in § 1 moeten worden ingediend bij de eerste president [van de Sąd Najwyższy], die deze onverwijld, tezamen met zijn of haar eigen advies, toestuurt aan de president van de Republiek Polen. De eerste president [van de Sąd Najwyższy] dient zijn verklaring en zijn certificaat, tezamen met het advies van het college [van de Sąd Najwyższy], in bij de president van de Republiek Polen.

3.      De president van de Republiek Polen kan een rechter [bij de Sąd Najwyższy] toestaan zijn ambt te blijven uitoefenen, binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop hij het in § 1bis bedoelde advies van de nationale raad voor de magistratuur heeft ontvangen of vanaf het verstrijken van de termijn waarbinnen hij dat advies had moeten ontvangen. Bij gebreke van toestemming binnen de in de eerste zin bedoelde termijn wordt de betrokken rechter geacht met pensioen te zijn gegaan vanaf de dag waarop hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Wanneer een rechter [bij de Sąd Najwyższy] de in § 1 bedoelde leeftijd bereikt vóór het einde van de procedure voor verlenging van zijn ambtstermijn, blijft hij in functie totdat deze procedure is beëindigd.

4.      De in § 1 bedoelde toestemming wordt verleend voor een periode van drie jaar, die eenmaal kan worden verlengd. De bepalingen van § 3 zijn mutatis mutandis van toepassing. Iedere rechter die toestemming heeft gekregen om zijn ambt [bij de Sąd Najwyższy] verder uit te oefenen, kan vanaf zijn 65e verjaardag op elk moment met pensioen gaan; hij legt daartoe een verklaring over aan de eerste president [van de Sąd Najwyższy], die deze onmiddellijk doorstuurt naar de president van de Republiek Polen. De eerste president [van de Sąd Najwyższy] stuurt zijn verklaring rechtstreeks naar de president van de Republiek Polen.”

11      Artikel 111, §§ 1 en 1bis, van deze wet luidt als volgt:

„1.      Rechters [bij de Sąd Najwyższy] die op de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wet de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt of die deze leeftijd zullen bereiken binnen een periode van drie maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet, gaan met pensioen zodra deze termijn van drie maanden is verstreken, tenzij zij binnen een termijn van één maand vanaf de inwerkingtreding van de onderhavige wet de verklaring en het attest bedoeld in artikel 37, § 1, overleggen en de president van de Republiek Polen ermee instemt dat zij hun ambt van rechter [bij de Sąd Najwyższy] blijven uitoefenen. De bepalingen van artikel 37, §§ 2 tot en met § 4, zijn mutatis mutandis van toepassing.

1bis.      Rechters [bij de Sąd Najwyższy] die na het verstrijken van een termijn van drie maanden en vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wet de leeftijd van 65 jaar zullen bereiken, gaan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze wet met pensioen, tenzij zij binnen deze termijn de verklaring en het attest bedoeld in artikel 37, § 1, overleggen en de president van de Republiek Polen ermee instemt dat zij het ambt van rechter [bij de Sąd Najwyższy] blijven uitoefenen. De bepalingen van artikel 37, §§ 1bis tot en met § 4, zijn mutatis mutandis van toepassing.”

12      De wet inzake het hooggerechtshof is op 3 april 2018 in werking getreden.

 Wijzigingswet

13      Artikel 5 van de wijzigingswet luidt als volgt:

„De president van de Republiek Polen legt de in artikel 37, § 1, en artikel 111, § 1, van de wet [inzake het hooggerechtshof] bedoelde verklaringen die hij op de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wet niet heeft onderzocht, onmiddellijk voor advies voor aan de nationale raad voor de magistratuur. De nationale raad voor de magistratuur brengt zijn advies uit binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag waarop de president van de Republiek Polen hem om dat advies heeft verzocht. De president van de Republiek Polen kan, binnen een termijn van 60 dagen vanaf de dag waarop hij het advies van de nationale raad voor de magistratuur heeft ontvangen of vanaf het verstrijken van de termijn waarbinnen hij dat advies had moeten ontvangen, een rechter [bij de Sąd Najwyższy] toestaan zijn ambt verder uit te oefenen. De bepalingen van artikel 37, §§ 2 tot en met § 4, van de wet [inzake het hooggerechtshof] zijn mutatis mutandis van toepassing.”

 Voorgeschiedenis van het geding

 Maatregelen genomen in het kader van de tenuitvoerlegging van de litigieuze nationale bepalingen

14      Op 3 juli 2018 oefenden 72 rechters, van wie er 27 op deze datum de leeftijd van 65 jaar hadden bereikt, hun ambt uit bij de Sąd Najwyższy.

15      Op 4 juli 2018 is aan 15 van deze 27 rechters meegedeeld dat zij op grond van de litigieuze nationale bepalingen op pensioen werden gesteld. 11 van hen hebben niet om verlenging van hun rechterlijke ambtstermijn verzocht en 4 van hen hebben de verklaring dat zij hun ambt verder wensen uit te oefenen, te laat ingediend. Een van deze 15 op pensioen gestelde rechters was de eerste president van de Sąd Najwyższy. Haar ambtstermijn zou volgens de Poolse grondwet aflopen op 30 april 2020, zoals is bevestigd in een eenstemmig aangenomen resolutie van de algemene vergadering van de rechters bij de Sąd Najwyższy van 28 juni 2018.

16      De 12 andere rechters bij de Sąd Najwyższy die op 3 juli 2018 de leeftijd van 65 jaar hadden bereikt, hebben overeenkomstig artikel 37, § 1, van de wet inzake het hooggerechtshof een verklaring ingediend dat zij hun ambt verder wensen uit te oefenen. Op 12 juli 2018 heeft de nationale raad voor de magistratuur vijf positieve en zeven negatieve adviezen uitgebracht over de verdere uitoefening van het ambt van rechter. Twee negatieve adviezen betroffen kamerpresidenten van de Sąd Najwyższy. 4 van de 7 rechters voor wie de nationale raad voor de magistratuur een negatief advies had uitgebracht, hebben beroep ingesteld tegen dat advies en hebben de nationale raad voor de magistratuur verzocht om dat advies te motiveren.

17      Omdat het betwijfelt of de wet inzake het hooggerechtshof wel in overeenstemming is met, inzonderheid, het vereiste van onafzetbaarheid van de rechters en het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechters, heeft de Sąd Najwyższy het Hof bij beslissing van 2 augustus 2018 krachtens artikel 267 VWEU verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van, met name, artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest in een situatie waarin de nationale wetgever de pensioenleeftijd voor rechters bij de Sąd Najwyższy heeft verlaagd en deze maatregel heeft toegepast op de rechters in functie (zaak C‑522/18, Zakład Ubezpieczeń Społecznych, thans aanhangig). Bij dezelfde beslissing heeft de Sąd Najwyższy de toepassing van de bepalingen van de wet inzake het hooggerechtshof opgeschort totdat het uitspraak zal hebben gedaan na het antwoord van het Hof op dat verzoek om een prejudiciële beslissing te hebben ontvangen.

18      Dezelfde dag heeft de kanselarij van de president van de Republiek Polen laten weten dat de beslissing van de Sąd Najwyższy houdende opschorting van de toepassing van de bepalingen van de wet inzake het hooggerechtshof „zonder passende rechtsgrondslag was genomen en geen effect sorteerde ten aanzien van de president van de Republiek Polen en alle andere organen” en bovendien „geen rechtsgevolgen had”.

19      Op 11 september 2018 heeft de president van de Republiek Polen, enerzijds, 5 van de 12 in punt 16 van de onderhavige beschikking vermelde rechters toegestaan hun ambt verder uit te oefenen gedurende een periode van drie jaar, en anderzijds, bij wege van communiqué laten weten dat 7 andere rechters, onder meer de 2 in hetzelfde punt van de onderhavige beschikking bedoelde kamerpresidenten van de Sąd Najwyższy, per 12 september 2018 op pensioen werden gesteld. In dat communiqué heeft de president van de Republiek Polen bovendien verklaard dat de beroepen die bepaalde rechters bij de Sąd Najwyższy tegen het negatieve advies van de nationale raad voor de magistratuur betreffende de verdere uitoefening van hun ambt hadden ingesteld, geen gevolgen hadden voor zijn besluiten omdat een dergelijk advies niet noodzakelijk was voor het nemen van die besluiten. Verder heeft hij laten weten dat zijn besluiten inzake het verder uitoefenen van het ambt van rechter bij de Sąd Najwyższy niet hoefden te worden gemotiveerd.

20      Op 12 september 2018 heeft de president van de Republiek Polen de in het vorige punt bedoelde besluiten houdende weigering van toestemming om het ambt van rechter bij de Sąd Najwyższy verder uit oefenen, ondertekend. Deze besluiten zijn gebaseerd op artikel 111, § 1, van de wet inzake het hooggerechtshof, waarvan de toepassing was opgeschort bij de in punt 17 van de onderhavige beschikking vermelde beslissing van de Sąd Najwyższy.

21      Dezelfde dag heeft een terechtzitting plaatsgevonden voor een rechtsprekende formatie van de Sąd Najwyższy met 2 rechters die door de litigieuze nationale bepalingen werden geraakt. Deze formatie heeft verklaard dat deze rechters hun ambt verder mochten uitoefenen aangezien de toepassing van die bepaling was opgeschort bij de in punt 17 van de onderhavige beschikking vermelde beslissing van de Sąd Najwyższy.

 Procedures van benoeming van nieuwe rechters bij de Sąd Najwyższy

22      Op 29 maart 2018 heeft de president van de Republiek Polen het totale aantal posten van rechter bij de Sąd Najwyższy van 93 op 120 gebracht. Op 29 juni 2018 zijn 44 vacatures van rechter bij de Sąd Najwyższy bekendgemaakt.

23      Bij de ustawa o zmianie ustawy – Prawo o ustroju sądów powszechnych oraz niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van de regeling inzake de organisatie van de gewone rechtbanken, en van bepaalde andere wetten) van 20 juli 2018 (Dz.U. van 2018, volgnr. 1443) zijn de regels van de overgangsprocedure voor de keuze van de eerste president van de Sąd Najwyższy gewijzigd. Bij deze wet is in het bijzonder het aantal rechters bij de Sąd Najwyższy dat dient in te stemmen met de inleiding van deze procedure van 110 op 80 gebracht. Verder is bij deze wet de opschortende werking van de door kandidaten voor de posten van rechter bij de Sąd Najwyższy ingestelde beroepen tegen de adviezen van de nationale raad voor de magistratuur beperkt. Die wet is in werking getreden op 9 augustus 2018 en is van toepassing op de vóór deze datum geopende procedures van benoeming van rechters bij de Sąd Najwyższy.

24      Op 28 augustus 2018 heeft de president van de Republiek Polen nieuwe vacatures van rechter bij de Sąd Najwyższy, waaronder de vacature van eerste president van deze rechterlijke instantie, bekendgemaakt.

25      Tussen 20 en 28 augustus 2018 heeft de nationale raad voor de magistratuur de definitieve lijst van kandidaten opgesteld die aan de president van de Republiek Polen diende te worden voorgelegd voor de benoeming van rechters bij de Sąd Najwyższy.

26      Op 20 september 2018 heeft de president van de Republiek Polen 10 rechters bij de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy benoemd.

27      Uit de informatie waarover het Hof beschikt, blijkt dat de president van de Republiek Polen op 10 oktober 2018 de benoeming van 27 nieuwe rechters bij de Sąd Najwyższy officieel heeft bekrachtigd.

 Verzoek in kort geding

28      Artikel 160, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat de verzoeken in kort geding een duidelijke omschrijving moeten bevatten van „het voorwerp van het geding en van de omstandigheden waaruit de spoedeisendheid van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt”.

29      Voorlopige maatregelen kunnen door de rechter in kort geding slechts worden toegekend indien wordt aangetoond dat zij op het eerste gezicht feitelijk en rechtens gerechtvaardigd zijn (fumus boni iuris) en spoedeisend zijn in die zin dat het ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade aan de belangen van de verzoeker noodzakelijk is dat zij reeds vóór de beslissing in de hoofdzaak worden gelast en effect sorteren. De rechter in kort geding weegt in voorkomend geval ook de betrokken belangen tegen elkaar af. Deze voorwaarden zijn cumulatief, zodat een verzoek om voorlopige maatregelen moet worden afgewezen wanneer aan een van deze voorwaarden niet wordt voldaan (beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen, C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

 Fumus boni iuris

30      Volgens vaste rechtspraak van het Hof is aan de voorwaarde inzake de fumus boni iuris voldaan wanneer minstens één van de middelen die de om voorlopige maatregelen verzoekende partij ter ondersteuning van het beroep in de hoofdzaak heeft aangevoerd, op het eerste gezicht niet volstrekt ongegrond lijkt. Dit is met name het geval wanneer uit een van de aangevoerde middelen blijkt dat er sprake is van moeilijke juridische kwesties waarvan de oplossing niet voor de hand ligt en die dus een nader onderzoek verdienen dat niet door de rechter in kort geding kan worden verricht, maar in de procedure in de hoofdzaak dient te worden uitgevoerd, of wanneer het debat tussen de partijen wijst op een aanzienlijke juridische controverse waarvan de oplossing niet bij voorbaat vaststaat (beschikking van de vicepresident van het Hof van 20 juli 2018, ECB/Letland, C‑238/18 R, niet gepubliceerd, EU:C:2018:581, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31      Om het bestaan van een fumus boni iuris aan te tonen voert de Commissie in het onderhavige geval twee middelen aan die zij ook in haar beroep wegens niet-nakoming had aangevoerd, namelijk ten eerste dat de bepalingen van de wet inzake het hooggerechtshof betreffende de verlaging van de pensioenleeftijd van de rechters bij de Sąd Najwyższy (hierna: „bepalingen betreffende de verlaging van de pensioenleeftijd”) het beginsel van de onafzetbaarheid van de rechters schenden doordat zij van toepassing zijn op de rechters die vóór 3 april 2018 in functie waren, en ten tweede dat de bepalingen van de wet inzake het hooggerechtshof waarbij aan de president van de Republiek Polen de discretionaire bevoegdheid wordt verleend om de ambtstermijn van de rechters bij deze rechterlijke instantie die de nieuwe pensioenleeftijd hebben bereikt, te verlengen, het beginsel van onafhankelijkheid van de rechter schenden. De Commissie is bijgevolg van mening dat de litigieuze nationale bepalingen in strijd zijn met de verplichtingen die krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest op de Republiek Polen rusten.

32      In het kader van het eerste middel beklemtoont de Commissie allereerst dat vóór de inwerkingtreding van de wet inzake het hooggerechtshof, dus vóór 3 april 2018, de pensioenleeftijd van de rechters bij de Sąd Najwyższy op 70 jaar was bepaald, en dat die pensioenleeftijd bij die wet op 65 jaar is gebracht, waarbij zonder overgangsmaatregelen is bepaald dat die verlaging onmiddellijk geldt en dit niet alleen voor de rechters die na die datum bij deze rechterlijke instantie worden benoemd, maar ook voor de 72 rechters die op die datum in functie waren.

33      Verder wijst de Commissie erop dat de toepassing van de bepalingen betreffende de verlaging van de pensioenleeftijd al heeft geleid tot de pensionering van 22 rechters bij de Sąd Najwyższy, te weten 15 rechters, onder wie de eerste president, op 4 juli 2018, en 7 rechters, onder wie 2 kamerpresidenten, op 12 september 2018, namelijk ongeveer 30 % van de rechters bij de Sąd Najwyższy die op datum van de inwerkingtreding van de wet inzake het hooggerechtshof in functie waren.

34      Ten slotte is de Commissie van mening dat de verlaging van de pensioenleeftijd van de rechters bij de Sąd Najwyższy en de toepassing van deze verlaging op de rechters die op de datum van inwerkingtreding van de wet inzake het hooggerechtshof in functie waren, neerkomt op een verkorting van de ambtstermijn van deze rechters. De pensionering van die rechters als gevolg van de plotse verlaging van de pensioenleeftijd zou aldus feitelijk neerkomen op een met het beginsel van onafzetbaarheid van de rechters strijdige afzetting van deze rechters.

35      In het kader van het tweede middel wijst de Commissie erop dat het volgens de wet inzake het hooggerechtshof aan de president van de Republiek Polen staat om in te stemmen met de verlenging van de ambtstermijn van de rechters bij de Sąd Najwyższy die de leeftijd van de 65 jaar hebben bereikt, en dat die instemming twee keer kan worden verleend. Wat de modaliteiten van deze instemming betreft, beklemtoont de Commissie met name dat, enerzijds, de president van de Republiek Polen het advies van de nationale raad voor de magistratuur moet inwinnen, een advies dat echter niet bindend is, en anderzijds, het besluit van de president van de Republiek Polen discretionair wordt genomen en niet vatbaar is voor beroep.

36      De Commissie wijst er ook op dat de president van de Republiek Polen op 11 september 2018 5 rechters bij de Sąd Najwyższy die op de datum van inwerkingtreding van de wet inzake het hooggerechtshof de leeftijd van 65 jaar hadden bereikt, heeft toegestaan gedurende een periode van drie jaar hun ambt verder uit te oefenen.

37      De Commissie is van mening dat het ontbreken van criteria die de president van de Republiek Polen moet hanteren voor zijn besluit over de verlenging van de ambtstermijn van rechters bij de Sąd Najwyższy die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, in samenhang met het ontbreken van rechterlijke toetsing van dit besluit, de president van de Republiek Polen een overdreven grote beoordelingsmarge geeft, die afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de rechters met name gelet op de invloed en de pressie die op de rechters bij de Sąd Najwyższy kan worden uitgeoefend als gevolg van de macht die de president van de Republiek Polen aldus heeft.

38      Op basis van de rechtspraak van het Hof over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, in het bijzonder de arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses (C‑64/16, EU:C:2018:117), en 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586), waaruit blijkt dat de onafhankelijkheid van de rechters van wezenlijk belang is om de eerbiediging van het recht op een daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te waarborgen, stelt de Commissie dat de Republiek Polen door de vaststelling van de litigieuze nationale bepalingen is tekortgeschoten in de krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest op haar rustende verplichting tot eerbieding van het recht op een daadwerkelijke rechtsbescherming in de zin van het Unierecht.

39      In de eerste plaats dient erop te worden gewezen dat de door de Commissie aangevoerde middelen aanleiding geven tot de vraag wat precies de draagwijdte is van de bepalingen van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest in de context van de uitoefening door een lidstaat van zijn bevoegdheid tot organisatie van zijn rechterlijke macht. Dit is een ingewikkelde juridische kwestie, waarover tussen partijen wordt gediscussieerd en waarvan de oplossing niet voor de hand ligt en die dus een nader onderzoek verdient, dat niet door de rechter in kort geding kan worden verricht.

40      In de tweede plaats staat vast, zonder dat in dit stadium uitspraak wordt gedaan over de door partijen in het kader van het beroep wegens niet-nakoming aangevoerde argumenten, iets waartoe alleen de rechter in de hoofdzaak bevoegd is, dat gelet op de door de Commissie aangedragen feiten en op de rechtspraak van het Hof, in het bijzonder de arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses (C‑64/16, EU:C:2018:117), en 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586), de door de Commissie in het kader van haar twee middelen aangevoerde argumenten niet op het eerste gezicht volstrekt ongegrond lijken te zijn.

41      Volgens deze rechtspraak moet elke lidstaat immers verzekeren dat de instanties die als „rechterlijke instantie” in de zin van het Unierecht deel uitmaken van zijn stelsel van rechtsmiddelen op onder het recht van de Unie vallende gebieden in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming [arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

42      Opdat deze bescherming zou worden gewaarborgd, is de instandhouding van de onafhankelijkheid van deze instanties primordiaal, zoals ook blijkt uit artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, dat de toegang tot een „onafhankelijk” gerecht vermeldt als één van de vereisten van het fundamentele recht op een doeltreffende voorziening in rechte [arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

43      In het onderhavige geval is tussen partijen in confesso dat de Sąd Najwyższy kan worden verzoch om uitspraak te doen op vragen die verband houden met de toepassing en de uitlegging van het Unierecht. Hieruit volgt dat de Sąd Najwyższy, als „rechterlijke instantie” in de zin van het Unierecht, valt onder het Poolse stelsel van rechtsmiddelen „op onder het recht van de Unie vallende gebieden” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, en dus moet voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming.

44      Op het eerste gezicht kan echter niet worden uitgesloten dat de Republiek Polen met de litigieuze nationale bepalingen is tekortgeschoten in de krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest op haar rustende verplichting om een daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te waarborgen.

45      In het bijzonder rijzen, gelet op de argumenten van partijen, ingewikkelde juridische vragen die een grondig onderzoek door de rechter in de hoofdzaak verdienen, zoals met name de vraag of, zoals de Commissie betoogt, de onafzetbaarheid van de rechters eist dat de bepalingen inzake de verlaging van de pensioenleeftijd niet gelden voor de rechters bij de Sąd Najwyższy die vóór de inwerkingtreding van die bepalingen waren benoemd, of de vraag in hoeverre een interventie van een orgaan van de uitvoerende macht in de beslissing om dergelijke rechters of rechters die na die inwerkingtreding van die wet bij die rechterlijke instanties zullen worden benoemd, toe te staan hun ambt verder uit te oefenen nadat zij de nieuwe pensioenleeftijd hebben bereikt, afbreuk kan doen aan het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.

46      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de door de Commissie in het kader van het beroep wegens niet-nakoming aangevoerde middelen niet op het eerste gezicht volstrekt ongegrond lijken in de zin van de in punt 30 van de onderhavige beschikking aangehaalde rechtspraak.

47      Aan deze slotsom wordt niet afgedaan door de argumenten die de Republiek Polen heeft aangevoerd.

48      Ten eerste kan niet worden aanvaard het argument volgens hetwelk het door de Commissie geformuleerde verzoek om voorlopige maatregelen niet op het eerste gezicht gegrond is omdat het Hof voor het eerst wordt verzocht uitspraak te doen op een beroep wegens niet-nakoming dat is gericht tegen een lidstaat die bepalingen betreffende de organisatie van de nationale hoogste rechterlijke instantie heeft vastgesteld.

49      De omstandigheid dat het Hof voor het eerst wordt verzocht uitspraak te doen op een beroep wegens niet-nakoming met een voorwerp als het beroep in de hoofdzaak, kan het bestaan van een fumus boni iuris immers niet uitsluiten. Integendeel, het nieuwe karakter van de door de Commissie aangevoerde grieven versterkt de in punt 39 van de onderhavige beschikking gedane vaststelling.

50      Ten tweede kan evenmin worden aanvaard het argument volgens hetwelk, enerzijds, de Commissie de argumenten die zij in het kader van het beroep wegens niet-nakoming heeft aangevoerd, niet mag herhalen in haar verzoek om voorlopige maatregelen, en anderzijds, de beoordeling van de gegrondheid, zij het op het eerste gezicht, van deze argumenten een zeer nauwkeurige analyse van het standpunt van de partijen in het geding vergt.

51      Het feit dat het door de Commissie ter ondersteuning van haar verzoek om voorlopige maatregelen gevoerde betoog overeenkomt met het betoog dat de Commissie in het kader van haar beroep wegens niet-nakoming voert, staat immers niet eraan in de weg dat de voorwaarde inzake een fumus boni iuris kan worden geacht te zijn vervuld, aangezien, zoals uit de in punt 30 van de onderhavige beschikking aangehaalde rechtspraak blijkt, deze voorwaarde juist eist dat de rechter in kort geding beoordeelt of de in het kader van de hoofdzaak aangevoerde middelen op het eerste gezicht gegrond lijken, teneinde uit te maken of dit beroep niet kennelijk geen enkele kans op slagen heeft.

52      Bovendien bevestigt de door de Republiek Polen aangevoerde omstandigheid dat de beoordeling, zij het op het eerste gezicht, van de gegrondheid van het betoog van de partijen over de grond van de zaak een zeer nauwkeurige analyse van het standpunt van deze partijen vergt, het bestaan van een juridisch geschil waarvan de oplossing niet overduidelijk is, en bevestigt zij dus dat de voorwaarde inzake een fumus boni iuris is vervuld in de zin van de in punt 30 van de onderhavige beschikking aangehaalde rechtspraak.

53      Ten derde zijn er geen goede gronden voor het argument dat, enerzijds, onmogelijk kan worden nagegaan of de door de Commissie aangevoerde middelen op het eerste gezicht gegrond zijn, omdat de in het kader van deze middelen aangevoerde argumenten niet zijn gemotiveerd, en, anderzijds, deze argumenten slechts op veronderstellingen zijn gebaseerd.

54      De Commissie heeft de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de toekenning van de voorlopige maatregelen op het eerste gezicht gerechtvaardigd voorkomt, immers afdoende uiteengezet. Verder heeft de Commissie uitvoerige toelichtingen verstrekt over zowel de inhoud van de litigieuze nationale bepalingen als de redenen waarom deze volgens haar een niet-nakoming door de Republiek Polen van de krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest op deze lidstaat rustende verplichtingen oplevert.

55      Met betrekking tot het argument van de Republiek Polen dat de door de Commissie aangevoerde middelen louter op hypothesen berusten, dient aangaande het eerste middel erop te worden gewezen dat de Commissie duidelijk heeft uitgelegd welke de aard is van het verband dat zij wil aantonen tussen de toepassing van de verlaging van de pensioenleeftijd van de rechters bij de Sąd Najwyższy op de rechters in functie die vóór 3 april 2018 bij deze rechterlijke instantie waren benoemd, en de niet-nakoming door de Republiek Polen van de verplichting om ervoor te zorgen dat deze rechterlijke instantie voldoet aan de eisen van daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden.

56      Aangaande het tweede middel staat vast dat de Commissie met dit middel niet betoogt dat de president van de Republiek Polen zijn bevoegdheid om te beslissen of een rechter bij de Sąd Najwyższy die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, zijn ambt verder mag uitoefenen, zal gebruiken om pressie uit te oefenen op deze rechter, maar wel dat de litigieuze nationale bepalingen, door de president van de Republiek Polen een dergelijke bevoegdheid te geven, deze laatste in staat stellen een dergelijke pressie uit te oefenen.

57      Ten slotte voert de Republiek Polen aan dat in andere lidstaten, zoals het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland of de Franse Republiek, en bij het Hof zelf, regels bestaan die vergelijkbaar zijn met die van de Republiek Polen en op grond waarvan de beslissing over de verlenging van de ambtstermijn van rechters een uitsluitende bevoegdheid van de regering van de betrokken lidstaat is. De Republiek Polen vermeldt ook de verschillende wijzigingen die in Italië aan de pensioenleeftijd van rechters zijn aangebracht. Volgens de Republiek Polen blijkt uit het feit dat de Commissie die nationale regels niet ter discussie heeft gesteld, dat de voorwaarde inzake een fumus boni iuris in het onderhavige geval niet is vervuld.

58      In dit verband kan echter worden volstaan met erop te wijzen dat de Republiek Polen zich voor de onderhavige procedure niet op het vermeende bestaan van met de litigieuze nationale bepalingen vergelijkbare regels kan beroepen om aan te tonen dat de voorwaarde inzake een fumus boni iuris in casu niet is vervuld.

59      Gelet op een en ander dient tot de slotsom te worden gekomen dat in het onderhavige geval de voorwaarde inzake een fumus boni iuris is vervuld.

 Spoedeisendheid

60      Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft de kortgedingprocedure tot doel de volledige doeltreffendheid van de toekomstige eindbeslissing te waarborgen, teneinde een leemte in de door het Hof gewaarborgde rechtsbescherming te voorkomen. Om dit doel te bereiken, moet de spoedeisendheid worden getoetst aan de hand van de vraag of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Het staat aan die partij om te bewijzen dat zij een dergelijke schade zal lijden indien zij de uitkomst van de procedure in de hoofdzaak moet afwachten [beschikking van de vicepresident van het Hof van 10 januari 2018, Commissie/RW, C‑442/17 P(R), niet gepubliceerd, EU:C:2018:6, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Om het bestaan van een dergelijke ernstige en onherstelbare schade aan te tonen, hoeft niet met absolute zekerheid te worden aangetoond dat schade zal optreden, maar is het voldoende dat deze schade met een voldoende mate van waarschijnlijkheid voorzienbaar is (beschikking van de vicepresident van het Hof van 8 april 2014, Commissie/ANKO, C‑78/14 P-R, EU:C:2014:239, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61      Bovendien moet de kortgedingrechter, uitsluitend voor de beoordeling van de spoedeisendheid en zonder dat dit een standpuntbepaling ten aanzien van de gegrondheid van de door de verzoeker in kort geding in de hoofdzaak geformuleerde grieven impliceert, ervan uitgaan dat deze grieven kunnen worden aanvaard. De ernstige en onherstelbare schade waarvan het waarschijnlijke intreden moet worden aangetoond, is immers die welke in voorkomend geval zou voortvloeien uit de weigering van toekenning van de gevraagde voorlopige maatregelen indien het beroep in de hoofdzaak zou slagen (beschikking van de vicepresident van het Hof van 20 juli 2018, ECB/Letland, C‑238/18 R, niet gepubliceerd, EU:C:2018:581, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62      Bijgevolg moet het Hof in het onderhavige geval voor de beoordeling van de spoedeisendheid ervan uitgaan dat de litigieuze nationale bepalingen en de maatregelen houdende toepassing daarvan de onafhankelijkheid van de Sąd Najwyższy kunnen aantasten en aldus in strijd kunnen zijn met de krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest op de Republiek Polen rustende verplichting om een daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te waarborgen.

63      Voor deze beoordeling dient verder rekening te worden gehouden met het feit dat de litigieuze nationale bepalingen al gevolgen hebben gesorteerd, zoals blijkt uit de punten 14 tot en met 21 van de onderhavige beschikking. Enerzijds heeft de toepassing van de bepalingen betreffende de verlaging van de pensioenleeftijd op de rechters in functie die vóór 3 april 2018 bij de Sąd Najwyższy waren benoemd, immers geleid tot de pensionering van 22 rechters bij deze rechterlijke instantie, onder wie de eerste president en 2 kamerpresidenten, en anderzijds hebben 5 van de 12 rechters bij de Sąd Najwyższy die een verklaring hadden ingediend dat zij hun ambt verder wensten uit te oefenen, krachtens de bepalingen betreffende de bevoegdheid van de president van de Republiek Polen om de ambtstermijn van de rechters te verlengen, bij besluit van de president van de Republiek Polen een verlenging van hun ambtstermijn verkregen, terwijl de 7 andere rechters ervan in kennis zijn gesteld dat zij per 12 september 2018 worden gepensioneerd.

64      Het onderzoek van de voorwaarde inzake spoedeisendheid impliceert dat wordt nagegaan of, zoals de Commissie stelt, de toepassing van de litigieuze nationale bepalingen tot aan de uitspraak van het arrest van het Hof op het door de Commissie ingestelde beroep wegens niet-nakoming (hierna: „eindarrest”), ernstige en onherstelbare schade kan opleveren voor de rechtsorde van de Europese Unie.

65      Zoals in de punten 41 en 42 van de onderhavige beschikking in herinnering is gebracht, is in dit verband de bescherming van de onafhankelijkheid van de instanties die als „rechterlijke instantie” in de zin van het Unierecht deel uitmaken van het stelsel van rechtsmiddelen van een lidstaat op de onder dit recht vallende gebieden, uiterst belangrijk voor het waarborgen van de rechterlijke bescherming van de rechten die de justitiabelen aan dit recht ontlenen.

66      De onafhankelijkheid van de nationale rechterlijke instanties is in het bijzonder van wezenlijk belang voor de goede werking van het stelsel van samenwerking tussen rechterlijke instanties dat tot uitdrukking komt in het in artikel 267 VWEU neergelegde mechanisme van prejudiciële verwijzing, doordat dit mechanisme, volgens vaste rechtspraak van het Hof, slechts in werking kan worden gesteld door een instantie die tot taak heeft om het Unierecht toe te passen, en die met name voldoet aan dat criterium van onafhankelijkheid [arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

67      De bescherming van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties is ook uiterst belangrijk in het kader van de door de Unie op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken en in strafzaken vastgestelde maatregelen. Deze maatregelen berusten immers op het bijzondere wederzijdse vertrouwen van de lidstaten in hun respectieve rechtsstelsels en dus op de premisse dat de rechterlijke instanties van de andere lidstaten voldoen aan de eisen inzake daadwerkelijke rechtsbescherming, waartoe met name de onafhankelijkheid van deze rechterlijke instanties behoort [zie naar analogie arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

68      Bijgevolg kan het feit dat als gevolg van de toepassing van de litigieuze nationale bepalingen de onafhankelijkheid van de Sąd Najwyższy misschien niet tot aan de uitspraak van het eindarrest kan worden gewaarborgd, leiden tot ernstige schade voor de rechtsorde van de Unie en dus tot aantasting van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen en van de in artikel 2 VEU genoemde waarden waarop de Unie is gegrondvest, met name de rechtsstaat.

69      Verder dient eraan te worden herinnerd dat de hoogste nationale rechterlijke instanties in het rechtsbestel van de lidstaten waaronder zij ressorteren, een uiterst belangrijke rol spelen bij de uitvoering van het Unierecht op nationaal niveau, zodat een eventuele aantasting van de onafhankelijkheid van een hoogste nationale rechterlijke instantie het gehele rechtsbestel van de betrokken lidstaat ongunstig kan beïnvloeden.

70      Bovendien kan de in punt 68 van de onderhavige beschikking bedoelde ernstige schade ook onherstelbaar zijn.

71      Enerzijds geeft de Sąd Najwyższy, als rechterlijke instantie die uitspraak doet in laatste aanleg, immers ook in zaken die aanleiding geven tot toepassing van Unierecht beslissingen die gezag van gewijsde hebben en daardoor onomkeerbare gevolgen kunnen hebben voor de rechtsorde van de Unie.

72      De door de Republiek Polen gestelde omstandigheid dat de Sąd Najwyższy geen uitspraak ten gronde doet in de zaken waarvan hij kennis dient te nemen, doet niet af aan dit oordeel, aangezien, zoals de Republiek Polen tijdens de hoorzitting voor het Hof heeft verklaard, de Sąd Najwyższy toeziet op de wettigheid en de uniformiteit van de rechtspraak, ook wanneer daarin nationale regels ter uitvoering van het Unierecht worden toegepast, zodat de lagere rechterlijke instanties die de door de Sąd Najwyższy terugverwezen zaken nadien moeten afdoen, aan de uitlegging van deze regels door de Sąd Najwyższy zijn gebonden.

73      Anderzijds kan, wegens het gezag van de beslissingen van de Sąd Najwyższy ten aanzien van de lagere nationale rechterlijke instanties, het feit dat in geval van toepassing van de litigieuze nationale bepalingen de onafhankelijkheid van deze rechterlijke instantie misschien niet tot aan de uitspraak van het eindarrest kan worden gewaarborgd, het vertrouwen van de lidstaten en hun rechterlijke instanties in het rechtsbestel van de Republiek Polen, en bijgevolg in de eerbiediging van de rechtsstaat door deze lidstaat, aantasten.

74      In die omstandigheden dreigen de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning tussen de lidstaten die worden gerechtvaardigd door de premisse dat de lidstaten onderling een aantal gemeenschappelijke waarden delen waarop de Unie is gebaseerd, zoals de rechtsstaat [zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak], in gevaar te komen.

75      Zoals de Commissie opmerkt, kan de aantasting van deze beginselen ernstige en onherstelbare gevolgen hebben voor de goede werking van de rechtsorde van de Unie, in het bijzonder op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken en strafzaken, die is gebaseerd op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten dat hun rechtsstelsels voldoen aan de eisen van daadwerkelijke rechtsbescherming.

76      Het feit dat als gevolg van de toepassing van de litigieuze nationale bepalingen de onafhankelijkheid van de Sąd Najwyższy misschien niet tot aan de uitspraak van het eindarrest kan worden gewaarborgd, kan er immers toe leiden dat de lidstaten de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen van de rechterlijke instanties van de Republiek Polen weigeren, hetgeen ernstige en onherstelbare schade voor het Unierecht kan opleveren.

77      In dit verband is het risico van verlies van vertrouwen in het Poolse rechtsbestel, anders dan de Republiek Polen betoogt, niet fictief of hypothetisch, maar reëel. Dit blijkt, in het kader van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586), uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, dat de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland) in een procedure van tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de Poolse rechterlijke instanties had ingediend omdat zij vreesde dat door de gestelde systemische tekortkomingen met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de Republiek Polen als gevolg van de hervorming van de wettelijke regeling betreffende het justitiële stelsel door die lidstaat, met name de vaststelling van de litigieuze nationale bepalingen, in geval van overlevering van de persoon die het voorwerp van een Europees aanhoudingsbevel is, aan de Poolse rechterlijke autoriteiten, het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht van die persoon op een onafhankelijk gerecht, en bijgevolg diens recht op een eerlijk proces, zou worden geschonden.

78      Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat de Commissie heeft aangetoond dat, in geval van weigering van toekenning van de gevraagde voorlopige maatregelen, de toepassing van de litigieuze nationale bepalingen tot aan de uitspraak van het eindarrest ernstige en onherstelbare schade kan opleveren voor de rechtsorde van de Unie.

79      Aan deze slotsom wordt niet afgedaan door de argumenten die de Republiek Polen heeft aangevoerd om het ontbreken van spoedeisendheid aannemelijk te maken.

80      De Republiek Polen voert in de eerste plaats aan dat de Commissie de niet-nakomingsprocedure meer dan zes maanden na de vaststelling van de wet inzake het hooggerechtshof en pas twee dagen vóór de rechters bij de Sąd Najwyższy op grond van de litigieuze nationale bepalingen met pensioen dienden te gaan, heeft ingesteld, wat zou aantonen dat de voorwaarde inzake spoedeisendheid niet is vervuld.

81      Vast staat echter dat de Commissie vóór de inleiding van de procedure wegens niet-nakoming de in de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 met als titel „Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat” [COM(2014) 158 final] bepaalde mechanismen in werking heeft gesteld.

82      In dit verband heeft de Commissie op 20 december 2017, de datum van de ondertekening van de wet inzake het hooggerechtshof door de president van de Republiek Polen, aanbeveling (EU) 2018/103 over de rechtsstaat in Polen ter aanvulling van aanbevelingen (EU) 2016/1374, (EU) 2017/146 en (EU) 2017/1520 (PB 2018, L 17, blz. 50), alsook een met redenen omkleed voorstel overeenkomstig artikel 7, lid 1, [VEU] over de rechtsstaat in Polen [COM(2017) 835 final] vastgesteld, waarin zij met name de problemen heeft uiteengezet die de litigieuze nationale bepalingen voor de onafhankelijkheid van de rechters opleverden, zoals die problemen in het beroep wegens niet-nakoming zijn overgenomen.

83      Verder heeft de Commissie in aanbeveling 2018/103 de Poolse autoriteiten verzocht de gesignaleerde problemen binnen drie maanden te verhelpen en haar in kennis te stellen van de maatregelen die daartoe zijn genomen. Zij heeft ook verklaard bereid te zijn een constructieve dialoog met de Poolse regering voort te zetten. Na verschillende uitwisselingen van standpunten met deze regering heeft zij echter besloten het beroep wegens niet-nakoming in te stellen omdat geen bevredigende resultaten waren bereikt met betrekking tot de door haar opgeworpen vragen.

84      Ten slotte dient erop te worden gewezen dat volgens de werkwijze ingevoerd bij de in punt 81 van de onderhavige beschikking genoemde mededeling de vaststelling door de Commissie van aanbeveling 2018/103 had moeten worden voorafgegaan door een beoordeling of er in Polen sprake is van een systemische bedreiging voor de rechtsstaat, en door een dialoog met de Republiek Polen, zodat de Commissie haar punten van zorg kon meedelen en deze lidstaat daarop kon antwoorden. Vast staat aldus dat de Commissie al in de loop van het wetgevingsproces dat tot vaststelling van de wet inzake het hooggerechtshof heeft geleid, bij de Republiek Polen stappen had ondernomen over de punten die het voorwerp van de niet-nakomingsprocedure zijn.

85      Overigens dient erop te worden gewezen dat het beroep wegens niet-nakoming, waarop het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen is geënt, niet alleen ziet op de wet inzake het hooggerechtshof, maar ook op de wijzigingswet, die is aangenomen op 10 mei 2018, dus minder dan twee maanden vóór de Commissie de Republiek Polen een aanmaningsbrief betreffende het met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest in overeenstemming brengen van deze twee wetten heeft gestuurd.

86      In die omstandigheden kan de Republiek Polen zich niet beroepen op het feit dat de Commissie meer dan zes maanden heeft gewacht alvorens de niet-nakomingsprocedure in te leiden.

87      In de tweede plaats kan het vermeende bestaan in andere lidstaten van regels die vergelijkbaar zijn met de litigieuze nationale bepalingen, niet in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de spoedeisendheid van de toekenning van de gevraagde voorlopige maatregelen.

88      In de derde plaats kan evenmin worden aanvaard de door de Republiek Polen tijdens de hoorzitting voor het Hof aangevoerde omstandigheid dat zaak C‑619/18 volgens de versnelde procedure zal worden behandeld zodat er geen sprake is van spoedeisendheid die toekenning van de gevraagde voorlopige maatregelen zou rechtvaardigen.

89      In dit verband kan immers worden volstaan met erop te wijzen dat de omstandigheid dat het eindarrest van het Hof na een versnelde procedure zal worden gewezen, niet van dien aard is dat daarmee wordt voorkomen dat vóór de uitspraak van dat arrest de in punt 78 van de onderhavige beschikking vermelde ernstige en onherstelbare schade ontstaat.

90      Gelet op een en ander dient tot de slotsom te worden gekomen dat de voorwaarde inzake spoedeisendheid in het onderhavige geval is vervuld.

 Belangenafweging

91      In de meeste kortgedingprocedures blijkt zowel de toekenning als de weigering van opschorting van tenuitvoerlegging in zekere mate bepaalde definitieve gevolgen te kunnen hebben, en het staat aan de kortgedingrechter, die om opschorting wordt verzocht, om de aan de mogelijke oplossingen verbonden risico’s tegen elkaar af te wegen [beschikking van de president van het Hof van 25 juni 1998, Nederlandse Antillen/Raad, C‑159/98 P(R), EU:C:1998:329, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Concreet betekent dit met name dat wordt onderzocht of het belang van de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt, bij opschorting van de tenuitvoerlegging van nationale bepalingen zwaarder weegt dan het belang dat door de onverwijlde tenuitvoerlegging daarvan wordt gediend. Bij dat onderzoek dient te worden uitgemaakt of de eventuele intrekking van deze bepalingen nadat het Hof het beroep in de hoofdzaak heeft toegewezen, herstel van de vóór de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan ontstane situatie mogelijk zal maken en, omgekeerd, in hoeverre opschorting van de tenuitvoerlegging de verwezenlijking van de doelstellingen van die bepalingen zal verhinderen ingeval het beroep in de hoofdzaak wordt verworpen [zie naar analogie beschikking van de vicepresident van het Hof van 10 januari 2018, Commissie/RW, C‑442/17 P(R), niet gepubliceerd, EU:C:2018:6, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

92      De Commissie is van mening dat in het onderhavige geval het algemene belang van de Unie het meest zou worden geschaad. Zij betoogt dienaangaande dat indien het Hof de gevraagde voorlopige maatregelen niet gelast en vervolgens het beroep wegens niet-nakoming toewijst, de goede werking van de rechtsorde van de Unie systemisch wordt geschaad, terwijl indien het Hof deze maatregelen gelast en vervolgens dit beroep verwerpt, de werking van de litigieuze nationale bepalingen gewoon is uitgesteld.

93      Om haar belang bij de onmiddellijke toepassing van de litigieuze nationale bepalingen aan te tonen, betwist de Republiek Polen allereerst dat met de door de Commissie gevraagde voorlopige maatregelen het beoogde doel – namelijk ervoor zorgen dat het eindarrest ten uitvoer kan worden gelegd ingeval het beroep wegens niet-nakoming wordt toegewezen – kan worden bereikt, zodat de toekenning van de gevraagde voorlopige maatregelen niet wordt gerechtvaardigd door het algemeen belang van de Unie waarop de Commissie zich beroept.

94      In het bijzonder met betrekking tot, in de eerste plaats, de voorlopige maatregel strekkende tot opschorting van de toepassing van de litigieuze nationale bepalingen, betoogt de Republiek Polen allereerst dat de opschorting van de toepassing van artikel 37 van de wet inzake het hooggerechtshof, waarin vooral de nieuwe pensioenleeftijd voor rechters bij de Sąd Najwyższy wordt vastgesteld, slechts tot gevolg zou hebben dat een rechtsvacuüm wordt gecreëerd ter zake van de vaststelling van de pensioenleeftijd van rechters bij de Sąd Najwyższy. Vervolgens zou opschorting van de toepassing van de bepalingen van artikel 37 van de wet inzake het hooggerechtshof die voorzien in de procedure van verlenging van de ambtstermijn van de rechters bij de Sąd Najwyższy die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, geen invloed hebben op de mogelijkheid om het eindarrest ten uitvoer te leggen, aangezien de volgende rechters bij de betrokken rechterlijke instantie die voor pensioen in aanmerking komen, pas binnen ongeveer twee jaar de leeftijd van 65 jaar bereiken. Daarbij komt dat, aangezien artikel 111, § 1, van de wet inzake het hooggerechtshof, dat betrekking heeft op de rechters die tussen 3 april 2018 en 3 juli 2018 de leeftijd van 65 jaar bereiken, reeds al zijn gevolgen heeft gesorteerd, opschorting van de toepassing van deze bepaling en van alle ter uitvoering daarvan genomen maatregelen onmogelijk zou zijn, aangezien een voorlopige maatregel geen terugwerkende kracht kan hebben. Ten slotte zou opschorting van de toepassing van artikel 111, § 1bis, van de wet inzake het hooggerechtshof, dat betrekking heeft op de rechters die tussen 4 juli 2018 en 3 april 2019 de leeftijd van 65 jaar zullen bereiken, tot gevolg hebben dat de enige rechter die door deze bepaling wordt geraakt, met pensioen gaat op grond van artikel 37, § 1, van de wet inzake het hooggerechtshof, dat wil zeggen zonder te kunnen profiteren van een overgangsperiode voor het geldend maken van zijn wens om zijn ambt verder uit te oefenen.

95      De argumenten van de Republiek Polen berusten echter op een onjuist begrip van de aard en de gevolgen van de door de Commissie in het onderhavige kort geding gevraagde voorlopige maatregelen. De toekenning van dergelijke voorlopige maatregelen houdt immers in dat de lidstaat verplicht is de toepassing van de litigieuze nationale bepalingen, met inbegrip van de intrekking of de vervanging van de eerdere bepalingen inzake de pensioenleeftijd van rechters bij de Sąd Najwyższy, onmiddellijk op te schorten, zodat de eerdere bepalingen weer van toepassing worden in afwachting van de uitspraak van het eindarrest. De uitvoering van een voorlopige maatregel strekkende tot opschorting van de toepassing van een bepaling houdt aldus de verplichting in om te zorgen voor het herstel van de vóór de inwerkingtreding van deze bepaling geldende rechtstoestand, in het onderhavige geval van de rechtsregeling waarin de bij de litigieuze nationale bepalingen ingetrokken of vervangen nationale bepalingen voorzagen.

96      Met betrekking tot, in de tweede plaats, de voorlopige maatregel strekkende tot herstel in hun ambt van de krachtens de litigieuze nationale bepalingen gepensioneerde rechters bij de Sąd Najwyższy, stelt de Republiek Polen dat de uitvoering van deze maatregel de volle werking van het eindarrest niet zal waarborgen. Aangezien deze maatregel uitsluitend zou gelden tot aan de uitspraak van het eindarrest, zouden de voorlopig in hun ambt herstelde rechters bij de Sąd Najwyższy vanaf de uitspraak van dat arrest op grond van de litigieuze nationale bepalingen opnieuw met pensioen moeten gaan. Bovendien zou het voorlopige herstel in hun ambt van de rechters die door de litigieuze nationale bepalingen worden geraakt, impliceren dat maatregelen met terugwerkende kracht worden vastgesteld, terwijl een voorlopige maatregel geen dergelijk effect kan hebben.

97      In dit verband hoeft met betrekking tot, enerzijds, de vermeende terugwerkende kracht van de maatregelen die voor het tijdelijke herstel in hun ambt van de op grond van de litigieuze nationale bepalingen gepensioneerde rechters bij de Sąd Najwyższy moeten worden genomen, slechts te worden opgemerkt dat, zoals uit punt 95 van de onderhavige beschikking blijkt, de verplichting voor de Republiek Polen om voor een dergelijk herstel in hun ambt te zorgen, een onmiddellijk gevolg zal zijn van de gelaste voorlopige maatregelen, die de verplichting inhouden om de toepassing van die bepalingen en van de maatregelen ter uitvoering daarvan, in het onderhavige geval de pensionering van de betrokken rechters, onmiddellijk op te schorten en om de vóór de inwerkingtreding van deze bepalingen bestaande situatie te herstellen.

98      Anderzijds dienen de ter uitvoering van de gevraagde voorlopige maatregelen voorlopig in hun ambt herstelde rechters bij de Sąd Najwyższy in voorkomend geval slechts vanaf de uitspraak van het eindarrest op grond van de litigieuze nationale bepalingen met pensioen te gaan indien het beroep wegens niet-nakoming bij arrest wordt verworpen.

99      In de derde plaats voert de Republiek Polen aan dat de voorlopige maatregel die ertoe strekt de Republiek Polen te gelasten zich van elke maatregel ter benoeming van rechters op de posten van de gepensioneerde rechters bij de Sąd Najwyższy te onthouden, niet noodzakelijk is om de werking van het eindarrest te waarborgen, aangezien de in het Poolse recht bestaande mechanismen in elk geval ervoor zorgen dat de door de litigieuze nationale bepalingen geraakte rechters worden hersteld in het ambt dat zij vóór hun pensionering uitoefenden. Aangezien de ambten van rechter bij de Sąd Najwyższy niet op naam zijn, kunnen de op grond van de litigieuze nationale bepalingen gepensioneerde rechters immers worden hersteld in hetzij vacante ambten van rechter, hetzij, wanneer op de datum van uitspraak van het eindarrest alle ambten van rechter bij de Sąd Najwyższy zijn bezet, nieuwe ambten van rechter die de president van de Republiek Polen discretionair bij decreet kan creëren.

100    Anders dan de Republiek Polen betoogt, zijn de door deze lidstaat genoemde mechanismen echter niet van dien aard dat het door de Commissie aangevoerde risico erdoor wordt opgeheven.

101    Enerzijds verhoogt het feit dat de ambten van rechter bij de Sąd Najwyższy niet op naam zijn, anders dan de Republiek Polen stelt, immers het risico dat de gepensioneerde rechters niet kunnen worden hersteld in de ambten die zij vóór hun pensionering bekleedden, ingeval de procedures van benoeming van nieuwe rechters bij deze rechterlijke instantie opnieuw worden gestart. Aangezien alle vacatures van rechter bij de Sąd Najwyższy in een algemene reserve worden opgenomen en achtereenvolgens worden vervuld via benoemingsprocedures, kan niet worden gegarandeerd dat de rechters die door de litigieuze nationale bepalingen worden geraakt, op de datum van de uitspraak van het eindarrest het ambt dat zij vóór hun pensionering uitoefenden, zullen terugkrijgen.

102    Anderzijds kan, zelfs al zou de verhoging van het aantal ambten van rechter bij de Sąd Najwyższy bij wege van een decreet van de president van de Republiek Polen tot gevolg hebben dat rechtersambten worden gecreëerd in de kamers waarin de krachtens de litigieuze nationale bepalingen gepensioneerde rechters hun ambt uitoefenden, uit deze creatie van nieuwe rechtsambten echter niet worden afgeleid dat de eerste president van de Sąd Najwyższy en de twee in punt 16 van de onderhavige beschikking genoemde kamerpresidenten de garantie hebben dat zij worden hersteld in de ambten die zij vóór hun pensionering bekleedden. Omdat de procedures van benoeming van rechters bij deze rechterlijke instantie snel worden afgewikkeld, zoals blijkt uit de in de punten 22 tot en met 26 van de onderhavige beschikking vermelde feiten, kan op de datum van uitspraak van het eindarrest immers al in deze ambten zijn voorzien.

103    Ten slotte heft het feit dat de procedures van benoeming van rechters bij de Sąd Najwyższy thans als gevolg van de beschikking van de vicepresident van het Hof van 19 oktober 2018, Commissie/Polen (C‑619/18 R, niet gepubliceerd, EU:C:2018:852), zijn opgeschort, het door de Commissie aangevoerde risico niet op. Opgemerkt zij immers dat de bij die beschikking gelaste maatregelen, die met name betrekking hebben op de opschorting van de toepassing van de litigieuze nationale bepalingen, op het herstel van de door die bepalingen geraakte rechters in de ambten die zij vóór hun pensionering bekleedden, en op de bevriezing van procedures van benoeming van nieuwe rechters in de ambten van de betrokken rechters en van eerste president van de Sąd Najwyższy, volgens de bewoordingen van het dictum van die beschikking slechts gelden „tot aan de uitspraak van de beschikking waarmee de procedure in kort geding wordt beëindigd”. Hieruit volgt dat er zonder toekenning, bij de onderhavige beschikking waarmee die procedure wordt beëindigd, van de door de Commissie gevraagde voorlopige maatregelen, geen garantie bestaat dat de betrokken benoemingsprocedures niet worden hervat.

104    In deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat het betoog van de Republiek Polen niet aannemelijk maakt dat de gevraagde voorlopige maatregelen niet worden gerechtvaardigd door het algemeen belang van de Unie waarop de Commissie zich beroept.

105    Vervolgens voert de Republiek Polen een aantal argumenten aan om aannemelijk te maken dat haar belang bij de goede werking van de Sąd Najwyższy zwaarder weegt en rechtvaardigt dat de door de Commissie gevraagde voorlopige maatregelen niet worden toegekend.

106    In de eerste plaats draagt de Republiek Polen een aantal omstandigheden aan die het uiterst moeilijk maken de gepensioneerde rechters bij de Sąd Najwyższy in hun ambt te herstellen. De Republiek Polen voert met name aan dat dit herstel in het ambt een handeling van de wetgever en de vaststelling van incidentele algemene bepalingen door de Poolse autoriteiten vereist, wat niet verenigbaar is met de Poolse grondwet.

107    Dit argument moet worden afgewezen. Zoals in de punten 95 en 97 van de onderhavige beschikking is uiteengezet, houdt de tenuitvoerlegging van de door de Commissie gevraagde voorlopige maatregelen voor de Republiek Polen de verplichting in om de toepassing van de litigieuze nationale bepalingen en van de maatregelen ter uitvoering daarvan onmiddellijk op te schorten, en dus ook de verplichting om in afwachting van het eindarrest de vroegere bepalingen inzake de pensioenleeftijd van de rechters bij de Sąd Najwyższy toe te passen en de vóór de inwerkingtreding van de litigieuze nationale bepalingen bestaande situatie te herstellen.

108    In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen (arrest van 4 juli 2018, Commissie/Slowakije, C‑626/16, EU:C:2018:525, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109    In de tweede plaats stelt de Republiek Polen dat het tijdelijk in hun ambt herstellen van de gepensioneerde rechters bij de Sąd Najwyższy een veel hoger systemisch risico inhoudt dan de handhaving van hun pensionering. In het bijzonder zou de situatie van een voor niet vooraf bepaalde tijd in zijn ambt herstelde rechter volgens de Republiek Polen het risico inhouden dat de onafhankelijkheid van deze rechter tot aan de uitspraak van het eindarrest niet is gewaarborgd.

110    Vast staat echter dat de Republiek Polen geen enkel element heeft aangedragen dat het bestaan van een dergelijk risico aannemelijk maakt.

111    In de derde plaats betoogt de Republiek Polen dat het voorlopige herstel in hun ambt van de rechters die door de litigieuze nationale bepalingen worden geraakt, de organisatie van de werkzaamheden van de Sąd Najwyższy aanzienlijk zou bemoeilijken. Zij wijst er in het bijzonder op dat de gemiddelde duur van de behandeling van een zaak door deze rechterlijke instantie zeven maanden bedraagt, zodat de voorlopig in hun ambt herstelde rechters tijdens de periode vóór de uitspraak van het eindarrest geen enkele zaak volledig kunnen behandelen.

112    Vast staat echter dat deze omstandigheid, die verband houdt met de goede organisatie van de werkzaamheden van de Sąd Najwyższy, in weerwil van het belang ervan, niet zwaarder weegt dan het algemene belang van de Unie dat deze rechterlijke instantie werkt in omstandigheden waarin haar onafhankelijkheid is gewaarborgd.

113    In de vierde plaats voert de Republiek Polen aan dat de voorlopige maatregel waarbij zij zou worden gelast zich te onthouden van elke maatregel ter benoeming van rechters bij de Sąd Najwyższy in de ambten die zijn vrijgekomen door het vertrek van de rechters die door de litigieuze nationale bepalingen worden geraakt, onmogelijk ten uitvoer kan worden gelegd omdat de ambten van rechter bij de Sąd Najwyższy niet op naam zijn. Verder wijst de Republiek Polen erop dat het blokkeren van de benoemingen in de vacante ambten van rechter bij de kamers van de Sąd Najwyższy afbreuk zou doen aan de rechten van de kandidaten voor een ambt van rechter bij deze rechterlijke instantie.

114    In dit verband dient niet alleen te worden gewezen op de in punt 108 van de onderhavige beschikking in herinnering gebrachte rechtspraak, maar ook te worden opgemerkt dat de organisatorische moeilijkheden en de ongemakken voor de kandidaten voor een ambt van rechter bij de Sąd Najwyższy die aan de toekenning van een dergelijke voorlopige maatregel zouden zijn verbonden, niet zwaarder wegen dan het algemene belang van de Unie bij de goede werking van haar rechtsorde.

115    Zo blijkt uit het onderzoek dat overeenkomstig de in punt 91 van de onderhavige beschikking aangehaalde rechtspraak is verricht, dat het algemene belang van de Unie bij de goede werking van haar rechtsorde in afwachting van het eindarrest ernstige en onherstelbare schade dreigt te lijden indien de door de Commissie gevraagde voorlopige maatregelen niet worden gelast en het beroep wegens niet-nakoming wordt toegewezen.

116    Het belang van de Republiek Polen bij de goede werking van de Sąd Najwyższy kan daarentegen niet op dergelijke wijze worden geschaad ingeval de door de Commissie gevraagde voorlopige maatregelen worden toegekend en het beroep wegens niet-nakoming wordt verworpen, aangezien de toekenning van deze maatregelen slechts tot gevolg heeft dat de toepassing van de vóór de aanneming van de wet inzake het hooggerechtshof bestaande regeling gedurende een beperkte periode wordt gehandhaafd.

117    In deze omstandigheden dient tot de slotsom te worden gekomen dat de afweging van de betrokken belangen in het voordeel van toekenning van de door de Commissie gevraagde voorlopige maatregelen uitvalt.

118    Gelet op een en ander moet het in punt 1 van de onderhavige beschikking bedoelde verzoek van de Commissie om voorlopige maatregelen worden toegewezen.

Het Hof (Grote kamer) beschikt:

1)      De Republiek Polen moet, onmiddellijk en tot aan de uitspraak van het arrest waarmee zaak C619/18 wordt beëindigd,

–        de toepassing van de bepalingen van artikel 37, §§ 1 tot en met 4, en van artikel 111, §§ 1 en 1 bis, van de ustawa o Sądzie Najwyższym (wet inzake het hooggerechtshof) van 8 december 2017 en van artikel 5 van de ustawa o zmianie ustawy – Prawo o ustroju sądów powszechnych, ustawy o Sądzie Najwyższym oraz niektórych innych ustaw (wet houdende wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken, de wet inzake het hooggerechtshof, en bepaalde andere wetten) van 10 mei 2018 alsmede van elke op grond van deze bepalingen genomen maatregel opschorten;

–        alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de rechters bij de Sąd Najwyższy (hooggerechtshof, Polen) die door die bepalingen worden geraakt, hun ambt op de post die zij op 3 april 2018, de datum van inwerkingtreding van de wet inzake het hooggerechtshof, bekleedden, verder kunnen uitoefenen met hetzelfde statuut en dezelfde rechten en arbeidsvoorwaarden als die welke zij tot 3 april 2018 genoten;

–        zich onthouden van elke maatregel ter benoeming van rechters bij de Sąd Najwyższy in de plaats van de rechters die door die bepalingen worden geraakt, en van elke maatregel ter benoeming van de nieuwe eerste president van deze rechterlijke instantie of ter aanwijzing van de persoon die met de leiding van deze rechterlijke instantie wordt belast in de plaats van de eerste president totdat de nieuwe eerste president is benoemd, en

–        de Europese Commissie uiterlijk een maand na de kennisgeving van de onderhavige beschikking, en daarna regelmatig elke maand, op de hoogte stellen van alle maatregelen die zij heeft genomen om deze beschikking volledig uit te voeren.

2)      De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

ondertekeningen


*      Procestaal: Pools.