Language of document : ECLI:EU:C:2018:1028

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

E. SHARPSTON

van 19 december 2018 (1)

Zaak C431/17

Monachos Eirinaios, kata kosmon Antonios Giakoumakis tou Emmanouil

tegen

Dikigorikos Syllogos Athinon

[verzoek van de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland) om een prejudiciële beslissing]

„Richtlijn 98/5/EG – Artikel 3 – Artikel 6 – Inschrijving van een monnik als advocaat in een andere lidstaat dan die waar hij zijn beroepskwalificatie heeft verworven – Nationale voorschriften die aan inschrijving in de weg staan”






1.        Kan iemand twee heren dienen? Indien een van die heren God is, kan een christen in het evangelie een eerste houvast vinden: „Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de Mammon.”(2)(Uit de in de parabel van de Barmhartige Samaritaan bewaard gebleven onberispelijke rechtskundige uitwisseling tussen Jezus van Nazareth en een advocaat, blijkt echter duidelijk dat het heel goed mogelijk is om God te dienen en een juridisch beroep uit te oefenen.(3)) Wanneer een monnik zich wenst in te schrijven bij een orde van advocaten van een andere lidstaat dan die waar hij zijn beroepstitel heeft verworven, hetgeen impliceert dat hij zowel het recht als God wil dienen, is het tevens noodzakelijk om richtlijn 98/5/EG(4) te bekijken.

2.        Met het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing wenst de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland; hierna: „verwijzende rechter”) te vernemen of het met richtlijn 98/5 verenigbaar is dat de bevoegde autoriteiten weigeren om Monachos Eirinaios(5), monnik in een klooster in Griekenland, in te schrijven als advocaat die werkzaam is onder zijn oorspronkelijke beroepstitel, op de grond dat monniken naar nationaal recht gewoonweg niet bij een orde van advocaten kunnen worden ingeschreven. Dit roept de vraag op hoe de bepalingen van richtlijn 98/5 met betrekking tot de inschrijving van advocaten die werkzaam zijn onder hun oorspronkelijke beroepstitel, waarin dwingende verplichtingen zijn opgenomen, kunnen worden verenigd met de bepalingen betreffende de op die advocaten van toepassing zijnde beroeps- en gedragsregels, die de lidstaten een ruime beoordelingsmarge laten. Het Hof dient er bij zijn uitlegging op toe te zien dat de richtlijn op een consistente en samenhangende manier wordt opgevat.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 98/5

3.        Overweging 1 van richtlijn 98/5 wijst op het belang voor onderdanen van de lidstaten om als zelfstandige of in loondienst een beroep te kunnen uitoefenen in een andere lidstaat dan die waar zij hun beroepskwalificaties hebben verworven. In de overwegingen 2 en 3 wordt toegelicht dat de richtlijn een alternatief biedt voor richtlijn 89/48/EEG met het oog op de toetreding tot het beroep van advocaat in een lidstaat van ontvangst.(6)

4.        Volgens overweging 5 is een initiatief „op communautair niveau [...] gerechtvaardigd [...], niet slechts omdat daarmee, naast de algemene erkenningsregel, voor advocaten een gemakkelijkere weg tot toetreding tot de beroepsuitoefening in de lidstaat van ontvangst wordt geopend, maar tevens omdat door de voor advocaten geboden mogelijkheid om permanent onder hun oorspronkelijke beroepstitel in een lidstaat van ontvangst werkzaam te zijn, tegemoet wordt gekomen aan de behoeften van de justitiabelen die wegens het toenemende handelsverkeer als gevolg van de interne markt in verband met grensoverschrijdende transacties waarbij internationaal, communautair en nationaal recht dikwijls met elkaar verweven zijn, juridische adviezen verlangen”.

5.        In overweging 6 wordt uiteengezet dat een maatregel eveneens gerechtvaardigd is „wegens het feit dat het thans slechts in enkele lidstaten is toegestaan dat advocaten uit andere lidstaten de werkzaamheden van advocaat onder hun oorspronkelijke beroepstitel, anders dan als dienstverrichting, uitoefenen; dat hieraan echter in de lidstaten waar deze mogelijkheid bestaat op zeer uiteenlopende wijze uitvoering wordt gegeven, bijvoorbeeld wat het werkterrein en de verplichte inschrijving bij de bevoegde autoriteiten betreft; dat een dergelijke verscheidenheid aan situaties tot ongelijkheid en mededingingsdistorsies bij de advocaten van de lidstaten leidt en een belemmering voor het vrije verkeer vormt; dat slechts een richtlijn tot vaststelling van de voorwaarden voor de beroepsbeoefening, anders dan als dienstverrichting, door advocaten onder de oorspronkelijke beroepstitel hiervoor een oplossing kan bieden en advocaten en justitiabelen in alle lidstaten dezelfde mogelijkheden kan bieden”.

6.        In overweging 7 staat te lezen dat bij deze richtlijn, overeenkomstig de doelstelling daarvan, geen louter interne situaties worden geregeld, en dat daarin slechts aan de nationale beroepsregels wordt geraakt voor zover dat voor het daadwerkelijk bereiken van deze doelstelling noodzakelijk is. In de richtlijn wordt met name nationale regelgeving waarin de toegang tot het beroep van advocaat en de uitoefening daarvan onder de beroepstitel van de lidstaat van ontvangst is geregeld, onverlet gelaten.

7.        In overweging 8 wordt toegelicht dat „de in de richtlijn bedoelde advocaten verplicht dienen te worden zich bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in te schrijven, opdat deze zich ervan kan vergewissen dat zij de beroeps- en gedragsregels eerbiedigen; dat het gevolg van deze inschrijving met betrekking tot de geografische rechtsgebieden waar en de instanties en de aard van de gerechten waarbij de advocaten hun praktijk kunnen uitoefenen, door de op advocaten in de lidstaat van ontvangst toepasselijke wetgeving wordt bepaald”.

8.        Overweging 9 luidt dat „advocaten die niet in de advocatuur van de lidstaat van ontvangst zijn opgenomen, gehouden zijn aldaar hun beroep onder hun oorspronkelijke beroepstitel uit te oefenen, teneinde de informatie van de consument te waarborgen en een onderscheid mogelijk te maken tussen hen en de advocaten van de lidstaat van ontvangst die onder de beroepstitel van die lidstaat optreden”.

9.        Het met de richtlijn nagestreefde doel is volgens artikel 1, lid 1, ervan het vergemakkelijken van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie werd verworven. Een „advocaat” wordt in artikel 1, lid 2, gedefinieerd als „de onderdaan van een lidstaat die gerechtigd is zijn beroepswerkzaamheden onder een der volgende beroepstitels uit te oefenen: [...] Griekenland: Δικηγόρος [Dikigoros], [...] Cyprus: Δικηγόρος [Dikigoros]”.

10.      Artikel 2 bepaalt dat elke advocaat het recht heeft om permanent in elke andere lidstaat onder zijn oorspronkelijke beroepstitel de in artikel 5 gedetailleerd opgesomde beroepswerkzaamheden uit te oefenen.

11.      In artikel 3 is bepaald:

„1.      De advocaat die zijn beroep wenst uit te oefenen in een andere lidstaat dan die waar hij zijn beroepskwalificatie heeft verworven, is gehouden zich bij de bevoegde autoriteit van die lidstaat in te schrijven.

2.      De bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst gaat op vertoon van de verklaring van inschrijving bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst over tot inschrijving van de advocaat. Zij kan eisen dat bij de overlegging van die verklaring de afgifte ervan door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst niet meer dan drie maanden voordien is geschied. Zij stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de inschrijving in kennis.”

12.      In artikel 4 staat te lezen dat de advocaat die in de lidstaat van ontvangst zijn beroep onder zijn oorspronkelijke beroepstitel uitoefent, „is gehouden zijn beroepswerkzaamheden uit te oefenen onder deze titel, zoals deze dient te luiden, in de taal of een der officiële talen van de lidstaat van herkomst, evenwel op een verstaanbare wijze en zodanig dat hij niet kan worden verward met de beroepstitel van de lidstaat van ontvangst”.

13.      Artikel 5, lid 1, omschrijft het werkterrein van een onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzame advocaat als „dezelfde werkzaamheden [...] als de onder de relevante beroepstitel van de lidstaat van ontvangst werkzame advocaat”. Hij kan met name „juridisch advies geven over het recht van de lidstaat van herkomst, het Gemeenschapsrecht, het internationale recht en het recht van de lidstaat van ontvangst”, en „[i]n alle gevallen leeft hij de voor de nationale jurisdicties toepasselijke procedureregels na”.

14.      In artikel 6, lid 1, is bepaald dat „onafhankelijk van de beroeps- en gedragsregels waaraan hij in de lidstaat van herkomst is onderworpen, [...] de onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzame advocaat voor alle werkzaamheden die hij op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst uitoefent, aan dezelfde beroeps- en gedragsregels [is] onderworpen als advocaten die onder de relevante beroepstitel van de laatstbedoelde lidstaat praktiseren”. Volgens artikel 6, lid 3, kan de lidstaat van ontvangst „de onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzame advocaat ertoe verplichten een beroepsaansprakelijkheidsverzekering af te sluiten of zich bij een beroepsgarantiefonds aan te sluiten, een en ander volgens de regels die deze lidstaat voor aldaar uitgeoefende beroepswerkzaamheden vaststelt”.

15.      Artikel 7 van de richtlijn betreft tuchtprocedures voor het geval dat de onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzame advocaat niet voldoet aan de in de lidstaat van ontvangst geldende verplichtingen. Op grond van artikel 7, lid 1, „zijn de procedureregels, de sancties en de middelen van beroep van de lidstaat van ontvangst van toepassing”. In artikel 7, leden 2 tot en met 5, staat te lezen:

„2.      Alvorens jegens de onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzame advocaat een tuchtprocedure in te stellen, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst die van de lidstaat van herkomst daarvan onverwijld in kennis en verstrekt zij deze alle dienstige inlichtingen. [Dit is] mutatis mutandis van toepassing wanneer een tuchtprocedure wordt ingesteld door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, [...].

3.      Onverminderd de beslissingsbevoegdheid van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, werkt deze gedurende de gehele tuchtprocedure met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst samen. [...].

4.      De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst besluit over het gevolg dat overeenkomstig de eigen regels van materieel en formeel recht moet worden gegeven aan de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst jegens de onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzame advocaat gegeven beslissing.

5.      De tijdelijke of de definitieve intrekking van de bevoegdheid tot uitoefening van het beroep door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst brengt voor de betrokken advocaat automatisch het tijdelijke of definitieve verbod mee in de lidstaat van ontvangst zijn beroep onder zijn oorspronkelijke beroepstitel uit te oefenen, doch is geen voorafgaande voorwaarde voor de beslissing van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.”

16.      Artikel 9 bepaalt dat „[b]esluiten tot weigering of tot doorhaling van de in artikel 3 bedoelde inschrijving, alsmede besluiten waarbij tuchtrechtelijke sancties worden opgelegd, [...] met redenen [dienen] te worden omkleed”. Tegen deze besluiten moet beroep bij de rechter openstaan.

 Nationaal recht

 Presidentieel besluit 152/2000

17.      Richtlijn 98/5 is in Grieks recht omgezet bij Proedriko Diatagma 152/2000, Diefkolynsi tis monimis askisis tou dikigorikoy epaggelmatos stin Ellada apo dikigorous pou apektisan ton epaggelmatiko tous titlo se allo kratos-melos tis EE (presidentieel besluit 152/2000, „Vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in Griekenland door advocaten die hun beroepskwalificatie in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verworven”; hierna: „presidentieel besluit”).

18.      Artikel 5, lid 1, van het presidentieel besluit bepaalt dat een persoon het beroep van advocaat in Griekenland enkel kan uitoefenen indien hij is ingeschreven bij de orde van advocaten van de plaats waar hij werkzaam zal zijn, en indien hij tevens kantoor houdt in dezelfde geografische regio. Artikel 5, lid 2, bepaalt dat de raad van de voormelde orde van advocaten beslist over een aanvraag voor inschrijving, nadat de volgende documenten zijn overgelegd: (i) een officieel document waaruit de nationaliteit van een lidstaat blijkt; (ii) een verklaring waaruit blijkt of de aanvrager reeds eerder veroordeeld is, en (iii) een verklaring van inschrijving die afkomstig is van de bevoegde autoriteit van de staat van herkomst die de beroepstitel heeft afgegeven, dan wel van een andere bevoegde autoriteit van de staat van herkomst.

19.      Voorts bepaalt artikel 8, lid 1, het volgende: „Onverminderd de beroeps- en gedragsregels waaraan hij in zijn staat van herkomst is onderworpen, gelden voor de advocaat ten aanzien van alle werkzaamheden die hij in Griekenland uitoefent, dezelfde beroeps- en gedragsregels als voor de overige advocaten die lid zijn van de betrokken orde van advocaten. Met name is hij onderworpen aan [...] de voorschriften die gelden voor de uitoefening van het beroep van advocaat in Griekenland, in het bijzonder die welke betrekking hebben op onverenigbaarheden en de uitoefening van andere activiteiten, de geheimhoudingsplicht, de beroepsethiek, reclame, de beroepswaardigheid en de behoorlijke uitoefening van het beroep van advocaat.

 Advocatenwet

20.      Artikel 1 van de Kodikas dikigoron (wet 4194/2013; hierna: „advocatenwet”) bepaalt dat een advocaat een overheidsfunctionaris is van wie de functie een van de pijlers van de rechtsstaat is. Bij de verrichting van zijn taken dient een advocaat zaken te behandelen in overeenstemming met zijn eigen professionele oordeel en hij mag geen instructies of bevelen te aanvaarden die in strijd zijn met het recht of onverenigbaar zijn met de belangen van zijn cliënt.(7)

21.      In artikel 6, met als opschrift „Voorwaarden om advocaat te worden – belemmeringen”, worden twee positieve voorwaarden gesteld waaraan personen moeten voldoen om advocaat te worden, te weten (i) in het bezit zijn van de Griekse nationaliteit dan wel van de nationaliteit van een andere lidstaat of van een EER-staat en (ii) in het bezit zijn van een rechtendiploma. Daarnaast gelden op grond van dat artikel vier beletsels, waaronder het beletsel dat inhoudt dat de betrokkene geen priester of monnik mag zijn.

22.      Artikel 7, lid 1, met als opschrift „Automatisch verlies van de hoedanigheid van advocaat”, bepaalt onder meer dat wie priester of monnik is en in vaste dienst wordt aangesteld bij of enigerlei post bekleedt in dienst van een publiekrechtelijke rechtspersoon, van rechtswege de hoedanigheid van advocaat verliest, alsook dat de betrokkene wordt geschrapt van het tableau van de orde van advocaten waarvan hij lid is.(8) Een advocaat die onder artikel 7, lid 1, valt, is verplicht om een verklaring af te leggen bij de orde van advocaten op het tableau waarvan hij is ingeschreven, en moet ontslag nemen.(9)

23.      Op grond van artikel 23 moet een advocaat zijn zetel en zijn kantoor hebben in het rechtsgebied van de rechtbank van eerste aanleg waaraan hij is toegewezen. Artikel 82 bepaalt dat het een advocaat, behoudens een beperkt aantal uitdrukkelijk vermelde uitzonderingen, niet is toegestaan zijn diensten te verrichten om niet.

 Statuten van de Kerk van Griekenland

24.      Artikel 39 van de Katastatikos Chartis tis Ekklisias tis Ellados (wet 590/1977 betreffende de statuten van de Kerk van Griekenland) bepaalt dat kloosters religieuze gebouwen zijn waarin de aldaar woonachtige mannen en vrouwen een ascetisch leven kunnen leiden overeenkomstig de kloostergeloften en volgens de sacrale regels en tradities van de Orthodoxe kerk betreffende het monastieke leven. De kloosters staan onder het spirituele toezicht van de bevoegde bisschop.

25.      Krachtens artikel 56, lid 3, is het personen die volgens de monastieke beginselen leven, niet toegestaan zich buiten de grenzen van hun kerkelijke gebied te begeven zonder toestemming van hun kerkelijke superieur. Om meer dan twee maanden in hetzelfde kalenderjaar, al dan niet ononderbroken, in een ander gebied te verblijven, dienen zij ook toestemming van de diocesane bisschop te verkrijgen.

 Wet betreffende de kerkelijke fondsen en het beheer van de kloosters

26.      Artikel 18 van de Peri Genikou Ekklisastikou Tameiou kai dioikiseos Monastirion (wet 3414/1909 betreffende de kerkelijke fondsen en het beheer van de kloosters) bepaalt dat wanneer iemand gaat leven volgens de monastieke beginselen, al zijn bezittingen eigendom worden van het klooster, met uitzondering van het deel dat volgens het erfrecht is voorbehouden aan zijn erfgenamen.

 Feiten, procedure en prejudiciële vraag

27.      Monachos Eirinaios is monnik in een klooster in Griekenland.(10) Hij is ook gekwalificeerd advocaat en is sinds 11 december 2014 lid van de Pagkyprios Dikigorikos Syllogos (PDS, orde van advocaten van Cyprus).

28.      Op 12 juni 2015 heeft hij een verzoek ingediend om ingeschreven te worden bij de Dikigorikos Syllogos Athinon (orde van advocaten van Athene; hierna: „DSA”) als advocaat die zijn beroepstitel in een andere lidstaat heeft verworven. Op 18 juni 2015 heeft de raad van de DSA zijn verzoek afgewezen. Dit besluit was gebaseerd op artikel 8, lid 1, van het presidentieel besluit, dat bepaalt dat de nationale regels inzake onverenigbaarheden (meer bepaald de hoedanigheid van priester of monnik) ook gelden voor advocaten die in Griekenland werkzaam wensen te zijn onder hun oorspronkelijke beroepstitel.

29.      Op 29 september 2015 heeft Monachos Eirinaios tegen dat besluit beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

30.      Die rechter stelt vast dat de voor Griekse advocaten geldende beroeps- en gedragsregels, om redenen als die welke door de DSA worden aangevoerd, niet toestaan dat een monnik het beroep van advocaat uitoefent. Die redenen houden in dat er geen garanties voor hun onafhankelijkheid bestaan, dat betwijfeld wordt of zij zich volledig aan hun taken kunnen wijden en of zij controversiële zaken kunnen behandelen, en dat advocaten verplicht zijn om zich feitelijk (en niet fictief) te vestigen in het rechtsgebied van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg alsook om geen diensten te verrichten om niet. Indien de betrokken orde van advocaten verplicht zou zijn om overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 98/5 een monnik in te schrijven die de intentie heeft werkzaam te zijn onder zijn oorspronkelijke beroepstitel, zou zij vervolgens onmiddellijk moeten vaststellen – hetgeen artikel 6 van die richtlijn toestaat – dat de monnik de bij het nationale recht vastgelegde beroeps- en gedragsregels heeft geschonden. Deze regels verbieden monniken namelijk het beroep van advocaat uit te oefenen.

31.      De verwijzende rechter refereert ook aan zijn eigen rechtspraak, waarin hij heeft geoordeeld dat de voorheen geldende bepaling van de advocatenwet die priesters verbood advocaat te worden, niet in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en met de vrije beroepsuitoefening. Ten eerste vereist het algemeen belang dat de advocaat zich uitsluitend wijdt aan zijn taken en ten tweede betreft het werk van een advocaat het aangaan van confrontaties, wat onverenigbaar is met de hoedanigheid van priester.(11) Tevens heeft de verwijzende rechter eerder geoordeeld dat die bepaling niet in strijd was met artikel 13 van de Griekse grondwet, artikel 52 van het EG-Verdrag (thans artikel 49 VWEU) (aangezien de feiten in de eerdere zaak een louter interne situatie betroffen) en artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.(12)

32.      Tegen deze achtergrond wenst de verwijzende rechter een antwoord op de volgende prejudiciële vraag:

„Moet artikel 3 van richtlijn 98/5 aldus worden uitgelegd dat de inschrijving van een monnik van de Kerk van Griekenland als advocaat op het tableau van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat dan die waarin hij zijn beroepstitel heeft verworven, om er zijn beroep uit te oefenen onder zijn oorspronkelijke beroepstitel, door de nationale wetgever kan worden verboden op grond dat monniken van de Kerk van Griekenland naar nationaal recht niet bij een orde van advocaten kunnen worden ingeschreven omdat zij wegens hun hoedanigheid van personen die volgens de monastieke beginselen leven, bepaalde voor de uitoefening van het beroep van advocaat als onmisbaar beschouwde garanties niet bieden?”

33.      Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Monachos Eirinaios, de Griekse en de Nederlandse regering en de Europese Commissie. Monachos Eirinaios, de DSA, de Griekse regering en de Commissie hebben ter terechtzitting van 18 september 2018 pleidooi gehouden.

 Beoordeling

 Toepasselijk recht

34.      Op verschillende aspecten van de situatie van een advocaat die zijn beroep in een andere lidstaat wenst uit te oefenen, zijn meerdere richtlijnen van toepassing. Zo betreft richtlijn 2005/36 de erkenning van beroepskwalificaties, terwijl richtlijn 77/249/EEG(13) van de Raad ziet op het vrij verrichten van diensten. Richtlijn 2006/123/EG(14) betreft een brede waaier van werkzaamheden op de interne markt, waaronder het verstrekken van juridisch advies in het kader van zowel vestiging als het verrichten van diensten. Richtlijn 98/5 is van toepassing op advocaten die permanent hun beroep wensen uit te oefenen in de lidstaat van ontvangst.

35.      De Nederlandse regering heeft in haar schriftelijke opmerkingen aangevoerd dat richtlijn 98/5 geen beroepsregels vaststelt voor advocaten, zodat houvast zou kunnen worden gevonden in de andere richtlijnen, die mogelijkerwijs van toepassing zijn.

36.      Deze zienswijze deel ik niet.

37.      Richtlijn 77/249 heeft betrekking op het verrichten van diensten door advocaten en niet op de vrijheid van vestiging.(15) De procedure voor de verwijzende rechter betreft evenwel de weigering van een orde van advocaten om een advocaat in te schrijven die zijn beroepskwalificatie heeft verworven in een andere lidstaat. Het onderwerp van de prejudiciële vraag is dus niet de vrijheid om juridische diensten te verrichten, maar de vestiging als advocaat, die wordt geregeld door richtlijn 98/5.(16)

38.      Richtlijn 2005/36 geldt voor advocaten die zich onmiddellijk willen vestigen onder de beroepstitel van de lidstaat van ontvangst. Zij heeft geen gevolgen voor de werking van richtlijn 98/5(17) en is in casu niet relevant. Monachos Eirinaios verzoekt namelijk te worden ingeschreven om onder zijn Cypriotische beroepstitel werkzaam te zijn.

39.      Richtlijn 2006/123 geldt zeker voor juridische diensten en betreft niet alleen het verrichten van diensten maar ook vestiging.(18) Het door de Nederlandse regering in haar schriftelijke opmerkingen aangehaalde artikel 25 van die richtlijn is evenwel enkel van toepassing op de uitoefening van multidisciplinaire economische activiteiten. Monachos Eirinaios leeft volgens de monastieke beginselen, zijn „parallelle activiteit” naast die van advocaat, en dat past niet binnen die categorie.

40.      De situatie van Monachos Eirinaios valt onmiskenbaar binnen de werkingssfeer van richtlijn 98/5. Hij is een advocaat die in het bezit is van een beroepstitel die geldig is in een lidstaat (zodat hij binnen de in artikel 1, leden 1 en 2, van richtlijn 98/5 omschreven personele werkingssfeer van die richtlijn valt), en wil permanent werkzaam zijn onder zijn oorspronkelijke beroepstitel (zodat hij overeenkomstig de definitie van artikel 1, lid 1, voldoet aan het vereiste van een grensoverschrijdend aspect en binnen de materiële werkingssfeer van richtlijn 98/5 valt). Hieruit volgt dat die richtlijn de basis vormt voor de beoordeling van de verenigbaarheid met het Unierecht van nationale regels die verbieden dat monniken onder hun oorspronkelijke beroepstitel als advocaat worden ingeschreven, op grond dat zij bepaalde voor advocaten noodzakelijke garanties niet bieden.

 Inleidende opmerkingen over richtlijn 98/5

41.      Richtlijn 98/5 heeft tot doel het vrij verkeer van advocaten te verbeteren door het gemakkelijker te maken het beroep van advocaat permanent uit te oefenen in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie werd verworven.(19) (In wat volgt zal ik dergelijke advocaten gemakshalve „migrerende advocaten” noemen.)

42.      Met het oog op de bevordering van de interne markt heeft de richtlijn tot doel advocaten en justitiabelen in alle lidstaten dezelfde mogelijkheden te bieden. Met name wordt gepoogd tegemoet te komen aan de behoeften van de justitiabelen, die wegens het toenemende handelsverkeer als gevolg van de interne markt juridische adviezen verlangen in verband met grensoverschrijdende transacties waarbij internationaal recht, Unierecht en nationaal recht dikwijls met elkaar verweven zijn.(20)

43.      De richtlijn beoogt dus onder meer een einde te maken aan de verschillen tussen de nationale regels inzake de voorwaarden voor inschrijving bij de bevoegde autoriteiten, die ongelijkheid en belemmeringen van het vrije verkeer veroorzaakten.(21) Onderlinge erkenning van de beroepstitels van migrerende advocaten die onder hun oorspronkelijke beroepstitel werkzaam wensen te zijn, draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de richtlijn.(22)

44.      De richtlijn heeft weliswaar betrekking op het recht van vestiging, maar regelt niet de toegang tot het beroep van advocaat of de uitoefening van dat beroep onder de beroepstitel die in de lidstaat van ontvangst wordt afgegeven.(23)

45.      In de richtlijn moet bij het nastreven van de doelstellingen ervan een evenwicht tot stand worden gebracht tussen verschillende belangen.

46.      In de eerste plaats wordt een evenwicht tot stand gebracht tussen enerzijds de toekenning aan migrerende advocaten van een „automatisch” recht om zich bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in te schrijven zonder dat deze lidstaat voorafgaandelijk hun beroepskwalificaties mag controleren (artikel 3, lid 2), en anderzijds de noodzaak om justitiabelen te informeren over de reikwijdte van de deskundigheid van een dergelijke advocaat. Migrerende advocaten mogen hun beroep dan ook alleen uitoefenen onder hun oorspronkelijke beroepstitel in de taal van de lidstaat van herkomst (artikel 4, lid 1).(24)

47.      In de tweede plaats wordt migrerende advocaten het recht toegekend om juridisch advies te verstrekken en om cliënten te vertegenwoordigen en te verdedigen, indien nodig in samenwerking met een advocaat die bij de geadieerde rechterlijke instantie optreedt (artikel 5). Daartegenover staat dat zij zich moeten inschrijven bij de bevoegde autoriteit in de lidstaat van ontvangst, en dat zij onderworpen zijn aan de beroeps- en gedragsregels van die lidstaat (artikelen 3 en 6).(25)

48.      Voorts harmoniseert artikel 3, lid 2, van richtlijn 98/5 weliswaar de vereisten waaraan moet worden voldaan door advocaten die hun beroepswerkzaamheden wensen te verrichten onder hun oorspronkelijke beroepstitel, maar de richtlijn (i) regelt geen louter interne situaties (overweging 7), (ii) laat de nationale regelgeving betreffende de toegang tot het beroep van advocaat en de uitoefening daarvan onder de beroepstitel van de lidstaat van ontvangst onverlet (overweging 7), en (iii) bepaalt dat advocaten de in die lidstaat geldende beroeps- en gedragsregels moeten eerbiedigen (overweging 8 en artikel 6).(26)

49.      Kortom, richtlijn 98/5 is een hybride richtlijn die betrekking heeft op de vrijheid van vestiging voor migrerende advocaten die werkzaam wensen te zijn onder hun oorspronkelijke beroepstitel, doordat bij die richtlijn bepaalde aspecten worden geharmoniseerd terwijl in andere opzichten de lidstaten een aanzienlijke mate van autonomie wordt gelaten. Het vergemakkelijken van het vrije verkeer wordt afgewogen tegen de noodzaak om ervoor te zorgen dat consumenten worden beschermd en dat migrerende advocaten hun beroepstaken in de lidstaat van ontvangst vervullen met het oog op een goede rechtsbedeling. Dientengevolge kan er intrinsiek sprake zijn van spanning tussen toelating tot de beroepsuitoefening (artikel 3) en de regels met betrekking tot de beroepsuitoefening (artikel 6).

 Prejudiciële vraag

50.      De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of artikel 3 van richtlijn 98/5 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling nationale regels toelaat die verbieden dat monniken onder hun oorspronkelijke beroepstitel als advocaat worden ingeschreven, omdat zij bepaalde voor advocaten noodzakelijke garanties niet bieden.

51.      Monachos Eirinaios en de Commissie stellen dat artikel 3 van richtlijn 98/5 volgens de rechtspraak van het Hof een volledige harmonisatie van de relevante regels heeft bewerkstelligd. De enige voorwaarde waarvan de inschrijving van de betrokkene in de lidstaat van ontvangst afhankelijk mag worden gesteld, is de overlegging van de verklaring van inschrijving bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.(27) Of die persoon vervolgens al dan niet de diverse voor de uitoefening van het beroep van advocaat vereiste garanties biedt, wordt in een latere fase van de procedure gecontroleerd door de betrokken orde van advocaten.

52.      De Commissie voegt hieraan toe dat de vraag of artikel 7, lid 1, van richtlijn 98/5 – dat ziet op tuchtprocedures voor het geval dat de onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzame advocaat niet voldoet aan de in de lidstaat van ontvangst geldende verplichtingen – van toepassing is op Monachos Eirinaios, buiten de werkingssfeer valt van de huidige procedure, die alleen betrekking heeft op zijn recht om zich bij de DSA in te schrijven.

53.      Ter terechtzitting heeft de DSA aangevoerd dat een systematische uitlegging van artikel 3, lid 2, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 98/5 in het licht van de overwegingen van deze richtlijn tot de conclusie zou moeten leiden dat een orde van advocaten mag weigeren een advocaat in te schrijven die zijn beroep wenst uit te oefenen onder zijn oorspronkelijke beroepstitel, indien uit de ingediende documenten blijkt dat er op grond van het nationale recht een beletsel voor inschrijving bestaat.

54.      De Griekse regering betoogt dat artikel 3 van richtlijn 98/5 moet worden gelezen in samenhang met artikel 6 van deze richtlijn. Indien een monnik onder zijn oorspronkelijke beroepstitel bij de DSA zou worden ingeschreven, zou hij overeenkomstig de Griekse beroeps- en gedragsregels onmiddellijk moeten worden geschrapt. Dat zou een onzinnig resultaat zijn. De Griekse regering is van mening dat een monnik niet de onafhankelijkheid bezit die nodig is om het beroep van advocaat uit te oefenen.

55.      De Nederlandse regering is van mening dat artikel 3 van richtlijn 98/5 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale regelgeving die een monnik verbiedt om zich onder zijn oorspronkelijke beroepstitel in te schrijven als advocaat en het beroep van advocaat uit te oefenen. Artikel 6 van de richtlijn gaat niet uitgebreid in op de beroeps- en gedragsregels, zodat deze moeten worden beoordeeld in het licht van andere bepalingen van afgeleid recht, zoals artikel 25, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/123.

 Inschrijving overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 98/5

56.      Artikel 3, lid 2, van richtlijn 98/5 betreft uitsluitend de inschrijving van migrerende advocaten bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst. In het artikellid wordt bepaald dat de autoriteit „[overgaat] tot inschrijving van de advocaat” op vertoon van de relevante verklaring.

57.      Met de bepaling wordt beoogd een einde te maken aan de verschillen tussen de nationale regels inzake de voorwaarden voor inschrijving bij de bevoegde autoriteiten en wordt dus een mechanisme vastgesteld voor de wederzijdse erkenning van beroepstitels van migrerende advocaten (zie punt 43 hierboven). Bij artikel 3, lid 2, van richtlijn 98/5 worden de voorwaarden waaraan voorafgaandelijk moet zijn voldaan om het bij die richtlijn verleende recht van vestiging uit te oefenen, volledig geharmoniseerd. De advocaat die permanent zijn beroep wenst uit te oefenen in een andere lidstaat dan die waar hij zijn beroepskwalificatie heeft verworven, is gehouden zich bij de bevoegde autoriteit van die lidstaat in te schrijven. Deze autoriteit moet tot inschrijving overgaan „op vertoon van de verklaring van inschrijving bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst”.(28)

58.      Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de enige voorwaarde waarvan de inschrijving afhankelijk mag worden gesteld, dat de betrokkene die verklaring overlegt aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst. De lidstaat van ontvangst is dan verplicht de betrokkene in te schrijven, zodat deze aldaar onder zijn oorspronkelijke beroepstitel zijn beroep kan uitoefenen.(29) Deze analyse wordt bevestigd door het voorstel van de Commissie. Volgens de in dit voorstel verstrekte toelichting op artikel 3 volgt namelijk „inschrijving [...] vanrechtswege wanneer de verzoeker het bewijs laat zien van zijn inschrijving bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong” (cursivering van mij). Met de inschrijving staat de migrerende advocaat aan het begin van beroepsuitoefening in de lidstaat van ontvangst.

59.      Het Hof heeft dan ook reeds geoordeeld dat Italiaanse staatsburgers die een universitair rechtendiploma in Spanje hadden behaald en in die lidstaat als advocaat waren ingeschreven, nadat zij eerder een universitair diploma in de rechten in Italië hadden verkregen, op vertoon van een verklaring van hun inschrijving in Spanje moesten worden geacht te voldoen aan alle voorwaarden voor hun inschrijving bij een Italiaanse orde van advocaten.(30)

60.      Het Hof heeft in dezelfde zin in het arrest Wilson geoordeeld dat het in strijd met richtlijn 98/5 is om advocaten die hun beroep onder hun oorspronkelijke beroepstitel uitoefenen, te verplichten deel te nemen aan een hoorzitting opdat de raad van de orde van advocaten kan toetsen of zij de administratieve en gerechtelijke talen van de lidstaat van ontvangst beheersen.(31)

61.      Uit de hierboven aangehaalde rechtspraak volgt dat lidstaten geen beoordelingsvrijheid hebben om aanvullende vereisten voor de inschrijving van migrerende advocaten onder hun oorspronkelijke beroepstitel vast te stellen.

62.      In zekere zin is het antwoord op de vraag van de verwijzende rechter dus eenduidig: artikel 3, lid 2, van richtlijn 98/5 verbiedt de invoering van een aanvullende voorwaarde voor de inschrijving van een advocaat onder zijn oorspronkelijke beroepstitel, zoals de voorwaarde dat de betrokkene geen monnik is.

63.      Wordt deze conclusie ondergraven door de wisselwerking tussen artikel 3 en artikel 6 van richtlijn 98/5 en door het bestaan van nationale regels op grond waarvan advocaten die monnik zijn of worden, onmiddellijk van het tableau van de orde van advocaten worden geschrapt, of op grond waarvan bepaalde verplichtingen worden opgelegd, zoals het vereiste dat de betrokkene een zetel en kantoor heeft in het rechtsgebied van de rechtbank van eerste aanleg waaraan hij als advocaat is toegewezen, of het vereiste dat hij voor zijn diensten een vergoeding ontvangt?

64.      Uit de aan het Hof verstrekte gegevens lijkt te volgen dat de bepaling van nationaal recht die een monnik verbiedt advocaat te worden, opnieuw wordt ingevoerd in de vorm van een verbod op het zijn van monnik en het tegelijk uitoefenen van het beroep van advocaat.(32) Het staat aan de nationale rechter na te gaan of dat volgens een juiste lezing van het nationale recht inderdaad het geval is. Andere nationale regels die door de DSA en de Griekse regering worden aangevoerd, behelzen de verplichtingen dat de betrokkene onafhankelijk is, dat hij zich exclusief aan zijn beroepstaken wijdt, dat hij over zowel een zetel als een kantoor beschikt in het rechtsgebied van de rechtbank van eerste aanleg waaraan hij als advocaat is toegewezen, en dat hij geen diensten verricht om niet. Het argument luidt in wezen dat wie monnik is, de beroeps- en gedragsregels „zal” schenden, zodat hij eerst en vooral niet als advocaat zou mogen worden ingeschreven.

65.      Het is van belang om aan het begin van dit deel van de analyse in herinnering te brengen waar het hier om gaat (en met name waar het niet om gaat). De onderhavige procedure betreft een migrerende advocaat die zich wenst te vestigen en onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzaam wenst te zijn. De procedure ziet niet op het recht van Griekenland of enige andere lidstaat om voorwaarden te stellen waaronder iemand als advocaat kan worden aangemerkt volgens de eigen regels van deze lidstaat en zijn beroep kan uitoefenen volgens de eigen beroepstitel van die lidstaat.

66.      Staat artikel 6 van richtlijn 98/5 een lidstaat toe om iemand die op grond van artikel 3 van deze richtlijn in aanmerking komt voor inschrijving, te verbieden aldaar onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzaam te zijn als advocaat, omdat hij volgens religieuze beginselen leeft en zich dus per definitie niet zodanig kan gedragen dat hij de voor de uitoefening van het beroep van advocaat noodzakelijke garanties biedt?

67.      Ik meen dat hier een analytisch onderscheid moet worden gemaakt tussen aan de ene kant de specifieke regel dat een priester of monnik geen advocaat kan zijn, en aan de andere kant de verschillende door de DSA aangevoerde aparte beroeps- en gedragsregels (bijvoorbeeld de regel dat de betrokkene zich uitsluitend moet wijden aan zijn taken als advocaat of de regel dat hij zowel een zetel moet hebben als kantoor moet houden in het vereiste rechtsgebied).

68.      Ik ben het er niet mee eens dat het correct is om de eerstgenoemde regel te beschouwen als een beroeps- en gedragsregel die op grond van artikel 6 van richtlijn 98/5 tot de bevoegdheid van de lidstaat van ontvangst behoort. Het komt mij voor dat een dergelijke regel op de keper beschouwd een regel is krachtens welke personen met specifieke kenmerken niet mogen worden toegelaten tot de uitoefening van het beroep van advocaat. De onuitgesproken aanname is dat het feit dat persoon X deze kenmerken heeft, onvermijdelijk ertoe leidt dat hij zich op een bepaalde, met de beroepsethiek strijdige wijze zal gedragen zodra hij zijn beroep begint uit te oefenen. Dat is evenwel een aanname, terwijl beroeps- en gedragsregels zijn bedoeld om feitelijk gedrag en niet om verondersteld toekomstig gedrag te reguleren. Indien in het zojuist gegeven voorbeeld „monnik” wordt vervangen door „persoon met rood haar”, wordt al snel duidelijk waarom een dergelijke regel strikt genomen geen beroeps- of gedragsregel is.

69.      Ik voeg daaraan toe dat – voor zover ik kan beoordelen – een dergelijke regel bovendien in de praktijk de getroffen persoon de procedurele garanties van de artikelen 7 en 9 van richtlijn 98/5 zou ontnemen. Indien wordt aangenomen dat een persoon met rood haar (bijvoorbeeld) automatisch de geheimhoudingsplicht tegenover de klant zou schenden en hij daarom op voorhand zou worden bestraft doordat hij van het tableau van de orde van advocaten wordt geschrapt voordat hij überhaupt is begonnen met de uitoefening van zijn beroep, hoe zou dan enige concrete bescherming kunnen worden ontleend aan de zorgvuldige bilaterale procedure van artikel 7 tussen de lidstaat van ontvangst en de lidstaat van herkomst of aan het in artikel 9 bedoelde recht om beroep bij de rechter?

70.      Aangezien artikel 6 van richtlijn 98/5 alleen ziet op beroeps- en gedragsregels, kan een nationale regel waarbij aan een monnik een absoluut verbod wordt opgelegd om het beroep van advocaat uit te oefenen, niet worden toegepast op een migrerende advocaat die op grond van artikel 3 van die richtlijn in aanmerking komt voor inschrijving en die onder zijn oorspronkelijke beroepstitel zijn beroep wenst uit te oefenen.

71.      Hoe zit het dan met de tweede categorie hierboven genoemde regels?

72.      Uit artikel 6, lid 1, van richtlijn 98/5 volgt duidelijk dat de onder zijn oorspronkelijke beroepstitel in een ontvangende lidstaat werkzame advocaat onderworpen is aan dezelfde beroeps‑ en gedragsregels als de onder de beroepstitel van die lidstaat werkzame advocaten.(33) Uit de artikelen 6 en 7 van die richtlijn vloeit dan ook voort dat die advocaat twee groepen beroeps- en gedragsregels moet eerbiedigen: de regels van zijn lidstaat van herkomst en die van de lidstaat van ontvangst. Indien hij dat nalaat, zal hij tuchtrechtelijke sancties oplopen en kan zijn beroepsaansprakelijkheid in het geding zijn.(34)

73.      Het komt mij evenwel voor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst niet het recht hebben om a priori aan te nemen dat het feit dat de betrokkene volgens de religieuze beginselen leeft (of bijvoorbeeld een atheïst of lid van een bepaalde politieke of filosofische groepering is), ertoe leidt dat hij (of zij) zich automatisch en noodzakelijkerwijs gedraagt op een manier die in strijd is met de tuchtrechtelijke regels voor advocaten in die lidstaat. Die autoriteiten moeten veeleer afwachten hoe de betrokkene zich feitelijk gedraagt in de praktijk. Dat is ten slotte wat beroeps- en gedragsregels beogen te reguleren.

74.      In het arrest Jakubowska heeft het Hof geoordeeld dat beroeps- en gedragsregels, anders dan de voorafgaande voorwaarden voor inschrijving, niet zijn geharmoniseerd, zodat zij aanzienlijk kunnen verschillen van de regels die gelden in de lidstaat van herkomst. Niet-naleving van die regels kan leiden tot schrapping van de inschrijving in de lidstaat van ontvangst.(35) Het Hof heeft in die zaak eveneens beklemtoond dat de afwezigheid van belangenconflicten voor de uitoefening van het beroep van advocaat cruciaal is en met name vereist dat de advocaat een onafhankelijke positie inneemt jegens overheidsorganen en andere marktdeelnemers, door wie hij zich nooit mag laten beïnvloeden. Dat specifieke beroeps- en gedragsregels strikt zijn, vormt op zichzelf dus geen probleem. Afgezien van het feit dat de regels zonder onderscheid moeten worden toegepast op alle in de betrokken lidstaat ingeschreven advocaten, mogen zij niet verder gaan dan wat noodzakelijk is om belangenconflicten te voorkomen.(36)

75.      Bij het verrichten van de noodzakelijke beoordeling moet eerst worden vastgesteld welke doelstellingen de nationale wetgever nastreeft.(37) Volgens de verwijzende rechter is de reden waarom het monniken verboden is als advocaat werkzaam te zijn, dat het algemeen belang vereist dat een advocaat zich uitsluitend wijdt aan zijn taken, naast het feit dat de werkzaamheden van een advocaat de behandeling van geschillen impliceren, hetgeen zich niet verdraagt met de hoedanigheid van geestelijke. De verwijzende rechter vermeldt ook het vereiste van professionele onafhankelijkheid en de vrijheid om zaken te behandelen. Specifieke aanvullende beroeps- en gedragsregels die worden aangevoerd en waaraan een monnik, zoals gezegd, niet kan voldoen, zijn de verplichting om een zetel en een kantoor te hebben in het rechtsgebied van de rechtbank van eerste aanleg waaraan de betrokkene is toegewezen als advocaat en het verbod om diensten te verrichten om niet.

76.      Volgens mij wordt in die redenering een combinatie gemaakt van wat wel degelijk correct kan worden omschreven als „doelstellingen” (en daarbij lovenswaardige doelstellingen) – waarmee een goede rechtsbedeling wordt beschermd en wordt gewaarborgd dat de cliënt toegang heeft tot onpartijdig advies en adequate professionele vertegenwoordiging – en de terugkerende aanname dat iemand die volgens religieuze beginselen leeft, „kennelijk” niet in staat is om zich te gedragen op een wijze die verenigbaar is met die doelstellingen. Die aanname kan ten aanzien van de specifieke feiten van het professionele gedrag van een specifieke advocaat inderdaad juist zijn. Zij kan evenwel net zo goed verkeerd zijn. Dat kan het best worden verduidelijkt aan de hand van twee (denkbeeldige) voorbeelden.

77.      Monnik X vat de uitoefening van het beroep van advocaat op als een ondergeschikte, bijkomende intellectuele activiteit die zijn religieuze leven aanvult. Regelmatig weigert hij voor „slechte” mensen zaken te behandelen. Zijn juridisch advies kleedt hij altijd zodanig in dat het in alle opzichten overeenstemt met hetgeen zijn cliënt volgens hem moreel gesproken moet doen om de kerkelijke leer te respecteren en hij is niet op regelmatige basis beschikbaar in het rechtsgebied waaraan hij als advocaat is toegewezen. Het gedrag dat hij in de praktijk vertoont, schendt onmiskenbaar de gedetailleerde beroeps- en gedragsregels in de lidstaat van ontvangst en ondergraaft de doelstellingen van algemeen belang die met deze regels worden nagestreefd. Het is duidelijk dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst tegen monnik X een tuchtprocedure kunnen (en inderdaad moeten) instellen. Gelet op de feiten die ik heb geschetst, zal deze procedure ertoe leiden dat hij wordt geschrapt van het tableau in de lidstaat van ontvangst. (Ik voeg daaraan toe dat hij wellicht ook volgens de tuchtregels van zijn lidstaat van herkomst in de problemen komt.) Dit alles zal echter geschieden met inachtneming van het recht op een eerlijk proces en monnik X zal de mogelijkheid hebben zich tot een rechterlijke instantie te wenden om op te komen tegen het besluit waarbij hij wordt geroyeerd.

78.      Monnik Y bespreekt met zijn religieuze superieuren de professionele vereisten waaraan hij zal moeten voldoen als hij het beroep van advocaat gaat uitoefenen. Samen onderzoeken zij punt voor punt de toepasselijke regels. Hij krijgt de dispensatie die nodig is om een geschikte zetel en kantoor te kunnen hebben in het rechtsgebied waaraan hij is toegewezen als advocaat. Afgesproken wordt dat hij voor zijn diensten normale tarieven in rekening zal brengen en dat hij deze zal afstaan aan een vooraf vastgesteld goed doel. Hij wordt ontheven van formele aanwezigheid tijdens het gemeenschappelijke gebed tijdens werkdagen, zodat hij zich uitsluitend aan zijn taken als advocaat kan wijden. Zijn religieuze superieuren spreken af dat zij zijn professionele onafhankelijkheid zullen respecteren. In deze omstandigheden gaat monnik Y als advocaat aan de slag en zijn gedrag als advocaat is onberispelijk. Gelet op de feiten die ik heb geschetst, zou het objectief gesproken onmiskenbaar niet gerechtvaardigd zijn om een tuchtprocedure tegen hem in te stellen, laat staan om hem te royeren. Ook al is hij monnik, hij leeft de relevante beroeps- en gedragsregels na.

79.      Ik heb met opzet denkbeeldige voorbeelden gegeven. Het behoort niet tot de taken van het Hof om te voorspellen wat er zal gebeuren indien of wanneer Monachos Eirinaios als advocaat aan de slag gaat. De enige gevolgtrekking die ik hier kan maken – en, met alle respect, het enige aspect van het verhaal waarover het Hof zich bij de beantwoording van de prejudiciële vraag dient uit te spreken – is dat artikel 6 van richtlijn 98/5 eraan in de weg staat dat een lidstaat iemand die op grond van artikel 3 van die richtlijn in aanmerking komt voor inschrijving, verbiedt aldaar onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzaam te zijn als advocaat, omdat hij volgens religieuze beginselen leeft en zich dus per definitie niet zodanig kan gedragen dat hij de voor de uitoefening van het beroep van advocaat noodzakelijke garanties biedt.

 Conclusie

80.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Symvoulio tis Epikrateias te beantwoorden als volgt:

„Artikel 3, lid 2, van richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven, dient aldus te worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de toepassing van een nationale regel die verbiedt dat een persoon onder zijn oorspronkelijke beroepstitel wordt ingeschreven als advocaat, omdat hij monnik is. Artikel 6 van richtlijn 98/5 staat eraan in de weg dat een lidstaat iemand die op grond van artikel 3 van deze richtlijn in aanmerking komt voor inschrijving, automatisch verbiedt aldaar onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzaam te zijn als advocaat, omdat hij volgens religieuze beginselen leeft en zich dus per definitie niet zodanig kan gedragen dat hij de voor de uitoefening van het beroep van advocaat noodzakelijke garanties biedt.”


1      Oorspronkelijke taal: Engels.


2      „Οὐδεὶς δύναται δυσὶ κυρίοις δουλεύειν· ἢ γὰρ τòν ἕνα μισήσει καὶ τòν ἕτερον ἀγαπήσει, ἢ ἑνòς ἀνθέξεται καὶ τοῦ ἑτέρου καταφρονήσει. Οὐ δύνασθε Θεῷ δουλεύειν καὶ μαμωνᾷ”, Matteüs, 6:24.


3      Lucas, 10:25‑37.


4      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven (PB 1998, L 77, blz. 36), laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2013/25/EU van de Raad van 13 mei 2013 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië (PB 2013, L 158, blz. 368).


5      De standaardvertaling van „Monachos Eirinaios” in het Engels, de oorspronkelijke taal van deze conclusie, zou „Brother Eirinaios” („Broeder Eirinaios”) zijn. Ik zal hier echter de term „Monachos” (monnik) behouden om de uiteenlopende opvattingen en connotaties die bij de verschillende taalversies horen, te vermijden.


6      Richtlijn van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16), ingetrokken bij richtlijn 2005/36 van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB 2005, L 255, blz. 22).


7      Artikel 5.


8      Artikel 7, lid 1, onder a) respectievelijk onder c).


9      Artikel 7, lid 2.


10      De verwijzende rechter beschrijft Monachos Eirinaios als monnik van het Heilige Klooster van Petras, dat zich bevindt in Karditsa. Ter terechtzitting hebben de raadslieden van Monachos Eirinaios evenwel erop gewezen dat hij thans op het eiland Zakynthos woont.


11      Verwijzende rechter (voltallige zitting), arrest nr. 2368/1988.


12      Verwijzende rechter, arrest nr. 1090/1989.


13      Richtlijn van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten (PB 1977, L 78, blz. 17), laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2013/25/EU van de Raad van 13 mei 2013 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië (PB 2013, L 158, blz. 368).


14      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376, blz. 36), overweging 33 en artikel 1, lid 1.


15      Tweede overweging en artikel 1 van richtlijn 77/249.


16      Zie artikel 1, lid 4, van richtlijn 98/5. Zie in die zin ook het arrest van 2 december 2010, Jakubowska, C‑225/09, EU:C:2010:729.


17      Overweging 42 van richtlijn 2005/36. In het arrest van 3 februari 2011, Ebert, C‑369/09, EU:C:2011:44 (een zaak met betrekking tot richtlijn 89/48, die werd ingetrokken bij richtlijn 2005/36, en tot richtlijn 98/5), heeft het Hof geoordeeld dat deze twee richtlijnen elkaar aanvullen, in die zin dat zij voor de advocaten uit de lidstaten voorzien in twee manieren van toegang tot het beroep van advocaat in een ontvangende lidstaat onder de beroepstitel van die lidstaat: zie punten 27‑35.


18      Overweging 33 en artikel 1, lid 1, van richtlijn 2006/123.


19      Overwegingen 1 en 5 en artikel 1, lid 1, van richtlijn 98/5. Zie ook het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan in die waar de beroepskwalificatie is verworven, COM(94) 572 def. (hierna: „voorstel van de Commissie”), punt 1.3.


20      Overwegingen 1, 5 en 6.


21      Overweging 6 van richtlijn 98/5 en arrest van 17 juli 2014, Torresi, C‑58/13 en C‑59/13, EU:C:2014:2088, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


22      Zie in die zin arrest van 17 juli 2014, Torresi, C‑58/13 en C‑59/13, EU:C:2014:2088, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


23      Arrest van 17 juli 2014, Torresi, C‑58/13 en C‑59/13, EU:C:2014:2088, punt 56.


24      Overweging 9. Zie in die zin arrest van 7 november 2000, Luxemburg/Parlement en Raad, C‑168/98, EU:C:2000:598. In punt 43 van dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat „[d]e gemeenschapswetgever [...], om de uitoefening van de fundamentele vrijheid van vestiging voor een bepaalde groep migrerende advocaten te vergemakkelijken, aan een regeling die informatie van de consument combineert met beperkingen met betrekking tot de draagwijdte en de modaliteiten van de uitoefening van bepaalde beroepswerkzaamheden, cumulatie van de te respecteren beroeps- en gedragsregels, een verzekeringsverplichting en een tuchtregeling waarbij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong samenwerkt met die van de lidstaat van ontvangst, de voorkeur [heeft] gegeven boven een systeem van voorafgaand toezicht op een kwalificatie in het nationale recht van de lidstaat van ontvangst”, en dat „[h]ij [...] de verplichting om het nationale recht te kennen dat toepasselijk is in de door de betrokken advocaat behandelde dossiers, niet [heeft] geschrapt, maar [...] de advocaat enkel [heeft] vrijgesteld van de verplichting, het bezit van deze kennis vooraf te bewijzen”. Ik voeg hieraan toe dat de in Griekenland verworven beroepstitel van advocaat hetzelfde luidt als de op Cyprus verworven beroepstitel van advocaat („Δικηγόρος”), zodat de DSA volgens mij van Monachos Eirinaios zou mogen verlangen dat hij aangeeft dat hij zijn beroepstitel niet in Griekenland heeft verworven, bijvoorbeeld door aan deze titel „Κύπρος” toe te voegen. Zie punten 8 en 9 hierboven.


25      Zie voorstel van de Commissie, punt 2.


26      Zie ook punt 3.3 van het voorstel van de Commissie, waarin wordt benadrukt dat het voorstel zich beperkt tot de vaststelling van minimumvereisten waaraan migrerende advocaten moeten voldoen. Voor het overige wordt in het voorstel verwezen naar met name de beroeps- en gedragsregels die in de lidstaat van ontvangst gelden voor advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van die staat.


27      Arrest van 19 september 2006, Wilson, C‑506/04, EU:C:2006:587, punten 66 en 67.


28      Arrest van 17 juli 2014, Torresi, C‑58/13 en C‑59/13, EU:C:2014:2088, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


29      Arrest van 17 juli 2014, Torresi, C‑58/13 en C‑59/13, EU:C:2014:2088, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


30      Arrest van 17 juli 2014, Torresi, C‑58/13 en C‑59/13, EU:C:2014:2088, punten 9 en 40.


31      Arrest van 19 september 2006, Wilson, C‑506/04, EU:C:2006:587, punt 77. Zie ook arrest van 19 september 2006, Commissie/Luxemburg, C‑193/05, EU:C:2006:588, punt 40.


32      Artikel 7, lid 1, onder a), van de advocatenwet. Zie punt 22 hierboven.


33      Arrest van 3 februari 2011, Ebert, C‑359/09, EU:C:2011:44, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


34      Arrest van 19 september 2006, Wilson, C‑506/04, EU:C:2006:587, punt 74.


35      Arrest van 2 december 2010, Jakubowska, C‑225/09, EU:C:2010:729, punt 57.


36      Arrest van 2 december 2010, Jakubowska, C‑225/09, EU:C:2010:729, punten 59‑62.


37      Zie in die zin, en alleen naar analogie, arrest van 21 oktober 1999, Zenatti, C‑67/98, EU:C:1999:514, punten 26 en 30.