Language of document : ECLI:EU:C:2018:1041

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

H. SAUGMANDSGAARD ØE

van 19 december 2018 (1)

Zaak C681/17

slewo // schlafen leben wohnen GmbH

tegen

Sascha Ledowski

[verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 2011/83/EU – Artikel 6, lid 1, onder k), en artikel 16, onder e) – Op afstand gesloten overeenkomst – Herroepingsrecht – Uitzonderingen – Verzegelde goederen die om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne niet geschikt zijn om te worden teruggezonden – Eventuele toepasselijkheid op een matras waarvan de bescherming na levering is verwijderd – Voorwaarden waaronder een goed als verzegeld wordt beschouwd – Omvang van de informatieplicht aan de consument over het verlies van zijn herroepingsrecht”






I.      Inleiding

1.        Het verzoek om een prejudiciële beslissing van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, onder k), en artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83/EU(2), die betrekking hebben op de beperking van het herroepingsrecht dat een consument in beginsel heeft bij het sluiten van een overeenkomst op afstand.

2.        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding betreffende de uitoefening van het herroepingsrecht door een consument die via een website een matras had gekocht en deze wilde terugzenden na verwijdering van de beschermfolie waarvan de matras bij levering was voorzien.

3.        Het Hof wordt verzocht te verduidelijken of artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat de uitzondering op het in deze bepaling bedoelde herroepingsrecht met betrekking tot „verzegelde goederen die niet geschikt zijn om te worden teruggezonden om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne” ook goederen (zoals matrassen) omvat die bij gebruik weliswaar rechtstreeks met het menselijk lichaam in aanraking kunnen komen, maar die door gepaste reiniging opnieuw geschikt kunnen worden gemaakt voor de verkoop. Ik ben van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.

4.        Voor het geval dat het Hof oordeelt dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, moet vervolgens worden vastgesteld in welke omstandigheden de verpakking van dit soort goederen kan worden beschouwd als een verzegeling waarvan verbreking tot gevolg heeft dat het herroepingsrecht komt te vervallen, in de zin van artikel 16, onder e).

5.        Het Hof moet zich dan bovendien uitspreken over de wijze waarop de handelaar de consument moet informeren over de omstandigheden waarin hij zijn herroepingsrecht verliest, gelet op artikel 6, lid 1, onder k), van deze richtlijn.

II.    Toepasselijke bepalingen

6.        De overwegingen 34, 37, 47 en 49 van richtlijn 2011/83 luiden als volgt:

„(34)      De handelaar moet de consument duidelijke en begrijpelijke informatie geven vóór de consument wordt gebonden door een overeenkomst op afstand [...].

[...]

(37)      Aangezien de consument bij verkoop op afstand de goederen niet kan zien voordat hij de overeenkomst sluit, dient hij een herroepingsrecht te hebben. Om diezelfde reden moet de consument de goederen die hij gekocht heeft kunnen testen en inspecteren, voor zover dit noodzakelijk is om de aard, de kenmerken en de werking van de goederen na te gaan. [...]

[...]

(47)      Sommige consumenten maken gebruik van hun herroepingsrecht nadat zij de goederen meer dan noodzakelijk gebruikt hebben om de aard, de kenmerken en de werking ervan vast te stellen. In dat geval dient de consument zijn herroepingsrecht niet te verliezen, maar aansprakelijk te zijn voor het waardeverlies van de goederen. Het uitgangspunt dient te zijn dat de consument, om de aard, de kenmerken en de werking van de goederen te controleren, deze slechts op dezelfde manier mag hanteren en inspecteren als hij dat in een winkel zou mogen doen. De consument mag dus bijvoorbeeld wel proberen of een kledingstuk past, maar hij mag het niet langere tijd dragen. De consument dient de goederen tijdens de herroepingstermijn dus met gepaste zorg te hanteren en te inspecteren. De verplichtingen van de consument bij herroeping mogen de consument niet ontmoedigen zijn herroepingsrecht uit te oefenen.

[...]

(49)      Bepaalde uitzonderingen op het herroepingsrecht moeten mogelijk zijn, zowel voor op afstand als voor buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten. Het is mogelijk dat een herroepingsrecht, bijvoorbeeld gezien de aard van de betrokken goederen of diensten, niet op zijn plaats is. [...]”

7.        Artikel 6, met als opschrift „Informatievoorschriften voor overeenkomsten op afstand en buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten”, bepaalt in lid 1, onder k), ervan: „Voordat de consument door een overeenkomst op afstand [...] is gebonden, verstrekt de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze de volgende informatie: indien er niet voorzien is in een herroepingsrecht overeenkomstig artikel 16, de informatie dat de consument geen herroepingsrecht heeft of, voor zover van toepassing, de omstandigheden waarin de consument zijn herroepingsrecht verliest”.

8.        Artikel 9 van die richtlijn, met als opschrift „Herroepingsrecht”, bepaalt in lid 1 ervan: „Behoudens wanneer de in artikel 16 bepaalde uitzonderingen van toepassing zijn, beschikt de consument over een termijn van 14 dagen om de overeenkomst op afstand [...] zonder opgave van redenen te herroepen, en zonder andere kosten te moeten dragen dan die welke in artikel 13, lid 2, en artikel 14 zijn vastgesteld.”

9.        Artikel 16 van die richtlijn, met als opschrift „Uitzonderingen op het herroepingsrecht”, bepaalt onder e): „De lidstaten voorzien niet in het in de artikelen 9 tot en met 15 bedoelde herroepingsrecht voor overeenkomsten op afstand [...] betreffende [...] de levering van verzegelde goederen die niet geschikt zijn om te worden teruggezonden om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne en waarvan de verzegeling na de levering is verbroken”.

III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof

10.      Verzoekster in het hoofdgeding, slewo // schlafen leben wohnen GmbH (hierna: „slewo”), is een online handelaar die onder meer matrassen verkoopt.

11.      Op 25 november 2014 heeft Sascha Ledowski een matras voor privédoeleinden besteld op de website van slewo. De algemene verkoopvoorwaarden op de ontvangen factuur bevatten „informatie over het recht van herroeping door de consument”, waarin staat te lezen: „Wij zullen de kosten voor het terugzenden van de goederen voor onze rekening nemen. [...] Uw herroepingsrecht vervalt voortijdig in de volgende gevallen: bij overeenkomsten over de levering van verzegelde goederen die om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne niet geschikt zijn om te worden teruggezonden, wanneer hun verzegeling na de levering werd verwijderd.” De matras was bij levering voorzien van een beschermfolie die Ledowski achteraf verwijderde.

12.      Op 9 december 2014 heeft Ledowski slewo per e‑mail laten weten dat hij de matras in kwestie wilde terugzenden en heeft hij het bedrijf verzocht het vervoer ervan te regelen. Aangezien zijn verzoek niet werd ingewilligd, heeft hij de transportkosten op zich genomen.

13.      Ledowski heeft een rechtsvordering ingesteld tot teruggaaf van de aankoopprijs en transportkosten, in totaal 1 190,11 EUR, vermeerderd met rente, alsook tot vrijwaring voor precontentieuze advocatenhonoraria.

14.      Bij vonnis van 26 november 2015 heeft het Amtsgericht Mainz (rechter in eerste aanleg Mainz, Duitsland) deze vordering toegewezen. Dit vonnis is op 10 augustus 2016 in hoger beroep bevestigd door het Landgericht Mainz (rechter in tweede aanleg Mainz, Duitsland)(3), op grond dat een matras geen artikel voor persoonlijke hygiëne is(4) en dat bijgevolg ook na het verwijderen van de beschermfolie herroeping door de consument mogelijk was.

15.      Volgens het Bundesgerichtshof, waarbij slewo beroep in Revision had ingesteld, was de uitspraak in het hoofdgeding afhankelijk van de uitlegging van artikel 6, lid 1, onder k), en artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83. Bij beslissing van 15 november 2017, ingekomen bij het Hof op 6 december 2017, heeft deze rechter derhalve de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Moet artikel 16, onder e), van [...] richtlijn [2011/83] aldus worden uitgelegd dat de aldaar bedoelde goederen die om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne niet geschikt zijn om te worden teruggezonden, ook goederen (zoals matrassen) omvatten die weliswaar bij normaal gebruik rechtstreeks met het menselijk lichaam in aanraking kunnen komen maar die de handelaar door gepaste (reinigings)maatregelen opnieuw geschikt kan maken voor de verkoop?

2)      Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag:

a)      Aan welke voorwaarden moet een verpakking van een goed voldoen om te kunnen spreken van een verzegeling in de zin van artikel 16, onder e), van [...] richtlijn [2011/83]?

en

b)      Moet de informatie die de handelaar krachtens artikel 6, lid 1, onder k), van [...] richtlijn [2011/83] vóór de inwerkingtreding van de overeenkomst dient te verstrekken, derwijze worden verstrekt dat de consument onder concrete verwijzing naar het voorwerp van de koop (hier: een matras) en de verzegeling ervan erop geattendeerd wordt dat hij bij verwijdering van de verzegeling het herroepingsrecht verliest?”

16.      Schriftelijke opmerkingen zijn bij het Hof ingediend door slewo, Ledowski, de Belgische en de Italiaanse regering, alsmede door de Europese Commissie. Er is geen pleitzitting gehouden.

IV.    Beoordeling

17.      Ik wijs er meteen al op dat de tweede prejudiciële vraag, die uit twee onderdelen bestaat, enkel wordt gesteld voor het geval dat het Hof de eerste prejudiciële vraag bevestigend beantwoordt. Aangezien deze eerste vraag mijns inziens ontkennend dient te worden beantwoord, hoeft het Hof zich volgens mij niet uit te spreken over de tweede vraag. Volledigheidshalve en gelet op het feit dat de in de tweede vraag opgeworpen problematiek volkomen nieuw is, zal ik evenwel ook hierop ingaan.

A.      Begrip goederen „die niet geschikt zijn om te worden teruggezonden om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne” in de zin van artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83 (eerste vraag)

18.      Alvorens te beginnen met de beoordeling van de eerste prejudiciële vraag, acht ik het zinvol om enkele essentiële aspecten te benadrukken die betrekking hebben op het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel.

19.      In de eerste plaats merk ik op dat dit verzoek betrekking heeft op een zeer specifiek domein van consumentenbescherming, vanuit zowel juridisch als praktisch oogpunt, namelijk overeenkomsten op afstand, waarvoor bijzondere bepalingen zijn opgenomen in richtlijn 2011/83(5), ook al gelden voor deze overeenkomsten ook de in de richtlijn opgenomen algemene regels.

20.      Zo is in artikel 9 bepaald dat consumenten bij dergelijke overeenkomsten in beginsel over een herroepingsrecht beschikken(6), inclusief het recht op volledige terugbetaling, behalve bij oneigenlijk gebruik van het goed. Dit recht wordt gerechtvaardigd door de bijzondere problemen waarmee iedere koper te maken heeft wanneer hij een artikel op afstand koopt. Zoals in de overwegingen 37 en 47 van deze richtlijn wordt aangegeven, kan de consument goederen waarin hij is geïnteresseerd immers vóór het bestellen en ontvangen ervan niet zien en testen, en om die reden mag hij gedurende een bepaalde termijn nadenken en kan hij de aankoop na inspectie van het geleverde goed herroepen, ook al worden verkopers eveneens beschermd tegen mogelijk misbruik van dit recht.(7) Overeenkomstig deze overwegingen kunnen consumenten de gekochte goederen testen en inspecteren, maar enkel voor zover dit noodzakelijk is om de aard, de kenmerken en de werking van deze goederen na te gaan.(8)

21.      In artikel 16 van die richtlijn zijn echter welomschreven uitzonderingen op het herroepingsrecht vastgelegd, waarbij onder e), de levering is uitgesloten van „verzegelde goederen die niet geschikt zijn om te worden teruggezonden om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne”(9) wanneer „de verzegeling na de levering is verbroken”. Reeds in dit stadium geef ik aan dat het mij onmiskenbaar lijkt dat het weliswaar om afzonderlijke begrippen gaat, maar dat zij nauw met elkaar zijn verweven en cumulatieve voorwaarden vormen voor de toepassing van deze bepaling. Krachtens artikel 6, lid 1, onder k), van deze richtlijn moeten handelaren informatie aan de consument verstrekken voordat de overeenkomst op afstand wordt gesloten, met name over de uitzondering op het herroepingsrecht als bedoeld in artikel 16, onder e).

22.      In de tweede plaats breng ik een aantal uitleggingsbeginselen van het Unierecht in herinnering, die van toepassing zijn op alle vragen van de verwijzende rechter.

23.      Ten eerste blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat voor uitlegging van Unierechtelijke bepalingen die niet naar het recht van de lidstaten verwijzen, zoals het geval is met de bepalingen in de onderhavige zaak, niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van de betrokken bepalingen, maar ook met hun context en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaken.(10)

24.      Ten tweede moet meer in het bijzonder wat betreft de Unierechtelijke bepalingen waarmee overeenkomstig artikel 169 VWEU wordt beoogd bij te dragen aan de goede werking van de interne markt door de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming, zoals de bepalingen in kwestie(11), de voorkeur worden gegeven aan een uitlegging waarmee de verwezenlijking van deze doelstelling zo min mogelijk(12) in het gedrang komt(13) en rekening worden gehouden met de zwakkere positie waarin de consument wordt geacht zich te bevinden ten opzichte van een handelaar.(14)

25.      Ten slotte blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat Unierechtelijke bepalingen die een afwijking vormen, en met name bepalingen waarin met het oog op bescherming verleende rechten worden beperkt, niet kunnen leiden tot een uitlegging die verder reikt dan de in het betrokken instrument uitdrukkelijk overwogen hypothesen(15), waarbij deze enge uitlegging evenwel niet mag afdoen aan de nuttige werking van de aldus vastgestelde beperking en de doelstelling ervan niet mag miskennen.(16) In navolging van de verwijzende rechter ben ik van mening dat een dergelijke enge uitlegging vereist is van de bepalingen van richtlijn 2011/83 waarop het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft, aangezien zij een uitzondering vormen op de algemene regel volgens welke de consument in beginsel moet beschikken over een herroepingsrecht wanneer hij overeenkomsten op afstand sluit. Ik merk op dat deze benadering ook is gekozen in de leidraad betreffende genoemde richtlijn die door het directoraat-generaal Justitie van de Commissie is gepubliceerd.(17)

26.      Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing dient in het licht van al deze overwegingen te worden bezien.

27.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip goederen „die niet geschikt zijn om te worden teruggezonden om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne” in artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling goederen omvat, zoals matrassen, die bij normaal gebruik rechtstreeks met het menselijk lichaam in aanraking kunnen komen, maar die de handelaar door gepaste reinigingsmaatregelen opnieuw geschikt kan maken voor de verkoop.

28.      Hierover worden kennelijk twee tegenovergestelde opvattingen verdedigd. Volgens de eerste opvatting, die wordt voorgestaan door slewo en de Belgische regering, heeft de consument in de in deze vraag bedoelde omstandigheden geen herroepingsrecht. Volgens de tweede opvatting, die wordt verdedigd door de verwijzende rechter, Ledowski, de Italiaanse regering en de Commissie, verliest de consument zijn herroepingsrecht in een dergelijk geval niet. Ik deel laatstgenoemd standpunt om de volgende redenen.

29.      Om te beginnen zijn in de bij het Hof ingediende opmerkingen weliswaar twijfels opgeworpen, maar de controverse over de vraag of matrassen daadwerkelijk goederen zijn „die bij normaal gebruik rechtstreeks met het menselijk lichaam in aanraking kunnen komen”, zoals in de vraag wordt aangegeven, moet mijns inziens meteen terzijde worden geschoven. Een dergelijke kwalificatie staat niet ter discussie wanneer het gaat om het passen van kleding, een soort goed dat in overweging 47 van deze richtlijn als voorbeeld wordt genoemd. In normale gebruiksomstandigheden wordt een matras weliswaar ten minste bedekt met een hoeslaken, maar er kan niet worden uitgesloten dat een consument de matras kort uitprobeert, na hem uit de verpakking te hebben gehaald waarin hij is geleverd, door erop te gaan liggen zonder hoeslaken. Aangezien de verwijzende rechter hiervan overigens uitgaat, is het volgens mij niet aan het Hof om dat in twijfel te trekken. Het gaat immers om een feitelijke beoordeling.(18)

30.      Bovendien blijkt uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag dat, afgezien van het bijzondere geval van matrassen, zoals aan de orde in het hoofdgeding, het Hof wordt gevraagd of de consument het herroepingsrecht kan worden ontzegd ingeval de verzegeling van een goed dat rechtstreeks in contact kan komen met het lichaam(19) na levering is verwijderd, en dit goed derhalve wordt geacht te zijn gebruikt, ook wanneer de verkoper het goed met gepaste reinigingsmaatregelen opnieuw geschikt kan maken voor de verkoop zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid of de hygiëne.(20)

31.      De verwijzende rechter verwijst naar het standpunt – in de zin van een bevestigend antwoord – dat in een deel van de Duitse rechtsleer wordt ingenomen(21) en merkt op dat de bewoordingen „die niet geschikt zijn om te worden teruggezonden” mogelijk aangeven dat de staat van het goed na verwijdering van de verzegeling door de consument de beslissende factor vormt, en niet de vraag of de handelaar het goed daarna met behulp van reinigingsmaatregelen weer verkoopbaar kan maken. In dezelfde zin betoogt de Belgische regering dat het al dan niet kunnen reinigen van de goederen als bedoeld in artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83 een criterium vormt dat niet voorkomt in deze bepaling, die eng moet worden uitgelegd aangezien zij een uitzondering bevat.

32.      Niettemin ben ik van oordeel dat deze bepaling bij gebreke van precieze aanwijzingen in de tekst van richtlijn 2011/83 of de ontstaansgeschiedenis ervan(22) weliswaar eng, maar volgens de doelstelling van de wetgever moet worden uitgelegd(23), namelijk het bieden van een hoog niveau van bescherming aan de consument die een overeenkomst op afstand heeft gesloten, door hem in beginsel de mogelijkheid te bieden goederen die hij vóór aankoop niet heeft gezien, uit te proberen en deze terug te zenden bij ontevredenheid na het uitproberen ervan. Mijns inziens moet derhalve de voorkeur worden gegeven aan een uitlegging waarbij de werkingssfeer van de uitzonderingen op het herroepingsrecht wordt beperkt, namelijk een uitlegging volgens welke een consument een goed moet kunnen terugzenden dat opnieuw kan worden verkocht na een reiniging die niet buitensporig belastend is voor de handelaar(24), en niet aan de tegenovergestelde uitlegging, die de mogelijkheden van herroeping door de consument beperkt.

33.      Derhalve deel ik de mening van de verwijzende rechter dat het herroepingsrecht pas op grond van dit artikel 16, onder e), moet worden uitgesloten indien een goed, nadat de verzegeling is verwijderd, definitief niet meer kan worden verkocht, om echte redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne, omdat de handelaar vanwege de aard van het betrokken goed geen maatregelen kan treffen waarmee hij het opnieuw te koop kan aanbieden zonder af te doen aan een van beide eisen.(25)

34.      In het onderhavige geval is deze rechter mijns inziens terecht van mening dat de verkoopbaarheid van een door de consument teruggezonden matras waarvan de verzegeling is verwijderd, en die dus mogelijk is gebruikt, geenszins definitief teloorgaat, zoals blijkt uit het gebruik van hotelbedden door opeenvolgende gasten, de bestaande markt voor tweedehands matrassen en de mogelijkheid om gebruikte matrassen te reinigen. Op die grond kan een matras volgens mij worden gelijkgesteld met kleding, waarvan terugzending naar de handelaar uitdrukkelijk is voorzien door de wetgever(26), zelfs nadat de kleding eventueel is gepast, waarbij rechtstreeks contact is ontstaan met het lichaam, omdat kan worden aangenomen dat dergelijke goederen kunnen worden gewassen en vervolgens opnieuw kunnen worden verkocht zonder gevaar voor de gezondheid of de hygiëne.

35.      Ik preciseer dat, indien een goed tijdens het testen door de consument op welke manier dan ook meer dan noodzakelijk is gebruikt, de „waardevermindering” van het betrokken goed kan worden opgevangen doordat de consument hiervoor aansprakelijk kan worden gesteld, zoals aangegeven in overweging 47 en voorzien in artikel 14, lid 2, van die richtlijn.(27) Laatstgenoemde bepaling, op grond waarvan de consument de overeenkomst kan herroepen en een goed kan terugzenden, ook wanneer hij het in slechtere staat heeft gebracht – waarvoor hij in voorkomend geval een vergoeding is verschuldigd aan de handelaar –, bevestigt volgens mij het standpunt dat artikel 16, onder e), enkel betrekking heeft op gevallen waarin een goed volstrekt niet opnieuw kan worden verkocht zonder een reëel gevaar voor de gezondheid of de hygiëne.

36.      Voorts kan de teleologische en systemische uitlegging die ik voorsta, niet afdoen aan de nuttige werking van de in artikel 16, onder e), neergelegde uitzondering(28), aangezien goederen waarvan de verzegeling is verwijderd en die na een normale test door de consument de gezondheid of hygiëne onherstelbaar kunnen aantasten, van wederverkoop uitgesloten blijven overeenkomstig het doel van deze bepaling.

37.      De voorgaande analyse kan mijns inziens niet worden ondermijnd door het feit dat matrassen, zoals de verwijzende rechter opmerkt, in voornoemde leidraad(29) worden genoemd als voorbeelden van goederen die mogelijk niet kunnen worden teruggezonden om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne(30) in de zin van artikel 16, onder e), en dus mogelijk zijn uitgesloten van het herroepingsrecht indien de verzegeling na levering is verwijderd. Ik merk op dat deze vermelding geenszins wordt toegelicht ter staving van een dergelijke benadering. De leidraad kan weliswaar een nuttige verduidelijking vormen voor de strekking van genoemde richtlijn, maar is niet bindend wat de uitlegging ervan betreft, zoals uitdrukkelijk wordt aangegeven in de preambule.(31) Tot slot merk ik op dat de Commissie in de onderhavige zaak overigens zelf het tegenovergestelde standpunt verdedigt.

38.      Derhalve ben ik van mening dat artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat het aldaar vermelde begrip „verzegelde goederen die niet geschikt zijn om te worden teruggezonden om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne” geen goederen – zoals matrassen – omvat die bij normaal gebruik weliswaar rechtstreeks met het menselijk lichaam in aanraking kunnen komen maar die de handelaar door gepaste maatregelen, met name reiniging, opnieuw geschikt kan maken voor de verkoop.

B.      Begrip „verzegelde” goederen in de zin van artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83 [tweede vraag, onder a)]

39.      Aangezien de tweede prejudiciële vraag, met name het eerste deel ervan, enkel wordt gesteld voor het geval dat het Hof de eerste prejudiciële vraag bevestigend beantwoordt, hetgeen mijns inziens niet het geval dient te zijn, zijn mijn opmerkingen ter zake slechts subsidiair.

40.      Met zijn tweede vraag, onder a), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen welke kenmerken een verpakking moet hebben om te kunnen worden beschouwd als een „verzegeling” in de zin van artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83, indien het betrokken goed behoort tot de categorie „goederen die niet geschikt zijn om te worden teruggezonden om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne”, waarop de in deze bepaling vastgestelde uitzondering op het herroepingsrecht van toepassing is.(32) In de motivering van zijn beslissing vraagt de rechter zich meer in het bijzonder af of dergelijke goederen zodanig moeten worden verpakt dat „niet alleen moet worden gegarandeerd dat een verbroken verzegeling niet ongedaan kan worden gemaakt maar er ook voor moet worden gezorgd dat uit de omstandigheden (bijvoorbeeld door een etiket ‚zegel’) duidelijk blijkt dat het niet louter om een transportverpakking gaat maar om een verzegeling wegens redenen van gezondheid of hygiëne”.

41.      De gestelde vraag en de motivering ter zake werpen mijns inziens twee verschillende problemen op, zoals blijkt uit de bij het Hof ingediende opmerkingen.(33) De verwijzende rechter wenst, enerzijds, te vernemen welke fysieke eigenschappen een verpakking dient te hebben om te kunnen worden aangemerkt als een „verzegeling” in de zin van artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83 en, anderzijds, of een onderscheidend teken moet worden aangebracht op deze verpakking waardoor de consument erop wordt gewezen dat het goed verzegeld is.

42.      In de eerste plaats stel ik met betrekking tot de fysieke eigenschappen van verpakkingen die als een verzegeling kunnen worden aangemerkt vast dat het begrip „verzegeld” als bedoeld in artikel 16, onder e), van de richtlijn niet wordt omschreven in deze richtlijn.(34) Uit de ontstaansgeschiedenis blijkt volgens mij evenmin wat onder dit begrip moet worden verstaan.(35)

43.      Volgens voornoemde leidraad „moeten er echte redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne zijn om een verzegeling te gebruiken in de vorm van bijvoorbeeld een beschermende verpakking of een beschermfolie”.(36) Het begin van deze formulering sluit volgens mij terecht uit dat handelaren vrijelijk gebruik kunnen maken van de uitzonderingen op het herroepingsrecht door verzegelingen aan te brengen die niet gerechtvaardigd zijn door de aard van het goed om die redenen(37), waarbij in herinnering dient te worden gebracht dat afwijkingen van dit recht, waarover de consument in beginsel beschikt, een absolute uitzondering moeten blijven.(38) Deze leidraad biedt echter geen antwoord op de vraag welke materiële eigenschappen de bedoelde beschermende verpakking of beschermfolie moet hebben om te voldoen aan de eisen van artikel 16, onder e).

44.      In dit verband ben ik van mening dat er strikt moet worden vastgehouden aan het doel dat met de „verzegeling” in de zin van voornoemd punt e) wordt nagestreefd, zoals slewo(39), de Belgische regering(40) en de Commissie in wezen betogen. Deze bepaling strekt er mijns inziens toe, alle goederen die daadwerkelijk ter bescherming van de gezondheid of de hygiëne moeten worden verzegeld, uit te sluiten van het herroepingsrecht, en dus te beletten dat de consument dergelijke goederen terugzendt naar de handelaar, omdat deze na verwijdering van de beschermende verpakking een onherstelbaar waardeverlies ondergaan wat de waarborg van hygiëne en gezondheid betreft, zodat zij niet opnieuw kunnen worden verkocht.(41)

45.      Om een beschermende verpakking te kunnen beschouwen als een „verzegeling” in de zin van die bepaling is het derhalve mijns inziens noodzakelijk dat die verpakking op betrouwbare wijze kan waarborgen dat het aldus verpakte product schoon is. Dit criterium veronderstelt dat die verpakking stevig genoeg is om het product schoon te houden en dat de verpakking niet kan worden geopend zonder deze zichtbaar te beschadigen, zodat met zekerheid blijkt dat het betrokken goed door de koper kan zijn getest. Een plasticfolie die of metalen dekplaatje dat dichtgelast is en dus na vrijwillige opening niet in de oorspronkelijke staat kan worden teruggebracht, kan bijvoorbeeld voldoen aan deze eisen.

46.      Het lijkt mij echter buitensporig te vereisen dat een verpakking alleen als zodanig kan worden aangemerkt „indien de asepsis van het product, zoals bij gesteriliseerde hulpmiddelen”, kan worden gewaarborgd, zoals de Italiaanse regering lijk te bepleiten(42). In artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83 wordt weliswaar verwezen naar „redenen van gezondheidsbescherming”, maar ook naar eenvoudige redenen van „hygiëne”, die mijns inziens geen even hoge economische investering van handelaars rechtvaardigen als de investering die zou voortvloeien uit de verplichting om alle goederen waarop deze bepaling betrekking kan hebben, op dergelijke aseptische of steriele wijze te verpakken.

47.      In de tweede plaats, wat een eventuele specifieke markering betreft zoals overwogen door de verwijzende rechter, die zou moeten worden aangebracht op de verpakkingen die een „verzegeling” kunnen vormen in de zin van voornoemd artikel 16, onder e)(43), deel ik het standpunt van slewo en de Commissie, volgens hetwelk niets erop wijst dat voor de toepassing van deze bepaling aan een dergelijk visueel criterium moet worden voldaan, naast de hierboven omschreven fysieke eigenschappen waarover deze verpakkingen mijns inziens moeten beschikken.

48.      Noch uit de bewoordingen van artikel 16, onder e), noch uit andere bepalingen of zelfs de ontstaansgeschiedenis(44) blijkt immers dat de auteurs van richtlijn 2011/83 voornemens waren een dergelijke postcontractuele informatieplicht over het herroepingsrecht op te leggen aan handelaars.(45) Als de Uniewetgever het noodzakelijk had geacht dat de consument bij levering wordt geïnformeerd met behulp van vermeldingen op de verpakking van het verkochte product, zou hij dat waarschijnlijk niet hebben nagelaten, zoals is voorzien in andere instrumenten inzake consumentenbescherming.(46)

49.      Indien het Hof zich uitspreekt over de tweede prejudiciële vraag, onder a), dient mijns inziens derhalve te worden geantwoord dat „verzegelde” goederen in de zin van artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83 goederen zijn in een verpakking waarvan elke opening onomkeerbaar is, zodat met zekerheid blijkt dat het betrokken goed door de koper kan zijn getest, zonder dat deze verpakking evenwel een specifieke vermelding hoeft te bevatten die uitdrukkelijk erop wijst dat het gaat om een verzegeling waarvan verbreking gevolgen heeft voor het herroepingsrecht van de consument. Deze uitdrukkelijke informatie moet naar mijn mening echter worden verstrekt in het kader van de in artikel 6, lid 1, van die richtlijn bedoelde precontractuele informatie, waarop ik nu zal ingaan.

C.      Verplichting om de consument informatie te verstrekken over de omstandigheden waarin hij zijn herroepingsrecht verliest overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder k), van richtlijn 2011/83 [tweede vraag, onder b)]

50.      Aangezien de tweede prejudiciële vraag, met inbegrip van het tweede deel ervan, enkel wordt gesteld indien het Hof de eerste prejudiciële vraag bevestigend beantwoordt, wat ik niet bepleit, zijn mijn opmerkingen over dat deel slechts subsidiair.

51.      Deze vraag gaat uit van de veronderstelling dat het op afstand verkochte goed daadwerkelijk is verzegeld en om redenen van gezondheidsbescherming en hygiëne in de zin van artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83 niet aan de verkoper kan worden teruggezonden, en daarop dus geen herroepingsrecht van toepassing is waarover de consument in beginsel beschikt.

52.      In wezen wenst de verwijzende rechter te vernemen of in een dergelijke situatie de handelaar de consument er krachtens artikel 6, lid 1, onder k), van deze richtlijn vóór de sluiting van de verkoopovereenkomst concreet op moet wijzen dat hij zijn herroepingsrecht zal verliezen wanneer hij de verzegeling van het goed verbreekt, door specifiek te verwijzen naar het gekochte artikel en het feit dat het is verzegeld, dan wel de handelaar ermee kan volstaan de consument abstract te informeren, door in de algemene verkoopvoorwaarden enkel de formulering van die richtlijn aan te halen.(47)

53.      Ter ondersteuning van deze laatste benadering voert slewo aan dat de huidige tekst van voornoemd artikel 6 de handelaar er enkel toe verplicht de consument te informeren „voordat” deze de bestelling plaatst, zodat een handelaar aan de vereisten van richtlijn 2011/83 voldoet door algemene precontractuele informatie over het herroepingsrecht te verstrekken, tezamen met de eventuele uitzonderingsgronden zoals vastgesteld door de wetgever. Voorts druist het verstrekken van concrete preciseringen over dit recht bij elk online verkocht product volgens haar in tegen de doelstelling van consumentenbescherming(48) en volstaat het om na het sluiten van de overeenkomst specifieke informatie te verstrekken. Ledowski neemt hierover geen standpunt in en voert zijn ontkennende antwoord op de eerste prejudiciële vraag aan. De Belgische en de Italiaanse regering alsmede de Commissie stellen subsidiair voor om artikel 6, lid 1, onder k), van die richtlijn aldus uit te leggen dat de handelaar de consument er uitdrukkelijk op moet wijzen dat hij zijn herroepingsrecht zal verliezen als de verzegeling van het betrokken goed wordt verbroken. Ik deel laatstgenoemd standpunt om de hiernavolgende redenen.

54.      Allereerst benadruk ik dat de tekst van artikel 6 van richtlijn 2011/83 een aantal uitdrukkelijke aanwijzingen bevat over de informatieverplichting die rust op handelaren die overeenkomsten op afstand met een consument willen sluiten.(49)

55.      Met betrekking tot het tijdstip waarop alle in dit artikel 6 bedoelde informatie(50) moet worden verstrekt, blijkt uit lid 1, eerste zin, dat zij volledig moet worden verstrekt „voordat de consument door een overeenkomst [...] is gebonden”(51), wat betekent dat aanvullende informatie die in een later stadium kan zijn verstrekt, met name bij de levering van het goed(52), niet rechtstreeks van invloed is op de vraag of de handelaar al dan niet aan deze verplichting heeft voldaan. Met betrekking tot de „wijze”(53) waarop deze informatie moet worden verstrekt, is in hetzelfde lid vastgelegd dat dit op „duidelijke en begrijpelijke” wijze, en dus ondubbelzinnig dient te gebeuren, volgens mij op een wijze die de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in Europa(54) in staat stelt het besluit te nemen met volledige kennis van zaken.(55)

56.      Met betrekking tot de in casu specifiek bedoelde voorafgaande informatie is overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt k), dat betrekking heeft op situaties waarin „niet voorzien is in een herroepingsrecht[(56)] overeenkomstig artikel 16[(57)]” van die richtlijn, uitdrukkelijk vereist dat de consument „de informatie [ontvangt] dat [hij] geen herroepingsrecht heeft of, voor zover van toepassing, de omstandigheden waarin [hij] zijn herroepingsrecht verliest”.(58) In deze bepaling wordt echter niet gepreciseerd welke inhoudelijke informatie de handelaar in een dergelijk geval aan de consument moet verstrekken opdat zij als voldoende duidelijk kan worden beschouwd.(59)

57.      Gezien de doelstellingen van de regelgeving waarvan artikel 6, lid 1, onder k), van richtlijn 2011/83 deel uitmaakt, ben ik van mening dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat een handelaar die zich beperkt tot het aanhalen van de bewoordingen van artikel 16, onder e), van die richtlijn in zijn algemene voorwaarden, zoals in casu het geval was, niet aan de vereisten van deze bepaling voldoet.(60) Een handelaar die voornemens is goederen op afstand te verkopen die behoren tot de categorie die specifiek wordt bedoeld in artikel 16, onder e), moet mijns inziens, zoals de verwijzende rechter overweegt, de consument er onmiddellijk, uitdrukkelijk en concreet op wijzen dat hij zijn herroepingsrecht zal verliezen indien hij een bepaalde handeling verricht die leidt tot het verlies van dit recht, namelijk het verwijderen van de verzegeling van het betrokken goed, en daarbij moet concreet worden gewezen op dit goed en moet nauwkeurig worden vermeld dat het verzegeld is.(61)

58.      Dit is naar mijn mening de enige uitlegging waarmee, enerzijds, het hoge niveau van consumentenbescherming kan worden gewaarborgd zoals bedoeld in richtlijn 2011/83 en waarvan artikel 6, lid 1, onder k), een van de vectoren vormt, en waarmee, anderzijds, de volledige nuttige werking kan worden gegarandeerd van de informatie die op grond van deze bepaling vereist is(62) en waarmee bovendien kan worden voorkomen dat handelaars al te gemakkelijk worden ontheven van hun verplichtingen met betrekking tot het herroepingsrecht, dat volgens deze richtlijn het beginsel is en dat ook moet blijven.

59.      In dit verband merk ik op dat het Hof in een soortgelijke context reeds heeft geoordeeld dat de in het Unierecht neergelegde beschermingsregeling, waaronder de verplichting voor de handelaar om de consument alle informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn rechten – en zijn herroepingsrecht in het bijzonder –, vereist dat de consument zich als zwakke partij bewust wordt van zijn rechten doordat hij hierover uitdrukkelijk schriftelijk wordt voorgelicht.(63) Voorts heeft het Hof beklemtoond dat de verplichting om consumenten te informeren een centrale pijler vormt in de algemene opzet van de regelgeving op dit gebied(64), als essentiële waarborg voor de daadwerkelijke uitoefening van het recht van opzegging dat aan consumenten is toegekend en derhalve van de nuttige werking van de bescherming van deze consumenten zoals gewenst door de wetgever.(65) De aldus geformuleerde overwegingen over de richtlijnen 85/577 en 97/7 zijn mijns inziens ook in de onderhavige zaak relevant, in de wetenschap dat deze richtlijnen zijn ingetrokken en vervangen door richtlijn 2011/83.(66)

60.      Indien het Hof zich uitspreekt over de tweede prejudiciële vraag, onder b), dient artikel 6, lid 1, onder k), van richtlijn 2011/83 mijns inziens aldus te worden uitgelegd dat wanneer een goed wordt verzegeld in de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 16, onder e), van deze richtlijn, de handelaar vóór de sluiting van de verkoopovereenkomst op afstand de consument uitdrukkelijk moet meedelen dat hij zijn herroepingsrecht zal verliezen indien hij de verzegeling van het geleverde goed verwijdert, waarbij dit goed concreet wordt genoemd en nauwkeurig wordt vermeld dat het verzegeld is.

V.      Conclusie

61.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:

„Artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG van de Raad en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat het aldaar vermelde begrip „verzegelde goederen die niet geschikt zijn om te worden teruggezonden om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne” geen goederen – zoals matrassen – omvat die bij normaal gebruik weliswaar rechtstreeks met het menselijk lichaam in aanraking kunnen komen maar die de handelaar door gepaste maatregelen, met name reiniging, opnieuw geschikt kan maken voor de verkoop.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG van de Raad en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64). Ik preciseer dat richtlijn 85/577/EEG van 20 december 1985 betrekking had op de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB 1985, L 372 blz. 31), terwijl richtlijn 97/7/EG betrekking had op de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (PB 1997, L 144, blz. 19).


3      Deze uitspraak is op het volgende internetadres te raadplegen: https://beck-online.beck.de/Dokument?vpath=bibdata%2Fents%2Fbeckrs%2F2016 %2Fcont%2Fbeckrs.2016.127864.htm (zie met name punt 21 e.v.).


4      In de zin van § 312g, lid 2, eerste alinea, punt 3, van het Bürgerliche Gesetzbuch (Duits burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”), waarvan de tekst overeenkomt met die van artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83.


5      Specifieke bepalingen die de bepalingen voor buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten deels overlappen (zie met name artikelen 6 e.v. van deze richtlijn).


6      Een herroepingsrecht dat kan worden uitgeoefend onder de in de artikelen 9‑15 van deze richtlijn neergelegde voorwaarden.


7      In het arrest van 3 september 2009, Messner (C‑489/07, EU:C:2009:502, punten 20 en 25), betreffende richtlijn 97/7 zoals vervangen door richtlijn 2011/83, wordt benadrukt dat de regels inzake herroeping worden „geacht het nadeel te vergoeden dat de consument lijdt bij een op afstand gesloten overeenkomst, door hem een passende bedenktijd toe te kennen waarin hij het verworven goed kan keuren en uitproberen”, zonder hem evenwel „rechten te verlenen die meer omvatten dan hetgeen hij nodig heeft om naar behoren [dit] recht te kunnen uitoefenen”.


8      Zie artikel 14, lid 2, van richtlijn 2011/83 en overweging 47 ervan, waarin wordt uiteengezet dat de consument artikelen met gepaste zorg moet inspecteren en dus bijvoorbeeld wel mag proberen of een kledingstuk past, maar het niet langere tijd mag dragen.


9      Zie ook overweging 49 van deze richtlijn, waarin wordt aangegeven dat „[h]et [...] mogelijk [is] dat een herroepingsrecht, bijvoorbeeld gezien de aard van de betrokken goederen [...], niet op zijn plaats is”.


10      Zie onder meer arresten van 7 augustus 2018, Verbraucherzentrale Berlin (C‑485/17, EU:C:2018:642, punt 27), en 17 oktober 2018, Günter Hartmann Tabakvertrieb (C‑425/17, EU:C:2018:830, punt 18).


11      Deze doelstelling blijkt zowel uit de overwegingen 3, 4 en 65 als uit artikel 1 van richtlijn 2011/83.


12      Met dien verstande dat de uitlegging van de diverse instrumenten van het Unierecht waarmee deze doelstelling wordt nagestreefd, kan verschillen naargelang van de verschillende wijzen waarop in de respectieve instrumenten wordt voorzien in de verwezenlijking ervan (zie met name arrest van 19 september 2018, Bankia, C‑109/17, EU:C:2018:735, punten 36 e.v.).


13      Zie onder meer arresten van 13 september 2018, Starman (C‑332/17, EU:C:2018:721, punten 26‑30), en 25 oktober 2018, Tänzer & Trasper (C‑462/17, EU:C:2018:866, punten 28 en 29).


14      Zie onder meer arresten van 13 september 2018, Wind Tre en Vodafone Italia (C‑54/17 en C‑55/17, EU:C:2018:710, punt 54), en 4 oktober 2018, Kamenova (C‑105/17, EU:C:2018:808, punt 34), waarin erop wordt gewezen dat „de consument [...] als de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractpartij moet worden beschouwd”.


15      Zie onder meer arresten van 25 januari 2018, Schrems (C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 27), en 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring (C‑51/17, EU:C:2018:750, punt 54).


16      Zie onder meer arresten van 1 maart 2012, González Alonso (C‑166/11, EU:C:2012:119, punten 26 en 27), en 27 september 2017, Nintendo (C‑24/16 en C‑25/16, EU:C:2017:724, punten 73 en 74).


17      Zie punt 6.8 op blz. 61 en 62 van dit document van juni 2014, dat op het volgende internetadres kan worden geraadpleegd: https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/crd_guidance_nl.pdf.


18      Zie voor de bevoegdheidsverdeling tussen de verwijzende rechter en het Hof wat het feitelijke kader van een prejudiciële verwijzing betreft, en voor de rechtvaardigingsgronden ervan, onder meer arresten van 20 maart 1997, Phytheron International (C‑352/95, EU:C:1997:170, punten 12 en 14), en 13 februari 2014, Maks Pen (C‑18/13, EU:C:2014:69, punt 30).


19      Ter wille van de voorspelbaarheid en rechtszekerheid, redenen die ook door slewo worden aangehaald tegen een benadering per geval, lijkt het mij inderdaad wenselijk dat het Hof een uitlegging geeft die zich niet beperkt tot de bijzonderheden van het onderhavige geval, namelijk de specifieke categorie van matrassen, maar die zich uitstrekt tot soortgelijke situaties zoals bedoeld door de verwijzende rechter.


20      Hoewel de betekenis van de termen „gezondheidsbescherming” en „hygiëne” in de zin van artikel 16, onder e), van richtlijn 2011/83 niet de kern van de onderhavige prejudiciële vraag vormt, preciseer ik dat zij mijns inziens naar verschillende situaties verwijzen en dat een uitlegging van deze bepaling die aansluit bij de eerste reden van uitsluiting van het herroepingsrecht a fortiori geldt voor de tweede reden, aangezien het in gevaar brengen van de gezondheid duidelijk ernstiger is dan aantasting van de hygiëne.


21      In die zin haalt de verwijzende rechter onder meer Wendehorst, C., aan, „§ 312g”, Münchener Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch, onder leiding van F. J. Säcker e.a., deel 2, 7e druk, Beck, München, 2016, punten 24 e.v. In tegenovergestelde zin, zie onder meer Schirmbacher, M., en Schmidt, S., „Verbraucherrecht 2014 – Handlungsbedarf für den E‑Commerce”, Computer und Recht, 2014, blz. 112, en Lorenz, S., „BGB – § 312g”, Beck-online.Grosskommentar, Beck, München, 2018, punten 26 e.v.


22      Zie met name het voorstel van de Commissie van 8 oktober 2008 dat heeft geleid tot richtlijn 2011/83 [COM(2008) 614 definitief, in het bijzonder blz. 31, artikel 19, lid 1, inzake de uitzonderingen op het herroepingsrecht met betrekking tot overeenkomsten op afstand, waarin niet in de betrokken uitzondering was voorzien]; het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over dat voorstel (PB 2009, C 317, blz. 59, in het bijzonder punt 5.5.4, waarin wordt gewezen op de mogelijkheid van een dergelijke uitzondering) en het verslag van het Europees Parlement van 22 februari 2011 over dit voorstel [A7‑0038‑2011, in het bijzonder blz. 79, met amendement 130 dat heeft geleid tot de invoeging van de bepaling die punt e) van het huidige artikel 16 zou worden, zonder uitleg]. Volgens Rott, P., „More coherence? A higher level of consumer protection? A review of the new Consumer Rights Directive 2011/83/EU”, Revue européenne de droit de la consommation, 2012, nr. 3, blz. 381, wordt met deze uitzondering tegemoetgekomen aan verzoeken van de cosmetica-industrie.


23      Volgens de uitleggingsregels in de punten 23 e.v. van de onderhavige conclusie.


24      Zoals staat te lezen in overweging 4 strekken de bepalingen van richtlijn 2011/83 inzake overeenkomsten op afstand tot „bevordering van een echte interne markt voor de consument, waarbij een juist evenwicht ontstaat tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven” (cursivering van mij).


25      De rechter wijst er volgens mij terecht op dat „[d]it [...] bijvoorbeeld het geval [kan] zijn wanneer een hergebruik van het goed door derden om redenen van gezondheid (aangebroken geneesmiddelen) of uit hygiënische overwegingen (tandenborstels, lippenstift, erotische artikelen) volgens de maatschappelijke opvattingen bij voorbaat niet in aanmerking komt en het goed ook niet door maatregelen van de handelaar, zoals reiniging of desinfectie, opnieuw geschikt kan worden gemaakt voor de verkoop als tweedehands goed, ‚retourproduct’ of dergelijke”.


26      Zie over de in een dergelijke context aan de handelaar te betalen vergoeding onder meer arresten van 3 september 2009, Messner (C‑489/07, EU:C:2009:502, punt 29), inzake richtlijn 97/7 zoals vervangen door richtlijn 2011/83, en 2 maart 2017, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs Frankfurt am Main (C‑568/15, EU:C:2017:154, punten 24 en 26).


27      Artikel 14, lid 2, luidt: „De consument is alleen aansprakelijk voor de waardevermindering van de goederen die het gevolg is van het behandelen van de goederen dat verder gaat dan nodig was om de aard, de kenmerken en de werking van de goederen vast te stellen.”


28      Overeenkomstig de in voetnoot 16 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak.


29      Aangehaalde leidraad in voetnoot 17 van deze conclusie (punt 6.8.2, blz. 62).


30      In die leidraad worden ook „cosmetica zoals lippenstiften” aangehaald, met de volgende precisering: „[v]oor andere cosmetica die niet kunnen worden beschouwd als verzegeld om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne, kan de handelaar de consument een andere manier bieden om deze cosmetica te testen als in een winkel, bijvoorbeeld door een gratis tester bij het product te voegen. Op die manier zou de consument de verpakking van het product niet hoeven te openen om gebruik te maken van zijn recht om de aard en de kenmerken van het product vast te stellen”.


31      Als volgt: „Dit document is juridisch niet bindend en dient slechts als leidraad te worden opgevat. Alleen het Hof van Justitie (HvJ) kan een gezaghebbende uitlegging van het EU‑recht geven. Dit document is geen formele uitlegging van het EU‑recht [...]. Uitsluitend het directoraat-generaal Justitie [van de Commissie] is verantwoordelijk voor de bekendmaking van deze leidraad.”


32      De Commissie pleit ervoor deze vraag te herformuleren, met als argument dat „het doel van een prejudiciële verwijzing niet het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken is, maar de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil”, waarbij zij met name verwijst naar het arrest van 16 december 1981, Foglia (244/80, EU:C:1981:302, punt 18). Volgens mij hoeft de vraag echter niet te worden geherformuleerd, aangezien de vraag zoals gesteld door de nationale rechter mijns inziens leidt tot een nuttig antwoord aan de hand waarvan deze rechter het bij hem aanhangige geding kan beslechten (zie met name arrest van arrest van 1 februari 2017, Município de Palmela, C‑144/16, EU:C:2017:76, punt 20).


33      Ik wijs erop dat slewo argumenten aanvoert in verband met beide problemen, terwijl de Belgische en Italiaanse regering alsmede de Commissie meer de nadruk leggen op het eerste probleem. Ledowski gaat niet in op de tweede prejudiciële vraag, op grond dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord.


34      Zoals slewo aanvoert, is de betekenis die aan dit begrip moet worden toegekend niet noodzakelijkerwijs dezelfde als die van de identieke termen die, in een andere context, worden gehanteerd in artikel 16, onder i), dat betrekking heeft op „de levering van verzegelde audio‑ en verzegelde video-opnamen en verzegelde computerprogrammatuur waarvan de verzegeling na levering is verbroken”. In dat geval heeft de consument volgens de in voetnoot 17 van de onderhavige conclusie aangehaalde leidraad geen recht om de digitale inhoud van verzegelde materiële gegevensdragers (cd’s, dvd’s, enz.) tijdens de herroepingsperiode te „testen” (punt 12.2, blz. 74). Ik ben van mening dat het verbod van terugzending na verbreking van de verzegeling in dat geval verband houdt met andere redenen (zoals de mogelijkheid van eenmalig gebruik of het maken van kopieën van de inhoud) dan redenen in verband met de aantasting van de integriteit van het goed zelf (redenen van gezondheid of hygiëne), die de in punt e) van dat artikel bedoelde uitzondering rechtvaardigt.


35      Met name de passages van het voorstel van de Commissie en het verslag van het Parlement zoals vermeld in voetnoot 22 van de onderhavige conclusie bevatten geen toelichting over de betekenis van de term „verzegeld”.


36      Zie punt 6.8.2, blz. 62, van de leidraad waarnaar wordt verwezen in voetnoot 17.


37      Karstoft, S., Forbrugeraftaleloven med kommentarer, Jurist- og Økonomforbundets Forlag, Kopenhagen, 2018, blz. 461, is van mening dat er meer gegronde redenen zijn om goederen van intieme aard, zoals ondergoed en badkleding, te verzegelen dan matrassen.


38      Zie eveneens punt 25 van de onderhavige conclusie.


39      Volgens slewo moet een onderscheid worden gemaakt tussen de „omverpakking”, waarmee wordt beoogd te voorkomen dat een goed tijdens opslag of vervoer beschadigd raakt, zoals de kartonnen verpakking van gezichtscrème, en de „verpakking voor hygiënische doeleinden”, zoals de verwijderbare beschermfolie van metaal of kunststof die zich gewoonlijk onder het deksel van de pot crème bevindt. In het specifieke geval van matrassen die worden beschermd door zowel karton als een dichtgelaste plasticfolie, zou enkel het laatste onderdeel, waarmee de hygiëne van het product wordt gewaarborgd, een „verzegeling” vormen in de zin van artikel 16, onder e).


40      De Belgische regering is van mening dat „onder de term ‚verzegelen’ [...] een bijzondere verpakkingsmaatregel [moet] worden verstaan die de handelaar heeft genomen om het goed zodanig te verpakken dat niemand deze ongemerkt kan openen, en dat het openen van de verzegeling impliceert dat de verkoper aan wie een dergelijk verzegeld goed wordt teruggezonden, dezelfde bijzondere maatregel moet nemen om het goed opnieuw te verzegelen”.


41      Zie in die zin Hoeren, T., en Föhlisch, C., „Ausgewählte Praxisprobleme des Gesetzes zur Umsetzung der Verbraucherrechterichtlinie”, Computer und Recht, 2014, blz. 245.


42      Volgens de Italiaanse regering voldoen matrassen niet aan een dergelijke kwalificatie, aangezien deze met het oog op de verkoop ervan worden verpakt op een wijze die enkel bescherming moet bieden tegen vuil en beschadiging tijdens het vervoer, en niet om de asepsis ervan te waarborgen, die ook tijdens de productie ervan niet wordt gegarandeerd, in tegenstelling tot goederen die gesteriliseerd moeten worden verkocht, zoals medische hulpmiddelen.


43      Een markering die zou kunnen bestaan uit een opdruk of speciaal etiket op de verpakking waarmee de consument erop wordt gewezen dat het goed om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne is verzegeld en zijn herroepingsrecht vervalt indien hij deze verzegeling verbreekt.


44      Zie met name de documenten waarnaar wordt verwezen in voetnoot 22 van de onderhavige conclusie.


45      Ik preciseer dat artikel 8, lid 7, van deze richtlijn echter voorziet in een algemene verplichting om de consument informatie te verstrekken na sluiting van de overeenkomst op afstand, ter bevestiging van de overeenkomst, met betrekking tot alle in artikel 6, lid 1, bedoelde informatie, tenzij de handelaar die informatie vóór de sluiting van de overeenkomst op een duurzame gegevensdrager aan de consument heeft verstrekt. Laatstgenoemde bepaling is aan de orde in de tweede prejudiciële vraag, onder b) (zie de punten 50 e.v. van deze conclusie).


46      Zoals richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 2000, L 109, blz. 29).


47      De verwijzende rechter is van mening dat een loutere aanhaling voor niet-juristen moeilijk te begrijpen kan zijn, wat ervoor pleit dat de handelaar zijn informatieverplichting slechts naar behoren heeft vervuld wanneer hij, voordat de consument door de overeenkomst gebonden is en onder concrete verwijzing naar het voorwerp van de overeenkomst (in casu een matras) en naar de omstandigheid dat er sprake is van een verzegeling en de aard ervan, de consument er nadrukkelijk op heeft gewezen dat zijn herroepingsrecht vervalt bij verbreking van de verzegeling.


48      Slewo betoogt dat de consument dan zou worden overspoeld door een stroom overbodige informatie en dat hij bij aankoop van meerdere producten dan voor elk product zou moeten nagaan of zijn herroepingsrecht kan vervallen, met name door het verrichten van handelingen zoals het verbreken van een verzegeling.


49      Gezien het voorwerp van het hoofdgeding wijs ik erop dat in overweging 12 en artikel 6, lid 8, van richtlijn 2011/83 wordt uiteengezet dat de hierin bedoelde informatieverplichtingen een aanvulling vormen op, en in voorkomend geval voorrang hebben boven, de informatieverplichtingen uit hoofde van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB 2000, L 178, blz. 1), die mijns inziens geen zinvolle aanwijzingen biedt ter beantwoording van de onderhavige prejudiciële vraag.


50      Te weten de informatie die is opgesomd in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met t).


51      De volledigheid van de te verstrekken informatie blijkt uitdrukkelijk uit overweging 34 van de richtlijn in kwestie zoals verwoord in de Franse taalversie hiervan („informations claires et exhaustives”). Ik wijs erop dat in andere taalversies, waaronder de Engelse versie („clear and comprehensible information”) en de Duitse versie („in klarer und verständlicher Weise informieren”), andere bewoordingen worden gebruikt. Al deze (door mij gecursiveerde) woorden maken mijns inziens echter duidelijk dat de consument volledig moet worden geïnformeerd vóór sluiting van de overeenkomst.


52      Zoals de informatie die voortvloeit uit de verpakking van het product en die aan de orde is in de tweede prejudiciële vraag, onder a).


53      Een vereiste dat hier meer betrekking heeft op de inhoud van de informatie dan op de vorm, te onderscheiden van vormvereisten in strikte zin waaraan een overeenkomst op afstand moet voldoen krachtens richtlijn 2011/83 en die in artikel 8 van deze richtlijn worden uiteengezet. Zie op dat punt met name, met betrekking tot richtlijn 97/7 zoals vervangen door richtlijn 2011/83, arrest van 5 juli 2012, Content Services (C‑49/11, EU:C:2012:419, punten 42‑51).


54      Overeenkomstig het beoordelingscriterium dat het Hof doorgaans hanteert in zijn rechtspraak inzake consumentenbescherming (zie onder meer arresten van 7 juni 2018, Scotch Whisky Association, C‑44/17, EU:C:2018:415, punten 47 en 52, en 13 september 2018, Wind Tre en Vodafone Italia, C‑54/17 en C‑55/17, EU:C:2018:710, punt 51).


55      Zoals de Italiaanse regering opmerkt, moet „de consument de reikwijdte van het commerciële aanbod en de beperkingen van zijn rechten reeds bij het eerste contact met de verkoper kunnen begrijpen, wiens aanbod moet voldoen aan bepaalde normen van duidelijkheid en nauwkeurigheid en dus alle essentiële elementen moet bevatten op basis waarvan de gemiddelde consument de reikwijdte en de voorwaarden juist kan inschatten”.


56      Anders dan lid 1, onder h), dat betrekking heeft op situaties waarin „een herroepingsrecht bestaat” en volgens hetwelk „de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van dat recht” dienen te worden meegedeeld aan de consument. Zie in dit verband het verzoek om een prejudiciële beslissing in de aanhangige zaak Walbusch Walter Busch (C‑430/17).


57      Ik merk op dat artikel 6, lid 1, onder k), van richtlijn 2011/83 door die algemene formulering alle in artikel 16 bedoelde uitzonderingen op het herroepingsrecht omvat, en niet alleen het onder e) daarvan voorziene geval, waarop de vorige vragen in de onderhavige zaak uitsluitend betrekking hebben.


58      Alleen dit laatste geval lijkt me in de onderhavige prejudiciële vraag aan de orde.


59      De ontstaansgeschiedenis van deze tekst biedt geen nuttige verheldering in dit verband [zie met name het verslag van het Parlement waarnaar wordt verwezen in voetnoot 22 van de onderhavige conclusie, en meer in het bijzonder het amendement betreffende artikel 9, lid 1, onder e bis), blz. 63, alsmede de toelichting, blz. 128 en 129].


60      Zie het citaat van de algemene voorwaarden in kwestie in punt 11 van de onderhavige conclusie.


61      Volgens de in voetnoot 17 van de onderhavige conclusie bedoelde leidraad moet de handelaar „[v]oor bijvoorbeeld conserven die zijn verzegeld in de zin van artikel 16, onder e), [van richtlijn 2011/83] [...] de consument [op grond van artikel 6, lid 1, onder k),] [...] meedelen dat, om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne, de consument het herroepingsrecht verliest als hij de conserven opent” (zie punt 6.2, blz. 47).


62      In de praktijk is het mogelijk dat een consument besluit een goed niet te bestellen nadat hij zich ervan heeft vergewist dat de mogelijkheden om het te testen na levering en eventueel terug te zenden beperkt zijn vanwege het feit dat het is verzegeld.


63      Zie arresten van 13 december 2001, Heininger (C‑481/99, EU:C:2001:684, punt 45), 10 april 2008, Hamilton (C‑412/06, EU:C:2008:215, punt 33), en 17 december 2009, Martín Martín (C‑227/08, EU:C:2009:792, punt 26), die betrekking hadden op richtlijn 85/577, alsmede arrest van 5 juli 2012, Content Services (C‑49/11, EU:C:2012:419, punten 34 e.v.), dat betrekking had op richtlijn 97/7.


64      Over het essentiële karakter van dit recht op informatie van de consument, dat zeer vroeg is erkend door de instellingen van de Unie, zie Aubert de Vincelles, C., „Protection des intérêts économiques des consommateurs – Droit des contrats”, JurisClasseur Europe, fascikel 2010, punt 19.


65      Zie arrest van 17 december 2009, Martín Martín (C‑227/08, EU:C:2009:792, punt 27), over de informatieplicht aan consumenten zoals vastgelegd in artikel 4 van richtlijn 85/577.


66      In de zin van een toepassing naar analogie van de rechtspraak van het Hof inzake de richtlijnen 85/577 en 97/7 op richtlijn 2011/83. Zie respectievelijk arresten van 7 augustus 2018, Verbraucherzentrale Berlin (C‑485/17, EU:C:2018:642, punten 35 e.v.), en 2 maart 2017, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs Frankfurt am Main (C‑568/15, EU:C:2017:154, punt 26).