Language of document : ECLI:EU:C:2018:1030

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 19 december 2018 (1)

Zaak C‑202/18

Ilmārs Rimšēvičs

tegen

Republiek Letland


en


Zaak C‑238/18


Europese Centrale Bank

tegen

Republiek Letland

„Beroep gebaseerd op schending van artikel 14.2, tweede alinea, van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank – Besluit van een nationale autoriteit om de president van de nationale centrale bank tijdelijk van zijn ambt te ontheffen”







Inhoudsopgave


I. Inleiding

II. Toepasselijke bepalingen

A. Unierecht

1. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

2. Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank

B. Lets recht

1. Wetboek van strafvordering

2. Wet betreffende de Bank van Letland

3. Wet betreffende het bureau voor corruptiepreventie en bestrijding

III. Achtergrond van het geding

IV. Procedures bij het Hof en conclusies van partijen

V. Bespreking

A. Contouren van het beroep van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB

1. Aard van het beroep

a) Bewoordingen en totstandkomingsgeschiedenis

b) Systematische en teleologische uitlegging

2. Verwerende partij

3. Voorlopige conclusie

B. Bevoegdheid van het Hof om kennis te nemen van de door de KNAB aan Rimšēvičs opgelegde bindende maatregelen

1. Bevoegdheid van het Hof

2. Vormen de aan Rimšēvičs opgelegde maatregelen een ontheffing van het ambt in de zin van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB?

C. Ten gronde

1. Schending van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB

a) Inleidende opmerkingen

b) Begrippen „eisen voor de uitoefening van het ambt van president van een centrale bank” en „ernstig tekortschieten”

c) Bewijs dat is vereist om aan te tonen dat is voldaan aan de voorwaarden voor het van het ambt ontheffen van een president

1) Uitspraak ten gronde gewezen door een onafhankelijk gerecht

2) Bewijs dat voor het Hof volstaat om zich van de juistheid van de feiten te kunnen vergewissen

d) Voorlopige conclusie

2. Vermeende schending van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie

3. Vermeende schending van het Letse recht

D. Voorlopige conclusie

VI. Proceskosten

VII. Conclusie


I.      Inleiding

1.        Onder welke voorwaarden kunnen de lidstaten van de Europese Unie presidenten van hun centrale banken van hun ambt ontheffen?

2.        Dit is de vraag die aan de orde is in de onderhavige zaken over Ilmārs Rimšēvičs, president van de Latvijas Banka (centrale bank van Letland) (hierna: „Bank van Letland”), die bij een besluit van de Korupcijas novēršanas un apkarošanas birojs (bureau voor corruptiepreventie en ‑bestrijding, Letland) (hierna: „KNAB”) tijdelijk van zijn ambt is ontheven omdat hij ervan wordt verdacht zijn invloed te hebben misbruikt ten gunste van de Letse bank Trasta Komercbanka.(2)

3.        Het Hof dient voor de eerste keer kennis te nemen van deze kwestie, uit hoofde van de bevoegdheid die artikel 14.2 van Protocol nr. 4 bij het VWEU betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank(3) (hierna: „statuten van het ESCB en van de ECB”) hem verleent om kennis te nemen van besluiten waarbij presidenten van centrale banken van de lidstaten van hun ambt worden ontheven.

4.        Deze bevoegdheid is met name gegrond op het feit dat de presidenten van de centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben, weliswaar door de lidstaten worden benoemd en van hun ambt worden ontheven, maar tevens lid zijn van een orgaan van een instelling van de Unie, te weten de raad van bestuur van de Europese Centrale Bank (hierna: „Raad van bestuur van de ECB”). Dit is het voornaamste besluitvormingsorgaan van de ECB en van het Eurosysteem(4), dat ook een belangrijke rol speelt bij het prudentieel toezicht op kredietinstellingen binnen de Unie(5).

5.        De onafhankelijkheid van de presidenten van de nationale centrale banken geniet daarom een bijzondere bescherming, net als die van de ECB, met name omdat zij een essentiële voorwaarde is voor de prijsstabiliteit, de voornaamste doelstelling van het economisch en monetair beleid van de Unie(6), waarvan het belang wordt beklemtoond door de vermelding ervan in artikel 3 VEU.(7)

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

1.      Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

6.        De artikelen 129 tot en met 131 VWEU bepalen:

„Artikel 129

1.      Het ESCB wordt bestuurd door de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank, te weten de Raad van bestuur en de directie.

2.      De statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna „statuten van het ESCB en van de ECB” te noemen) zijn opgenomen in een aan de Verdragen gehecht protocol.

[...]

Artikel 130

Bij de uitoefening van de bevoegdheden en het vervullen van de taken en plichten die bij de Verdragen en de statuten van het ESCB en van de ECB aan hen zijn opgedragen, is het noch de Europese Centrale Bank, noch een nationale centrale bank, noch enig lid van hun besluitvormende organen toegestaan instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden van instellingen, organen of instanties van de Unie, van regeringen van lidstaten of van enig ander orgaan. De instellingen, organen of instanties van de Unie alsmede de regeringen van de lidstaten verplichten zich ertoe dit beginsel te eerbiedigen en niet te trachten de leden van de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank of van de nationale centrale banken bij de uitvoering van hun taken te beïnvloeden.

Artikel 131

Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat zijn nationale wetgeving, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank, verenigbaar is met de Verdragen en met de statuten van het ESCB en van de ECB.”

7.        De artikelen 282 en 283 VWEU luiden als volgt:

„Artikel 282

1.      De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken vormen het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB). De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben, welke het Eurosysteem vormen, voeren het monetair beleid van de Unie.

[...]

Artikel 283

1.      De Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank bestaat uit de leden van de directie van de Europese Centrale Bank en de presidenten van de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben.

[...]”

2.      Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank

8.        Artikel 14, „Nationale centrale banken”, van de statuten van het ESCB en van de ECB bepaalt:

„14.1.      Overeenkomstig artikel 131 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie waarborgt iedere lidstaat dat zijn nationale wetgeving, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank, verenigbaar is met de Verdragen en deze statuten.

14.2.      De statuten van de nationale centrale banken bepalen in het bijzonder dat de ambtstermijn van een president van een nationale centrale bank minimaal vijf jaar is.

Een president kan slechts van zijn ambt worden ontheven indien hij niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten. Tegen een besluit daartoe kan de betrokken president of de Raad van bestuur beroep instellen bij het Hof van Justitie wegens schending van de Verdragen of van bepalingen ter uitvoering daarvan. Het beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van het besluit, vanaf de dag van kennisgeving ervan aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gekregen.

14.3.      De nationale centrale banken maken een integrerend deel uit van het ESCB en handelen in overeenstemming met de richtsnoeren en instructies van de ECB. De Raad van bestuur neemt de nodige maatregelen teneinde te verzekeren dat aan de richtsnoeren en instructies van de ECB wordt voldaan, en eist dat hem alle benodigde informatie wordt verstrekt.

[...]”

B.      Lets recht

1.      Wetboek van strafvordering

9.        Artikel 249, lid 1, van de Kriminālprocesa likums (wetboek van strafvordering, Letland) luidt als volgt:

„(1)      Indien de opgelegde bindende maatregel zonder voorwerp is geraakt of de grondslag ervan is gewijzigd, indien de voorwaarden voor oplegging ervan zijn gewijzigd, indien het gedrag van de betrokkene is gewijzigd of indien er een wijziging is geconstateerd van andere omstandigheden die tot de keuze van de bindende maatregel hebben geleid, besluit de verantwoordelijke voor de procedure tot wijziging of intrekking van die maatregel.”

10.      Artikel 262, lid 1, punten 2 en 3, en leden 2 tot en met 5, van de Kriminālprocesa likums luidt als volgt:

„(1)      Tijdens de voorbereidende fase van het proces kan er beroep tegen het besluit van de verantwoordelijke voor de procedure worden ingesteld tegen:

[...]

2)      het verbod om een bepaalde beroepsactiviteit uit te oefenen;

3)      het verbod om het nationale grondgebied te verlaten;

[...]

(2)      Tegen het besluit genoemd in lid 1 van dit artikel kan enkel beroep worden ingesteld indien de persoon aan wie de bindende maatregel is opgelegd, kan aantonen dat de inhoud van die maatregel niet jegens hem ten uitvoer kan worden gelegd. Het beroep kan worden ingesteld bij de rechter die is belast met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten, door de persoon zelf, zijn raadsman of zijn vertegenwoordiger, binnen zeven dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het afschrift van het besluit waarbij de bindende maatregel is opgelegd.

(3)      De met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter onderzoekt het beroep binnen drie werkdagen in het kader van een schriftelijke procedure. Indien nodig verzoekt de rechter de persoon die met het onderzoek is belast of de persoon die het beroep heeft ingesteld om overlegging van het dossier en om opheldering.

(4)      De met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter kan binnen drie werkdagen het beroep verwerpen, de met het onderzoek belaste persoon gelasten de toegepaste bindende maatregel of bepaalde bepalingen ervan te wijzigen, of het bedrag van de borg vaststellen.

(5)      Een afschrift van de beslissing van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter wordt verstrekt aan de met het onderzoek belaste persoon, aan de persoon aan wie de betrokken bindende maatregel is opgelegd en aan de persoon die het beroep heeft ingesteld. Deze beslissing is niet voor beroep vatbaar.”

11.      Artikel 375, lid 1, van de Kriminālprocesa likums bepaalt:

„(1)      Gedurende de strafzaak zijn de gegevens in het dossier van de zaak geheim en mag er alleen van worden kennisgenomen door de met de strafzaak belaste ambtenaren en door de personen aan wie laatstgenoemden deze gegevens tonen overeenkomstig de procedure waarin deze wet voorziet.”

2.      Wet betreffende de Bank van Letland

12.      Artikel 22 van de likums par Latvijas Banku (wet betreffende de Bank van Letland) bepaalt:

„De president van de Bank van Letland wordt benoemd door het parlement, op voordracht van ten minste tien leden daarvan.

De vicepresident en de leden van de raad van bestuur van de Bank van Letland worden benoemd door het parlement, op voordracht van de president van de Bank van Letland.

De ambtstermijn van de president, de vicepresident en de leden van de raad van bestuur van de Bank van Letland bedraagt zes jaar. Indien een lid van de raad van bestuur zijn ambt neerlegt vóór het einde van zijn ambtstermijn, wordt er een nieuw lid van de raad van bestuur van de Bank van Letland benoemd voor een ambtstermijn van zes jaar.

Het parlement kan de president, de vicepresident en de leden van de raad van bestuur van de Bank van Letland vóór het verstrijken van de in de derde alinea van dit artikel genoemde ambtstermijn slechts van hun ambt ontheffen in de volgende gevallen:

1.      vrijwillige neerlegging van het ambt;

2.      ernstig tekortschieten in de zin van artikel 14.2 [van de statuten van het ESCB en van de ECB];

3.      andere in artikel 14.2 [van de statuten van het ESCB en van de ECB] opgenomen gronden voor ontheffing van het ambt.

In het geval bedoeld in punt 2 van de vierde alinea van dit artikel kan het parlement de president, de vicepresident en de leden van de raad van bestuur van de Bank van Letland van hun ambt ontheffen nadat het veroordelende vonnis onherroepelijk is geworden.

De president van de Bank van Letland kan volgens de procedure van artikel 14.2 [van de statuten van het ESCB en van de ECB] beroep instellen tegen de beslissing van het parlement om hem van zijn ambt te ontheffen. De vicepresident of een lid van de raad van bestuur van de Bank van Letland kan de beslissing van het parlement om hem van zijn ambt te ontheffen, voorleggen aan de in het wetboek bestuursprocesrecht aangewezen rechterlijke instantie.”

3.      Wet betreffende het bureau voor corruptiepreventie en ‑bestrijding

13.      Artikel 2, leden 1 en 2, van de Korupcijas novēršanas un apkarošanas biroja likums (wet betreffende het bureau voor corruptiepreventie en ‑bestrijding) luidt als volgt:

„(1)      Het bureau is een instantie van het rechtstreekse bestuur die uitvoering geeft aan de in deze wet genoemde taken van corruptiepreventie en ‑bestrijding [...].

(2)      Het bureau staat onder toezicht van de raad van ministers. De raad van ministers voert het institutioneel toezicht uit via de eerste minister. Het toezicht omvat het recht van de eerste minister om de rechtmatigheid na te gaan van de door het hoofd van het bureau genomen administratieve besluiten en om onrechtmatige besluiten nietig te verklaren, alsook om bij het constateren van onrechtmatig nalaten het nemen van een besluit te gelasten. Het recht van toezicht van de raad van ministers geldt niet voor de besluiten die het bureau neemt bij de uitoefening van de taken vermeld in de artikelen 7, 8, 9 en 91 van deze wet.”

14.      Artikel 8, lid 1, punt 2, van de Korupcijas novēršanas un apkarošanas biroja likums bepaalt:

„(1)      In het kader van de corruptiebestrijding voert het bureau de volgende taken uit:

[...]

(2)      het verricht onderzoeken en operationele activiteiten ter opsporing van in het wetboek van strafrecht opgenomen strafbare feiten die in dienst van overheidsinstellingen zijn begaan, indien deze strafbare feiten verband houden met corruptie.”

III. Achtergrond van het geding

15.      Op 31 oktober 2013 is Rimšēvičs door het parlement herbenoemd tot president van de Bank van Letland voor een nieuwe ambtstermijn van zes jaar lopend van 21 december 2013 tot 21 december 2019.

16.      Op 17 februari 2018 is Rimšēvičs aangehouden naar aanleiding van een vooronderzoek dat de KNAB op 15 februari 2018 was gestart, omdat hij ervan werd verdacht in zijn hoedanigheid van president van de Bank van Letland steekpenningen te hebben verlangd en aangenomen.

17.      Op 19 februari 2018 is Rimšēvičs op borgtocht vrijgelaten. Diezelfde dag heeft het adjunct-hoofd van de onderzoeksafdeling van de KNAB een besluit vastgesteld waarbij Rimšēvičs als verdachte is aangemerkt, met daarin een beschrijving van de aan hem verweten feiten en een opsomming van het beschikbare bewijsmateriaal, alsook een besluit waarbij hem een aantal bindende maatregelen zijn opgelegd, met name, naast de betaling van de borgsom, het verbod om bepaalde officiële activiteiten uit te oefenen, in het bijzonder het ambt van president van de Bank van Letland, het verbod om bepaalde personen te benaderen en het verbod om het land zonder voorafgaande toestemming te verlaten. Daarbij werd gepreciseerd dat deze bindende maatregelen tijdens het vooronderzoek van kracht bleven totdat zij werden gewijzigd of ingetrokken.

18.      Op 27 februari 2018 heeft de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa (rechter in eerste aanleg Riga, Letland) het beroep verworpen dat Rimšēvičs had ingesteld tegen twee van de door de KNAB opgelegde bindende maatregelen, te weten het verbod om bepaalde officiële activiteiten uit te oefenen en het verbod om het land zonder toestemming te verlaten.

19.      Op 1 juni 2018 heeft het adjunct-hoofd van de afdeling Onderzoek van de KNAB een nieuw, met nieuwe feiten aangevuld besluit houdende aanmerking van Rimšēvičs als verdachte vastgesteld.

20.      Op 28 juni 2018 heeft de openbaar aanklager van het bureau van de procureur-generaal van de Republiek Letland Rimšēvičs in staat van beschuldiging gesteld (aangeklaagd).

21.      Op 20 juli 2018 heeft de vicepresident van het Hof de Republiek Letland gelast de nodige maatregelen te nemen om de jegens Rimšēvičs vastgestelde bindende maatregelen op te schorten tot aan de einduitspraak in zaak C‑238/18, voor zover die maatregelen hem beletten een plaatsvervangend lid van de Raad van bestuur van de ECB aan te wijzen.(8)

22.      Bij besluit van 25 juli 2018 heeft de openbaar aanklager van het bureau van de procureur-generaal van de Republiek Letland de jegens Rimšēvičs vastgestelde bindende maatregelen gewijzigd. Op 1 augustus 2018 heeft Rimšēvičs een klacht ingediend tegen de gewijzigde bindende maatregelen. Op 22 augustus 2018 heeft de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas pilsētas Vidzemes priekšpilsētas tiesa (rechter in eerste aanleg van het arrondissement Vidzeme van de stad Riga, Letland) de klacht van Rimšēvičs gedeeltelijk toegewezen. Bij besluit van 28 augustus 2018 heeft de openbaar aanklager van het bureau van de procureur-generaal van de Republiek Letland de jegens Rimšēvičs vastgestelde bindende maatregelen opnieuw gewijzigd.

IV.    Procedures bij het Hof en conclusies van partijen

23.      Bij akte neergelegd ter griffie van het Hof op 16 maart 2018 heeft Rimšēvičs het beroep in zaak C‑202/18 ingesteld.

24.      Rimšēvičs verzoekt het Hof:

1)      vast te stellen dat verzoeker bij het op 19 februari 2018 door het bureau voor corruptiepreventie en ‑bestrijding namens de Republiek Letland vastgestelde besluit houdende oplegging van bindende maatregelen op onrechtmatige wijze van zijn ambt van president van de Bank van Letland is ontheven;

2)      de bindende maatregel die aan verzoeker is opgelegd bij het op 19 februari 2018 door het bureau voor corruptiepreventie en ‑bestrijding namens de Republiek Letland vastgestelde besluit houdende oplegging van een bindende maatregel [verbod op de uitoefening van een bepaalde beroepsactiviteit, waarbij het verzoeker is verboden om het ambt van president van de Bank van Letland uit te oefenen en gebruik te maken van de hem als zodanig toekomende rechten] onrechtmatig te verklaren;

3)      de beperkingen van de uitoefening door verzoeker van het ambt van lid van de Raad van bestuur van de ECB en van de hem als zodanig toekomende rechten, die voortvloeien uit het op 19 februari door het bureau voor corruptiepreventie en ‑bestrijding namens de Republiek Letland vastgestelde besluit houdende oplegging van een bindende maatregel, onrechtmatig te verklaren.

25.      In haar verweerschrift in zaak C‑202/18 verzoekt de Republiek Letland het Hof om het verzoek van Rimšēvičs in zijn geheel af te wijzen.

26.      Bij akte neergelegd ter griffie van het Hof op 3 april 2018 heeft de ECB het beroep in zaak C‑238/18 ingesteld.

27.      De ECB verzoekt het Hof:

1)      de Republiek Letland overeenkomstig artikel 24, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof te verzoeken alle relevante informatie te verstrekken over het lopende onderzoek van de KNAB naar de president van de Bank van Letland, en

2)      vast te stellen, op basis van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, dat de Republiek Letland de tweede alinea van die bepaling heeft geschonden:

–        door de president van de Bank van Letland van zijn ambt te ontheffen vóór een onafhankelijke rechterlijke instantie, die de zaak ten gronde heeft onderzocht, hem bij arrest heeft veroordeeld, en

–        voor zover dit wordt bevestigd door de feiten die door de Republiek Letland zijn uiteengezet, dat er geen sprake is van buitengewone omstandigheden die in casu ontheffing van het ambt rechtvaardigen;

3)      de Republiek Letland te verwijzen in de kosten.

28.      Bij afzonderlijke akten, neergelegd ter griffie van het Hof op dezelfde dag als haar verzoekschrift, heeft de ECB het Hof bovendien verzocht om zaak C‑238/18 te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 53, lid 4 en artikel 133 van het Reglement voor de procesvoering, en heeft zij een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend op grond van artikel 279 VWEU en artikel 160 van het Reglement voor de procesvoering, dat is ingeschreven onder nummer C‑238/18 R.

29.      In haar verweerschrift in zaak C‑238/18 verzoekt de Republiek Letland het Hof om het beroep van de ECB in zijn geheel te verwerpen.

30.      Bij beschikkingen van 12 juni 2018, Rimšēvičs/Letland(9) en ECB/Letland(10) heeft de president van het Hof beslist om de zaken C‑202/18 en C‑238/18 te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 133 van het Reglement voor de procesvoering.

31.      Bij beschikking in kort geding van 20 juli 2018, ECB/Letland(11), heeft de vicepresident van het Hof de Republiek Letland gelast de nodige maatregelen te nemen om de op 19 februari 2018 door de KNAB jegens Rimšēvičs vastgestelde bindende maatregelen op te schorten tot aan de einduitspraak in zaak C‑238/18, voor zover die maatregelen hem beletten een plaatsvervangend lid van de Raad van bestuur van de ECB aan te wijzen. Het verzoek in kort geding is voor het overige afgewezen en de beslissing omtrent de kosten is aangehouden.

32.      Een gemeenschappelijke terechtzitting in de zaken C‑202/18 en C‑238/18 heeft plaatsgevonden op 25 september 2018.

33.      Tijdens de gemeenschappelijke terechtzitting heeft het Hof de Republiek Letland verzocht om hem binnen acht dagen alle documenten te verstrekken die nodig zijn om de aan Rimšēvičs opgelegde bindende maatregelen te rechtvaardigen, alsook het besluit waarbij laatstgenoemde in staat van beschuldiging is gesteld.

34.      Op 2 oktober 2018 heeft de Republiek Letland het besluit van 28 juni 2018 houdende inbeschuldigingstelling van Rimšēvičs overgelegd evenals 43 andere documenten. Die documenten zijn meegedeeld aan Rimšēvičs en aan de ECB, die op 19 oktober 2018 hun opmerkingen hebben ingediend.

V.      Bespreking

35.      De onderhavige zaken zijn de eerste zaken die aanhangig zijn gemaakt op basis van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB. Het is derhalve nuttig om een aantal aspecten te behandelen die betrekking hebben op de contouren van het beroep dat op grond van deze bepaling kan worden ingesteld (A), alvorens in te gaan op de ontvankelijkheid (B) en de inhoud (C) van de in casu door Rimšēvičs en de ECB ingestelde beroepen.

A.      Contouren van het beroep van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB

1.      Aard van het beroep

36.      De beroepsmogelijkheid van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB is een beroepsmogelijkheid sui generis in het stelsel van beroepen bij de Unierechter, omdat zij de president van een nationale centrale bank en de ECB(12) de mogelijkheid biedt een handeling van een nationale autoriteit rechtstreeks door het Hof te laten toetsen.

37.      De nationale centrale banken spelen immers een cruciale rol binnen het ESCB en bij de uitvoering van het monetair beleid van de Unie. Zij blijven echter, net als de andere organen van de lidstaten die met de uitvoering van het Unierecht zijn belast, binnen de nationale sfeer vallen wat de samenstelling en de regels voor de werking ervan betreft. Binnen het door artikel 131 VWEU en artikel 14 van de statuten van het ESCB en van de ECB vastgestelde kader, behoren de uitvaardiging en toepassing van regels voor de aanstelling in de ambten van presidenten van centrale banken van de lidstaten en voor de ontheffing van dit ambt dus tot de bevoegdheid van de lidstaten.

38.      Moet de beroepsmogelijkheid van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB daarom worden opgevat als beroep tot nietigverklaring, ook al is het beroep tot nietigverklaring binnen het stelsel van beroepsmogelijkheden van het VWEU in beginsel alleen bestemd voor bestrijding van handelingen van organen van de Unie?(13) Of moet zij, net als het beroep wegens niet-nakoming, worden opgevat als beroep strekkende tot vaststelling dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, ook al behoort de bevoegdheid om een dergelijke niet-nakoming aan het Hof voor te leggen in de regel toe aan de Europese Commissie en aan de andere lidstaten?(14)

39.      Het antwoord op de vraag naar de aard van de onderhavige beroepen heeft, naast het theoretische belang ervan, aanzienlijke praktische consequenties: indien het Hof het besluit van de KNAB houdende oplegging van de litigieuze dwingende maatregelen aan Rimšēvičs nietig verklaart, zou deze laatste na de uitspraak van het arrest van het Hof zijn ambt kunnen hervatten. Indien het Hof daarentegen enkel vaststelt dat de betrokken maatregelen onverenigbaar zijn met de statuten van het ESCB en van de ECB, dient de Republiek Letland de nodige maatregelen te nemen om de uitvoering van het arrest van het Hof in haar interne rechtsorde te verzekeren.

40.      Zoals blijkt uit de formulering van hun vorderingen en zoals zij ter terechtzitting hebben bevestigd, wensen Rimšēvičs en de ECB dat het Hof in een declaratoire uitspraak vaststelt dat de Republiek Letland, door de litigieuze dwingende maatregelen aan Rimšēvičs op te leggen, in strijd heeft gehandeld met artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB. Na die declaratoire uitspraak van het Hof dient de Letse overheid de nodige maatregelen te nemen om hieraan op nationaal niveau gevolg te geven.

41.      Om vast te stellen wat de aard is van het bij artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB ingevoerde beroep en wat de rol is van het Hof waarbij een zaak op grond van die bepaling aanhangig is, moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de algemene opzet en de context van de regeling waarvan zij deel uitmaakt, de door die regeling nagestreefde doelstellingen(15) en de totstandkomingsgeschiedenis ervan(16).

a)      Bewoordingen en totstandkomingsgeschiedenis

42.      Om te beginnen preciseren de bewoordingen van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB niet wat de aard is van het beroep dat is ingesteld om het besluit om een president van de centrale bank van zijn ambt te ontheffen door het Hof te laten toetsen.

43.      Het is juist dat enkele taalversies, onder meer de Franse, van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB spreken van een beroep „tegen” het besluit om een president van zijn ambt te ontheffen, net zoals artikel 263, vierde alinea, VWEU spreekt van een beroep „tegen handelingen [...]”(17) Bovendien zijn in de meeste taalversies van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB de bewoordingen van het geval waarin het beroep kan worden ingesteld, namelijk „wegens schending van de Verdragen of van bepalingen ter uitvoering daarvan”, en van de laatste zin, die betrekking heeft op de termijn, vrijwel identiek aan die van artikel 263, tweede en zesde alinea, VWEU.

44.      Gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB lijkt deze terminologie evenwel geen bewuste keuze van de wetgever tot uitdrukking te brengen om het beroep van deze bepaling te categoriseren als beroep tot nietigverklaring.

45.      Enerzijds waren de statuten van het ESCB en van de ECB, die dienden te worden opgenomen in het Verdrag van Maastricht, door de presidenten van de nationale centrale banken uitsluitend in het Engels opgesteld.(18)

46.      De in deze context gedane voorstellen bevatten echter alleen de formulering, die nog altijd is opgenomen in de Engelse taalversie, dat een besluit waarbij een president van zijn ambt wordt ontheven „may be referred to the Court of Justice”.(19) Dit geldt ook voor het voorstel van het voorzitterschap van de intergouvernementele conferentie over de Economische en Monetaire Unie van 30 oktober 1991.(20)

47.      De omstandigheid dat enkele taalversies van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB spreken van een beroep „tegen” het besluit houdende ontheffing van het ambt, komt derhalve voort uit onbedoelde verschillen tussen de vertalingen. Zij getuigt dus niet van een beslissing van de wetgever om het beroep van deze bepaling in de vorm van een beroep tot nietigverklaring te gieten. Deze analyse wordt bevestigd door het feit dat in veel taalversies van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB een formulering die herinnert aan artikel 263, vierde alinea, VWEU, ontbreekt.(21)

48.      Anderzijds bevat de versie van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB die is opgenomen in het Verdrag van Maastricht, dat is vastgesteld tijdens de conferentie van de Europese Raad te Maastricht van 9 tot en met 11 december 1991 en is ondertekend in februari 1992, vervolgens de zinsnede dat het beroep kan worden ingesteld „wegens schending van de Verdragen of van bepalingen ter uitvoering daarvan” en de laatste zin over de termijn voor het instellen van het beroep.

49.      Deze twee elementen lijken, ook in de Engelse versie ervan, te zijn „ontleend” aan de voorloper van artikel 263, tweede en zesde alinea, VWEU. De toelichting bij de verschillende versies en de discussies dienaangaande(22) bevatten evenwel geen enkel spoor van debatten over de aard van het beroep tegen het besluit om een president van een centrale bank van zijn ambt te ontheffen.

50.      Derhalve is er geen enkele aanwijzing waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de invoeging, op de valreep(23), van de twee in de voorgaande punten genoemde elementen een conceptuele keuze van de wetgever tot uitdrukking brengt om een beroep tot nietigverklaring in het leven te roepen naar het voorbeeld van dat van artikel 263 VWEU. De invoering van een termijn beantwoordt mogelijk veeleer aan een streven naar snelheid en rechtszekerheid bij de bestrijding van het besluit om een president van een centrale bank van zijn ambt te ontheffen.

51.      Deze uitlegging wordt bevestigd door het ontbreken, in artikel 14 van de statuten van het ESCB en van de ECB, van een bepaling als die van artikel 264 VWEU, waarin de rol van de rechter in het kader van het beroep van artikel 263 VWEU wordt vastgesteld door te bepalen dat, indien het beroep gegrond is, de omstreden handeling door de rechter nietig wordt verklaard.

b)      Systematische en teleologische uitlegging

52.      Aangezien de bewoordingen en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB het Hof geen duidelijkheid kunnen bieden over de aard van het beroep van deze bepaling, moet worden gekeken naar de algemene opzet en de context van de regeling waarvan het deel uitmaakt en naar de door die regeling nagestreefde doelstellingen.

53.      Gelet op de structuur van de beroepsmogelijkheden die bij de Verdragen zijn ingevoerd, is het logisch om de beroepsmogelijkheid van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB niet als beroep tot nietigverklaring aan te merken, maar als een declaratoir beroep dat lijkt op het beroep wegens niet-nakoming.

54.      Het stelsel van rechtsmiddelen bij de Unierechter bestrijkt twee gebieden die weliswaar onderling verbonden, maar niettemin duidelijk van elkaar gescheiden zijn. Het eerste is dat van de instellingen, organen en instanties van de Unie, waarvan de handelingen zijn onderworpen aan het toezicht op de rechtmatigheid en aan de bevoegdheid tot nietigverklaring van de Unierechter. Door de uitoefening van die bevoegdheid tot nietigverklaring wordt het gebied van de Uniehandelingen rechtstreeks gewijzigd: de nietig verklaarde handeling sorteert onmiddellijk geen effect meer. Het feit dat artikel 266 VWEU bepaalt dat de uitvoering van een arrest andere maatregelen kan omvatten, die de instelling waarvan de handeling nietig is verklaard, gehouden is te nemen, doet niets af aan deze consequentie van het beroep tot nietigverklaring.

55.      Op het tweede gebied, dat van de lidstaten en hun organen en instellingen, grijpt de Unierechter daarentegen niet rechtstreeks in de nationale rechtsorde in, maar stelt hij enkel de onverenigbaarheid met het Unierecht van een handeling of een rechtssituatie van nationaal recht, en de krachtens de Verdragen op de betrokken lidstaat rustende verplichtingen vast. Dit verschil in aard van de tussenkomst van de rechter weerspiegelt het systemische verschil tussen het gebied van de instellingen, organen en instanties van de Unie en dat van de lidstaten: terwijl de Unierechter rechtstreeks deel uitmaakt van het eerste en er optreedt als instelling van de Unie, blijft hij buiten het tweede, dat voor elke lidstaat een eigen systeem is waarin de nationale organen, daaronder begrepen de rechterlijke instanties, zorg dragen voor de uitvoering van zijn arresten. De lidstaten dienen derhalve zelf hun nationale rechtsorde aan te passen door uit de arresten van het Hof consequenties te trekken voor het bestaan rechtens van de betrokken nationale rechtshandelingen.

56.      Het is overigens in lijn met de scheiding tussen deze twee gebieden dat het Hof in het kader van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB kennis dient te nemen van het besluit van een lidstaat waarbij een president van een centrale bank van zijn ambt is ontheven, en niet van een verzoekschrift van die lidstaat dat ertoe strekt dat het Hof zelf een dergelijke ontheffing verricht. Anders dan is bepaald voor de leden van de instellingen van de Unie(24), is het Hof immers niet bevoegd om zich rechtstreeks uit te spreken over het van het ambt ontheffen van presidenten van nationale centrale banken, aangezien deze uitsluitend door de nationale autoriteiten kunnen worden benoemd en van hun ambt worden ontheven.(25)

57.      Het is dan ook logisch dat artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB bepaalt dat het beroep alleen kan worden ingesteld wegens schending van de Verdragen of van bepalingen ter uitvoering daarvan en niet ook, net als artikel 263, tweede alinea, VWEU, wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften of misbruik van bevoegdheid. Die laatste drie gevallen zijn immers niet relevant voor de toetsing door het Hof van het besluit om een president van een centrale bank van zijn ambt te ontheffen. Dit besluit behoort, wat de formele rechtmatigheid en de bevoegdheid van de opsteller ervan betreft, tot het gebied van de lidstaten, te weten de regels van nationaal recht en het toezicht van de nationale rechterlijke instanties. De toetsing door het Hof betreft enkel de vraag of er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB voor het van het ambt ontheffen van een president.(26)

58.      De uitoefening van een bevoegdheid tot nietigverklaring door de Unierechter in het kader van het beroep van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB zou derhalve de grenzen tussen het gebied van de Unie en dat van de lidstaten doen vervagen.

59.      Het is juist dat de toedeling aan het Hof van de bevoegdheid om een besluit waarbij een president ten onrechte van zijn ambt is ontheven, nietig te verklaren een zeer doeltreffend wapen zou zijn ter bescherming van de doelstelling van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, te weten handhaving van de onafhankelijkheid van de presidenten van de nationale centrale banken.

60.      De nietigverklaring van een handeling van een nationale autoriteit zou evenwel niet alleen een ongebruikelijke, maar ook een zeer vergaande inmenging in de bevoegdheidssfeer en de procedurele autonomie van de lidstaten vormen. Gelet op het constitutionele belang van de in de artikelen 4 en 5 VEU verankerde beginselen van subsidiariteit en bevoegdheidstoedeling, zou de mogelijkheid van een dergelijke inmenging uitdrukkelijk in de Verdragen moeten zijn geregeld.

61.      Bovendien doet het feit dat de Unierechter slechts een declaratoire beslissing en geen beslissing tot nietigverklaring kan geven, niets af aan de rechtskracht van zijn tussenkomst: de lidstaten moeten zich, net als de instellingen, organen en instanties van de Unie, naar zijn arresten voegen.

62.      Indien het Hof, in het kader van het beroep van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, de ontoelaatbaarheid van een besluit om een president van het ambt te ontheffen vaststelt, in plaats van dat besluit nietig te verklaren, zijn de lidstaten derhalve niettemin verplicht om onmiddellijk gevolg te geven aan de beslissing van het Hof. Indien zij dat niet doen, kan de Commissie de procedure van de artikelen 258 tot en met 260 VWEU inleiden, waarin de Verdragen voorzien om de lidstaten ertoe te brengen hun verplichtingen na te komen.

2.      Verwerende partij

63.      Ook uit het oogpunt van de praktische uitvoering ervan is het logisch om het beroep van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB aan te merken als een declaratoir beroep naar het voorbeeld van het beroep wegens niet-nakoming.

64.      Artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB preciseert niet wie de verwerende partij is in het kader van het beroep van die bepaling.

65.      Door het als een beroep wegens niet-nakoming op te vatten kan het beroep betreffende het besluit om de president van een nationale centrale bank van zijn ambt te ontheffen worden geacht te moeten worden gericht tegen de betrokken lidstaat in zijn geheel, waaraan de handelingen van al zijn organen en instanties kunnen worden toegerekend. Het staat dus aan de lidstaat om het besluit om de president van zijn centrale bank van zijn ambt te ontheffen te verdedigen en om de uitvoering van de daaropvolgende uitspraak van het Hof in zijn interne rechtsbetrekkingen te verzekeren.

66.      Dat de gesprekspartner van het Hof niet de lidstaat in zijn geheel zou zijn, maar de autoriteit ervan die de litigieuze maatregel heeft vastgesteld – zoals het geval zou kunnen zijn bij een beroep naar het voorbeeld van het beroep tot nietigverklaring – lijkt bovendien moeilijk voorstelbaar. Zou het dan aan het Hof staan om vast te stellen welke autoriteit op nationaal niveau een besluit heeft genomen om een president van zijn ambt te ontheffen, of om te bepalen of een nationale autoriteit krachtens het nationale recht over een eigen rechtspersoonlijkheid beschikt die losstaat van die van de lidstaat, zodat zij in rechte kan worden betrokken? En wat zou er gebeuren indien het besluit om een president van een nationale centrale bank van zijn ambt te ontheffen niet was genomen door een overheidsdienst, maar door het parlement van de betrokken lidstaat of door een nationale rechterlijke instantie? Deze bespiegelingen laten zien dat het rechtstreeks voor het Hof dagen van een nationale autoriteit met het oog op nietigverklaring van een van de handelingen van die autoriteit niet goed uitvoerbaar is.

67.      Rimšēvičs en de ECB hebben hun beroepen derhalve terecht tegen de Republiek Letland ingesteld.

3.      Voorlopige conclusie

68.      Uit het voorgaande volgt dat de onderhavige beroepen moeten worden opgevat als beroepen die ertoe strekken dat het Hof vaststelt dat de Republiek Letland, door jegens Rimšēvičs bindende maatregelen vast te stellen die hem beletten zijn ambt van president van de Bank van Letland uit te oefenen, de krachtens artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

B.      Bevoegdheid van het Hof om kennis te nemen van de door de KNAB aan Rimšēvičs opgelegde bindende maatregelen

1.      Bevoegdheid van het Hof

69.      Aangezien artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB verwijst naar het „Hof van Justitie”, behoort het bij deze bepaling ingevoerde beroep, binnen het Hof van Justitie van de Europese Unie, tot de bevoegdheid van het Hof en niet tot die van het Gerecht.

70.      Overeenkomstig artikel 19 VEU duiden de begrippen „Hof van Justitie” en „Gerecht” immers de twee rechterlijke instanties aan die samen de instelling „Hof van Justitie van de Europese Unie” vormen. De statuten van het ESCB en van de ECB zijn in lijn met deze terminologie, want de artikelen 35 en 36 ervan verwijzen, voor andere procedures van de ECB bij de rechterlijke instanties van de Unie dan die van artikel 14.2 van die statuten of voor andere specifieke procedures, naar het „Hof van Justitie van de Europese Unie”. Bijgevolg zijn op de algemene gerechtelijke procedures van de ECB bij de rechterlijke instanties van de Unie de gewone regels voor de verdeling van de bevoegdheden van toepassing.

71.      De toedeling van de bevoegdheid om kennis te nemen van het specifieke beroep van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB aan het Hof van Justitie wordt bovendien gerechtvaardigd door het constitutionele belang van de onafhankelijkheid van de presidenten van de centrale banken(27) en door de politieke gevoeligheid van kwesties die verband houden met hun ontheffing van het ambt. Tot slot pleit de noodzaak om snel te beslissen over een geschil betreffende het besluit om een president van zijn ambt te ontheffen, teneinde de goede werking van het ESCB en de ECB te verzekeren, tegen de invoering van een rechtspraak in twee instanties voor het beroep inzake een dergelijk besluit.

2.      Vormen de aan Rimšēvičs opgelegde maatregelen een ontheffing van het ambt in de zin van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB?

72.      De Republiek Letland betoogt dat het Hof niet bevoegd is om op basis van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB kennis te nemen van de door de KNAB aan Rimšēvičs opgelegde bindende maatregelen, omdat deze geen ontheffing van het ambt vormen in de zin van die bepaling. Deze maatregelen dienen er enkel voor te zorgen dat het onderzoek goed verloopt en hebben slechts een voorlopig karakter en een beperkte geldigheidsduur. Zij kunnen, krachtens artikel 249, lid 1, van het Lets wetboek van strafvordering(28), te allen tijde worden gewijzigd of ingetrokken en mogen, volgens artikel 389, lid 1, punt 4, van dit wetboek, maximaal 22 maanden duren. Het begrip ontheffing van het ambt in de zin van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB houdt daarentegen in dat de juridische en institutionele band tussen de betrokken ambtenaar en de instelling wordt verbroken. Die band kan evenwel, wat Rimšēvičs betreft, enkel worden verbroken door het Letse parlement krachtens artikel 22 van de wet betreffende de Bank van Letland.(29)

73.       De ECB en Rimšēvičs stellen daarentegen dat de door de KNAB aan Rimšēvičs opgelegde bindende maatregelen hem daadwerkelijk beletten zijn ambt van president van de Bank van Letland en van lid van de Raad van bestuur van de ECB uit te oefenen. Om een nuttig effect te verlenen aan artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, dat tot doel heeft de onafhankelijkheid van de presidenten van de nationale centrale banken te beschermen tegen elke druk van de lidstaten, moet derhalve worden geoordeeld dat de litigieuze maatregelen op grond van voornoemde bepaling vatbaar zijn voor toetsing door het Hof.

74.      Deze laatste argumentatie overtuigt.

75.      Zonder dat het Hof in casu een uitputtende definitie hoeft te geven van het begrip ontheffing van het ambt in de zin van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, volstaat het aldus te constateren dat deze bepaling haar nuttig effect verliest indien maatregelen als die welke bij het besluit van 19 februari 2018 door de KNAB aan Rimšēvičs zijn opgelegd, niet binnen de werkingssfeer ervan vallen.

76.      Zoals gezegd, beoogt artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB de bescherming van de onafhankelijkheid van de presidenten van de nationale centrale banken en van de Raad van bestuur van de ECB, het belangrijkste besluitvormingsorgaan van deze laatste, als noodzakelijke voorwaarde voor de prijsstabiliteit, de voornaamste doelstelling van het economisch en monetair beleid van de Unie en het ESCB.(30) Een daadwerkelijke bescherming van de onafhankelijkheid van de presidenten van de nationale centrale banken vereist dat de gegrondheid van een nationale maatregel door het Hof kan worden getoetst indien die maatregel concreet tot gevolg heeft dat een president wordt belet om zijn ambt uit te oefenen, los van de formele classificatie van die maatregel in het nationale recht. In lijn met hetgeen hierboven is gezegd over de gevallen waarin het beroep van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en de ECB kan worden ingesteld(31), hoeft het Hof overigens niet te onderzoeken of een maatregel die gevolgen heeft voor de uitoefening van het ambt van president van een nationale centrale bank in het nationale recht formeel gelijkstaat aan een ontheffing van het ambt of dat de daartoe vastgestelde procedures zijn nageleefd.(32)

77.      Het is niet nodig het begrip ontheffing van het ambt in de zin van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB uitputtend te definiëren, maar dit is wel degelijk een autonoom Unierechtelijk begrip waarvan de toepasselijkheid niet afhangt van de vorm van een maatregel en de kwalificatie ervan naar nationaal recht, maar van de inhoud en de concrete gevolgen ervan.

78.      In dit verband gebruiken de Franse en de Letse versie van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, net als andere taalversies van deze bepaling, bewoordingen die suggereren dat er een einde wordt gemaakt aan de uitoefening van het ambt, de vervulling van de post of de ambtstermijn van de betrokken president.(33) Deze constatering kan niet worden verzacht, zoals de ECB voorstelt, door het feit dat de Verdragsbepalingen betreffende het gedwongen ontslag van leden van bepaalde instellingen of organen van de Unie het hebben over „ontslag ambtshalve” in plaats van over „ontheffing van het ambt”, hetgeen volgens de ECB de algemenere aard van dit laatste begrip benadrukt.(34) Dit laatste argument vindt overigens niet in alle taalversies steun.

79.      De tijdelijke aard van een maatregel of het feit dat hij niet tot gevolg heeft dat de juridische en institutionele band tussen de betrokken president en de nationale centrale bank definitief wordt verbroken, kan evenwel niet verhinderen dat die maatregel wordt aangemerkt als ontheffing van het ambt in de zin van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, indien hij de president daadwerkelijk belet zijn ambt uit te oefenen. Indien dit niet het geval was, zouden de lidstaten het verbod van deze bepaling kunnen omzeilen door maatregelen vast te stellen die niet formeel als ontheffing van het ambt worden betiteld, maar in de praktijk hetzelfde effect hebben. Zoals de ECB bovendien terecht aangeeft, kan een schijnbaar tijdelijke maatregel definitief blijken te zijn indien de gevolgen ervan voortduren tot aan het einde van de ambtstermijn van de betrokken president. Voorts is er, zoals zowel de ECB als Rimšēvičs opmerkt, zelfs bij een tijdelijke verhindering van de uitoefening van zijn ambt sprake van druk die wordt uitgeoefend op de president van een nationale centrale bank en dus van een bedreiging voor de onafhankelijkheid van laatstgenoemde, die artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB juist beoogt te voorkomen.

80.      Hieruit volgt dat de in casu bij het besluit van 19 februari 2018 door de KNAB jegens Rimšēvičs vastgestelde bindende maatregelen, te weten het verbod om het ambt van president van de Bank van Letland uit te oefenen en het verbod om het land zonder voorafgaande toestemming te verlaten (voor zover het Rimšēvičs belet om de vergaderingen van de Raad van bestuur van de ECB bij te wonen), moeten worden aangemerkt als ontheffing van het ambt in de zin van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB. In dit verband is de door de Republiek Letland aangevoerde omstandigheid dat de aan Rimšēvičs opgelegde verboden geen belemmering hebben gevormd voor de werking van de Bank van Letland – gesteld dat dit juist is – niet relevant. Artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB beoogt de bescherming van de institutionele en persoonlijke onafhankelijkheid van de presidenten van de nationale centrale banken en van het ambt dat zij binnen het ESCB en de ECB bekleden, en niet alleen de dagelijkse goede werking van de nationale centrale banken.

81.      Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat de Republiek Letland zich ter betwisting van de bevoegdheid van het Hof in casu evenmin met succes kan beroepen op artikel 276 VWEU. Volgens artikel 276 VWEU is het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn taken in verband met de bepalingen van de hoofdstukken 4 („Justitiële samenwerking in strafzaken”) en 5 („Politiële samenwerking”) van titel V van het derde deel van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, niet bevoegd om de geldigheid of de evenredigheid na te gaan van operaties van de politie of van andere instanties belast met wetshandhaving in een lidstaat, noch om zich uit te spreken over de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ter zake van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid.

82.      Zoals de vicepresident van het Hof reeds heeft vastgesteld(35), vallen de in casu aan de orde zijnde maatregelen echter niet onder de justitiële samenwerking van de lidstaten in strafzaken en evenmin onder hun politiële samenwerking. Artikel 276 VWEU belet het Hof derhalve niet om, in het kader van de onderhavige zaken, de door de KNAB aan Rimšēvičs opgelegde bindende maatregelen te toetsen aan de criteria van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB.

83.      Tot slot moet ook het argument van de Republiek Letland worden afgewezen dat het erkennen van de bevoegdheid van het Hof er in casu op neerkomt dat strafrechtelijke immuniteit wordt verleend aan de president van de betrokken centrale bank en dat inmenging plaatsvindt in de nationale strafzaak. Er wordt immers geen strafrechtelijke immuniteit aan Rimšēvičs verleend(36) en evenmin wordt de KNAB of een andere met de wetshandhaving belaste Letse autoriteit belet om een strafrechtelijk onderzoek te verrichten. Er wordt uitsluitend nagegaan of de bindende maatregelen die aan Rimšēvičs zijn opgelegd met het uitdrukkelijke doel om het goede verloop van het onderzoek van de KNAB te verzekeren, gerechtvaardigd zijn ten aanzien van de criteria van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB.

84.      Het is juist dat, indien het Hof tot de slotsom komt dat dit niet het geval is, het mogelijk moet vaststellen dat een maatregel die is opgelegd om het goede verloop van een strafrechtelijk onderzoek te verzekeren, onverenigbaar is met artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB. Indien echter niet vaststaat dat de president van een nationale centrale bank niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat er een onderzoek naar andere feiten kan plaatsvinden zonder dat het nodig is om de president in kwestie te beletten zijn ambt uit te oefenen. Dat neemt evenwel niet weg dat, indien vaststaat dat het goede verloop van een strafrechtelijk onderzoek tegen hem vereist dat de president van een centrale bank wordt belet om zijn ambt uit te oefenen, waarschijnlijk ook vaststaat dat deze niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten.

85.      Het is in elk geval waarschijnlijk dat, in de meeste gevallen, feiten die kunnen aantonen dat een president niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, ook relevant zijn voor het nationale strafrecht. Het lijkt dan ook zeer waarschijnlijk dat er parallel aan de procedure van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB een nationaal strafrechtelijk onderzoek loopt. Dit klemt te meer wanneer ervan wordt uitgegaan dat een president ook zonder strafrechtelijke veroordeling tijdelijk van zijn ambt moet kunnen worden ontheven, indien er bewijzen zijn dat aan de voorwaarden om hem van zijn ambt te ontheffen, is voldaan.(37)

86.      Hieruit volgt dat de Republiek Letland evenmin op goede gronden kan betogen dat de mededeling van gegevens uit het dossier van het strafrechtelijk onderzoek aan het Hof, met het oog op de procedure van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, het goede verloop van dat onderzoek belet. Het is juist dat artikel 375, lid 1, van het Lets wetboek van strafvordering bepaalt dat de gegevens uit het dossier onder het geheim van het onderzoek vallen en niet mogen worden meegedeeld aan andere personen dan de in dat wetboek genoemde.(38) Door dit laatste conform het Unierecht uit te leggen, moet het Hof evenwel, in de uitoefening van de bevoegdheden die hem bij artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB zijn verleend, worden aangemerkt als persoon aan wie het dossier van het onderzoek mag worden meegedeeld. Het Hof is immers geen willekeurige derde, maar de rechter die oordeelt over de verenigbaarheid van nationale maatregelen die de president van een centrale bank beletten zijn ambt uit te oefenen met die statuten. De Republiek Letland heeft overigens niet onderbouwd in hoeverre de mededeling aan het Hof van gegevens uit het dossier van het nationale strafrechtelijke onderzoek het goede verloop van dat onderzoek concreet zou kunnen verstoren.

87.      Uit het voorgaande volgt dat het Hof bevoegd is om op basis van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB kennis te nemen van de bindende maatregelen die bij het besluit van de KNAB van 19 februari 2018 aan Rimšēvičs zijn opgelegd.

C.      Ten gronde

88.      Volgens artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB kan een president van een nationale centrale bank slechts van zijn ambt worden ontheven indien hij niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten. Met andere woorden en omgekeerd, de lidstaten kunnen de president van hun centrale bank niet van zijn ambt ontheffen indien niet aan die voorwaarden, of ten minste aan één ervan, is voldaan.

89.      Uit deze regel vloeien zowel de middelen voort die kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van een beroep tegen een besluit waarbij een president van zijn ambt is ontheven, als de rol van het Hof, waarbij dat beroep aanhangig is.

90.      Zowel de betrokken president als de ECB moet derhalve ter ondersteuning van een beroep krachtens artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB aanvoeren dat de betrokken lidstaat niet heeft aangetoond dat was voldaan aan de voorwaarden voor het van het ambt ontheffen van een president. De rol van het Hof bestaat er bijgevolg in vast te stellen of de betrokken lidstaat rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat aan die voorwaarden was voldaan.

91.      Zoals reeds gezegd, bepaalt artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB dat een beroep tegen het besluit om een president van zijn ambt te ontheffen, kan worden ingesteld „wegens schending van de Verdragen of van bepalingen ter uitvoering daarvan”.(39) Het blijft echter de vraag welke de bepalingen van het Verdrag of de bepalingen ter uitvoering daarvan zouden kunnen zijn waarvan schending kan worden aangevoerd in het kader van een beroep op grond van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, naast dit artikel zelf. Daarbij zou eventueel kunnen worden gedacht aan de bepalingen, waarvan de schending in casu daadwerkelijk door Rimšēvičs wordt aangevoerd, die ertoe strekken de presidenten voor elke druk van de lidstaten te behoeden(40) (aangezien door het ten onrechte van het ambt ontheffen van een president juist een dergelijke druk wordt uitgeoefend). Zoals de ECB heeft voorgesteld, kan ook worden gedacht aan de regels die verband houden met de werking van de Raad van bestuur van de ECB en van het Eurosysteem en, in algemene zin, aan de transversale beginselen van het Unierecht, zoals de plicht tot loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie en de lidstaten.

92.      Hoe dan ook, het is in casu niet nodig om uitputtend vast te stellen van welke bepalingen eventueel schending zou kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van een beroep krachtens artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB. In het kader van de onderhavige zaken volstaat immers de constatering dat zowel Rimšēvičs als de ECB de Republiek Letland in essentie verwijt niet te hebben bewezen dat er met betrekking tot Rimšēvičs was voldaan aan de voorwaarden van die bepaling voor het van het ambt ontheffen van een president (zie hierna onder 1). Volledigheidshave moet nader worden ingegaan op de relevantie van de twee andere regelingen die volgens laatstgenoemde geschonden zijn, te weten Protocol nr. 7 van het VWEU betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (zie hierna onder 2) en een aantal bepalingen van het Letse recht (zie hierna onder 3).

1.      Schending van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB

93.      Rimšēvičs en de ECB betogen dat de Republiek Letland geen bewijs heeft aangedragen dat de aan Rimšēvičs verweten corruptie kan staven. De Republiek Letland heeft derhalve niet aangetoond dat in casu was voldaan aan de voorwaarden van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB voor het van het ambt ontheffen van een president van een centrale bank.

a)      Inleidende opmerkingen

94.      Zoals advocaat-generaal Geelhoed heeft opgemerkt in de zaak Commissie/Cresson(41), is het inherent aan het ambt van de leden van de instellingen van de Unie en van de hoogste overheidsambten in de lidstaten dat degenen die deze ambten bekleden niet aan enig hiërarchisch toezicht zijn onderworpen en niet kunnen worden afgezet om redenen die verband houden met de uitoefening van hun ambt. De bevoegdheid tot het opleggen van sancties voor een eventueel misbruik van bevoegdheid door de bekleder van een dergelijk ambt is derhalve doorgaans toegewezen aan hetzij de instelling waarvan deze lid is, hetzij aan een andere instelling met een gelijkwaardige positie in het constitutionele raamwerk.

95.      In dit verband is reeds vermeld dat de leden van de instellingen van de Unie, voor zover van toepassing (dat wil zeggen met uitzondering van de leden van het Hof van Justitie van de Europese Unie zelf), slechts van hun ambt kunnen worden ontheven door het Hof, op verzoek van hun instelling of een instelling met een gelijkwaardige constitutionele status.(42) Ook al ligt de bewijslast voor niet-nakoming door de betrokkene van zijn verplichtingen bijgevolg bij de instelling die zich erop beroept, het staat uitsluitend aan het Hof om, met gebruikmaking van zijn volledige beoordelingsvrijheid, de juridische kwalificatie van de betrokken feiten te verrichten en vast te stellen dat zij daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Het Hof kan derhalve bij zijn onderzoek van die feiten weliswaar rekening houden met vaststellingen in een uitspraak van een nationale rechter, maar is niet gebonden aan de juridische kwalificatie die in een dergelijke uitspraak aan de feiten is gegeven.(43)

96.      Zoals de ECB heeft opgemerkt, is het Hof niet bevoegd om zich rechtstreeks uit te spreken over het van het ambt ontheffen van presidenten van nationale centrale banken, omdat die presidenten slechts kunnen worden benoemd en van hun ambt kunnen worden ontheven volgens de in hun respectieve lidstaten toepasselijke procedures.(44) In het kader van de bij artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB ingevoerde procedure beslist het Hof derhalve niet rechtstreeks om de bekleder van een ambt van dat ambt te ontheffen, maar onderzoekt het of de betrokken lidstaat de president van zijn centrale bank terecht van zijn ambt heeft ontheven. Dit verschil met de procedures voor het van het ambt ontheffen van leden van de instellingen van de Unie is niettemin slechts procedureel van aard; vanuit inhoudelijk oogpunt zijn de onderzoekscriteria dezelfde, want in beide gevallen moet worden uitgemaakt of is voldaan aan de voorwaarden voor ontheffing van het ambt.

97.      Het Hof moet derhalve eerst de juridische kwalificatie van de aan de betrokken president verweten feiten verrichten, dat wil zeggen vaststellen of die feiten kunnen aantonen dat deze niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of een ernstig tekortschieten vormen in de zin van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB (zie hierna onder b). Zo ja, dan moet het Hof vervolgens, gelet op de door de betrokken lidstaat aangedragen bewijzen en, in voorkomend geval, met behulp van de onderzoeksbevoegdheden die zijn Reglement voor de procesvoering hem verleent, onderzoeken of de aan de betrokken president verweten feiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden (zie hierna onder c).

b)      Begrippen „eisen voor de uitoefening van het ambt van president van een centrale bank” en „ernstig tekortschieten”

98.      Artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB bepaalt dat een president van een centrale bank slechts van zijn ambt kan worden ontheven indien hij niet meer aan de eisen voor de uitoefening van dat ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, zonder evenwel deze begrippen nader te omschrijven.

99.      In casu blijkt uit het besluit van de KNAB van 19 februari 2018, waarbij Rimšēvičs als verdachte is aangemerkt(45), dat laatstgenoemde wordt verweten een bedrag van ten minste 100 000 EUR aan steekpenningen te hebben verlangd en aanvaard van een lid van de raad van bestuur van een bank en in ruil daarvoor te hebben toegezegd om de activiteiten van die bank niet te belemmeren en haar te helpen met adviezen en aanbevelingen ten behoeve van haar samenwerking met de Letse commissie voor de financiële markten en kapitaalmarkten (Finanšu un kapitāla tirgus komisija). Rimšēvičs zou bovendien hebben toegezegd aldus te zullen handelen in het kader van de uitoefening van zijn officiële taken en met gebruikmaking van zijn invloed op de activiteiten van de commissie voor de financiële markten en kapitaalmarkten en van de informatie waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikte.

100. Bij dergelijke beweringen is het niet nodig dat het Hof een uitputtende omschrijving geeft van de begrippen „eisen voor de uitoefening van het ambt van president van een centrale bank” of „ernstig tekortschieten” in de zin van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB. In casu hoeft immers enkel te worden vastgesteld dat de door de KNAB aan Rimšēvičs verweten feiten, te weten corruptie in het kader van de uitoefening van zijn officiële taken en misbruik van zijn ambt in het belang van een particuliere organisatie, in elk geval – indien bewezen – niet alleen een ernstig tekortschieten van de betrokken president vormen, maar ook aantonen dat deze niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet. Anders dan de ECB stelt, valt de onderhavige zaak derhalve niet alleen onder de tweede, maar ook onder de eerste hypothese van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB.

101. Enerzijds staat vast, ook zonder te proberen een uitputtende definitie te geven van de eisen voor de uitoefening van het ambt van president van een nationale bank, dat onafhankelijkheid in elk geval de onaantastbare harde kern ervan vormt.(46) Zoals reeds twee keer gezegd, is de onafhankelijkheid van de nationale centrale banken, die lid zijn van het ESCB en van de Raad van bestuur van de ECB als belangrijkste besluitvormingsorgaan ervan en van het Eurosysteem, in het VWEU neergelegd als noodzakelijk corollarium van de prijsstabiliteit, de hoofddoelstelling van het economisch en monetair beleid van de Unie en van het ESCB.(47) Daarom bepalen artikel 130 VWEU en artikel 7 van de statuten van het ESCB en van de ECB uitdrukkelijk dat het aan de leden van de besluitvormende organen van de ECB en van de nationale centrale banken niet is toegestaan om bij de uitoefening van de bevoegdheden en het vervullen van de taken en plichten die bij het Verdrag en de statuten van het ESCB en van de ECB aan hen zijn opgedragen, instructies te vragen dan wel te aanvaarden van welk orgaan dan ook.

102. Verder is onafhankelijkheid de voornaamste kwaliteit die wordt vereist van de leden van alle instellingen van de Unie.(48) Zoals het Hof heeft geoordeeld met betrekking tot de leden van de Commissie is het, gelet op de grote verantwoordelijkheid die hun is toevertrouwd, belangrijk dat zij voldoen aan de hoogste maatstaven van gedrag, hetgeen met name inhoudt dat zij hun ambt volkomen onafhankelijk en in het algemeen belang van de Unie uitoefenen en dit algemeen belang te allen tijde laten prevaleren boven persoonlijke belangen.(49)

103. Hieruit volgt dat een president van een centrale bank die schuldig is bevonden aan feiten als die welke in casu aan Rimšēvičs worden verweten, daardoor geen blijk meer geeft van de voor de uitoefening van zijn ambt vereiste onafhankelijkheid.

104. Anderzijds verwijst, zoals de ECB terecht opmerkt, het begrip „ernstig tekortschieten” in de tuchtrechtelijke bepalingen van de Unie naar een onrechtmatige gedraging van de bekleder van een ambt die voldoende ernstig is om deze van zijn ambt te ontheffen.(50)

105. De in casu aan Rimšēvičs verweten corruptie, die – indien bewezen – in strijd is met artikel 320, lid 4, van het Lets wetboek van strafrecht, is, gelet op het fundamentele belang van het beginsel van onafhankelijkheid van de presidenten van de centrale banken, ernstig genoeg om de ontheffing van het ambt van een president te rechtvaardigen en bijgevolg een ernstig tekortschieten te vormen in de zin van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB.

106. Uit het voorgaande volgt dat indien de aan Rimšēvičs verweten feiten worden bewezen, dient te worden geoordeeld dat de voorwaarden van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB om hem van zijn ambt te ontheffen, zijn vervuld. Thans moet dus worden onderzocht of de Republiek Letland de aan Rimšēvičs verweten feiten rechtens genoegzaam heeft bewezen.

c)      Bewijs dat is vereist om aan te tonen dat is voldaan aan de voorwaarden voor het van het ambt ontheffen van een president

107. Zoals de ECB terecht opmerkt, moeten feiten als die welke de Republiek Letland in casu aanvoert in beginsel worden bevestigd door een door een onafhankelijke rechterlijke instantie gewezen uitspraak ten gronde om door het Hof als bewezen te kunnen worden aangemerkt voor de toepassing van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB (zie hierna onder 1). Bij gebreke van een dergelijke uitspraak moet het Hof over voldoende bewijsmiddelen beschikken om de vaste overtuiging te staven dat de aan de betrokken president verweten feiten hebben plaatsgevonden (zie hierna onder 2).

1)      Uitspraak ten gronde gewezen door een onafhankelijk gerecht

108. Indien de juistheid van de aan de betrokken president verweten feiten is bevestigd door een door een onafhankelijk gerecht gewezen uitspraak ten gronde, dient die president bewijsmiddelen aan te dragen die kunnen aantonen dat er, wegens structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de betrokken lidstaat betreft en gelet op zijn persoonlijke situatie, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat zijn recht op een eerlijk proces is geschonden en de uitspraak in kwestie berust op onjuiste vaststellingen van de feiten.(51) Bij gebreke van dergelijke bewijsmiddelen zou het Hof, overeenkomstig het beginsel van wederzijds vertrouwen en de eerbiediging, door alle lidstaten, van het Unierecht en de door dat recht erkende grondrechten(52), de door de uitspraak bewezen verklaarde feiten als vaststaand kunnen beschouwen, zonder zelf het bewijs te beoordelen.

109. In casu is er echter nog niet door een onafhankelijk gerecht een uitspraak ten gronde gedaan over de door de KNAB aan Rimšēvičs verweten feiten. Bijgevolg hoeft niet te worden ingegaan op de door de ECB opgeworpen vraag of een nog niet definitieve uitspraak in eerste aanleg kan volstaan om feiten die in het kader van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB zijn aangedragen, bewezen te achten.

110. Hoe dan ook, in casu heeft Rimšēvičs tegen de door de KNAB bij het besluit van 19 februari 2018 aan hem opgelegde maatregelen(53) beroep ingesteld bij de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa, waarover laatstgenoemde op 27 februari 2018 een beslissing heeft gegeven(54) die deel uitmaakt van de aan het Hof overgelegde gegevens. Uit deze beslissing blijkt dat het beroep in kwestie is ingesteld op basis van artikel 262 van het Lets wetboek van strafvordering, dat het mogelijk maakt om beroep in te stellen tegen bindende maatregelen als die welke in casu aan de orde zijn, op grond dat het voor de betrokkene onmogelijk is om aan die maatregelen te voldoen.(55)

111. Volgens Rimšēvičs en de ECB onderzoekt de rechter bij wie een dergelijk beroep aanhangig is, echter alleen de gepastheid en de evenredigheid van de betrokken bindende maatregelen ten opzichte van het ten laste gelegde strafbare feit en het nagestreefde doel (dat wil zeggen, bijvoorbeeld, het goede verloop van het onderzoek of het voorkomen van verdere schade), en de bescherming van de grondrechten van de betrokkene. Daarentegen wordt geen onderzoek verricht naar de gegrondheid van de verwijten aan het adres van laatstgenoemde of naar de juistheid van de feiten waarop deze zijn gegrond. De motivering van de beslissing van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa van 27 februari 2018 betreft namelijk alleen de gegrondheid van de bindende maatregelen ten opzichte van de verwijten aan het adres van Rimšēvičs, maar niet de gegrondheid van die verwijten ten opzicht van eventuele bewijzen.

112.  Het is juist dat uit artikel 262, lid 3, van het Lets wetboek van strafvordering blijkt dat de met het onderzoek van het krachtens deze bepaling ingestelde beroep belaste rechter om overlegging van gegevens uit het dossier van het strafrechtelijk onderzoek kan vragen en om een nadere uitleg van de met het onderzoek belaste persoon of van de persoon die het beroep heeft ingesteld. Bovendien bevat de beslissing van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa van 27 februari 2018 de vermelding „gelet op de gegevens in het dossier van het strafrechtelijk onderzoek nr. [...]”.(56) Bijgevolg kan niet worden uitgesloten dat de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa die het beroep in kwestie heeft onderzocht, bewijsmateriaal heeft gezien dat afkomstig is uit het dossier van het strafrechtelijk onderzoek.

113. In de beslissing van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa van 27 februari 2018 wordt evenwel geen melding gemaakt van enige beoordeling van bewijsmiddelen en evenmin van een bevestiging van de juistheid van feiten op basis van dergelijke bewijsmiddelen. Deze beslissing heeft het namelijk enkel over „informatie over de feiten afkomstig uit de processtukken in het dossier [van het strafrechtelijk onderzoek]”.(57) Derhalve kan niet worden uitgesloten dat de gegevens in het dossier van het strafrechtelijk onderzoek die aan de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa zijn verstrekt, net als de aan het Hof verstrekte gegevens(58), alleen bestaan uit door onderzoeksinstanties opgestelde processtukken die een beschrijving van de feiten bevatten zonder enig bewijs waaruit de juistheid van die feiten blijkt.

114. Bovendien heeft de Republiek Letland, hoewel zij hier ter terechtzitting uitdrukkelijk naar is gevraagd, geen enkel bewijs aangedragen waarmee de stelling van Rimšēvičs en van de ECB kan worden weerlegd dat de toetsing van de bindende maatregelen door de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa geen betrekking heeft gehad op de gegrondheid van de verwijten aan het adres van Rimšēvičs en op de juistheid van de feiten aan de basis ervan. De Republiek Letland heeft evenmin bewijzen aangedragen, of zelfs maar een uitleg gegeven, ter ondersteuning van haar standpunt dat het Hof de beslissing van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa van 27 februari 2018 kan erkennen als bewijs van de aan Rimšēvičs verweten feiten en bijgevolg de beoordeling van het bewijs en de vaststelling van de juistheid van die feiten achterwege kan laten.

115. Het Hof kan zich ter vaststelling van de juistheid van de aan Rimšēvičs verweten feiten des te minder baseren op de beslissing van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa van 27 februari 2018 daar Rimšēvičs stelt dat hij ten tijde van die beslissing en zelfs tot op heden geen toegang heeft gehad tot bewijs dat de grieven tegen hem kan staven. De Republiek Letland heeft die stelling niet tegengesproken. Dus zelfs als de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa toegang heeft gehad tot bepaalde bewijzen in het dossier van het strafrechtelijk onderzoek, kan niet worden vastgesteld of hij deze heeft beoordeeld in een procedure op tegenspraak waarin de rechten van verdediging van Rimšēvičs waren gewaarborgd.

116. Over de aan Rimšēvičs opgelegde bindende maatregelen is voorts op 22 augustus 2018 beslist door de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas pilsētas Vidzemes priekšpilsētas tiesa.(59) Deze beslissing volgde op een klacht waarbij Rimšēvičs was opgekomen tegen de wijze waarop de Letse autoriteiten gevolg hadden gegeven aan de beschikking in kort geding van de vicepresident van het Hof van 20 juli 2018, ECB/Letland(60). De met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas pilsētas Vidzemes priekšpilsētas tiesa heeft die klacht gedeeltelijk toegewezen door te oordelen dat de aan Rimšēvičs opgelegde bindende maatregelen niet konden worden uitgevoerd als gevolg van tegenstrijdigheden in de bewoordingen ervan. Daarop hebben de Letse autoriteiten een nieuw besluit vastgesteld waarbij de aan de orde zijnde bindende maatregelen zijn gewijzigd.(61)

117. Uit de beslissing van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas pilsētas Vidzemes priekšpilsētas tiesa van 22 augustus 2018 blijkt dat diens toetsing zich eveneens heeft beperkt tot de mogelijkheid om de litigieuze bindende maatregelen uit te voeren. Dus zelfs al zou deze rechter stukken afkomstig uit het dossier van het strafrechtelijk onderzoek hebben ontvangen, blijkt niet dat hij de gegrondheid van de feitelijke beweringen tegen Rimšēvičs heeft onderzocht.

118. Bijgevolg mag het Hof zich ter vaststelling van de juistheid van de aan Rimšēvičs verweten feiten niet baseren op de beslissing van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa van 27 februari 2018 en evenmin op die van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas pilsētas Vidzemes priekšpilsētas tiesa van 22 augustus 2018.

2)      Bewijs dat voor het Hof volstaat om zich van de juistheid van de feiten te kunnen vergewissen

119. Zoals de ECB terecht betoogt, mag een door een onafhankelijk gerecht gewezen uitspraak ten gronde evenwel niet het enige middel zijn dat een lidstaat ter beschikking staat om, in het kader van een procedure uit hoofde van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, de juistheid aan te tonen van feiten die, volgens hem, de ontheffing van het ambt van de president van zijn centrale bank rechtvaardigen.

120.  Door te voorzien in de mogelijkheid om in strikt omschreven gevallen een president van een centrale bank van zijn ambt te ontheffen, beschermt artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB niet alleen de onafhankelijkheid van de presidenten van de nationale centrale banken, maar ook de goede werking van het ESCB en de ECB. Het feit dat een president van een centrale bank die schuldig is aan feiten als die welke aan Rimšēvičs worden verweten, zijn ambt blijft uitoefenen, blijft deelnemen aan de besluitvorming en toegang blijft hebben tot informatie binnen zijn centrale bank, het ESCB en de Raad van bestuur van de ECB, vormt immers een ernstige bedreiging voor de goede werking van deze instellingen. Het onderzoek en de procedure die leiden tot een veroordelende uitspraak ten gronde door een gerecht kunnen evenwel tijdrovend zijn.

121. Ter bescherming van de goede werking van het ESCB en van de ECB moet het derhalve mogelijk zijn om een president tijdelijk van zijn ambt te ontheffen in afwachting van de uitkomst van een strafzaak indien er bewijs is dat, op zichzelf en niet alleen met behulp van aannames, het bestaan van de gestelde feiten aantoont. Dergelijk bewijs moet voldoende nauwkeurig en onderling samenhangend zijn om de vaste overtuiging van het Hof te staven dat die feiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.(62)

122. Hieruit volgt dat in uitzonderlijke omstandigheden als die welke in casu door de Republiek Letland zijn aangevoerd, het Hof tot de slotsom kan komen dat is voldaan aan de voorwaarden voor het van het ambt ontheffen van een president van een centrale bank, indien de lidstaat hem bewijzen voorlegt die staven dat die president zich schuldig heeft gemaakt aan feiten waaruit blijkt dat hij niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten in de zin van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB.

123. Om te beginnen staat vast dat in casu de Republiek Letland geen dergelijk bewijs heeft overgelegd. Het Hof beschikt derhalve niet over gegevens die hem in staat stellen na te gaan of de door de KNAB met betrekking tot Rimšēvičs aangevoerde feiten gegrond zijn.

124. De Republiek Letland heeft aldus, in eerste instantie, geen enkel bewijs aangedragen tot staving van haar aanvankelijke schrifturen in de zaken C‑202/18 en C‑238/18.(63) Daarom heeft het Hof haar tijdens de gemeenschappelijke terechtzitting in die zaken verzocht om hem binnen acht dagen alle documenten te verstrekken die de aan Rimšēvičs opgelegde bindende maatregelen konden rechtvaardigen.(64) Bij dat verzoek heeft het Hof uitdrukkelijk gewezen op het belang van de overlegging van deze documenten, die moesten dienen als motivering voor en bewijs van de gegrondheid van het aan de orde zijnde besluit. Het Hof heeft de Republiek Letland daarom aangeraden de aan hem te verstrekken documenten met de nodige zorg uit te kiezen.

125. Daarop heeft de Republiek Letland 44 documenten van in totaal ongeveer 270 bladzijden aan het Hof overgelegd, bestaande uit, enerzijds, een aantal processtukken met betrekking tot de aanmerking van Rimšēvičs als verdachte, de oplegging van de bindende maatregelen en zijn inbeschuldigingstelling(65), en, anderzijds, correspondentie tussen de KNAB, de Bank van Letland, de ECB en de Duitse overheid over de activiteiten van Rimšēvičs binnen de ECB en de besluiten die de ECB heeft genomen met betrekking tot de bank in het voordeel waarvan Rimšēvičs zou hebben gehandeld. Onder die documenten bevonden zich een aantal vrij omvangrijke stukken die in tweevoud en in verschillende taalversies zijn overgelegd.

126. Naast de twee reeds geanalyseerde beslissingen van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechters(66) en louter administratieve documenten, bestaan de door de Republiek Letland overgelegde stukken dus uitsluitend uit door overheidsinstanties opgestelde documenten over de rol en de vermeende praktijken van Rimšēvičs.

127. Het is juist dat deze documenten een opsomming van de door de Letse autoriteiten geuite verwijten en beschuldigingen bevatten en een beschrijving van de aan Rimšēvičs verweten feiten. Zij geven het Hof bovendien een beeld van het verloop van de gebeurtenissen en procedures die in Letland hebben plaatsgevonden na de aanhouding van Rimšēvičs op 17 februari 2018, en van de communicatie tussen de Letse opsporingsinstanties, de Bank van Letland en de ECB, met een mate van gedetailleerdheid die gaat tot aan brieven ter toezending van stukken tussen overheidsdiensten, de rekening van een vertaler en diverse vertaalverzoeken.

128. Deze documenten bevatten echter geen feitelijke gegevens die de beweringen van de Letse autoriteiten kunnen staven en bijgevolg het bestaan van de aan Rimšēvičs verweten feiten kunnen bewijzen.

129. Volgens het besluit van de KNAB van 19 februari 2018, waarbij Rimšēvičs als verdachte is aangemerkt(67), omvat het bewijsmateriaal dat de geuite verwijten staaft, audio-opnamen en transcripties van telefoongesprekken, getuigenverklaringen, in beslag genomen voorwerpen en processen-verbaal van inspecties. Vast staat dat geen enkel bewijs van dit soort is overgelegd aan het Hof.

130. Zoals de ECB terecht opmerkt, kan dus niet op grond van de overgelegde documenten, zelfs niet met behulp van vermoedens, tot de slotsom worden gekomen dat de aan Rimšēvičs verweten praktijken, samengevat in punt 99 hierboven, hebben plaatsgevonden. Gesteld dat er bewijsmateriaal bestaat dat de juistheid van deze feiten kan aantonen, bevindt het zich niet tussen de door de Republiek Letland aan het Hof overgelegde documenten.

131. Zonder dat het zelfs maar nodig is om de voorwaarden voor ontvankelijkheid van het bewijs te bepalen of de wijze waarop het bewijs door het Hof moet worden beoordeeld in het kader van de procedure van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, staat dus vast dat het Hof niet kan nagaan of is voldaan aan de voorwaarden die deze bepaling voor het van het ambt ontheffen van een president van een centrale bank stelt. Omdat elk bewijs ontbreekt, kan het Hof niet nagaan of de feiten die de Republiek Letland heeft aangevoerd om aan te tonen dat Rimšēvičs ernstig is tekortgeschoten en dus niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet, juist zijn.

132. Zoals het Hof op andere gebieden reeds heeft vastgesteld, vereist de doeltreffendheid van het rechterlijk toezicht binnen de rechtsorde van de Unie dat de redenen voor bezwarende besluiten aan de bevoegde rechter worden meegedeeld, opdat laatstgenoemde zijn toezicht ten volle kan uitoefenen.(68) De doeltreffendheid van dit rechterlijk toezicht vereist een onderzoek van de in de motivering van een besluit aangevoerde feiten, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen zijn gestaafd.(69)

133. Om het Hof in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen, had de Republiek Letland hem in casu dus niet alleen stukken moeten verstrekken die zijn opgesteld met het oog op het onderzoek naar en de inbeschuldigingstelling van Rimšēvičs door de Letse autoriteiten, maar ook bewijsmateriaal dat op zichzelf aantoont dat de aangevoerde feiten zich hebben voorgedaan. Het loutere bestaan van lopende strafvervolgingen die nog niet hebben geleid tot feitelijke vaststellingen in een rechterlijke uitspraak, kan niet worden gelijkgesteld met vaststaande feiten.(70)

134. Anders dan het geval is voor feiten die zijn vastgesteld in een arrest ten gronde gewezen door een onafhankelijk gerecht(71), mag het Hof feiten waarvan alleen door overheidsinstanties wordt beweerd dat zij zich hebben voorgedaan, immers niet als vaststaand aanvaarden. Dergelijke instanties genieten niet dezelfde organisatorische en functionele onafhankelijkheid als rechters en nemen hun beslissingen niet na een procedure op tegenspraak met de waarborgen van een doeltreffende voorziening in rechte.(72) Het als vaststaand aanvaarden van door een overheidsinstantie aangevoerde feiten zonder toetsing van het bestaan ervan zou derhalve aan de betrokken justitiabelen het recht op een doeltreffende rechterlijke toetsing onthouden en, in casu, de bij artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB ingevoerde beroepsmogelijkheid uithollen en haar nuttig effect ontnemen.

135. Ook al voert de Republiek Letland in haar schrifturen elementen aan die kunnen aantonen dat de KNAB bij de uitvoering van haar taken over een zekere mate van onafhankelijkheid beschikt, vast staat dat de KNAB deel uitmaakt van de uitvoerende macht en zeker niet mag worden gelijkgesteld met een onafhankelijke rechterlijke instantie.(73) Er is niet aangetoond of zelfs maar aangevoerd dat dit anders is voor het bureau van de procureur-generaal van de Republiek Letland. Dit heeft bovendien, zoals Rimšēvičs beklemtoont, vooralsnog alleen een besluit houdende inbeschuldigingstelling genomen, maar het onderzoek nog niet afgesloten en de zaak nog niet naar een rechter verwezen.

136. Derhalve moet tot de slotsom worden gekomen dat de Republiek Letland het Hof niet het bewijs heeft overgelegd dat nodig is om de jegens Rimšēvičs vastgestelde maatregelen te rechtvaardigen.

137. Voorts kan, zoals gezegd, de Republiek Letland zich niet op de vertrouwelijkheid van de gegevens in het dossier van het strafrechtelijk onderzoek beroepen ter rechtvaardiging van het feit dat zij geen bewijs aan het Hof heeft overgelegd dat haar beweringen over Rimšēvičs kan staven.(74) Bovendien heeft het Hof ter terechtzitting aan de Republiek Letland te kennen gegeven dat er op andere gebieden een uitzonderlijke en strikt omkaderde mogelijkheid bestaat om het aan de Unierechter overgelegde bewijs niet aan de betrokkene mee te delen.(75) Op dit punt heeft de ECB aangegeven dat zij bereid was af te zien van haar recht op toegang tot het dossier, indien de integriteit van het strafrechtelijk onderzoek een vertrouwelijke behandeling vereiste van eventuele inlichtingen die de Republiek Letland aan het Hof zou verstrekken. De Republiek Letland heeft echter geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid tot vertrouwelijke behandeling van eventueel aan het Hof over te leggen bewijs en heeft evenmin dwingende redenen aangevoerd die een dergelijke vertrouwelijke behandeling konden rechtvaardigen.

138. Tot slot stellen de artikelen 24 tot en met 30 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering het Hof een arsenaal van maatregelen van instructie ter beschikking, waaronder met name, naast het verzoek om inlichtingen en om overlegging van stukken, de comparitie van partijen, het getuigenbewijs en de plaatsopneming. Het Hof is evenwel niet verplicht om ambtshalve dergelijke maatregelen aan te wenden bij gebreke van enig bewijsaanbod of zelfs van enige aanwijzing in die zin van de zijde van de betrokken lidstaat. In casu heeft de Republiek Letland het Hof niet gewezen op het nut van welke maatregel van instructie dan ook.

139. In lijn met hetgeen hierboven is gezegd over de aard van het onderhavige beroep en van het feit dat de verwerende partij de betrokken lidstaat in zijn geheel is(76), kan het Hof zich bovendien evenmin rechtstreeks richten tot entiteiten binnen die lidstaat, zoals in casu bijvoorbeeld de KNAB, om hun rechtstreeks om inlichtingen te vragen. Althans in het kader van de procedure uit hoofde van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB kunnen aan de staat ondergeschikte entiteiten dus niet worden gelijkgesteld met de instellingen, organen of instanties die het Hof krachtens artikel 24 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan verzoeken om alle inlichtingen te verstrekken die het nodig acht.

d)      Voorlopige conclusie

140. Uit het voorgaande volgt dat de aan Rimšēvičs verweten feiten, indien bewezen, kunnen aantonen dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB voor het van het ambt ontheffen van een president van een centrale bank.

141. De Republiek Letland heeft evenwel geen enkel bewijs overgelegd waaruit het bestaan van deze feiten blijkt. Het Hof kan derhalve niet nagaan of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB om Rimšēvičs van zijn ambt te ontheffen.

142. Hieruit volgt dat de Republiek Letland in strijd met artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB heeft gehandeld door Rimšēvičs van zijn ambt te ontheffen zonder aan te tonen dat aan de voorwaarden van die bepaling was voldaan. Het middel van Rimšēvičs en van de ECB inzake schending van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB door de Republiek Letland moet dus worden aanvaard.

2.      Vermeende schending van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie

143. Rimšēvičs betoogt dat zijn ontheffing van het ambt van president van de Bank van Letland de immuniteit schendt die hij als lid van de Raad van bestuur van de ECB geniet uit hoofde van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie dat krachtens artikel 22, eerste alinea, ervan, eveneens van toepassing is op de ECB, de leden van haar organen en haar personeel.

144. Volgens artikel 11, onder a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie zijn de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie op het grondgebied van elk der lidstaten vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven. Ook al heeft deze bepaling het enkel over „vrijstelling van rechtsvervolging”(77), er kan niet worden uitgesloten dat deze vrijstelling, althans in gevallen waarbij leden van het hoger personeel zijn betrokken, aldus wordt uitgelegd dat zij laatstgenoemden ook vrijstelt van strafvervolging.(78) Gelet op het belang van de onafhankelijkheid van de leden van de Raad van bestuur van de ECB(79), lijkt het overigens logisch dat dezen niet kunnen worden onderworpen aan vervolgingen die maatregelen inhouden als die welke door de KNAB jegens Rimšēvičs zijn vastgesteld, te weten plaatsing in voorlopige hechtenis of inspecties(80), zonder dat de Raad van bestuur van de ECB een besluit houdende opheffing van immuniteit heeft genomen.

145. De immuniteit die aan de leden van de Raad van bestuur van de ECB is verleend bij Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie moet worden onderscheiden van de bescherming tegen ontheffing van het ambt die de presidenten van de nationale centrale banken genieten krachtens de statuten van het ESCB en van de ECB. Als het erom gaat een president van zijn ambt te ontheffen, wordt diens onafhankelijkheid gewaarborgd door artikel 14.2 van die statuten, dat als lex specialis voorrang heeft boven de algemene bepalingen van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie. Indien aan de voorwaarden van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB is voldaan – hetgeen het Hof in voorkomend geval dient na te gaan – kan een president dus van zijn ambt worden ontheven zonder dat er tevens een besluit houdende opheffing van zijn immuniteit hoeft te worden genomen. Schending van de bepalingen van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie kan in het kader van een beroep op grond van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB dus niet als zodanig worden ingeroepen tegen het besluit om een president van zijn ambt te ontheffen.

146. De bij Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie aan de presidenten verleende immuniteit beschermt hen evenwel tegen strafvervolgingen die los van een besluit houdende ontheffing van het ambt zijn ingesteld, vóór de vaststelling ervan(81), of wanneer een dergelijk besluit is ingetrokken nadat tegen dat besluit was opgekomen bij het Hof. Een dergelijke immuniteit zou derhalve relevant kunnen blijken in het kader van een beroep betreffende het besluit om een president van zijn ambt te ontheffen, indien het door de betrokken lidstaat ter ondersteuning van dat besluit aangedragen bewijs in strijd met die immuniteit was verkregen.

147. Het is in casu niet nodig om in te gaan op de ontvankelijkheid van eventueel bewijs dat in strijd met de immuniteit van Rimšēvičs zou zijn verkregen vóór zijn ontheffing van het ambt, aangezien de Republiek Letland hoe dan ook geen bewijs heeft aangedragen, zodat geen uitspraak hoeft te worden gedaan over de grief van Rimšēvičs inzake schending van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie.

148. De bij dit protocol aan Rimšēvičs verleende immuniteit kan daarentegen weer relevant worden indien hij in zijn ambt wordt hersteld naar aanleiding van een uitspraak van het Hof waarin wordt vastgesteld dat niet was voldaan aan de voorwaarden om hem van zijn ambt te ontheffen.

149. De ECB voert in dit verband aan dat de door Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie aan Rimšēvičs verleende immuniteit enkel betrekking heeft op de handelingen die hij in zijn hoedanigheid van lid van de Raad van bestuur van de ECB heeft verricht, terwijl Rimšēvičs de handelingen die de Letse autoriteiten hem verwijten louter heeft verricht in zijn hoedanigheid van president van de Bank van Letland. Met name was de bank ten gunste waarvan Rimšēvičs zou hebben gehandeld, Trasta Komercbanka, onderworpen aan het rechtstreeks prudentieel toezicht van de Letse commissie voor de financiële markten en kapitaalmarkten. De ECB heeft derhalve geen enkel prudentieel besluit over die bank genomen, met uitzondering van het besluit van 2016 houdende intrekking van haar vergunning. Bovendien had de Raad van bestuur van de ECB dat besluit enkel voorbereid en vastgesteld in het kader van een procedure van geen bezwaar die geen uitdrukkelijke instemming van zijn leden behoefde.(82)

150. Overeenkomstig verordening nr. 1024/2013 en ondanks het in het vorige punt weergegeven bezwaar van de ECB is de Raad van bestuur van de ECB evenwel op zijn minst betrokken bij het prudentieel toezicht op kredietinstellingen als Trasta Kommercbanka en verantwoordelijk voor het nemen van besluiten over hun vergunning. Gelet op de door de KNAB aan Rimšēvičs verweten feiten(83), mag derhalve niet bij voorbaat worden uitgesloten dat het onderzoek van de KNAB, en thans het onderzoek van de openbaar aanklager van het bureau van de procureur-generaal van de Republiek Letland, tevens betrekking hebben op handelingen die Rimšēvičs in de uitoefening van zijn ambt van lid van de Raad van bestuur van de ECB heeft verricht.

3.      Vermeende schending van het Letse recht

151. Rimšēvičs betoogt dat de KNAB, door hem bij het besluit van 19 februari 2018 de litigieuze bindende maatregelen op te leggen, in strijd heeft gehandeld met de wet betreffende de Bank van Letland en het Lets wetboek van strafvordering.

152. Enerzijds heeft de KNAB inbreuk gemaakt op de ter omzetting van de relevante bepalingen van het VWEU vastgestelde wet betreffende de Bank van Letland, aangezien deze de ontheffing van het ambt van president van de Bank van Letland alleen toestaat in enkele strikt omschreven gevallen en uitsluitend bij besluit van het parlement van de Republiek Letland.

153. Anderzijds heeft de KNAB inbreuk gemaakt op het Lets wetboek van strafvordering, aangezien met betrekking tot Rimšēvičs niet is voldaan aan de voorwaarden voor oplegging van bindende maatregelen, te weten het risico dat een persoon het onderzoek belemmert of andere strafbare feiten pleegt. Rimšēvičs heeft van meet af aan actief medewerking verleend aan de onderzoekers. Voorts beschikt Rimšēvičs, in het kader van zijn bevoegdheden als president van de Bank van Letland, hoe dan ook niet over het vermogen om zijn invloed ten gunste van een bepaalde bank aan te wenden, zoals hem wordt verweten. Ten slotte was de aanhouding van Rimšēvičs onrechtmatig omdat evenmin was voldaan aan de door het wetboek van strafvordering gestelde voorwaarden voor een dergelijke aanhouding.

154. Om te beginnen moet, voor zoveel als nodig, worden opgemerkt dat het Hof in casu enkel kennis dient te nemen van de door de KNAB bij het besluit van 19 februari 2018 aan Rimšēvičs opgelegde bindende maatregelen, die niet de aanhouding van laatstgenoemde omvatten. Het Hof is derhalve niet gevraagd om de regelmatigheid van de aanhouding van Rimšēvičs te beoordelen.(84)

155. Vervolgens moeten de grieven inzake schending van het Letse recht worden afgewezen zonder dat het Hof hoeft in te gaan op de gegrondheid ervan.

156. De toelaatbaarheid van de ontheffing van het ambt van een president van een nationale centrale bank moet immers uitsluitend worden getoetst aan het Unierecht en inzonderheid aan de voorwaarden van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, die autonoom moeten worden uitgelegd teneinde de eenvormige toepassing ervan te verzekeren.(85)

157. Indien aan de voorwaarden van deze bepalingen is voldaan – hetgeen het Hof in voorkomend geval dient na te gaan – kan een president van een nationale centrale bank derhalve van zijn ambt worden ontheven los van eventuele andere voorwaarden die door het nationale recht voor een dergelijke ontheffing worden gesteld. In het omgekeerde geval, indien niet aan die voorwaarden is voldaan, kan een president van een centrale bank niet van zijn ambt worden ontheven, ook al zijn de daartoe door het nationale recht vastgestelde voorwaarden of procedures nageleefd.

158. Of een president van een centrale bank van zijn ambt is ontheven middels de „officiële” door het betrokken nationale recht daartoe vastgestelde procedure of middels een andere maatregel is dus irrelevant voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van een dergelijke ontheffing van het ambt ten aanzien van het Unierecht. Dit klemt temeer daar, zoals gezegd(86), het begrip ontheffing van het ambt in de zin van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB een autonoom Unierechtelijk begrip is dat niet samenhangt met de vorm van een maatregel of de kwalificatie ervan naar nationaal recht, maar met de inhoud en de concrete gevolgen ervan.

159. Zoals ook reeds is uiteengezet(87), moet het, indien er voldoende bewijs is dat is voldaan aan de materiële voorwaarden van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB om een president van zijn ambt te ontheffen, mogelijk zijn die president tijdelijk van zijn ambt te ontheffen in afwachting van de uitkomst van een strafzaak of van de „officiële” procedure voor ontheffing van het ambt waarin het nationale recht voorziet.

160. Uit het voorgaande volgt dat de grief van Rimšēvičs inzake schending van de wet betreffende de Bank van Letland en het Lets wetboek van strafvordering niet ter zake dient en bijgevolg moet worden afgewezen.

D.      Voorlopige conclusie

161. Zoals gezegd(88), volgt uit het onderzoek van de onderhavige zaken dat de Republiek Letland geen bewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat de aan Rimšēvičs verweten feiten hebben plaatsgevonden. Het Hof kan dus onmogelijk nagaan of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB om Rimšēvičs te ontheffen van zijn ambt van president van de Bank van Letland.

162. Overeenkomstig hetgeen hierboven is opgemerkt over de aard van de onderhavige beroepen(89), moet bijgevolg worden vastgesteld dat de Republiek Letland, door Rimšēvičs van zijn ambt te ontheffen zonder aan te tonen dat was voldaan aan de voorwaarden van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, de krachtens die bepaling op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

VI.    Proceskosten

163. Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.

164. Uit het voorgaande volgt dat de Republiek Letland in de onderhavige zaken de in het ongelijk te stellen partij is.

165. Bovendien heeft de ECB in zaak C‑238/18 verzocht om de Republiek Letland in de kosten te verwijzen. Derhalve dient in zaak C‑238/18 de Republiek Letland te worden verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van de ECB. Dit geldt ook voor de kosten van de procedure in kort geding die heeft geleid tot de beschikking van de vicepresident van het Hof van 20 juli 2018 (C‑238/18 R, niet gepubliceerd, EU:C:2018:581), waarin de beslissing omtrent de kosten is aangehouden.

166. In zaak C‑202/18 heeft Rimšēvičs evenwel niet verzocht de Republiek Letland in de kosten te verwijzen, net zo min als de Republiek Letland heeft verzocht Rimšēvičs in de kosten te verwijzen. Bij gebreke van verzoeken tot verwijzing in de kosten dient derhalve in zaak C‑202/18 elke partij te worden verwezen in haar eigen kosten.(90)

VII. Conclusie

167. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om in zaak C‑202/18 als volgt te beslissen:

„1)      Door Ilmārs Rimšēvičs bij het besluit van de Korupcijas novēršanas un apkarošanas birojs (bureau voor corruptiepreventie en ‑bestrijding, Letland) van 19 februari 2018 te verbieden zijn ambt van president van de Latvijas Banka (Bank van Letland) uit te oefenen, is de Republiek Letland de krachtens artikel 14.2 van Protocol nr. 4 betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)      Rimšēvičs en de Republiek Letland dragen elk hun eigen kosten.”

168. Voorts geef ik het Hof in overweging om in zaak C‑238/18 als volgt te beslissen:

„1)      Door Rimšēvičs bij het besluit van de Korupcijas novēršanas un apkarošanas birojs (bureau voor corruptiepreventie en ‑bestrijding, Letland) van 19 februari 2018 te verbieden zijn ambt van president van de Latvijas Banka (Bank van Letland) uit te oefenen, is de Republiek Letland de krachtens artikel 14.2 van Protocol nr. 4 betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)      De Republiek Letland draagt haar eigen kosten en de kosten van de Europese Centrale Bank, daaronder begrepen die van de procedure in kort geding.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Er zijn bij het Hof en het Gerecht ook verschillende zaken aanhangig over de intrekking van de bankvergunning van de Trasta Komercbanka door de Europese Centrale Bank (ECB) op 3 maart 2016; zie de zaken T‑247/16, Fursin e.a./ECB, en T‑698/16, Trasta Komercbanka e.a./ECB, aanhangig bij het Gerecht, de beschikking van het Gerecht van 12 september 2017, Fursin e.a./ECB (T‑247/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:623), en de hogere voorzieningen tegen die beschikking in de zaken C‑663/17 P, ECB/Trasta Komercbanka e.a., C‑665/17 P, Commissie/Trasta Komercbanka e.a. en ECB, en C‑669/17 P, Trasta Komercbanka e.a./ECB, aanhangig bij het Hof.


3      Protocol nr. 4 betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) en van de Europese Centrale Bank (ECB), gehecht aan het VEU en het VWEU (PB 2016, C 202, blz. 230).


4      Zie met name artikel 12.1 van de statuten van het ESCB en van de ECB.


5      Zie met name artikel 26, lid 8, van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63).


6      Zie met name artikel 119, leden 2 en 3, artikel 127, lid 1, artikel 219, leden 1 en 2, en artikel 282, lid 2, VWEU.


7      Volgens advocaat-generaal Jacobs is de onafhankelijkheid van de ECB derhalve geen doel op zich, maar beoogt zij de ECB in staat te stellen het doel van prijsstabiliteit effectief na te streven; zie conclusie in de zaak Commissie/ECB, C‑11/00, EU:C:2002:556, punt 150. Zie ook, over het verband tussen de onafhankelijkheid van de ECB en de doelstelling van prijsstabiliteit, het ontwerpverdrag tot herziening van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap met het oog op de totstandbrenging van een Economische en Monetaire Unie, mededeling van de Commissie van 21 augustus 1990, Bulletin van de Europese Gemeenschappen, bijlage 2/91, in het bijzonder blz. 14, 20 en 58.


8      Zie punt 31 van de onderhavige conclusie.


9      C‑202/18, niet gepubliceerd, EU:C:2018:489.


10      C‑238/18, niet gepubliceerd, EU:C:2018:488.


11      C‑238/18 R, niet gepubliceerd, EU:C:2018:581.


12      Volgens artikel 35.5 van de statuten van het ESCB en van de ECB wordt een besluit van de ECB om een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in te stellen in de regel door de Raad van bestuur van de ECB genomen. Artikel 14.2 van voornoemde statuten bepaalt evenwel dat het in deze bepaling bedoelde beroep kan worden ingesteld door de betrokken president of de Raad van bestuur van de ECB. Aangenomen moet echter worden dat artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB enkel de interne bevoegdheid van de Raad van bestuur van de ECB binnen de ECB weergeeft om tot instelling van een beroep te besluiten en het recht om beroep in te stellen niet wil toewijzen aan de Raad van bestuur van de ECB in plaats van aan de ECB als geheel. Het is derhalve correct dat in casu de ECB het beroep in zaak C‑238/18 heeft ingesteld, maar dat de Raad van bestuur van de ECB het besluit om zich tot het Hof te wenden heeft genomen.


13      Zie in die zin beschikking van 5 oktober 1983, Chatzidakis Nevas/Kas der juristen te Athene (142/83, EU:C:1983:267, punten 3 en 4), en arrest van 30 juni 1993, Parlement/Raad en Commissie (C‑181/91 en C‑248/91, EU:C:1993:271, punt 12).


14      Beschikking van het Gerecht van 23 januari 1995, Bilanzbuchhalter/Commissie (T‑84/94, EU:T:1995:9, punt 26). Zie, over de bijzondere bevoegdheid die de ECB krachtens artikel 271, onder d), VWEU heeft om door het Hof te laten vaststellen dat een nationale centrale bank haar verplichtingen niet is nagekomen, voetnoot 25 van deze conclusie.


15      Zie, ex multis, arresten van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 61); 14 januari 2016, Vodafone (C‑395/14, EU:C:2016:9, punt 40), en 25 januari 2018, Commissie/Tsjechië (C‑314/16, EU:C:2018:42, punt 47).


16      Zie mijn standpuntbepaling in de zaak Pringle (C‑370/12, EU:C:2012:675, punten 127‑131), het arrest van 27 november 2012, Pringle (C‑370/12, EU:C:2012:756, punt 135), mijn conclusie in de zaak Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C‑583/11 P, EU:C:2013:21, punt 32), en het arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punten 59 en 70).


17      Zie, in het Frans, „[u]n recours contre la décision prise à cet effet peut être introduit” (artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB) vs. „[t]oute personne [...] peut former [...] un recours contre les actes [...]” (artikel 263, vierde alinea, VWEU); in het Nederlands, „[t]egen een besluit daartoe kan de betrokken president of de Raad van bestuur beroep instellen” (artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB) vs. „[i]edere natuurlijke of rechtspersoon kan [...] beroep instellen tegen handelingen [...]” (artikel 263, vierde alinea, VWEU); in het Duits, „[g]egen einen entsprechenden Beschluss kann der betreffende Präsident einer nationalen Zentralbank oder der EZB-Rat [...] den Gerichtshof anrufen” (artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB) vs. „[j]ede [...] Person kann [...] gegen [...] Handlungen [...] Klage erheben” (artikel 263, vierde alinea, VWEU); in het Lets, „var apstrīdēt šo lēmumu” (artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB) vs. „jebkura [...] persona [...] var celt prasību par tiesību aktu” (artikel 263, vierde alinea, VWEU).


18      Zie het voorstel van de presidenten van de centrale banken van 27 november 1990, gepubliceerd in Agence Europe, Europe/Documents, nr. 1669/1670, 8 december 1990, blz. 1, blz. 6 van het pdf-document (https://www.ecb.europa.eu/ecb/access_to_documents/document/cog_pubaccess/shared/data/ecb.dr.parcg2007_0005draftstatute.en.pdf?c34e41042567a5832ffd2adb7e5baa48), en hun voorstel van 26 april 1991 (CONF-UEM 1613/91), blz. 1, blz. 12 van het pdf-document (https://www.ecb.europa.eu/ecb/access_to_documents/document/cog_pubaccess/shared/data/ecb.dr.parcg2007_0010draftstatute.en.pdf?77031b02df114d03b2da29d4d1ccf33d).


19      Terwijl de Engelse versie van artikel 263, vierde alinea, VWEU bepaalt dat „[a]ny natural or legal person may [...] institute proceedings against an act [...]”.


20      Zie het voorstel van het voorzitterschap van de intergouvernementele conferentie over de Economische en Monetaire Unie van 28 oktober 1991 [SN 3738/91 (UEM 82)], blz. 47 van het pdf-document (http://ec.europa.eu/dorie/fileDownload.do;jsessionid=Xy2HP92HJVCBrNG02Sws0jJ2QqCrpL968JlDwYGhB2GL1BTJ2Q1V!233738690?docId=409907&cardId=409907).


21      Zie, naast de Engelse versies (punt 46 en voetnoot 19 van de onderhavige conclusie), de Spaanse versies: „[e]l gobernador afectado o el Consejo de Gobierno podrán recurrir las decisiones al respecto ante el Tribunal de Justicia” (artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB) vs. „[t]oda persona [...] podrá interponer recurso [...] contra los actos” (artikel 263, vierde alinea, VWEU); de Italiaanse versies: „[u]na decisione in questo senso può essere portata dinanzi alla Corte di giustizia” (artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB) vs. „[q]ualsiasi persona [...] può proporre [...] un ricorso contro gli atti” (artikel 263, vierde alinea, VWEU); de Portugese versies: „[o] governador em causa ou o Conselho do BCE podem interpor recurso da decisão de demissão para o Tribunal de Justiça (artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB) vs. „[q]ualquer pessoa [...] pode interpor [...] recursos contra os atos [...]” (artikel 263, vierde alinea, VWEU); of de Deense versies: „[e]n afgørelse om afskedigelse kan af den pågældende centralbankchef eller af Styrelsesrådet indbringes for Domstolen” (artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB) vs. „[e]nhver [...] person kan [...] indbringe klage med henblik på prøvelse af retsakter [...]” (artikel 263, vierde alinea, VWEU).


22      Zie Van den Berg, C. C. A., The Making of the Statute of the European System of Central Banks, Amsterdam, 2005, blz. 137 e.v. (relaas over de discussies met betrekking tot de artikelen 14.1 en 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB, waarin geen melding wordt gemaakt van enige discussie over de aard van het beroep van artikel 14.2) en blz. 495‑497 (de auteur somt hier alle geraadpleegde documenten op en legt uit dat hij persoonlijk heeft deelgenomen aan de meeste discussies van de werkgroepen [blz. 496]); bovendien bevatten de publicaties van het Agence Europe, Europe Daily Bulletin, van november en december 1991, die onder meer informatie bevatten over de discussies betreffende de Economische en Monetaire Unie op ministerieel niveau, evenmin enig spoor van een discussie over het beroep van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB.


23      Uit de in de punten 46 en 48 van de onderhavige conclusie genoemde data en documenten blijkt dat deze elementen zijn ingevoegd gedurende de enkele weken tussen de intergouvernementele conferentie inzake de Economische en Monetaire Unie van 30 oktober 1991 en de vaststelling van het Verdrag van Maastricht tijdens de conferentie van de Europese Raad van 9 tot en met 11 december 1991.


24      Zie met name, voor de Commissie, artikel 247 VWEU (de leden kunnen op verzoek van de Raad of de Commissie door het Hof van hun ambt ontheven worden verklaard); voor het Hof van Justitie van de Europese Unie, artikel 6, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (de leden kunnen van hun ambt worden ontheven bij eenstemmig oordeel van de rechters van en de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie); voor de directie van de ECB, artikel 11.4 van de statuten van het ESCB en van de ECB (de leden kunnen op verzoek van de Raad van bestuur van de ECB of van de directie door het Hof van hun ambt ontheven worden verklaard); voor de Rekenkamer van de Europese Unie, artikel 286, lid 6, VWEU (de leden kunnen op verzoek van de Rekenkamer van hun ambt worden ontheven door het Hof van Justitie); voor de Europese Ombudsman, artikel 228, lid 2, VWEU (hij kan op verzoek van het Europees Parlement door het Hof van Justitie van zijn ambt ontheven worden verklaard).


25      Anders dan het geval is voor de leden van de directie van de ECB (zie vorige voetnoot), die worden benoemd volgens de procedure van artikel 11 van de statuten van het ESCB en van de ECB en derhalve tot het gebied van de Unie behoren, kan de ECB dus niet rechtstreeks verzoeken om presidenten van centrale banken, die lid zijn van de Raad van bestuur van de ECB, van hun ambt te ontheffen. Indien de ECB van oordeel is dat de president van een nationale centrale bank van zijn ambt dient te worden ontheven, zou zij gebruik kunnen maken van artikel 271, onder d), VWEU, dat haar de mogelijkheid biedt om bij het Hof een beroep wegens niet-nakoming in te stellen tegen een nationale centrale bank, indien zij meent dat deze een van de krachtens de Verdragen op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.


26      Zie in dit verband punten 151‑160 van de onderhavige conclusie.


27      Zie punt 5 van deze conclusie.


28      Zie punt 9 van de onderhavige conclusie.


29      Zie punt 12 van de onderhavige conclusie.


30      Zie punt 5 van de onderhavige conclusie.


31      Zie punt 57 van de onderhavige conclusie.


32      Zie dienaangaande ook punten 151‑160 van de onderhavige conclusie.


33      Zie, naast de Franse versie („[u]n gouverneur ne peut être relevé de ses fonctions”) en de Letse versie („Tikai tad, ja vadītājs vairs neatbilst nosacījumiem, kas vajadzīgi pienākumu veikšanai, vai ir izdarījis smagu pārkāpumu, viņu var atbrīvot no amata”), bijvoorbeeld de Engelse versie („[a] Governor may be relieved from office only”); de Spaanse versie („[u]n gobernador sólo podrá ser relevado de su mandato”); de Italiaanse versie („[u]n governatore può essere sollevato dall’incarico solo”); de Duitse versie („[d]er Präsident einer nationalen Zentralbank kann aus seinem Amt nur entlassen werden”); de Nederlandse versie („[e]en president kan slechts van zijn ambt worden ontheven”); de Deense versie („[e]n centralbankchef kan kun afskediges”); de Portugese versie ([u]m governador só pode ser demitido das suas funções), of de Roemeense versie („[u]n guvernator poate fi eliberat din funcție numai”) van artikel 14.2 van de statuten van het ESCB en van de ECB.


34      Zie, voor de leden van de Commissie, de artikelen 246 en 247 VWEU; voor de leden van de directie van de ECB, artikel 11.4 van de statuten van het ESCB en van de ECB; voor de Ombudsman, artikel 228, lid 2, tweede alinea, VWEU, en voor de leden van de Rekenkamer, artikel 286, lid 5, VWEU (lid 6 van diezelfde bepaling heeft het daarentegen, in een aantal taalversies, over ontheffing van het ambt, net als artikel 6 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie wat de leden van deze instelling betreft).


35      Beschikking in kort geding van 20 juli 2018, ECB/Letland (C‑238/18 R, niet gepubliceerd, EU:C:2018:581, punt 29).


36      Zie, over het specifieke aspect van de immuniteit die aan de leden van de Raad van bestuur van de ECB is verleend bij Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, gehecht aan het VEU en het VWEU (PB 2016, C 202, blz. 266), punten 143‑150 van de onderhavige conclusie.


37      Zie punten 119 e.v. van de onderhavige conclusie.


38      Zie punt 11 van de onderhavige conclusie.


39      Zie punt 57 van de onderhavige conclusie.


40      Artikel 130 VWEU en artikel 7 van de statuten van het ESCB en van de ECB.


41      C‑432/04, EU:C:2006:140, punt 70.


42      Zie punt 56 en voetnoot 24 van de onderhavige conclusie.


43      Zie in die zin arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson (C‑432/04, EU:C:2006:455, punten 120 en 121).


44      Zie punten 37 en 56 van de onderhavige conclusie.


45      Zie punt 17 van de onderhavige conclusie.


46      Zie, voor een soortgelijke bespiegeling over de normen voor goed gedrag die moeten worden nageleefd bij de uitoefening van het ambt van lid van de Commissie, conclusie van advocaat-generaal Geelhoed in de zaak Commissie/Cresson (C‑432/04, EU:C:2006:140, punt 78).


47      Zie punten 5 en 76 van de onderhavige conclusie.


48      Zie met name, voor de leden van de Commissie, artikel 17, lid 3, VEU en artikel 245 VWEU en, voor de leden van het Hof van Justitie van de Europese Unie, artikel 19, lid 2, VEU en de artikelen 253 en 254 VWEU.


49      Arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson (C‑432/04, EU:C:2006:455, punt 70).


50      Zie met name, voor de Ombudsman, artikel 228, lid 2, VWEU; voor de leden van de Commissie, artikel 247 VWEU; voor de leden van de directie van de ECB, artikel 11.4 van de statuten van het ESCB en van de ECB; voor ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Unie, artikel 86, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, de artikelen 9 en 10 van bijlage IX bij dit statuut en artikel 49 van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie.


51      Zie, in die zin en naar analogie, arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 79).


52      Zie arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punten 35‑37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


53      Zie punt 17 van de onderhavige conclusie.


54      Zie punt 18 van de onderhavige conclusie.


55      Zie punt 10 van de onderhavige conclusie.


56      Vrije vertaling.


57      Vrije vertaling.


58      Zie punten 125‑130 van de onderhavige conclusie.


59      Zie punt 22 van de onderhavige conclusie.


60      C‑238/18 R, niet gepubliceerd, EU:C:2018:581; zie punten 21 en 31 van de onderhavige conclusie.


61      Zie punt 22 van de onderhavige conclusie.


62      Zie, in die zin en naar analogie, arrest van het Gerecht van 16 juni 2015, FSL e.a./Commissie (T‑655/11, EU:T:2015:383, punten 175 en 176 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


63      De enige documenten die de Republiek Letland samen met haar verweerschrift in zaak C‑238/18 heeft overgelegd, zijn een wetsontwerp houdende wijziging van de wet betreffende de Bank van Letland, een advies van de ECB van 2 oktober 2012 betreffende de voorbereidende werkzaamheden en de wetswijzigingen die nodig zijn voor de invoering van de euro, en een brief van de Bank van Letland van 13 april 2018 voor de voor zaak C‑238/18 benodigde informatie.


64      Zie punt 33 van de onderhavige conclusie.


65      Te weten besluiten en schrifturen van de KNAB en de openbaar aanklager, klachten en schrifturen van de advocaat van Rimšēvičs, de beslissingen van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa van 27 februari 2018 en van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas pilsētas Vidzemes priekšpilsētas tiesa van 22 augustus 2018 (zie punten 110‑118 van de onderhavige conclusie), alsook documenten betreffende de beschikking in kort geding van de vicepresident van het Hof van 20 juli 2018 en de uitvoering daarvan in Letland (zie punten 21 en 22 van de onderhavige conclusie).


66      De beslissingen van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas rajona tiesa van 27 februari 2018 en van de met het toezicht op de eerbiediging van de mensenrechten belaste rechter van de Rīgas pilsētas Vidzemes priekšpilsētas tiesa van 22 augustus 2018 (zie punten 110‑118 van de onderhavige conclusie).


67      Zie punt 17 van de onderhavige conclusie.


68      Zie met name arresten van 15 mei 1986, Johnston (222/84, EU:C:1986:206, punt 21), en 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie (C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punten 336 en 337 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


69      Arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119).


70      Zie, mutatis mutandis, arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 7 oktober 2009, Y/Commissie (F‑29/08, EU:F:2009:136, punten 74 en 75).


71      Zie punt 108 van de onderhavige conclusie.


72      Zie, over deze voorwaarden, met name arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses (C‑64/16, EU:C:2018:117, punten 38, 42, 44 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


73      Zie de wettelijke bepalingen inzake de KNAB aangehaald in punt 13 van de onderhavige conclusie.


74      Zie punt 86 van de onderhavige conclusie.


75      Zie in dit verband met name arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 125‑129), en artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 4 maart 2015 (PB 2015, L 105, blz. 1), zoals gewijzigd op 13 juli 2016 (PB 2016, L 217, blz. 72).


76      Zie punt 65 van de onderhavige conclusie.


77      Daarentegen heeft artikel 9 van dat protocol, met betrekking tot de leden van het Europees Parlement, het over „vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook”. Artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie verleent de leden van het Europees Parlement materiële immuniteit of onschendbaarheid voor de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht, terwijl artikel 9 van dat protocol hen verzekert van gerechtelijke immuniteit of van onvervolgbaarheid; zie over dit onderscheid arresten van 21 oktober 2008, Marra (C‑200/07 en C‑201/07, EU:C:2008:579, punt 24), en 6 september 2011, Patriciello (C‑163/10, EU:C:2011:543, punt 18), alsook conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro in de gevoegde zaken Marra (C‑200/07 en C‑201/07, EU:C:2008:369, punt 13), en conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Patriciello (C‑163/10, EU:C:2011:379, punt 3).


78      Zie in die zin arrest van het Gerecht van 24 oktober 2018, RQ/Commissie (T‑29/17, EU:T:2018:717, punten 5‑12); zie ook, in dezelfde context, beschikking van de president van het Gerecht van 20 juli 2016, Directeur-generaal van het OLAF/Commissie (T‑251/16 R, niet gepubliceerd, EU:T:2016:424, punten 10‑16), en, in een andere context, arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 13 januari 2010, A en G/Commissie, F‑124/05 en F‑96/06, EU:F:2010:2, punt 60).


79      Zie punten 5, 76 en 101 van de onderhavige conclusie.


80      Zie punten 16, 17 en 129 van de onderhavige conclusie.


81      Het is dus niet uitgesloten dat de KNAB, alvorens haar onderzoek naar Rimšēvičs te starten op 15 februari 2018, alvorens inspecties te houden of tenminste alvorens Rimšēvičs aan te houden op 17 februari 2018 (zie punt 16 van deze conclusie), de Raad van bestuur van de ECB om opheffing van de immuniteit van laatstgenoemde had moeten verzoeken.


82      Overeenkomstig artikel 26, lid 8, van verordening nr. 1024/2013 (zie voetnoot 5 van de onderhavige conclusie).


83      Zie punt 99 van de onderhavige conclusie.


84      Rimšēvičs geeft aan, zonder daar verder op in te gaan, dat hij bij de nationale rechter beroep tegen zijn aanhouding heeft ingesteld, dat op formele gronden is verworpen, en dat hij een beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voorbereidt wegens ongeoorloofde vrijheidsbeneming.


85      Zie in die zin arresten van 29 april 1982, Pabst & Richarz (17/81, EU:C:1982:129, punt 18); 11 juli 2006, Chacón Navas (C‑13/05, EU:C:2006:456, punt 40), en 21 december 2016, Associazione Italia Nostra Onlus (C‑444/15, EU:C:2016:978, punt 66).


86      Zie punt 77 van de onderhavige conclusie.


87      Zie punten 119‑122 van de onderhavige conclusie.


88      Zie punten 140‑142 van de onderhavige conclusie.


89      Zie punten 52‑68 van de onderhavige conclusie.


90      Een partij kan slechts daadwerkelijk in de kosten worden verwezen indien dat uitdrukkelijk is gevorderd (zie arresten van 9 juni 1992, Lestelle/Commissie, C‑30/91 P, EU:C:1992:252, punt 38, en 29 april 2004, Parlement/Ripa di Meana e.a., C‑470/00 P, EU:C:2004:241, punt 86). Bij gebreke van een vordering inzake de proceskosten verricht het Hof daarom, zelfs als er geen afstand van instantie is gedaan, een overeenkomstige toepassing van lid 4 van artikel 141 („Kosten in geval van afstand van instantie”) van het Reglement voor de procesvoering van 19 juni 1991, volgens hetwelk „[b]ij gebreke van een conclusie ten aanzien van de proceskosten, [...] elk van de partijen haar eigen kosten [draagt]” [zie, over artikel 69, lid 5, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering, arrest van 6 oktober 2005, Scott/Commissie (C‑276/03 P, EU:C:2005:590, punt 39); zie ook beschikking van de vicepresident van het Hof van 6 oktober 2015, Comité d’entreprise SNCM/Commissie (C‑410/15 P[I], EU:C:2015:669, punt 22)].