Language of document : ECLI:EU:C:2019:16

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. SZPUNAR

van 10 januari 2019 (1)

Zaak C516/17

Spiegel Online GmbH

tegen

Volker Beck

[verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Auteursrecht en naburige rechten – Uitsluitende rechten van reproductie en van mededeling aan het publiek – Flexibiliteit bij de uitvoering in nationaal recht – Beperking voor verslaggeving over actuele gebeurtenissen – Redelijke mogelijkheid om vóór publicatie toestemming te verkrijgen – Referentieteksten toegankelijk via een naast de tekst opgenomen hyperlink – Werk dat in een bepaalde vorm met toestemming van de auteur is gepubliceerd”






 Inleiding

1.        In een democratische samenleving kan de rol van de vrijheid van meningsuiting in het algemeen en de vrijheid van de media in het bijzonder niet hoog genoeg worden ingeschat. De vrije uitwisseling van ideeën en de controle op de macht door de samenleving – mechanismen waarin de media noodzakelijke intermediairs zijn – vormen de hoeksteen van een dergelijke samenleving.

2.        De vrijheid van meningsuiting is sinds de Verklaring van de rechten van de mens en de burger van 1789 (artikel 11) als grondrecht erkend. De schrijvers van deze verklaring waren zich er echter van bewust dat uitoefening van een recht door de één beperkingen kan opleggen aan het recht van de ander. Daarom hebben zij in artikel 4 het uitgangspunt geïntroduceerd dat „de uitoefening van de natuurlijke rechten van ieder mens alleen deze grenzen [heeft] die aan de andere leden van de maatschappij het genot verzekeren van dezelfde rechten”. Wat betreft de vraag wie de verantwoordelijkheid heeft regels voor arbitrage tussen deze rechten vast te stellen, bepaalt de tweede volzin van dit artikel dat „[d]eze grenzen [...] alleen bij wet vastgelegd [kunnen] worden”.

3.        Deze eenvoudige en natuurlijke uitgangspunten zijn nog steeds actueel. Als uitdrukking van de algemene wil(2) heeft de wet tot doel de verschillende grondrechten af te wegen, ten voordele van eenieder. Dat geldt ook op het gebied van het auteursrecht, zoals de onderhavige zaak zeer goed illustreert.

 Toepasselijke bepalingen

 Internationaal recht

4.        Artikel 9, lid 1, van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend te Bern op 9 september 1886 (Akte van Parijs van 24 juli 1971), zoals gewijzigd op 28 september 1979 (hierna: „Berner Conventie”), bepaalt dat auteurs het recht hebben verveelvoudiging van hun werken toe te staan. Artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 1, en artikel 10bis, lid 2, van de Berner Conventie luiden respectievelijk:

„Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie [zoals gevormd door de staten die de Berner Conventie hebben ondertekend] voorbehouden in bijzondere gevallen het verveelvoudigen van genoemde werken toe te staan, mits die verveelvoudiging geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk en de wettige belangen van de auteur niet op ongerechtvaardigde wijze schaadt.

[...]

Geoorloofd zijn aanhalingen uit een werk dat reeds op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt, mits zij verenigbaar zijn met de goede gebruiken en voor zover door het doel gerechtvaardigd, zulks met inbegrip van aanhalingen uit artikelen in nieuwsbladen en tijdschriften in de vorm van persoverzichten.

[...]

Het is eveneens aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden de voorwaarden te regelen waaronder, ter gelegenheid van verslagen van actuele gebeurtenissen, door middel van fotografie, cinematografie of langs de weg van radio-uitzending of overbrenging per draad aan het publiek, de werken van letterkunde of kunst gezien of gehoord tijdens de gebeurtenis, voor zover uit een oogpunt van voorlichting gerechtvaardigd, kunnen worden weergegeven en voor het publiek toegankelijk gemaakt.”

5.        Artikel 1, lid 4, van het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake auteursrecht (WIPO-verdrag)(3) bepaalt dat „[d]e verdragsluitende partijen dienen te voldoen aan de artikelen 1 tot en met 21 en het aanhangsel van de Berner Conventie”. In de gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 1, lid 4, van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht heet het dat „[h]et reproductierecht, zoals geformuleerd in artikel 9 van de Berner Conventie, en de daardoor toegestane beperkingen [...] volledig van toepassing [zijn] op de digitale omgeving, meer bepaald op het gebruik van werken in digitale vorm. Aangenomen wordt dat de opslag van een beschermd werk in digitale vorm op een elektronische drager een reproductie in de zin van artikel 9 van de Berner Conventie vormt”.(4)

 Unierecht

6.        Artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij(5) bepaalt:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van:

a)      auteurs, met betrekking tot hun werken,

[...]

in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.”

7.        Artikel 3, lid 1, van die richtlijn bepaalt:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.”

8.        Artikel 5 van die richtlijn bepaalt in lid 3, onder c) en d):

„De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op de in de artikelen 2 en 3 bedoelde rechten stellen ten aanzien van:

[...]

c)      weergave in de pers, mededeling aan het publiek of beschikbaarstelling van gepubliceerde artikelen over actuele economische, politieke of religieuze onderwerpen of uitzendingen of ander materiaal van dezelfde aard, in gevallen waarin dat gebruik niet uitdrukkelijk is voorbehouden, en voor zover de bron, waaronder de naam van de auteur, wordt vermeld, of het gebruik van werken of ander materiaal in verband met de verslaggeving over actuele gebeurtenissen, voor zover dit uit een oogpunt van voorlichting gerechtvaardigd is en, voor zover, de bron – waaronder de naam van de auteur – wordt vermeld, tenzij dit niet mogelijk blijkt;

d)      het citeren ten behoeve van kritieken en recensies en voor soortgelijke doeleinden, mits het een werk of ander materiaal betreft dat reeds op geoorloofde wijze voor het publiek beschikbaar is gesteld, indien de bron – waaronder de naam van de auteur – wordt vermeld, tenzij dit niet mogelijk blijkt en het citeren naar billijkheid geschiedt en door het bijzondere doel wordt gerechtvaardigd;

[...]”

9.        Artikel 5, lid 5, van diezelfde richtlijn bepaalt ten slotte:

„De in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde beperkingen en restricties mogen slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.”

 Duits recht

10.      Richtlijn 2001/29 is bij het Gesetz über Urheberrecht und verwandte Schutzrechte (Duitse wet betreffende het auteursrecht en naburige rechten) van 9 september 1965 (Urheberrechtsgesetz; hierna: „UrhG”) omgezet in Duits recht. § 50 UrhG bepaalt:

„Voor de verslaggeving over nieuwsfeiten door middel van uitzending of met soortgelijke technische middelen, in kranten, tijdschriften en andere publicaties of op andere gegevensdragers, die met name over de gebeurtenissen van die dag berichten, alsook in film, is het geoorloofd werken die kunnen worden gezien of gehoord tijdens de weergegeven gebeurtenissen te reproduceren, te verspreiden of aan het publiek mede te delen, voor zover dit door het doel gerechtvaardigd wordt.”

11.      § 51 UrhG bepaalt:

„Het is geoorloofd een reeds gepubliceerd werk te reproduceren, te verspreiden en aan het publiek mede te delen om het te citeren, voor zover de omvang van het gebruik door het specifieke doel gerechtvaardigd wordt. Het is met name geoorloofd:

1.      afzonderlijke werken na publicatie op te nemen in een zelfstandig wetenschappelijk werk om de inhoud daarvan toe te lichten;

2.      passages uit een werk na publicatie te citeren in een zelfstandig literair werk;

3.      sporadische passages van een reeds gepubliceerd muziekwerk te citeren in een zelfstandig muziekwerk.”

 Feiten, procedure en prejudiciële vragen

12.      Volker Beck, verzoeker in eerste aanleg en verweerder in Revision in het hoofdgeding (hierna: „verweerder”), maakte van 1994 tot 2017 deel uit van de Duitse Bundestag (Bondsdag; Tweede Kamer van het Duitse federale parlement). Hij is auteur van een artikel over gevoelige en controversiële kwesties betreffende het strafrechtelijk beleid, dat in 1988 in een bundel is gepubliceerd. Bij die publicatie heeft de uitgever de titel van het manuscript gewijzigd en is een zin ervan ingekort. Verweerder heeft zich hierover bij de uitgever beklaagd en tevergeefs van hem geëist dat hij dit bij publicatie van de bundel als opmerking van de uitgever zou vermelden. Sinds 1993 of eerder al heeft verweerder zich volledig van de inhoud van dit artikel gedistantieerd.

13.      In 2013 is het manuscript van het betrokken artikel in archieven opgedoken en voorgelegd aan verweerder, die toen kandidaat was voor de parlementsverkiezingen die enkele dagen later zouden plaatsvinden. Verweerder heeft het document ter beschikking gesteld aan verschillende krantenredacties, als bewijs dat zijn manuscript in het in de bundel gepubliceerde artikel was gewijzigd. Hij heeft de media geen toestemming verleend voor publicatie van de teksten, maar heeft beide versies van het artikel op zijn eigen website gepubliceerd, waarbij hij op elke bladzijde de volgende vermelding aanbracht: „Ik distantieer mij van deze bijdrage. Volker Beck”. Op de in de bundel gepubliceerde bladzijden was bovendien de volgende vermelding aangebracht: „Voor [publicatie van] deze tekst is geen toestemming gegeven. De ondertitel en delen van de tekst zijn verdraaid ten gevolge van de vrije bewerking door de uitgever”.

14.      Spiegel Online GmbH, verweerster in eerste aanleg en verzoekster tot Revision in het hoofdgeding (hierna: „verzoekster”), beheert het online informatieportaal Spiegel Online. Op 20 september 2013 heeft zij een artikel gepubliceerd waarin zij verklaarde dat verweerder het publiek jarenlang had misleid, aangezien de wezenlijke inhoud van zijn manuscript in de uitgave van 1988 niet was verdraaid. Behalve het artikel van verzoekster konden door middel van hyperlinks ook de originele versies van het manuscript en het in de bundel gepubliceerde artikel van verweerder worden gedownload.

15.      Verweerder heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikbaarstelling van de volledige tekst van zijn artikel op de website van verzoekster, omdat hij deze als een schending van zijn auteursrecht beschouwt. Het Landgericht (rechter in eerste aanleg, Duitsland) heeft verweerder in het gelijk gesteld. Het hoger beroep van verzoekster is verworpen. Zij heeft derhalve beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter.

16.      In deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Is er discretionaire ruimte bij de omzetting in nationaal recht van de Unierechtelijke bepalingen inzake de in artikel 5, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG vervatte beperkingen of restricties [op het auteursrecht]?

2)      Op welke manier dienen de grondrechten die verankerd zijn in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [hierna: ‚Handvest’] in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van de draagwijdte van de in artikel 5, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG opgenomen beperkingen of restricties op zowel het uitsluitende reproductierecht van auteurs [artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG] als het uitsluitende recht van mededeling van hun werken aan het publiek, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek (artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG)?

3)      Kunnen de grondrechten op informatievrijheid (artikel 11, lid 1, tweede volzin, van het [Handvest]) of persvrijheid (artikel 11, lid 2, van het [Handvest]) een rechtvaardiging bieden voor niet onder artikel 5, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG vallende beperkingen of restricties op zowel het uitsluitende reproductierecht van auteurs [artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG] als het uitsluitende recht van mededeling van hun werken aan het publiek, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek (artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG)?

4)      Is het niet reeds op grond van het feit dat een mediaonderneming de mogelijkheid had de auteur vooraf om toestemming te verzoeken voor de beschikbaarstelling van zijn werken voor het publiek, en dit van die onderneming redelijkerwijs kon worden verwacht, uitgesloten dat de beschikbaarstelling van die door het auteursrecht beschermde werken voor het publiek op het webportaal van de mediaonderneming wordt aangemerkt als verslaggeving over actuele gebeurtenissen als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder c), tweede geval, van richtlijn 2001/29/EG, waarvoor geen toestemming vereist is?

5)      Is er van publicatie met het oog op citeren als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29/EG geen sprake wanneer geciteerde werken of gedeelten daarvan niet onlosmakelijk in de nieuwe tekst worden geïntegreerd – bijvoorbeeld in de vorm van inspringende tekst of voetnoten – maar voor het publiek beschikbaar worden gesteld op internet door middel van hyperlinks naar pdf-bestanden die los van de nieuwe tekst kunnen worden gedownload?

6)      Is het voor de beantwoording van de vraag wanneer een werk wordt geacht reeds op geoorloofde wijze voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld in de zin van artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29/EG, van doorslaggevend belang of dat werk in de betrokken specifieke vorm reeds met toestemming van de auteur is gepubliceerd?”

17.      Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 25 augustus 2017 bij het Hof ingekomen. Er zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door partijen in het hoofdgeding, de Franse en de Portugese regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie. Dezelfde partijen, met uitzondering van de Portugese regering, waren vertegenwoordigd ter terechtzitting van 3 juli 2018.

 Analyse

18.      De verwijzende rechter heeft zes prejudiciële vragen voorgelegd over zowel de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2001/29 als meer in het algemeen de discretionaire ruimte van de lidstaten bij de omzetting en toepassing van die bepalingen en over de wijze waarop deze zich verhouden tot de grondrechten, met name de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media. In deze conclusie zal ik deze vragen analyseren in een andere volgorde dan die waarin ze door de verwijzende rechter zijn voorgelegd. Ik zal eerst de uitlegging van het afgeleide recht bestuderen en vervolgens de meer algemene kwesties die verband houden met de grondrechten.

 Eerste prejudiciële vraag

19.      Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen in hoeverre de lidstaten discretionaire ruimte hebben bij de omzetting in nationaal recht van de Unierechtelijke bepalingen inzake de beperkingen en restricties op het auteursrecht.

20.      Deze vraag is vergelijkbaar met de vijfde prejudiciële vraag van dezelfde rechter in de zaak Pelham e.a.(6) In mijn conclusie in die zaak stel ik het Hof voor te antwoorden dat de lidstaten verplicht zijn in hun nationale recht de bescherming te waarborgen van de in de artikelen 2 tot en met 4 van richtlijn 2001/29 bedoelde uitsluitende rechten, die enkel kunnen worden beperkt door toepassing van de beperkingen en restricties die uitputtend zijn beschreven in artikel 5 van die richtlijn, waarbij zij vrij zijn in hun keuze van de middelen. Kortheidshalve verwijs ik hier dus gewoon naar mijn uiteenzetting over deze kwestie in die conclusie.(7)

21.      Ik zou echter het volgende willen toevoegen met betrekking tot de argumenten die verzoekster in haar in de onderhavige zaak ingediende opmerkingen heeft aangevoerd.

22.      In de eerste plaats voert verzoekster aan dat de beoordelingsmarge van de lidstaten bij de uitvoering van het auteursrecht van de Unie voortvloeit uit artikel 167, lid 4, VWEU. Volgens dit artikel „[houdt] [d]e Unie [...] bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van de Verdragen rekening met de culturele aspecten, met name om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen.” Verzoekster voert aan dat het auteursrecht tot de culturele regelgeving behoort en de lidstaten derhalve over een ruime beoordelingsvrijheid moeten beschikken bij de toepassing ervan, zodat rekening kan worden gehouden met hun culturele verscheidenheid.

23.      Artikel 167 VWEU is echter een algemene bepaling die als richtsnoer dient en het optreden van de instellingen van de Unie regelt op gebieden die verband houden met cultuur. Dit artikel(8) wordt in overweging 12 van richtlijn 2001/29 zelfs uitdrukkelijk genoemd door de Uniewetgever, die er naar mijn mening overigens andere conclusies aan verbindt, die lijnrecht tegenover die van verzoekster staan, namelijk dat de onder het auteursrecht vallende werken adequaat moeten worden beschermd. Als de publicatie van artikelen over het politieke leven al onder het begrip „cultuur” in de zin van artikel 167 VWEU valt, kan deze bepaling echter niet aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten toestaat af te wijken van de onvoorwaardelijke verplichtingen die voortvloeien uit afgeleid Unierecht. Elke andere uitlegging komt erop neer dat de Unie de bevoegdheid wordt ontzegd om het recht van de lidstaten te harmoniseren op elk mogelijk cultuurgerelateerd terrein, zoals het auteursrecht, audiovisuele diensten, de markt voor kunstwerken, enz. Hetzelfde geldt voor het argument van verzoekster dat het belang dat in het Duitse recht wordt gehecht aan de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media een specifiek cultureel kenmerk van die lidstaat is.

24.      Hoewel de lidstaten dus over een bepaalde beoordelingsmarge beschikken wat betreft de uitvoering van richtlijn 2001/29, wordt deze begrensd door de verplichtingen die voortvloeien uit de dwingende bepalingen van die richtlijn.

25.      In de tweede plaats voert verzoekster aan dat de vordering van verweerder in het hoofdgeding niet de bescherming van zijn aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten tot doel had, maar die van zijn morele rechten of zelfs persoonlijke rechten. In dit verband volstaat het vast te stellen dat deze procedure betrekking heeft op de door verzoekster verrichte handelingen van reproductie en mededeling aan het publiek van het werk waarvan verweerder de auteur is en dat deze handelingen onmiskenbaar onder richtlijn 2001/29 vallen. De overeenkomsten tussen de onderhavige zaak en de zaak Funke Medien NRW(9) zal ik behandelen in het gedeelte hierna over de verhouding tussen het auteursrecht en de grondrechten.(10)

26.      De argumenten van verzoekster zijn bijgevolg niet van invloed op mijn constateringen met betrekking tot de beoordelingsmarge van de lidstaten bij de uitvoering van richtlijn 2001/29.

 Vierde prejudiciële vraag

27.      Met zijn vierde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de beperking voor de verslaggeving over actuele gebeurtenissen, zoals bedoeld in artikel 5, lid 3, onder c), van richtlijn 2001/29, in nationaal recht kan worden begrensd tot situaties waarin van de gebruiker van een werk redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij de auteur ervan om toestemming vraagt. Volgens de informatie in het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft de rechtspraak van de verwijzende rechter in het Duitse recht een dergelijke begrenzing van de beperking tot gevolg.

28.      Mijns inziens brengt deze begrenzing van de beperking geen problemen met zich wat betreft de overeenstemming ervan met die bepaling van richtlijn 2001/29. De ratio legis van deze beperking vloeit immers voort uit het feit dat het soms uitermate moeilijk of zelfs onmogelijk is verslag te doen van actuele gebeurtenissen zonder reproductie en mededeling aan het publiek van een door het auteursrecht beschermd werk. Dit is met name in twee soorten situaties het geval. De eerste situatie is die waarin het betrokken werk zelf het voorwerp van de gebeurtenis kan zijn, bijvoorbeeld wanneer die gebeurtenis de opening van een expositie van kunstwerken betreft, of een concert. De verslaggeving over een dergelijke gebeurtenis en daarmee de aan het publiek verstrekte informatie daarover zijn erg pover indien het niet mogelijk is ten minste fragmenten mee te delen van de werken die het middelpunt vormen van de gebeurtenis waarover wordt bericht. De tweede situatie is die waarin het werk tijdens de gebeurtenis toevallig te zien of te horen kan zijn. Een vaak genoemd voorbeeld is muziek tijdens een officiële ceremonie. In dergelijke situaties is het gerechtvaardigd de auteur van het verslag het recht toe te kennen het werk vrij te reproduceren en mee te delen, want aangezien het om een actuele gebeurtenis gaat, is het alleen al vanwege tijdgebrek niet redelijk van hem te verwachten dat hij de auteur van het betrokken werk om toestemming vraagt. Bovendien is het heel goed mogelijk dat de auteur in uitoefening van zijn uitsluitende recht zijn toestemming weigert, waardoor het recht van het publiek te worden geïnformeerd over de betrokken gebeurtenis in het gedrang komt.

29.      Zoals artikel 5, lid 3, onder c), van richtlijn 2001/29 uitdrukkelijk verlangt, is de beperking voor verslaggeving echter van toepassing „voor zover dit uit een oogpunt van voorlichting gerechtvaardigd is”. Deze begrenzing betreft naar mijn mening niet alleen de omvang van de reproductie en de toegestane mededeling, maar ook de situaties waarin de beperking wordt toegepast, te weten situaties waarin redelijkerwijs niet van de auteur van het verslag kan worden verwacht dat hij de auteur van het in het kader van dat verslag gereproduceerde en medegedeelde werk om toestemming vraagt. Bijgevolg is een begrenzing van de betrokken beperking zoals de begrenzing waarin het Duitse recht voorziet mijns inziens niet in strijd met de relevante bepaling van richtlijn 2001/29 en bovendien inherent aan de aard en het doel van die beperking.

30.      De reden waarom deze beperking naar mijn mening geen toepassing vindt in situaties zoals de situatie in de onderhavige zaak ligt evenwel elders.

31.      Artikel 5, lid 3, onder c), van richtlijn 2001/29 komt overeen met artikel 10bis van de Berner Conventie.(11) Het tweede gedeelte van artikel 5, lid 3, onder c), van richtlijn 2001/29 komt overeen met artikel 10bis, lid 2, van de Berner Conventie.(12) Dit gedeelte moet derhalve in overeenstemming met die bepaling van de Berner Conventie worden uitgelegd, aangezien de Europese Unie verplicht is zich naar de deze Conventie te voegen, zoals het Hof eerder heeft geoordeeld.(13)

32.      Artikel 10bis, lid 2, van de Berner Conventie is echter veel preciezer geformuleerd dan de geanalyseerde bepaling van richtlijn 2001/29.

33.      De bepaling van de Conventie heeft immers uitsluitend betrekking op verslagen van actuele gebeurtenissen die langs auditieve en visuele weg (fotografie, radio, televisie, cinematografie) worden uitgebracht. Voor zover uit een oogpunt van voorlichting gerechtvaardigd, is het toegestaan de werken gezien of gehoord tijdens de gebeurtenissen waarvan verslag wordt gedaan, te reproduceren.(14)

34.      Anders dan hetgeen de verwijzende rechter naar voren brengt, ben ik van mening dat deze beperking, uitgelegd in het licht van de Berner Conventie, geen toepassing vindt in een situatie zoals die in het hoofdgeding. Volgens de verwijzende rechter bestaat de gebeurtenis die in het hoofdgeding aan de orde is in de confrontatie van verweerder met zijn in de archieven teruggevonden manuscript en zijn reactie daarop. Dat manuscript zou derhalve tijdens deze gebeurtenis zichtbaar zijn gemaakt door publicatie ervan door enerzijds verzoekster en anderzijds verweerder zelf op zijn website. Ik kan niet instemmen met deze analyse.

35.      Het verslag waar het in casu om gaat, wordt gepresenteerd in de vorm van een geschreven tekst, dat wil zeggen een systeem om de taal om te zetten in grafische symbolen. Hoewel een tekst doorgaans visueel wordt waargenomen, moeten deze symbolen mentaal worden gedecodeerd om de omgezette informatie waar te nemen. Anders dan bij zuiver visuele informatie volstaat het derhalve niet om de tekst te zien: de tekst moet worden gelezen.

36.      Hetzelfde geldt voor het werk dat in het kader van dit verslag wordt gereproduceerd, in casu het artikel van verweerder. Het doel van de reproductie en mededeling van dit artikel door verzoekster was niet eenvoudigweg de uitlatingen in haar verslag te illustreren, maar aan te tonen dat beide versies van het betrokken artikel, te weten het manuscript en de in de bundel gepubliceerde versie, in wezen identiek waren en dat de uitlatingen van verweerder in de in de bundel gepubliceerde versie derhalve niet waren verdraaid. Om dat te kunnen aantonen, volstond het niet het artikel aan de lezer van het verslag te laten zien: hij moest het lezen, in beide versies, anders werd het doel van de reproductie(15) niet bereikt. Het was derhalve niet voldoende dat het gebruikte werk was gezien of gehoord tijdens de actuele gebeurtenis die het voorwerp is van het betrokken verslag. Een aanvullende analyse door de lezer van dit verslag was in casu noodzakelijk. Een dergelijke aanvullende analyse valt echter buiten het kader van de beperking voor de verslaggeving over een actuele gebeurtenis waarin artikel 5, lid 3, onder c), van richtlijn 2001/29 voorziet, gelezen in het licht van artikel 10bis, lid 2, van de Berner Conventie.

37.      Ik stel derhalve voor de vierde prejudiciële vraag in die zin te beantwoorden dat artikel 5, lid 3, onder c), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het gebruik van een werk van letterkunde in het kader van een verslag over een actuele gebeurtenis niet valt onder de beperking waarin dit artikel voorziet indien het met dit gebruik beoogde doel lezing van het gehele werk of een deel daarvan vereist.

38.      Ik wil meteen onderstrepen dat deze uitlegging niet afdoet aan het recht van het publiek de informatie te ontvangen die in het betrokken verslag is opgenomen. Indien een dergelijk gebruik niet kan worden beschouwd als een geoorloofd gebruik in het kader van die bepaling, kan het worden beschouwd als een citaat, waarvoor artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29 in een beperking op het uitsluitende recht van de auteur voorziet. Deze overweging leidt ons naar de vijfde en de zesde prejudiciële vraag.

 Vijfde prejudiciële vraag

39.      Met zijn vijfde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat de beperking voor citaten waarin deze bepaling voorziet van toepassing is op de situatie waarin een door het auteursrecht beschermd werk voor het publiek beschikbaar wordt gesteld op internet in de vorm van een pdf-bestand dat door middel van een hyperlink gekoppeld is aan een persbericht, maar los van dit laatste kan worden geraadpleegd.

40.      In casu is het artikel van verweerder namelijk niet onlosmakelijk geïntegreerd in het door verzoekster op haar website gepubliceerde artikel, maar op die site beschikbaar gesteld in de vorm van een autonoom bestand dat door middel van hyperlinks is gekoppeld aan het artikel van verzoekster. Deze weinig conventionele manier van citeren vormt de reden voor de twijfels van de verwijzende rechter.

41.      De beperking voor citaten is een van de meest klassieke beperkingen op het auteursrecht.(16) Deze beperking is lange tijd beschouwd als uitsluitend van toepassing op werken van letterkunde.(17) In dergelijke werken worden citaten van oudsher aangeduid met typografische middelen: aanhalingstekens, cursieve letters, lettertypen die afwijken van die van de hoofdtekst, voetnoten, enz.

42.      Tegenwoordig lijkt het niet uitgesloten dat het citaat andere categorieën werken kan betreffen, met name muziekwerken en cinematografische werken, maar eveneens werken van beeldende kunst.(18) In die gevallen moeten de wijze waarop de citaten in het citerende werk worden opgenomen en de wijze van identificatie natuurlijk worden aangepast.

43.      Hetzelfde geldt naar mijn mening voor het opnemen van citaten in werken van letterkunde. Moderne technologieën, met name internet, maken het mogelijk teksten op verschillende manieren onderling te koppelen, bijvoorbeeld met hyperlinks. Uiteraard moet er sprake blijven van een nauwe band tussen het citaat en het citerende werk. De opbouw van internetpagina’s kan sterk variëren, waardoor een analyse per geval waarschijnlijk noodzakelijk is. Zo kan met de zogenoemde framingtechniek inhoud zodanig worden opgenomen dat de gebruiker van de internetpagina de indruk heeft dat deze inhoud zich direct op die pagina bevindt, hoewel het technisch gezien om een hyperlink gaat. Naar mijn mening dienen citaten die met behulp van hyperlinks zijn opgenomen echter niet van meet af aan te worden uitgesloten.(19)

44.      Ik denk evenwel dat het probleem in de onderhavige zaak voortvloeit uit de concrete wijze waarop verzoekster het artikel van verweerder heeft gereproduceerd en beschikbaar heeft gesteld. Uit de informatie van de verwijzende rechter blijkt dat dit artikel in zijn geheel op de website van verzoekster is gepubliceerd in de vorm van pdf-bestanden die konden worden geraadpleegd en gedownload los van de hoofdtekst waarin de betrokken gebeurtenis was beschreven. Niet alleen op de pagina met deze hoofdtekst, maar ook op de homepage van verzoekster bevonden zich hyperlinks naar deze bestanden. Een dergelijke beschikbaarstelling (en de reproductie die er noodzakelijkerwijs aan is voorafgegaan) overschrijdt naar mijn mening de grenzen van hetgeen in het kader van de beperking voor citaten toelaatbaar is.

45.      Wat betreft de mogelijkheid een geheel werk te citeren, lijkt de rechtsliteratuur verdeeld.(20) De formulering van artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29 is niet duidelijk over de toegestane omvang van een citaat. Het Hof lijkt het volledig citeren van een fotografisch werk te hebben toegestaan(21), hoewel het het citaat beschrijft als een „reproductie van passages” uit een werk.(22) In de Berner Conventie is de oorspronkelijke, beperkende formulering „korte aanhalingen”(23) geschrapt en vervangen door het algemene vereiste dat citaten worden gebruikt „voor zover door het doel gerechtvaardigd”. Een soortgelijke formulering is aangehouden in artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29. Indien het doel het rechtvaardigt, lijkt het dan ook in beginsel toegestaan een werk in zijn geheel te citeren.

46.      De rechtsliteratuur is evenwel unaniem op het punt dat het citaat niet mag concurreren met het origineel, in die zin dat de gebruiker dankzij het citaat het oorspronkelijke werk niet meer zou hoeven te raadplegen.(24) Door de plaats in te nemen van het origineel maakt een dergelijk citaat het immers mogelijk de uitsluitende voorrechten van de auteur op zijn werk te omzeilen door deze van alle inhoud te ontdoen. Aan de aldus geciteerde auteur van het werk wordt dan de essentie van zijn rechten als auteur ontnomen, terwijl de auteur van het citerende werk die rechten door middel van dit laatste in zijn plaats kan uitoefenen.

47.      Naar mijn mening is dit juist het geval in de situatie waarin een werk van letterkunde, een genre waarin het wezenlijke bestanddeel voor de waarneming van het werk niet de vorm maar de inhoud is, in de vorm van een afzonderlijk in te zien en te downloaden bestand op een internetsite voor het publiek beschikbaar wordt gesteld. Formeel kan een dergelijk bestand als citaat worden gepresenteerd en worden gekoppeld aan de tekst van de auteur van het citaat, bijvoorbeeld door middel van een hyperlink. Feitelijk wordt een dergelijk bestand echter los van die tekst geëxploiteerd en kan het door de gebruikers van de website van de auteur van het citaat afzonderlijk worden gebruikt, waarbij zij ongeoorloofd toegang krijgen tot het origineel en daardoor dit origineel niet meer hoeven te raadplegen.

48.      Ik ben derhalve van mening dat de beperking voor citaten een rechtvaardiging kan vormen voor het gebruik van werk van anderen, waarbij de omvang en de technische werkwijze kunnen variëren. De combinatie van omvang van het gebruik en toegepaste technische middelen kan echter leiden tot overschrijding van de grenzen aan die beperking. De beperking voor citaten kan met name niet gelden voor situaties waarin een werk zonder toestemming van de auteur in zijn geheel op internet voor het publiek beschikbaar wordt gesteld als een bestand dat los kan worden ingezien en gedownload.

49.      Anders dan de verwijzende rechter in het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft aangegeven, ben ik van mening dat het in casu niet gaat om de beoordeling van het reële risico van een zelfstandige exploitatie van het geciteerde werk, maar om de definitie van het begrip citaat zelf.(25) Indien een werk in zijn geheel in de vorm van een los bestand op internet beschikbaar wordt gesteld, betekent dit – op zijn minst in geval van werken van letterkunde – dat de lezer het origineel niet meer hoeft te raadplegen en overschrijdt dit derhalve de grenzen aan de beperking voor citaten, zonder dat het reële risico van latere exploitatie van het werk behoeft te worden geanalyseerd.

50.      Toestaan dat een citaat de plaats inneemt van het origineel is tevens in strijd met de vereisten van de „driestappentoets” waarin zowel artikel 9, lid 2, van de Berner Conventie(26) als artikel 5, lid 5, van richtlijn 2001/29 voorziet, die inhoudt dat de beperkingen op het auteursrecht moeten voldoen aan de cumulatieve voorwaarden dat zij geen afbreuk doen aan de normale exploitatie van het werk en de wettige belangen van de auteur niet schaden. Een citaat dat de plaats inneemt van het origineel, waardoor de gebruiker het origineel niet meer hoeft te raadplegen, schaadt hoe dan ook de normale exploitatie van dat origineel.

51.      Aan deze slotsom wordt niet afgedaan door de verklaring van verzoekster dat verweerder niet beoogde het betrokken artikel economisch te exploiteren en dat zijn verzet tegen de mededeling van het artikel aan het publiek uitsluitend de bescherming van zijn persoonlijke belangen diende. Deze slotsom betreft immers niet uitsluitend de toepassing van de beperking voor citaten in het hoofdgeding, maar tevens de normatieve begrenzingen van die beperking in het Unierecht. Voor deze begrenzingen is het niet relevant of de auteur in een bepaalde concrete situatie zijn werk exploiteert of voornemens is dat te doen. De betrokken uitlegging van de beperking voldoet immers niet aan de driestappentoets, zoals bedoeld in artikel 5, lid 5, van richtlijn 2001/29, zodra het gebruik van het werk in het kader van de beperking ook maar potentieel afbreuk doet aan die exploitatie.

52.      Bijgevolg stel ik voor de vijfde prejudiciële vraag in die zin te beantwoorden dat artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde beperking voor citaten niet van toepassing is op situaties waarin een werk zonder toestemming van de auteur in zijn geheel op internet voor het publiek beschikbaar wordt gesteld als een bestand dat los kan worden ingezien en gedownload, zodat de gebruiker het origineel niet meer hoeft te raadplegen.

 Zesde prejudiciële vraag

53.      Met zijn zesde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen hoe in de onderhavige zaak de regel van artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29 moet worden uitgelegd, volgens welke de beperking voor citaten enkel geldt voor werken die reeds op geoorloofde wijze voor het publiek beschikbaar zijn gesteld.

54.      Aangezien mijn voorstel voor de beantwoording van de vijfde prejudiciële vraag resulteert in uitsluiting van toepassing van deze beperking in de onderhavige zaak, heeft deze zesde vraag een hypothetisch karakter. Ik zal er echter enkele opmerkingen aan wijden, voor het geval het Hof niet instemt met mijn analyse van de vijfde prejudiciële vraag.

55.      Het vereiste dat het citaat uitsluitend betrekking heeft op werken die reeds op geoorloofde wijze voor het publiek beschikbaar zijn gesteld, wordt van oudsher in het auteursrecht erkend en is met name te vinden in artikel 10, lid 1, van de Berner Conventie. Dit vereiste heeft de bescherming tot doel van de morele rechten van de auteur, met name het recht op verspreiding, dat wil zeggen het recht van de auteur om als eerste te besluiten tot mededeling aan het publiek of beschikbaarstelling voor het publiek van zijn werk. Deze eerste beschikbaarstelling voor het publiek kan plaatsvinden met toestemming van de auteur of op grond van een wettelijke licentie. Het Hof lijkt eveneens stilzwijgend te hebben ingestemd met verspreiding in het kader van een beperking, te weten de beperking in artikel 5, lid 3, onder e), van richtlijn 2001/29.(27) Deze oplossing lijkt mij niet vanzelfsprekend, want de in artikel 5, leden 1 tot en met 3, van richtlijn 2001/29 bedoelde beperkingen vormen enkel afwijkingen van de vermogensrechten van auteurs en mogen in beginsel geen inbreuk maken op hun morele rechten. Hoe dan ook mag deze eerste beschikbaarstelling voor het publiek uiteraard niet het gevolg zijn van het citaat zelf.

56.      Wat betreft het artikel van verweerder in het hoofdgeding blijkt uit de informatie in het verzoek om een prejudiciële beslissing dat dit artikel in één versie is gepubliceerd in de bundel die in 1988 is verschenen en vervolgens, nadat het manuscript in de archieven was ontdekt, in beide versies op de website van verweerder. Op het moment van publicatie op de website van verzoekster lijkt dit artikel derhalve reeds op geoorloofde wijze beschikbaar te zijn gesteld voor het publiek, hetgeen de verwijzende rechter zou moeten verifiëren.

57.      Het enige probleem zou kunnen liggen in de vermeende verdraaiing van de opvatting van verweerder in de publicatie in de bundel, terwijl verweerder de publicatie op zijn eigen website voorziet van een verklaring waarbij hij zich van dit artikel distantieert, die niet door verzoekster is overgenomen. Hier kan dus sprake zijn van inbreuk op de morele rechten van verweerder, met name op zijn recht op eerbiediging van het werk. Aangezien richtlijn 2001/29 niet van toepassing is op morele rechten, staat het evenwel volledig aan de nationale rechters hierover op grond van hun interne recht te oordelen.

58.      Voor het geval dat het Hof niet zou instemmen met mijn voorstel voor beantwoording van de vijfde prejudiciële vraag, stel ik voor de zesde prejudiciële vraag in die zin te beantwoorden dat artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het werk dat wordt geciteerd reeds met toestemming van de auteur of op grond van een wettelijke licentie beschikbaar moet zijn gesteld voor het publiek. Het staat aan de nationale rechters te verifiëren of dat zo is.

 Tweede en derde prejudiciële vraag

59.      Uit het door mij voorgestelde antwoord op de vierde en de vijfde prejudiciële vraag vloeit voort dat de door de verwijzende rechter bedoelde beperkingen op de uitsluitende rechten van de auteur, te weten de beperkingen die zijn opgenomen in artikel 5, lid 3, onder c) en d), van richtlijn 2001/29, niet van toepassing zijn op het gebruik van een werk zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde gebruik dat door verzoekster van het artikel van verweerder is gemaakt. De verwijzende rechter wenst echter eveneens te vernemen of overwegingen ten aanzien van de eerbiediging van de grondrechten van verzoekster, met name haar vrijheid van meningsuiting die wordt gewaarborgd door artikel 11, lid 1, van het Handvest, en de vrijheid van de media, als neergelegd in lid 2 van dat artikel, dit gebruik kunnen rechtvaardigen. Hierover gaan de tweede en de derde prejudiciële vraag, die ik gezamenlijk zal analyseren.

60.      Met zijn tweede en zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media de omvang begrenzen van de uitsluitende rechten van de auteur om de reproductie en mededeling aan het publiek van zijn werk toe te staan of te verbieden in geval van publicatie daarvan door een persorgaan in het kader van een debat over kwesties van algemeen belang, of een rechtvaardiging bieden voor een beperking van of inbreuk op die uitsluitende rechten.

61.      Deze vragen zijn identiek aan de tweede en de derde prejudiciële vraag van dezelfde verwijzende rechter in de zaak Funke Medien NRW(28) en zijn in wezen eveneens vergelijkbaar met de zesde prejudiciële vraag van dezelfde rechter in de zaak Pelham e.a.(29)

62.      In mijn conclusie in de zaak Pelham e.a. heb ik voorgesteld in wezen te antwoorden dat het auteursrecht al grenzen en beperkingen bevat die bedoeld zijn om de uitsluitende rechten van auteurs in overeenstemming te brengen met de grondrechten, met name de vrijheid van meningsuiting, en dat de in dat verband door de wetgever gemaakte keuzen derhalve normaliter moeten worden gerespecteerd. Deze keuzen zijn immers het resultaat van een afweging van de grondrechten van de gebruikers van de werken en de rechten van de auteurs en andere rechthebbenden, die eveneens worden beschermd als grondrecht, te weten het recht op eigendom dat is verankerd in artikel 17 van het Handvest, waarvan lid 2 uitdrukkelijk de intellectuele eigendom noemt. Deze afweging valt binnen de beoordelingsmarge van de wetgever, waarbij de rechter slechts bij uitzondering hoeft tussen te komen, in geval van schending van de wezenlijke inhoud van een grondrecht.(30)

63.      Ik voeg hieraan toe dat het in de derde prejudiciële vraag geopperde idee om het Unierechtelijke auteursrecht langs gerechtelijke weg aan te vullen met beperkingen waarin artikel 5 van richtlijn 2001/29 niet voorziet, op grond van overwegingen met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting, mijns inziens het risico met zich brengt de doeltreffendheid van dit recht en de daarmee beoogde harmonisatie in gevaar te brengen. Met een dergelijke mogelijkheid zou immers in het Unierecht een soort „fair use-bepaling” worden opgenomen, want bij praktisch elk met het auteursrecht strijdig gebruik van werken kan op een of andere manier de vrijheid van meningsuiting worden ingeroepen.(31) De effectieve bescherming van de rechten van auteurs zou aldus afhankelijk zijn van de mate waarin de rechters van elk van de lidstaten gevoelig zijn voor de vrijheid van meningsuiting, waardoor elke poging tot harmonisatie verwordt tot wishful thinking.(32)

64.      Deze redenering is naar mijn mening volledig van toepassing op de onderhavige zaak.

65.      In de inleiding op de onderhavige conclusie heb ik het belang van de vrijheid van meningsuiting en het belang van de vrijheid van de media in een democratische samenleving reeds onderstreept; ik zal dat hier kortheidshalve niet nogmaals doen. Net als de andere grondrechten zijn deze vrijheden echter niet absoluut of onbeperkt, zoals duidelijk blijkt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest alsook uit artikel 10, lid 2, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”), die voorzien in begrenzingen van de grondrechten en de voorwaarden voor toepassing van die begrenzingen. Het auteursrecht kan een van die geoorloofde begrenzingen van de vrijheid van meningsuiting vormen(33) en die vrijheid heeft in principe geen voorrang boven het auteursrecht, afgezien van de restricties en beperkingen waarin het auteursrecht zelf voorziet.

66.      Op het argument van verzoekster dat het voor de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media doorslaggevend is wie de controle over de informatie heeft, moet dan ook worden geantwoord dat de auteur de controle heeft over de verspreiding en het verkeer van de informatie indien deze bestaat uit een door het auteursrecht beschermd werk, onder voorbehoud van bovengenoemde restricties en beperkingen.

67.      Het is juist dat de situatie in het hoofdgeding een specifiek geval vormt, in die zin dat de auteur van het betrokken werk een politicus is, het werk zelf uitdrukking geeft aan zijn mening over een onderwerp van algemeen belang en de betwiste mededeling van dit werk aan het publiek door verzoekster heeft plaatsgevonden in het kader van een debat dat voorafging aan parlementsverkiezingen. Men kan zich dan ook afvragen of de situatie in de onderhavige zaak niet vergelijkbaar is met die in de zaak Funke Medien NRW(34), waarin ik heb voorgesteld in overweging te nemen dat de auteursrechten van de Duitse Staat geen rechtvaardiging vormden voor de daaruit resulterende inbreuk op de vrijheid van meningsuiting.

68.      Ik ben evenwel van mening dat de omstandigheden in de onderhavige zaak niet tot een vergelijkbare oplossing kunnen leiden.

69.      In de eerste plaats is het specifieke kenmerk van de zaak Funke Medien NRW(35) dat het betrokken werk bestaat uit vertrouwelijke periodieke militaire rapporten met een zuiver feitelijk karakter(36) en dat de Duitse Staat, als houder van de auteursrechten van die rapporten, heeft besloten de bescherming die deze documenten genieten als vertrouwelijke informatie te vervangen door de bescherming op grond van het auteursrecht. Aangezien het hier om een staat gaat, kan deze zich ter ondersteuning van zijn auteursrecht niet beroepen op een grondrecht, aangezien de grondrechten enkel voor particulieren gelden.

70.      In de onderhavige zaak is onbetwist dat het betrokken artikel een werk is in de zin van het auteursrecht, en is de houder van de auteursrechten een natuurlijke persoon. Anders dan een staat beschikt een natuurlijke persoon niet over instrumenten zoals de mogelijkheid een document als vertrouwelijk te classificeren en zo de wettelijke toegang tot dit document te beperken. Voor een natuurlijke persoon is het auteursrecht het belangrijkste of zelfs het enige middel om zijn scheppend werk te beschermen. Bovendien geniet een dergelijke auteur, als natuurlijke persoon, het grondrecht op eigendom alsook andere grondrechten, die op dezelfde wijze als de vrijheid van meningsuiting van de mogelijke gebruikers van zijn werk worden beschermd. De begrenzing van die vrijheid van meningsuiting, die resulteert uit de uitsluitende voorrechten van de betrokken auteur, is dus geoorloofd in die zin dat zij voortvloeit uit de bescherming van een ander grondrecht. Er moet derhalve een afweging worden gemaakt tussen deze verschillende grondrechten – een afweging die in principe in het kader van de bepalingen inzake het auteursecht door de wetgever is gemaakt.

71.      In de tweede plaats wordt verweerder, die een door verkiezing verkregen functie uitoefent, onderworpen aan een bijzonder strenge controle van zijn publieke taak, met name door de media. In bepaalde omstandigheden kan die controle eventueel een rechtvaardiging vormen voor mededeling aan het publiek van het artikel van verweerder zonder diens toestemming, bijvoorbeeld indien hij probeert de inhoud ervan te verbergen.(37)

72.      In de onderhavige zaak heeft verweerder echter volledig transparant gehandeld door zelf, op zijn website, beide versies van zijn artikel te publiceren en zo eenieder in staat te stellen zich een mening te vormen over het belang van de verschillen tussen beide versies. Bovendien is de taak van verzoekster door deze publicatie op de website van verweerder vergemakkelijkt. Daardoor had zij haar doel om te informeren immers kunnen bereiken op een voor het auteursrecht minder ingrijpende wijze, met name door de relevante passages van beide versies van het artikel van verweerder te citeren of door een hyperlink naar diens website te maken.

73.      Wat betreft het argument van verzoekster dat verweerder, doordat hij zich door middel van een vermelding op beide op zijn website gepubliceerde teksten van zijn artikel heeft gedistantieerd, de lezer heeft belet objectief waar te nemen, volstaat het op te merken dat het de auteur vrijstaat zich van zijn werk te distantiëren. Ik denk niet dat deze distantiëring, die enkel aanvullende informatie geeft, de lezer heeft verhinderd beide versies van het betrokken artikel objectief te analyseren. Als de lezer bedachtzaam genoeg is om beide versies van de tekst te vergelijken, is hij ook in staat de oprechtheid van een dergelijke distantiëring te beoordelen.

74.      Het argument van verzoekster dat een hyperlink naar de website van verweerder niet volstaat omdat een dergelijke link per definitie afhankelijk is van de inhoud van de doelpagina, is mijns inziens evenmin overtuigend. Verzoekster was overigens in het bezit van het artikel van verweerder, zodat zij heel goed had kunnen reageren indien hij het betrokken artikel van zijn site had verwijderd. In dat geval was de situatie uit het oogpunt van de vrijheid van meningsuiting anders geweest. Dit is echter niet gebeurd.

75.      In de derde plaats, ten slotte, wordt mijn conclusie niet ter discussie gesteld door het argument van verzoekster dat verweerder met zijn beroep op zijn recht op reproductie en zijn recht op mededeling aan het publiek van zijn artikel in werkelijkheid niet de verdediging beoogde van de vermogensrechten waarover hij als auteur beschikt, maar de bescherming van zijn persoonlijke rechten, waaronder rechten die niet voortvloeien uit zijn hoedanigheid van auteur van het betrokken artikel. Deze persoonlijke rechten zouden niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2001/29 of die van het Unierecht in het algemeen vallen.

76.      Voor zover verzoekster zich wil beroepen op een beperking op de auteursrechten, moet worden opgemerkt dat aan het genot van deze rechten niet de voorwaarde is verbonden van een effectieve exploitatie van het werk door zijn auteur. Het auteursrecht en met name de vermogensrechten garanderen de auteur niet enkel de ongehinderde exploitatie van zijn werk, maar ook de bescherming tegen de exploitatie ervan door derden, indien hij daarvoor geen toestemming heeft verleend. Door het artikel van verweerder op haar website voor het publiek beschikbaar te stellen, heeft verzoekster met betrekking tot dit artikel een exploitatiehandeling in de zin van het auteursrecht verricht.

77.      Bovendien moeten de morele auteursrechten, hoewel zij buiten de met richtlijn 2001/29 gerealiseerde harmonisatie vallen(38), in aanmerking worden genomen bij de uitlegging van de bepalingen van die richtlijn, wanneer toepassing van die bepalingen die rechten kan schaden. Richtlijn 2001/29 brengt slechts een gedeeltelijke harmonisatie van het auteursrecht tot stand. Dat betekent dat deze richtlijn niet buiten haar context van toepassing is en niet rechtstreeks, hetgeen inherent is aan de aard van een richtlijn. Deze bepalingen moeten worden omgezet in nationaal recht van de lidstaten, waarin zij interageren met andere bepalingen van dit recht, met name bepalingen inzake de morele auteursrechten. Bij de uitlegging van een beperking op een vermogensrecht van de auteur mogen zijn morele rechten dan ook niet buiten beschouwing worden gelaten door vrij gebruik van het werk toe te staan enkel omdat de betrokken auteur niet van plan is dit werk economisch te exploiteren maar uitsluitend tracht zijn morele rechten te beschermen.

78.      Indien het argument van verzoekster aldus moet worden opgevat dat het auteursrecht van verweerder – als uitvloeisel van zijn krachtens artikel 17 van het Handvest beschermde recht op eigendom – bij het ontbreken van economische exploitatie van het werk de daaruit voortvloeiende begrenzing van de vrijheid van meningsuiting niet rechtvaardigt, merk ik op dat de situatie in de onderhavige zaak niet vergelijkbaar is met die in de zaak Funke Medien NRW, waarin ik een analoge redenering heb voorgesteld(39), en wel om de in de punten 69 en 70 van deze conclusie uiteengezette redenen.

79.      Bij de onderlinge afweging van de grondrechten van de partijen in het hoofdgeding moet bovendien niet alleen rekening worden gehouden met het recht op eigendom van verweerder, maar tevens met zijn overige grondrechten die eventueel meespelen. De gebeurtenis die in het hoofdgeding aan de orde is, is de confrontatie van verweerder met de overtuigingen die hij voorheen in het betrokken werk had uitgedrukt. Met zijn vordering heeft verweerder getracht zijn monopolie op mededeling van dit werk aan het publiek te beschermen, om deze mededeling te kunnen doen vergezellen van de vermelding dat hij zich van de in dat werk uitgedrukte overtuigingen distantieerde. In artikel 10 van het Handvest is de vrijheid van gedachte verankerd, die volgens de uitdrukkelijke formulering van deze bepaling „tevens de vrijheid om [...] van overtuiging te veranderen [omvat]”.(40) Ik zie geen reden om dit recht niet toe te kennen aan politici. Hoe kan verweerder zijn vrijheid om van overtuiging te veranderen dan effectief uitoefenen, indien het artikel dat zijn eerdere overtuigingen bevat vrijelijk onder zijn naam kan worden gepubliceerd zonder vermelding van zijn distantiëring, zodat bij het publiek de indruk wordt gewekt dat het om zijn huidige overtuigingen gaat?

80.      Verweerder heeft derhalve gegronde redenen om zijn uit het Handvest voortvloeiende rechten(41) te beschermen met de hem ter beschikking staande rechtsinstrumenten, in casu het auteursrecht. Indien hij dit binnen de door de wet gestelde grenzen doet, is er geen sprake van misbruik en kan de eruit voortvloeiende begrenzing van de vrijheid van meningsuiting van verzoekster niet als ongerechtvaardigd worden beschouwd.

81.      Ik stel derhalve voor de tweede en de derde prejudiciële vraag in die zin te beantwoorden dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media geen begrenzing vormen van de uitsluitende rechten van de auteur om de reproductie en de mededeling aan het publiek van zijn werk toe te staan of te verbieden, en geen rechtvaardiging bieden voor een beperking van of een inbreuk op die rechten, naast de restricties en beperkingen zoals bedoeld in artikel 5, leden 2 en 3, van richtlijn 2001/29. Dit geldt eveneens in een situatie waarin de auteur van het betrokken werk een publieke functie uitoefent en dat werk zijn overtuiging openbaart ten aanzien van kwesties van algemeen belang, voor zover dat werk reeds voor het publiek beschikbaar is.

 Conclusie

82.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:

„1)      De lidstaten zijn verplicht in hun nationale recht de bescherming te waarborgen van de uitsluitende rechten zoals bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij. Die rechten kunnen enkel worden beperkt door toepassing van de beperkingen en restricties die uitputtend zijn beschreven in artikel 5 van die richtlijn. De lidstaten blijven echter vrij in hun keuze van de middelen die zij passend achten om die verplichting na te komen.

2)      Artikel 5, lid 3, onder c), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat het gebruik van een werk van letterkunde in het kader van een verslag over een actuele gebeurtenis niet valt onder de beperking waarin dit artikel voorziet indien het met dit gebruik beoogde doel lezing van het gehele werk of een deel daarvan vereist.

3)      Artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde beperking voor citaten niet van toepassing is op situaties waarin een werk zonder toestemming van de auteur in zijn geheel op internet voor het publiek beschikbaar wordt gesteld als een bestand dat los kan worden ingezien en gedownload, zodat de gebruiker het origineel niet meer hoeft te raadplegen.

4)      De in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde vrijheid van meningsuiting en van de media vormt geen begrenzing van de uitsluitende rechten van de auteur om de reproductie en de mededeling aan het publiek van zijn werk toe te staan of te verbieden, en biedt geen rechtvaardiging voor een beperking van of inbreuk op die rechten, naast de restricties en beperkingen zoals bedoeld in artikel 5, leden 2 en 3, van richtlijn 2001/29. Dit geldt eveneens in een situatie waarin de auteur van het betrokken werk een publieke functie uitoefent en dat werk zijn overtuiging openbaart ten aanzien van kwesties van algemeen belang, voor zover dat werk reeds voor het publiek beschikbaar is.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Ook dit is een bijdrage van de verklaring van 1789 (artikel 6).


3      Verdrag dat op 20 december 1996 te Genève is gesloten en op 6 maart 2002 in werking is getreden (hierna: „WIPO-verdrag inzake het auteursrecht”), dat op de Europese Unie van toepassing is ingevolge besluit 2000/278/EG van de Raad van 16 maart 2000 houdende goedkeuring namens de Europese Gemeenschap van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht en het WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen (PB 2000, L 89, blz. 6).


4      Gemeenschappelijke verklaring van de diplomatieke conferentie waarbij het Verdrag van de WIPO inzake het auteursrecht is aangenomen, die als bijlage bij dit verdrag is gevoegd (artikel 25 van het verdrag).


5      PB 2001, L 167, blz. 10.


6      C‑476/17, thans bij het Hof aanhangig.


7      Zie mijn conclusie in de zaak Pelham (C‑476/17, EU:C:2018:1002, punten 71‑79).


8      Juister gezegd de voorloper van dit artikel, te weten artikel 151 VEG.


9      C‑469/17, thans bij het Hof aanhangig.


10      Zie in het bijzonder de punten 69 en 70 van deze conclusie.


11      Uit de toelichting op het voorstel voor richtlijn 2001/29 van de Commissie van 21 januari 1998 [COM(97) 628 def.] blijkt impliciet dat dit de wens van de wetgever was. In die toelichting wordt met name opgemerkt dat de Berner Conventie auteurs het reproductierecht garandeert; dat dit recht volgens de gemeenschappelijke verklaring bij artikel 1, lid 4, van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht ten volle van toepassing is op de digitale omgeving, en de beperkingen en restricties op dit reproductierecht verenigbaar moeten zijn met het in deze Conventie vastgestelde beschermingsniveau (zie toelichting op het voorstel van de Commissie, blz. 14 en 15). Zie eveneens overweging 44, eerste volzin, van richtlijn 2001/29.


12      Het eerste gedeelte van artikel 5, lid 3, onder c), van richtlijn 2001/29 komt overeen met artikel 10bis, lid 1, van de Berner Conventie, dat betrekking heeft op de reproductie van artikelen over actuele onderwerpen en uitzendingen van dezelfde aard. Deze beperking is in de onderhavige zaak niet aan de orde.


13      Zie meest recentelijk arrest van 13 november 2018, Levola Hengelo (C‑310/17, EU:C:2018:899, punt 38).


14      Deze precisering, namelijk dat het moet gaan om werken die tijdens de gebeurtenis gezien of gehoord zijn, is ook opgenomen in § 50 UrhG, waarbij de beperking voor verslagen van actuele gebeurtenissen is omgezet in Duits recht.


15      Dat wil zeggen het doel van voorlichting, om de bewoordingen over te nemen van artikel 5, lid 3, onder c), van richtlijn 2001/29 en van artikel 10bis, lid 2, van de Berner Conventie.


16      Reeds in 1812 merkte Charles Nodier in Questions de littérature légale op dat „van alle zaken die men aan een auteur kan ontlenen, het citaat zeker de meest vergeeflijke is [...]”. (Ik citeer uit: Pollaud-Dulian, F., Le Droit d’auteur, Economica, Parijs, 2014, blz. 852).


17      In de versie van de Berner Conventie die het resultaat is van de Akte van Brussel van 1948 bepaalt artikel 10: „Korte aanhalingen uit nieuws- en tijdschriftartikelen, zelfs in de vorm van persoverzichten, zijn in alle Landen van het Verbond geoorloofd.”


18      Wat betreft fotografische werken lijkt het Hof dit stilzwijgend te hebben erkend (zie arrest van 1 december 2011, Painer, C‑145/10, EU:C:2011:798, punten 122 en 123).


19      Uiteraard gaat het hier om links naar inhoud die beschikbaar wordt gesteld door de persoon die zich beroept op de beperking voor citaten. Links naar internetpagina’s van anderen waarop het door het auteursrecht beschermde materiaal op geoorloofde wijze beschikbaar is gesteld, vormen geen handelingen bestaande in reproductie of een mededeling aan het publiek en brengen derhalve geen inbreuk op de uitsluitende rechten met zich (zie arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a., C‑466/12, EU:C:2014:76, dictum).


20      Zie bijvoorbeeld Barta, J., Markiewicz, R., Prawo autorskie, Wolters Kluwer, Warschau, 2016, blz. 236 en 237; Pollaud-Dulian, F., Le droit d’auteur, Economica, Parijs, 2014, blz. 855, en Stanisławska-Kloc, S., „Zasady wykorzystywania cudzych utworów: prawo autorskie i dobre obyczaje (etyka cytatu)”, Diametros, nr. 19/2009, blz. 160‑184, en in het bijzonder blz. 168.


21      Arrest van 1 december 2011, Painer (C‑145/10, EU:C:2011:798, punten 122 en 123). Zie eveneens de conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in die zaak (C‑145/10, EU:C:2011:239, punt 212).


22      Arrest van 1 december 2011, Painer (C‑145/10, EU:C:2011:798, punt 135).


23      Zie voetnoot 17 van deze conclusie.


24      Zie met name Barta, J., Markiewicz, R., Prawo autorskie, Wolters Kluwer, Warschau, 2016, blz. 239; Pollaud-Dulian, F., Le Droit d’auteur, Economica, Parijs, 2014, blz. 851; Preussner-Zamorska, J., Marcinkowska, J., in Barta, J. (red.), Prawo autorskie, C.H. Beck, Warschau, 2013, blz. 565, en Vivant, M., Bruguière, J.‑M., Droit d’auteur et droits voisins, Dalloz, Parijs, 2016, blz. 572.


25      Waarbij dit begrip moet worden uitgelegd als autonoom Unierechtelijk begrip (zie in die zin arrest van 3 september 2014, Deckmyn en Vrijheidsfonds, C‑201/13, EU:C:2014:2132, punten 14‑17).


26      Zoals overgenomen in artikel 10 van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht.


27      Gebruik ten behoeve van de openbare veiligheid of om het goede verloop van een administratieve, parlementaire of gerechtelijke procedure te waarborgen. Zie arrest van 1 december 2011 (Painer, C‑145/10, EU:C:2011:798, punten 143 en 144).


28      C‑469/17, thans bij het Hof aanhangig.


29      C‑476/17, thans bij het Hof aanhangig. Het is juist dat die zaak betrekking heeft op de in artikel 13 van het Handvest verankerde vrijheid van kunsten. Die vrijheid geeft echter gewoon gestalte aan de vrijheid van meningsuiting.


30      Zie mijn conclusie in de zaak Pelham (C‑476/17, EU:C:2018:1002, punten 90‑99).


31      Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens valt onder de vrijheid van meningsuiting bijvoorbeeld het delen van bestanden binnen peer-to-peer-netwerken (zie EHRM, 19 februari 2013, Neij en Sunde Kolmisoppi tegen Zweden, CE:ECHR:2013:0219DEC004039712).


32      Deze bewoordingen zijn van A. Lucas in Lucas, A., Ginsburg, J.C., „Droit d’auteur, liberté d’expression et libre accès à l’information (étude comparée de droit américain et européen)”, Revue internationale du droit d’auteur, deel 249 (2016), blz. 4‑153, op blz. 25.


33      Zie EHRM, 10 januari 2013, Ashby Donald e.a. tegen Frankrijk (CE:ECHR:2013:0110JUD003676908, § 36).


34      C‑469/17, thans bij het Hof aanhangig.


35      C‑469/17, thans bij het Hof aanhangig.


36      Waarvan niet is vastgesteld dat zij in aanmerking kwamen voor auteursrechtelijke bescherming (zie mijn conclusie in de zaak Funke Medien NRW, C‑469/17, EU:C:2018:870, punt 20).


37      Als voorbeeld van een situatie waarin de behoeften van het publieke debat moeten prevaleren boven het auteursrecht wordt vaak de beslissing genoemd van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 4 september 2003, in de zaak betreffende de publicatie van documenten van de Scientology-kerk (NL:GHSGR:2003:AI5638) (zie opmerkingen bij dat arrest van Vivant, M., Propriétés intellectuelles, nr. 12, blz. 834).


38      Zie overweging 19 van richtlijn 2001/29.


39      Zie mijn conclusie in de zaak Funke Medien NRW (C‑469/17, EU:C:2018:870, punten 58‑61).


40      Hetzelfde recht is verankerd in artikel 9, lid 1, EVRM, waarvan de formulering in wezen gelijk is aan die van artikel 10, lid 1, van het Handvest.


41      Ik ga hier niet in op de vraag of publieke bekendmaking van de verandering van overtuiging nog binnen de werkingssfeer van artikel 10 van het Handvest valt, dan wel binnen die van artikel 11 ervan.