Language of document : ECLI:EU:C:2019:24

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

16 januari 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van onderhoudsverplichtingen – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 5, punt 2 – Artikel 27 – Artikel 35, lid 3 – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Artikel 19 – Aanhangigheid – Artikel 22, onder a) – Artikel 23, onder a) – Niet-erkenning van beslissingen wegens kennelijke strijd met de openbare orde – Artikel 24 – Verbod om de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht te toetsen – Weigeringsgrond gebaseerd op schending van de regels inzake aanhangigheid – Geen”

In zaak C‑386/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij beslissing van 26 oktober 2016, ingekomen bij het Hof op 27 juni 2017, in de procedure

Stefano Liberato

tegen

Luminita Luisa Grigorescu,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, vicepresident, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, E. Regan en C. G. Fernlund (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Stefano Liberato, vertegenwoordigd door F. Ongaro en A. Castellani, avvocati,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Pucciariello, avvocato dello Stato,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en A. Kasalická als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Montaguti en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 september 2018,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Stefano Liberato en Luminita Luisa Grigorescu betreffende een verzoek om erkenning in Italië van een in Roemenië gegeven beslissing in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en onderhoudsverplichtingen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Verordening nr. 2201/2003

3        De overwegingen 11 en 21 van verordening nr. 2201/2003 luiden:

„(11) Onderhoudsverplichtingen zijn van de werkingssfeer van onderhavige verordening uitgesloten, omdat zij reeds door [verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)] worden geregeld. De gerechten die uit hoofde van onderhavige verordening bevoegd zijn, zullen over het algemeen bevoegd zijn om uitspraak te doen inzake onderhoudsverplichtingen, krachtens artikel 5, [punt] 2, van [verordening nr. 44/2001].

[...]

(21) De erkenning en de tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissingen dienen gebaseerd te zijn op het beginsel van wederzijds vertrouwen, en de gronden tot weigering van de erkenning dienen tot het noodzakelijke minimum beperkt te blijven.”

4        Artikel 12 van verordening nr. 2201/2003, met als opschrift „Prorogatie van rechtsmacht”, bepaalt in lid 1:

„De gerechten van een lidstaat zijn, in de uitoefening van hun bevoegdheid op grond van artikel [3] ter zake van een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, bevoegd voor elke met dit verzoek samenhangende kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien:

a)      ten minste één van de echtgenoten de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt;

en

b)      de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.”

5        Artikel 17 van deze verordening, „Toetsing van de bevoegdheid”, bepaalt:

„Het gerecht van een lidstaat waarbij een zaak aanhangig is gemaakt waarvoor overeenkomstig deze verordening niet dit gerecht maar een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.”

6        Artikel 19 van voornoemde verordening luidt:

„1.      Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen verzoeken tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk aanhangig zijn, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2.      Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

3.      Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verwijst het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, partijen naar dat gerecht. In dit geval kan de partij die de procedure aanhangig heeft gemaakt bij het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, die vordering aanhangig maken bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht.”

7        Artikel 22 van verordening nr. 2201/2003, „Gronden tot weigering van de erkenning van beslissingen ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk”, bepaalt:

„Een beslissing ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk wordt niet erkend:

a)      indien de erkenning kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

[...]

c)      indien zij onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing; [...]

[...]”

8        Artikel 23 van deze verordening, „Gronden tot weigering van de erkenning van beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid”, luidt als volgt:

„Een beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt niet erkend:

a)      indien de erkenning, gelet op het belang van het kind, kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

[...]

e)      indien zij onverenigbaar is met een latere beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, die in de aangezochte lidstaat is gegeven;

[...]”

9        Artikel 24 van voornoemde verordening, „Geen toetsing van de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht”, luidt:

„De bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst wordt niet getoetst. Het criterium van de openbare orde, bedoeld in artikel 22, onder a), en artikel 23, onder a), wordt niet toegepast op de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 tot en met 14.”

 Verordening nr. 44/2001

10      Artikel 5 van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

[...]

2)      ten aanzien van onderhoudsverplichtingen: voor het gerecht van de plaats waar de tot onderhoud gerechtigde woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft of, indien het een bijkomende eis is die verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen, voor het gerecht dat volgens zijn eigen recht bevoegd is daarvan kennis te nemen, behalve in het geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van een der partijen;

[...]”

11      Artikel 27 van deze verordening luidt als volgt:

„1.      Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2.      Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.”

12      Artikel 34 van dezelfde verordening bepaalt:

„Een beslissing wordt niet erkend indien:

1)      de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

[...]

3)      de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing;

4)      de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat.”

13      Artikel 35 van verordening nr. 44/2001 luidt:

„1.      De beslissingen worden tevens niet erkend, indien de afdelingen 3, 4 en 6 van hoofdstuk II zijn geschonden, of indien het in artikel 72 bedoelde geval zich voordoet.

2.      Bij de toetsing of de in het vorige lid genoemde bevoegdheidsregels niet zijn geschonden, is het aangezochte gerecht of de aangezochte autoriteit gebonden aan de feitelijke overwegingen op grond waarvan het gerecht van de lidstaat van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen.

3.      Onverminderd lid 1 mag de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst niet worden getoetst. De bevoegdheidsregels betreffen niet de openbare orde als bedoeld in artikel 34, punt 1.”

 Italiaans recht

14      Artikel 150 van de codice civile (burgerlijk wetboek), met als opschrift „Scheiding van tafel en bed”, bepaalt:

„Scheiding van tafel en bed is toegestaan.

Scheiding van tafel en bed kan door de rechter worden uitgesproken of met wederzijds goedvinden geschieden.

Het recht om scheiding van tafel en bed door de rechter of bekrachtiging van de scheiding van tafel en bed met wederzijds goedvinden te vorderen, komt uitsluitend toe aan de echtgenoten.”

15      Artikel 151 van de codice civile, „Door de rechter uitgesproken scheiding van tafel en bed”, luidt:

„Scheiding van tafel en bed kan worden verzocht wanneer zich, ook buiten de wil van een der echtgenoten of beiden, gebeurtenissen voordoen waardoor voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden of de opvoeding van de kinderen ernstig wordt verstoord.

Wanneer de rechter de scheiding van tafel en bed uitspreekt, verklaart hij, op verzoek en indien de omstandigheden dat rechtvaardigen, aan welke echtgenoot de scheiding kan worden toegerekend omdat hij of zij zich in strijd met de huwelijkse plichten heeft gedragen.”

16      De verwijzende rechter preciseert dat de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsverplichting voor het kind bij scheiding van tafel en bed en bij echtscheiding op dezelfde wijze worden geregeld door de artikelen 337 bis tot en met 337 octies van het burgerlijk wetboek.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17      Liberato en Grigorescu zijn op 22 oktober 2005 in Rome (Italië) in het huwelijk getreden en hebben tot de geboorte van hun kind op 20 februari 2006 in die lidstaat onder één dak gewoond. Aangezien de huwelijksband steeds slechter was geworden, heeft de moeder het kind meegenomen naar Roemenië. Zij is sindsdien niet meer teruggekeerd naar Italië.

18      Liberato heeft op 22 mei 2007 bij de Tribunale di Teramo (rechter in eerste aanleg Teramo, Italië) scheiding van tafel en bed en het ouderlijk gezag over zijn kind gevorderd. Grigorescu, die voor deze rechter is verschenen, heeft de vordering ten gronde betwist en een reconventionele vordering ingesteld die ertoe strekte dat Liberato werd verplicht om haar een bijdrage in het onderhoud van het kind te betalen. Bij vonnis van 19 januari 2012 heeft voornoemde rechter de scheiding van tafel en bed uitgesproken waarbij de schuld daarvoor bij Grigorescu werd gelegd, en bij afzonderlijke beslissing de zaak voor onderzoek doorverwezen wat betreft de beslissing over de wederzijdse vorderingen van partijen ter zake van de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid.

19      Terwijl de bij de Tribunale di Teramo ingeleide procedure inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid nog aanhangig was, heeft Grigorescu op 30 september 2009 bij de Judecătoria București (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) echtscheiding, het eenhoofdig ouderlijk gezag over het kind en een bijdrage van de vader in het levensonderhoud van het kind gevorderd.

20      Liberato is voor deze rechter verschenen en heeft een exceptie van aanhangigheid opgeworpen op grond dat hij reeds een procedure tot scheiding van tafel en bed en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid had ingeleid in Italië. Toch heeft voornoemde rechter bij vonnis van 31 mei 2010 de scheiding van de echtgenoten uitgesproken, het gezag over het kind aan de moeder toegewezen en de omgangsregeling voor de vader alsmede de door hem ten behoeve van het kind te betalen onderhoudsbijdrage vastgesteld.

21      Deze beslissing heeft kracht van gewijsde gekregen na een uitspraak van de Curte de Apel București (rechter in derde aanleg Boekarest, Roemenië) van 12 juni 2013, die het vonnis van de Tribunal București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) van 3 december 2012, waarbij die rechter het door Liberato tegen het vonnis van 31 mei 2010 ingestelde hoger beroep had verworpen, had bevestigd.

22      De scheidingsprocedure in Italië is later afgesloten met een vonnis van 8 juli 2013 van de Tribunale di Teramo. Bij dit vonnis is het eenhoofdig ouderlijk gezag over het kind toegewezen aan de vader en de onmiddellijke terugkeer van deze minderjarige naar Italië bevolen. Ook is daarbij de omgangsregeling voor de moeder in Italië geregeld en is een bijdrage in het onderhoud van het kind ten laste van de moeder vastgesteld.

23      De Tribunale di Teramo heeft in het bijzonder het incidentele verzoek van Grigorescu om op grond van verordening nr. 2201/2003 het echtscheidingsvonnis van de Tribunal București van 3 december 2012 in Italië te erkennen, afgewezen. Volgens de Tribunale di Teramo was de echtscheidingsprocedure in Roemenië namelijk ingeleid nadat in Italië de procedure tot scheiding van tafel en bed aanhangig was gemaakt, en hebben de Roemeense gerechten derhalve artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 geschonden door hun uitspraak niet aan te houden.

24      Grigorescu heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en om te beginnen een incidentele vordering ingediend tot erkenning van de uitspraak van de Curtea de Apel București van 12 juni 2013 waarin de exceptie van aanhangigheid is afgewezen, omdat de twee zaken volgens Roemeens procesrecht niet hetzelfde onderwerp hadden.

25      Bij uitspraak van 31 maart 2014 heeft de Corte d’appello di L’Aquila (rechter in tweede aanleg L’Aquila, Italië) het vonnis van de Tribunale di Teramo van 8 juli 2013 vernietigd en de exceptie dat de door de Roemeense rechter gegeven echtscheidingsbeslissing, die ook op het gezag over het kind en de bijdrage in diens onderhoud betrekking had, kracht van gewijsde had verkregen, aanvaard. Volgens deze rechter in tweede aanleg was de schending van de Unierechtelijke aanhangigheidsregels door de rechterlijke organen van de lidstaat die het laatst is aangezocht, in het onderhavige geval Roemenië, niet van belang voor het onderzoek van de voorwaarden voor erkenning van de definitieve, door die lidstaat vastgestelde maatregelen, en bestond er geen enkele reden, met name geen reden van openbare orde, die aan de erkenning van de Roemeense beslissing in de weg stond.

26      Liberato heeft tegen deze uitspraak van de Corte d’appello di L’Aquila beroep in cassatie ingesteld.

27      De verwijzende rechter geeft aan dat de in Roemenië gegeven beslissing zowel betrekking heeft op de huwelijksband als op de ouderlijke verantwoordelijkheid en op de onderhoudsverplichting. In de in Italië ingeleide procedure tot scheiding van tafel en bed zijn dezelfde vorderingen ingediend, behalve waar het gaat om de vordering inzake de huwelijksband, die niet dezelfde was, aangezien de Italiaanse rechtsorde voor echtscheiding vereist dat eerst is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor scheiding van tafel en bed.

28      Deze rechter zet uiteen dat er uit hoofde van artikel 22, onder c), van verordening nr. 2201/2003, artikel 23, onder e), van deze verordening en artikel 34, lid 4, van verordening nr. 44/2001 geen redenen zijn die in de weg staan aan erkenning van de Roemeense beslissing inzake respectievelijk de echtelijke status, de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsverplichtingen.

29      Volgens voornoemde rechter dient evenwel te worden onderzocht of een – volgens hem duidelijke – schending van de Unierechtelijke aanhangigheidsregels van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 27 van verordening nr. 44/2001 door de gerechten waarvan de beslissing voorwerp is van een verzoek om erkenning, kan worden beschouwd als reden om die beslissing niet te erkennen wegens strijd met de openbare orde.

30      In die omstandigheden heeft de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Raakt schending van de aanhangigheidsregels van artikel 19, leden 2 en 3, van [verordening nr. 2201/2003] uitsluitend de vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid, met als gevolg dat artikel 24 van deze verordening van toepassing is, of kan zij daarentegen om redenen van procedurele openbare orde in de weg staan aan erkenning, in de lidstaat van de eerst aangezochte rechter, van de beslissing die is gegeven in de lidstaat van de laatst aangezochte rechter, indien in aanmerking wordt genomen dat [dit artikel 24] uitsluitend verwijst naar de regels voor de vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid in de artikelen 3 tot en met 14, en niet naar artikel 19 van voornoemde verordening?

2)      Is de uitlegging van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 dat dit artikel uitsluitend is bedoeld als criterium voor de vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid, in strijd met het Unierechtelijke begrip ,aanhangigheid’ en met de functie en de doelstelling van dit artikel, dat ertoe strekt een geheel van voorschriften van procedurele openbare orde te geven, teneinde een gemeenschappelijke ruimte tot stand te brengen die wordt gekenmerkt door vertrouwen en procedurele loyaliteit tussen lidstaten, waarbinnen automatische erkenning en vrij verkeer van beslissingen mogelijk is?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

31      Vooraf dient te worden opgemerkt dat de vragen van de verwijzende rechter enkel betrekking hebben op verordening nr. 2201/2003. Evenwel blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de zaak in het hoofdgeding betrekking heeft op de erkenning van een beslissing betreffende niet alleen huwelijkszaken en de ouderlijke verantwoordelijkheid, maar ook onderhoudsverplichtingen, die, zoals is vermeld in overweging 11 van verordening nr. 2201/2003, niet onder die verordening vallen, maar onder verordening nr. 44/2001. Derhalve dienen de vragen te worden beantwoord in het licht van verordeningen nrs. 2201/2003 en 44/2001.

32      Met zijn vragen, die gezamenlijk dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de aanhangigheidsregels van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 en van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 aldus moeten worden uitgelegd dat, wanneer in het kader van een geding betreffende huwelijkszaken, ouderlijke verantwoordelijkheid of onderhoudsverplichtingen de laatst aangezochte rechter in strijd met deze regels een beslissing geeft, die definitief is geworden, de gerechten van de lidstaat van de eerst aangezochte rechter kunnen weigeren die beslissing te erkennen wegens kennelijke strijdigheid met de openbare orde.

33      In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat Grigorescu zich op 30 september 2009 tot een Roemeense rechter heeft gewend met een verzoek om echtscheiding tussen haarzelf en Liberato, een verzoek betreffende het gezag over hun kind en een verzoek om bijdrage in het levensonderhoud van dat kind, terwijl vóór die datum een Italiaanse rechter was aangezocht met een verzoek om scheiding van tafel en bed tussen de echtgenoten alsmede een verzoek betreffende het gezag over het kind, die door Liberato waren ingediend, en een reconventioneel verzoek om bijdrage in het levensonderhoud van het kind, dat door Grigorescu was ingediend.

34      Op basis van het verschil in onderwerp van de verzoeken op het gebied van huwelijkszaken, te weten echtscheiding in het ene geval en scheiding van tafel en bed in het andere, heeft de Roemeense rechter geoordeeld dat er geen sprake was van aanhangigheid in de zin van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 en zich bevoegd geacht om kennis te nemen van het door Grigorescu ingestelde beroep.

35      Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, is het op het gebied van huwelijkszaken overeenkomstig artikel 19, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 weliswaar van belang dat verzoeken dezelfde partijen betreffen, maar kunnen zij een verschillend onderwerp hebben, mits zij betrekking hebben op een scheiding van tafel en bed, een echtscheiding of een nietigverklaring van het huwelijk. Hier heeft het Hof uit afgeleid dat sprake kan zijn van aanhangigheid of van onderling samenhangende procedures in de zin van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, wanneer bij twee gerechten van verschillende lidstaten een zaak aanhangig is gemaakt, waarbij het in het ene geval gaat om een procedure tot scheiding van tafel en bed en in het andere geval om een echtscheidingsprocedure. Wanneer dergelijke omstandigheden zich voordoen en er sprake is van dezelfde partijen, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat (arrest van 6 oktober 2015, A, C‑489/14, EU:C:2015:654, punten 33 en 34).

36      Voorts zijn, zoals is opgemerkt door de advocaat-generaal in de punten 56 en 57 van zijn conclusie, indien bij de rechter die beslist over de huwelijksband vorderingen over de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn ingediend, de aanhangigheidsregels voor scheiding van toepassing. Hetzelfde geldt voor de onderhoudsverplichting, wanneer de vorderingen daartoe overeenkomstig artikel 5, punt 2, van verordening nr. 44/2001 bijkomende eisen zijn die verbonden zijn met een vordering betreffende de staat van personen. Hieruit volgt dat de eerstgenoemde vorderingen onder artikel 19, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 vallen, terwijl de laatstgenoemde zijn geregeld in artikel 27 van verordening nr. 44/2001.

37      In het onderhavige geval heeft het gerecht waarbij het eerst een verzoek om scheiding van tafel en bed is aangebracht, zich op basis van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 bevoegd geacht om uitspraak te doen op de verzoeken inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en inzake de onderhoudsverplichtingen ten aanzien van het kind, omdat Grigorescu in de voor hem aanhangige zaak verweer had gevoerd en aldus de bevoegdheid van deze rechter had aanvaard.

38      Hieruit vloeit voort dat, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, de rechter die als laatste is aangezocht met een verzoek om echtscheiding en verzoeken inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en onderhoudsverplichtingen, en die weigert zijn uitspraak aan te houden en zich bevoegd acht deze verzoeken in behandeling te nemen, in strijd handelt met artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 27 van verordening nr. 44/2001.

39      Teneinde de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden, dient erop te worden gewezen dat de bewoordingen van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 sterk aanleunen bij die van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 en dat voormeld artikel 19 voor de behandeling van gevallen van litispendentie een regeling instelt die gelijkwaardig is aan die waarin voormeld artikel 27 voorziet. Derhalve dient bij de uitlegging van verordening nr. 2201/2003 rekening te worden gehouden met hetgeen het Hof heeft vastgesteld in verband met verordening nr. 44/2001 (zie in die zin arrest van 6 oktober 2015, A, C‑489/14, EU:C:2015:654, punt 27).

40      Vervolgens dienen de kenmerken van het bij verordening nr. 2201/2003 ingestelde mechanisme in herinnering te worden gebracht.

41      Deze verordening is gebaseerd op de samenwerking en het wederzijdse vertrouwen tussen rechterlijke instanties, welke moeten leiden tot de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen, de hoeksteen voor de totstandbrenging van een werkelijke justitiële ruimte (arrest van 15 februari 2017, W en V, C‑499/15, EU:C:2017:118, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42      De aanhangigheidsregels spelen in dit verband een belangrijke rol.

43      Zoals het Hof eerder reeds heeft geoordeeld, strekken deze regels ertoe in het belang van een goede rechtsbedeling binnen de Unie parallelle procedures voor de gerechten van de verschillende lidstaten en de tegenstrijdige beslissingen die daarvan het gevolg kunnen zijn, te voorkomen. Hiertoe heeft de Uniewetgever beoogd een duidelijke en afdoende regeling in te stellen om gevallen van litispendentie op te lossen, gebaseerd op de chronologische volgorde waarin gerechten zijn aangezocht (zie in die zin arrest van 6 oktober 2015, A, C‑489/14, EU:C:2015:654, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en, naar analogie, betreffende verordening nr. 44/2001, arrest van 27 februari 2014, Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances, C‑1/13, EU:C:2014:109, punt 40).

44      Met het oog op de doeltreffende tenuitvoerlegging van verordening nr. 2201/2003 en overeenkomstig het beginsel van wederzijds vertrouwen waarop die verordening berust, dient ten eerste te worden benadrukt dat, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 59 van zijn conclusie, het overeenkomstig artikel 17 van die verordening aan iedere rechter staat om zijn bevoegdheid te toetsen (zie in die zin arresten van 15 juli 2010, Purrucker, C‑256/09, EU:C:2010:437, punt 73; 12 november 2014, L, C‑656/13, EU:C:2014:2364, punt 58, en 15 februari 2017, W en V, C‑499/15, EU:C:2017:118, punt 54).

45      Ten tweede mag ingevolge artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst niet worden getoetst (arrest van 9 november 2010, Purrucker, C‑296/10, EU:C:2010:665, punt 85). Ditzelfde geldt onder verordening nr. 44/2001 krachtens artikel 35, lid 3, ervan.

46      Ten derde is verordening nr. 2201/2003, volgens overweging 21 ervan, gebaseerd op de opvatting dat de erkenning en de tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissingen dienen te berusten op het beginsel van wederzijds vertrouwen en dat de gronden tot weigering van de erkenning tot het noodzakelijke minimum beperkt dienen te blijven (arrest van 19 november 2015, P, C‑455/15 PPU, EU:C:2015:763, punt 35).

47      In het licht van deze overwegingen moet worden onderzocht of de omstandigheid dat een beslissing die definitief is geworden, in strijd met de aanhangigheidsregels van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 en van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 is gegeven, een reden van openbare orde vormt die, op grond van artikel 34 van verordening nr. 44/2001 alsmede van artikel 22, onder a), en artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003, zich verzet tegen de erkenning van die beslissing door de gerechten van de lidstaat van de eerst aangezochte rechter.

48      In dit verband dient te worden opgemerkt dat volgens artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 het criterium van de openbare orde, bedoeld in artikel 22, onder a), en artikel 23, onder a), van die verordening, niet wordt toegepast op de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 tot en met 14 van voornoemde verordening.

49      Bijgevolg moet worden vastgesteld of de aanhangigheidsregels net als de regels van de artikelen 3 tot en met 14 van die verordening bevoegdheidsregels vormen.

50      Hoewel het in dit verband juist is dat de aanhangigheidsregels van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 geen deel uitmaken van de expliciet in artikel 24 van die verordening genoemde bevoegdheidsregels, maakt ditzelfde artikel 19 wel deel uit van hoofdstuk II van voornoemde verordening, dat het opschrift „bevoegdheid” draagt.

51      Bovendien, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 77 van zijn conclusie, wanneer zoals in het hoofdgeding de eerst aangezochte rechter die over een incidentele vordering tot erkenning uitspraak doet, nagaat of de aanhangigheidsregels door de later aangezochte rechter op juiste wijze zijn toegepast en derhalve de gronden beoordeelt waarom deze rechter zich niet onbevoegd heeft verklaard, toetst de eerst aangezochte rechter noodzakelijkerwijs de bevoegdheid van de later aangezochte rechter. Zoals in punt 45 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, staat artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 hem evenwel niet toe een dergelijke toetsing te verrichten.

52      Niettegenstaande het feit dat het in artikel 24 van deze verordening geformuleerde verbod geen uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 19 ervan bevat, vormt een vermeende schending van laatstgenoemd artikel dus geen grond voor het eerst aangezochte gerecht om te weigeren een beslissing van het laatst aangezochte gerecht te erkennen wegens schending van de aanhangigheidsregels van dat artikel 19, omdat hij anders de bevoegdheid van dat laatstgenoemde gerecht zou toetsen (zie naar analogie, met betrekking tot artikel 15 van verordening nr. 2201/2003, arrest van 19 november 2015, P, C‑455/15 PPU, EU:C:2015:763, punt 45).

53      Deze overwegingen gelden ook voor de in artikel 27 van verordening nr. 44/2001 geformuleerde aanhangigheidsregels op het gebied van onderhoudsverplichtingen, omdat artikel 35, lid 3, van deze verordening eveneens bepaalt dat de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst niet mag worden getoetst.

54      Hieraan moet worden toegevoegd dat de rechter van de aangezochte staat niet mag weigeren een beslissing uit een andere lidstaat te erkennen op de enkele grond dat zijns inziens het nationale recht of het Unierecht in die beslissing onjuist is toegepast, aangezien anders het doel van verordeningen nrs. 2201/2003 en 44/2001 zou worden doorkruist (zie in die zin arresten van 16 juli 2015, Diageo Brands, C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 49, en 19 november 2015, P, C‑455/15 PPU, EU:C:2015:763, punt 46).

55      Voor deze analyse is steun te vinden in het feit dat de in artikel 22, onder a), en artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003 alsmede in artikel 34 van verordening nr. 44/2001 genoemde gronden tot niet-erkenning van een beslissing wegens kennelijke strijdigheid met de openbare orde, strikt moeten worden uitgelegd omdat zij de verwezenlijking van een van de fundamentele doelstellingen van deze verordeningen, zoals in herinnering gebracht in punt 46 van het onderhavige arrest, belemmeren (zie in die zin arrest van 19 november 2015, C‑455/15 PPU, EU:C:2015:763, punt 36).

56      Derhalve moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de aanhangigheidsregels van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 en van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 aldus moeten worden uitgelegd dat, wanneer in het kader van een geding betreffende huwelijkszaken, ouderlijke verantwoordelijkheid of onderhoudsverplichtingen de laatst aangezochte rechter in strijd met deze regels een beslissing geeft die definitief is geworden, zij zich ertegen verzetten dat de gerechten van de lidstaat van de eerst aangezochte rechter om die enkele reden weigeren deze beslissing te erkennen. In het bijzonder vormt deze schending van de aanhangigheidsregels op zich geen rechtvaardiging voor de weigering om die beslissing te erkennen wegens kennelijke strijdigheid met de openbare orde van die lidstaat.

 Kosten

57      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

De aanhangigheidsregels van artikel 27 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, en van artikel 19 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moeten aldus worden uitgelegd dat, wanneer in het kader van een geding betreffende huwelijkszaken, ouderlijke verantwoordelijkheid of onderhoudsverplichtingen de laatst aangezochte rechter in strijd met deze regels een beslissing geeft die definitief is geworden, zij zich ertegen verzetten dat de gerechten van de lidstaat van de eerst aangezochte rechter om die enkele reden weigeren deze beslissing te erkennen. In het bijzonder vormt deze schending van de aanhangigheidsregels op zich geen rechtvaardiging voor de weigering om die beslissing te erkennen wegens kennelijke strijdigheid met de openbare orde van die lidstaat.

ondertekeningen


*      Procestaal: Italiaans.