Language of document : ECLI:EU:C:2019:76

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

30 januari 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van de wetgevingen – Geldigheid van richtlijn 2014/40/EU – Productie, presentatie en verkoop van tabaksproducten – Regulering van ‚ingrediënten’ – Verbod op gearomatiseerde tabaksproducten”

In zaak C‑220/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgericht Berlin (bestuursrechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) bij beslissing van 21 april 2017, ingekomen bij het Hof op 27 april 2017, in de procedure

Planta Tabak-Manufaktur Dr. Manfred Obermann GmbH & Co. KG

tegen

Land Berlin,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, A. Arabadjiev, E. Regan, C. G. Fernlund en S. Rodin (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: R. Şereş, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 maart 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        Planta Tabak-Manufaktur Dr. Manfred Obermann GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door T. Masing en C. Eckart, Rechtsanwälte,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Jiménez García als gemachtigde,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Coesme en D. Colas als gemachtigden,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door G. Koós en M. Z. Fehér als gemachtigden,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Brandon, I. Rogers en Z. Lavery als gemachtigden,

–        de Noorse regering, vertegenwoordigd door P. Wennerås, M. Schei en M. Reinertsen Norum als gemachtigden,

–        het Europees Parlement, vertegenwoordigd door L. Visaggio, U. Rösslein en J. Rodrigues als gemachtigden,

–        de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door P. Plaza García, E. Karlsson en R. Wiemann als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Kellerbauer en J. Tomkin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juli 2018,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de geldigheid van artikel 7, leden 1, 7 en 14, de artikelen 8 tot en met 11, in het bijzonder artikel 9, lid 1, tweede alinea, lid 4, onder a), tweede zin, en lid 6, artikel 10, lid 1, onder b), e) en f), en artikel 11, lid 1, eerste alinea, eerste zin, en artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van richtlijn 2001/37/EG (PB 2014, L 127, blz. 1, met rectificatie in PB 2015, L 150, blz. 24), en de uitlegging van artikel 7, lid 14, en artikel 13, lid 1, onder c), en lid 3, van die richtlijn.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Planta Tabak-Manufaktur Dr. Manfred Obermann GmbH & Co. KG (hierna: „Planta Tabak”) en het Land Berlin (deelstaat Berlijn, Duitsland) over het verbod op het op de markt brengen van bepaalde tabaksproducten en over de voorschriften betreffende de etikettering en verpakking van tabaksproducten.

 Toepasselijke bepalingen

3        Overweging 9 van richtlijn 2014/40 luidt als volgt:

„Teneinde er zorg voor te dragen dat de lidstaten deze richtlijn op uniforme wijze toepassen, is het nodig een aantal nieuwe definities vast te stellen. Indien verschillende door deze richtlijn opgelegde verplichtingen op verschillende productcategorieën van toepassing zijn en het betrokken product onder meer dan een van deze categorieën valt (bv. pijptabak, shagtabak), moeten de meest stringente verplichtingen worden toegepast.”

4        Overweging 16 van die richtlijn luidt:

„De waarschijnlijkheid van uiteenlopende regelgeving wordt nog vergroot door de bezorgdheid over tabaksproducten die een ander kenmerkend aroma hebben dan dat van tabak, hetgeen het beginnen met de consumptie van tabak kan vergemakkelijken of de consumptiepatronen kan beïnvloeden. Maatregelen die leiden tot een ongerechtvaardigde gedifferentieerde behandeling van verschillende soorten gearomatiseerde sigaretten moeten worden vermeden. Producten met een kenmerkend aroma met een groter verkoopvolume dienen evenwel over een langere termijn te worden uitgefaseerd, teneinde consumenten voldoende tijd te geven om naar andere producten over te stappen.”

5        Artikel 1 van de richtlijn bepaalt:

„Deze richtlijn beoogt de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten [...]

[...]

teneinde de interne markt voor tabak en aanverwante producten beter te doen functioneren, waarbij wordt uitgegaan van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, met name voor jongeren, en teneinde te voldoen aan de verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit het [Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)] inzake tabaksontmoediging (WHO Framework Convention for Tobacco Control – FCTC) [goedgekeurd bij besluit 2004/513/EG van de Raad van 2 juni 2004 betreffende de sluiting van de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik (PB 2004, L 213, blz. 8)].

6        In artikel 2 van de richtlijn wordt bepaald:

„In deze richtlijn gelden de volgende definities:

[...]

14)      ‚nieuwsoortig tabaksproduct’: een tabaksproduct dat:

a)      niet onder een van de volgende categorieën valt: sigaretten, shagtabak, pijptabak, waterpijptabak, sigaren, cigarillo’s, pruimtabak, snuiftabak of tabak voor oraal gebruik, [...]

[...]”

7        Artikel 7 van richtlijn 2014/40 bepaalt:

„1.      De lidstaten verbieden het in de handel brengen van tabaksproducten met een kenmerkend aroma.

[...]

7.      De lidstaten verbieden het in de handel brengen van tabaksproducten met bestanddelen, zoals filters, papier, verpakkingen of capsules, die geur- of smaakstoffen bevatten of met technische elementen die de geur, de smaak of de intensiteit van de rook van de betreffende tabaksproducten kunnen wijzigen. Filters, papier en capsules mogen geen tabak of nicotine bevatten.

[...]

12.      Andere tabaksproducten dan sigaretten en shagtabak zijn vrijgesteld van het verbod bedoeld in de leden 1 en 7. [...]

[...]

14.      In het geval van tabaksproducten met een kenmerkend aroma waarvan het verkoopvolume in de gehele Unie 3 % of meer van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt, is het bepaalde in dit artikel van toepassing vanaf 20 mei 2020.

[...]”

8        De artikelen 8 tot en met 11 van die richtlijn, die vallen onder hoofdstuk II („Etikettering en verpakking”) van titel II van die richtlijn, bevatten respectievelijk algemene bepalingen, bepalingen betreffende algemene waarschuwingen en informatieve boodschappen op voor roken bestemde tabaksproducten, bepalingen betreffende gecombineerde gezondheidswaarschuwingen voor voor roken bestemde tabaksproducten en bepalingen betreffende de etikettering van andere voor roken bestemde tabaksproducten dan sigaretten, shagtabak en waterpijptabak.

9        Artikel 9 van de richtlijn bepaalt:

„1.      Op elke verpakkingseenheid en op elke buitenverpakking van voor roken bestemde tabaksproducten staat een van de volgende algemene waarschuwingen:

‚Roken is dodelijk – stop nu’

of

‚Roken is dodelijk’.

De lidstaten beslissen welke van de in de eerste alinea bedoelde algemene waarschuwingen wordt gebruikt.

[...]

4.      De algemene waarschuwing en de informatieve boodschap, bedoeld in de leden 1 en 2, worden:

a)      aangebracht in zwarte vetgedrukte Helvetica-letters op een witte achtergrond. Om aan de taalvoorschriften te voldoen mogen de lidstaten de lettergrootte zelf bepalen, mits de in het nationale recht bepaalde lettergrootte zeker stelt dat de desbetreffende tekst een zo groot mogelijk deel van de voor deze gezondheidswaarschuwingen bestemde oppervlakte beslaat, [...]

[...]

6.      De Commissie bepaalt door middel van uitvoeringshandelingen de precieze positie van de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap op shagtabak die in buidels verkocht wordt, met inachtneming van de diverse vormen van de buidels.”

10      In artikel 10 van richtlijn 2014/40 wordt bepaald:

„1.      Op elke verpakkingseenheid en op elke buitenverpakking van voor roken bestemde tabaksproducten staan gecombineerde gezondheidswaarschuwingen. De gecombineerde gezondheidswaarschuwingen:

[...]

b)      bevatten informatie over het stoppen met roken, zoals telefoonnummers, e-mailadressen of websites die de consumenten informatie verstrekken over hulpprogramma’s voor wie wil stoppen met roken;

[...]

e)      staan bovenaan de verpakkingseenheid en de buitenverpakking, in dezelfde richting als eventuele andere informatie op de betreffende kant van de verpakking. In de lidstaten waar accijnszegels of voor belastingdoeleinden gebruikte nationale herkenningstekens verplicht blijven, kunnen overgangsvrijstellingen van de verplichting betreffende de positie van de gecombineerde gezondheidswaarschuwing gelden, als volgt:

i)      in deze gevallen, wanneer de accijnszegel of het voor belastingdoeleinden gebruikte nationale herkenningsteken is aangebracht aan de bovenkant van een van karton gemaakte verpakkingseenheid, mag de gecombineerde gezondheidswaarschuwing die op de achterkant moet staan, worden aangebracht onmiddellijk onder de accijnszegel of het voor belastingdoeleinden gebruikte nationaal herkenningsteken;

ii)      indien een verpakkingseenheid van zacht materiaal is gemaakt kunnen de lidstaten toestaan dat een rechthoekige ruimte van niet meer dan 13 mm hoog tussen de bovenrand van de verpakking en de bovenrand van de gecombineerde gezondheidswaarschuwing, bestemd wordt voor de accijnszegel of het voor belastingdoeleinden gebruikte nationale herkenningsteken.

De onder i) en ii) bedoelde vrijstellingen gelden voor een periode van drie jaar vanaf 20 mei 2016. Merknamen en logo’s worden niet boven de gezondheidswaarschuwingen aangebracht;

[...]

f)      beantwoorden aan het formaat, de lay-out, het ontwerp en de afmetingen die de Commissie overeenkomstig lid 4 specificeert;

[...]”

11      Artikel 11, lid 1, eerste alinea, eerste zin, van de richtlijn bepaalt:

„De lidstaten kunnen andere voor roken bestemde tabaksproducten dan sigaretten, shagtabak en waterpijptabak vrijstellen van de verplichting om de informatieve boodschap als neergelegd in artikel 9, lid 2, en de gecombineerde gezondheidswaarschuwingen als neergelegd in artikel 10 op te nemen.”

12      In artikel 13 van de richtlijn wordt bepaald:

„1.      De etikettering van verpakkingseenheden en van elke buitenverpakking en het tabaksproduct zelf bevat geen enkel element of kenmerk dat:

[...]

c)      verwijst naar een smaak, geur- of smaakstoffen of andere additieven, of het ontbreken daarvan;

[...]

3.      De krachtens de leden 1 en 2 verboden elementen en kenmerken omvatten maar zijn niet beperkt tot teksten, symbolen, namen, merken en al dan niet figuratieve tekens.”

13      Artikel 29, lid 1, van de richtlijn bepaalt:

„De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 september 2008 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

De lidstaten passen die bepalingen toe met ingang van 20 mei 2016, onverminderd artikel 7, lid 14, artikel 10, lid 1, onder e), artikel 15, lid 13, en artikel 16, lid 3.”

14      In artikel 30 van richtlijn 2014/40 wordt bepaald:

„De lidstaten mogen toestaan dat de onderstaande producten die niet aan deze richtlijn voldoen, tot 20 mei 2017 in de handel worden gebracht:

a)      tabaksproducten die vóór 20 mei 2016 zijn geproduceerd of in het vrije verkeer zijn gebracht en geëtiketteerd overeenkomstig richtlijn 2001/37/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (PB 2001, L 194, blz. 26)];

[...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15      Planta Tabak vervaardigt en verhandelt tabaksproducten, met name gearomatiseerde shagtabak.

16      Richtlijn 2014/40 is omgezet bij het Gesetz über Tabakerzeugnisse und verwandte Erzeugnisse (wet inzake tabaks- en aanverwante producten) van 4 april 2016 (BGBl. 2016 I, blz. 569; hierna: „TabakerzG”).

17      Met haar op 25 april 2016 bij het Verwaltungsgericht Berlin (bestuursrechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) ingestelde beroep verzoekt Planta Tabak om vaststelling dat sommige bepalingen van het TabakerzG, betreffende het verbod op aroma’s, de choquerende foto’s en het verbod op reclame voor aroma’s, niet van toepassing zijn op haar producten. Planta Tabak stelt voorts dat artikel 7, leden 1 en 7, de artikelen 8 tot en met 11 en artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 in strijd zijn met het primaire Unierecht, en met name met de beginselen van rechtszekerheid, gelijke behandeling en evenredigheid.

18      De verwijzende rechter heeft in de eerste plaats twijfels over de geldigheid en de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2014/40 betreffende het verbod op aroma’s in tabaksproducten, de regels inzake de etikettering en verpakking van deze producten en het verbod op reclame voor aroma’s.

19      Hij plaatst om te beginnen vraagtekens bij de uitlegging van artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40 en bij de verenigbaarheid van deze bepaling met het rechtszekerheidsbeginsel, in het licht van het verbod op het in de handel brengen van tabaksproducten met een kenmerkend aroma, dat geldt sinds 20 mei 2016 voor zover het verkoopvolume in de gehele Europese Unie 3 % of minder van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt, en dat zal gelden vanaf 20 mei 2020 waar dit niet het geval is. De verwijzende rechter verklaart dat de fabrikanten van betrokken tabaksproducenten niet in staat zijn om informatie te verkrijgen over de verkoopvolumes in de gehele Unie, ondanks de invoering door de Commissie, in haar uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2186 van 25 november 2015 tot vaststelling van een format voor het indienen en voor het publiek toegankelijk maken van informatie over tabaksproducten (PB 2015, L 312, blz. 5), van een rapportage- en informatiesysteem dat op middellange termijn gericht is op het verzamelen en beschikbaar stellen van dergelijke informatie. De websites van de Commissie en die van de bevoegde Duitse federale autoriteiten bevatten dit soort informatie niet, noch geven zij aan hoe deze kan worden verkregen. De procedure die moet worden gevolgd voor de toepassing van de afwijking van artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 is dus niet duidelijk omschreven.

20      Vervolgens wordt de term „productcategorie” in artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 door die richtlijn niet gedefinieerd en kan zij evenmin met zekerheid door uitlegging worden omschreven. De verwijzende rechter vraagt zich met name af of de verdeling van de productcategorieën uitsluitend dient te geschieden op basis van het soort tabaksproduct of het soort aroma dat het bevat, dan wel of deze twee criteria moeten worden gecombineerd (mentholsigaretten, fijngesneden mentholtabak enzovoort).

21      De verwijzende rechter merkt bovendien op dat artikel 7 van deze richtlijn, wat de datum van toepassing van de verbodsbepalingen inzake het verkeer van tabaksproducten betreft, in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling, voor zover het onderscheid maakt tussen gearomatiseerde tabaksproducten op basis van hun verkoopvolumen, terwijl deze producten zich met betrekking tot de doelstelling van bescherming van de gezondheid van de consument en de door die richtlijn nagestreefde doelstelling van opheffing van handelsbelemmeringen in vergelijkbare situaties bevinden.

22      Daarenboven vraagt de verwijzende rechter zich af of het verbod op aroma’s, gelet op de in richtlijn 2014/40 gestelde termijnen, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel en met artikel 34 VWEU, gezien de negatieve economische en sociale gevolgen voor kleine en middelgrote ondernemingen die gespecialiseerd zijn in „nicheproducten” met een marktaandeel van minder dan 3 % in de gehele Unie, die daarom met ingang van 20 mei 2016 niet meer op de markt mochten worden gebracht.

23      In de tweede plaats wijst de verwijzende rechter ook op de korte duur van de op 20 mei 2016 aflopende termijn, neergelegd in artikel 29, lid 1, van richtlijn 2014/40, voor de omzetting van die richtlijn en het begin van de toepassing van de nationale bepalingen, ten opzichte van de datum van vaststelling van uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1735 van de Commissie van 24 september 2015 betreffende de exacte positie van de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap op shagtabak die in buidels wordt verkocht (PB 2015, L 252, blz. 49) en ten opzichte van uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1842 van de Commissie van 9 oktober 2015 betreffende de technische specificaties voor de opmaak, het ontwerp en de vorm van de gecombineerde gezondheidswaarschuwingen op voor roken bestemde tabaksproducten (PB 2015, L 267, blz. 5).

24      In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich allereerst af of de nationale wetgever, in het licht van het Unierecht, in algemene zin bevoegd is om zijn eigen overgangsbepalingen vast te stellen. Vervolgens vraagt hij zich, in geval van een ontkennend antwoord, af of het niet in strijd is met het beginsel van loyale samenwerking als bedoeld in artikel 4, lid 3, VEU, gelezen in samenhang met het beginsel van een eenvormige en effectieve toepassing van het Unierecht, om de lidstaten te verplichten richtlijn 2014/40 ruim voor het verstrijken van de in artikel 29, lid 1, van die richtlijn gestelde termijn om te zetten.

25      Bovendien merkt de verwijzende rechter op dat het samenvallen in de tijd van de termijn voor omzetting van richtlijn 2014/40 en die voor toepassing van de nationale bepalingen moeilijk verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel. In dit verband is de verwijzende rechter van mening dat de fabrikanten zonder de verduidelijkingen in de uitvoeringsbesluiten 2015/1735 en 2015/1842 betreffende met name de precieze plaats van de algemene waarschuwing en de informatie op de shagtabak die in buidels wordt verkocht, niet in staat waren om de verpakkings- en drukmachines te plannen en te bestellen en de bijbehorende vul- en verpakkingsmachines, indien nodig, om te bouwen. Tussen de vaststelling van die besluiten en de in artikel 29, lid 1, van richtlijn 2014/40 genoemde datum van 20 mei 2016 lag een periode van ongeveer zeven maanden.

26      In de derde plaats wenst de verwijzende rechter wat betreft het evenredigheidsbeginsel te vernemen of de loutere vermelding van een legaal in tabaksproducten opgenomen aroma of geur- of smaakstof op de verpakkingseenheid of de buitenverpakking in neutrale, niet als reclame bedoelde vorm, is toegestaan bij artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40.

27      Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40, door het gebruik van bepaalde merken te verbieden, een onevenredige onteigening oplevert in de zin van artikel 17, lid 1, tweede zin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). De merkhouders die onder deze bepaling vallen, worden uitgesloten van elk redelijk of relevant gebruik van deze merken en deze uitsluiting raakt hen economisch op dezelfde wijze als een formele onteigening. De uit deze bepaling voortvloeiende etiketteringsvoorschriften leiden ertoe dat merkhouders duurzaam verstoken zijn van bepaalde essentiële toepassingsmogelijkheden als bedoeld in artikel 10 van richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2015, L 336, blz. 1).

28      In deze omstandigheden heeft het Verwaltungsgericht Berlin de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      a)      Zijn de leden 1 en 7 van artikel 7 van richtlijn [2014/40] juncto lid 14 van artikel 7 van richtlijn [2014/40] ongeldig wegens schending van het rechtszekerheidsbeginsel, omdat zij aan de lidstaten opdragen het in de handel brengen van bepaalde tabaksproducten te verbieden, zonder dat duidelijk is welke van deze tabaksproducten reeds vanaf 20 mei 2016 en welke pas vanaf 20 mei 2020 verboden moeten zijn?

b)      Zijn de leden 1 en 7 van artikel 7 van richtlijn [2014/40] juncto lid 14 van artikel 7 van richtlijn [2014/40] ongeldig wegens schending van het beginsel van gelijke behandeling, omdat zij ten aanzien van de door de lidstaten vast te stellen verboden een onderscheid maken op grond van het verkoopvolume, zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat?

c)      Zijn de leden 1 en 7 van artikel 7 van richtlijn [2014/40] ongeldig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel en/of van artikel 34 VWEU, omdat zij aan de lidstaten opdragen het in de handel brengen van tabaksproducten met een kenmerkend aroma waarvan het verkoopvolume in de gehele Unie minder dan 3 % van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt, reeds vanaf 20 mei 2016 te verbieden?

d)      Ingeval de eerste vraag, onder a) tot en met c), ontkennend wordt beantwoord: hoe moet het begrip ‚productcategorie’ in artikel 7, lid 14, van richtlijn [2014/40] worden opgevat? Dient de onderverdeling in ‚productcategorieën’ op grond van het kenmerkende aroma te worden gebaseerd op het kenmerkende aroma, op de aard van het (gearomatiseerde) tabaksproduct of op een combinatie van deze twee criteria?

e)      Ingeval de eerste vraag, onder a) tot en met c), ontkennend wordt beantwoord: hoe moet worden vastgesteld of ten aanzien van een bepaald tabaksproduct de 3 %-grens zoals bedoeld in artikel 7, lid 14, van richtlijn [2014/40] is bereikt, zolang hiervoor geen officiële en voor het publiek toegankelijke cijfers en statistieken bestaan?

2)      a)      Mogen de lidstaten bij de omzetting van de artikelen 8 tot en met 11 van richtlijn [2014/40] in nationaal recht aanvullende overgangsregelingen treffen?

b)      Ingeval de tweede prejudiciële vraag, onder a), ontkennend wordt beantwoord:

–      Zijn artikel 9, lid 6, en artikel 10, lid 1, tweede zin, onder f), van richtlijn [2014/40] ongeldig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel en/of van artikel 34 VWEU, omdat zij de vastlegging van bepaalde etiketterings- en verpakkingsvoorschriften aan de Commissie delegeren, zonder hiervoor een termijn vast te stellen en zonder te voorzien in verdergaande overgangsregelingen of -termijnen die waarborgen dat de betrokken ondernemingen voldoende tijd hebben om te voldoen aan de voorschriften van de richtlijn?

–      Zijn artikel 9, lid 1, tweede zin (tekst van de waarschuwing), en lid 4, onder a), tweede zin (lettergrootte), artikel 10, lid 1, tweede zin, onder b) (informatie over het stoppen met roken) en onder e) (positie van de waarschuwingen), alsmede artikel 11, lid 1, eerste zin (etikettering), van richtlijn [2014/40] ongeldig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel en/of van artikel 34 VWEU, omdat zij de lidstaten verschillende keuze- en regelgevingsrechten verlenen, zonder hiervoor een termijn vast te stellen en zonder te voorzien in verdergaande overgangsregelingen en -periodes die waarborgen dat de betrokken ondernemingen voldoende tijd hebben om te voldoen aan de voorschriften van de richtlijn?

3)      a)      Dient artikel 13, lid 1, onder c), juncto lid 3, van richtlijn [2014/40] aldus te worden uitgelegd dat het de lidstaten opdraagt het gebruik van informatie die verwijst naar een smaak, naar geur- of smaakstoffen of naar andere additieven, ook te verbieden wanneer het niet om reclame-uitingen gaat en het gebruik van de ingrediënten nog is toegestaan?

b)      Is artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn [2014/40] ongeldig omdat dit artikel inbreuk maakt op artikel 17 van het Handvest [...]?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag, onder a) tot en met c)

29      Met de eerste vraag, onder a) tot en met c), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van artikel 7, leden 1 en 7, van richtlijn 2014/40 juncto artikel 7, lid 14, van deze richtlijn geldig zijn in het licht van de beginselen van rechtszekerheid, gelijke behandeling en evenredigheid, en in het licht van artikel 34 VWEU.

 Geldigheid van artikel 7, leden 1, 7 en 14 van richtlijn 2014/40 in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel

30      De verwijzende rechter vraagt zich af of artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40, dat de lidstaten opdraagt het in de handel brengen van bepaalde tabaksproducten te verbieden doch niet duidelijk en nauwkeurig specificeert welke van die producten vanaf 20 mei 2016 verboden moesten worden en welke van die producten pas vanaf 20 mei 2020 verboden moeten worden, het rechtszekerheidsbeginsel schendt.

31      Volgens vaste rechtspraak eist het rechtszekerheidsbeginsel dat een regeling van de Unie de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat deze laatsten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (arrest van 25 juli 2018, Teglgaard en Fløjstrupgård, C‑239/17, EU:C:2018:597, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Er zij echter ook aan herinnerd dat het niet noodzakelijk is dat een wetgevingshandeling zelf verduidelijkingen van technische aard verschaft en dat het de wetgever van de Unie vrijstaat om gebruik te maken van een algemeen rechtskader dat in voorkomend geval later moet worden gespecificeerd (zie in die zin arrest van 4 mei 2016, Pillbox 38, C‑477/14, EU:C:2016:324, punten 78 en 139).

33      Dat artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40 ten eerste geen producten met een bepaald aroma specificeert waarvan het verkoopvolume in de Unie 3 % of meer van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt, en ten tweede niet voorziet in een concrete methode om te bepalen welke producten onder artikel 7, lid 14, van die richtlijn vallen, betekent evenwel niet dat artikel 7, leden 1, 7 en 14, van die richtlijn het rechtszekerheidsbeginsel schendt. Bij gebreke van regelgeving op dat punt op het niveau van de Unie is het namelijk aan de lidstaten of, in voorkomend geval, aan de fabrikanten zelf om een betrouwbare methode te kiezen die eerbiediging van het uit die bepaling voortvloeiende vereiste kan waarborgen (zie in die zin arrest van 4 mei 2016, Pillbox 38, C‑477/14, EU:C:2016:324, punt 101).

34      In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40 geen schending oplevert van het rechtszekerheidsbeginsel.

 Geldigheid van artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40 in het licht van de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid en in het licht van artikel 34 VWEU

35      De verwijzende rechter vraagt zich om te beginnen af of deze bepaling, gelet op het door artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 gemaakte onderscheid tussen tabaksproducten aan de hand van het verkoopvolume, het beginsel van gelijke behandeling schendt.

36      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het beginsel van gelijke behandeling, als algemeen beginsel van Unierecht, voorschrijft dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is (arrest van 4 mei 2016, Pillbox 38, C‑477/14, EU:C:2016:324, punt 35).

37      Of verschillende situaties vergelijkbaar zijn, moet worden beoordeeld aan de hand van alle aspecten die deze situaties kenmerken. Die aspecten moeten met name worden bepaald en beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de handeling van de Unie die het betrokken onderscheid invoert. Bovendien moet rekening worden gehouden met de beginselen en de doelstellingen van het gebied waaronder de betrokken handeling valt (arrest van 12 mei 2011, Luxemburg/Parlement en Raad, C‑176/09, EU:C:2011:290, punt 32).

38      Zo streeft richtlijn 2014/40 volgens artikel 1 ervan een tweeledig doel na, namelijk het beter doen functioneren van de interne markt voor tabaks- en aanverwante producten en het bereiken van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, met name voor jongeren (arrest van 4 mei 2016, Polen/Parlement en Raad, C‑358/14, EU:C:2016:323, punt 80).

39      Om de doelstelling van het beter doen functioneren van de interne markt voor tabaks- en aanverwante producten te bereiken, moeten, volgens overweging 16 van richtlijn 2014/40, maatregelen die leiden tot een ongerechtvaardigde gedifferentieerde behandeling van verschillende soorten gearomatiseerde sigaretten worden vermeden.

40      Bovendien heeft het Hof in het arrest van 4 mei 2016, Philip Morris Brands e.a. (C‑547/14, EU:C:2016:325, punt 114), geoordeeld dat tabaksproducten met een kenmerkend aroma ten eerste vergelijkbare objectieve kenmerken hebben en ten tweede gelijksoortige effecten hebben op het beginnen met de consumptie van tabak en op het doorgaan met tabaksgebruik.

41      Derhalve onderscheiden tabaksproducten die een bijzonder kenmerkend aroma bevatten en waarvan het verkoopvolume in de gehele Unie minder dan 3 % van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt, zich niet van tabaksproducten met een bijzonder kenmerkend aroma waarvan het verkoopvolume in de gehele Unie 3 % of meer van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt, noch ten aanzien van de doelstelling om de interne markt voor tabaks- en aanverwante producten beter te doen functioneren noch ten aanzien van de doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te bereiken.

42      Hieruit volgt dat de gearomatiseerde producten waarop het in artikel 7, leden 1 en 7, van richtlijn 2014/40 bedoelde verbod op kenmerkende aroma’s betrekking heeft, zich met het oog op de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling in vergelijkbare situaties bevinden.

43      Zoals volgt uit de in punt 36 van dit arrest aangehaalde rechtspraak is een verschil in behandeling tussen vergelijkbare situaties echter gerechtvaardigd indien het berust op een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen wanneer het verband houdt met een door de betrokken wetgeving nagestreefd wettelijk toelaatbaar doel, en dit verschil in verhouding staat tot het met de betrokken behandeling nagestreefde doel (arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 47).

44      In dit verband beschikt de wetgever van de Unie in het kader van de uitoefening van de hem toegekende bevoegdheden op gebieden waarop van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en wanneer hij ingewikkelde beoordelingen moet maken, over een ruime beoordelingsbevoegdheid (arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 57). De wetgever van de Unie kon de harmonisatie, in de uitoefening van deze ruime beoordelingsbevoegdheid, dus slechts stapsgewijs uitvoeren en enkel een geleidelijke afschaffing van de unilateraal door de lidstaten genomen maatregelen verlangen (zie in die zin arrest van 4 mei 2016, Philip Morris Brands e.a., C‑547/14, EU:C:2016:325, punten 63 en 134).

45      Met betrekking tot de doelstellingen van artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 volgt uit overweging 16 daarvan dat producten met een kenmerkend aroma die een groter verkoopvolume vertegenwoordigen, over een langere termijn dienen te worden uitgefaseerd, teneinde consumenten voldoende tijd te geven om naar andere producten over te stappen.

46      Zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft het criterium van het verkoopvolume van een bepaalde categorie van tabaksproducten met een kenmerkend aroma geen betrekking op tabaksproducten met een specifiek aroma, en is het neutraal ten opzichte van de fabrikanten. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt namelijk niet dat tabaksproducten die een bijzonder kenmerkend aroma bevatten en waarvan het verkoopvolume in de Unie minder dan 3 % van een bepaalde productcategorie vertegenwoordigt, hoofdzakelijk door kleine en middelgrote ondernemingen worden vervaardigd. Dit criterium moet derhalve als objectief gerechtvaardigd worden beschouwd.

47      Bovendien moet het passend worden geacht de consument de nodige tijd te geven om over te schakelen op andere producten, zodat de economische gevolgen van het in artikel 7 van richtlijn 2014/40 neergelegde verbod kunnen worden verzoend met de noodzaak om een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen.

48      Een criterium als in het hoofdgeding, dat berust op het verkoopvolume van producten, weerspiegelt immers, zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie heeft aangegeven, de consumptiepatronen en het economische belang van de productie van de bedoelde producten.

49      In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40 geen schending oplevert van het beginsel van gelijke behandeling.

50      Vervolgens vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 7, leden 1 en 7, van richtlijn 2014/40 verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel op grond dat het het in de handel brengen verbiedt van tabaksproducten met een kenmerkend aroma waarvan het marktaandeel in de gehele Unie minder dan 3 % van een bepaalde productcategorie bedraagt.

51      Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat het evenredigheidsbeginsel vereist dat de handelingen van de instellingen van de Unie geschikt zijn om de legitieme doelen die met de betrokken regeling worden nageleefd te bereiken en niet verder gaan dan noodzakelijk is om deze doelen te bereiken, met dien verstande dat, wanneer een keuze tussen meerdere passende maatregelen mogelijk is, gebruik moet worden gemaakt van de maatregel die het minst belastend is en de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn ten opzichte van de nagestreefde doelen (arrest van 4 mei 2016, Polen/Parlement en Raad, C‑358/14, EU:C:2016:323, punt 78).

52      Wat het rechterlijk toezicht op de in het voorgaande punt van het onderhavige arrest vermelde voorwaarden betreft, beschikt de wetgever van de Unie, zoals volgt uit de in punt 44 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, op een gebied zoals in het hoofdgeding aan de orde is, waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken, over een ruime discretionaire bevoegdheid.

53      Gezien de doelstelling van het verbod op het in de handel brengen van tabaksproducten met een kenmerkend aroma moet worden opgemerkt dat dit verbod ook geschikt is om een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, met name voor jongeren. Het wordt immers niet betwist dat bepaalde aroma’s bijzonder aantrekkelijk zijn voor jongeren en dat zij het beginnen met de consumptie van tabak vergemakkelijken (arrest van 4 mei 2016, Polen/Parlement en Raad, C‑358/14, EU:C:2016:323, punten 81 en 82).

54      In dit verband heeft het Hof in de arresten van 4 mei 2016, Polen/Parlement en Raad (C‑358/14, EU:C:2016:323, punt 102), en 4 mei 2016, Philip Morris Brands e.a. (C‑547/14, EU:C:2016:325, punt 190), vastgesteld dat de wetgever van de Unie in artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 de economische gevolgen van het verbod van artikel 7 van die richtlijn afweegt tegen de noodzaak om een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen met betrekking tot een product dat wordt gekenmerkt door zijn schadelijke eigenschappen.

55      Derhalve moet worden vastgesteld dat het verbod op het in de handel brengen van tabaksproducten met een kenmerkend aroma niet duidelijk verder gaat dan noodzakelijk om het beoogde doel te bereiken.

56      In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40 geen schending oplevert van het evenredigheidsbeginsel.

57      Ten aanzien van de twijfels van de verwijzende rechter over de verenigbaarheid van artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40 met artikel 34 VWEU moet bovendien worden opgemerkt dat artikel 7, leden 1, 7 en 14, van die richtlijn weliswaar een beperking vormt in de zin van artikel 34 VWEU, maar een dergelijke beperking, zoals in punt 54 van het onderhavige arrest is vastgesteld, wordt gerechtvaardigd door de economische gevolgen van het verbod van artikel 7 van richtlijn 2014/40 af te wegen tegen de noodzaak om een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, en geen schending oplevert van het evenredigheidsbeginsel. Bijgevolg levert artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40 evenmin schending op van artikel 34 VWEU.

58      Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag, onder a) tot en met c), worden geantwoord dat uit het onderzoek van deze vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40 kunnen aantasten.

 Eerste vraag, onder d) en e)

59      Met de eerste vraag, onder d) en e), verzoekt de verwijzende rechter het Hof in wezen om uitlegging van het begrip „productcategorie” in artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 en om verduidelijking van de procedure die moet worden gevolgd om vast te stellen of ten aanzien van een bepaald tabaksproduct de in dat artikel bedoelde 3 %-grens is bereikt.

60      Er zij aan herinnerd dat voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 26 september 2018, Baumgartner, C‑513/17, EU:C:2018:772, punt 23).

61      Om te beginnen zij erop gewezen dat artikel 2 van richtlijn 2014/40, met het opschrift „Definities”, geen definitie bevat van het in artikel 7, lid 14, van die richtlijn genoemde begrip „productcategorie”.

62      Wat de context van artikel 7, lid 14, van voornoemde richtlijn betreft, zij er vervolgens op gewezen dat sigaretten en shagtabak volgens artikel 7, lid 12, van richtlijn 2014/40 de enige tabaksproducten zijn die onder het verbod van artikel 7, leden 1 en 7, ervan vallen.

63      Verder worden in artikel 2, punt 14, van richtlijn 2014/40, waarin het begrip „nieuwsoortig tabaksproduct” wordt gedefinieerd, sigaretten en shagtabak als afzonderlijke categorieën tabaksproducten gepresenteerd.

64      Bovendien wordt shagtabak in overweging 9 van die richtlijn als voorbeeld van een „productcategorie” genoemd.

65      Derhalve vormen sigaretten, net als shagtabak, een „productcategorie” in de zin van artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40.

66      Met betrekking tot de doelstellingen van artikel 7, lid 14, van die richtlijn volgt uit overweging 16 van die richtlijn dat producten met een kenmerkend aroma met een groter verkoopvolume over een langere periode dienen te worden uitgefaseerd, teneinde consumenten voldoende tijd te geven om naar andere producten over te stappen.

67      Aangezien, ten eerste, de uitlegging volgens welke sigaretten, net als shagtabak, een „productcategorie” in de zin van artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 vormen, niet in strijd is met die doelstellingen, en, ten tweede, kan worden verondersteld dat die – in dezelfde Uniehandeling gehanteerde – begrippen dezelfde betekenis hebben, moet het begrip „productcategorie” in de zin van die bepaling niet worden uitgelegd op een wijze die afwijkt van de uitlegging van ditzelfde begrip in andere bepalingen van die richtlijn.

68      Wat betreft de vraag aan de hand van welke methode moet worden bepaald of een bepaald tabaksproduct in de gehele Unie de in artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 neergelegde 3 %-grens bereikt teneinde de in die bepaling bedoelde afwijking te kunnen toepassen, volgt bovendien uit de in punt 33 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak dat het, bij gebreke van een regeling van de Unie, aan de lidstaten is om een betrouwbare methode vast te stellen om de naleving van de uit die bepaling voortvloeiende verplichting te waarborgen.

69      Uit het bij het Hof ingediende dossier blijkt dat de Bondsrepubliek Duitsland overeenkomstig die rechtspraak artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 ten uitvoer heeft gelegd door in artikel 34, lid 3, van de Verordnung über Tabakerzeugnisse und verwandte Erzeugnisse (verordening inzake tabaks- en aanverwante producten) van 27 april 2016 (BGBl. 2016 I, blz. 980) de aroma’s voor te schrijven die tabaksproducten moeten bevatten opdat het verbod op het in de handel brengen van deze producten pas geldt vanaf 20 mei 2020.

70      Gelet op die overwegingen dient op de eerste vraag, onder d) en e), te worden geantwoord dat artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 aldus moet worden uitgelegd dat, ten eerste, onder het begrip „productcategorie” in de zin van die bepaling ook sigaretten en shagtabak vallen en, ten tweede, de procedure die moet worden gevolgd om te bepalen of een bepaald tabaksproduct de in die bepaling neergelegde 3 %-grens bereikt, moet worden vastgesteld overeenkomstig het nationale recht van de betrokken lidstaat.

 Tweede vraag

 Tweede vraag, onder a)

71      Met de tweede vraag, onder a), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 8 tot en met 11 van richtlijn 2014/40 aldus moeten worden uitgelegd dat zij de lidstaten toestaan om, naast de omzettingsperioden van artikel 29, lid 1, en artikel 30, onder a), van die richtlijn, nog andere omzettingsperioden vast te stellen.

72      Opgemerkt zij dat artikel 29, lid 1, van richtlijn 2014/40 bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 20 mei 2016 aan die richtlijn te voldoen en dat zij die bepalingen met ingang van 20 mei 2016 toepassen, onverminderd met name artikel 7, lid 14, van die richtlijn.

73      Artikel 30 van deze richtlijn, met het opschrift „Overgangsbepaling”, bepaalt evenwel in punt a) dat de lidstaten mogen toestaan dat tabaksproducten die vóór 20 mei 2016 zijn geproduceerd of in het vrije verkeer zijn gebracht en geëtiketteerd overeenkomstig richtlijn 2001/37, tot 20 mei 2017 in de handel worden gebracht.

74      De artikelen 8 tot en met 11 van richtlijn 2014/40 voorzien daarentegen niet in omzettingsperioden die in de plaats komen van die van de artikelen 29 en 30 van die richtlijn.

75      Gelet op die overwegingen dient op de tweede vraag, onder a), te worden geantwoord dat de artikelen 8 tot en met 11 van richtlijn 2014/40 aldus moeten worden uitgelegd dat zij de lidstaten niet toestaan om, naast de omzettingsperioden van de artikelen 29 en 30 van die richtlijn, nog andere omzettingsperioden vast te stellen.

 Tweede vraag, onder b)

76      Met de tweede vraag, onder b), wenst de verwijzende rechter te vernemen, ingeval de tweede vraag, onder a), ontkennend wordt beantwoord, of artikel 9, lid 1, tweede alinea, lid 4, onder a), tweede zin, en lid 6, artikel 10, lid 1, onder b), e) en f), en artikel 11, lid 1, eerste alinea, eerste zin, van richtlijn 2014/40 een schending vormen van het evenredigheidsbeginsel en artikel 34 VWEU.

77      In dit verband herinnert de nationale rechter eraan dat artikel 9, lid 6, en artikel 10, lid 1, onder f), van richtlijn 2014/40 de vaststelling van bepaalde voorschriften inzake de etikettering en verpakking van tabaksproducten aan de Commissie delegeren, zonder hiervoor een termijn vast te stellen en zonder te voorzien in verdergaande overgangsregelingen of -perioden die waarborgen dat de betrokken ondernemingen voldoende tijd hebben om te voldoen aan de voorschriften van de richtlijn.

78      Wat het evenredigheidsbeginsel betreft, zij erop gewezen dat de algemene rechtsbeginselen, waaronder dit beginsel, deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie, zodat zij niet alleen in acht moeten worden genomen door de instellingen van de Unie, maar ook door de lidstaten, wanneer deze de hun door de richtlijnen van de Unie verleende bevoegdheden uitoefenen (arrest van 2 juni 2016, ROZ-ŚWIT, C‑418/14, EU:C:2016:400, punt 20).

79      In casu is richtlijn 2014/40 overeenkomstig artikel 32 ervan in werking getreden op 19 mei 2014, terwijl de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking moesten doen treden om uiterlijk op 20 mei 2016 aan die richtlijn te voldoen, onverminderd met name artikel 7, lid 14.

80      De periode van twee jaar waarover de lidstaten beschikten om voornoemde bepalingen vast te stellen met het oog op de omzetting van richtlijn 2014/40 en om ervoor te zorgen dat de betrokken marktdeelnemers voldoende tijd hebben om zich aan te passen aan de eisen van die richtlijn, is in het licht van het evenredigheidsbeginsel toereikend.

81      Bovendien machtigt artikel 30 van richtlijn 2014/40 de lidstaten om tot 20 mei 2017 toe te staan dat tabaksproducten die vóór 20 mei 2016 zijn geproduceerd of in het vrije verkeer zijn gebracht en geëtiketteerd overeenkomstig richtlijn 2001/37, in de handel worden gebracht.

82      Wat de naleving van artikel 34 VWEU door artikel 9, lid 1, tweede alinea, lid 4, onder a), tweede zin, en lid 6, artikel 10, lid 1, onder b), e) en f), en artikel 11, lid 1, eerste alinea, eerste zin, van richtlijn 2014/40 betreft, moet bovendien worden opgemerkt dat het beginsel van het vrije verkeer van goederen geen beletsel vormt voor een verbod op of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer die met name gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de gezondheid en het leven van personen (zie in die zin arrest van 14 december 2004, Swedish Match, C‑210/03, EU:C:2004:802, punt 60).

83      Hieruit volgt dat de bepalingen van artikel 9, lid 1, tweede alinea, lid 4, onder a), tweede zin, en lid 6, artikel 10, lid 1, onder b), e) en f), en artikel 11, lid 1, eerste alinea, eerste zin, van richtlijn 2014/40 moeten worden geacht in overeenstemming te zijn met het evenredigheidsbeginsel en met artikel 34 VWEU.

84      In deze omstandigheden moet op de tweede vraag, onder b), worden geantwoord dat bij het onderzoek van deze vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 9, lid 1, tweede alinea, lid 4, onder a), tweede zin, en lid 6, artikel 10, lid 1, onder b), e) en f), en artikel 11, lid 1, eerste alinea, eerste zin, van richtlijn 2014/40 kunnen aantasten.

 Derde vraag

 Derde vraag, onder a)

85      Met de derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 13, lid 1, onder c), en lid 3, van richtlijn 2014/40 aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten opdraagt het gebruik van informatie die verwijst naar een smaak, naar geur- of smaakstoffen of naar andere additieven ook te verbieden wanneer het niet om reclame-uitingen gaat en het gebruik van de betrokken ingrediënten nog is toegestaan.

86      Volgens artikel 13, lid 1, onder c), en lid 3, van richtlijn 2014/40 mag de etikettering van verpakkingseenheden en van elke buitenverpakking en het tabaksproduct zelf geen enkel element of kenmerk bevatten dat verwijst naar een smaak, geur- of smaakstoffen of andere additieven, of het ontbreken daarvan. Opgemerkt zij dat die elementen en kenmerken met name kunnen worden weergegeven door teksten, symbolen, namen, merken en al dan niet figuratieve tekens.

87      Aangezien tabaksproducten volgens de bewoordingen van artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40 „geen enkel element of kenmerk” mogen bevatten dat „verwijst” naar „smaakstoffen” en deze elementen of kenmerken volgens de tekst van artikel 13, lid 3, van die richtlijn met name teksten, symbolen, namen, merken en al dan niet figuratieve tekens kunnen omvatten die geen reclamekarakter hebben, moet worden aangenomen dat de wetgever van de Unie geen onderscheid heeft willen maken tussen informatie die wel en informatie die geen reclame-uiting is. Deze uitlegging wordt bevestigd door het feit dat de wetgever van de Unie, in tegenstelling tot wat in artikel 13 van voornoemde richtlijn is bepaald, in artikel 20, lid 4, onder b), van diezelfde richtlijn uitdrukkelijk heeft bepaald dat verpakkingseenheden en eventuele buitenverpakkingen van elektronische sigaretten en navulverpakkingen geen elementen of kenmerken als bedoeld in artikel 13 van richtlijn 2014/40 – met uitzondering van die waarop wordt gedoeld in artikel 13, lid 1, onder c), van die richtlijn – mogen bevatten die verwijzen naar smaakstoffen of het ontbreken daarvan.

88      Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 78 van zijn conclusie, kunnen tabaksproducten met een kenmerkend aroma voorts nog altijd worden onderscheiden van andere tabaksproducten, mits zij geen van de elementen van artikel 13, lid 1, onder a) tot en met e), van die richtlijn bevatten.

89      Aangezien het Hof in het arrest van 4 mei 2016, Philip Morris Brands e.a. (C‑547/14, EU:C:2016:325, punt 141), heeft geoordeeld dat het verbod op elk element of kenmerk dat naar een smaak verwijst, van toepassing is ongeacht de vraag of de betrokken informatie feitelijk juist is, moet worden aangenomen dat dat verbod ook betrekking heeft op informatie die geen reclame-uiting is en waarin ingrediënten worden genoemd waarvan het gebruik krachtens richtlijn 2014/40 is toegestaan.

90      Hieruit volgt dat artikel 13, lid 1, onder c), en lid 3, van richtlijn 2014/40 aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten opdraagt het gebruik van informatie die verwijst naar een smaak, naar geur- of smaakstoffen of naar andere additieven te verbieden, zelfs wanneer het niet om reclame-uitingen gaat en het gebruik van de betrokken ingrediënten nog is toegestaan.

 Derde vraag, onder b)

91      Met de derde vraag, onder b), wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40, vanwege de daarin neergelegde aanzienlijke beperkingen van het gebruik van merken, artikel 17 van het Handvest schendt.

92      Opgemerkt moet worden dat het eigendomsrecht dat is neergelegd in artikel 17 van het Handvest, overeenkomstig lid 2 van dat artikel ook betrekking heeft op intellectuele eigendom.

93      Door te verbieden dat op de etikettering van verpakkingseenheden, op de buitenverpakking en op het tabaksproduct zelf merken worden vermeld die naar een aroma verwijzen, beperkt artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 3, van die richtlijn, het gebruik van deze merken.

94      Het eigendomsrecht heeft echter geen absolute gelding, doch moet in relatie tot zijn sociale functie worden beschouwd (zie in die zin arrest van 15 januari 2013, Križan e.a., C‑416/10, EU:C:2013:8, punt 113).

95      Deze overweging vindt haar weerslag met name in de wijze waarop het evenredigheidsbeginsel overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest moet worden toegepast (arrest van 22 januari 2013, Sky Österreich, C‑283/11, EU:C:2013:28, punt 47).

96      Overeenkomstig laatstgenoemde bepaling moet elke beperking op de uitoefening van de in het Handvest verankerde rechten en vrijheden bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen en moet zij met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (arrest van 4 mei 2016, Pillbox 38, C‑477/14, EU:C:2016:324, punt 160).

97      In casu moet worden opgemerkt dat de beperking van het gebruik van merken wordt gesteld bij richtlijn 2014/40 en alleen betrekking heeft op het gebruik, door de fabrikanten, van hun merken op de etikettering van verpakkingseenheden, op de buitenverpakking en op het tabaksproduct zelf, zonder afbreuk te doen aan het wezen van hun merkrecht, zulks om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid te waarborgen bij het wegwerken van de belemmeringen die voortvloeien uit de nationale wetgevingen inzake etikettering [zie in die zin arrest van 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco, C‑491/01, EU:C:2002:741, punt 150].

98      Richtlijn 2014/40 laat de houders van de in artikel 13, lid 1, onder c), en lid 3, van die richtlijn bedoelde merken immers vrij om deze op elke andere wijze te exploiteren, met name door middel van groothandelsverkoop, dan de wijzen waarop in die bepalingen wordt gedoeld. Bijgevolg staat de beperking van het gebruik van merken als bedoeld in punt 93 van dit arrest niet gelijk aan het ontnemen van eigendom.

99      Bovendien kan, aangezien volgens overweging 16 van richtlijn 2014/40 tabaksproducten met een kenmerkende smaakstof het beginnen met de consumptie van tabak vergemakkelijken en de consumptiepatronen beïnvloeden, het verbod om op de etikettering van verpakkingseenheden, de buitenverpakking en het tabaksproduct zelf merken aan te brengen die verwijzen naar een aroma, hun aantrekkingskracht verminderen en beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang door bij te dragen tot het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid.

100    Hieruit volgt dat uit het onderzoek van de derde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 13, lid 1, onder c), en lid 3, van richtlijn 2014/40.

 Kosten

101    Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Uit het onderzoek van de eerste prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 7, leden 1, 7 en 14, van richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van richtlijn 2001/37/EG.

2)      Artikel 7, lid 14, van richtlijn 2014/40 moet aldus worden uitgelegd dat, ten eerste, onder het begrip „productcategorie” in de zin van die bepaling ook sigaretten en shagtabak vallen en, ten tweede, de procedure die moet worden gevolgd om te bepalen of een bepaald tabaksproduct de in die bepaling neergelegde 3 %-grens bereikt, moet worden vastgesteld overeenkomstig het nationale recht van de betrokken lidstaat.

3)      De artikelen 8 tot en met 11 van richtlijn 2014/40 moeten aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten niet toestaan om, naast de omzettingsperioden van de artikelen 29 en 30 van die richtlijn, nog andere omzettingsperioden vast te stellen.

4)      Uit het onderzoek van de tweede prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 9, lid 1, tweede alinea, lid 4, onder a), tweede zin, en lid 6, artikel 10, lid 1, onder b), e) en f), en artikel 11, lid 1, eerste alinea, eerste zin, van richtlijn 2014/40.

5)      Artikel 13, lid 1, onder c), en lid 3, van richtlijn 2014/40 moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten opdraagt het gebruik van informatie die verwijst naar een smaak, naar geur- of smaakstoffen of naar andere additieven te verbieden, zelfs wanneer het niet om reclame-uitingen gaat en het gebruik van de betrokken ingrediënten nog is toegestaan.

6)      Uit het onderzoek van de derde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 13, lid 1, onder c), en lid 3, van richtlijn 2014/40.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.