Language of document : ECLI:EU:C:2019:114

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

14 februari 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 143, lid 1, onder d) – Vrijstellingen van btw bij invoer – Invoer gevolgd door een intracommunautaire overbrenging – Daaropvolgende intracommunautaire levering – Belastingfraude – Weigering van vrijstelling – Voorwaarden”

In zaak C‑531/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk) bij beslissing van 29 juni 2017, ingekomen bij het Hof op 8 september 2017, in de procedure

Vetsch Int. Transporte GmbH,

in tegenwoordigheid van:

Zollamt Feldkirch Wolfurt,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, E. Juhász en C. Vajda, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: K. Malacek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 juni 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        Vetsch Int. Transporte GmbH, vertegenwoordigd door P. Csoklich, Rechtsanwalt,

–        Zollamt Feldkirch Wolfurt, vertegenwoordigd door G. Kofler als gemachtigde,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door F. Koppensteiner, D. Schwab en C. Pesendorfer als gemachtigden,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door M. Tassopoulou en G. Papadaki als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en F. Clotuche-Duvieusart als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 september 2018,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 143, onder d), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”) en artikel 143, lid 1, onder d), van deze richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/69/EG van de Raad van 25 juni 2009 (PB 2009, L 175, blz. 12) (hierna: „gewijzigde btw-richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Vetsch Int. Transporte GmbH (hierna: „Vetsch”) en het Zollamt Feldkirch Wolfurt (douanekantoor Feldkirch Wolfurt, Oostenrijk; hierna: „douanekantoor”) betreffende de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) bij invoer, in Oostenrijk, van goederen afkomstig uit Zwitserland met het oog op de overbrenging ervan naar Bulgarije.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Blijkens de verwijzingsbeslissing zijn de aangiften voor het in het vrije verkeer brengen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, ingediend in het tijdvak van 10 december 2010 tot en met 5 juli 2011. Aangezien de btw-richtlijn met name is gewijzigd bij richtlijn 2009/69, waarvan de omzettingstermijn is verstreken op 1 januari 2011, zijn zowel de bepalingen van de btw-richtlijn als die van de gewijzigde btw-richtlijn van toepassing op het hoofdgeding.

 Btw-richtlijn

4        Artikel 2, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn bepaalt:

„De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:

[...]

d)      de invoer van goederen.”

5        Artikel 17, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn luidt als volgt:

„Met een levering van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, de overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat.”

6        Artikel 138 van die richtlijn luidt:

„1.      De lidstaten verlenen vrijstelling voor de levering van goederen, door of voor rekening van de verkoper of de afnemer verzonden of vervoerd naar een plaats buiten hun respectieve grondgebied, maar binnen de [Europese Unie], welke wordt verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig handelt in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen.

2.      Behalve voor de in lid 1 bedoelde goederenleveringen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de volgende handelingen:

[...]

c)      de goederenlevering bestaande in de overbrenging naar een andere lidstaat, die voor de in lid 1 en de punten a) en b) bedoelde vrijstellingen in aanmerking zou komen indien zij voor een andere belastingplichtige was verricht.”

7        Artikel 143 van dezelfde richtlijn bepaalt:

„De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

[...]

d)      de invoer van vanuit een derdelandsgebied of een derde land verzonden of vervoerde goederen in een andere lidstaat dan de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer, indien de levering van deze goederen, verricht door de importeur die uit hoofde van artikel 201 is aangewezen of erkend als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, overeenkomstig artikel 138 is vrijgesteld;

[...]”

8        Artikel 201 van de btw-richtlijn luidt:

„Bij invoer is de btw verschuldigd door degene(n) die de lidstaat van invoer als de tot voldoening van de belasting gehouden personen heeft aangewezen of erkend.”

 Gewijzigde btw-richtlijn

9        Artikel 2, lid 1, onder d), en de artikelen 138 en 201 van de gewijzigde btw-richtlijn zijn in dezelfde bewoordingen gesteld als de daarmee overeenkomende artikelen van de btw-richtlijn. Artikel 143 van de gewijzigde btw-richtlijn daarentegen bepaalt:

„1.      De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

[...]

d)      de invoer van vanuit een derdelandsgebied of een derde land verzonden of vervoerde goederen in een andere lidstaat dan de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer, indien de levering van deze goederen, verricht door de importeur die uit hoofde van artikel 201 is aangewezen of erkend als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, overeenkomstig artikel 138 is vrijgesteld;

[...]

2.      De vrijstelling overeenkomstig lid 1, punt d), is, in gevallen waarin de invoer van goederen gevolgd wordt door levering van de goederen die overeenkomstig artikel 138, lid 1, en lid 2, punt c), is vrijgesteld, alleen van toepassing indien de importeur op het tijdstip van de invoer aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van invoer ten minste de volgende informatie heeft verstrekt:

a)      het nummer waaronder hij voor btw-doeleinden in de lidstaat van invoer is geïdentificeerd, of het nummer waaronder zijn tot voldoening van de btw gehouden fiscaal vertegenwoordiger voor btw-doeleinden in de lidstaat van invoer is geïdentificeerd;

b)      het nummer waaronder de afnemer aan wie de goederen overeenkomstig artikel 138, lid 1, worden geleverd voor btw-doeleinden in een andere lidstaat is geïdentificeerd, of, wanneer de goederen overeenkomstig artikel 138, lid 2, punt c), worden overgebracht, het nummer waaronder de importeur zelf voor btw-doeleinden in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer is geïdentificeerd;

c)      het bewijs dat de ingevoerde goederen bestemd zijn om vanuit de lidstaat van invoer naar een andere lidstaat te worden vervoerd of verzonden.

De lidstaten kunnen echter bepalen dat het in punt c) bedoelde bewijs slechts aan de bevoegde autoriteiten hoeft te worden verstrekt indien daarom wordt verzocht.”

 Oostenrijks recht

10      Volgens § 6, lid 3, eerste alinea, van de bijlage (interne markt) bij het Umsatzsteuergesetz 1994 (Oostenrijkse wet van 1994 op de omzetbelasting; hierna: „UStG 1994”) „is de invoer van goederen die door de aangever meteen na de invoer rechtstreeks ter verrichting van intracommunautaire leveringen worden gebruikt, vrijgesteld; de aangever dient aan de hand van boekhoudkundige stukken aan te tonen dat aan de voorwaarden van § 7 van deze bijlage bij het UStG 1994 is voldaan. De vrijstelling wordt slechts verleend indien degene voor wiens onderneming het goed is ingevoerd, de daaropvolgende intracommunautaire levering verricht”.

11      Overeenkomstig § 26, lid 1, UStG 1994 zijn de bepalingen met betrekking tot de douanerechten van overeenkomstige toepassing op de btw bij invoer.

12      Volgens § 71a van het Zollrechts-Durchführungsgesetz (Oostenrijkse wet ter uitvoering van het douanerecht) is bij vrijstelling van de btw bij invoer uit hoofde van § 6, lid 3, van de bijlage (interne markt) bij het UStG 1994 de aangever tevens gehouden tot voldoening van de btw bij invoer, die is ontstaan uit hoofde van artikel 204, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”), voor zover hij niet reeds uit hoofde van artikel 204, lid 3, van het douanewetboek als schuldenaar wordt aangemerkt.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13      Vetsch is een Oostenrijkse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die een transportactiviteit uitoefent.

14      In de periode van 10 december 2010 tot en met 5 juli 2011 heeft deze vennootschap als indirecte vertegenwoordiger van twee in Bulgarije gevestigde vennootschappen, K en B, bij het douanekantoor aangiften ingediend voor het in het vrije verkeer brengen van goederen die uit Zwitserland waren ingevoerd. In het kader van deze aangiftes heeft Vetsch verzocht om toepassing van de in § 6, lid 3, van de bijlage (interne markt) bij UStG 1994 bedoelde vrijstelling en daartoe de code van „douaneregeling 42” vermeld. De betrokken goederen werden dientengevolge met vrijstelling van de btw bij invoer in het vrije verkeer gebracht.

15      Bij besluit van 6 september 2011 heeft het douanekantoor Vetsch evenwel verzocht de btw bij invoer over de betrokken goederen overeenkomstig artikel 204, lid 1, van het douanewetboek te voldoen omdat in die aangiftes niet was voldaan aan de voorwaarden voor de gevraagde vrijstelling. Vetsch werd dus de tot voldoening van de btw gehouden persoon. Op 31 januari 2012 wees het douanekantoor het bezwaar af dat Vetsch tegen dat besluit had ingediend.

16      Vetsch heeft tegen het afwijzingsbesluit van het douanekantoor beroep ingesteld bij het Bundesfinanzgericht (federale belastingrechter in eerste aanleg, Oostenrijk), dat bij beslissing van 30 maart 2016 ongegrond is verklaard.

17      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat volgens het Bundesfinanzgericht vaststond dat de verkoper van de goederen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, het recht om te beschikken over deze goederen aan de Bulgaarse ontvangers had overgedragen toen die goederen zich nog in Zwitserland bevonden, dat wil zeggen voordat zij in Oostenrijk werden uitgeklaard. Het staat niet vast dat deze ontvangers dat recht hebben verloren in Bulgarije. Die ontvangers hebben de intracommunautaire verwervingen van die goederen aangegeven, maar hebben zich in deze lidstaat schuldig gemaakt aan belastingfraude door ten onrechte te verklaren dat zij een vrijgestelde intracommunautaire levering van de goederen in kwestie ten behoeve van Vetsch hadden verricht.

18      Vetsch heeft tegen de beslissing van het Bundesfinanzgericht beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter.

19      De verwijzende rechter maakt duidelijk dat naar Oostenrijks recht, de btw bij invoer verschuldigd is indien de overbrenging die volgt op de invoer in Oostenrijk niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarde van artikel 138, lid 2, onder c), van de btw-richtlijn. In die situatie is in het nationale recht bepaald dat de schuldenaar van deze belasting de persoon is die aan deze voorwaarde moet voldoen, namelijk in casu de betrokken Bulgaarse ontvangers, voor wie Vetsch optreedt als indirecte vertegenwoordiger. In het hoofdgeding wordt Vetsch evenwel geacht hoofdelijk schuldenaar van die belasting te zijn.

20      Volgens de verwijzende rechter hangt de vrijstelling van de btw bij invoer uit hoofde van artikel 143, onder d), van de btw-richtlijn en artikel 143, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn af van het antwoord op de vraag of de intracommunautaire overbrenging op grond van artikel 138, lid 2, onder c), van de btw-richtlijn is vrijgesteld.

21      Hij merkt dienaangaande op dat het Bundesfinanzgericht zich voor zijn oordeel dat niet was voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor die vrijstelling, heeft gebaseerd op de rechtspraak van het Hof dat de toepassing van de btw-vrijstelling uit hoofde van artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn moet worden ontzegd aan een belastingplichtige wanneer deze zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude, dan wel wist of behoorde te weten dat de door hem verrichte handeling deel uitmaakte van fraude door de afnemer en hij niet alle maatregelen heeft genomen die hem ter beschikking stonden om die fraude te vermijden. Het Hof heeft in dat verband intracommunautaire overbrenging gelijkgesteld met intracommunautaire levering.

22      Volgens de verwijzende rechter zag de rechtspraak van het Hof op situaties waarin de fraude betrekking had op de handeling die het voorwerp van de aftrek, de vrijstelling, de teruggaaf van btw of de vóór of na de teruggaaf van btw verrichte handeling vormt. De omstandigheden van het hoofdgeding verschillen echter van die welke tot die vorige zaken hebben geleid.

23      De verwijzende rechter verklaart dat het Bundesfinanzgericht heeft vastgesteld dat de twee Bulgaarse ondernemingen, ten aanzien waarvan de intracommunautaire overbrenging aan de orde is, belastingaangiftes hebben ingediend waarin zij de intracommunautaire verwerving in Bulgarije hebben vermeld. De belastingfraude heeft pas in een latere fase van de handeling plaatsgevonden, namelijk in het kader van de aangifte van een nieuwe intracommunautaire levering van de betrokken goederen door die ondernemingen, waarbij zij deze weer hebben verkocht aan Vetsch. Die ondernemingen hebben deze intracommunautaire levering ten onrechte vrijgesteld. Het Bundesfinanzgericht heeft zijn beslissing gebaseerd op de premisse dat die levering niet had plaatsgevonden. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat volgens het Bundesfinanzgericht evenwel niet was aangetoond dat dezelfde ondernemingen, op de datum van de intracommunautaire overbrenging van die goederen naar Bulgarije, reeds voornemens waren fraude te plegen ten aanzien van een latere handeling met betrekking tot die goederen.

24      Volgens de verwijzende rechter blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het recht op aftrek of btw-vrijstelling uit hoofde van een intracommunautaire levering moet worden geweigerd wanneer belastingfraude is gepleegd door de belastingplichtige zelf.

25      Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat die rechtspraak niet alleen ziet op de belastingplichtige die zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude, maar ook op de belastingplichtige die wist of behoorde te weten dat de door hem verrichte handeling deel uitmaakte van belastingfraude door de leverancier of door een andere ondernemer die vroeger of later in de keten van leveringen is opgetreden.

26      Hij vraagt zich af of die rechtspraak relevant is in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, gelet op het feit dat de desbetreffende fraude pas heeft plaatsgevonden in een latere fase van de keten van leveringen die hebben plaatsgevonden na de aan de orde zijnde intracommunautaire overbrenging en de daaropvolgende intracommunautaire verwerving.

27      Daarop heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Dient de belastingvrijstelling op grond van artikel 138 van [de btw-richtlijn] voor een intracommunautaire overbrenging uit een lidstaat te worden geweigerd wanneer de belastingplichtige die opdracht voor de overbrenging naar een andere lidstaat geeft, in de andere lidstaat weliswaar aangifte doet van de met de intracommunautaire overbrenging verband houdende intracommunautaire verwerving, maar zich bij een belastbare handeling met de betrokken goederen in een later stadium schuldig maakt aan belastingfraude door ten onrechte een belastingvrije intracommunautaire levering uit die andere lidstaat aan te geven?

2)      Is het voor het antwoord op de eerste vraag relevant of de belastingplichtige reeds op het tijdstip van de intracommunautaire overbrenging voornemens was om bij een handeling in een later stadium met de betrokken goederen belastingfraude te plegen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

28      Vooraf moet worden geconstateerd dat de eerste vraag betrekking heeft op de in artikel 138 van de btw-richtlijn bedoelde btw-vrijstelling. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding de btw-vrijstelling waarvoor de invoer van goederen vanuit een derde land in een lidstaat, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 143, onder d), van de btw-richtlijn en artikel 143, lid 1, onder d), van de gewijzigde btw-richtlijn, in aanmerking komt, moet worden geweigerd wanneer die goederen vervolgens in een andere lidstaat worden overgedragen aan een persoon die na die overdracht fraude heeft gepleegd met die goederen.

29      Gezien het bovenstaande moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 143, onder d), van de btw-richtlijn en artikel 143, lid 1, onder d), van de gewijzigde btw-richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat de toepassing van de in deze bepalingen bedoelde vrijstelling van de btw bij invoer moet worden ontzegd aan de importeur die is aangewezen of erkend als de tot voldoening van deze belasting gehouden persoon in de zin van artikel 201 van deze richtlijn, wanneer de ontvanger van de uit die invoer voortvloeiende intracommunautaire overbrenging zich schuldig maakt aan fraude ten aanzien van een handeling die na deze overbrenging is verricht en daarmee geen verband houdt.

30      Volgens artikel 143, onder d), van de btw-richtlijn en artikel 143, lid 1, onder d), van de gewijzigde btw-richtlijn verlenen de lidstaten vrijstelling voor de invoer van vanuit een derdelandsgebied of een derde land verzonden of vervoerde goederen in een andere lidstaat dan de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer, indien de levering van deze goederen, verricht door de importeur die uit hoofde van artikel 201 van deze richtlijn is aangewezen of erkend als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, overeenkomstig artikel 138 van die richtlijn is vrijgesteld.

31      Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, is de vrijstelling van de btw bij invoer dus alleen van toepassing voor zover de invoerder na de invoer een intracommunautaire levering verricht die zelf uit hoofde van artikel 138 van de btw-richtlijn is vrijgesteld, en is zij derhalve afhankelijk van de naleving van de in dit artikel neergelegde materiële voorwaarden (arrest van 20 juni 2018, Enteco Baltic, C‑108/17, EU:C:2018:473, punt 47). Dat is ook het geval wanneer, zoals in casu, de goederenlevering bestaat in de overbrenging van de goederen naar een andere lidstaat.

32      Artikel 138, lid 1, van deze richtlijn bepaalt dat de lidstaten vrijstelling verlenen voor de levering van goederen, door of voor rekening van de verkoper of de afnemer verzonden of vervoerd naar een plaats buiten hun respectieve grondgebied, maar binnen de Unie, welke wordt verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig handelt in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen. Volgens artikel 138, lid 2, onder c), van die richtlijn verlenen de lidstaten, behalve voor de in lid 1 bedoelde leveringen, vrijstelling voor de goederenlevering bestaande in de overbrenging naar een andere lidstaat, die met name voor de in lid 1 bedoelde vrijstellingen in aanmerking zou komen indien zij voor een andere belastingplichtige was verricht.

33      Voor de toepassing van de btw-vrijstelling wordt een in artikel 17, lid 1, eerste alinea, van de btw-richtlijn omschreven intracommunautaire overbrenging, zoals de overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat, met name gelijkgesteld met een intracommunautaire levering ten aanzien waarvan artikel 138 van deze richtlijn bepaalt dat zij van btw is vrijgesteld [zie, met betrekking tot de daarmee overeenkomende bepalingen van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1), arrest van 20 oktober 2016, Plöckl, C‑24/15, EU:C:2016:791, punt 29].

34      In de onderhavige zaak moet op basis van de in de verwijzingsbeslissing verstrekte gegevens, onder voorbehoud van het door de verwijzende rechter te verrichten onderzoek, worden geoordeeld dat de intracommunautaire overbrenging in kwestie voldoet aan de voorwaarden van artikel 138 van de btw-richtlijn, waarnaar artikel 143, onder d), van deze richtlijn en artikel 143, lid 1, onder d), van de gewijzigde btw-richtlijn verwijzen.

35      Daarenboven wijst niets in de verwijzingsbeslissing erop dat de invoer van de goederen die in het hoofdgeding aan de orde is, niet voldeed aan de overige voorwaarden voor vrijstelling van de btw bij invoer, waarin de laatste twee in het vorige punt van dit arrest genoemde bepalingen voorzien.

36      Derhalve moet worden uitgegaan van de premisse dat de invoer van de goederen die in het hoofdgeding aan de orde is, voldoet aan de voorwaarden van artikel 143, onder d), van de btw-richtlijn en artikel 143, lid 1, onder d), van de gewijzigde btw-richtlijn voor vrijstelling van de btw bij invoer.

37      De verwijzende rechter vraagt zich niettemin af welke invloed een frauduleuze handeling die is verricht in het kader van een intracommunautaire levering die dateert van na die invoer waarop een overbrenging is gevolgd, heeft op het recht om in aanmerking te komen voor de betrokken btw-vrijstellingen. De verwijzende rechter twijfelt er evenwel geenszins aan dat de invoer en de overbrenging, die zijn voorafgegaan aan de intracommunautaire levering ten aanzien waarvan belastingfraude is gepleegd, rechtmatig zijn.

38      Zoals de Commissie in haar aan het Hof overgelegde opmerkingen heeft aangevoerd, moeten in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding de invoer waarop een intracommunautaire overbrenging volgt en de levering ten aanzien waarvan fraude is gepleegd worden beschouwd als handelingen die losstaan van elkaar.

39      Vastgesteld moet immers worden dat artikel 143, onder d), van de btw-richtlijn en artikel 143, lid 1, onder d), van de gewijzigde btw-richtlijn in wezen een dubbele vrijstelling inhouden, namelijk een eerste vrijstelling van de btw die overeenkomstig artikel 201 van de btw-richtlijn normalerwijze bij invoer verschuldigd is en een tweede vrijstelling uit hoofde van de intracommunautaire levering of overbrenging die op die invoer is gevolgd.

40      Wanneer aan de voorwaarden van artikel 143, onder d), van de btw-richtlijn en artikel 143, lid 1, onder d), van de gewijzigde btw-richtlijn is voldaan, is de btw over de vanuit een derde land naar de Unie verzonden of vervoerde goederen dus in beginsel voor het eerst verschuldigd in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer en niet in de lidstaat waar zij het eerst zijn ingevoerd. Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van haar conclusie heeft benadrukt, moeten deze bepalingen zorgen voor een vereenvoudiging waardoor de grensoverschrijdende handel vlotter kan verlopen, doordat, dankzij de vrijstelling voor de invoer, het recht op aftrek van de btw bij invoer die anders verschuldigd zou zijn – welk recht anders zou worden toegekend – achterwege kan worden gelaten.

41      In een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin de betrokken fraude in Bulgarije is gepleegd in het kader van een intracommunautaire levering vanuit deze lidstaat, is het aan de Bulgaarse autoriteiten om de toepassing van de vrijstelling van de btw over die levering te weigeren.

42      Aangezien vaststaat dat deze fraude geen betrekking heeft op de overbrenging waarvan de toekenning van de vrijstelling van de btw bij invoer als bedoeld in artikel 143, onder d), van de btw-richtlijn en artikel 143, lid 1, onder d), van de gewijzigde richtlijn afhankelijk is, kan deze vrijstelling niet worden ontzegd aan de importeur die is aangewezen of erkend als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon in de zin van artikel 201 van deze richtlijn, in een situatie waarin, zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, niets erop wijst dat de importeur wist of behoorde te weten dat die na de invoer verrichte levering deel uitmaakte van fraude waaraan de Bulgaarse ontvangers zich schuldig hebben gemaakt.

43      Gelet op al het voorgaande moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 143, onder d), van de btw-richtlijn en artikel 143, lid 1, onder d), van de gewijzigde btw-richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat de in deze bepalingen bedoelde toepassing van de vrijstelling van de btw bij invoer niet mag worden ontzegd aan de importeur die is aangewezen of erkend als de tot voldoening van deze belasting gehouden persoon in de zin van artikel 201 van de btw-richtlijn, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin ten eerste de ontvanger van de op die invoer volgende intracommunautaire overbrenging fraude pleegt ten aanzien van een handeling die dateert van na die overbrenging waarmee zij geen verband houdt, en ten tweede niets erop wijst dat de importeur wist of behoorde te weten dat die latere handeling deel uitmaakte van door de ontvanger gepleegde fraude.

 Tweede vraag

44      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen wat de invloed voor het antwoord op de eerste vraag zou kunnen zijn van de omstandigheid dat de ontvanger van de overgebrachte goederen, op het tijdstip van de intracommunautaire overbrenging daarvan, reeds voornemens was belastingfraude te plegen ten aanzien van een latere handeling met betrekking tot die goederen.

45      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt uitdrukkelijk dat in casu dat voornemen niet aannemelijk is gemaakt. Gelet hierop is de tweede vraag, die hypothetisch van aard is, niet-ontvankelijk.

 Kosten

46      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 143, onder d), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, en artikel 143, lid 1, onder d), van deze richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/69/EG van de Raad van 25 juni 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat de in deze bepalingen bedoelde toepassing van de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde bij invoer niet mag worden ontzegd aan de importeur die is aangewezen of erkend als de tot voldoening van deze belasting gehouden persoon in de zin van artikel 201 van richtlijn 2006/112, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin ten eerste de ontvanger van de op die invoer volgende intracommunautaire overbrenging fraude pleegt ten aanzien van een handeling die dateert van na die overbrenging waarmee zij geen verband houdt, en ten tweede niets erop wijst dat de importeur wist of behoorde te weten dat die latere handeling deel uitmaakte van door de ontvanger gepleegde fraude.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.