Language of document : ECLI:EU:C:2019:123

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

14 februari 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Artikelen 56 en 63 VWEU – Vrij verrichten van diensten – Vrij verkeer van kapitaal – Nationale regeling die voorziet in de nietigheid van met een onbevoegde kredietgever gesloten kredietovereenkomsten met internationale aspecten – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Artikel 17, lid 1 – Kredietovereenkomst die door een natuurlijke persoon is gesloten met het oog op het aanbieden van accommodatie aan toeristen – Begrip ‚consument’ – Artikel 24, punt 1 – Exclusieve bevoegdheden inzake zakelijke rechten op onroerende goederen – Vordering tot nietigheid van een kredietovereenkomst en tot doorhaling van een zakelijke zekerheid in het kadaster”

In zaak C‑630/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Općinski Sud u Rijeci – Stalna služba u Rabu (rechter voor de gemeente Rijeka – permanente sectie van Rab, Kroatië) bij beslissing van 6 november 2017, ingekomen bij het Hof op 9 november 2017, in de procedure

Anica Milivojević

tegen

Raiffeisenbank St. Stefan-Jagerberg-Wolfsberg eGen,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend voor de president van de Tweede kamer, A. Prechal, C. Toader (rapporteur), A. Rosas en M. Ilešič, rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: M. Aleksejev, eenheidshoofd,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 september 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        Raiffeisenbank St. Stefan-Jagerberg-Wolfsberg eGen, vertegenwoordigd door D. Malnar, M. Mlinac, P. G. Baučić, P. Novak, M. Sabolek, E. Garankić en A. Đureta, odvjetnici, bijgestaan door T. Borić, profesor,

–        de Kroatische regering, vertegenwoordigd door T. Galli als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller, L. Malferrari en M. Mataija als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 2018,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 56 en 63 VWEU en artikel 4, lid 1, artikel 17, artikel 24, punt 1, en artikel 25 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Anica Milivojević, die woont in Kroatië, en Raiffeisenbank St. Stefan-Jagerberg-Wolfsberg eGen (hierna: „Raiffeisenbank”), een vennootschap naar Oostenrijks recht, over een door Milivojević ingestelde vordering tot nietigheid van een met Raiffeisenbank gesloten kredietovereenkomst en een notariële handeling waarbij een hypotheek wordt gevestigd tot zekerheid van de nakoming van de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichting, alsook tot doorhaling van die hypotheek in het kadaster.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 6, 15 en 18 van verordening nr. 1215/2012 luiden:

„(6)      Met het oog op het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is het nodig en passend de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in een verbindend en rechtsreeks toepasselijk besluit van de Unie neer te leggen.

[...]

(15)      De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. [...]

[...]

(18)      In het geval van verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.”

4        Artikel 4, lid 1, van die verordening bepaalt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

5        Artikel 8, punt 4, van die verordening bepaalt:

„Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:

[...]

4.      ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst, indien de vordering vergezeld kan gaan van een zakelijke vordering betreffende een onroerend goed tegen dezelfde verweerder: voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het onroerend goed gelegen is.”

6        Artikel 17, lid 1, van die verordening bepaalt:

„Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling [...]”.

7        Artikel 18, leden 1 en 2, van verordening nr. 1215/2012 bepaalt:

„1.      De rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die partij woonplaats heeft, hetzij, ongeacht de woonplaats van de wederpartij, voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft.

2.      De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de wederpartij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.”

8        In artikel 19 van die verordening is bepaald:

„Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:

1.      gesloten na het ontstaan van het geschil;

2.      die aan de consument de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken, of

3.      waarbij een consument en zijn wederpartij, die op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten woonplaats of hun gewone verblijfplaats in dezelfde lidstaat hebben, de gerechten van die lidstaat bevoegd verklaren, tenzij het recht van die lidstaat dergelijke overeenkomsten verbiedt.”

9        Artikel 24, punt 1, eerste alinea, van die verordening bepaalt:

„Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:

1.      voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is.”

10      Artikel 25, leden 1 en 4, van verordening nr. 1215/2012 bepaalt:

„1.      Indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. [...]

[...]

4.      Overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegd gerecht en soortgelijke bedingen in akten tot oprichting van een trust hebben geen rechtsgevolg indien zij strijdig zijn met de artikelen 15, 19 of 23, of indien de gerechten op welker bevoegdheid inbreuk wordt gemaakt, krachtens artikel 24 bij uitsluiting bevoegd zijn.”

11      Met betrekking tot de toepassing ratione temporis van verordening nr. 1215/2012, is in artikel 66, lid 1, van die verordening bepaald:

„Deze verordening is slechts van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen op of na 10 januari 2015.”

 Kroatisch recht

 Wet inzake verbintenisrechtelijke betrekkingen

12      Artikel 322 van de Zakon o obveznim odnosima (wet inzake verbintenisrechtelijke betrekkingen), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (Narodne novine, br. 78/2015) (hierna: „wet inzake verbintenisrechtelijke betrekkingen”), bepaalt:

„(1)      Overeenkomsten die in strijd zijn met de grondwet van de Republiek Kroatië, met dwingende rechtsvoorschriften of met de goede zeden, zijn nietig, tenzij het doel van het overtreden voorschrift in een ander rechtsgevolg voorziet of de wet anders bepaalt in het concrete geval.

(2)      Indien de sluiting van een bepaalde overeenkomst slechts voor één van de partijen verboden is, is de overeenkomst niettemin geldig, tenzij de wet anders bepaalt in het concrete geval, en is de partij die een wettelijk verbod heeft overtreden, gehouden de gevolgen daarvan te dragen.”

13      Artikel 323, lid 1, van die wet bepaalt:

„Wanneer een overeenkomst nietig is, is iedere partij verplicht om aan de wederpartij alles terug te geven wat zij uit hoofde van de nietige overeenkomst heeft ontvangen en, indien dit niet mogelijk is of indien de aard van hetgeen ter nakoming is verricht, teruggave uitsluit, moet een passende financiële compensatie worden betaald op basis van de prijzen die gelden op het moment van de rechterlijke beslissing, tenzij de wet anders bepaalt.”

 Wet inzake consumentenkrediet

14      De Zakon o potrošačkom kreditiranju (wet inzake consumentenkrediet, Narodne novine, br. 75/2009) (hierna: „wet inzake consumentenkrediet”) is in werking getreden op 1 januari 2010. Artikel 29, lid 1, van die wet bepaalt dat, behoudens enkele uitzonderingen, deze wet niet van toepassing is op kredietovereenkomsten die vóór de inwerkingtreding ervan zijn gesloten.

15      Deze wet is gewijzigd bij de Zakon o izmjeni i dopunama Zakona o potrošačkom kreditiranju (wet tot wijziging en aanvulling van de wet inzake consumentenkrediet, Narodne novine, br. 102/2015) (hierna: „wet inzake consumentenkrediet, zoals gewijzigd”).

16      Artikel 19 j van de wet inzake consumentenkrediet, zoals gewijzigd, met als opschrift „Nietigheid van de overeenkomsten en gevolgen van de nietigheid”, bepaalt:

„1)      Wanneer de kredietovereenkomst is gesloten door een kredietgever of een kredietbemiddelaar die niet beschikt over de vereiste vergunning om consumentenkrediet te verlenen of om op te treden als bemiddelaar in consumentenkrediet, is de overeenkomst nietig.

2)      Indien het ontvangen bedrag overeenkomstig lid 1 van dit artikel moet worden teruggegeven, moet de consument interest daarop betalen, vanaf de dag waarop de beslissing waarbij de nietigheid is vastgesteld, definitief is geworden.

[...]”

17      Artikel 19 l van de wet inzake consumentenkrediet, zoals gewijzigd, met als opschrift „Rechterlijke bevoegdheid”, bepaalt:

„1)      Bij geschillen over kredietovereenkomsten, kan een rechtsvordering die door de consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, worden gebracht voor een rechter van de staat op het grondgebied waarvan de wederpartij zijn maatschappelijke zetel heeft, hetzij, ongeacht de plaats van de zetel van de wederpartij bij de overeenkomst, voor een rechter van de plaats waar de consument zijn woonplaats heeft.

2)      De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de wederpartij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor een rechter van de staat op het grondgebied waarvan de consument zijn woonplaats heeft.

[...]”

 Wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten

18      Artikel 1, met als opschrift „Werkingssfeer”, van de Zakon o ništetnosti ugovora o kreditu s međunarodnim obilježjima sklopljenih u Republici Hrvatske s neovlaštenim vjerovnikom (wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten die in de Republiek Kroatië met een onbevoegde kredietgever zijn gesloten, Narodne novine, br. 72/2017, hierna: „wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten”), bepaalt:

„1)      Onderhavige wet is van toepassing op kredietovereenkomsten met internationale aspecten die in de Republiek Kroatië zijn gesloten tussen een kredietnemer en een onbevoegde kredietgever [...]

2)      Onderhavige wet is eveneens van toepassing op andere rechtshandelingen die in de Republiek Kroatië tussen een kredietnemer en een onbevoegde kredietgever zijn vastgesteld met het oog op een kredietovereenkomst met internationale aspecten in de zin van lid 1 van dit artikel of op basis van een dergelijke overeenkomst.”

19      Artikel 2 van die wet, met als opschrift „Definities”, bepaalt:

„In onderhavige wet wordt verstaan onder:

–        ,kredietnemer’: een natuurlijke of rechtspersoon aan wie door middel van een kredietovereenkomst met internationale aspecten een krediet is verleend, of een persoon die zich ten gunste van de persoon aan wie een krediet is verleend, heeft verbonden in zijn hoedanigheid van medekredietnemer, kredietnemer-pandgever, medekredietnemer-pandgever, of garant;

–        ,onbevoegde kredietgever’: een rechtspersoon die uit hoofde van een kredietovereenkomst met internationale aspecten aan een kredietnemer een krediet heeft verleend en die op de dag waarop de kredietovereenkomst met internationale aspecten is gesloten, zijn maatschappelijke zetel buiten de Republiek Kroatië had en die kredietdiensten aanbiedt of verricht binnen de Republiek Kroatië, hoewel deze kredietgever niet voldoet aan de bij de bijzondere regeling vastgestelde voorwaarden voor het verrichten van dergelijke diensten en meer bepaald niet beschikt over de vereiste vergunning en/of toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Republiek Kroatië;

–        ‚kredietovereenkomsten met internationale aspecten’: iedere kredietovereenkomst, leningsovereenkomst of andere overeenkomst waarbij een onbevoegde kredietgever een kredietnemer een bepaald geldbedrag verstrekt en de kredietnemer zich ertoe verbindt de overeengekomen interest te betalen en het gebruikte bedrag binnen de overeengekomen termijn en volgens de overeengekomen voorwaarden terug te betalen”

20      Artikel 3 van die wet, met als opschrift „Nietigheid van kredietovereenkomsten”, bepaalt:

„1)      Kredietovereenkomsten met internationale aspecten die in de Republiek Kroatië zijn gesloten tussen een kredietnemer en een onbevoegde kredietgever, zijn nietig.

2)      In afwijking van lid 1 van dit artikel kan de nietigheid niet worden ingeroepen wanneer een overeenkomst in haar geheel is volbracht.”

21      Artikel 4 van die wet, met als opschrift „Nietigheid van andere rechtshandelingen”, bepaalt:

„Alle notariële handelingen op basis van of in verband met een nietige overeenkomst in de zin van artikel 3 van onderhavige wet zijn nietig.

[...]”

22      Artikel 7 van de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten, dat de „[g]evolgen van de nietigheid” betreft, bepaalt:

„Elke partij bij de overeenkomst is verplicht om aan de wederpartij alles terug te geven wat zij uit hoofde van de nietige overeenkomst heeft ontvangen en, indien dit niet mogelijk is of indien de aard van hetgeen ter nakoming is verricht, teruggave uitsluit, moet een passende financiële compensatie worden betaald op basis van de prijzen die gelden op het moment van de rechterlijke beslissing.”

23      Artikel 8 van die wet regelt de bevoegdheid als volgt:

„1)      Bij geschillen over kredietovereenkomsten met internationale aspecten in de zin van onderhavige wet, kan een rechtsvordering die door de kredietnemer wordt ingesteld tegen de onbevoegde kredietgever, worden gebracht hetzij voor een rechter van de staat op het grondgebied waarvan de onbevoegde kredietgever zijn maatschappelijke zetel heeft, hetzij, ongeacht de plaats van de zetel van de onbevoegde kredietgever, voor een rechter van de plaats waar de kredietnemer zijn woonplaats of maatschappelijke zetel heeft.

2)      De rechtsvordering die tegen de kredietnemer wordt ingesteld door de onbevoegde kredietgever in de zin van lid 1 van dit artikel, kan slechts worden gebracht voor een rechter van de staat op het grondgebied waarvan de kredietnemer zijn woonplaats of maatschappelijke zetel heeft. Op nietige overeenkomsten in de zin van onderhavige wet is uitsluitend het Kroatisch recht van toepassing en de rechter bij wie een rechtsvordering betreffende de nietigheid van een dergelijke overeenkomst wordt ingesteld, past onderhavige wet op die rechtsvordering toe, zonder na te gaan of er redenen zijn om te veronderstellen dat op grond van andere wetgevingsinstrumenten het recht van de plaats waar de overeenkomst is gesloten, moet worden toegepast.”

24      Artikel 10 van die wet luidt als volgt:

„1)      Kredietovereenkomsten met internationale aspecten in de zin van onderhavige wet die in de Republiek Kroatië tussen een kredietnemer en een onbevoegde kredietgever zijn gesloten vóór de inwerkingtreding van onderhavige wet, zijn nietig vanaf de datum van sluiting ervan, met de in artikel 7 van onderhavige wet genoemde effecten tot gevolg.

2)      Andere rechtshandelingen die in de Republiek Kroatië vóór de inwerkingtreding van onderhavige wet tussen een kredietnemer en een onbevoegde kredietgever zijn vastgesteld en die voortvloeien uit of gebaseerd zijn op een kredietovereenkomst met internationale aspecten in de zin van artikel 1, lid 1, zijn nietig vanaf de datum van vaststelling ervan, met de in artikel 7 van onderhavige wet genoemde effecten tot gevolg.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

25      Op 23 april 2015 heeft Milivojević bij de verwijzende rechter, de Općinski Sud u Rijeci – Stalna služba u Rabu (rechter voor de gemeente Rijeka – permanente sectie van Rab, Kroatië), een vordering ingesteld tegen Raiffeisenbank tot vaststelling van de nietigheid van de op 5 januari 2007 door partijen gesloten kredietovereenkomst voor een bedrag van 47 000 EUR (hierna: „betrokken overeenkomst”) en van de notariële handeling waarbij een hypotheek is gevestigd tot zekerheid van de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichting, alsook tot doorhaling van die hypotheek in het kadaster.

26      Ter ondersteuning van haar vordering heeft Milivojević zich beroepen op artikel 322, lid 1, van de wet inzake verbintenisrechtelijke betrekkingen volgens hetwelk overeenkomsten die in strijd zijn met de grondwet van de Republiek Kroatië, met dwingende rechtsvoorschriften of met de goede zeden, nietig zijn.

27      Hoewel in het hoofdgeding vaststaat dat Raiffeisenbank een „onbevoegde kredietgever” was in de zin van artikel 2 van de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten, dat wil zeggen een in een andere lidstaat gevestigde kredietgever die niet naar behoren gemachtigd was door de Hrvatska narodna banka (nationale bank van Kroatië) om in Kroatië kredieten te verlenen, merkt de verwijzende rechter op dat de partijen het niet eens zijn over bepaalde feitelijke omstandigheden die met name betrekking hebben op de plaats waar de betrokken overeenkomst is gesloten. Terwijl Raiffeisenbank aanvoert dat die overeenkomst in Oostenrijk is gesloten, is zij volgens Milivojević in Kroatië gesloten.

28      Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat Milivojević naar eigen zeggen de betrokken overeenkomst via een bemiddelaar die hiervoor een commissieloon heeft ontvangen, heeft gesloten om haar woning uit te breiden en te renoveren, met het oog op de verhuur van vakantieappartementen. Uit de verwijzingsbeslissing volgt ook dat niet kan worden uitgesloten dat de lening gedeeltelijk voor privédoeleinden is gebruikt. Milivojević heeft bovendien aangegeven dat zij voornemens was de lening terug te betalen met de inkomsten uit die activiteit.

29      Voorts volgt uit het bij het Hof ingediende dossier dat de betrokken overeenkomst een forumkeuzebeding bevatte, volgens hetwelk ofwel de Oostenrijkse rechter ofwel de rechter van de woonplaats van de kredietnemer bevoegd was.

30      De mondelinge behandeling is gesloten op 3 januari 2017.

31      Naar aanleiding van de inwerkingtreding op 14 juli 2017 van de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten is de mondelinge behandeling echter opnieuw geopend bij beschikking van 10 augustus 2017.

32      Volgens de verwijzende rechter zou de betrokken overeenkomst, indien vaststaat dat zij in Kroatië is gesloten, thans nietig kunnen zijn overeenkomstig de bepalingen van die regeling, die terugwerkende kracht heeft.

33      Derhalve vraagt de verwijzende rechter zich ten eerste af of de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten verenigbaar is met de artikelen 56 en 63 VWEU. Volgens hem kan die regeling namelijk inbreuk maken op de vrijheid van Raiffeisenbank om financiële diensten te verlenen. De verwijzende rechter betwijfelt of de doelstellingen die de Kroatische regering heeft aangevoerd ter ondersteuning van de terugwerkende kracht van die wet, een dergelijke inbreuk kunnen rechtvaardigen.

34      De verwijzende rechter wijst er voorts op dat de wet inzake consumentenkrediet, zoals uitgelegd door de Vrhovni sud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Kroatië), niet de vaststelling kan rechtvaardigen dat de kredietovereenkomsten die vóór de inwerkingtreding van die wet, zoals gewijzigd, dat wil zeggen vóór 30 september 2015, zijn gesloten, nietig zijn.

35      In dat verband merkt de verwijzende rechter op dat, na een vergadering van de president van de civielrechtelijke kamer van de Vrhovni sud en de presidenten van de civielrechtelijke kamers van de Županijski sudovi (districtsrechters, Kroatië), die werd gehouden op 11 en 12 april 2016, de Vrhovni sud in een document van 12 april 2016 als volgt heeft beslist:

„3.1.      (bevoegdheid)

In het kader van geschillen betreffende de nietigheid van kredietovereenkomsten tussen verzoekende Kroatische natuurlijke personen (de consumenten) en buitenlandse rechtspersonen (de banken) waarin uitspraak wordt gedaan over de bevoegdheidskwestie na 1 juli 2013, wordt de bevoegde Kroatische rechter altijd aangewezen overeenkomstig de bepalingen van artikel 16 van verordening [(EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)] en artikel 17 van verordening [nr. 1215/2012].

3.2.      (nietigheid van de overeenkomst)

Hoewel het voor buitenlandse kredietinstellingen die niet beschikten over de vereiste vergunning om dergelijke diensten in de Republiek Kroatië te verlenen verboden was dergelijke overeenkomsten te sluiten, zijn dergelijke overeenkomsten niet nietig, aangezien noch de wet op de banken noch de wet op de kredietinstellingen dat gevolg daaraan verbond vóór 30 september 2015, op welke datum dat gevolg daaraan wel werd verbonden [na de inwerkingtreding van de wet inzake consumentenkrediet, zoals gewijzigd].”

36      Ten tweede rijzen bij de verwijzende rechter vragen over verschillende aspecten in verband met zijn internationale bevoegdheid om kennis te nemen van het hoofdgeding, gelet op de bepalingen van verordening nr. 1215/2012. In dat verband stelt de verwijzende rechter dat hij krachtens de bepalingen van het Kroatische wetboek van burgerlijke rechtsvordering, in dit stadium van de bij hem aanhangige procedure kan nagaan of hij bevoegd is.

37      De verwijzende rechter twijfelt of artikel 8 van de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten verenigbaar is met de bevoegdheidsregels die zijn vastgelegd in verordening nr. 1215/2012. Hij vraagt zich ook af of, gelet op de rechtspraak van het Hof, met name de arresten van 3 juli 1997, Benincasa (C‑269/95, EU:C:1997:337), en 20 januari 2005, Gruber (C‑464/01, EU:C:2005:32), de betrokken overeenkomst kan worden gekwalificeerd als een „met een consument gesloten overeenkomst”, en of het hoofdgeding valt onder de bepalingen voor exclusieve bevoegdheid inzake zakelijke rechten op onroerende goederen, die zijn neergelegd in artikel 24, punt 1, van die verordening.

38      In die omstandigheden heeft de Općinski Sud u Rijeci – Stalna služba u Rabu de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moeten de artikelen 56 en 63 [VWEU] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de bepalingen van de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten die in [Kroatië] met een onbevoegde kredietgever zijn gesloten [...], en met name tegen artikel 10 daarvan, dat bepaalt dat kredietovereenkomsten en andere rechtshandelingen die voortvloeien uit of gebaseerd zijn op een kredietovereenkomst die is gesloten tussen een kredietnemer (in de zin van artikel 1 en artikel 2, eerste streepje, van voornoemde wet) en een onbevoegde kredietgever (in de zin van artikel 2, tweede streepje, van die wet), ook wanneer zij gesloten zijn vóór de inwerkingtreding van die wet, nietig zijn vanaf het moment waarop zij zijn gesloten, hetgeen met zich meebrengt dat elke partij bij de overeenkomst verplicht is om aan de wederpartij alles terug te geven wat zij uit hoofde van de nietige overeenkomst heeft ontvangen en, indien dit niet mogelijk is of indien de aard van hetgeen ter nakoming is verricht, teruggave uitsluit, een passende financiële compensatie moet worden betaald op basis van de prijzen die gelden op het moment van de rechterlijke beslissing?

2)      Moet verordening [nr. 1215/2012], en met name artikel 4, lid 1, en artikel 25 daarvan, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen de bepalingen van artikel 8, leden 1 en 2, van de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten die in [Kroatië] met een onbevoegde kredietgever zijn gesloten [...], volgens welke bij geschillen die verband houden met kredietovereenkomsten met internationale aspecten in de zin van die wet, de kredietnemer de onbevoegde kredietgever kan dagen hetzij voor een rechter van de staat waar de onbevoegde kredietgever zijn maatschappelijke zetel heeft, hetzij, ongeacht de plaats van de maatschappelijke zetel van de onbevoegde kredietgever, voor een rechter van de plaats waar de kredietnemer zijn woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, terwijl de onbevoegde kredietgever in de zin van voornoemde wet, de kredietnemer enkel kan dagen voor een rechter van de staat waar de kredietnemer zijn woonplaats of maatschappelijke zetel heeft?

3)      Is er sprake van een consumentenovereenkomst in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 en overige onderdelen van het juridisch acquis van de Europese Unie, wanneer de kredietnemer een natuurlijke persoon is, die een kredietovereenkomst heeft gesloten met de bedoeling te investeren in vakantieappartementen, teneinde activiteiten uit te oefenen op het gebied van accommodatie en aan toeristen diensten in verband met privélogies aan te bieden?

4)      Moet het bepaalde in artikel 24, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat de Kroatische rechters bevoegd zijn inzake de vaststelling van de nietigheid van een kredietovereenkomst en de verklaring betreffende de vestiging en de inschrijving van een hypotheek en inzake de doorhaling van die hypotheek in het kadaster, wanneer die hypotheek tot zekerheid van de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst is gevestigd op onroerend goed van de kredietnemer dat op het grondgebied van de Republiek Kroatië is gelegen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Bevoegdheid van het Hof om de eerste vraag te onderzoeken

39      De Kroatische regering voert aan dat het Hof niet bevoegd is om de eerste vraag te onderzoeken, aangezien de aan de orde zijnde overeenkomst is gesloten op 5 januari 2007, te weten vóór de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Unie op 1 juli 2013. Het Hof is niet bevoegd om een door een rechter van een lidstaat gestelde prejudiciële vraag in verband met de uitlegging van Unierecht te beantwoorden wanneer de feitelijke omstandigheden waarop dat recht van toepassing zou zijn, dateren van vóór de toetreding van die lidstaat tot de Unie. Ter terechtzitting heeft de Kroatische regering voorts aangevoerd dat die overeenkomst in de loop van 2012 was ontbonden.

40      In dat verband moet ten eerste worden vastgesteld dat de verwijzende rechter zich in het kader van de eerste vraag afvraagt of de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten, die na de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Unie is vastgesteld, verenigbaar is met de bepalingen van de artikelen 56 en 63 VWEU. Omdat die regeling terugwerkende kracht heeft, zou zij van toepassing zijn op het hoofdgeding en gevolgen hebben voor de kredietovereenkomsten die vóór de toetreding zijn gesloten en op de andere rechtshandelingen die voortvloeien uit dergelijke overeenkomsten.

41      Ten tweede is de betrokken kredietovereenkomst weliswaar gesloten vóór die toetreding en wordt er gesteld dat zij vóór dat tijdstip was ontbonden – een omstandigheid waarvan in het verzoek om een prejudiciële beslissing geen melding is gemaakt – doch uit dat verzoek blijkt dat een aantal van de gevolgen van die overeenkomst en van de daaruit voortvloeiende rechtshandelingen, met name de inschrijving van de hypotheek waarvan Milivojević de nietigverklaring vraagt, blijven voortduren.

42      Uit artikel 2 van de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië en de aanpassing van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 2012, L 112, blz. 21) volgt dat de bepalingen van de oorspronkelijke Verdragen, met name de artikelen 56 en 63 VWEU de Republiek Kroatië verbinden vanaf de datum van haar toetreding, zodat zij van toepassing zijn op de toekomstige gevolgen van vóór de toetreding ontstane situaties (zie naar analogie arrest van 29 januari 2002, Pokrzeptowicz-Meyer, C‑162/00, EU:C:2002:57, punt 50).

43      Uit het voorgaande volgt dat de argumenten die de Kroatische regering heeft aangevoerd om te betwisten dat het Hof bevoegd is om kennis te nemen van de eerste vraag, moeten worden afgewezen, aangezien de betrokken overeenkomst, die ten grondslag ligt aan het hoofdgeding, weliswaar is gesloten vóór de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Unie, doch dit niet wegneemt dat die vraag in casu de uitlegging van het Unierecht betreft en de beantwoording ervan kan leiden tot de onverenigbaarheid met het Unierecht van een nationale regeling, die deze lidstaat na die datum heeft vastgesteld en die ook na die toetreding rechtsgevolgen heeft voor de overeenkomst.

 Ontvankelijkheid van de eerste tot en met de derde vraag

44      Raiffeisenbank en de Kroatische regering betogen dat de eerste vraag hypothetisch is en stellen dat niet is aangetoond dat de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten van toepassing is op het hoofdgeding.

45      De Kroatische regering heeft voorts aangevoerd dat de tweede en de derde vraag niet-ontvankelijk zijn, omdat de rechtsbepalingen waarnaar de verwijzende rechter in het kader van zijn vragen heeft verwezen, te weten artikel 4, lid 1, en artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, niet meer konden worden ingeroepen nu Raiffeisenbank voor die rechter was verschenen. Wat artikel 25 van die verordening betreft, voert die regering aan dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing niet blijkt dat de partijen een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht hebben gesloten.

46      Met betrekking tot de eerste vraag moet worden opgemerkt dat, hoewel de verwijzende rechter in het stadium waarin de bij hem aanhangige procedure zich bevindt, nog geen uitspraak heeft gedaan over de feitenkwestie met betrekking tot de bepaling van de plaats waar de betrokken overeenkomst is gesloten, welke vraag van wezenlijk belang is voor de toepassing van de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten, overeenkomstig artikel 3 van die wet, die omstandigheid niet zijn bevoegdheid begrenst om te beoordelen in welk stadium van die procedure hij, met het oog op de beslechting ervan, het Hof moet verzoeken om een prejudiciële beslissing (zie in die zin arresten van 22 juni 2010, Melki en Abdeli, C‑188/10 en C‑189/10, EU:C:2010:363, punt 41, en 4 juni 2015, Kernkraftwerke Lippe-Ems, C‑5/14, EU:C:2015:354, punt 31), en alleen hij mag bepalen welk moment het meest geschikt is om dat te doen (zie in die zin arrest van 15 maart 2012, Sibilio, C‑157/11, niet gepubliceerd, EU:C:2012:148, punt 31).

47      Met betrekking tot de tweede en de derde vraag dient eraan te worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof, in het kader van de in artikel 267 VWEU georganiseerde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48      Het is tevens vaste rechtspraak dat op vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken, een vermoeden van relevantie rust (arrest van 14 juni 2017, Online Games e.a., C‑685/15, EU:C:2017:452, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen of om te begrijpen waarom de nationale rechter van oordeel is dat de antwoorden op die vragen nodig zijn om het bij hem aanhangige geschil te beslechten (zie in die zin arrest van 8 september 2016, Politanò, C‑225/15, EU:C:2016:645, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Anders dan de Kroatische regering betoogt, blijkt niet dat de kwestie die in de tweede en de derde vraag aan de orde is, hypothetisch van aard is.

49      Derhalve zijn de eerste en de tweede vraag ontvankelijk.

 Eerste vraag

50      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 56 en 63 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat als die in het hoofdgeding, die met name tot gevolg heeft dat de kredietovereenkomsten en de daarop gebaseerde rechtshandelingen, die op het grondgebied van die lidstaat zijn gesloten tussen een kredietnemer en een in een andere lidstaat gevestigde kredietgever die niet beschikt over een door de bevoegde autoriteiten van de eerste lidstaat afgegeven vergunning voor het uitoefenen van zijn activiteit op het grondgebied daarvan, nietig zijn vanaf de datum van sluiting ervan, zelfs indien zij vóór de inwerkingtreding van die regeling zijn gesloten.

 Toepasselijke vorm van vrij verkeer

51      Aangezien de prejudiciële vraag is gesteld uit het oogpunt van zowel artikel 56 VWEU als artikel 63 VWEU, dient vooraf te worden uitgemaakt of – en in voorkomend geval in hoeverre – een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting en/of het vrij verkeer van kapitaal kan belemmeren.

52      In casu volgt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten betrekking heeft op financiële diensten die worden verstrekt door kredietinstellingen met maatschappelijke zetel buiten Kroatië en die niet beschikken over de daartoe naar nationaal recht vereiste vergunningen en/of toestemmingen van de bevoegde Kroatische autoriteiten.

53      In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat dergelijke transacties van bedrijfsmatig verstrekken van kredieten in beginsel zowel verband houden met de vrijheid van dienstverrichting in de zin van de artikelen 56 VWEU en volgende als met de vrijheid van kapitaalverkeer in de zin van de artikelen 63 VWEU en volgende (arrest van 22 november 2018, Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank, C‑625/17, EU:C:2018:939, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      Wanneer een nationale maatregel zowel met het vrij verrichten van diensten als met het vrij verkeer van kapitaal verband houdt, moet worden onderzocht in hoeverre de uitoefening van die fundamentele vrijheden wordt belemmerd en of, in de omstandigheden van het hoofdgeding, een van die vrijheden voorrang heeft boven de andere. Het Hof onderzoekt de betrokken maatregel in beginsel slechts uit het oogpunt van een van deze twee vrijheden indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România, C‑602/10, EU:C:2012:443, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55      Aangezien in het hoofdgeding volgens de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten, overeenkomsten die in Kroatië zijn gesloten door een onbevoegde kredietgever met maatschappelijke zetel buiten die lidstaat nietig zijn, heeft een dergelijke rechtsregeling tot gevolg dat de toegang tot het verrichten van financiële diensten op de Kroatische markt wordt belemmerd voor marktdeelnemers die in een andere lidstaat zijn gevestigd en die niet voldoen aan de in die regeling gestelde eisen en tast zij in de eerste plaats de vrijheid van dienstverrichting aan. Aangezien de beperkingen die deze regeling meebrengt voor de vrijheid van kapitaalverkeer slechts een onvermijdelijk gevolg van de beperking van het vrij verrichten van diensten zijn (arrest van 3 oktober 2006, Fidium Finanz, C‑452/04, EU:C:2006:631, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak), hoeft niet te worden nagegaan of zij verenigbaar is met de artikelen 63 VWEU en volgende.

56      Derhalve moet de vraag uitsluitend in het licht van de artikelen 56 VWEU en volgende betreffende het vrij verrichten van diensten worden onderzocht, op basis van het uitgangspunt dat de betrokken overeenkomst in Kroatië is gesloten. Dit is een feitenkwestie die echter door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan.

 Artikel 56 VWEU

57      Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat het in artikel 56 VWEU verankerde vrije verkeer van diensten niet alleen de afschaffing van iedere discriminatie van de in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter op grond van diens nationaliteit voorschrijft, maar tevens de opheffing van iedere beperking – ook indien deze zonder onderscheid voor binnenlandse dienstverrichters en voor dienstverrichters uit andere lidstaten geldt – die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd en aldaar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht, verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt (arrest van 18 juli 2013, Citroën Belux, C‑265/12, EU:C:2013:498, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58      Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het verstrekken van kredieten door een kredietinstelling een dienst in de zin van artikel 56 VWEU is (arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România, C‑602/10, EU:C:2012:443, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59      Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing volgt dat in de nietigheid van met een onbevoegde kredietgever gesloten kredietovereenkomsten in de Kroatische rechtsorde is voorzien zowel in de wet inzake consumentenkrediet, zoals gewijzigd, als in de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten. Die twee wetten hebben echter niet dezelfde werkingssfeer. De werkingssfeer van de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten is ruimer, aangezien deze wet volgens artikel 1, lid 1, ervan van toepassing is op alle kredietovereenkomsten, met inbegrip van voor beroepsdoeleinden gesloten kredietovereenkomsten. De wet inzake consumentenkrediet, zoals gewijzigd, ziet daarentegen enkel op consumentenovereenkomsten.

60      Voorts volgt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat voor de periode tussen 1 juli 2013, de datum van toetreding van de Republiek Kroatië tot de Unie, en 30 september 2015, de datum van inwerkingtreding van de wet inzake consumentenkrediet, zoals gewijzigd, die nietigheid alleen ingevolge de retroactieve toepassing van de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten geldt voor kredietovereenkomsten die zijn gesloten door onbevoegde kredietgevers die hun zetel buiten Kroatië hebben.

61      Uit de uitlegging die de Vrhovni sud heeft gegeven aan de wet inzake consumentenkrediet, zoals gewijzigd, is de sanctie van nietigheid van met een onbevoegde kredietgever gesloten kredietovereenkomsten voor consumenten krachtens die wet namelijk niet met terugwerkende kracht van toepassing op situaties die dateren van vóór de inwerkingtreding ervan, te weten 30 september 2015.

62      Aangezien de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten in een uitzonderingsregeling voorziet voor bepaalde financiële diensten naargelang de kredietgever zijn zetel heeft in een andere lidstaat dan die waar de dienst wordt verricht, moet dus worden vastgesteld dat in het Kroatische recht buiten Kroatië gevestigde kredietgevers direct werden gediscrimineerd tot en met 30 september 2015, vanaf welke datum de nietigheid van met een onbevoegde kredietgever gesloten kredietovereenkomsten werd uitgebreid tot overeenkomsten die waren gesloten met in die lidstaat gevestigde kredietgevers.

63      Daar vanaf die datum de nietigheidsregeling zonder onderscheid voor alle onbevoegde kredietgevers geldt, brengt de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten voor die periode een beperking van de vrijheid van dienstverrichting mee.

64      Volgens de rechtspraak van het Hof omvat het begrip „beperking” namelijk de door een lidstaat genomen maatregelen die, hoewel zij zonder onderscheid toepasselijk zijn, de toegang tot de markt voor marktdeelnemers van andere lidstaten ongunstig beïnvloeden (arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România, C‑602/10, EU:C:2012:443 punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu wordt in de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten aan kredietgevers die hun zetel buiten Kroatië hebben voor de toegang tot de Kroatische markt voor financiële diensten als voorwaarde gesteld dat zij beschikken over een vergunning van de Kroatische nationale bank. Daardoor wordt de toegang tot die markt minder aantrekkelijk en maakt die wet inbreuk op de door artikel 56 VWEU gewaarborgde vrijheid.

65      Bijgevolg dient ten eerste te worden nagegaan of de aan de vaststelling van die wet ten grondslag liggende doelstellingen een afwijking in de zin van artikel 52 VWEU kunnen rechtvaardigen en, ten tweede, of die wet beantwoordt aan dwingende redenen van algemeen belang, mits zij in een dergelijk geval geschikt is om het ermee beoogde doel te bereiken en niet verder gaat dan daartoe noodzakelijk is (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Citroën Belux, C‑265/12, EU:C:2013:498, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66      Wat om te beginnen de periode gaande van de datum van toetreding van de Republiek Kroatië tot de Unie tot 30 september 2015 betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat, voor zover de restrictieve regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, direct discriminerend is, zij enkel gerechtvaardigd zou kunnen worden uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid, gronden die zijn neergelegd in artikel 52 VWEU, waarnaar artikel 62 VWEU verwijst (zie in die zin met name arresten van 9 september 2010, Engelmann, C‑64/08, EU:C:2010:506, punt 34; 22 oktober 2014, Blanco en Fabretti, C‑344/13 en C‑367/13, EU:C:2014:2311, punt 38, en 28 januari 2016, Laezza, C‑375/14, EU:C:2016:60, punt 26).

67      Op een dergelijke rechtvaardigingsgrond kan slechts een beroep worden gedaan indien een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging bestaat die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (arrest van 21 januari 2010, Commissie/Duitsland, C‑546/07, EU:C:2010:25, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68      Uit de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van de Kroatische regering volgt dat de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten is vastgesteld om een groot aantal Kroatische burgers te beschermen die kredietovereenkomsten hadden gesloten met kredietgevers die hun activiteit uitoefenden zonder daartoe naar behoren te zijn gemachtigd door de Kroatische nationale bank. In dat verband heeft de Kroatische regering aangegeven dat tussen 2000 en 2010 ongeveer 3 000 kredietovereenkomsten zijn gesloten door onbevoegde kredietgevers, voor een totaalbedrag van ongeveer 360 miljoen EUR. Die regeling is vastgesteld als laatste redmiddel, nadat bij meerdere eerdere wetgevingshandelingen vergeefs was getracht de gevolgen van dergelijke overeenkomsten te verhelpen, wat de terugwerkende kracht van de wet zou rechtvaardigen. Die regeling zou dus tot doel hebben de openbare orde te bewaren, de reputatie en de ordelijke werking van de financiële sector te verzekeren, de zwakkere contractspartij en met name de rechten van consumenten te beschermen.

69      Gelet op de doelstellingen die worden nagestreefd met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, dient te worden opgemerkt dat de Kroatische regering zich weliswaar beroept op het begrip „openbare orde”, doch zij geen enkel overtuigend element aanvoert dat kan vallen onder dat begrip, dat, zoals in punt 67 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, het bestaan veronderstelt van een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, daar economische overwegingen bovendien geen rechtvaardiging kunnen vormen voor een afwijking in de zin van artikel 52 VWEU (zie naar analogie arrest van 21 januari 2010, Commissie/Duitsland, C‑546/07, EU:C:2010:25, punt 51).

70      Vervolgens dient te worden nagegaan in hoeverre de beperkingen die de betrokken nietigheidsregeling meebrengt, kunnen worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang in de zin van de in punt 64 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, voor de periode vanaf 30 september 2015.

71      In dat verband moet worden vastgesteld dat de Republiek Kroatië onder meer dwingende redenen van algemeen belang aanvoert die reeds in de rechtspraak van het Hof zijn erkend, te weten de regels van beroepsethiek ter bescherming van degenen te wier behoeve diensten worden verricht (arrest van 25 juli 1991, Collectieve Antennevoorziening Gouda, C‑288/89, EU:C:1991:323, punt 14), de goede reputatie van de financiële sector (arrest van 10 mei 1995, Alpine Investments, C‑384/93, EU:C:1995:126, punt 44) en de bescherming van consumenten (arrest van 18 juli 2013, Citroën Belux, C‑265/12, EU:C:2013:498, punt 38).

72      Evenwel dient ook eraan te worden herinnerd dat een lidstaat naast de rechtvaardigingsgronden die hij kan aanvoeren, passend bewijs of een analyse van de geschiktheid en de evenredigheid van de door hem genomen beperkende maatregel alsmede precieze gegevens ter onderbouwing van zijn argumenten moet overleggen. Het staat aan de lidstaat die zich wil beroepen op een doel dat de uit een beperkende nationale maatregel voortvloeiende belemmering van de vrijheid van dienstverrichting kan rechtvaardigen, de rechterlijke instantie die zich hierover dient uit te spreken alle gegevens te verstrekken aan de hand waarvan deze zich ervan kan vergewissen dat deze maatregel voldoet aan de vereisten van het evenredigheidsbeginsel (zie naar analogie arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 85).

73      Daar dergelijke bewijzen ontbreken, moet worden vastgesteld dat de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten duidelijk de grenzen overschrijdt van wat nodig is ter bereiking van de doelen die met deze wet worden nagestreefd, aangezien aan de hand van een algemene en automatische bepaling met terugwerkende kracht krachtens deze wet alle kredietovereenkomsten met internationale aspecten die zijn gesloten met onbevoegde kredietgevers nietig zijn, met uitzondering van die welke in hun geheel zijn volbracht.

74      Bovendien moet met de Europese Commissie worden opgemerkt dat andere maatregelen, die de vrije dienstverrichting minder belemmeren, hadden kunnen worden vastgesteld om een rechtmatigheidstoetsing van de kredietovereenkomsten en de bescherming van de zwakkere partij mogelijk te maken, te weten met name regelingen die de bevoegde autoriteiten machtigen om, na een kennisgeving of ambtshalve, op te treden in geval van oneerlijke handelspraktijken of inbreuk op de rechten van consumenten.

75      Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 56 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat als die in het hoofdgeding, die met name tot gevolg heeft dat de kredietovereenkomsten en de daarop gebaseerde rechtshandelingen, die zijn gesloten op het grondgebied van die lidstaat tussen een kredietnemer en een in een andere lidstaat gevestigde kredietgever die niet beschikt over een door de bevoegde autoriteiten van de eerste lidstaat afgegeven vergunning voor het uitoefenen van hun activiteit op het grondgebied daarvan, nietig zijn vanaf de datum van sluiting ervan, zelfs indien zij vóór de inwerkingtreding van die regeling zijn gesloten.

 Tweede vraag

76      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 1, en artikel 25 van verordening nr. 1215/2012 zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat als die in het hoofdgeding, volgens welke bij geschillen die verband houden met kredietovereenkomsten met internationale aspecten die binnen de werkingssfeer van die verordening vallen, de kredietnemer de onbevoegde kredietgever kan dagen hetzij voor een rechter van de staat waar die kredietgever zijn maatschappelijke zetel heeft, hetzij voor een rechter van de plaats waar de kredietnemer zijn woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, en alleen de rechter van de staat waar die kredietnemer zijn woonplaats heeft, kennis mag nemen van de vordering die de onbevoegde kredietgever instelt tegen de kredietnemer, ongeacht of deze laatste een consument dan wel een onderneming is.

77      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verordening nr. 1215/2012 van toepassing is op vorderingen die zijn ingesteld vanaf 10 januari 2015. Daar de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering is ingesteld op 23 april 2015 en zij betrekking heeft – gelet op de rechtsbetrekking tussen de partijen in het hoofdgeding, de grondslag en de voorwaarden voor de uitoefening ervan – op burgerlijke en handelszaken in de zin van artikel 1, lid 1, van die verordening, zijn de bepalingen van die verordening in casu van toepassing.

78      Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, heeft de kredietnemer krachtens artikel 8, leden 1 en 2, van de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten het recht om te kiezen tussen de rechter van de staat waar de onbevoegde kredietgever zijn maatschappelijke zetel heeft en die waar hijzelf zijn woonplaats heeft, terwijl de kredietgever zich moet wenden tot de rechter waar de kredietnemer zijn woonplaats heeft.

79      Volgens artikel 1, lid 1, van de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten, is deze wet van toepassing op dergelijke overeenkomsten die in Kroatië zijn gesloten tussen een kredietnemer en een onbevoegde kredietgever, zonder in aanmerking te nemen of de kredietnemer een consument dan wel een onderneming is.

80      Aangezien artikel 8, leden 1 en 2, van die wet ook van toepassing is op geschillen tussen ondernemingen, moet worden vastgesteld dat het afwijkt van de algemene bevoegdheidsregel van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, te weten die van de woonplaats van de verweerder, aangezien dit artikel de werkingssfeer van de meest beschermende bevoegdheidsregels – waarin artikel 18, lid 1, van die verordening, bij wijze van uitzondering, uitsluitend ten voordele van consumenten voorziet – uitbreidt naar alle kredietnemers.

81      In het stelsel van verordening nr. 1215/2012 geldt het algemene beginsel dat de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, bevoegd zijn. Slechts bij wijze van uitzondering op dit beginsel voorziet die verordening in een limitatieve opsomming van de gevallen waarin de verweerder kan of moet worden opgeroepen voor het gerecht van een andere lidstaat (zie in die zin arrest van 25 januari 2018, Schrems, C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 27). Wanneer een lidstaat in zijn nationaal recht voorziet in bevoegdheidsregels die afwijken van dit algemene beginsel en waarin niet is voorzien in een andere bepaling van die verordening, handelt hij in strijd met de bij die verordening ingestelde regeling en meer in het bijzonder met artikel 4 ervan.

82      Artikel 25 van verordening nr. 1215/2012 erkent onder bepaalde voorwaarden de rechtmatigheid van overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegd gerecht die partijen hebben gesloten om te bepalen welke rechter van een lidstaat bevoegd is om kennis te nemen van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan. In dat verband dient te worden opgemerkt dat uit de artikelen 17 tot en met 19 van verordening nr. 1215/2012 volgt dat de bevoegdheid om kennis te nemen van een geschil betreffende een door een consument gesloten overeenkomst in beginsel wordt bepaald op basis van diezelfde bepalingen en, overeenkomstig artikel 25, lid 4, van die verordening bedingen tot aanwijzing van een bevoegd gerecht slechts op een dergelijke overeenkomst kunnen worden toegepast indien zij niet strijdig zijn met het bepaalde in artikel 19 van die verordening.

83      Uit de bewoordingen van artikel 8 van de wet op de nietigheid van kredietovereenkomsten met internationale aspecten lijkt te volgen – de verwijzende rechter dient dit evenwel na te gaan – dat de daarbij ingevoerde bevoegdheidsregels van toepassing zijn, ook indien er vrijwillig overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegd gerecht zijn gesloten die beantwoorden aan de vereisten van artikel 25 van verordening nr. 1215/2012.

84      Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, en artikel 25 van verordening nr. 1215/2012 zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat als die in het hoofdgeding, volgens welke bij geschillen die verband houden met kredietovereenkomsten met internationale aspecten die binnen de werkingssfeer van die verordening vallen, de kredietnemer de onbevoegde kredietgever kan dagen hetzij voor een rechter van de staat waar die kredietgever zijn maatschappelijke zetel heeft, hetzij voor een rechter van de plaats waar de kredietnemer zijn woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, en alleen de rechter van de staat waar de kredietnemer zijn woonplaats heeft, kennis mag nemen van de vordering die de onbevoegde kredietgever instelt tegen de kredietnemer, ongeacht of deze laatste een consument dan wel een onderneming is.

 Derde vraag

85      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een kredietnemer die een kredietovereenkomst heeft gesloten om een onroerend goed waarin hij woont te renoveren, met name om er accommodatie aan toeristen aan te bieden, kan worden aangemerkt als „consument” in de zin van die bepaling.

86      Om te beginnen dient te worden herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke aan de in verordening nr. 1215/2012 gebruikte begrippen, inzonderheid die in artikel 17, lid 1, ervan, een autonome uitlegging moet worden gegeven, waarbij vooral te rade moet worden gegaan bij het stelsel en de doelstellingen van die verordening, teneinde de uniforme toepassing daarvan in alle lidstaten te verzekeren (zie in die zin arrest van 25 januari 2018, Schrems, C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 28).

87      Het begrip „consument” in de zin van de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 1215/2012 moet restrictief worden uitgelegd, door aansluiting te zoeken bij de positie van deze persoon in een bepaalde overeenkomst, rekening houdend met de aard en het doel van deze overeenkomst, en niet bij de subjectieve situatie van deze persoon, aangezien eenzelfde persoon voor sommige verrichtingen als consument en voor andere verrichtingen als marktdeelnemer kan worden beschouwd (zie in die zin arrest van 25 januari 2018, Schrems, C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

88      Onder de in de voormelde verordening opgenomen bijzondere regeling ter bescherming van de consument die als de zwakke partij wordt beschouwd, vallen dus enkel overeenkomsten die, los en onafhankelijk van enige beroepsmatige activiteit of doelstelling, uitsluitend worden gesloten om te voorzien in de consumptiebehoeften van een persoon als particulier, terwijl deze bescherming in geval van overeenkomsten met een beroepsmatig doel niet gerechtvaardigd is (arrest van 25 januari 2018, Schrems, C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89      Die bijzondere bescherming vindt evenmin rechtvaardiging in geval van overeenkomsten die een – zij het ook voor de toekomst bedoelde – beroepsactiviteit tot doel hebben, aangezien het toekomstige karakter van een activiteit niets afdoet aan de bedrijfs- of beroepsmatige aard ervan (arrest van 3 juli 1997, Benincasa, C‑269/95, EU:C:1997:337, punt 17).

90      De bijzondere bevoegdheidsregels van de artikelen 17 tot en met 19 van verordening nr. 1215/2012 zijn bijgevolg in beginsel enkel van toepassing indien de overeenkomst tussen partijen voor een niet-beroepsmatig gebruik van het betrokken goed of de betrokken dienst is gesloten (zie in die zin arrest van 25 januari 2018, Schrems, C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

91      Wat meer in het bijzonder een persoon betreft die een overeenkomst met een tweeledig doel sluit voor een gebruik dat gedeeltelijk betrekking heeft op zijn beroepsactiviteit en gedeeltelijk op particulier gebruik, heeft het Hof geoordeeld dat die persoon zich enkel op de voormelde bepalingen kan beroepen indien deze overeenkomst dermate losstaat van de beroepsactiviteit van de betrokkene dat het verband marginaal wordt en bijgevolg in het kader van de verrichting, in haar totaliteit beschouwd, waarvoor deze overeenkomst is gesloten, slechts een onbetekenende rol speelt (arrest van 25 januari 2018, Schrems, C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92      De verwijzende rechter moet in het licht van deze beginselen bepalen of, in het kader van de bij hem aanhangige zaak, Milivojević kan worden aangemerkt als „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012. Daartoe moet de nationale rechter niet alleen rekening houden met de inhoud, de aard en het doel van de overeenkomst, maar tevens met de objectieve omstandigheden waarin deze tot stand is gekomen (arrest van 20 januari 2005, Gruber, C‑464/01, EU:C:2005:32, punt 47).

93      In dat verband kan de verwijzende rechter in aanmerking nemen dat Milivojević verklaart dat zij de betrokken kredietovereenkomst heeft gesloten met het oog op de renovatie van haar huis om er met name voor verhuur bestemde appartementen in te richten, zonder evenwel uit te sluiten dat een deel van het geleende bedrag is gebruikt voor privédoeleinden. In dergelijke omstandigheden volgt uit de in punt 91 in herinnering gebrachte rechtspraak dat enkel kan worden aangenomen dat Milivojević de betrokken overeenkomst heeft gesloten als consument indien het verband tussen die overeenkomst en de beroepsactiviteit, te weten het verstrekken van accommodatie aan toeristen, zo marginaal en onbetekenend is dat het evident is dat zij in de eerste plaats voor privédoeleinden is gesloten.

94      Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een kredietnemer die een kredietovereenkomst heeft gesloten om een onroerend goed waarin hij woont te renoveren, met name om er accommodatie aan toeristen aan te bieden, niet kan worden aangemerkt als „consument” in de zin van die bepaling, tenzij deze overeenkomst, gelet op de context van de verrichting – in haar totaliteit beschouwd – waarvoor zij is gesloten, dermate losstaat van die beroepsactiviteit dat het evident is dat die overeenkomst in de eerste plaats voor privédoeleinden is gesloten, wat door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan.

 Vierde vraag

95      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een vordering tot nietigheid van een kredietovereenkomst en van een notariële akte betreffende een hypotheek die is gevestigd tot zekerheid van de nakoming van de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichting, alsook tot doorhaling in het kadaster van de hypotheek die op een onroerend goed rust, een vordering inzake „zakelijke rechten op onroerende goederen” in de zin van die bepaling is.

96      Uit de bewoordingen van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 volgt dat de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is exclusief bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen met betrekking tot zakelijke rechten op onroerende goederen, ongeacht de woonplaats van partijen.

97      Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet op autonome wijze worden bepaald welke betekenis de uitdrukking „ten aanzien van zakelijke rechten op onroerende goederen” heeft in het Unierecht, teneinde de eenvormige toepassing van dit begrip in alle lidstaten te waarborgen (zie in die zin arresten van 3 april 2014, Weber, C‑438/12, EU:C:2014:212, punt 40, en 17 december 2015, Komu e.a., C‑605/14, EU:C:2015:833, punt 23).

98      Het Hof heeft ook geoordeeld dat de bepalingen van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 niet ruimer mogen worden uitgelegd dan het doel ervan verlangt. Die bepalingen hebben immers tot gevolg dat partijen worden beroofd van de forumkeuze die hun anders zou toekomen, en dat zij in bepaalde gevallen worden gedaagd voor een rechter die ten aanzien van geen van hen de rechter van de woonplaats is (zie in die zin arrest van 16 november 2016, Schmidt, C‑417/15, EU:C:2016:881, punt 28).

99      Voorts heeft het Hof gepreciseerd dat de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen, niet alle mogelijke rechtsvorderingen omvat die een zakelijk recht op onroerende goederen betreffen, maar alleen die welke zowel vallen binnen de werkingssfeer van genoemde verordening, als behoren tot de rechtsvorderingen die ertoe strekken de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op dit onroerend goed vast te stellen en de rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden bevoegdheden te verzekeren (arrest van 16 november 2016, Schmidt, C‑417/15, EU:C:2016:881, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100    Ook zij in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het verschil tussen een zakelijk recht en een persoonlijk recht hierin bestaat dat het eerste, dat op een zaak rust, werking heeft jegens iedereen, terwijl het tweede alleen tegenover de schuldenaar geldend kan worden gemaakt (arrest van 16 november 2016, Schmidt, C‑417/15, EU:C:2016:881, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

101    Daar het vorderingen betreft tot nietigheid van de betrokken overeenkomst en van de notariële akte betreffende de vestiging van een hypotheek, moet in casu worden vastgesteld dat zij zich baseren op een persoonlijk recht dat alleen kan worden ingeroepen tegen de verweerder. Die vorderingen vallen dus niet binnen de werkingssfeer van de exclusieve bevoegdheidsregel van artikel 24, punt 1, van verordening nr. 1215/2012.

102    Wat daarentegen de vordering tot doorhaling in het kadaster van de inschrijving van een hypotheek betreft, moet worden opgemerkt dat de hypotheek, nadat zij naar behoren is gevestigd overeenkomstig de in de toepasselijke nationale regeling neergelegde inhoudelijke en vormvoorschriften, een zakelijk recht is met gevolgen erga omnes.

103    Een dergelijke vordering, waarmee wordt beoogd de bevoegdheden veilig te stellen die voortvloeien uit een zakelijk recht, valt overeenkomstig artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 onder de exclusieve bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is (arrest van 16 november 2016, Schmidt, C‑417/15, EU:C:2016:881, punt 41).

104    Daaraan moet worden toegevoegd dat, aangezien het gerecht van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is exclusief bevoegd is voor de vordering tot doorhaling in het kadaster van de inschrijving van een hypotheek, dat gerecht op basis van samenhang krachtens artikel 8, lid 4, van verordening nr. 1215/2012 ook een niet-exclusieve rechterlijke bevoegdheid heeft om kennis te nemen van vorderingen tot nietigheid van de kredietovereenkomst en van de notariële akte betreffende de vestiging van die hypotheek, aangezien die vorderingen zijn ingesteld tegen dezelfde verweerder en, zoals blijkt uit de gegevens in het dossier waarover het Hof beschikt, kunnen worden gevoegd.

105    Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een vordering tot doorhaling in het kadaster van een hypotheek die op een onroerend goed rust, een vordering inzake „zakelijke rechten op onroerende goederen” in de zin van die bepaling is, maar een vordering tot nietigheid van een kredietovereenkomst en van een notariële akte betreffende een hypotheek die is gevestigd tot zekerheid van de nakoming van de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichting, niet onder dat begrip valt.

 Kosten

106    Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat als die in het hoofdgeding, die met name tot gevolg heeft dat de kredietovereenkomsten en de daarop gebaseerde rechtshandelingen, die zijn gesloten op het grondgebied van die lidstaat tussen een kredietnemer en een in een andere lidstaat gevestigde kredietgever die niet beschikt over een door de bevoegde autoriteiten van de eerste lidstaat afgegeven vergunning voor het uitoefenen van zijn activiteit op het grondgebied daarvan, nietig zijn vanaf de datum van sluiting ervan, zelfs indien zij vóór de inwerkingtreding van die regeling zijn gesloten.

2)      Artikel 4, lid 1, en artikel 25 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, verzetten zich tegen een regeling van een lidstaat als die in het hoofdgeding, volgens welke bij geschillen die verband houden met kredietovereenkomsten met internationale aspecten die binnen de werkingssfeer van die verordening vallen, de kredietnemer de kredietgever aan wie de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat geen vergunning hebben verstrekt om zijn activiteit op het grondgebied van deze lidstaat uit te oefenen, kan dagen hetzij voor een rechter van de staat waar die kredietgever zijn maatschappelijke zetel heeft, hetzij voor een rechter van de plaats waar de kredietnemer zijn woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, en alleen de rechter van de staat waar de kredietnemer zijn woonplaats heeft, kennis mag nemen van de vordering die de onbevoegde kredietgever instelt tegen de kredietnemer, ongeacht of deze laatste een consument dan wel een onderneming is.

3)      Artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat een kredietnemer die een kredietovereenkomst heeft gesloten om een onroerend goed waarin hij woont te renoveren, met name om er accommodatie aan toeristen aan te bieden, niet kan worden aangemerkt als „consument” in de zin van die bepaling, tenzij deze overeenkomst, gelet op de context van de verrichting – in haar totaliteit beschouwd – waarvoor zij is gesloten, dermate losstaat van die beroepsactiviteit dat het evident is dat die overeenkomst in de eerste plaats voor privédoeleinden is gesloten, wat door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan.

4)      Artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat een vordering tot doorhaling in het kadaster van een hypotheek die op een onroerend goed rust, een vordering inzake „zakelijke rechten op onroerende goederen” in de zin van die bepaling is, maar een vordering tot nietigheid van een kredietovereenkomst en van een notariële akte betreffende een hypotheek die is gevestigd tot zekerheid van de nakoming van de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichting, niet onder dat begrip valt.

ondertekeningen


*      Procestaal: Kroatisch.