Language of document : ECLI:EU:C:2019:182

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

G. HOGAN

van 7 maart 2019 (1)

Zaak C32/18

Tiroler Gebietskrankenkasse

tegen

Michael Moser

[verzoek van het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Verzoek om een prejudiciële beslissing – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Artikel 5 – Verordening (EG) nr. 987/2009 – Artikel 60 – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Gezinsbijslag – Recht op het verschil tussen de in de bij voorrang bevoegde lidstaat ontvangen ouderschapsuitkering en de kinderverzorgingsuitkering van de subsidiair bevoegde lidstaat”






I.      Inleiding

1.        Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft in hoofdzaak de uitlegging van artikel 60, lid 1, tweede volzin, van verordening (EG) nr. 987/2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.(2) Het Hof wordt ook verzocht aan te geven welk „inkomen” in aanmerking moet worden genomen om het bedrag van de gevorderde gezinsbijslag te berekenen.

2.        Het verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Michael Moser en de Tiroler Gebietskrankenkasse (regionaal ziekenfonds Tirol, Oostenrijk) betreffende zijn verzoek om betaling van het verschil tussen het zogenoemde „Elterngeld” (de Duitse ouderschapsuitkering) en het zogenoemde „Kinderbetreuungsgeld” (de Oostenrijkse kinderverzorgingsuitkering). Alvorens in te gaan op de feiten van deze zaak, dienen eerst de relevante wettelijke regelingen te worden weergegeven.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

1.      Verordening nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(3)

3.        De overwegingen 9, 10, 11 en 12 van verordening nr. 883/2004 luiden als volgt:

„(9)      Het Hof van Justitie heeft meermalen advies gegeven over de mogelijkheid van gelijke behandeling van uitkeringen, inkomsten en feiten. Dit beginsel moet uitdrukkelijk worden aangenomen en nader ontwikkeld, waarbij de inhoud en de geest van rechterlijke vonnissen in acht moet worden genomen.

(10)      Het beginsel dat bepaalde feiten of gebeurtenissen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat voordoen, worden behandeld alsof zij zich hebben voorgedaan op het grondgebied van de lidstaat waarvan de wetgeving van toepassing is, mag evenwel geen invloed hebben op het beginsel dat tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst, of van wonen die zijn vervuld op grond van de wetgeving van een andere lidstaat, worden samengeteld met de tijdvakken die zijn vervuld op grond van de wetgeving van de bevoegde lidstaat. Op grond van de wetgeving van in een andere lidstaat vervulde tijdvakken mogen derhalve alleen in aanmerking worden genomen door toepassing van het beginsel van samentelling van tijdvakken, etc.

(11)      De gelijkstelling van feiten of gebeurtenissen die zich in een lidstaat voordoen kan in geen geval tot gevolg hebben dat een andere lidstaat bevoegd is, of dat diens wetgeving van toepassing wordt.

(12)      Ten behoeve van de evenredigheid moet ervoor worden gezorgd dat het beginsel van gelijkstelling van feiten of gebeurtenissen niet tot objectief ongerechtvaardigde resultaten leidt, noch tot samenloop van prestaties van dezelfde aard tijdens hetzelfde tijdvak.”

4.        Artikel 4 van verordening nr. 883/2004 heeft als opschrift „Gelijke behandeling” en bepaalt: „Tenzij in deze verordening anders bepaald, hebben personen op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.”

5.        Artikel 5 van verordening nr. 883/2004 heeft als opschrift „Gelijkstelling van prestaties, inkomsten, feiten en gebeurtenissen” en bepaalt:

„Tenzij in deze verordening anders bepaald en rekening houdend met de bijzondere uitvoeringsbepalingen, geldt het volgende:

a)      indien de wetgeving van de bevoegde lidstaat bepaalde rechtsgevolgen toekent aan socialezekerheidsprestaties of andere inkomsten, zijn de betreffende bepalingen van die wetgeving ook van toepassing op gelijkgestelde prestaties die krachtens de wetgeving van een andere lidstaat toegekend zijn alsmede op de inkomsten die in een andere lidstaat verworven zijn;

b)      indien de wetgeving van de bevoegde lidstaat rechtsgevolgen toekent aan bepaalde feiten of gebeurtenissen, houdt die lidstaat rekening met soortgelijke feiten of gebeurtenissen die zich in een andere lidstaat voordoen alsof zij zich op het eigen grondgebied hebben voorgedaan.”

6.        Artikel 6 van verordening nr. 883/2004 luidt: „Tenzij in deze verordening anders bepaald, houdt het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wetgeving het verkrijgen, het behoud, de duur of het herstel van het recht op prestaties, de toepassing van een wetgeving, of de toegang tot of de ontheffing van de verplichte, vrijwillig voortgezette of vrijwillige verzekering, afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, voor zover nodig, rekening met de overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, alsof die tijdvakken overeenkomstig de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld.”

7.        Hoofdstuk 8 van titel III van verordening nr. 883/2004 heeft betrekking op de gezinsuitkeringen. Artikel 67, met als titel „Gezinsleden die in een andere lidstaat wonen”, bepaalt:

„Een persoon heeft recht op gezinsbijslag overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde lidstaat, ook voor de gezinsleden die in een andere lidstaat wonen, alsof deze in eerstbedoelde lidstaat woonden. Een pensioengerechtigde heeft echter recht op gezinsbijslag overeenkomstig de wetgeving van de lidstaten die bevoegd zijn voor zijn pensioen.”

8.         In hetzelfde hoofdstuk voorziet artikel 68 in prioriteitsregels voor samenloop van aanspraken:

„1. Indien gedurende hetzelfde tijdvak en voor dezelfde gezinsleden in uitkeringen is voorzien op grond van de wetgeving van meer dan een lidstaat, zijn de volgende prioriteitsregels van toepassing:

a)      indien door meer dan een lidstaat uitkeringen verschuldigd zijn op verschillende gronden, is de volgorde van prioriteit de volgende: eerst de rechten verkregen op grond van werkzaamheden, al dan niet in loondienst, vervolgens de rechten verkregen op grond van een pensioen, en ten slotte de rechten op grond van de woonplaats;

b)      indien door meer dan een lidstaat uitkeringen verschuldigd zijn op dezelfde grond, wordt de volgorde van prioriteit vastgesteld op basis van de volgende subsidiaire criteria:

i)      indien het gaat om rechten die verkregen zijn op grond van werkzaamheden, al dan niet in loondienst: de woonplaats van de kinderen, mits er dergelijke werkzaamheden worden verricht, en subsidiair, in voorkomend geval, het hoogste bedrag aan uitkeringen waarin de betrokken wetgevingen voorzien. In dat laatste geval worden de kosten van de uitkeringen verdeeld volgens in de toepassings-verordening bepaalde criteria;

[...]

2. Bij samenloop van rechten worden de gezinsuitkeringen toegekend overeenkomstig de wetgeving die volgens lid 1 als prioritair is aangemerkt. De rechten op gezinsuitkeringen die verschuldigd zijn op grond van de andere betrokken wetgeving of wetgevingen, worden geschorst ter hoogte van het bedrag dat bij de wetgeving van de eerste lidstaat is vastgesteld en, zo nodig, wordt het deel dat dit bedrag overschrijdt uitbetaald in de vorm van een aanvullende toeslag. [...]”

2.      Verordening nr. 987/2009

9.        Artikel 60, lid 1, van verordening nr. 987/2009 bepaalt:

„De aanvraag om gezinsuitkeringen wordt gericht aan het bevoegde orgaan. Voor de toepassing van de artikelen 67 en 68 van de basisverordening [nr. 883/2004] wordt rekening gehouden met de situatie van het gehele gezin alsof alle betrokkenen onderworpen zijn aan de wetgeving van de betrokken lidstaat en er verblijven, vooral wat het recht van een persoon om deze uitkeringen aan te vragen betreft. [...]”

B.      Oostenrijks recht

1.      Wet op de kinderverzorgingsuitkering

10.      De verwijzende rechter merkt op dat het Kinderbetreuungsgeldgesetz (Oostenrijkse wet op de kinderverzorgingsuitkering; hierna: „KBGG”)(4) het „Kinderbetreuungsgeld” (hierna: „kinderverzorgingsuitkering”) oorspronkelijk opvatte als een gezinsbijslag. Sindsdien wordt deze uitkering echter als een forfaitair bedrag toegekend, los van elke voorafgaande beroepsactiviteit. Aanvankelijk konden rechthebbenden kiezen uit drie varianten, waarbij telkens een forfaitair bedrag werd uitgekeerd voor het tijdvak tot aan het einde van de 30e respectievelijk de 36e, de 20e respectievelijk de 24e of de 15e respectievelijk de 18e levensmaand van het kind. De hoogte van het forfaitaire bedrag hing af van de gekozen variant (duur van de uitkering). Bij een in BGBl. I 116/2009 gepubliceerde wet werd in het KBGG niet alleen een vierde forfaitaire variant (12 + 2 maanden) toegevoegd maar ook een recht op kinderverzorgingsuitkering in de plaats van inkomsten uit arbeid ingevoerd. Het bedrag van deze laatste uitkering is afhankelijk van de vroegere inkomsten uit arbeid.

11.      § 6, lid 3, KBGG (in de versie die is gepubliceerd in BGBl. I 116/2009) bepaalt:

„Het recht op kinderverzorgingsuitkering wordt, voor zover een recht op vergelijkbare buitenlandse gezinsbijslagen bestaat, geschorst ter hoogte van de buitenlandse bijslagen. Het verschil tussen de vergelijkbare buitenlandse gezinsbijslagen en de kinderverzorgingsuitkering wordt na beëindiging van de buitenlandse gezinsbijslagen met de kinderverzorgingsuitkering verrekend.”

12.      § 24 KBGG (in de versie die is gepubliceerd in BGBl. I 117/2013) bepaalt:

„(1)      Een ouder [...] heeft uit hoofde van dit hoofdstuk recht op een kinderverzorgingsuitkering voor zijn of haar kind [...] indien:

1.      is voldaan aan de desbetreffende voorwaarden in de zin van § 2, lid 1, punten 1, 2, 4 en 5,

2.      de betrokken ouder in de laatste 6 maanden voorafgaande aan de geboorte van het kind waarvoor aanspraak op kinderverzorgingsuitkering wordt gemaakt, ononderbroken een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend in de zin van lid 2, en in dat tijdvak geen uitkering uit hoofde van de werkloosheidsverzekering heeft ontvangen, waarbij onderbrekingen van in totaal niet meer dan 14 kalenderdagen geen afbreuk doen aan het recht op uitkering.

(2)      Voor de toepassing van deze federale wet wordt onder beroepsactiviteit verstaan de daadwerkelijke uitoefening van een in Oostenrijk aan de sociale zekerheid onderworpen beroepsactiviteit.

[...]”

13.      § 24a KBGG (in de versie die is gepubliceerd in BGBl. I 139/2011) bepaalt:

„(1)      „De kinderverzorgingsuitkering bedraagt per dag

1.       voor een vrouw die een zwangerschapsuitkering (‚Wochengeld’) ontvangt, 80 % van de zwangerschapsuitkering per kalenderdag die volgens de Oostenrijkse regelgeving verschuldigd is naar aanleiding van de geboorte van het kind waarvoor kinderverzorgingsuitkering wordt aangevraagd.

[...]

3.      voor een vader, [...] 80 % van de fictief te berekenen zwangerschapsuitkering per kalenderdag die verschuldigd zou zijn aan een vrouw in zijn plaats naar aanleiding van de geboorte van het kind waarvoor kinderverzorgingsuitkering wordt aangevraagd;

(2)      De kinderverzorgingsuitkering volgens lid 1 bedraagt in elk geval ten minste het bedrag per dag in de zin van lid 1, punt 5, echter ten hoogste 66 EUR per dag.”

14.      § 24b KBGG (in de versie die is gepubliceerd in BGBl. I 116/2009) bepaalt dat „[i]ndien slechts één van de ouders kinderverzorgingsuitkering [...] ontvangt, [...] deze uitkering ten laatste verschuldigd [is] tot het einde van de 12e levensmaand van het kind. Indien ook de tweede ouder kinderverzorgingsuitkering ontvangt, wordt de uitkeringsduur verlengd met de periode waarvoor de tweede ouder kinderverzorgingsuitkering ontvangt, echter ten laatste tot het einde van de 14e levensmaand van het kind. Als tijdvakken van ontvangst gelden uitsluitend tijdvakken waarin de uitkering daadwerkelijk is ontvangen.”

2.      Algemene wet op de sociale zekerheid

15.      § 162, lid 3, van het Allgemeine Sozialversicherungsgesetz (Oostenrijkse algemene wet op de sociale zekerheid) bepaalt:

„De zwangerschapsuitkering is verschuldigd ter hoogte van het percentage per kalenderdag van het in de laatste 13 weken (de laatste 3 maanden) voorafgaande aan het begin van het recht op moederschapsuitkering behaalde arbeidsinkomen, verminderd met de wettelijke inhoudingen [...].”

III. Feiten van het hoofdgeding

16.      Het echtpaar Moser woont met hun twee dochters in Duitsland. Mevrouw Moser werkt sinds 1 juli 1996 als grensarbeidster in Oostenrijk. De heer Moser heeft sinds 1992 in Duitsland een dienstverband als werknemer.

17.      Na de geboorte van de tweede dochter op 29 augustus 2013 trof mevrouw Moser met haar Oostenrijkse werkgever een regeling inzake „Karenz” (Oostenrijks ouderschapsverlof) voor de periode tot 28 mei 2015. Verwerende partij, de Tiroler Gebietskrankenkasse, betaalde aan mevrouw Moser een toeslag ter compensatie van het verschil met de Oostenrijkse inkomensafhankelijke kinderverzorgingsuitkering voor de tweede dochter. Die toeslag bedroeg 785,84 EUR voor het tijdvak van 188 dagen van 25 oktober 2013 tot en met 30 april 2014 en 129,58 EUR voor het tijdvak van 31 dagen van 1 tot en met 31 mei 2014.

18.      De heer Moser nam zijnerzijds van 29 juni tot en met 28 augustus 2014 „Elternzeit” (Duits ouderschapsverlof) om voor de tweede dochter te zorgen en ontving daarvoor in Duitsland een ouderschapsuitkering („Elterngeld”) ter hoogte van 3 600 EUR.

19.      Mevrouw Moser eiste in een eerste procedure bij het Landesgericht Innsbruck (rechter in eerste aanleg Innsbruck, Oostenrijk), optredend als rechter voor zaken op het gebied van arbeidsrecht en sociaal recht, een bijkomende toeslag ter aanvulling van de kinderverzorgingsuitkering voor de tijdvakken van 25 oktober 2013 tot en met 28 juni 2014, respectievelijk 29 augustus tot en met 28 oktober 2014. Die vordering werd toegewezen. De heer Moser eiste in een tweede procedure bij dezelfde rechter een toeslag ter compensatie van het verschil met de inkomensafhankelijke kinderverzorgingsuitkering ter hoogte van 66 EUR per dag voor het tijdvak van zijn Duits ouderschapsverlof van 29 juni tot en met 28 augustus 2014.

20.      De twee procedures zijn gevoegd ter gezamenlijke behandeling en uitspraak. De procedure van mevrouw Moser is beëindigd bij uitspraak van 20 december 2017. Met betrekking tot haar verzoek om een aanvullende toeslag is er een definitieve beslissing tot toewijzing ervan. Daarentegen werd de vordering van de heer Moser door het Landesgericht Innsbruck, optredend als rechter voor zaken op het gebied van arbeidsrecht en sociaal recht, afgewezen.

21.      In hogere voorziening wijzigde het Oberlandesgericht Innsbruck (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaten Vorarlberg en Tirol, Innsbruck, Oostenrijk) de uitspraak van het Landesgericht Innsbruck. Deze rechter gelastte de Tiroler Gebietskrankenkasse aan de heer Moser een toeslag te betalen ter compensatie van het verschil met de inkomensafhankelijke kinderverzorgingsuitkering ter hoogte van 29,86 EUR per dag voor het tijdvak van 29 juni tot en met 28 augustus 2014, in totaal 1 821,46 EUR. Zijn vordering werd afgewezen voor het overige, waartegen Moser niet is opgekomen.

22.      Tegen laatstgenoemd arrest heeft de Tiroler Gebietskrankenkasse beroep tot Revision ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk). Zij verzoekt de vorderingen in hun geheel af te wijzen. De vraag is dus of de heer Moser recht heeft op betaling van het verschil tussen de Duitse ouderschapsuitkering en de Oostenrijkse inkomensafhankelijke kinderverzorgingsuitkering voor het tijdvak van zijn Duitse ouderschapsverlof van 29 juni tot en met 28 augustus 2014.

23.      Volgens de heer Moser volgt de subsidiaire bevoegdheid van Oostenrijk uit het nog steeds bestaande dienstverband van zijn echtgenote met een Oostenrijkse werkgever. § 24, lid 2, KBGG zou in strijd zijn met het Unierecht indien deze bepaling aldus werd opgevat dat zij de daadwerkelijke uitoefening van een in Oostenrijk aan de sociale zekerheid onderworpen beroepsactiviteit verlangt.

24.      De Tiroler Gebietskrankenkasse betwist dat zij een compenserende toeslag moet betalen. De vader voldoet volgens haar niet aan de desbetreffende nationale voorwaarden, aangezien hij gedurende het tijdvak van 6 maanden voorafgaande aan de geboorte van de tweede dochter niet ononderbroken een aan de sociale zekerheid onderworpen beroepsactiviteit of een daarmee gelijkgestelde activiteit heeft uitgeoefend. Verordening nr. 883/2004 zou slechts van toepassing zijn wanneer meerdere rechten in verschillende staten met elkaar gecoördineerd moeten worden. In casu zou het grensoverschrijdende element in de zin van die verordening ontbreken.

25.      De verwijzende rechter wijst erop dat het Oberste Gerichtshof reeds heeft geoordeeld dat de uit § 24, lid 1, punt 2, juncto § 24, lid 2, KBGG voortvloeiende beperking tot beroepsactiviteiten die uitsluitend in Oostenrijk worden uitgeoefend en aldaar aan de sociale zekerheid zijn onderworpen, indruist tegen het Unierecht.

26.      Bovendien gaat de verwijzende rechter ervan uit dat de heer Moser de in het nationale recht vastgestelde temporele voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen, betreffende een tijdvak van ontvangst van minimaal twee maanden (§ 5, lid 4, KBGG) en een ononderbroken uitoefening van een beroepsactiviteit gedurende ten minste zes maanden voorafgaande aan de geboorte van het kind (§ 24, lid 1, punt 1, en lid 2, KBGG), vervult.

27.      In die context heeft het Oberste Gerichtshof twijfels betreffende de uitlegging van de relevante bepalingen van verordening nr. 883/2004 en verordening nr. 987/2009. Met betrekking tot de situatie van het gezin Moser staan twee vragen ter discussie.

28.      Ten eerste moet worden nagegaan of, voor zover artikel 60, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 987/2009 verlangt dat de situatie van het gehele gezin in aanmerking wordt genomen, een vader volgens het Unierecht recht heeft op een toeslag ter compensatie van het verschil met de Oostenrijkse inkomensafhankelijke kinderverzorgingsuitkering, indien Oostenrijk als lidstaat van arbeid van de moeder slechts subsidiair bevoegd is en de moeder al een dergelijke compensatietoeslag van deze lidstaat heeft ontvangen. Ten tweede rijst de vraag of de volgens artikel 5 van verordening nr. 883/2004 vereiste gelijkstelling van prestaties, inkomsten, feiten en gebeurtenissen ervoor pleit dat het in Duitsland behaalde inkomen van de heer Moser als basis moet dienen voor de berekening van de inkomensafhankelijke kinderverzorgingsuitkering en de compensatietoeslag.

IV.    Prejudicieel verzoek en procedure bij het Hof

29.      In die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Dient artikel 60, lid 1, tweede volzin, van verordening [...] nr. 987/2009 [...] aldus te worden uitgelegd dat een subsidiair bevoegde lidstaat (Oostenrijk) een ouder die woont en werkt in een volgens artikel 68, lid 1, onder b), punt i), van verordening [...] nr. 883/2004 [...] bij voorrang bevoegde lidstaat (Duitsland) als gezinsbijslag een toeslag dient te betalen ter compensatie van het verschil tussen de in de bij voorrang bevoegde lidstaat ontvangen ouderschapsuitkering (‚Elterngeld’) en de inkomensafhankelijke kinderverzorgingsuitkering (‚Kinderbetreuungsgeld’) van de andere lidstaat indien beide ouders met de gezamenlijke kinderen in de bij voorrang bevoegde lidstaat wonen en slechts één van de ouders als grensarbeider in de subsidiair bevoegde lidstaat werkt?

Voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

2)      Is de hoogte van de inkomensafhankelijke kinderverzorgingsuitkering afhankelijk van het in de lidstaat van arbeid (Duitsland) daadwerkelijk behaalde inkomen of van het inkomen dat in de subsidiair bevoegde lidstaat (Oostenrijk) met een vergelijkbare werkzaamheid hypothetisch kan worden behaald?”

30.      Verzoeker en verweerster in het hoofdgeding, de Tsjechische en de Oostenrijkse regering, alsook de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.

31.      Verzoeker, de Oostenrijkse regering en de Europese Commissie hebben eveneens pleidooi gehouden ter terechtzitting van het Hof van 30 januari 2019.

V.      Analyse

32.      Onverminderd de wijze waarop het Hof de eerste vraag mogelijkerwijs beantwoordt, stel ik voor, zoals door het Hof is gevraagd, mijn opmerkingen in deze conclusie te beperken tot de tweede vraag van het Oberste Gerichtshof.

33.      In de zaak Bergström heeft het Hof een soortgelijke kwestie onderzocht.(5) In die zaak heeft het Hof geoordeeld dat het bedrag van een gezinsbijslag voor een persoon die de voor de verkrijging van dat recht vereiste tijdvakken van beroepsactiviteit volledig op het grondgebied van een andere lidstaat heeft vervuld, moet worden berekend op basis van de hypothetische inkomsten van een persoon die beschikt over een vergelijkbare beroepservaring en -bekwaamheid en die een vergelijkbare activiteit uitoefent op het grondgebied van de lidstaat waarin de betrokken bijslag wordt aangevraagd.

34.      De volgens artikel 5 van verordening nr. 883/2004 vereiste gelijkstelling van prestaties, inkomsten, feiten en gebeurtenissen kan er volgens de verwijzende rechter evenwel op wijzen dat het in Duitsland behaalde inkomen van de heer Moser ten grondslag moet worden gelegd aan de berekening van de inkomensafhankelijke kinderverzorgingsuitkering en de compensatietoeslag. Ik ben het evenwel niet eens met die uitlegging. Ik ben van mening dat de in het arrest Bergström van 15 december 2011 ontwikkelde redenering ook doorslaggevend is voor de afdoening van deze zaak. Iedere andere conclusie zou voorbijgaan aan de gevolgen van dat vroegere arrest zonder enige wettelijke of feitelijke basis daartoe.(6)

A.      Arrest van 15 december 2011, Bergström (C257/10, EU:C:2011:839)

35.      Zoals ik zojuist heb aangegeven, heeft het Hof in het arrest Bergström van 15 december 2011 geweigerd in een derde land verkregen inkomsten gelijk te stellen met de binnenlandse inkomsten die volgens de desbetreffende nationale wetgeving als grondslag dienden voor de berekening van het bedrag van de gezinsbijslag waar om werd verzocht.

36.      In die zaak was de verzoekende partij een Zweedse onderdaan die in Zwitserland woonde en daar tot de geboorte van haar dochter in 2002 een beroepsactiviteit uitoefende. Zij is vervolgens met haar echtgenoot teruggekeerd naar Zweden. Haar echtgenoot is daar gaan werken, terwijl zij thuis bleef om voor haar dochter te zorgen. Zij heeft vervolgens om een ouderschapstoelage verzocht op basis van het inkomen uit haar vroegere beroepsactiviteit in Zwitserland.

37.      Volgens de toepasselijke nationale wetgeving was het bedrag van de betreffende gezinsbijlage gelijk aan de volgens de regels van de ziekteverzekering berekende dagvergoedingen. Deze gezinsbijslag was afhankelijk van het jaarlijkse beroepsinkomen van de sociaal verzekerde.

38.      Volgens het Hof moest in een dergelijke situatie voor de berekening van het bedrag van de gezinsbijslagen van die bijzondere categorie dan ook rekening worden gehouden met de relevante bepalingen inzake de afdeling „ziekte” van de sociale zekerheid die waren vastgesteld in de op dat tijdstip toepasselijke verordening, namelijk verordening (EEG) nr. 1408/71.(7)

39.      Volgens artikel 23 van verordening (EEG) nr. 1408/71 wordt het inkomen vastgesteld ofwel op basis van inkomsten die zijn verworven tijdens onder de wettelijke regeling van het bevoegde orgaan vervulde tijdvakken, ofwel op basis van vaste inkomsten voor de onder die wettelijke regeling vervulde tijdvakken (dat wil zeggen, in het geval van Bergström, volgens de Zweedse wetgeving).

40.      Aangezien Bergström tijdens de referentieperiode geen inkomen ontving in Zweden, heeft het Hof voor recht verklaard dat „ter verzekering van het nuttig effect van [...] artikel 72 van verordening nr. 1408/71, en om te voldoen aan het in [...] artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 neergelegde vereiste van gelijke behandeling, het referentie-inkomen van Bergström [moet] worden berekend op basis van de inkomsten van een persoon die in Zweden een activiteit uitoefent die vergelijkbaar is met die van Bergström en die beschikt over een eveneens vergelijkbare beroepservaring en -bekwaamheid”.(8)

41.      De kern van het arrest Bergström betreft echter de afwijzing door het Hof van het argument dat verordening nr. 1408/71 ertoe leidde dat de Zwitserse inkomsten van Bergström werden gelijkgesteld met de binnenlandse inkomsten die in Zweden als grondslag dienden voor de berekening van het bedrag van de aangevraagde gezinsbijslag. Aangezien Bergström geen in dit verband relevante Zweedse inkomsten had, diende dit referentie-inkomen volgens het Hof, ter verzekering van het nuttig effect van de algemene bepalingen van verordening nr. 1408/71 en om te voldoen aan het in artikel 3, lid 1, van de verordening neergelegde vereiste van gelijke behandeling, te worden berekend op basis van de hypothetische inkomsten van een hypothetische Zweedse werknemer die over dezelfde beroepsbekwaamheid en -ervaring beschikte.

B.      Toepassing daarvan op deze zaak

42.      Ter onderstreping van het belang van de slotsom waartoe het Hof in het arrest Bergström is gekomen, moet eraan worden herinnerd dat de bepalingen die het Hof als basis heeft genomen voor die uitspraak, namelijk artikel 3, lid 1, artikel 23 en artikel 72 van verordening nr. 1408/71, nog steeds van toepassing zijn met betrekking tot verordening nr. 883/2004.(9)

43.      Dat de heer Moser niet van Duitsland naar Oostenrijk is verhuisd, in tegenstelling tot Bergström die van Zwitserland naar Zweden was verhuisd, wijzigt niets aan die benadering. Beslissend in de zaak Bergström was niet het feit dat verzoekster in die zaak haar recht van vrij verkeer had uitgeoefend. Veeleer betrof het cruciale gegeven in de redenering van het Hof het feit dat Bergströms reële Zwitserse inkomsten niet in aanmerking konden worden genomen voor de berekening van de Zweedse gezinsbijslag. De juridische kwestie waar het om gaat is in de twee situaties dus vergelijkbaar: de bijslag wordt bepaald overeenkomstig de regels voor de zwangerschapsuitkering (zoals in het hoofdgeding) of de ziekteverzekeringsuitkering (zoals in de zaak Bergström), die beide zelf afhankelijk zijn van de vroegere inkomsten van de betrokkene en worden geregeld door dezelfde bepalingen van verordening nr. 883/2004.(10)

44.      Het is juist dat artikel 5 van verordening nr. 883/2004 volgens de verwijzende rechter mogelijkerwijs aangeeft dat de door de heer Moser in Duitsland verdiende inkomsten, dat wil zeggen zijn „reëel” inkomen, de basis moet vormen voor de berekening van de inkomensafhankelijke kinderverzorgingsuitkering en de compensatietoeslag. Artikel 5, onder b), van verordening nr. 883/2004 bepaalt dat „indien de wetgeving van de bevoegde lidstaat rechtsgevolgen toekent aan bepaalde feiten of gebeurtenissen, [...] die lidstaat rekening houdt met soortgelijke feiten of gebeurtenissen die zich in een andere lidstaat voordoen alsof zij zich op het eigen grondgebied hebben voorgedaan”.

45.      Erkend moet worden dat die bepaling niet was opgenomen in verordening nr. 1408/71. Artikel 5 van verordening nr. 883/2004 is evenwel louter een verduidelijking van het in artikel 4 van die verordening neergelegde beginsel van gelijke behandeling.

46.      Vanuit dat oogpunt laat die bepaling de berekening van het bedrag van gezinsbijslagen mijns inziens onverlet, althans wat deze zaak betreft. Dienaangaande moet worden beklemtoond dat overweging 10 van verordening nr. 883/2004 uitdrukkelijk preciseert dat „[h]et beginsel dat bepaalde feiten of gebeurtenissen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat voordoen, worden behandeld alsof zij zich hebben voorgedaan op het grondgebied van de lidstaat waarvan de wetgeving van toepassing is, evenwel geen invloed [mag] hebben op het beginsel dat tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst, of van wonen die zijn vervuld op grond van de wetgeving van een andere lidstaat, worden samengeteld met de tijdvakken die zijn vervuld op grond van de wetgeving van de bevoegde lidstaat”.(11) Dat stemt precies overeen met het in artikel 72 van verordening nr. 1408/71 neergelegde beginsel dat het Hof in het arrest Bergström van 15 december 2011 (C‑257/10, EU:C:2011:839, punt 52) heeft toegepast en dat thans in artikel 6 van verordening nr. 883/2004 is vastgelegd.

47.      Artikel 67 van verordening nr. 883/2004 bepaalt met betrekking tot gezinsbijslagen bovendien dat „[e]en persoon [...] recht heeft op gezinsbijslag overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde lidstaat, ook voor de gezinsleden die in een andere lidstaat wonen, alsof deze in eerstbedoelde lidstaat woonden”.(12)

48.      In een zaak zoals de onderhavige, waarin artikel 67 van verordening nr. 883/2004 moet worden toegepast, mag evenmin niet over het hoofd worden gezien dat artikel 60 van verordening nr. 987/2009 bepaalt dat „ rekening [wordt] gehouden met de situatie van het gehele gezin alsof alle betrokkenen onderworpen zijn aan de wetgeving van de betrokken lidstaat en er verblijven, vooral wat het recht van een persoon om deze uitkeringen aan te vragen betreft”.(13)

49.      Uit het gebruik van het woord „vooral” in deze context blijkt duidelijk dat de opsomming van omstandigheden in die bepaling niet bedoeld is uitputtend te zijn.

50.      Bovendien waarborgt deze uitlegging van artikel 5 van verordening nr. 883/2004 en artikel 60 van verordening nr. 987/2004 het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel van de betrokken lidstaat, aangezien de hoogste inkomens uit andere lidstaten irrelevant zijn.(14) Zij is ook in overeenstemming met overweging 12 van verordening nr. 883/2004, waarin wordt gepreciseerd dat het beginsel van gelijkstelling van feiten of gebeurtenissen niet tot objectief ongerechtvaardigde resultaten mag leiden.

51.      Gelet op alles wat voorafgaat kom ik – naar rechtstreekse analogie met de redenering in het arrest Bergström – tot de slotsom dat het voor de berekening van het bedrag van de Oostenrijkse gezinsbijslag in aanmerking te nemen referentie-inkomen van de heer Moser niet moet worden berekend op basis van wat hij werkelijk verdiende in Duitsland, maar wel op basis van de inkomsten die een werknemer met een vergelijkbare beroepsbekwaamheid en -ervaring hypothetisch had kunnen verdienen in de lidstaat met subsidiaire bevoegdheid (in casu Oostenrijk).

VI.    Conclusie

52.      Derhalve geef ik het Hof in overweging de tweede prejudiciële vraag van het Oberste Gerichtshof als volgt te beantwoorden:

„Het inkomensafhankelijke ,Kinderbetreuungsgeld’ (Oostenrijkse kinderverzorgingsuitkering) dient te worden berekend op basis van het inkomen dat met een vergelijkbare werkzaamheid hypothetisch zou kunnen worden verkregen in de subsidiair bevoegde lidstaat.”


1      Oorspronkelijke taal: Engels.


2      PB 2009, L 284, blz. 1.


3      PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1.


4      Bundesgesetzblatt (BGBl.) I 103/2001.


5      Arrest van 15 december 2011, Bergström, C‑257/10, EU:C:2011:839.


6      Ik wijs er eveneens op dat geen van de partijen die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, tegenwerpingen heeft gemaakt aangaande eventuele moeilijkheden wat de berekening van die bedragen betreft.


7      Verordening van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1386/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 (PB 2001, L 187, blz. 1).


8      Arrest van 15 december 2011, Bergström, C‑257/10, EU:C:2011:839, punt 52.


9      Zie respectievelijk de artikelen 4, 21 en 6 van verordening nr. 883/2004.


10      Zie verordening nr. 883/2004, titel III, hoofdstuk 1, „Prestaties bij ziekte, en moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen”.


11      Cursivering van mij.


12      Cursivering van mij.


13      Cursivering van mij.


14      Ook kan worden opgemerkt dat er geen risico bestaat dat het financiële evenwicht van het Oostenrijkse socialezekerheidsstelsel ernstig wordt ondermijnd, aangezien het bedrag van de Oostenrijkse kinderverzorgingsuitkering onderworpen is aan een wettelijke bovengrens.