Language of document : ECLI:EU:C:2018:710

Gevoegde zaken C54/17 en C55/17

Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato

tegen

Wind Tre SpA en Vodafone Italia SpA

(verzoeken om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Consiglio di Stato)

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 2005/29/EG – Oneerlijke handelspraktijken – Artikel 3, lid 4 – Werkingssfeer – Artikelen 5, 8 en 9 – Agressieve handelspraktijken – Bijlage I, punt 29 – Handelspraktijken die onder alle omstandigheden agressief zijn – Niet-gevraagde levering – Richtlijn 2002/21/EG – Richtlijn 2002/22/EG – Telecommunicatiediensten – Verkoop van simkaarten (Subscriber Identity Module cards, abonnee-identiteitsmodulekaarten) met bepaalde vooraf geïnstalleerde en geactiveerde diensten – Geen voorafgaande informatieverstrekking aan de consument”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 13 september 2018

1.        Bescherming van de consument – Oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten – Richtlijn 2005/29 – Agressieve handelspraktijken – Handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd – Niet-gevraagde levering – Begrip – Verkoop van simkaarten zonder de consument vooraf en op passende wijze op de hoogte te stellen van de vooraf daarop geïnstalleerde en geactiveerde diensten of de kosten daarvan – Daaronder begrepen

(Richtlijn 2005/29 van het Europees Parlement en de Raad, art. 8 en bijlage I, punt 29)

2.        Bescherming van de consument – Oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten – Richtlijn 2005/29 – Werkingssfeer – Niet-gevraagde levering van elektronische communicatiediensten – Daaronder begrepen – Nationale regeling die de beoordeling van een handelwijze bestaande in een niet-gevraagde levering onderwerpt aan de bepalingen van richtlijn 2005/29 en dus aan de bevoegdheid van een nationale regelgevende instantie met sectoroverschrijdende bevoegdheden, zodat de nationale regelgevende instantie in de zin van richtlijn 2002/21 niet bevoegd is om een dergelijke handelwijze te bestraffen – Toelaatbaarheid

(Richtlijnen van het Europees Parlement en de Raad 2002/21, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140, 2002/22, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, art. 1, lid 4, en 20, lid 1, en 2005/29, art. 3, lid 4, en bijlage I, punt 29)

1.      Het begrip „niet-gevraagde levering” in de zin van punt 29 van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Richtlijn oneerlijke handelspraktijken) moet aldus worden uitgelegd dat daaronder, onder voorbehoud van door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, mede handelwijzen vallen als die in de hoofdgedingen, die erin bestaan dat een telecommunicatie-exploitant simkaarten (Subscriber Identity Module cards, abonnee-identiteitsmodulekaarten) in de handel brengt waarop vooraf bepaalde functionaliteiten, zoals internet- en voicemaildiensten, zijn geïnstalleerd en geactiveerd zonder dat de gebruiker van tevoren naar behoren over dit vooraf installeren en activeren of over de kosten van die diensten is geïnformeerd.

(zie punt 56, dictum 1)

2.      Artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een handelwijze als die welke aan de orde is in de hoofdgedingen, die een niet-gevraagde levering in de zin van punt 29 van bijlage I bij richtlijn 2005/29 vormt, moet worden getoetst aan de bepalingen van die richtlijn, zodat op grond van die regeling de nationale regelgevende instantie in de zin van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, niet bevoegd is om een dergelijke handelwijze te bestraffen.

In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29 bepaalt dat in geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze richtlijn en andere voorschriften van de Unie betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken, laatstgenoemde voorschriften prevaleren en van toepassing zijn op deze specifieke aspecten. Het begrip „strijdigheid” duidt, zoals de advocaat-generaal in de punten 124 en 126 van zijn conclusie heeft opgemerkt, op een verhouding tussen de betrokken bepalingen die verder gaat dan louter een ongelijkheid of een verschil en houdt een onderscheid in dat niet kan worden overbrugd via een eenvormige formulering op basis waarvan beide situaties naast elkaar kunnen bestaan zonder dat wordt afgedaan aan het bestaande onderscheid. Bijgevolg is van strijdigheid als bedoeld in artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29 enkel sprake wanneer andere bepalingen dan die van deze richtlijn, die specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken regelen, handelaren zonder enige manoeuvreerruimte verplichtingen opleggen die onverenigbaar zijn met die welke zijn neergelegd in richtlijn 2005/29.

Hoewel artikel 20, lid 1, van de universeledienstrichtlijn de dienstverlener verplicht om in het contract bepaalde informatie te verstrekken op het gebied van elektronische communicatie, bevat noch die bepaling, noch enige andere bepaling van die richtlijn regels betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken, zoals de ongevraagde levering in de zin van punt 29 van bijlage I bij richtlijn 2005/29. Bovendien moet worden opgemerkt dat artikel 1, lid 4, van de universeledienstrichtlijn bepaalt dat de bepalingen in deze richtlijn betreffende de rechten van eindgebruikers gelden onverminderd de voorschriften van de Unie inzake consumentenbescherming en de nationale voorschriften die met het recht van de Unie in overeenstemming zijn. Hieruit volgt dat wat de rechten van eindgebruikers betreft, er geen strijdigheid bestaat tussen de bepalingen van richtlijn 2005/29 en de regels van de universeledienstrichtlijn.

(zie punten 58, 60, 61, 66‑68, 70, dictum 2)