Language of document :

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 6 december 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Cassatie - België) – tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen IK

(Zaak C-551/18 PPU)1

(Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Europees aanhoudingsbevel en procedures van overlevering tussen de lidstaten – Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een vrijheidsstraf – Inhoud en vorm – Artikel 8, lid 1, onder f) – Geen vermelding van de bijkomende straf – Geldigheid – Consequenties – Gevolgen voor de detentie)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van Cassatie

Partij in het hoofdgeding

IK

Dictum

Artikel 8, lid 1, onder f), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat het niet-vermelden, in het Europees aanhoudingsbevel op grondslag waarvan de overlevering van de betrokkene heeft plaatsgevonden, van de bijkomende straf van terbeschikkingstelling waartoe deze persoon is veroordeeld wegens hetzelfde strafbare feit en bij dezelfde rechterlijke uitspraak als die inzake de tot vrijheidsbeneming strekkende hoofdstraf, zich er in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet tegen verzet dat de uitvoering van deze bijkomende straf, bij het verstrijken van de hoofdstraf en nadat de voor de strafuitvoering bevoegde nationale rechterlijke instantie een formele beslissing daartoe heeft gegeven, tot vrijheidsbeneming leidt.

____________

1 PB C 16 van 14.1.2019.