Language of document : ECLI:EU:T:2019:155

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

12 maart 2019 (*)

„ELGF – Van de financiering uitgesloten uitgaven – Door Italië gedane uitgaven – Tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie – Verordening (EG) nr. 320/2006 – Verordening (EG) nr. 968/2006 – Verordening (EG) nr. 1290/2005 – Termijn van 24 maanden – Begrip ,meerjarenmaatregel’ – Voorwaarden voor de toekenning van herstructureringssteun – Begrip ,productie-installatie’ – Kwalificatie van silo’s – Begrip ,volledige ontmanteling’ – Bijlage 2 bij document VI/5330/97 – Moeilijkheden bij de uitlegging van de Unieregeling – Loyale samenwerking – Gewettigd vertrouwen – Ne bis in idem – Slachtpremies – Voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten – Te late betalingen – Bewijs voor het bestaan van bijzondere omstandigheden bij het beheer – Gelijke behandeling – Vertaalfout in een van de taalversies van een Unieverordening – Toerekenbaarheid van de financiële correctie aan de lidstaat”

In zaak T‑135/15

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door C. Colelli, avvocato dello Stato,

verzoekende partij,

ondersteund door

Franse Republiek, vertegenwoordigd door D. Colas en S. Horrenberger als gemachtigden,

en door

Hongarije, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en G. Koós als gemachtigden,

interveniënten,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door D. Bianchi, P. Ondrůšek en I. Galindo Martín, vervolgens door Bianchi en Ondrůšek als gemachtigden,

verwerende partij,

betreffende een vordering gebaseerd op artikel 263 VWEU en strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2015/103 van de Commissie van 16 januari 2015 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2015, L 16, blz. 33), voor zover dit besluit betrekking heeft op bepaalde uitgaven van de Italiaanse Republiek,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, J. Schwarcz en C. Iliopoulos (rapporteur), rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 september 2017,

het navolgende

Arrest

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 320/2006

1        De Raad van de Europese Unie heeft verordening (EG) nr. 320/2006 van 20 februari 2006 tot instelling van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Europese Gemeenschap en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 2006, L 58, blz. 42) vastgesteld. Verordening nr. 320/2006 is verschillende malen gewijzigd, laatstelijk bij verordening (EG) nr. 72/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 320/2006, (EG) nr. 1405/2006, (EG) nr. 1234/2007, (EG) nr. 3/2008 en (EG) nr. 479/2008 en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1883/78, (EEG) nr. 1254/89, (EEG) nr. 2247/89, (EEG) nr. 2055/93, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 2596/97, (EG) nr. 1182/2005 en (EG) nr. 315/2007 (PB 2009, L 30, blz. 1). Verordening nr. 320/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 72/2009, is van toepassing op de feiten van de onderhavige zaak.

2        Overwegingen 1 en 5 van verordening nr. 320/2006 luiden als volgt:

„(1)      [...] Om het communautaire systeem voor de productie van en de handel in suiker aan te passen aan de internationale eisen en het concurrentievermogen van dat systeem in de toekomst te garanderen moet een proces van ingrijpende herstructurering op gang worden gebracht dat leidt tot een aanzienlijke inkrimping van de onrendabele productiecapaciteit in de Gemeenschap. Daartoe dient, als een noodzakelijke voorwaarde voor het behoorlijk functioneren van de nieuwe gemeenschappelijke marktordening voor suiker, een afzonderlijke en autonome tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Gemeenschap te worden ingesteld. [...]

(5)      Aan de minst productieve suiker producerende ondernemingen dient door middel van passende herstructureringssteun een belangrijke economische stimulans te worden gegeven om van hun quotumproductie af te zien. Daarom moet herstructureringssteun worden ingevoerd waarvan een stimulans uitgaat om de quotumproductie van suiker definitief te beëindigen en afstand te doen van het betrokken quotum, dat tezelfdertijd toelaat om terdege rekening te houden met het respect voor de sociale- en milieuverbintenissen verbonden aan het beëindigen van productie. Deze steun dient gedurende vier verkoopseizoenen beschikbaar te worden gesteld met het doel de productie te doen dalen in de mate die nodig is om in de Gemeenschap tot een evenwichtige marktsituatie te komen.”

3        Artikel 1 van verordening nr. 320/2006, „Tijdelijk herstructureringsfonds”, bepaalt:

„1. Hierbij wordt het tijdelijk fonds voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Gemeenschap (hierna „herstructureringsfonds” genoemd) opgericht. [...]

Het herstructureringsfonds maakt deel uit van de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw. Met ingang van 1 januari 2007 zal het deel uitmaken van het Europees Landbouwgarantiefonds.

2. Het herstructureringsfonds financiert de uitgaven die voortvloeien uit de in de artikelen 3, 6, 7, 8 en 9 vastgestelde maatregelen.

[...]

4. Deze verordening geldt niet voor de in artikel 299, lid 2, van het Verdrag bedoelde ultraperifere gebieden.”

4        Artikel 3 van verordening nr. 320/2006, „Herstructureringssteun”, bepaalt:

„1.      Een suiker, isoglucose of inulinestroop producerende onderneming waaraan uiterlijk op 1 juli 2006 [...] een quotum is toegekend, heeft recht op herstructureringssteun per ton quotum waarvan afstand wordt gedaan, mits zij in een van de verkoopseizoenen 2006/2007, 2007/2008, 2008/2009 en 2009/2010:

a)      afstand doet van het door haar aan een of meer van haar fabrieken toegekende quotum en de productie-installaties van de betrokken fabrieken volledig ontmantelt

of

b)      afstand doet van het door haar aan een of meer van haar fabrieken toegekende quotum, de productie-installaties van de betrokken fabrieken gedeeltelijk ontmantelt en het productieterrein en de resterende productie-installaties van de betrokken fabrieken niet gebruikt voor de productie van producten die onder de gemeenschappelijke marktordening voor suiker vallen

[...]

3.      Bij de volledige ontmanteling van de productie-installaties moet c.q. moeten:

a)      de productie van suiker, isoglucose en inulinestroop definitief en volledig worden gestaakt door de betrokken productie-installatie,

b)      de fabriek of fabrieken worden gesloten en de productie-installaties daarvan binnen de in artikel 4, lid 2, onder d), bedoelde periode worden ontmanteld

en

c)      het fabrieksterrein in milieuopzicht worden gesaneerd en het elders tewerkstellen van de betrokken werknemers worden vergemakkelijkt binnen de in artikel 4, lid 2, onder f), bedoelde periode. [...]

4.      Bij de gedeeltelijke ontmanteling van productie-installaties moet c.q. moeten:

a)      de betrokken productie van suiker, isoglucose en inulinestroop definitief en volledig worden gestaakt door de betrokken productie-installatie,

b)      de voor de productie van de onder a) bedoelde producten bestemde en gebruikte productie-installaties die niet voor de nieuwe productie zullen worden gebruikt, worden ontmanteld [...],

c)      het fabrieksterrein in milieuopzicht worden gesaneerd en het elders tewerkstellen van de betrokken werknemers worden vergemakkelijkt binnen de in artikel 4, lid 2, onder f), bedoelde periode [...].

5.      Het bedrag van de herstructureringssteun per ton quotum waarvan afstand wordt gedaan, bedraagt:

a)      in het in lid 1, onder a), bedoelde geval:

–        730,00 [EUR] voor het verkoopseizoen 2006/2007,

–        730,00 [EUR] voor het verkoopseizoen 2007/2008,

–        625,00 [EUR] voor het verkoopseizoen 2008/2009,

–        520,00 [EUR] voor het verkoopseizoen 2009/2010.

b)      in het in lid 1, onder b), bedoelde geval:

–        547,50 [EUR] voor het verkoopseizoen 2006/2007,

–        547,50 [EUR] voor het verkoopseizoen 2007/2008,

–        468,75 [EUR] voor het verkoopseizoen 2008/2009,

–        390,00 [EUR] voor het verkoopseizoen 2009/2010.

[...]”

5        Voorts luidt artikel 4 van verordening nr. 320/2006, „Aanvraag voor herstructureringssteun”:

„1. De aanvragen voor herstructureringssteun worden bij de betrokken lidstaat ingediend uiterlijk op 31 januari van het verkoopseizoen vóór het verkoopseizoen waarin afstand moet worden gedaan van het quotum.

[...]

2. De aanvragen voor herstructureringssteun omvatten:

a)      een herstructureringsplan;

[...]

c)      een verbintenis om in het betrokken verkoopseizoen af te zien van het desbetreffende quotum;

d)      in het in artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde geval, een verbintenis om de productie-installaties volledig te ontmantelen binnen de door de betrokken lidstaat vast te stellen periode;

e)      in het in artikel 3, lid 1, onder b), bedoelde geval, een verbintenis om de productie-installaties gedeeltelijk te ontmantelen binnen de door de betrokken lidstaat vast te stellen periode en het productieterrein en de resterende productie-installaties niet te gebruiken voor de productie van producten die onder de gemeenschappelijke marktordening voor suiker vallen;

[...]

3.      Het in lid 2, onder a), bedoelde herstructureringsplan omvat ten minste het volgende:

[...]

c)      een volledige technische beschrijving van de betrokken productie-installaties,

d)      een bedrijfsplan met de werkwijze, het tijdschema en de kosten voor de sluiting van de fabriek of fabrieken en de volledige of gedeeltelijke ontmanteling van de productie-installaties,

[...]

h)      een financieel plan met alle kosten in verband met het herstructureringsplan.”

6        Artikel 5 van verordening nr. 320/2006, „Besluit over de herstructureringssteun en controles”, bepaalt:

„1.      Uiterlijk eind februari voorafgaande aan het in artikel 3, lid 2, bedoelde verkoopseizoen nemen de lidstaten een besluit over de toekenning van de herstructureringssteun. Het besluit voor het verkoopseizoen 2006/2007 wordt evenwel uiterlijk op 30 september 2006 genomen.

[...]

2.      De herstructureringssteun wordt toegekend indien de lidstaat na grondige verificatie heeft vastgesteld dat:

–        de aanvraag de in artikel 4, lid 2, bedoelde elementen omvat;

–        het herstructureringsplan de in artikel 4, lid 3, bedoelde elementen omvat;

–        de in het herstructureringsplan beschreven maatregelen en acties met de toepasselijke communautaire en nationale wetgeving in overeenstemming zijn;

–        [...]

3.      Indien aan één of meer van de in de eerste drie streepjes van lid 2 vermelde voorwaarden niet is voldaan, wordt de aanvraag voor herstructureringssteun aan de aanvrager teruggezonden. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de voorwaarden die niet vervuld zijn. De aanvrager kan vervolgens zijn aanvraag intrekken dan wel vervolledigen.

[...]”

7        Artikel 10, lid 4, van verordening nr. 320/2006 luidt als volgt:

„De in artikel 3 bedoelde herstructureringssteun wordt in twee tranches uitgekeerd:

–        40 % in juni van het in artikel 3, lid 2 bedoelde verkoopseizoen

en

–        60 % in februari van het daaropvolgende verkoopseizoen.

De Commissie kan echter besluiten de in het tweede streepje hierboven bedoelde tranche [...] in twee uitkeringen te splitsen [...].”

8        Tot slot bepaalt artikel 14 van verordening nr. 320/2006, „Wijzigingen van verordening (EG) nr. 1290/2005”:

„Verordening (EG) nr. 1290/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1.      Aan artikel 3, lid 1, wordt het volgende punt e) toegevoegd:

,e)      herstructureringssteun, steun voor diversificatie, aanvullende steun voor diversificatie en overgangssteun als bedoeld in de artikelen 3, 6, 7, 8 en 9 van verordening [...] nr. 320/2006’

[...]”

 Verordening nr. 968/2006

9        De Europese Commissie heeft verordening (EG) nr. 968/2006 van 27 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 320/2006 (PB 2006, L 176, blz. 32) vastgesteld. Verordening nr. 968/2006 is verschillende malen gewijzigd, laatstelijk bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 672/2011 van de Commissie van 13 juli 2011 tot wijziging van verordening nr. 968/2006 (PB 2011, L 184, blz. 1). Verordening nr. 968/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 672/2011, is van toepassing op de feiten van de onderhavige zaak.

10      Overweging 4 van verordening nr. 968/2006 luidt:

„Wat de afstanddoening van quotum betreft, biedt artikel 3 van verordening [...] nr. 320/2006 de mogelijkheid om de productie-installaties volledig dan wel slechts gedeeltelijk te ontmantelen, in welke twee gevallen verschillende bedragen aan herstructureringssteun gelden. Bij de bepaling van de aan deze twee mogelijkheden te verbinden voorwaarden moet er enerzijds rekening mee worden gehouden dat voor een volledige ontmanteling een hoger bedrag aan herstructureringssteun wordt toegekend wegens de hogere kosten die daarmee zijn gemoeid, en is het anderzijds passend de instandhouding toe te staan van niet tot de productielijn behorende delen van de fabriek die kunnen worden gebruikt voor andere, in het herstructureringsplan beoogde doeleinden, vooral wanneer door dat gebruik werkgelegenheid wordt geschapen. Daarentegen moeten niet rechtstreeks op de suikerproductie gerichte voorzieningen worden ontmanteld als er niet binnen een redelijke termijn een andere gebruiksmogelijkheid voor is gevonden en instandhouding ervan schadelijk zou zijn voor het milieu.”

11      Artikel 4 van verordening nr. 968/2006, „Ontmanteling van productie-installaties”, bepaalt:

„1.      In het geval van volledige ontmanteling zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a), van verordening [...] nr. 320/2006 heeft de verplichting tot ontmanteling van de productie-installaties betrekking op:

a)      alle installaties die nodig zijn om suiker, isoglucose of inulinestroop te produceren, zoals bijvoorbeeld de installaties om suikerbieten, suikerriet, granen of cichorei op te slaan, te analyseren, te wassen of te snijden en de installaties om suiker uit suikerbieten of suikerriet, zetmeel uit granen, glucose uit zetmeel of inuline uit cichorei te winnen of om een aldus verkregen product verder te be- of verwerken of te concentreren;

b)      het gedeelte van de installaties dat niet tot de onder a) bedoelde installaties behoort, maar waarvan het gebruik rechtstreeks verband houdt met de productie van suiker, isoglucose of inulinestroop en dat nodig is voor de totstandbrenging van de productie in het kader van het quotum waarvan afstand wordt gedaan, ook al zou het bij de productie van andere producten kunnen worden gebruikt, zoals installaties om water te verwarmen of te behandelen of om energie te produceren, installaties voor het omgaan met suikerbietenpulp of met melasse en installaties voor intern transport;

c)      alle andere installaties, zoals verpakkingsinstallaties, die ongebruikt blijven en om milieuredenen moeten worden ontmanteld en verwijderd.

2.      In het geval van gedeeltelijke ontmanteling zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b), van verordening [...] nr. 320/2006 heeft de verplichting tot ontmanteling van de productie-installaties betrekking op de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde installaties die overeenkomstig het herstructureringsplan niet voor een andere productie of een ander gebruik van de fabriekslocatie bestemd zijn.”

12      Artikel 6 van verordening nr. 968/2006, „Verplichtingen van de lidstaten”, luidt als volgt:

„1.      Uiterlijk twintig dagen nadat de lidstaat de in artikel 2, lid 3, van de onderhavige verordening bedoelde kopie van de uitnodiging voor het overleg heeft ontvangen, stelt hij de bij het herstructureringsplan betrokken partijen in kennis van zijn besluit over:

[...]

b)      de periode waarbinnen de productie-installaties moeten worden ontmanteld en moet worden voldaan aan de sociale en de milieuverplichtingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, onder c), en lid 4, onder c), van verordening [...] nr. 320/2006, welke periode niet later dan op 30 september 2010 mag aflopen;

[...]

In afwijking van het bepaalde in [lid 1], onder b), kunnen de lidstaten, op basis van een naar behoren gemotiveerd verzoek daartoe van de betrokken onderneming, een verlenging van de in [lid 1, onder b)] vastgestelde termijn toestaan tot uiterlijk 31 maart 2012. In dergelijke gevallen dient de onderneming een gewijzigd herstructureringsplan in overeenkomstig artikel 11.

[...]”

13      Artikel 9 van verordening nr. 968/2006, „Steunwaardigheid in het geval van de herstructureringssteun”, bepaalt:

„[...]

2.      Opdat de aanvraag als steunwaardig zal worden beschouwd, moet het herstructureringsplan aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)      het plan bevat een samenvatting van de belangrijkste doelstellingen, de maatregelen en acties met vermelding van de geschatte kosten van die maatregelen en acties, het financieringsplan en de tijdschema’s;

b)      voor elke betrokken fabriek is in het plan de hoeveelheid quotum aangegeven waarvan afstand zal worden gedaan, welke hoeveelheid niet meer mag bedragen dan de productiecapaciteit die door de volledige of gedeeltelijke ontmanteling zal verdwijnen;

c)      in het plan is een verklaring opgenomen dat de productie-installaties volledig of gedeeltelijk zullen worden ontmanteld en dat de ontmantelde installaties van de productielocatie zullen worden verwijderd;

[...]

e)      het plan bevat een duidelijke opgave van alle uit het herstructureringsfonds te financieren acties en kosten en, in voorkomend geval, van de andere, daarmee verband houdende elementen waarvoor het de bedoeling is dat deze uit andere fondsen van de Gemeenschap worden gefinancierd.

3.      Indien de in lid 2 van het onderhavige artikel gestelde voorwaarden niet zijn vervuld, stelt de lidstaat de aanvrager ervan in kennis waarom dit zo is, en stelt hij een termijn vast waarbinnen de aanvraag dienovereenkomstig kan worden aangepast, welke termijn de bij artikel 4, lid 1, van verordening [...] nr. 320/2006 vastgestelde uiterste datum niet mag overschrijden.

Binnen 15 werkdagen na afloop van de in de eerste alinea bedoelde termijn maar ten minste 10 werkdagen vóór de bij artikel 5, lid 1, van verordening [...] nr. 320/2006 vastgestelde uiterste datum beslist de lidstaat of de aangepaste aanvraag steunwaardig is.

Indien de aangepaste aanvraag niet tijdig wordt ingediend of als niet-steunwaardig wordt beschouwd, wordt de aanvraag voor herstructureringssteun afgewezen en stelt de lidstaat de aanvrager en de Commissie daarvan binnen vijf werkdagen in kennis. Bij de indiening van een nieuwe aanvraag door dezelfde aanvrager wordt opnieuw de in artikel 8 van de onderhavige verordening opgenomen regeling met betrekking tot de chronologische volgorde toegepast.

[...]”

14      Artikel 10, lid 4, van verordening nr. 968/2006 luidt als volgt:

„De lidstaat stelt de aanvrager uiterlijk op de bij artikel 5, lid 1, van verordening [...] nr. 320/2006 vastgestelde uiterste datum van de toekenning van de herstructureringssteun voor diens steunwaardige herstructureringsplan in kennis. De bevoegde autoriteit van de lidstaat doet de Commissie een volledige kopie van het goedgekeurde herstructureringsplan toekomen.”

15      Artikel 11 van verordening nr. 968/2006, „Wijzigingen van het herstructureringsplan”, bepaalt:

„1.      Zodra de herstructureringssteun is toegekend, voert de begunstigde alle maatregelen uit die in het goedgekeurde herstructureringsplan in detail zijn vermeld, en komt hij de in zijn aanvraag voor herstructureringssteun opgenomen verbintenissen na.

2.      De lidstaat stemt met eventuele wijzigingen van een goedgekeurd herstructureringsplan in op basis van een verzoek van de betrokken onderneming waarin:

a)      de redenen en de bij de uitvoering ondervonden problemen worden uiteengezet;

b)      de voorgestelde aanpassingen of nieuwe maatregelen en de verwachte effecten worden behandeld;

c)      de financiële gevolgen en de gevolgen ten aanzien van de tijdstippen van uitvoering in detail worden aangegeven.

De wijzigingen mogen geen verandering brengen in het totale bedrag van de toe te kennen herstructureringssteun of in de overeenkomstig artikel 11 van verordening [...] nr. 320/2006 te betalen tijdelijke herstructureringsheffingen.

De lidstaat stelt de Commissie van het gewijzigde herstructureringsplan in kennis.”

16      Artikel 16 van verordening nr. 968/2006, „Betaling van de herstructureringssteun”, bepaalt:

„1.      Elke tranche van de herstructureringssteun zoals bedoeld in artikel 10, lid 4, van verordening [...] nr. 320/2006 wordt slechts betaald indien een zekerheid is gesteld die gelijk is aan 120 % van het bedrag van die tranche.

[...]”

17      Artikel 22 van verordening nr. 968/2006, „Vrijgave van zekerheden”, luidt als volgt:

„1.      De in artikel 16, lid 1, [...] en artikel 18, lid 2, bedoelde zekerheden worden vrijgegeven op voorwaarde:

a)      dat alle maatregelen en acties die zijn gepland in, naargelang van het geval, het herstructureringsplan, het nationale herstructureringsprogramma of het bedrijfsplan, zijn uitgevoerd;

b)      dat het in artikel 23, lid 2, bedoelde eindverslag is ingediend;

c)      dat de lidstaat de in artikel 25 bedoelde controles heeft uitgevoerd;

[...]

3.      Behoudens overmacht wordt de zekerheid verbeurd indien niet uiterlijk op 30 september 2012 aan de in lid 1 van het onderhavige artikel genoemde voorwaarden is voldaan.”

18      Artikel 25 van verordening nr. 968/2006, „Controles”, bepaalt het volgende:

„1.      Elke onderneming en productielocatie waarvoor uit het herstructureringsfonds steun wordt ontvangen, wordt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat geïnspecteerd binnen drie maanden na het verstrijken van de in artikel 23, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde termijn.

Bij de inspectie wordt gecontroleerd of het herstructureringsplan of bedrijfsplan in acht wordt genomen, en wordt nagegaan of de door de onderneming in het voortgangsverslag verstrekte gegevens juist en volledig zijn. Bij de eerste inspectie voor een herstructureringsplan worden ook alle aanvullende gegevens gecontroleerd die de onderneming in haar aanvraag voor herstructureringssteun heeft verstrekt, en in het bijzonder de bevestiging zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, onder b), van verordening [...] nr. 320/2006.

2.      Voor een herstructureringsplan heeft de inspectie in alle gevallen betrekking op de in artikel 4, lid 3, van verordening [...] nr. 320/2006 genoemde elementen van dat plan. [...]”

19      Voorts bepaalt artikel 26 van verordening nr. 968/2006, „Terugvordering”:

„1.      Onverminderd lid 3 geldt dat, indien de begunstigde één of meer van zijn verbintenissen in het kader van het herstructureringsplan, het bedrijfsplan of het nationale herstructureringsprogramma, naargelang van het geval, niet is nagekomen, behoudens overmacht het voor de betrokken verbintenis of verbintenissen toegekende deel van de steun wordt teruggevorderd.

[...]”

20      Tot slot luidt artikel 27 van verordening nr. 968/2006, „Boeten”:

„1.      Indien de begunstigde één of meer van zijn verbintenissen in het kader van het herstructureringsplan, het bedrijfsplan of het nationale herstructureringsprogramma, naargelang van het geval, niet is nagekomen, moet hij een bedrag betalen dat gelijk is aan 10 % van het overeenkomstig artikel 26 terug te vorderen bedrag.

[...]”

 Voorgeschiedenis van het geding

 Bestreden besluit

21      Bij uitvoeringsbesluit (EU) 2015/103 van 16 januari 2015 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2015, L 16, blz. 33; hierna: „bestreden besluit”) heeft de Commissie de Italiaanse Republiek onder meer de volgende correcties opgelegd:

–        een correctie van 90 498 735,16 EUR voor de uitgaven van de Italiaanse Republiek in het kader van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie, omdat niet alle installaties voor de productie van suiker door de begunstigden van de herstructureringssteun waren afgebroken (begrotingsjaren 2007, 2008 en 2009);

–        een correctie van 1 607 275,90 EUR wegens te late betaling van het saldo van de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004 (begrotingsjaar 2010);

–        een forfaitaire correctie van 1 198 831,03 EUR wegens te late betaling van bepaalde uitgaven in verband met voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten (begrotingsjaren 2009 en 2010).

22      De drie in punt 21 hierboven vermelde correcties worden in het onderhavige beroep door de Italiaanse Republiek betwist.

 Financiële correctie op de uitgaven uit hoofde van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie

23      In september 2010 hebben de diensten van de Commissie in Italië onderzoek verricht naar de steun voor de herstructurering van de suikerindustrie die in de begrotingsjaren 2007, 2008 en 2009 aan bepaalde Italiaanse suikerproducenten was verleend (hierna: „onderzoek EX/2010/010/IT”).

24      Bij brief van 9 december 2010, verzonden op grond van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de erkenning van de betaalorganen en andere instanties en de goedkeuring van de rekeningen inzake het ELGF en het Elfpo (PB 2006, L 171, blz. 90), heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten in kennis gesteld van het resultaat van onderzoek EX/2010/010/IT, dat bij die brief was gevoegd (hierna: „eerste mededeling van 9 december 2010”).

25      Uit de eerste mededeling van 9 december 2010 blijkt dat de Commissie van mening was dat de Italiaanse autoriteiten niet volledig hadden voldaan aan de voorwaarden van de regeling van de Europese Unie voor de toekenning van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling van productie-installaties, aangezien zij had vastgesteld dat er nog silo’s aanwezig waren op verschillende suikerproductielocaties van Italiaanse bedrijven die om toekenning van die steun hadden gevraagd (hierna: „omstreden silo’s”). In dit verband heeft zij aangegeven dat deze bedrijven niet voldeden aan de voorwaarden voor toekenning van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling indien zij het herstructureringsplan niet volledig uitvoerden en indien de met de productie verband houdende bouwwerken, waaronder de omstreden silo’s, niet waren afgebroken. Tot slot heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten verzocht om aan te geven of er nog silo’s aanwezig waren op de suikerproductielocaties die niet door haar medewerkers waren bezocht.

26      De Italiaanse autoriteiten hebben bij brief van 9 februari 2011 geantwoord op de bezwaren van de Commissie in de eerste mededeling van 9 december 2010.

27      Op 18 april 2011 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten uitgenodigd voor een bilaterale vergadering, die heeft plaatsgevonden te Brussel (België) op 4 mei 2011.

28      De notulen van die vergadering zijn aan de Italiaanse autoriteiten toegezonden bij brief van de Commissie van 26 juli 2011. Deze hebben op 2 november 2011 hun opmerkingen over die notulen ingediend.

29      Bij brief van 16 augustus 2012, verzonden op grond van artikel 11, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 885/2006 (hierna: „formele mededeling van 16 augustus 2012”), heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten meegedeeld dat zij een bedrag van 90 498 735,15 EUR aan de Uniefinanciering wilde onttrekken wegens niet-naleving van de voorwaarden voor de toekenning van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling die zijn gesteld in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 320/2006 en artikel 4, lid 2, van verordening nr. 968/2006.

30      Op 11 oktober 2012 hebben de Italiaanse autoriteiten deze aangelegenheid krachtens artikel 16 van verordening nr. 885/2006 voorgelegd aan het Bemiddelingsorgaan, dat op 10 februari 2013 zijn rapport heeft uitgebracht.

31      Bij arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), heeft het Hof in essentie geoordeeld dat het begrip „productie-installaties” in de zin van de artikelen 3 en 4 van verordening nr. 320/2006 en artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 968/2006 silo’s omvatte die bestemd waren voor de opslag van suiker van de begunstigde van de steun. Het Hof oordeelde echter dat dit in twee gevallen niet het geval was: ten eerste wanneer was aangetoond dat de silo’s uitsluitend werden gebruikt voor de opslag van door andere producenten geproduceerde of van hen gekochte quotumsuiker, en ten tweede wanneer zij uitsluitend werden gebruikt voor het verpakken of inpakken van suiker met het oog op de verkoop ervan.

32      Bij brief van 28 maart 2014 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten een termijn van twee maanden toegekend om nadere opmerkingen in te dienen, met name naar aanleiding van de uitspraak van het in punt 31 hierboven genoemde arrest van het Hof, en om te bewijzen dat de omstreden silo’s vóór het aanvragen van de herstructureringssteun uitsluitend dienden voor het opslaan en verpakken van door andere producenten geproduceerde quotumsuiker.

33      Bij brief van 30 mei 2014 hebben de Italiaanse autoriteiten bezwaar gemaakt tegen het standpunt van de Commissie dat er, om te beoordelen of de silo’s onder het begrip „productie-installaties” vielen, rekening moest worden gehouden met de wijze waarop deze werden gebruikt op de dag waarop de herstructureringssteun was aangevraagd.

34      In het samenvattend verslag van de Commissie van 12 december 2014 heeft de Commissie haar voorstel om 90 498 735,16 EUR aan de Uniefinanciering te onttrekken, bevestigd.

 Financiële correctie wegens te late betaling van het saldo van de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004

35      De diensten van de Commissie hebben op het gebied van slachtpremies in Italië onderzoek gedaan naar de niet-inachtneming van de betalingstermijnen en de overschrijding van de financiële maxima in het begrotingsjaar 2010.

36      Bij brief van 14 februari 2011, verzonden uit hoofde van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006, heeft de Commissie de resultaten van haar verificaties aan de Italiaanse autoriteiten meegedeeld. Laatstgenoemden hebben op die mededeling geantwoord bij brief van 8 maart 2011.

37      Op 15 juni 2011 heeft er te Brussel een bilaterale vergadering plaatsgevonden tussen de diensten van de Commissie en de Italiaanse autoriteiten. De notulen van deze vergadering zijn op 3 augustus 2011 aan de Italiaanse autoriteiten toegezonden. Deze hebben op 5 oktober 2011 hun opmerkingen ingediend.

38      De Commissie heeft haar standpunt herhaald in haar brief van 18 januari 2012, verzonden uit hoofde van artikel 11, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 885/2006, waarop de Italiaanse autoriteiten hebben geantwoord bij brief van 27 maart 2012.

39      Bij brief van 30 oktober 2013, verzonden krachtens artikel 11, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 885/2006, heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten formeel in kennis gesteld van het geraamde bedrag van de voorgestelde correctie, te weten 7 643 605,11 EUR, wegens, onder meer, niet-inachtneming van de betalingstermijnen met betrekking tot de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004, waarvan het saldo op 30 oktober en 3 november 2009 aan de begunstigden was betaald.

40      Op 10 december 2013 hebben de Italiaanse autoriteiten deze aangelegenheid voorgelegd aan het Bemiddelingsorgaan. Dit heeft op 6 mei 2014 zijn rapport uitgebracht.

41      Bij brief van 2 juli 2014 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten haar definitieve standpunt meegedeeld, waarin zij vasthield aan een forfaitaire correctie van 7 643 605,11 EUR, waarvan 1 607 275,90 EUR als bedrag voor de te late betaling van het saldo van de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004, die in het begrotingsjaar 2010 was verricht.

 Financiële correctie wegens te late betaling van bepaalde uitgaven in verband met voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten

42      Van 30 november tot en met 4 december 2009 hebben de diensten van de Commissie in Italië onderzoek verricht naar de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen, met betrekking tot de begrotingsjaren 2008 tot en met 2010.

43      Bij brief van 27 april 2010, verzonden uit hoofde van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006, heeft de Commissie het resultaat van haar verificaties aan de Italiaanse autoriteiten meegedeeld. De Italiaanse autoriteiten hebben op die mededeling geantwoord bij brief van 5 juli 2010.

44      Op 18 november 2010 heeft te Brussel een bilaterale vergadering plaatsgevonden tussen de Italiaanse autoriteiten en de Commissie. De notulen van deze vergadering zijn op 31 januari 2011 aan de Italiaanse autoriteiten toegezonden. Deze hebben op 30 maart 2011 hun opmerkingen ingediend.

45      Bij brief van 17 april 2013, verzonden uit hoofde van artikel 11, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 885/2006, heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten formeel in kennis gesteld van het geraamde bedrag van de voorgestelde correctie, te weten 2 844 470,65 EUR, voor de begrotingsjaren 2008 (uitsluitend vanaf 30 mei 2008), 2009 en 2010.

46      Op 3 juni 2013 hebben de Italiaanse autoriteiten deze aangelegenheid voorgelegd aan het Bemiddelingsorgaan. Dit heeft op 29 november 2013 zijn rapport uitgebracht.

47      Bij brief van 27 mei 2014 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten haar definitieve standpunt meegedeeld, waarin zij met name een forfaitaire correctie van 1 198 831,03 EUR toepaste wegens de te late betalingen in verband met de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen, die in de begrotingsjaren 2009 en 2010 waren verricht.

 Procedure en conclusies van partijen

48      Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 maart 2015 heeft de Italiaanse Republiek het onderhavige beroep ingesteld.

49      Bij akten neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 22 en 25 juni 2015 hebben de Franse Republiek en Hongarije elk een verzoek tot interventie aan de zijde van de Italiaanse Republiek ingediend. Bij beslissingen van 22 juli 2015 heeft de president van de Tweede kamer van het Gerecht deze interventies toegestaan.

50      De Italiaanse Republiek verzoekt het Gerecht:

–        het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover het betrekking heeft op bepaalde uitgaven van de Italiaanse Republiek;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

51      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.

52      De Franse Republiek verzoekt het Gerecht:

–        het bestreden besluit nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

53      Hongarije verzoekt het Gerecht het bestreden besluit gedeeltelijk nietig te verklaren.

54      Bij brief van de griffie van het Gerecht van 14 juni 2016 zijn partijen op de hoogte gesteld van de wijziging van de samenstelling van het Gerecht en van de beslissing van de president van het Gerecht om de zaak toe te wijzen aan een andere rechter-rapporteur, die was toegevoegd aan de Derde kamer.

55      Bij brief van de griffie van 3 oktober 2016 zijn partijen op de hoogte gesteld van de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht, overeenkomstig artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, en van de toevoeging van de rechter-rapporteur aan de Vierde kamer, waaraan de onderhavige zaak bijgevolg is toegewezen.

56      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en, in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering, heeft het schriftelijke vragen aan partijen gesteld en hun verzocht bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn gevolg gegeven aan de maatregelen tot organisatie van de procesgang.

57      Ter terechtzitting van 12 september 2017 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.

 In rechte

58      Ter ondersteuning van het beroep voert de Italiaanse Republiek zes middelen aan.

59      De eerste vier middelen worden aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van de correctie op de uitgaven van de Italiaanse Republiek in het kader van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie. Het eerste middel is in essentie ontleend aan schending van artikel 31, lid 4, van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 2005, L 209, blz. 1), van de rechten van verdediging en van het beginsel van hoor en wederhoor, en aan een ontoereikende motivering. Het tweede middel betreft in essentie schending van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 885/2006, van verordening nr. 320/2006, van verordening nr. 968/2006 en van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737). Het derde middel is in essentie gebaseerd op schending van het vertrouwensbeginsel, van de beginselen van loyale samenwerking, ne bis in idem en behoorlijk bestuur, en van de zorgplicht. Het vierde middel is ontleend aan schending van artikel 31, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1290/2005, van artikel 11, lid 3, tweede alinea, en hoofdstuk 3 van verordening nr. 885/2006, van de richtsnoeren in document VI/5330/97 van de Commissie van 23 december 1997, „Richtsnoeren voor de berekening van de financiële consequenties bij de voorbereiding van de beschikking inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL-afdeling Garantie” (hierna: „document VI/5330/97”), en van de motiveringsplicht, en aan het ontbreken van een onderzoek van het standpunt van het Bemiddelingsorgaan.

60      Het vijfde middel is aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van de correctie wegens te late betaling van het saldo van de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004 en is gebaseerd op schending van artikel 9, lid 3, van verordening (EG) nr. 883/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1290/2005 met betrekking tot het bijhouden van de rekeningen van de betaalorganen, de declaraties van uitgaven en ontvangsten en de voorwaarden voor de vergoeding van uitgaven in het kader van het ELGF en het Elfpo (PB 2006, L 171, blz. 1) en van het beginsel van gelijke behandeling, en op een onjuiste opvatting van de feiten.

61      Het zesde middel is aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van de correctie wegens te late betaling van bepaalde uitgaven in verband met de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten en betreft schending van artikel 20 van verordening (EG) nr. 501/2008 van de Commissie van 5 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen (PB 2008, L 147, blz. 3), van het vertrouwensbeginsel en van het beginsel van de toerekenbaarheid van financiële correcties aan de lidstaten.

 Eerste middel: schending van artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005, van de rechten van verdediging en van het beginsel van hoor en wederhoor, alsmede ontoereikende motivering

62      Het eerste middel bestaat in wezen uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel is ontleend aan schending van artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005. Het tweede onderdeel betreft schending van de rechten van verdediging en van het beginsel van hoor en wederhoor. Het derde onderdeel is in essentie gebaseerd op een ontoereikende motivering van het bestreden besluit.

 Eerste onderdeel van het eerste middel: schending van artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005

63      De Italiaanse Republiek verwijt de Commissie, in essentie, te hebben aangenomen dat de herstructureringssteun betrekking had op een meerjarenmaatregel in de zin van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 en dat de financiële correctie in casu dus kon worden toegepast op alle uitgaven die in het kader van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie waren gedaan. De Commissie heeft daardoor in strijd gehandeld met artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005.

64      De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek.

65      In casu moet worden nagegaan of de Commissie terecht alle uitgaven die de Italiaanse Republiek in het kader van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie heeft gedaan, heeft opgenomen in de grondslag van de betwiste financiële correctie, overeenkomstig artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005, dan wel of zij de uitgaven die meer dan 24 maanden vóór de kennisgeving aan de Italiaanse autoriteiten van de eerste mededeling van 9 december 2010 waren gedaan van die grondslag had moeten uitsluiten, overeenkomstig artikel 31, lid 4, onder a), van verordening nr. 1290/2005. Voor deze beoordeling moet worden vastgesteld of de herstructureringssteun voor de suikerindustrie een meerjarenmaatregel financierde in de zin van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005.

66      Artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005 bepaalt:

„Financiering kan niet worden geweigerd voor:

a)      uitgaven zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, [van deze verordening] die zijn verricht meer dan [24] maanden voordat de Commissie de betrokken lidstaat schriftelijk van de resultaten van de verificaties in kennis heeft gesteld;

b)      onder artikel 3, lid 1, [van deze verordening] of binnen de werkingssfeer van in artikel 4 [van deze verordening] bedoelde programma’s vallende uitgaven betreffende meerjarenmaatregelen waarvoor de meest recente verplichting die aan de begunstigde is opgelegd, dateert van meer dan [24] maanden voordat de Commissie de betrokken lidstaat schriftelijk van de resultaten van de verificaties in kennis heeft gesteld;

[...]”

67      Onder de uitgaven bedoeld in artikel 3, lid 1, onder e), van verordening nr. 1290/2005, zoals gewijzigd bij artikel 14 van verordening nr. 320/2006, valt, onder andere, de steun voor de herstructurering van de suikerindustrie.

68      Volgens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 320/2006 moet voor toekenning van de herstructureringssteun bovendien zijn voldaan aan twee voorwaarden: er moet afstand worden gedaan van het productiequotum en de productie-installaties moeten volledig of gedeeltelijk worden ontmanteld.

69      Wat het afstand doen van het productiequotum betreft, stelt de Italiaanse Republiek terecht dat het gaat om een onmiddellijke maatregel die tijdens een bepaald verkoopseizoen wordt genomen.

70      Anders dan de Italiaanse Republiek stelt, vormt het afstand doen van het productiequotum echter niet „de kern van de betrokken regeling”, omdat artikel 3, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 320/2006 voor de toekenning van herstructureringssteun voor volledige of gedeeltelijke ontmanteling ook verlangt dat de productie-installaties volledig of gedeeltelijk worden ontmanteld (zie punt 68 hierboven).

71      De ontmanteling van productie-installaties impliceert echter de uitvoering, op termijn, van meerdere complexe handelingen en kan derhalve geen incidentele maatregel zijn.

72      Volgens artikel 3, lid 3, van verordening nr. 320/2006 moet c.q. moeten bij volledige ontmanteling van productie-installaties immers ten eerste de productie van suiker, isoglucose of inulinestroop definitief worden gestaakt door de betrokken productie-installatie, ten tweede de fabriek of fabrieken worden gesloten en de productie-installaties daarvan worden ontmanteld, en ten derde het fabrieksterrein in milieuopzicht worden gesaneerd en het elders tewerkstellen van de betrokken werknemers worden vergemakkelijkt.

73      Aan gedeeltelijke ontmanteling stelt artikel 3, lid 4, van verordening nr. 320/2006 soortgelijke voorwaarden als de voorwaarden vermeld in punt 72 hierboven.

74      Voorts wordt het feit dat de herstructureringsoperaties zich over meerdere jaren uitstrekken ook bevestigd door artikel 6 van verordening nr. 968/2006, dat voorziet in een termijn waarbinnen de ontmanteling van de productie-installaties moet zijn voltooid en aan de sociale en milieuverplichtingen moet zijn voldaan, waarvan de herhaaldelijk gewijzigde uiterste datum uiteindelijk, bij uitvoeringsverordening nr. 672/2011 is vastgesteld op 31 maart 2012.

75      Tot slot heeft de Italiaanse Republiek in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting aangegeven dat de ontmantelingsoperaties van de productielocaties van twee Italiaanse ondernemingen die herstructureringssteun voor volledige ontmanteling hadden aangevraagd, drie tot vier jaar hadden geduurd.

76      Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de herstructureringssteun voor de suikerindustrie niet is bedoeld om een incidentele maatregel te financieren, maar een geheel van maatregelen waarvan de daadwerkelijke uitvoering zich in beginsel over meerdere jaren uitstrekt. Derhalve moet worden geoordeeld dat de regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie een meerjarenmaatregel is in de zin van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005.

77      De door de Italiaanse Republiek aangevoerde argumenten kunnen deze conclusie niet ontkrachten.

78      De Italiaanse Republiek betoogt ten eerste dat de incidentele aard van de met de herstructureringssteun gefinancierde maatregelen blijkt uit het feit dat artikel 10 van verordening nr. 320/2006 voorziet in de betaling van één enkel bedrag aan herstructureringssteun, ook al wordt die betaling gesplitst in twee tranches die binnen een periode van twaalf maanden worden uitgekeerd.

79      In dit verband blijkt uit artikel 10, lid 4, van verordening nr. 320/2006 junctis de artikelen 16, 22 en 25, lid 1, van verordening nr. 968/2006 dat de betaling van de herstructureringssteun voor volledige ontmanteling, in meerdere tranches, gepaard gaat met het stellen van zekerheden die alleen worden vrijgegeven indien na afloop van het herstructureringsproces de in artikel 25, lid 1, van verordening nr. 968/2006 bedoelde inspecties onder meer bevestigen dat alle in het herstructureringsplan opgenomen maatregelen en handelingen daadwerkelijk zijn uitgevoerd.

80      Hieruit volgt dat het definitieve bedrag van de herstructureringssteun pas bekend kan zijn na de vrijgave van de laatste door de lidstaten gehouden zekerheden, derhalve na de controles die worden verricht nadat alle herstructureringsoperaties zijn uitgevoerd.

81      Dus zelfs indien alle herstructureringssteun 24 maanden vóór de eerste mededeling van 9 december 2010 aan de Italiaanse ondernemingen was uitgekeerd, zoals de Italiaanse Republiek ter terechtzitting heeft gesteld, evenwel zonder dit aan te tonen, was het bedrag van die steun niet definitief en kon het nog worden gewijzigd.

82      Ook indien de betaling van de herstructureringssteun aan de Italiaanse ondernemingen in één keer was verricht, zou deze omstandigheid niet uitsluiten dat de herstructureringsregeling voor de suikerindustrie als meerjarenmaatregel wordt gekwalificeerd, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt. Dienaangaande is immers bepalend dat de toepassing van deze regeling een aantal verplichtingen behelst die niet onmiddellijk maar alleen gespreid over meerdere jaren kunnen worden uitgevoerd.

83      Ten tweede stelt de Italiaanse Republiek in essentie dat de Commissie, door artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 toe te passen, met gerechtigd was iedere uitgave te betwisten die uit hoofde van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie was gedaan, wanneer de mededeling uit hoofde van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 had plaatsgevonden binnen 24 maanden nadat de meest recente aan de begunstigde opgelegde verplichting was uitgevoerd. In casu meent zij dat de Commissie dus tot en met maart 2014 een procedure voor de goedkeuring van de rekeningen kon starten, dat wil zeggen gedurende een termijn van 24 maanden te rekenen vanaf de uiterste datum voor de ontmanteling van productie-installaties, te weten 31 maart 2012. Indien, in dat geval, een mededeling van de Commissie uit hoofde van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 na het verstrijken van de termijn voor volledige ontmanteling wordt gedaan, kan de lidstaat de door de Commissie vastgestelde onregelmatigheid niet meer verhelpen. Dit druist volgens haar in tegen de geest van de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen, waarvan één van de essentiële onderdelen erin bestaat dat aan de lidstaat wordt toegestaan om de door de Commissie vastgestelde onregelmatigheden te verhelpen.

84      In antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting heeft de Italiaanse Republiek bevestigd dat zij zich met haar in punt 83 hierboven vermelde betoog niet heeft willen beroepen op de onwettigheid van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005, maar, in essentie, heeft willen opkomen tegen de toepassing van deze bepaling in het onderhavige geval.

85      In dit verband kan worden volstaan met vast te stellen dat de mededeling uit hoofde van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006, in casu de eerste mededeling van 9 december 2010 (zie punt 24 hierboven), aan de Italiaanse Republiek was toegezonden vóór de vervaldatum van de meest recente verplichting van de begunstigden van de herstructureringssteun, te weten 31 maart 2012 (zie punt 74 hierboven). De Italiaanse Republiek had de in de eerste mededeling van 9 december 2010 geconstateerde onregelmatigheden dus kunnen verhelpen, of op zijn minst maatregelen kunnen nemen om te trachten deze onregelmatigheden te verhelpen.

86      Gelet op het voorgaande heeft de Commissie geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door aan te nemen dat de herstructureringssteun voor de suikerindustrie was bedoeld om een meerjarenmaatregel te financieren en, derhalve, door in de omstreden correctie rekening te houden met de volledige aan Italiaanse ondernemingen verleende herstructureringssteun.

87      Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het eerste middel te worden afgewezen.

 Tweede onderdeel van het eerste middel: schending van de rechten van verdediging en van het beginsel van hoor en wederhoor

88      De Italiaanse Republiek betoogt in essentie dat zij door de te late standpuntwijziging van de Commissie – in de formele mededeling van 16 augustus 2012 – ten aanzien van de rechtsgrondslag voor de berekening van de termijn van 24 maanden bedoeld in artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005 haar rechten van verdediging niet heeft kunnen uitoefenen en dat daardoor afbreuk is gedaan aan de contradictoire aard van de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen.

89      De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek.

90      Volgens vaste rechtspraak moet de definitieve eindbeschikking betreffende de goedkeuring van de rekeningen worden gegeven na een bijzondere procedure op tegenspraak die de lidstaten alle waarborgen biedt om hun standpunt kenbaar te maken (zie arrest van 14 december 2000, Duitsland/Commissie, C‑245/97, EU:C:2000:687, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

91      Deze procedure is geregeld in artikel 11 van verordening nr. 885/2006, „Conformiteitsgoedkeuring”, dat luidt:

„1.      Indien de Commissie als gevolg van een onderzoek van mening is dat uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn gedaan, deelt zij haar bevindingen aan de betrokken lidstaat mee en geeft zij aan welke correctiemaatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat die voorschriften in de toekomst worden nageleefd.

In de mededeling wordt naar dit artikel verwezen. De lidstaat antwoordt binnen twee maanden na ontvangst van de mededeling en de Commissie kan ten gevolge van dat antwoord haar standpunt wijzigen. De Commissie kan in gevallen waarin dat gerechtvaardigd is, instemmen met een verlenging van de antwoordtermijn.

Na afloop van de antwoordtermijn belegt de Commissie een bilaterale vergadering en pogen beide partijen tot overeenstemming te komen over de te nemen maatregelen en over de beoordeling van de ernst van de overtreding en van de aan de gemeenschapsbegroting toegebrachte financiële schade.

2.      Binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de notulen van de in lid 1, derde alinea, bedoelde bilaterale vergadering doet de lidstaat mededeling van de eventueel in die vergadering gevraagde gegevens of van welke andere gegevens ook die hij nuttig acht voor het lopende onderzoek.

[...]

Na het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde termijn deelt de Commissie haar conclusies op basis van de in het kader van de procedure voor de conformiteitsgoedkeuring ontvangen gegevens formeel aan de lidstaat mee. In de mededeling wordt de beoordeling vermeld van de uitgaven waarvoor de Commissie onttrekking aan communautaire financiering overeenkomstig artikel 31 van verordening [...] nr. 1290/2005 overweegt, en wordt naar artikel 16, lid 1, van de onderhavige verordening verwezen.

3.      [...]

Na een eventueel overeenkomstig hoofdstuk 3 van de onderhavige verordening door het Bemiddelingsorgaan opgesteld rapport te hebben onderzocht, geeft de Commissie zo nodig overeenkomstig artikel 31 van verordening [...] nr. 1290/2005 een of meer beschikkingen tot onttrekking aan communautaire financiering van de door de niet-naleving van communautaire voorschriften beïnvloede uitgaven tot het tijdstip dat de lidstaat de correctiemaatregelen daadwerkelijk ten uitvoer heeft gelegd.

[...]”

92      Volgens vaste rechtspraak moet de „schriftelijke mededeling” in de zin van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 de betrokken regering volledig inlichten omtrent de bezwaren van de Commissie, zodat zij de waarschuwende functie kan vervullen die een dergelijke mededeling volgens deze bepaling moet hebben (zie arrest van 3 mei 2012, Spanje/Commissie, C‑24/11 P, EU:C:2012:266, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

93      Voorts blijkt uit de rechtspraak dat artikel 11, lid 1, eerste alinea van verordening nr. 885/2006 moet worden gelezen in samenhang met artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005, waarin is bepaald dat de Commissie geen uitgaven kan uitsluiten die buiten een van de in die laatste bepaling genoemde perioden zijn gedaan. Hieruit volgt dat de schriftelijke mededeling bedoeld in artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 als waarschuwing dient dat de uitgaven die tijdens een bepaalde periode voorafgaand aan de kennisgeving van deze mededeling zijn gedaan, kunnen worden uitgesloten van de financiering door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), en dat deze mededeling derhalve het referentiepunt vormt voor de berekening van het beginpunt van die periode (zie naar analogie arrest van 3 mei 2012, Spanje/Commissie, C‑24/11 P, EU:C:2012:266, punt 30).

94      Tot slot vereist artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 niet dat de schriftelijke mededeling de uit te sluiten uitgaven vermeldt (zie in die zin en naar analogie arrest van 7 oktober 2004, Zweden/Commissie, C‑312/02, EU:C:2004:594, punt 14). Evenmin is vereist dat de schriftelijke mededeling de termijn van artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005 expliciet vermeldt (zie in die zin en naar analogie arrest van 24 januari 2002, Finland/Commissie, C‑170/00, EU:C:2002:51, punt 32). Wat de vormvereisten betreft, maakt artikel 11, lid 1, van verordening nr. 885/2006 immers onderscheid tussen enerzijds de „mededeling van de bevindingen” bedoeld in lid 1, eerste alinea, die in casu aan de orde is, en anderzijds de „formele mededeling van de conclusies” bedoeld in lid 2, derde alinea, die in een later stadium wordt gedaan. Hieruit volgt dat de eerste mededeling niet aan even strikte vormvereisten behoeft te voldoen als de tweede (zie in die zin en naar analogie arrest van 24 januari 2002, Finland/Commissie, C‑170/00, EU:C:2002:51, punt 29).

95      Om te beginnen blijkt uit de punten 68 tot en met 76 hierboven dat de herstructureringssteun voor de suikerindustrie meerjarenmaatregelen financiert en dat derhalve de rechtsgrondslag voor de berekening van de termijn van 24 maanden artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 is.

96      In casu wordt in de begeleidende brief bij de resultaten van onderzoek EX/2010/010/IT, die aan de Italiaanse Republiek zijn toegezonden bij de eerste mededeling van 9 december 2010, aangegeven dat de eventuele „onttrekking uitsluitend betrekking zal hebben op uitgaven die binnen [24] maanden vóór de verzending van [die] mededeling zijn verricht”. De Commissie heeft dus impliciet maar noodzakelijkerwijs verwezen naar artikel 31, lid 4, onder a), van verordening nr. 1290/2005 als rechtsgrondslag voor de berekening van de termijn van 24 maanden en niet naar artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005.

97      In navolging van de Commissie moet evenwel worden opgemerkt dat, ondanks de opmerking in de brief bij de eerste mededeling van 9 december 2010, uit de bijlage bij deze brief duidelijk bleek dat de Commissie het recht van de betrokken Italiaanse ondernemingen op de volledige door hen ontvangen herstructureringssteun betwistte. Hierin was immers met name aangegeven dat „[d]e diensten van het [directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling van de Commissie] [...] van mening [zijn] dat geen van de betrokken ondernemingen voldoet aan de noodzakelijke voorwaarden voor het ontvangen van [herstructureringssteun voor volledige ontmanteling]” en dat, „[a]angezien de meeste herstructureringssteun reeds is betaald en de meeste zekerheden reeds aan de betrokken ondernemingen zijn vrijgegeven, wordt benadrukt dat de overheid, in de laatste plaats, de financiële consequenties draagt van het niet voldoen aan de door de verordeningen gestelde vereisten”.

98      Gelet op het voorgaande lichtte de eerste mededeling van 9 december 2010 de Italiaanse autoriteiten voldoende in omtrent de bezwaren van de Commissie en de correcties die waarschijnlijk op de betrokken uitgaven zouden worden toegepast, zodat zij de waarschuwende functie vervulde die de in artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 bedoelde schriftelijke mededeling moet hebben.

99      Weliswaar heeft de Commissie tijdens de bilaterale vergadering van 4 mei 2011 aangegeven dat onderzoek EX/2010/010/IT betrekking had op het tijdvak van 24 maanden voorafgaand aan de verzending van de mededeling bedoeld in artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 en derhalve alleen de tussen 10 december 2008 en 9 december 2010 gedane uitgaven betrof, maar dat neemt niet weg dat de Commissie in bijlage 1 bij de formele mededeling van 16 augustus 2012 het in de eerste mededeling van 9 december 2010 ingenomen standpunt heeft bevestigd. Zij stelde in essentie dat de financiële correctie kon worden vastgesteld op basis van alle uitgaven die de Italiaanse Republiek uit hoofde van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie had gedaan, ook vóór de periode van 24 maanden voorafgaand aan de verzending van de eerste mededeling van 9 december 2010, en dat derhalve, in casu, de termijn van 24 maanden moest worden berekend overeenkomstig artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005.

100    In elk geval moet worden opgemerkt dat de Italiaanse Republiek deze aangelegenheid na ontvangst van de formele mededeling van 16 augustus 2012 heeft voorgelegd aan het Bemiddelingsorgaan, overeenkomstig artikel 16 van verordening nr. 885/2006, en dus de toepasselijkheid van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 voor dat orgaan kon betwisten (zie in die zin en naar analogie arrest van 26 september 2012, Italië/Commissie, T‑84/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:471, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

101    Ter terechtzitting heeft de Italiaanse Republiek evenwel erkend dat zij bij het Bemiddelingsorgaan geen bezwaar had gemaakt tegen de toepasselijkheid van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 en zich uitsluitend had gericht op de inhoudelijke vraag of het mogelijk was de omstreden silo’s in stand te houden en in aanmerking te komen voor herstructureringssteun voor volledige ontmanteling.

102    Tot slot zij eraan herinnerd dat de Commissie de Italiaanse Republiek na de uitspraak van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), bij brief van 28 maart 2014 de mogelijkheid heeft geboden aanvullende opmerkingen in te dienen (zie punt 32 hierboven). In hun antwoordbrief van 30 mei 2014 hebben de Italiaanse autoriteiten echter evenmin de toepassing van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 op de onderhavige zaak betwist (zie punt 33 hierboven).

103    In deze context kan de Italiaanse Republiek zich voor het Gerecht niet beroepen op een procedurele waarborg waarvan zij zelf tijdens de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen geen gebruik heeft gemaakt (zie in die zin en naar analogie arrest van 9 september 1999, Petrides/Commissie, C‑64/98 P, EU:C:1999:399, punt 32).

104    Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

 Derde onderdeel van het eerste middel, in essentie ontleend aan een ontoereikende motivering

105    De Italiaanse Republiek voert in essentie aan dat de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is, omdat de redenen voor de plotselinge en ongerechtvaardigde wijziging van de rechtsgrondslag voor de berekening van de termijn van 24 maanden die de Commissie in de formele mededeling van 16 augustus 2012 had toegepast, slechts terloops in die mededeling waren vermeld.

106    De Commissie neemt hierover geen standpunt in.

107    Blijkens vaste rechtspraak is in de speciale context waarin beschikkingen inzake de goedkeuring van de rekeningen tot stand komen, de motivering van een beschikking als voldoende te beschouwen wanneer de betrokken lidstaat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding ervan en dus bekend was met de redenen waarom de Commissie meende het omstreden bedrag niet ten laste van het EOGFL te moeten brengen (arresten van 1 oktober 1998, Nederland/Commissie, C‑27/94, EU:C:1998:446, punt 36, en 10 september 2008, Italië/Commissie, T‑181/06, niet gepubliceerd, EU:T:2008:331, punt 32).

108    In casu heeft de Commissie in bijlage 1 bij de formele mededeling van 16 augustus 2012, in punt 12 van het onderdeel „Argumenten”, eraan herinnerd dat de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie betrekking had op het tijdvak 1 juli 2006 tot en met 31 maart 2012, dus een tijdvak van 69 maanden. Voorts heeft zij in punt 13 van het onderdeel „Argumenten” uitgelegd dat deze regeling een meerjarenmaatregel vormde in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1290/2005, uit hoofde waarvan de gefaseerde betalingen van de verschillende tranches van de herstructureringssteun voor volledige ontmanteling waren verricht. Bovendien heeft de Commissie erop gewezen dat de betaling van elke tranche van de herstructureringssteun voor volledige ontmanteling afhankelijk was van het stellen van een zekerheid voor een bedrag gelijk aan 120 % van de overeenkomstige tranche. De Commissie heeft tevens uitgelegd dat het onderzoek van de verenigbaarheid van deze uitgaven met de doelstellingen van het herstructureringsfonds voor de suikerindustrie en de bijbehorende verordeningen, overeenkomstig artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 pas kon worden uitgevoerd op de vervaldatum van de meest recente verplichting van de begunstigde, dus op 31 maart 2012. In punt 15 van het onderdeel „Argumenten” van bijlage 1 bij de formele mededeling van 16 augustus 2012 kwam de Commissie in essentie tot de slotsom dat, aangezien de omstreden silo’s op 31 maart 2012 niet waren ontmanteld, de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen betrekking had op alle uitgaven in verband met de aan de Italiaanse ondernemingen toegekende herstructureringssteun.

109    Het staat derhalve vast dat de Commissie in de formele mededeling van 16 augustus 2012 voldoende heeft uiteengezet waarom de financiële correctie alle uitgaven moest omvatten die in het overeenkomstig artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 berekende tijdvak waren gedaan. Bovendien kon de Italiaanse Republiek, om de in punt 108 hierboven genoemde redenen, begrijpen waarom de Commissie haar standpunt ten aanzien van de rechtsgrondslag voor de berekening van de in artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005 bedoelde termijn van 24 maanden had gewijzigd.

110    Bijgevolg dient het derde onderdeel van het eerste middel, en dus het eerste middel in zijn geheel, te worden afgewezen.

 Tweede middel: schending van artikel 11 van verordening nr. 885/2006, van de rechten van verdediging, van de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 en van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C187/12–C189/12)

111    Het onderhavige middel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel is in essentie ontleend aan schending van artikel 11 van verordening nr. 883/2006 en van de rechten van verdediging. Het tweede onderdeel betreft schending van de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 en van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737).

 Eerste onderdeel van het tweede middel, in essentie ontleend aan schending van artikel 11 van verordening nr. 885/2006 en van de rechten van verdediging

112    De Italiaanse Republiek betoogt in essentie dat de eerste mededeling van 9 december 2010 in strijd is met artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006, aangezien zij hierbij niet volledig is ingelicht omtrent de bezwaren van de Commissie en geen gebruik heeft kunnen maken van haar in deze bepaling vervatte rechten van verdediging. In dit verband voert zij ten eerste aan dat de Commissie in de eerste mededeling van 9 december 2010 stelde dat de silo’s in alle omstandigheden productie-installaties waren, terwijl zij in de brief van 28 maart 2014, verstuurd na de uitspraak van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), heeft erkend dat de silo’s niet noodzakelijkerwijs als productie-installaties moesten worden beschouwd. Ten tweede merkt zij op dat de eerste mededeling van 9 december 2010 geen melding maakte van het feit dat het gebruik van de silo’s moest worden beoordeeld op de datum waarop de herstructureringssteun voor volledige ontmanteling was aangevraagd (hierna: „door de Commissie geformuleerd criterium”). Volgens haar is zij pas bij de brief van de Commissie van 28 maart 2014 volledig ingelicht omtrent diens bezwaren met betrekking tot de kwestie van de ontmanteling van silo’s in geval van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling. Op deze datum kon zij evenwel geen gebruik meer maken van alle procedurele waarborgen van artikel 11 van verordening nr. 885/2006 en evenmin haar rechten van verdediging uitoefenen.

113    De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek.

114    Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de definitieve eindbeschikking betreffende de goedkeuring van de rekeningen moet worden gegeven na een bijzondere procedure op tegenspraak die de betrokken lidstaten alle waarborgen biedt om hun standpunt kenbaar te maken (arresten van 29 januari 1998, Griekenland/Commissie, C‑61/95, EU:C:1998:27, punt 39; 14 december 2000, Duitsland/Commissie, C‑245/97, EU:C:2000:687, punt 47, en 3 juli 2014, Nederland/Commissie, T‑16/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:603, punt 69).

115    Voorts volgt uit de bewoordingen van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 dat de eerste mededeling aan de betrokken lidstaat duidelijk moet maken wat het resultaat van de verificaties van de Commissie is en moet aangeven welke correctiemaatregelen er moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de betrokken Unieregels in de toekomst worden nageleefd (zie punt 91 hierboven).

116    Zoals in punt 25 hierboven is uiteengezet, blijkt in casu uit de eerste mededeling van 9 december 2010 dat de Commissie van mening was dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling, aangezien bepaalde productie-installaties, waaronder de omstreden silo’s, in stand waren gehouden op de door de onderzoekers van de Commissie bezochte voormalige suikerproductielocaties. In deze mededeling heeft de Commissie tevens aangegeven dat de Italiaanse ondernemingen niet in aanmerking kwamen voor de herstructureringssteun voor volledige ontmanteling indien zij de herstructureringsplannen niet in hun geheel uitvoerden en indien de andere voor de productie gebruikte bouwwerken, waaronder de omstreden silo’s, niet waren afgebroken.

117    In haar brief van 9 februari 2011 heeft de Italiaanse Republiek het standpunt van de Commissie dat de silo’s in elk geval onder de ontmantelingsverplichting vallende productie-installaties waren, betwist door, in essentie, aan te voeren, ten eerste, dat de omstreden silo’s geen productie-installaties waren doordat zij uitsluitend bestemd waren voor de opslag van het eindproduct, en, ten tweede, dat de uitlegging van de Commissie in strijd was met de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006. De Italiaanse Republiek heeft haar standpunt herhaald tijdens de bilaterale vergadering van 4 mei 2011, in haar opmerkingen van 2 november 2011 over de notulen van die vergadering en tijdens de bemiddelingsprocedure.

118    Tijdens de bilaterale vergadering van 4 mei 2011 heeft de Commissie vastgehouden aan haar standpunt dat de omstreden silo’s als integrerend onderdeel van de productie-installaties moesten worden beschouwd en om die reden moesten worden ontmanteld.

119    Bovendien heeft het Hof, in het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), in essentie geoordeeld dat het begrip „productie-installaties” de silo’s omvatte die bestemd waren voor de opslag van suiker van de begunstigde van de herstructureringssteun. Het oordeelde echter dat hierop twee uitzonderingen bestonden (hierna: „door het Hof geformuleerde uitzonderingen”): ten eerste wanneer was aangetoond dat de silo’s uitsluitend werden gebruikt voor de opslag van door andere producenten geproduceerde of van hen gekochte quotumsuiker, en ten tweede wanneer zij uitsluitend werden gebruikt voor het verpakken of inpakken van elders geproduceerde suiker met het oog op de verkoop ervan (arrest van 14 november 2013, SFIR e.a., C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737, punten 32, 33 en 35).

120    In het licht van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), is de Commissie afgeweken van haar standpunt met betrekking tot de kwalificatie van de silo’s en heeft zij, zoals in de punten 32 en 102 hierboven vermeld, de Italiaanse autoriteiten bij brief van 28 maart 2014 een termijn van twee maanden toegekend om overtuigend bewijs te leveren van het feit dat in casu de omstreden silo’s, voordat de omstreden steun werd aangevraagd, uitsluitend dienden voor het opslaan en verpakken van door andere producenten geproduceerde quotumsuiker.

121    De Italiaanse Republiek heeft geen gevolg gegeven aan dit verzoek. In haar brief van 30 mei 2014 heeft zij immers alleen het door de Commissie geformuleerde criterium betwist. Dienaangaande heeft zij met name aangevoerd dat het Hof in zijn arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), uitdrukkelijk had erkend dat de opslagsilo’s niet hoefden te worden ontmanteld indien was aangetoond dat zij bestemd waren voor de opslag van door andere producenten geproduceerde of van hen gekochte quotumsuiker of voor het inpakken van elders geproduceerde suiker. Volgens haar had het dus geen zin om te beoordelen voor welk doel de silo’s vóór de aanvraag voor herstructureringssteun werden gebruikt. Tot slot stelde zij dat de Italiaanse autoriteiten alle documenten in verband met de aanvraagprocedure voor herstructureringssteun voor volledige ontmanteling aan de Commissie hadden overgelegd, daaronder begrepen de goedgekeurde herstructureringsplannen en de jaarlijkse verslagen van de controles ter plaatse waarin was vermeld welke installaties en voorzieningen waren afgebroken en welke in stand waren gehouden, alsook het werkelijke gebruik van elk daarvan.

122    Uit het voorgaande volgt dat de Italiaanse Republiek ervan af heeft gezien om bewijzen over te leggen waaruit kon blijken dat de omstreden silo’s op de datum van de steunaanvraag geen productie-installaties waren, en bijgevolg ervan heeft afgezien om gebruik te maken van haar rechten van verdediging in verband met deze kwestie.

123    Gelet op het voorgaande en in het licht van de in punt 103 hierboven aangehaalde rechtspraak, is de grief inzake schending van de rechten van verdediging ongegrond en moet deze worden afgewezen.

124    Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het tweede middel te worden afgewezen.

 Tweede onderdeel van het tweede middel: schending van de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 en van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C187/12–C189/12)

125    De Italiaanse Republiek, ondersteund door de Franse Republiek en door Hongarije, betoogt in essentie dat de Commissie, door te oordelen dat de instandhouding van de omstreden silo’s in de weg stond aan de toekenning van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling, in strijd heeft gehandeld met de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 en met het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737).

126    De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek, de Franse Republiek en Hongarije.

127    Vooraf moet eraan worden herinnerd dat het Hof in het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), na te hebben vastgesteld dat de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 het begrip „productie-installaties” niet definieerden, ten eerste heeft opgemerkt dat onder het begrip „productie” ook andere fasen van de vervaardiging van een product, vóór of na het chemische of fysische transformatieproces, konden worden begrepen, en dat dit begrip derhalve de opslag van suiker die niet direct na de winning uit de grondstof werd verpakt, kon omvatten. Het Hof kwam derhalve tot de slotsom dat de opslag „rechtstreeks verband [kon] houden met de productie van suiker” in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 968/2006 (arrest van 14 november 2013, SFIR e.a., C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737, punt 26). Ten tweede was het Hof van oordeel dat de silo’s rechtstreeks van invloed konden zijn op de suikerproductiecapaciteit en op de productieprocessen die afhingen van de nabijheid van een opslaginstallatie, aangezien dankzij deze silo’s onder meer de verkoop van de productie van een bepaalde suikercampagne geheel of gedeeltelijk kon worden uitgesteld en dus invloed kon worden uitgeoefend op de marktsituatie in de zin van overweging 5 van verordening nr. 320/2006 (arrest van 14 november 2013, SFIR e.a., C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737, punten 27‑29). Ten derde heeft het Hof in essentie geoordeeld dat uit artikel 3, lid 3, onder a) en b), van verordening nr. 320/2006 voortvloeide dat, om in aanmerking te komen voor herstructureringssteun voor volledige ontmanteling, het betrokken industriecomplex in beginsel in zijn geheel buiten werking moest worden gesteld en dat de mogelijkheid om andere dan productie-installaties niet te ontmantelen of in de toekomst te blijven gebruiken, met behoud van het recht op volledige steun, een uitzondering op deze regel vormde die strikt moest worden uitgelegd (arrest van 14 november 2013, SFIR e.a., C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737, punt 30).

128    In het licht van het voorgaande heeft het Hof in punt 31 van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), voor recht verklaard dat de silo’s die bestemd waren voor de opslag van suiker van de begunstigde van de steun moesten worden aangemerkt als productie-installaties, ongeacht het feit dat zij ook voor andere doeleinden werden gebruikt. Het Hof heeft op dit beginsel evenwel twee uitzonderingen geformuleerd (zie punt 119 hierboven).

129    In casu betwist de Italiaanse Republiek niet dat de omstreden silo’s na afloop van het herstructureringsproces in stand waren gehouden op verschillende suikerproductielocaties van Italiaanse ondernemingen die herstructureringssteun voor volledige ontmanteling hadden ontvangen. Zij betwist evenmin dat zij geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat de omstreden silo’s op het tijdstip waarop de aanvraag voor volledige herstructureringssteun was ingediend onder de door het Hof geformuleerde uitzonderingen vielen.

130    De Italiaanse Republiek, ondersteund door de Franse Republiek en door Hongarije, is echter van mening dat de in punt 129 hierboven genoemde omstandigheden de aan haar opgelegde financiële correctie niet kunnen rechtvaardigen.

131    Blijkens overwegingen 1 en 5 van verordening nr. 320/2006 heeft de aan de orde zijnde regeling tot doel de onrendabele productiecapaciteit voor suiker in de Unie in te krimpen door de minst productieve ondernemingen te stimuleren om van hun productie van quotumsuiker af te zien en afstand te doen van het betrokken quotum.

132    Voorts volgt uit overweging 5 van verordening nr. 320/2006 dat de herstructureringsregeling berust op vrijwillige deelname van de suikerproducerende onderneming, aangezien de regeling beoogt door middel van passende herstructureringssteun een belangrijke economische stimulans te geven (zie in die zin arrest van 14 november 2013, SFIR e.a., C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737, punt 44).

133    Teneinde de met de aan de orde zijnde regeling nagestreefde inkrimping van de onrendabele productiecapaciteit van suiker in de Unie te kunnen verwezenlijken, heeft de Uniewetgever voorzien in twee verschillende herstructureringsregelingen naargelang van het soort ontmanteling dat wordt uitgevoerd, te weten volledige dan wel gedeeltelijke ontmanteling, waarvoor verschillende bedragen aan herstructureringssteun gelden, zoals blijkt uit artikel 3, lid 5, onder a) en b), van verordening nr. 320/2006, gelezen in samenhang met overweging 4 van verordening nr. 968/2006.

134    Wat ten eerste de voor de toekenning van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling te vervullen voorwaarden betreft, vereist artikel 3, lid 1, onder a), en lid 3, onder b), van verordening nr. 320/2006 dat de aanvragende suikerproducerende onderneming afstand doet van het door haar aan een of meer van haar fabrieken toegekende quotum, de fabriek sluit en de productie-installaties volledig ontmantelt. Voor de toekenning van herstructureringssteun voor gedeeltelijke ontmanteling vereist artikel 3, lid 1, onder b), en lid 4, onder b), van verordening nr. 320/2006 daarentegen van de aanvragende suikerproducerende onderneming dat zij afstand doet van het door haar aan een of meer van haar fabrieken toegekende quotum, de productie-installaties van de betrokken fabrieken gedeeltelijk ontmantelt en de resterende productie-installaties niet meer gebruikt voor de productie van producten die onder de gemeenschappelijke marktordening voor suiker vallen (hierna: „GMO voor suiker”).

135    Ten tweede wordt in artikel 4 van verordening nr. 968/2006 verduidelijkt op welke productie-installaties de ontmantelingsverplichting betrekking heeft.

136    Volgens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 968/2006 heeft de verplichting tot volledige ontmanteling bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 320/2006 betrekking op de installaties die nodig zijn om suiker, isoglucose of inulinestroop te produceren [artikel 4, lid 1, onder a), van verordening nr. 968/2006], op de installaties waarvan het gebruik rechtstreeks verband houdt met de productie van suiker, isoglucose of inulinestroop en die nodig zijn voor de productie van het quotum waarvan afstand wordt gedaan, ook al zouden zij bij de productie van andere producten kunnen worden gebruikt [artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 968/2006], en op alle andere installaties, zoals verpakkingsinstallaties, die ongebruikt blijven en om milieuredenen moeten worden ontmanteld en verwijderd [artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006].

137    Overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 320/2006 en overweging 4 van verordening nr. 968/2006, kunnen bij volledige ontmanteling dus alle installaties die niet nodig zijn om suiker, isoglucose of inulinestroop te produceren of waarvan het gebruik niet rechtstreeks verband houdt met de productie van deze producten, zoals verpakkingsinstallaties, bij wijze van uitzondering in stand worden gehouden, op voorwaarde dat zij gebruikt blijven worden en niet om milieuredenen moeten worden ontmanteld en verwijderd.

138    Voorts bepaalt artikel 4, lid 2, van verordening nr. 968/2006 dat bij gedeeltelijke ontmanteling de ontmantelingsverplichting betrekking heeft op de in lid 1 van dit artikel bedoelde installaties (zie punt 136 hierboven) die overeenkomstig het herstructureringsplan niet voor een andere productie of een ander gebruik van de fabriekslocatie bestemd zijn. Bovendien blijkt uit artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 320/2006 dat de productie-installaties die in stand kunnen worden gehouden, niet meer mogen worden gebruikt voor de productie van producten die onder de GMO voor suiker vallen. Bijgevolg kunnen, overeenkomstig artikel 4, lid 2, van verordening nr. 968/2006, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 320/2006, de installaties in stand worden gehouden die nodig waren om suiker, isoglucose of inulinestroop te produceren of waarvan het gebruik rechtstreeks verband hield met de productie van deze producten, op voorwaarde dat zij niet meer worden gebruikt voor de productie van producten die onder de GMO voor suiker vallen en overeenkomstig het herstructureringsplan bestemd zijn voor een andere productie of een ander gebruik van de fabriekslocatie.

139    Ten derde moeten de suikerproducerende ondernemingen de keuze tussen volledige en gedeeltelijke ontmanteling bij de aanvraag voor herstructureringssteun maken.

140    Uit artikel 4, lid 2, onder a), c), d) en e), en lid 3, onder c) en h), van verordening nr. 320/2006 juncto artikel 9, lid 2, onder a) en c), van verordening nr. 968/2006 volgt immers dat een aanvraag voor herstructureringssteun met name de verbintenis van de aanvrager van de steun moet bevatten om afstand te doen van het desbetreffende quotum en om de productie-installaties binnen een door de betrokken lidstaat vast te stellen termijn volledig of gedeeltelijk te ontmantelen, alsook een herstructureringsplan dat onder meer een volledige technische beschrijving van de betrokken productie-installaties, een samenvatting van de maatregelen en acties, de geschatte kosten van die maatregelen en acties, het financieringsplan en het tijdschema voor de verwezenlijking van de verschillende voorgenomen maatregelen moet inhouden.

141    Overeenkomstig de in punt 140 hierboven genoemde bepalingen moet de begunstigde van de steun dus uiterlijk op de datum waarop de herstructureringssteun voor volledige of gedeeltelijke ontmanteling wordt aangevraagd alle productie-installaties hebben aangewezen die hij overeenkomstig het herstructureringsplan zal ontmantelen. Wat de omstreden silo’s betreft, veronderstelt dit dus dat al bij de steunaanvraag moest worden bepaald of zij productie-installaties waren waarvan de ontmanteling, bij een aanvraag voor herstructureringssteun voor volledige ontmanteling, verplicht in het herstructureringsplan moest zijn opgenomen, of dat zij onder de door het Hof geformuleerde uitzonderingen vielen.

142    Elke andere uitlegging zou de zin ontnemen aan de vereisten van artikel 4 van verordening nr. 320/2006 en artikel 9 van verordening nr. 968/2006 en bovendien voorbijgaan aan het onderscheid dat de aan de orde zijnde regeling maakt tussen gedeeltelijke en volledige ontmanteling (zie punt 133 hierboven).

143    Indien, ten eerste, de suikerproducerende ondernemingen op de datum van de aanvraag voor herstructureringssteun niet weten of de op hun productielocaties aanwezige silo’s al dan niet productie-installaties zijn, worden deze, in strijd met artikel 4, lid 3, onder c), van verordening nr. 320/2006, niet als te ontmantelen productie-installaties in het herstructureringsplan vermeld (zie punt 140 hierboven).

144    Bovendien is dan de verbintenis om alle productie-installaties te ontmantelen, waarmee het verzoek om herstructureringssteun voor volledige ontmanteling gepaard dient te gaan (zie punt 140 hierboven), gebrekkig, omdat zij per definitie geen betrekking heeft op alle productie-installaties die bestonden op de dag waarop die verbintenis is aangegaan.

145    Indien, ten tweede, aan het einde van het herstructureringsproces wordt beoordeeld of de silo’s als productie-installaties moeten worden aangemerkt, kunnen, zowel bij volledige als bij gedeeltelijke ontmanteling, de silo’s die op de datum van de steunaanvraag productie-installaties waren, in stand worden gehouden, op grond dat zij na de herstructurering niet meer als suikerproductie-installaties zullen worden gebruikt. Bijgevolg zou de mogelijkheid om een deel van de productie-installaties in stand te houden niet langer kenmerkend zijn voor de gedeeltelijke ontmanteling, maar zich ook uitstrekken tot de volledige ontmanteling, terwijl de exploitanten, vanwege de hoge kosten van volledige ontmanteling, een bedrag aan herstructureringssteun zouden ontvangen dat 25 % hoger ligt dan het bedrag dat bij gedeeltelijke ontmanteling wordt toegekend, zoals blijkt uit artikel 3, lid 5, onder a) en b), van verordening nr. 320/2006 en overweging 4 van verordening nr. 968/2006.

146    Anders dan de Italiaanse Republiek, de Franse Republiek en Hongarije stellen, heeft de Commissie dus geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat de kwalificatie van de omstreden silo’s moest worden beoordeeld op de dag waarop de herstructureringssteun was aangevraagd.

147    Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de argumenten die de Italiaanse Republiek, de Franse Republiek en Hongarije aanvoeren.

148    In de eerste plaats stelt de Italiaanse Republiek, wat de voor het verpakken en inpakken bestemde silo’s betreft, dat het door de Commissie geformuleerde criterium niet in overeenstemming is met de door de aan de orde zijnde regeling nagestreefde doelstelling van behoud van de werkgelegenheid en van de activiteit van de bij de herstructurering betrokken ondernemingen. In dit verband herinnert zij eraan dat de aan de orde zijnde regeling uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om de verpakkingsactiviteit en de daartoe benodigde installaties te handhaven. Het staat volgens haar echter vast dat er voor de voortzetting van de verpakkingsactiviteit altijd silo’s nodig zijn. Indien derhalve een voor verpakking gebruikte silo wordt afgebroken, leidt dit, in strijd met de eerder genoemde doelstelling, tot staking van de activiteit van de betrokken onderneming en het verlies van banen.

149    In dit verband moet worden opgemerkt dat uit verschillende bepalingen van de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 het belang blijkt dat de Uniewetgever hecht aan de werkgelegenheidssituatie in de bij de herstructurering van de suikerindustrie betrokken regio’s. Uit artikel 3, lid 3, onder c), en lid 4, onder c), van verordening nr. 320/2006 volgt bijvoorbeeld dat er bij zowel volledige als gedeeltelijke ontmanteling van productie-installaties maatregelen moeten worden genomen om het elders tewerkstellen van werknemers te vergemakkelijken. Bovendien staat artikel 4, lid 2, van verordening nr. 968/2006, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 320/2006, bij gedeeltelijke ontmanteling toe dat productie-installaties in stand worden gehouden om ze te herbestemmen voor de productie van producten die niet onder de GMO voor suiker vallen (zie punt 138 hierboven), waardoor de werkgelegenheid op de vroegere suikerproductielocaties behouden kan blijven. Evenzo staat artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006, gelezen in het licht van overweging 4 van deze verordening, bij volledige ontmanteling toe om installaties te handhaven die niet nodig zijn om suiker, isoglucose of inulinestroop te produceren of waarvan het gebruik niet rechtstreeks verband houdt met de productie van deze producten, zoals verpakkingsinstallaties, en die gebruikt blijven worden en niet om milieuredenen moeten worden ontmanteld en verwijderd (zie punt 137 hierboven).

150    De doelstelling van behoud van de werkgelegenheid en van de activiteit van de bij de herstructurering betrokken ondernemingen moet evenwel samen worden beoordeeld met het hoofddoel van de aan de orde zijnde regeling, te weten inkrimping van de onrendabele productiecapaciteit voor suiker in de Unie, overeenkomstig overwegingen 1 en 5 van verordening nr. 320/2006 (zie punt 131 hierboven).

151    Bovendien kunnen de door de Italiaanse Republiek aangevoerde overwegingen van sociale aard geen rechtvaardiging vormen voor de door haar voorgestelde uitlegging van de aan de orde zijnde regeling, die voorbij gaat aan het wezenlijke onderscheid dat de Uniewetgever heeft willen aanbrengen tussen gedeeltelijke en volledige ontmanteling (zie punten 133, 134 en 145 hierboven) en derhalve in strijd is met die regeling.

152    Bijgevolg moet het argument van de Italiaanse Republiek worden afgewezen.

153    In de tweede plaats voeren de Italiaanse Republiek, de Franse Republiek en Hongarije in essentie aan dat zelfs indien de voor het verpakken of inpakken bestemde silo’s niet zijn afgebroken, aan de verplichting tot volledige ontmanteling van de productie-installaties kan zijn voldaan, wanneer afstand is gedaan van het productiequotum en derhalve de suikerproductie definitief is gestaakt.

154    Uit de punten 133, 134 en 145 hierboven blijkt dat de Uniewetgever, teneinde de met de aan de orde zijnde regeling nagestreefde inkrimping van de onrendabele productiecapaciteit van suiker in de Unie te verwezenlijken, heeft voorzien in twee verschillende herstructureringsregelingen, naargelang van het soort ontmanteling dat wordt uitgevoerd, waarvoor verschillende bedragen aan herstructureringssteun gelden. Zoals vermeld in de punten 139 tot en met 141 hierboven, impliceert de keuze tussen volledige en gedeeltelijke ontmanteling bovendien dat de onderneming die de herstructureringssteun aanvraagt, al bij die aanvraag alle op de betrokken locatie aanwezige productie-installaties aanwijst die zij vóór het einde van het herstructureringsproces volledig of gedeeltelijk zal afbreken.

155    De logica van het door de Uniewetgever ingevoerde systeem verlangt derhalve dat de te ontmantelen productie-installaties al bij de aanvraag voor herstructureringssteun worden aangewezen. Anders dan Hongarije stelt, is het door de Commissie geformuleerde criterium dus niet in tegenspraak met de opzet van de regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie.

156    Gelet op het voorgaande moeten de argumenten van de Italiaanse Republiek, de Franse Republiek en Hongarije worden afgewezen.

157    In de derde plaats verwijt de Italiaanse Republiek de Commissie in de brief van 28 maart 2014 van haar te hebben verlangd dat zij aantoonde dat de omstreden verpakkingssilo’s uitsluitend werden gebruikt voor het verpakken van door andere producenten geproduceerde suiker. De instandhouding van de voor verpakking bestemde silo’s werd volgens haar immers toegestaan door artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006 en het was derhalve irrelevant of de te verpakken suiker afkomstig was van andere producenten of van de exploitant van de installatie. Zij stelt voorts, in navolging van de Franse Republiek, dat uit punt 33 van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), volgt dat silo’s bestemd voor het inpakken of verpakken van suiker niet onder de kwalificatie productie-installaties vallen indien de in die silo’s opgeslagen suiker „elders geproduceerde quotumsuiker” is, terwijl, volgens punt 32 van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), voor opslagsilo’s is vereist dat de suiker van andere producenten is gekocht.

158    Ten eerste is in de punten 136 en 137 hierboven reeds aangegeven dat artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006 uitsluitend de instandhouding toestaat van installaties die geen productie-installaties zijn. De Commissie heeft de Italiaanse Republiek dus terecht in essentie verzocht om aan te tonen dat de omstreden verpakkingssilo’s, waarvan de aanwezigheid op de ontmantelde productielocaties was vastgesteld in het kader van onderzoek EX/2010/010/IT, op de datum van de aanvraag voor herstructureringssteun onder een van de door het Hof geformuleerde uitzonderingen viel en dat de kwalificatie productie-installatie daarop dus niet van toepassing was.

159    Ten tweede heeft het Hof in het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737EU:C:2013:737, punten 26 en 31), geoordeeld dat een silo die was gebruikt voor de opslag van suiker van de begunstigde van de steun, een installatie was die rechtstreeks verband hield met de productie van suiker in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 968/2006. Die silo viel dus niet onder de in artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006 bedoelde andere installaties, zoals verpakkingsinstallaties, waarvan de instandhouding bij volledige ontmanteling kan worden toegestaan indien zij gebruikt blijven worden en niet om milieuredenen moeten worden ontmanteld en verwijderd.

160    Silo’s die werden gebruikt voor de opslag van de productie van de begunstigde van de steun, kunnen op grond van artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006 dus niet in stand worden gehouden, aangezien dit alleen mogelijk is bij gedeeltelijke ontmanteling en op voorwaarde dat die silo’s na de herstructurering niet langer worden gebruikt voor de productie van producten die onder de GMO voor suiker vallen.

161    Gelet op het voorgaande moet ook het door Hongarije in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht aangevoerde argument worden afgewezen dat overweging 4 verordening nr. 968/2006 binnen de productie-installaties een subgroep van installaties onderscheidt „die geen deel uitmaken van de productielijn”, waaronder de silo’s voor de opslag van suiker, en die ongeacht de volledige of gedeeltelijke aard van de ontmanteling in stand mogen worden gehouden.

162    Ten derde heeft de Italiaanse Republiek tijdens de betrokken goedkeuringsprocedure niet aangetoond en zelfs niet gesteld dat de omstreden silo’s op de datum van de aanvraag voor herstructureringssteun werden gebruikt voor het inpakken en verpakken van suiker die de begunstigde van de steun op basis van een ander productiequotum elders had geproduceerd. Bijgevolg hoeft niet te worden geantwoord op het argument van de Italiaanse Republiek dat, in essentie, silo’s bestemd voor het inpakken of het verpakken van „elders geproduceerde quotumsuiker” onder een van de door het Hof geformuleerde uitzonderingen vallen, omdat hiermee niet de vaststelling van de Commissie wordt tegengesproken dat de omstreden silo’s op de datum van de aanvraag voor herstructureringssteun niet onder een van de door het Hof geformuleerde uitzonderingen vielen.

163    Bijgevolg moet het argument van de Italiaanse Republiek worden afgewezen.

164    In de vierde plaatst betoogt de Italiaanse Republiek in essentie dat de gevolgen van de door de Commissie toegepaste financiële correctie en van de ontmanteling van de omstreden silo’s onevenredig zijn aan de doelstellingen van de aan de orde zijnde regeling, die volledig zijn verwezenlijkt doordat afstand is gedaan van het quotum en als gevolg daarvan de suikerproductie definitief is gestaakt..

165    Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de aan de orde zijnde regeling alleen bij volledige ontmanteling verplicht tot afbraak van de productie-installaties, daaronder begrepen de silo’s die hebben gediend voor de opslag van door de begunstigde van de steun geproduceerde suiker. Een dergelijke verplichting lijkt niet onevenredig aan de doelstelling van inkrimping van de onrendabele productiecapaciteit voor suiker in de Unie die met de aan de orde zijnde regeling wordt nagestreefd.

166    Voorts is het bij gedeeltelijke ontmanteling toegestaan de silo’s die op de datum van de steunaanvraag als productie-installaties waren gekwalificeerd, in stand te houden. In dat geval hoeft de begunstigde van de steun de silo’s niet te ontmantelen en kan hij economische activiteiten blijven uitoefenen op de gedeeltelijk ontmantelde productielocatie. Om deze redenen ontvangt hij een bedrag aan herstructureringssteun dat 25 % lager ligt dan het bedrag dat hij bij volledige ontmanteling zou krijgen.

167    Overigens moet worden geconstateerd dat het bestreden besluit de Italiaanse Republiek niet verplicht tot afbraak van de omstreden silo’s, maar een financiële correctie van 25 % oplegt die gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van de herstructureringssteun voor volledige ontmanteling en dat van de herstructureringssteun voor gedeeltelijke ontmanteling.

168    Tot slot zij eraan herinnerd dat, wat de kwestie van de evenredigheid van de aan de orde zijnde regeling betreft, het Hof in het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737EU:C:2013:737), heeft opgemerkt dat deze regeling de producent de vrije keuze liet of hij wilde profiteren van de steun, voor welke fabriek hij afstand deed van zijn quotum en, in voorkomend geval, of hij de productie-installaties volledig of gedeeltelijk ontmantelde. Het heeft bovendien geoordeeld dat het voordeel dat de producent kon hebben van de herstructureringssteun dus voor een groot deel afhing van zijn eigen keuzen. Het heeft dan ook geconcludeerd dat de aan de orde zijnde regeling niet onevenredig was (arrest van 14 november 2013, SFIR e.a., C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737, punten 44‑46).

169    Bijgevolg moet het argument van de Italiaanse Republiek worden afgewezen.

170    In de vijfde plaats voeren de Franse Republiek en Hongarije aan dat het door de Commissie geformuleerde criterium geen rekening houdt met de seizoensgebondenheid van de suikerproductie en vragen oproept over de praktische toepasbaarheid van de door het Hof geformuleerde uitzonderingen. In dit verband herinneren zij eraan dat de aanvragen voor herstructureringssteun overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 320/2006 uiterlijk op 31 januari van het verkoopseizoen vóór het verkoopseizoen waarin afstand had moeten worden gedaan van het quotum bij de lidstaat moesten worden ingediend. Aangezien deze datum echter binnen het suikerproductieseizoen viel, was het zeer waarschijnlijk dat de silo’s, gelet op de werkings- en gebruikskenmerken ervan, nog werden gebruikt voor de productie van quotumsuiker van de aanvrager van de herstructureringssteun. Hongarije stelt dat het dus niet realistisch is dat de ondernemingen op die datum in de silo’s uitsluitend door anderen geproduceerde suiker hadden opgeslagen. De Franse Republiek voegt daaraan toe dat een onderneming slechts zelden op één en dezelfde plaats beschikt over een productie-installatie voor eigen quotumsuiker en over silo’s om quotumsuiker van andere producenten op te slaan, te verpakken of in te pakken.

171    Ten eerste betekent het feit dat het moeilijk is om reeds bij de aanvraag voor herstructureringssteun te voldoen aan de voorwaarden van de door het Hof geformuleerde uitzonderingen niet dat deze voorwaarden niet kunnen worden vervuld. De Commissie heeft overigens arrest nr. 2966 van 15 juni 2015 van de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) overgelegd, waaruit blijkt dat van de drie silo’s die aanwezig waren op de dag waarop de desbetreffende herstructureringssteun voor volledige ontmanteling werd aangevraagd, één silo werd gebruikt om de suiker op te slaan die op de productielocatie van de steunontvangende onderneming werd geproduceerd, terwijl de twee andere silo’s dienden voor het opslaan en verpakken van door andere producenten geproduceerde suiker.

172    Ten tweede is de handhaving van silo’s die geen productie-installaties zijn een uitzondering op de door het Hof in punt 30 van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737EU:C:2013:737), in herinnering gebrachte regel dat het betrokken industriecomplex voor de toekenning van volledige herstructureringssteun in zijn geheel buiten werking moet worden gesteld. Dat de silo’s bij de beoordeling van het gebruik ervan op de dag van de aanvraag voor herstructureringssteun bijna altijd als productie-installaties worden gekwalificeerd, is dus enkel het gevolg van het feit dat de mogelijkheid om andere dan productie-installaties niet te ontmantelen of in de toekomst zelfs te blijven gebruiken, met behoud van het recht op herstructureringssteun voor volledige ontmanteling, een uitzondering vormt op die door het Hof in herinnering gebrachte regel, die strikt moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 14 november 2013, SFIR e.a., (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737, punt 30).

173    Bijgevolg moeten de argumenten van de Franse Republiek en Hongarije worden afgewezen.

174    In de zesde plaats betoogt de Franse Republiek dat uit de in artikel 11 van verordening nr. 968/2006 opgenomen mogelijkheid om het herstructureringsplan aan te passen, volgt dat het specifieke gebruik dat van de gehandhaafde silo’s zal worden gemaakt tijdens het ontmantelingsproces kan wijzigen. Derhalve staat, volgens haar, de evolutieve aard van het ontmantelingsproces eraan in de weg dat het gebruik van de silo’s wordt beoordeeld op de datum van de steunaanvraag. Hongarije voert in essentie aan dat het door de Commissie geformuleerde criterium in tegenspraak is met de speelruimte waarover de suikerproducerende ondernemingen op grond van de toepasselijke regeling, en met name artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006, beschikken bij het opstellen en uitvoeren van de herstructureringsplannen.

175    Ten eerste mogen de speelruimte waarover de begunstigden van de steun bij het opstellen van het herstructureringsplan beschikken en de door artikel 11 van verordening nr. 968/2006 geboden mogelijkheid om dit plan aan te passen, geen afbreuk doen aan de bepalingen van de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 en, in het bijzonder, de in artikel 3, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 320/2006 vastgelegde hoofdverplichting om de productie-installaties te ontmantelen, die bij volledige ontmanteling inhoudt dat alle op de datum van de steunaanvraag bestaande productie-installaties worden afgebroken.

176    Ten tweede houden de argumenten van de Franse Republiek en Hongarije geen rekening met het onderscheid tussen volledige en gedeeltelijke ontmanteling, dat evenwel onlosmakelijk verbonden is met de aan de orde zijnde regeling (zie punten 133, 134 en 145 hierboven). De mogelijkheid om productie-installaties, waaronder silo’s, in stand te houden, bestaat echter alleen bij gedeeltelijke ontmanteling en tegen uitkering van een lager steunbedrag dan het bedrag dat bij ontmanteling van alle productie-installaties wordt uitgekeerd.

177    Bijgevolg moeten de argumenten van de Franse Republiek en Hongarije worden afgewezen.

178    In de zevende en laatste plaats betoogt de Franse Republiek in essentie dat uit het gebruik van de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd in de Franse versie van de uitdrukking „productie-installaties die niet [...] zullen worden gebruikt” in artikel 3, lid 4, onder b), van verordening nr. 320/2006 volgt dat de voorwaarde die verband houdt met het gebruik van de op een productielocatie gehandhaafde installaties, niet kan worden beoordeeld op de datum van de aanvraag voor herstructureringssteun.

179    Er zij aan herinnerd dat het volgens artikel 3, lid 4, onder b), van verordening nr. 320/2006 bij gedeeltelijke ontmanteling is toegestaan om een deel van de productie-installaties te handhaven en de installaties te ontmantelen die per definitie na de herstructurering niet langer door de begunstigde van de steun zullen worden gebruikt. Bovendien preciseert artikel 4, lid 2, van verordening nr. 968/2006 in dit verband dat alle installaties moeten worden ontmanteld „die overeenkomstig het herstructureringsplan niet voor een andere productie of een ander gebruik van de fabriekslocatie bestemd zijn”.

180    Uit de in punt 179 hierboven genoemde bepalingen, in hun onderlinge samenhang gelezen, blijkt derhalve dat de begunstigde van herstructureringssteun voor gedeeltelijke ontmanteling al bij de aanvraag voor herstructureringssteun moet weten welke productie-installaties hij na de herstructurering niet meer wil gebruiken en deze in het herstructureringsplan moet noemen.

181    In deze context kan het gebruik van de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd in de Franse versie van artikel 3, lid 4, onder b), van verordening nr. 320/2006 geen beletsel vormen voor het door de Commissie geformuleerde criterium.

182    Bijgevolg moet het argument van de Franse Republiek worden afgewezen.

183    Aangezien geen van de argumenten van de Italiaanse Republiek, van de Franse Republiek en van Hongarije gegrond is, moet het tweede onderdeel van het tweede middel, en derhalve het tweede middel in zijn geheel, worden afgewezen.

 Derde middel: schending van het vertrouwensbeginsel, van de beginselen van loyale samenwerking, ne bis in idem en behoorlijk bestuur, en van de zorgplicht

184    Het derde middel bestaat in essentie uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel is ontleend aan schending van het vertrouwensbeginsel, van de beginselen van loyale samenwerking en behoorlijk bestuur en van de zorgplicht. Het tweede onderdeel betreft schending van het ne-bis-in-idembeginsel.

185    Eerst dient het tweede onderdeel en vervolgens het eerste onderdeel van het derde middel te worden onderzocht.

 Tweede onderdeel van het derde middel: schending van het ne-bis-in-idembeginsel

186    De Italiaanse Republiek beroept zich op schending van het ne-bis-in-idembeginsel omdat, in essentie, het eerdere onderzoek EX/2008/008/IT van de Commissie dezelfde kwesties betrof als die welke voorwerp waren van onderzoek EX/2010/010/IT.

187    De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek.

188    Zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de vraag of het ne-bis-in-idembeginsel van toepassing is in het kader van de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, moet ten eerste, in navolging van de Commissie, worden vastgesteld dat de onderzoeken EX/2008/008/IT en EX/2010/10/IT verschillende doelstellingen hadden. Uit de opdrachtbrief voor onderzoek EX/2008/008/IT, door de Commissie aan de Italiaanse autoriteiten gestuurd bij faxbericht van 10 oktober 2008, blijkt immers dat de Commissie vooral de controles op de productie en het verkeer van suiker vanaf het verkoopseizoen 2006/2007 wenste te onderzoeken en bespreken, alsook de bestaande controleverslagen. Uit de opdrachtbrief voor onderzoek EX/2010/10/IT, door de Commissie aan de Italiaanse autoriteiten gestuurd bij faxbericht van 30 augustus 2010, blijkt daarentegen dat de Commissie de productielocaties wilde bezoeken van de Italiaanse ondernemingen die herstructureringssteun ontvingen, de controle op de maatregelen voor de herstructurering van de suikerindustrie wilde bespreken en de geselecteerde betalingen wilde onderzoeken.

189    Wat onderzoek EX/2008/008/IT betreft, moet voorts worden opgemerkt dat de Commissie de Italiaanse autoriteiten op 8 april 2009 een mededeling in de zin van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 had gestuurd, bestaande uit een brief en een bijlage, waarbij zij de Italiaanse autoriteiten overeenkomstig deze bepaling in kennis stelde van de in die bijlage uiteengezette resultaten van dat onderzoek. Hierin werd onder meer aangegeven dat „over het geheel genomen, de betrokken productielocaties van Eridania [Sadam] reeds [waren] afgebroken[, dat] er [...] ter plaatse nog een aantal opslagsilo’s en verpakkingsmachines in bedrijf [waren]” en dat „[er] volgens de inspecteurs [...] tot op dat moment geen problemen [waren] geweest”. Dit citaat uit de bijlage bij de mededeling van 8 april 2009 verwijst echter naar uitspraken die de technische inspecteurs van de Agenzia per le Erogazioni in Agricoltura (AGEA, dienst voor steunverlening in de landbouwsector, Italië) tijdens het bezoek van de Commissie aan het hoofdkantoor van de onderneming Eridania Sadam hadden gedaan en die de Commissie enkel heeft weergegeven in het kader van de uiteenzetting van de resultaten van onderzoek EX/2008/008/IT, zonder hieruit consequenties te trekken.

190    Bovendien kan uit het feit dat de Commissie in het kader van onderzoek EX/2008/008/IT heeft gevraagd om overlegging van de controleverslagen en van gegevens betreffende de herstructureringsplannen van twee aan het herstructureringsprogramma deelnemende Italiaanse ondernemingen, niet worden afgeleid dat de Commissie zich had gebogen over de kwestie van de daadwerkelijke ontmanteling van alle productie-installaties, daaronder begrepen de omstreden silo’s.

191    Ten tweede heeft de Italiaanse Republiek, in het kader van onderzoek EX/2010/010/IT, in haar opmerkingen van 2 november 2011 over de notulen van de bilaterale vergadering van 4 mei 2011 (zie punt 28 hierboven) uitdrukkelijk gesteld dat dit onderzoek en onderzoek EX/2008/008/IT van elkaar verschilden en met name dat de eerste mededeling van 9 december 2010 enerzijds geen enkele verwijzing bevatte naar onderzoek EX/2008/008/IT of de in dat kader uitgevoerde inspecties, en anderzijds alleen feiten of omstandigheden vermeldde die uitsluitend tijdens onderzoek EX/2010/010/IT waren vastgesteld.

192    Gelet op het voorgaande, moet de grief inzake schending van het ne-bis-in-idembeginsel worden afgewezen.

 Eerste onderdeel van het derde middel: schending van het vertrouwensbeginsel, van de beginselen van loyale samenwerking en behoorlijk bestuur, en van de zorgplicht

193    De Italiaanse Republiek betoogt in essentie dat de Commissie in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel, met de beginselen van loyale samenwerking en behoorlijk bestuur en met de zorgplicht, doordat zij op de hoogte was van het standpunt van de Italiaanse autoriteiten met betrekking tot de instandhouding van de omstreden silo’s bij volledige ontmanteling, maar hiertegen tot aan onderzoek EX/2010/010/IT geen bezwaar heeft gemaakt. Het feit dat de kwestie van de omstreden silo’s opnieuw is opgenomen in onderzoek EX/2010/010/IT vormt volgens haar eveneens schending van de beginselen van loyale samenwerking en behoorlijk bestuur, en van de zorgplicht.

194    De Franse Republiek stelt dat de Commissie het beginsel van loyale samenwerking heeft geschonden omdat zij, hoewel haar uitlegging van het begrip „productie-installaties” in de loop van de tijd was gewijzigd, niet alle lidstaten daarvan in kennis had gesteld, hetgeen volgens de Franse Republiek heeft geleid tot een ongelijke behandeling van deze landen.

195    De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek. Zij is voorts van mening dat de argumenten die de Franse Republiek ter ondersteuning van de grief inzake schending van het beginsel van loyale samenwerking aanvoert, een middel vormen dat niet is opgeworpen door de Italiaanse Republiek en derhalve niet-ontvankelijk is.

196    In de eerste plaats moet, om de redenen uiteengezet in de punten 188 tot en met 191 hierboven, het argument van de Italiaanse Republiek dat de Commissie de kwestie van de omstreden silo’s strijd met de beginselen van loyale samenwerking en behoorlijk bestuur en met de zorgplicht opnieuw heeft opgenomen in onderzoek EX/2010/010/IT, worden afgewezen.

197    In de tweede plaats moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 4, lid 3, VEU de Unie en de lidstaten elkaar krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren en steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien.

198    Het beginsel van loyale samenwerking is naar zijn aard wederkerig. Het verplicht de lidstaten immers alle dienstige maatregelen te nemen om de draagwijdte en de doeltreffendheid van het Unierecht te waarborgen en verlangt dat de instellingen van de Unie en de lidstaten over en weer loyaal samenwerken (arresten van 16 oktober 2003, Ierland/Commissie, C‑339/00, EU:C:2003:545, punten 71 en 72, en 6 november 2014, Griekenland/Commissie, T‑632/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:934, punt 34).

199    Uit de in punt 198 hierboven aangehaalde rechtspraak volgt in casu dat het aan de lidstaten stond om de onzekerheden over de juiste toepassing van de aan de orde zijnde regeling weg te nemen door, in voorkomend geval, de Commissie te raadplegen over de mogelijkheid om herstructureringssteun voor volledige ontmanteling te verlenen aan ondernemingen die silo’s in stand wensten te houden, temeer omdat volgens artikel 5 van verordening nr. 320/2006 het besluit over de toekenning van herstructureringssteun wordt genomen door de lidstaat waarbij de steunaanvraag is gedaan.

200    Bij twijfel over de juiste toepassing van de aan de orde zijnde regeling stond het dus aan de Italiaanse Republiek om de Commissie te raadplegen.

201    Uit de stukken van de zaak blijkt echter niet dat de Italiaanse Republiek de Commissie uitdrukkelijk heeft gevraagd naar de mogelijkheid om de omstreden silo’s in stand te houden en in aanmerking te komen voor herstructureringssteun voor volledige ontmanteling. Met name staat vast dat deze vraag niet door de Italiaanse autoriteiten was gesteld in het faxbericht van 22 maart 2006, dat aan de Commissie was gezonden om duidelijkheid te verkrijgen over de uitlegging van het ontwerp van verordening nr. 968/2006, in het bijzonder wat de volledige ontmanteling betreft. Het rapport van het Bemiddelingsorgaan van 10 februari 2013 (zie punt 30 hierboven) bevestigt voorts dat de Italiaanse Republiek niet behoorde tot de zes lidstaten die specifieke vragen hebben gesteld over het opnemen van silo’s in de ontmantelingsoperaties.

202    Anders dan de Italiaanse Republiek betoogt, was de Commissie dus niet verplicht om haar vóór onderzoek EX/2010/010/IT in kennis te stellen van haar standpunt over de ontmanteling van de omstreden silo’s.

203    Gelet op het voorgaande dient ook het in punt 194 hierboven weergegeven betoog van de Franse Republiek te worden afgewezen, aangezien, overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking, niet van de Commissie kon worden verlangd dat zij haar standpunt over de ontmanteling van silo’s aan alle lidstaten bekend maakte.

204    Tot slot kunnen, volgens artikel 40, vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat krachtens artikel 53 van dat Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, de conclusies van het verzoek tot interventie slechts strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen. Bovendien bepaalt artikel 145, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering dat de memorie in interventie met name de conclusies van de interveniënt, strekkende tot gehele of gedeeltelijke ondersteuning van de conclusies van een van de hoofdpartijen, bevat, alsmede de door de interveniënt aangevoerde middelen en argumenten.

205    Volgens de rechtspraak verlenen deze bepalingen de interveniënt het recht om niet alleen argumenten, maar ook middelen zelfstandig voor te dragen, voor zover deze de vorderingen van een der partijen ondersteunen en niet volkomen losstaan van de overwegingen waarop het geschil is gebaseerd, zoals dat is ontstaan tussen de verzoekende en de verwerende partij, hetgeen zou leiden tot een wijziging van het voorwerp ervan (zie arresten van 20 september 2011, Regione autonoma della Sardegna/Commissie, T‑394/08, T‑408/08, T‑453/08 en T‑454/08, EU:T:2011:493, punten 41 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 januari 2016, Doux/Commissie, T‑434/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:7, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

206    Door in casu in essentie te betogen dat het ontbreken van een mededeling aan alle lidstaten van het standpunt van de Commissie over de verplichting tot ontmanteling van silo’s voor het verkrijgen van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling heeft geleid tot een ongelijke behandeling van die staten, voert de Franse Republiek een zelfstandig middel aan dat geen grondslag vindt in het verzoekschrift of het verweerschrift.

207    Hieruit volgt dat het door de Franse Republiek aangevoerde middel geen verband houdt met het voorwerp van het geding zoals afgebakend door de hoofdpartijen en dus het kader van dit geding wijzigt. Het moet bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van de in punt 205 hierboven aangehaalde rechtspraak.

208    Wat in de derde plaats het vertrouwensbeginsel betreft, blijkt uit vaste rechtspraak dat het recht om zich daarop te beroepen toekomt aan iedere particulier die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt dat een instantie van de Unie, door hem nauwkeurige toezeggingen te doen, bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt. Als dergelijke toezeggingen zijn derhalve aan te merken nauwkeurige, onvoorwaardelijke, onderling overeenstemmende en van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstige inlichtingen, ongeacht de vorm waarin zij worden meegedeeld. Daarentegen kan niemand met succes aanvoeren dat dit beginsel is geschonden wanneer nauwkeurige toezeggingen van de administratie ontbreken (zie arresten van 12 september 2012, Griekenland/Commissie, T‑356/08, niet gepubliceerd, EU:T:2012:418, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 november 2015, Italië/Commissie, T‑255/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:838, punt 143 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

209    In casu moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek niet heeft aangetoond dat de Commissie haar nauwkeurige toezeggingen heeft gedaan over de mogelijkheid om de omstreden silo’s bij volledige ontmanteling in stand te houden.

210    Ten eerste mag het feit dat de Commissie tijdens onderzoek EX/2008/008/IT geen bezwaar heeft gemaakt tegen de handhaving van de omstreden silo’s, niet worden gelijkgesteld met een standpuntbepaling van de instelling waarbij zij instemt met de uitlegging van de aan de orde zijnde regeling door de Italiaanse autoriteiten. Zij hadden immers alleen op grond van een uitdrukkelijke en duidelijke verklaring van de Commissie mogen concluderen dat deze instelling met de handhaving van de omstreden silo’s had ingestemd (zie in die zin en naar analogie arrest van 14 december 2011, Spanje/Commissie, T‑106/10, niet gepubliceerd, EU:T:2011:740, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

211    Ten tweede blijkt uit punt 189 hierboven dat de Commissie, anders dan de Italiaanse Republiek stelt, tijdens onderzoek EX/2008/008/IT niet de aanwezigheid van silo’s op de productielocaties van bepaalde Italiaanse ondernemingen heeft vastgesteld en enkel nota heeft genomen van de informatie die dienaangaande door de technische inspecteurs van de AGEA was verstrekt. Afgezien daarvan moet eraan worden herinnerd dat de uitvoering van de herstructureringsregeling op dat moment nog gaande was en de instandhouding van de silo’s dus niet onrechtmatig was (zie punt 74 hierboven).

212    Ten derde vormt de door de Italiaanse Republiek aangevoerde omstandigheid dat de Commissie geen bezwaar heeft gemaakt bij de ontvangst van het afschrift van de door de begunstigden van de steun vastgestelde en door de Italiaanse autoriteiten goedgekeurde herstructureringsplannen, waaruit het voornemen om de omstreden silo’s in stand te houden, bleek, geen nauwkeurige toezegging in de zin van de in punt 208 hierboven aangehaalde rechtspraak.

213    Enerzijds vormt in dit verband de afwezigheid van bezwaar van de Commissie geen uitdrukkelijke en duidelijke verklaring in de zin van de in punt 210 hierboven aangehaalde rechtspraak dat deze instelling met de handhaving van de omstreden silo’s had ingestemd. Anderzijds zij eraan herinnerd dat volgens artikel 5 van verordening nr. 320/2006 het besluit over de toekenning van herstructureringssteun wordt genomen door de lidstaten en niet door de Commissie. Bovendien blijkt uit artikel 9 van verordening nr. 968/2006 dat alleen de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van aanvragen voor herstructureringssteun en voor het onderzoek van de vraag of de herstructureringsplannen voldoen aan alle in artikel 9, lid 2, van die verordening vermelde voorwaarden. Tot slot moet in navolging van de Commissie worden vastgesteld dat de instelling krachtens artikel 10, lid 4, en artikel 11, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 968/2006 een kopie ontvangt van de door de lidstaten goedgekeurde herstructureringsplannen, zonder dat wordt verlangd dat zij opmerkingen over die plannen formuleert.

214    Ter terechtzitting heeft de Commissie uitgelegd dat zij bij de ontvangst van herstructureringsplannen een controle voor „statistische” doeleinden, in de economische zin van het woord, uitvoerde, die vooral was gericht op het verifiëren van de gevolgen van de herstructurering van de betrokken onderneming voor de vermindering van de quota en de aanwending van de budgetten. De overeenstemming van de uitvoering van de herstructurering met de aan de orde zijnde regeling werd daarentegen pas later onderzocht, dat wil zeggen nadat de in het herstructureringsplan opgenomen maatregelen waren uitgevoerd.

215    Bijgevolg moet de grief inzake schending van het vertrouwensbeginsel worden afgewezen.

216    In de vierde en laatste plaats voert de Italiaanse Republiek schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de zorgplicht aan, in essentie op de grond dat de Commissie al vóór onderzoek EX/2010/010/IT wist dat de Italiaanse ondernemingen die herstructureringssteun voor volledige ontmanteling ontvingen de omstreden silo’s wilden behouden, maar vóór de eerste mededeling van 9 december 2010 geen enkel bezwaar heeft gemaakt.

217    In herinnering zij gebracht dat tot de door het Unierecht in administratieve procedures geboden waarborgen met name het beginsel van behoorlijk bestuur behoort, dat is neergelegd in artikel 41 van het op 7 december 2000 te Nice uitgevaardigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB 2000, C 364, blz. 1), waaraan de verplichting van de bevoegde instelling is verbonden om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie arrest van 27 september 2012, Applied Microengineering/Commissie, T‑387/09, EU:T:2012:501, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

218    Aan het beginsel van behoorlijk bestuur is ook de zorgplicht van de administratie verbonden (conclusie van advocaat-generaal Van Gerven in de zaak Nölle, C‑16/90, EU:C:1991:233, punt 28). In het bijzonder blijkt uit de rechtspraak dat de zorgplicht met name inhoudt dat wanneer een instelling beslist over de situatie van een ambtenaar of personeelslid, zij alle gegevens in aanmerking moet nemen die haar besluit kunnen beïnvloeden en daarbij niet alleen rekening moet houden met het belang van de dienst, maar ook met het belang van de betrokken ambtenaar (zie arrest van 5 december 2006, Angelidis/Parlement, T‑416/03, EU:T:2006:375, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

219    In casu blijkt ten eerste niet uit het dossier dat de Commissie vóór onderzoek EX/2010/010/IT de kwestie van de daadwerkelijke ontmanteling van alle productie-installaties door de aan de herstructureringsregeling deelnemende Italiaanse ondernemingen heeft onderzocht (zie punten 188 tot en met 190 hierboven). In dit verband moet eraan worden herinnerd dat vóór onderzoek EX/2010/010/IT de handhaving van silo’s niet onrechtmatig was omdat de uitvoering van de herstructureringsregeling nog gaande was (zie punt 211 hierboven). Ten tweede is, anders dan de Italiaanse Republiek stelt, niet aangetoond dat de Commissie vóór onderzoek EX/2010/010/IT ervan op de hoogte was dat de Italiaanse ondernemingen die herstructureringssteun voor volledige ontmanteling ontvingen, de omstreden silo’s na de ontmantelingsoperaties in stand wilden houden. Ten derde stond het bij twijfel over de juiste toepassing van de aan de orde zijnde regeling aan de Italiaanse Republiek om de Commissie te raadplegen, hetgeen zij echter niet heeft gedaan (zie punten 199 tot en met 201 hierboven). Derhalve kan de Commissie niet worden verweten dat zij de Italiaanse autoriteiten pas in de eerste mededeling van 9 december 2010 van haar standpunt over de ontmanteling van de omstreden silo’s in kennis heeft gesteld. Bijgevolg heeft de Italiaanse Republiek geen schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de zorgplicht aangetoond.

220    Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het derde middel, en dus het derde middel in zijn geheel, worden afgewezen.

 Vierde middel: schending van artikel 31, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1290/2005, van artikel 11, lid 3, tweede alinea, en hoofdstuk 3 van verordening nr. 885/2006, van de richtsnoeren van de Commissie in document VI/5330/97 en van de motiveringsplicht

221    Het vierde middel bestaat in essentie uit twee onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan schending van de motiveringsplicht, van artikel 31, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1290/2005 en van artikel 11, lid 3, tweede alinea, en hoofdstuk 3 van verordening nr. 885/2006, en aan het ontbreken van onderzoek van het standpunt van het Bemiddelingsorgaan, en het tweede aan schending van de richtsnoeren van de Commissie in document VI/5330/97.

 Eerste onderdeel van het vierde middel, in essentie ontleend aan schending van de motiveringsplicht, van artikel 31, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1290/2005 en van artikel 11, lid 3, tweede alinea, en hoofdstuk 3 van verordening nr. 885/2006, en aan het ontbreken van een onderzoek van het standpunt van het Bemiddelingsorgaan

222    De Italiaanse Republiek betoogt in essentie dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 31, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1290/2005 en met artikel 11, lid 3, tweede alinea, en hoofdstuk 3 van verordening nr. 885/2006. Zij beroept zich bovendien, in essentie, op het ontbreken van een onderzoek van het standpunt van het Bemiddelingsorgaan en op een ontoereikende motivering van het bestreden besluit op dit punt.

223    De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek.

224    Wat in de eerste plaats de vermeende schending van artikel 31, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1290/2005 en van artikel 11, lid 3, tweede alinea, en hoofdstuk 3 van verordening nr. 885/2006 betreft, moet in navolging van de Commissie worden opgemerkt dat de Italiaanse Republiek enkel heeft gesteld dat die schendingen zijn begaan, zonder die stelling te staven.

225    Volgens artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering moet het verzoekschrift, naast het voorwerp van het geschil, de aangevoerde middelen en argumenten alsmede een summiere uiteenzetting van deze middelen bevatten, die in casu ontbreken.

226    Derhalve moet de grief van de Italiaanse Republiek inzake schending van artikel 31, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1290/2005 en van artikel 11, lid 3, tweede alinea, en hoofdstuk 3 van verordening nr. 885/2006 niet-ontvankelijk worden verklaard.

227    Wat in de tweede plaats de grief betreft dat de Commissie het door het Bemiddelingsorgaan in zijn rapport geformuleerde standpunt niet heeft onderzocht, moet eraan worden herinnerd dat in artikel 31, lid 3, van verordening nr. 1290/2005 het volgende is bepaald:

„Voordat enig besluit tot weigering van financiering wordt genomen, doet de Commissie schriftelijk mededeling van de resultaten van haar verificaties, en de betrokken lidstaat van zijn antwoorden daarop, waarna beide partijen pogen overeenstemming te bereiken over de te nemen maatregelen.

Wordt geen overeenstemming bereikt, dan kan de lidstaat verzoeken om opening van een procedure die tot doel heeft de respectieve standpunten binnen een termijn van vier maanden tot elkaar te brengen en waarvan de resultaten worden vermeld in een verslag dat aan de Commissie wordt meegedeeld en door haar wordt onderzocht voordat zij een besluit neemt over een eventuele weigering van financiering.”

228    Uit deze bepaling volgt dat de Commissie, alvorens een besluit tot weigering van financiering te nemen, het verslag van het Bemiddelingsorgaan uitsluitend hoeft te „onderzoeken” en dat dit rapport voor haar dus niet bindend is.

229    Bovendien blijkt in casu uit het rapport van het Bemiddelingsorgaan van 10 februari 2013 dat het Bemiddelingsorgaan, gelet op de uitleggingsmoeilijkheden van de aan de orde zijnde regeling waarmee de Commissie zelf te maken had gehad, de Commissie had verzocht te overwegen om de financiële correctie op grond van document VI/5330/97 te verlagen of geheel achterwege te laten.

230    In de brief van 28 maart 2014, die door de Commissie aan de Italiaanse autoriteiten was gezonden naar aanleiding van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), heeft de Commissie echter in essentie de mogelijkheid om de correctie wegens uitleggingsmoeilijkheden van de aan de orde zijnde regeling te verlagen of geheel achterwege te laten, afgewezen door met name aan te voeren dat de meeste van de 23 lidstaten die aan de regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie hadden deelgenomen, die regeling duidelijk aldus hadden uitgelegd dat zij tot ontmanteling van de silo’s verplichtte, en dat de aan de orde zijnde regeling dus geen uitleggingsprobleem opwierp.

231    Daarmee heeft de Commissie dus impliciet maar noodzakelijkerwijs een standpunt ingenomen over het advies van het Bemiddelingsorgaan in diens rapport.

232    Tot slot kan, anders dan de Italiaanse Republiek stelt, een toereikende motivering bestaan in een letterlijke weergave van reeds door de Commissie geformuleerde opmerkingen.

233    Bijgevolg kan de Italiaanse Republiek zich niet met succes beroepen op het ontbreken van een onderzoek van het standpunt van het Bemiddelingsorgaan en evenmin op een gebrekkige motivering van het bestreden besluit met betrekking tot dit standpunt.

234    Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het vierde middel worden afgewezen.

 Tweede onderdeel van het vierde middel: schending van de richtsnoeren in document VI/5330/97

235    De Italiaanse Republiek, ondersteund door de Franse Republiek en door Hongarije, verwijt de Commissie in strijd te hebben gehandeld met de richtsnoeren in document VI/5330/97, in essentie omdat de Commissie, gelet op ten eerste de objectieve moeilijkheden bij de uitlegging van de aan de orde zijnde regeling wat de kwestie van de instandhouding van silo’s bij volledige ontmanteling betreft, en ten tweede de onmiddellijk door de Italiaanse autoriteiten genomen maatregelen om de door haar geconstateerde onregelmatigheden te verhelpen, het bedrag van de financiële correctie in verband met de herstructurering van de suikerindustrie had moeten verlagen of zelfs van elke correctie had moeten afzien, overeenkomstig de richtsnoeren in document VI/5330/97. Zij merkt in dit verband op dat deze oplossing ook in overeenstemming zou zijn geweest met de beginselen van billijkheid en behoorlijk bestuur.

236    De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek.

237    Volgens bijlage 2 bij document VI/5330/97, met het opschrift „Financiële consequenties van gebrekkige controle door de lidstaten voor de goedkeuring van de rekeningen [van de afdeling Garantie] van het EOGFL”, moeten financiële correcties worden toegepast wanneer de Commissie vaststelt dat de lidstaten hebben nagelaten de controles uit te voeren die de toepasselijke verordeningen specifiek voorschrijven of die in elk geval van wezenlijk belang zijn om de regelmatigheid van de uitgaven uit hoofde van de afdeling Garantie van het EOGFL te kunnen waarborgen.

238    In bijlage 2 bij document VI/5330/97 wordt in de tweede alinea van het onderdeel „Grensgevallen” (hierna: „grensgeval bedoeld in bijlage 2 bij document VI/5330/97”) het volgende bepaald:

„Wanneer de tekortkomingen het gevolg waren van moeilijkheden bij de interpretatie van de voorschriften van de Gemeenschap, behalve in gevallen waarin redelijkerwijs mag worden verwacht dat de lidstaat dergelijke moeilijkheden met de Commissie bespreekt, en wanneer de nationale autoriteiten doeltreffende maatregelen hebben getroffen om de tekortkomingen te verhelpen zodra zij aan het licht kwamen, kunnen verzachtende omstandigheden in aanmerking worden genomen, en kan worden voorgesteld een lager correctiepercentage of helemaal geen correctie toe te passen.”

239    Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat indien de instelling in kwestie, in dit geval de Commissie, administratieve gedragsregels vaststelt waarmee externe gevolgen worden beoogd, zoals de richtsnoeren in document VI/5330/97, en via publicatie of, zoals in casu, mededeling daarvan aan de lidstaten te kennen geeft dat zij deze voortaan op de desbetreffende gevallen zal toepassen, zij grenzen stelt aan de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid en niet van deze regels kan afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen zoals het beginsel van gelijke behandeling, het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat dergelijke gedragsregels van algemene strekking, onder bepaalde voorwaarden en naargelang van de inhoud ervan, rechtsgevolgen kunnen sorteren en dat met name de overheid in een concreet geval daarvan alleen mag afwijken onder opgaaf van redenen die verenigbaar zijn met de algemene rechtsbeginselen, zoals het beginsel van gelijke behandeling of het vertrouwensbeginsel, op voorwaarde dat een dergelijke benadering niet in strijd is met andere hogere regels van het Unierecht [zie in die zin arresten van 9 september 2011, Griekenland/Commissie, T‑344/05, niet gepubliceerd, EU:T:2011:440, punt 192; 16 september 2013, Spanje/Commissie, T‑3/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:473, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 juli 2014, Griekenland/Commissie, T‑376/12, EU:T:2014:623, punt 106 (niet gepubliceerd)].

240    Voorts moet worden opgemerkt dat het grensgeval bedoeld in bijlage 2 bij document VI/5330/97 een wegingsfactor is die niet automatisch recht geeft op toepassing ervan. Zoals blijkt uit de bewoordingen van document VI/5330/97, waarin het is geformuleerd, gelden voor de toepassing ervan immers de volgende voorwaarden: de tekortkoming die de Commissie tijdens de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen heeft vastgesteld, moet voortvloeien uit moeilijkheden bij de uitlegging van de regeling van de Europese Unie, en de nationale autoriteiten moeten het nodige hebben gedaan om de tekortkoming te verhelpen zodra deze door de Commissie werd vastgesteld.

241    Wat de eerste toepassingsvoorwaarde van het grensgeval bedoeld in bijlage 2 bij document VI/5330/97 betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat de Italiaanse Republiek, de Franse Republiek en Hongarije hebben aangevoerd dat verschillende lidstaten moeilijkheden hadden ondervonden bij de uitlegging van de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006, met name met betrekking tot het begrip „productie-installaties” en de mogelijkheid om bij volledige ontmanteling van een suikerproductielocatie de opslagsilo’s in stand te houden. De Franse Republiek en Hongarije hebben tevens aangevoerd dat de Commissie zelf uitleggingsmoeilijkheden had ondervonden en dat haar standpunt in de loop van de tijd was gewijzigd. Bovendien meende het Bemiddelingsorgaan dat de Commissie uitleggingsmoeilijkheden had ondervonden, aangezien zij haar juridische dienst in 2006 om advies had gevraagd. Tot moet worden vastgesteld dat in het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), uitsluitend antwoord is gegeven op de vraag onder welke voorwaarden een silo niet viel onder de kwalificatie productie-installatie, waarvoor de ontmantelingsverplichting gold, maar niet is geoordeeld over de vraag op welk tijdstip het gebruik van de silo’s moest worden beoordeeld en evenmin over de vraag of de ontmantelingsverplichting noodzakelijkerwijs inhield dat de productie-installaties moesten worden afgebroken.

242    Gelet op de in punt 241 hierboven vermelde omstandigheden, en anders dan de Commissie stelt, moet worden geconstateerd dat de aan de orde zijnde regeling uitleggingsmoeilijkheden deed rijzen wat de kwestie van de instandhouding van silo’s bij volledige ontmanteling betreft.

243    Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door het argument van de Commissie dat zij altijd volkomen consistente informatie over de ontmantelingsverplichting voor silo’s heeft verstrekt aan de lidstaten die haar hierom hadden gevraagd, welk argument niet is onderbouwd en hoe dan ook geen gevolgen heeft voor de vaststelling dat er sprake was van objectieve moeilijkheden bij de uitlegging van de aan de orde zijnde regeling wat de kwestie van de instandhouding van silo’s bij volledige ontmanteling betreft.

244    In casu is de eerste voorwaarde voor toepassing van het grensgeval bedoeld in bijlage 2 bij document VI/5330/97 dus vervuld.

245    Wat de tweede toepassingsvoorwaarde van het grensgeval bedoeld in bijlage 2 bij document VI/5330/97 betreft, dat de lidstaat meteen na het vaststellen van de tekortkoming maatregelen moet hebben genomen om deze te verhelpen, moet worden opgemerkt dat de Italiaanse Republiek onmiddellijk maatregelen heeft genomen om zich te voegen naar het standpunt van de Commissie in de eerste mededeling van 9 december 2010, door de AGEA te verzoeken de vrijgave van de overeenkomstig artikel 16 van verordening nr. 968/2006 door de begunstigden van de herstructureringssteun gestelde zekerheden op te schorten. Bovendien heeft de Italiaanse Republiek de brieven overgelegd die door de AGEA waren toegezonden aan de Italiaanse ondernemingen die herstructureringssteun ontvingen, waarin was aangegeven dat de AGEA de zekerheden niet kon vrijgegeven en waarin zij werden gemaand om de silo’s vóór 30 september 2011 af te breken.

246    De tweede toepassingsvoorwaarde van het grensgeval bedoeld in bijlage 2 bij document VI/5330/97 was dus eveneens vervuld.

247    Uit het gebruik van het werkwoord „kunnen” in de bewoordingen van het grensgeval bedoeld in bijlage 2 bij document VI/5330/97 volgt evenwel dat de Commissie over een beoordelingsbevoegdheid voor de toepassing ervan beschikt en derhalve niet verplicht is de financiële correctie te verlagen of van elke financiële correctie af te zien, zelfs als aan de in punt 240 hierboven genoemde voorwaarden is voldaan.

248    Met name kan de Commissie weigeren het grensgeval bedoeld in bijlage 2 bij document VI/5330/97 toe te passen indien deze toepassing kan leiden tot schending van algemene beginselen van het Unierecht, zoals het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling.

249    In dit verband moet worden opgemerkt dat in de bijlage bij de notulen van de bilaterale vergadering van 4 mei 2011 wordt verwezen naar het in die vergadering door de Commissie verdedigde standpunt dat de Italiaanse suikerproducenten, door zich aan de ontmanteling te onttrekken, herstructureringssteun voor volledige ontmanteling hadden ontvangen, geen uitgaven hadden gedaan voor de ontmanteling van de omstreden silo’s en financieel voordeel hadden gehad van het gebruik van die silo’s, terwijl de producenten van andere lidstaten die hun opslagsilo’s wel hadden ontmanteld, alle daaraan verbonden kosten hadden moeten dragen zonder daarvan enig voordeel te hebben. De Commissie kwam derhalve tot de slotsom dat zij, ingevolge het beginsel van gelijke behandeling, niet kon instemmen met de instandhouding van de omstreden silo’s in Italië terwijl zij dit recht aan andere lidstaten had ontzegd.

250    De Commissie herhaalt dit standpunt in haar verweerschrift, waarin zij aangeeft dat de instandhouding van de omstreden silo’s de Italiaanse producenten een aanzienlijk voordeel heeft verschaft ten opzichte van hun in andere lidstaten gevestigde concurrenten die hun ontmanteling wel hebben uitgevoerd.

251    Gelet op het voorgaande was de Commissie terecht van mening dat, in essentie, bij gebreke van afbraak van de omstreden silo’s, de toepassing van het grensgeval bedoeld in bijlage 2 bij document VI/5330/97 zou hebben geleid tot een ongelijke behandeling tussen de Italiaanse suikerproducenten en de in andere lidstaten gevestigde producenten die hun silo’s hadden moeten afbreken om herstructureringssteun voor volledige ontmanteling te ontvangen.

252    Bijgevolg kan de Commissie niet worden verweten dat zij het grensgeval bedoeld in bijlage 2 bij document VI/5330/97 niet heeft toegepast.

253    Gelet op het voorgaande moet het tweede onderdeel van het vierde middel, en dus het vierde middel in zijn geheel, worden afgewezen.

 Vijfde middel: schending van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 883/2006 en van het beginsel van gelijke behandeling, en een onjuiste opvatting van de feiten

254    Het vijfde middel is aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek om nietigverklaring van de correctie wegens te late betaling van het saldo van de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004 en bestaat in essentie uit drie onderdelen, ten eerste schending van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 883/2006, ten tweede schending van het beginsel van gelijke behandeling, en ten derde een onjuiste opvatting van de feiten.

 Eerste onderdeel van het vijfde middel: schending van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 883/2006

255    De Italiaanse Republiek verwijt de Commissie, in essentie, niet te hebben erkend dat de overschrijding van de termijnen voor de betaling van het saldo van de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004 (hierna: „omstreden betalingen”) het gevolg was van het bestaan van bijzondere omstandigheden bij het beheer in de zin van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 883/2006, die het achterwege blijven van een correctie in casu rechtvaardigden.

256    De Commissie betwist de grief van de Italiaanse Republiek.

257    Overweging 15 van verordening nr. 883/2006 luidt:

„In de communautaire regelgeving op landbouwgebied zijn ten aanzien van het ELGF uiterste termijnen voor de betaling van de steun aan de begunstigden vastgesteld die door de lidstaten moeten worden nageleefd. Elke betaling die zonder rechtvaardiging na de bij verordening vastgestelde termijn wordt verricht, moet als een onregelmatige uitgave worden beschouwd en zou derhalve niet door de Commissie mogen worden vergoed. Om er evenwel voor te zorgen dat de financiële gevolgen in verhouding staan tot de geconstateerde vertraging bij de betaling, dient te worden bepaald dat de Commissie de betalingen verlaagt met een percentage dat hoger is naarmate de geconstateerde termijnoverschrijding groter is. Overigens moet binnen een vast te stellen forfaitaire marge worden afgezien van verlagingen, met name om het mogelijk te maken geen verlagingen toe te passen in het geval van te late betalingen die het gevolg zijn van wegens een geschil gevoerde procedures.”

258    Artikel 9 van verordening nr. 883/2006, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 451/2009 van de Commissie van 29 mei 2009 tot wijziging van verordening nr. 883/2006 (PB 2009, L 135, blz. 12) bepaalt:

„1. Op de hierna bepaalde wijze komen de uitgaven die na het verstrijken van de betalingstermijn worden gedaan, voor communautaire financiering in aanmerking en worden de maandelijkse betalingen verlaagd:

a)      ten aanzien van de met vertraging gedane uitgaven die niet meer dan 4 % uitmaken van de binnen de gestelde termijn gedane uitgaven, wordt geen verlaging toegepast;

b)      is deze marge van 4 % opgebruikt, dan worden alle verdere uitgaven die met vertraging worden gedaan, als volgt verlaagd:

–        uitgaven die worden gedaan in de eerste maand na die waarin de betalingstermijn is verstreken, worden met 10 % verlaagd;

–        uitgaven die worden gedaan in de tweede maand na die waarin de betalingstermijn is verstreken, worden met 25 % verlaagd;

–        uitgaven die worden gedaan in de derde maand na die waarin de betalingstermijn is verstreken, worden met 45 % verlaagd;

–        uitgaven die worden gedaan in de vierde maand na die waarin de betalingstermijn is verstreken, worden met 70 % verlaagd;

–        uitgaven die worden gedaan op een later tijdstip dan de vierde maand na die waarin de betalingstermijn is verstreken, worden met 100 % verlaagd;

c)      de onder a) en b) bedoelde marge van 4 % bedraagt 5 % voor de betalingen waarvoor de termijn na 15 oktober 2009 verstrijkt.

[...]

3. Door de Commissie worden andere termijnoverschrijdingen dan die welke in de leden 1 en 2 zijn vermeld, en/of lagere of geen verlagingspercentages toegepast indien voor bepaalde maatregelen sprake is van bijzondere omstandigheden bij het beheer of indien de lidstaten er gegronde redenen voor aanvoeren.

[...]”

259    Volgens de rechtspraak moeten de financieringsuitgaven ten laste van het EOGFL worden berekend op basis van de veronderstelling dat de door de toepasselijke landbouwregeling voorziene termijnen in acht zijn genomen. Wanneer de nationale autoriteiten steun uitkeren na het verstrijken van de termijn, brengen zij het EOGFL dus onregelmatige en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven ten laste (zie in die zin en naar analogie arresten van 28 oktober 1999, Italië/Commissie, C‑253/97, EU:C:1999:527, punt 126, en 12 september 2007, Griekenland/Commissie, T‑243/05, EU:T:2007:270, punt 116). De lidstaat dient bij de inrichting van zijn controlesysteem dus rekening te houden met de door het Unierecht voor het uitkeren van de steun gestelde termijn. Voorts is de in artikel 9, lid 1, onder a) en c), van verordening nr. 883/2006 voorziene marge van 4 % of 5 % juist bedoeld om de lidstaten de mogelijkheid te bieden extra controles uit te voeren, waarbij het aantal maanden vertraging niet van invloed is op de betalingen die deze drempelwaarde niet passeren (zie in die zin en naar analogie arrest van 12 september 2007, Griekenland/Commissie, T‑243/05, EU:T:2007:270, punt 116).

260    Bovendien staat het volgens de rechtspraak aan de lidstaat om aan te tonen dat de voorwaarden van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 883/2006 zijn vervuld, dat wil zeggen om te bewijzen dat er voor bepaalde maatregelen sprake is van bijzondere omstandigheden bij het beheer, of om gegronde redenen aan te voeren. De lidstaat moet met name aantonen dat de vertragingen de grenzen van de redelijkheid niet hebben overschreden (zie in die zin en naar analogie arresten van 18 september 2003, Griekenland/Commissie, C‑331/00, EU:C:2003:472, punt 117; 11 juni 2009, Griekenland/Commissie, T‑33/07, niet gepubliceerd, EU:T:2009:195, punt 372, en 26 september 2012, Italië/Commissie, T‑84/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:471, punt 136).

261    Tot slot moet artikel 9, lid 3, van verordening nr. 883/2006, omdat het een uitzondering bevat, strikt worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 26 september 2012, Italië/Commissie, T‑84/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:471, punt 137 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

262    In casu ontkent de Italiaanse Republiek niet dat betalingen met vertraging zijn gedaan. Zij betwist evenmin dat de met vertraging gedane uitgaven de marge van 5 % van de uitgaven die met inachtneming van de voorwaarden en termijnen zijn gedaan, overstijgen. Zij betoogt evenwel dat de vertragingen werden gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden bij het beheer. Volgens haar lagen deze bijzondere omstandigheden in het feit dat er in Italië verschillende complexe rechtszaken liepen over de regelmatigheid van een aantal van haar uitgaven en in het feit dat de Agenzia veneta per i pagamenti in agricultura (AVEPA, betaalorgaan voor de regio Veneto, Italië) alle betaling van bedragen die verschuldigd waren aan de bij die procedures betrokken ondernemingen, had opgeschort.

263    In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de AVEPA en de AGEA op 7 februari 2005 door een melding van de Nucleo Antifrodi Carabinieri di Parma (Italië) (NAC, fraudebestrijdingseenheid van de Carabinieri van Parma, Italië) in kennis waren gesteld van een vermeende fraude ten nadele van het Fonds, die met name verband hield met speciale premies voor mannelijke runderen en met extensiveringsbedragen voor de jaren 2000 tot en met 2003 die door verschillende Italiaanse ondernemingen waren ontvangen.

264    Naar aanleiding van die melding is een strafprocedure tegen die ondernemingen ingeleid bij de Tribunale di Treviso (rechter in eerste aanleg Treviso, Italië), met een preliminaire zitting op 2 oktober 2006.

265    Gelet op het voorgaande heeft de AVEPA een opschortingsmaatregel vastgesteld voor alle betalingen die verschuldigd waren aan twee in deze strafzaak aangeklaagde ondernemingen, overeenkomstig artikel 33, lid 1, van decreto legislativo (wetsbesluit, Italië) nr. 228/2001 van 18 mei 2001 (hierna: „decreto legislativo nr. 228”) dat luidt: „De betaalprocedures van de erkende betaalorganen [...] worden geschorst ten aanzien van begunstigden waarover de verificatie- en controle-instanties gedetailleerde informatie hebben overgelegd met betrekking tot de ontvangst van onverschuldigd betaalde, ten laste van de gemeenschappelijke of nationale begroting komende gelden, tot aan de definitieve vaststelling van de feiten.”

266    Tegelijkertijd heeft de Procura presso la Corte dei Conti per il Veneto (parket bij de rekenkamer voor Veneto, Italië) voor dezelfde feiten een procedure in verband met de boekhouding ingeleid bij de Corte dei Conti per il Veneto (rekenkamer voor Veneto, Italië). Deze rechter heeft op 23 september 2009 conservatoir beslag ante causam uitgesproken op de goederen van de bij de procedure betrokken begunstigde ondernemingen en op de betalingen die deze ondernemingen nog van de AVEPA tegoed hadden, met uitzondering van met name de omstreden betalingen.

267    Naar aanleiding van die beslissing heeft de AVEPA op 19 oktober 2009 de betaling hervat van bepaalde opgeschorte bedragen die niet onder het conservatoir beslag ante causam vielen, waaronder de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004 die voorwerp van de omstreden betalingen zijn.

268    Voorts staat moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek niet heeft aangevoerd dat de omstreden betalingen voorwerp waren van de in de punten 264 en 266 hierboven genoemde strafrechtelijke procedure en de procedure in verband met de boekhouding. Integendeel, in het kader van de betrokken goedkeuringsprocedure heeft zij erkend dat de omstreden betalingen met betrekking tot de begrotingsposten 050302092124023, 050302102124033 en 050302992128007 niet specifiek verband hielden met een rechterlijke beslissing, maar zich daarbij beroepen op de „onverbrekelijke samenhang” tussen enerzijds de betalingen die aan orde waren in de procedures die zijn beschreven in de punten 263 tot en met 266 hierboven, en anderzijds de omstreden betalingen.

269    Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat de door de Italiaanse Republiek aangevoerde nationale procedures geen betrekking hebben op de omstreden betalingen en dat de opschorting van de omstreden betalingen dus niet het gevolg is van een gerechtelijke procedure of een rechterlijke beslissing, maar van de toepassing, door de AVEPA, van artikel 33, lid 1, van decreto legislativo nr. 228.

270    In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat de procedure tot opschorting van de betalingen die is vastgelegd in artikel 33 van decreto legislativo nr. 228 preventief wordt toegepast. Zij bestaat erin dat nog vóór de definitieve vaststelling van de feiten, op advies in die zin van de controle-instanties, het bestaan van onregelmatigheden wordt verondersteld en dat de betrokken bedragen alleen aan de begunstigde worden uitgekeerd indien deze uiteindelijk wordt gedisculpeerd. Volgens de rechtspraak druist een dergelijke benadering dus in beginsel in tegen de inachtneming van de betalingstermijnen (arrest van 26 september 2012, Italië/Commissie, T‑84/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:471, punt 140).

271    Derhalve moet, in navolging van de Commissie, worden vastgesteld dat, in casu, de procedure tot opschorting van de omstreden betalingen geen bijzondere omstandigheid bij het beheer vormt. De in artikel 33 van decreto legislativo nr. 228 bedoelde procedure tot opschorting van de betalingen vormt immers een uitzondering op de betalingstermijnen die in de weg staat aan de goede werking van de toepasselijke Unieregels (zie in die zin arrest van 26 september 2012, Italië/Commissie, T‑84/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:471, punt 142).

272    In de derde plaats heeft de Italiaanse Republiek, ondanks het verzoek van de Commissie waarnaar het Bemiddelingsorgaan in zijn rapport van 6 mei 2014 verwijst, geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de marge van 5 % uitsluitend was overschreden als gevolg van betalingen die bij de nationale rechterlijke instanties werden betwist.

273    Het door de Italiaanse Republiek in repliek aangevoerde argument dat, in essentie, de Commissie ten onrechte zou hebben verlangd dat zij aantoonde dat de vertraging van de omstreden betalingen haar oorsprong vond in één enkele rechterlijke beslissing, moet worden afgewezen. Met name uit de brief van 18 januari 2012, die door de Commissie uit hoofde van artikel 11, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 885/2006 aan de Italiaanse Republiek is gestuurd, blijkt immers dat de Commissie de Italiaanse autoriteiten, voor de toepassing van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 883/2006, heeft verzocht om aan te tonen dat de marge van 4 % van artikel 9, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2006, nadien verhoogd naar 5 % op grond van artikel 9, lid 1, onder c), van dezelfde verordening, was overschreden als gevolg van gerechtelijke procedures en niet van één rechterlijke beslissing. In de brief van 18 januari 2012 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten overigens een laatste maal verzocht haar een afschrift te verstrekken van de rechterlijke beslissingen waarin de te teveel betaalde bedragen waren vermeld voor elk van de volgende begrotingsposten: 050302092124023, 050302102124033 en 050302992128007.

274    In de vierde en laatste plaats kunnen de door de Italiaanse Republiek aangevoerde complexiteit van de gerechtelijke procedures bij de Tribunale di Treviso en de Corte dei Conti per il Veneto en de uitzonderlijke aard van het onderhavige geval evenmin de vertraging van de omstreden betalingen rechtvaardigen, aangezien, zoals in punt 259 hierboven in herinnering is gebracht, de marge van 5 %, van artikel 9, lid 1, onder c), van verordening nr. 883/2006 juist bedoeld is om de lidstaten de mogelijkheid te bieden extra controles uit te voeren, zonder dat het aantal maanden vertraging van invloed is op de betalingen die deze drempelwaarde niet passeren (zie ook, in die zin en naar analogie, arresten van 5 juli 2012, Griekenland/Commissie, T‑86/08, EU:T:2012:345, punt 191, en 26 september 2012, Italië/Commissie, T‑84/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:471, punt 146).

275    Gelet op het voorgaande heeft de Commissie geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen, ten eerste, dat de uit de gerechtelijke procedures voortvloeiende vertragingen van de betalingen binnen de marge van 5 % van artikel 9, lid 1, onder c), van verordening nr. 883/2006 moesten vallen, en, ten tweede, dat het feit dat betalingen wegens een geschil over de toelaatbaarheid van eerder door de nationale autoriteiten geweigerde of teruggevorderde betalingen met vertraging waren verricht, geen bijzondere omstandigheid bij het beheer vormde in de zin van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 883/2006, welk standpunt de Commissie aan de Italiaanse Republiek heeft meegedeeld in de brief van 2 juli 2014 (zie punt 41 hierboven).

276    Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het vijfde middel te worden afgewezen.

 Tweede onderdeel van het vijfde middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling

277    De Italiaanse Republiek verwijt de Commissie het beginsel van gelijke behandeling te hebben geschonden door een correctie toe te passen voor de omstreden betalingen met betrekking tot het saldo van de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004, hoewel zich hier een soortgelijke situatie voordeed als bij de te late betalingen met betrekking tot de uitgaven van ongeveer 4,4 miljoen EUR die voorwerp waren geweest van het conservatoir beslag ante causam door de Corte dei Conti per il Veneto, waarop de Commissie geen correctie had toegepast.

278    De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek.

279    Volgens vaste rechtspraak vereist het beginsel van gelijke behandeling of non-discriminatie dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arresten van 9 september 2004, Spanje/Commissie, C‑304/01, EU:C:2004:495, punt 31; 14 december 2004, Swedish Match, C‑210/03, EU:C:2004:802, punt 70, en 21 juli 2011, Nagy, C‑21/10, EU:C:2011:505, punt 47).

280    In haar verweerschrift heeft de Commissie, na te hebben opgemerkt dat het betoog van de Italiaanse Republiek niet duidelijk was, uitgelegd dat de betalingen waarvoor door de Corte dei Conti per il Veneto conservatoir beslag ante causam was uitgesproken weliswaar te laat waren verricht, maar niet in de correctie waren meegenomen, omdat in de verschillende begrotingsposten waarop de betalingen waren gedeclareerd, melding was gemaakt van de marge van 4 %, terwijl dit voor de omstreden betalingen niet het geval was.

281    Deze stellingen worden niet betwist door de Italiaanse Republiek, die enkel opmerkt dat alle te late betalingen waarop de betrokken goedkeuringsprocedure betrekking had, gerechtvaardigd moesten zijn door een algemene noodzaak om de betalingen aan te houden, waarvan was gebleken in de vaststelling, door de AVEPA, van de maatregel tot opschorting van alle betalingen die verschuldigd waren aan ondernemingen waartegen in Italië procedures aanhangig waren, overeenkomstig artikel 33 van decreto legislativo nr. 228.

282    Uit respectievelijk punt 266 en punt 271 hierboven blijkt ten eerste dat de Corte dei Conti per il Veneto de omstreden betalingen niet heeft meegenomen in de bedragen waarvoor de beslissing tot conservatoir beslag ante causam was gegeven, en ten tweede dat de in artikel 33 van decreto legislativo nr. 228 vastgelegde procedure tot opschorting van de betalingen in tegenspraak is met de naleving van de regeling van de Europese Unie inzake de betalingstermijnen. De Italiaanse Republiek kan zich dus niet met succes beroepen op het bestaan van een algemene noodzaak om de betalingen aan te houden, die de opschorting van de omstreden betalingen door de AVEPA zou hebben gerechtvaardigd.

283    Voorts betwist de Italiaanse Republiek niet dat in de begrotingsposten waarop de betalingen voor het bedrag van 4,4 miljoen EUR waren gedeclareerd, melding was gemaakt van de marge van 4 %, terwijl de marge van 5 % niet was vermeld in de begrotingsposten die verband hielden met de omstreden betalingen.

284    Gelet op het voorgaande heeft de Italiaanse Republiek niet aangetoond dat zich bij de omstreden betalingen en bij de betalingen voor het bedrag van 4,4 miljoen EUR die binnen de marge van 4,4 % vielen, een vergelijkbare situatie voordeed en dat de Commissie derhalve inbreuk heeft gemaakt op het beginsel van gelijke behandeling door alleen een correctie op te leggen voor de omstreden betalingen.

285    Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het vijfde middel worden afgewezen.

 Derde onderdeel van het vijfde middel: onjuiste opvatting van de feiten

286    De Italiaanse Republiek verwijt de Commissie dat zij de feiten onjuist heeft opgevat. In het verzoekschrift merkt zij enkel op dat „[i]n het licht van het voorgaande, het bestreden besluit, voor zover dat met het onderhavige middel wordt betwist, onrechtmatig is wegens een onjuiste opvatting van de feiten”.

287    De Commissie heeft deze grief in haar schrifturen niet betwist. Zij heeft daartegen echter, ter terechtzitting, een exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens onduidelijkheid opgeworpen.

288    De Italiaanse Republiek heeft, eveneens ter terechtzitting, de niet-ontvankelijkheid van de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid aangevoerd, op grond dat deze te laat is opgeworpen waardoor inbreuk wordt gemaakt op de contradictoire aard van de procedure voor het Gerecht. De Italiaanse Republiek heeft evenwel gepreciseerd dat het Gerecht de niet-ontvankelijkheid van deze grief ambtshalve kon opwerpen ter terechtzitting. Voor het geval het Gerecht dit zou willen doen, heeft de Italiaanse Republiek tot slot verduidelijkt dat zij met haar grief inzake een onjuiste opvatting van de feiten in essentie de door de Commissie verrichte beoordeling van de feitelijke omstandigheden van het geval wilde betwisten. Volgens de Italiaanse Republiek rechtvaardigden de omstandigheden van het geval immers de vertraging van de omstreden betalingen.

289    Er zij aan herinnerd dat de Unierechter het recht heeft om te beoordelen of het in de omstandigheden van het individuele geval in het belang van een goede rechtsbedeling is om een grief inhoudelijk af te wijzen zonder zich eerst uit te spreken over de ontvankelijkheid ervan (zie in die zin arrest van 26 februari 2002, Raad/Boehringer, C‑23/00 P, EU:C:2002:118, punt 52).

290    Blijkens de in punt 288 hierboven weergegeven toelichting van de Italiaanse Republiek ter terechtzitting, wilde zij met haar grief inzake een onjuiste opvatting van de feiten, impliciet maar noodzakelijkerwijs, de Commissie verwijten dat zij de feiten kennelijk onjuist heeft beoordeeld.

291    Uit de punten 263 tot en met 275 hierboven blijkt echter dat de door de Italiaanse Republiek aangevoerde feiten geen bijzondere omstandigheden bij het beheer in de zin van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 883/2006 vormden die hadden kunnen rechtvaardigen dat de omstreden betalingen te laat werden verricht. De Italiaanse Republiek kan zich derhalve niet met succes beroepen op een kennelijk onjuiste beoordeling die het bestreden besluit aantast.

292    Aangezien het derde onderdeel van het vijfde middel ongegrond is, moet het worden afgewezen zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de respectievelijk door de Commissie en de Italiaanse Republiek ter terechtzitting opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid.

293    Gelet op het voorgaande moet het vijfde middel worden afgewezen.

 Zesde middel: schending van artikel 20 van verordening nr. 501/2008, van het vertrouwensbeginsel en van het beginsel van de toerekenbaarheid van financiële correcties aan de lidstaten

294    Het zesde middel is aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van de correctie die is toegepast wegens te late betaling van bepaalde uitgaven in verband met voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten. De Italiaanse Republiek verwijt de Commissie haar een financiële correctie te hebben opgelegd wegens niet-inachtneming van de in artikel 20, eerste alinea, van verordening nr. 501/2008 gestelde termijn van 60 kalenderdagen tussen de ontvangst van de betalingsaanvragen en de feitelijke betaling van bepaalde soorten steun voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten die zij tijdens de begrotingsjaren 2009 en 2010 had verleend. De Italiaanse Republiek stelt in essentie ten eerste dat de niet-inachtneming van de betalingstermijn van artikel 20, eerste alinea, van verordening nr. 501/2008 is veroorzaakt doordat de diensten van de Commissie de Italiaanse taalversie van artikel 20, tweede alinea, tweede volzin, van die verordening in de redactie van vóór de inwerkingtreding van de rectificatie gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 18 oktober 2012 (PB 2012, L 287, blz. 25) (hierna: „omstreden bepaling”) hadden overgelegd en dat de overschrijding van de termijn van artikel 20, eerste alinea, van verordening nr. 501/2008 daarom niet aan haar kan worden toegerekend. Het is, volgens haar, derhalve onbillijk om haar met de gevolgen van de toepassing van de omstreden bepaling te belasten, temeer omdat er in casu geen enkel nadeel voor de begroting van de Unie kan worden vastgesteld. Afgezien daarvan is de beweerdelijk door haar begane fout kennelijk verschoonbaar. Ten tweede voert zij aan dat de door de Commissie toegepaste financiële correctie tot gevolg heeft dat aan de omstreden bepaling, in strijd met het vertrouwensbeginsel, terugwerkende kracht wordt verleend.

295    De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek.

296    Artikel 20 van verordening nr. 501/2008 bepaalt:

„De lidstaat verricht de in de artikelen 18 en 19 bedoelde betalingen binnen 60 kalenderdagen na de datum van ontvangst van de betalingsaanvraag.

Deze termijn kan evenwel op elk ogenblik van de periode van 60 dagen na de eerste registratie van de betalingsaanvraag worden geschorst door aan de schuldeisende contractsluitende organisatie te melden dat haar aanvraag niet in aanmerking kan worden genomen omdat de vordering niet opeisbaar is, of omdat de aanvraag niet wordt gestaafd door de bewijsstukken die voor alle andere aanvragen vereist zijn, of omdat de lidstaat nadere gegevens of verificaties noodzakelijk acht. De termijn begint weer verder te lopen vanaf de datum waarop de gevraagde nadere gegevens worden ontvangen of de lidstaat de verificaties heeft verricht, met dien verstande dat voor het overleggen van de gegevens en het verrichten van de verificaties een termijn van 30 kalenderdagen na de melding geldt.

[...]”

297    De Italiaanse taalversie van artikel 20, tweede alinea, van verordening nr. 501/2008 van vóór de rectificatie gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 18 oktober 2012, bepaalde het volgende:

„Deze termijn kan evenwel op elk ogenblik van de periode van 60 dagen na de eerste registratie van de betalingsaanvraag worden geschorst door aan de schuldeisende contractsluitende organisatie te melden dat haar aanvraag niet in aanmerking kan worden genomen omdat de vordering niet opeisbaar is, of omdat de aanvraag niet wordt gestaafd door de bewijsstukken die voor alle andere aanvragen vereist zijn, of omdat de lidstaat nadere gegevens of verificaties noodzakelijk acht. De termijn loopt opnieuw vanaf de datum waarop de gevraagde nadere gegevens worden ontvangen of de lidstaat de verificaties heeft verricht, met dien verstande dat voor het overleggen van de gegevens en het verrichten van de verificaties een termijn van 30 kalenderdagen na de melding geldt.”

(„Tale termine può tuttavia essere sospeso in qualunque momento del periodo di 60 giorni successivo alla prima registrazione della domanda di pagamento, mediante notifica all’organizzazione contraente creditrice che la domanda non è ricevibile, in quanto il credito non è esigibile oppure la domanda non è corredata dei documenti giustificativi necessari per le domande successive o lo Stato membro ritiene necessario richiedere informazioni supplementari o procedere a verifiche. Il termine decorre nuovamente a partire dalla data di ricevimento delle informazioni richieste o dalla data delle verifiche effettuate dallo Stato membro, che devono essere trasmesse o rispettivamente effettuate entro un termine di 30 giorni di calendario a decorrere dalla notifica.”)

298    De rectificatie gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 18 oktober 2012 heeft in de omstreden bepaling de uitdrukking „loopt opnieuw” („decorre nuovamente”) vervangen door „loopt verder” („continua a decorrere”).

299    Voorts blijkt uit de rechtspraak dat het vereiste van een uniforme uitlegging van Unieverordeningen meebrengt dat een bepaalde tekst niet op zichzelf kan worden beschouwd, maar in geval van twijfel moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in de andere officiële talen (arrest van 17 oktober 1996, Lubella, C‑64/95, EU:C:1996:388, punt 17).

300    Wat in de eerste plaats de grieven van de Italiaanse Republiek betreft die in essentie zijn ontleend aan schending van artikel 20 van verordening nr. 501/2008 en aan de stelling dat de overschrijding van de in de eerste alinea van dat artikel gestelde betalingstermijn niet aan de Italiaanse autoriteiten kan worden toegerekend, moet ten eerste worden opgemerkt dat de Italiaanse taalversie van artikel 20, tweede alinea, van verordening nr. 501/2008 dubbelzinnig was doordat zij in de eerste volzin uitdrukkelijk doelde op de in de eerste alinea van artikel 20 van die verordening vastgelegde schorsing van de betalingstermijn („deze termijn [...] kan worden geschorst” – in het Italiaans: „tale termine puo’ [...] essere sospeso”), terwijl zij in de tweede volzin leek te verwijzen naar de afbreking van diezelfde termijn („[d]e termijn loopt opnieuw vanaf de datum waarop de gevraagde nadere gegevens worden ontvangen of de lidstaat de verificaties heeft verricht” – in het Italiaans: „[i]l termine decorre nuovamente a partire dalla data di ricevimento delle informazioni richieste o dalla data delle verifiche effettuate dallo Stato membro”).

301    Ten tweede betwist de Italiaanse Republiek niet de stelling van de Commissie dat de artikelen 2941 en volgende van de Codice civile (burgerlijk wetboek, Italië) een onderscheid maken tussen de schorsing en de afbreking van termijnen, waarbij de afbreking een nieuwe termijn doet ingaan, terwijl bij schorsing de termijn die is verstreken voordat de oorzaak van de schorsing zich voordeed, bij de termijn wordt geteld die weer gaat lopen na afloop van de gebeurtenis die de schorsing rechtvaardigde.

302    Overeenkomstig de in punt 299 hierboven aangehaalde rechtspraak kon de Italiaanse Republiek de omstreden bepaling derhalve niet aldus uitleggen dat deze haar toestond om, middels verzoeken om inlichtingen of aanvullende verificaties aan de schuldeisende contractsluitende organisaties , de termijn van de eerste alinea van artikel 20 van verordening nr. 501/2008 af te breken, zonder eerst na te gaan of de andere taalversies van de omstreden bepaling haar uitlegging bevestigden en die bepaling in voorkomend geval uit te leggen en toe te passen in het licht van de versies in de andere officiële talen en van de opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie naar analogie arresten van 27 oktober 1977, Bouchereau, 30/77, EU:C:1977:172, punt 14, en 9 januari 2003, Givane e.a., C‑257/00, EU:C:2003:8, punt 37).

303    In casu heeft de Italiaanse Republiek de omstreden bepaling echter, ondanks de dubbelzinnigheid ervan in het licht van artikel 20, tweede alinea, eerste volzin, van verordening nr. 501/2008, toegepast zonder rekening te houden met de andere taalversies van artikel 20, tweede alinea, van verordening nr. 501/2008, waardoor alleen zij verantwoordelijk is voor de niet-inachtneming van de betalingstermijn van artikel 20, eerste alinea, van verordening nr. 501/2008.

304    Bijgevolg moeten de grieven inzake schending van artikel 20 van verordening nr. 501/2008 en inzake de stelling dat de vertragingen bij de betalingen niet aan de Italiaanse Republiek kunnen worden toegerekend, worden afgewezen.

305    Aangaande in de tweede plaats de vermeende schending van het vertrouwensbeginsel door de retroactieve toepassing van de bestreden bepaling, zoals gerectificeerd in 2012, moet eraan worden herinnerd dat dit beginsel volgens de rechtspraak slechts tegen een Unieregeling kan worden ingeroepen voor zover de Unie zelf eerst een situatie heeft geschapen die een gewettigd vertrouwen kan wekken (zie arresten van 15 januari 2002, Weidacher, C‑179/00, EU:C:2002:18, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 juni 2009, Polen/Commissie, T‑257/04, EU:T:2009:182, punt 245).

306    In casu is evenwel niet aangetoond dat de Unie een situatie had geschapen op grond waarvan de Italiaanse Republiek mocht geloven in de juistheid van de omstreden bepaling en terecht kon aannemen dat zij die bepaling kon toepassen.

307    Ten eerste blijkt in essentie uit de mededeling van 27 april 2010, die was verzonden uit hoofde van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 (zie punt 43 hierboven), dat de Commissie tijdens twee eerdere onderzoeken reeds problemen met vertragingen bij betalingen had vastgesteld wat de Italiaanse Republiek betreft, en verder dat de diensten van de Commissie sinds 2005 in hun correspondentie met de Italiaanse autoriteiten steeds hadden vermeld hoe de thans in artikel 20 van verordening nr. 885/2006 opgenomen bepalingen moesten worden uitgelegd.

308    Zo heeft de Commissie, in antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang op grondslag van artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering, een brief van 9 februari 2006 overgelegd die zij in het kader van een eerder onderzoek aan de Italiaanse Republiek had toegezonden, waarin zij uitdrukkelijk aangaf dat „de [betalings]termijn [...] weer verder [moet] lopen zodra de verwachte inlichtingen zijn ontvangen of de verificatie is verricht”.

309    In dit verband moet worden gepreciseerd dat de regeling die van toepassing was op de feiten waarop het in punt 308 hierboven genoemde onderzoek betrekking had, niet artikel 20 van verordening nr. 501/2008 was, maar artikel 12, lid 5, van verordening (EG) nr. 94/2002 van de Commissie van 18 januari 2002 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt (PB 2002, L 17, blz. 30). Deze twee bepalingen waren echter in essentie gelijk. Artikel 12, lid 5, van verordening nr. 94/2002 luidde immers:

„De lidstaat verricht de in de vorige leden bedoelde betalingen binnen een termijn van 60 kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan evenwel op elk ogenblik van de periode van 60 dagen na de eerste registratie van de betalingsaanvraag worden geschorst door aan de schuldeisende contractant per exploot te laten weten dat zijn aanvraag niet in aanmerking kan worden genomen omdat de vordering niet ontvankelijk of niet invorderbaar is, of omdat zij niet wordt gestaafd door de bewijsstukken die voor alle andere aanvragen vereist zijn, of omdat de lidstaat nadere gegevens of verificaties noodzakelijk acht. De termijn loopt weer verder vanaf de datum van ontvangst van de gevraagde gegevens, die binnen 30 kalenderdagen verstrekt moeten worden. Behoudens overmacht leidt termijnoverschrijding bij de bovenbedoelde betalingen ertoe dat de vergoeding aan de lidstaat wordt verlaagd overeenkomstig artikel 4 van verordening (EG) nr. 296/96.”

310    Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Commissie de Italiaanse autoriteiten vóór de vaststelling van het bestreden besluit herhaaldelijk had geïnformeerd over de wijze waarop de betalingstermijn van zestig dagen na de schorsing ervan moest worden berekend.

311    Ten tweede heeft de Italiaanse Republiek ter terechtzitting bevestigd dat zij het was die bij de aanvang van de betrokken goedkeuringsprocedure de Commissie op de hoogte had gesteld van het probleem met de vertaling van de omstreden bepaling. De Italiaanse Republiek wist dus dat de omstreden bepaling mogelijk niet correct was, maar heeft toch bewust besloten deze toe te passen.

312    Gelet op het voorgaande kan de Italiaanse Republiek niet stellen dat de omstreden bepaling een gewettigd vertrouwen bij haar heeft gewekt.

313    In de derde en laatste plaats moet het argument van de Italiaanse Republiek dat de niet-inachtneming van de betalingstermijnen geen nadeel heeft opgeleverd voor de begroting van de Unie en dat het derhalve onbillijk zou zijn om haar met de gevolgen van de toepassing van de bestreden bepaling te belasten, worden afgewezen.

314    Uit de rechtspraak blijkt immers dat het ELGF enkel interventies financiert die overeenkomstig de bepalingen van het Unierecht in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten worden verricht (zie in die zin en naar analogie arrest van 24 februari 2005, Griekenland/Commissie, C‑300/02, EU:C:2005:103, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

315    De Unieregeling verplicht de lidstaten tot inachtneming van de betalingstermijn van artikel 20 van verordening nr. 501/2008, op straffe van geldboeten.

316    Om te beginnen volgt uit overweging 15 van verordening nr. 883/2006, die is weergegeven in punt 257 hierboven, dat elke betaling die zonder rechtvaardiging wordt verricht na de bij de Unieregeling voor de betaling van steun aan begunstigden vastgestelde termijn, als een onregelmatige uitgave moet worden beschouwd die derhalve door de Commissie niet mag worden vergoed.

317    Voorts bepaalt artikel 20, derde alinea, van verordening nr. 501/2008 dat „[e]lke overschrijding van de betalingstermijn [...] ertoe [leidt] dat het door de Commissie aan de lidstaat betaalde maandelijkse voorschot wordt verlaagd overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 883/2006, tenzij er sprake is van overmacht”.

318    Tot slot vermeldt overweging 19 van verordening nr. 501/2008 dat „[g]elet op de eisen inzake het begrotingsbeheer moet worden voorzien in een geldstraf wanneer [...] de betalingen van de lidstaten niet tijdig worden uitgevoerd”.

319    In het licht van het voorgaande schendt de overschrijding, door de Italiaanse Republiek, van de betalingstermijn van artikel 20, eerste alinea, van verordening nr. 501/2008 de regeling van de Europese Unie en volstaat die overschrijding om de uitgaven onregelmatig te maken, waardoor zij niet voor steun in aanmerking komen, zonder dat het bestaan van een nadeel voor het Fonds hoeft te worden aangetoond.

320    Bijgevolg moet het zesde middel worden afgewezen.

321    Aangezien geen van de door de Italiaanse Republiek aangevoerde middelen gegrond is, wordt het beroep in zijn geheel verworpen.

 Kosten

322    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

323    Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, wordt zij verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.

324    Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten.

325    Bijgevolg zullen de Franse Republiek en Hongarije hun eigen kosten dragen.

HET GERECHT (Vierde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      De Italiaanse Republiek wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van de Europese Commissie.

3)      De Franse Republiek en Hongarije zullen hun eigen kosten dragen.

Kanninen

Schwarcz

Iliopoulos

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 maart 2019.

ondertekeningen


Inhoud


Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 320/2006

Verordening nr. 968/2006

Voorgeschiedenis van het geding

Bestreden besluit

Financiële correctie op de uitgaven uit hoofde van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie

Financiële correctie wegens te late betaling van het saldo van de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004

Financiële correctie wegens te late betaling van bepaalde uitgaven in verband met voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten

Procedure en conclusies van partijen

In rechte

Eerste middel: schending van artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005, van de rechten van verdediging en van het beginsel van hoor en wederhoor, alsmede ontoereikende motivering

Eerste onderdeel van het eerste middel: schending van artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005

Tweede onderdeel van het eerste middel: schending van de rechten van verdediging en van het beginsel van hoor en wederhoor

Derde onderdeel van het eerste middel, in essentie ontleend aan een ontoereikende motivering

Tweede middel: schending van artikel 11 van verordening nr. 885/2006, van de rechten van verdediging, van de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 en van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C 187/12–C189/12)

Eerste onderdeel van het tweede middel, in essentie ontleend aan schending van artikel 11 van verordening nr. 885/2006 en van de rechten van verdediging

Tweede onderdeel van het tweede middel: schending van de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 en van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C 187/12–C189/12)

Derde middel: schending van het vertrouwensbeginsel, van de beginselen van loyale samenwerking, ne bis in idem en behoorlijk bestuur, en van de zorgplicht

Tweede onderdeel van het derde middel: schending van het ne-bis-in-idembeginsel

Eerste onderdeel van het derde middel: schending van het vertrouwensbeginsel, van de beginselen van loyale samenwerking en behoorlijk bestuur, en van de zorgplicht

Vierde middel: schending van artikel 31, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1290/2005, van artikel 11, lid 3, tweede alinea, en hoofdstuk 3 van verordening nr. 885/2006, van de richtsnoeren van de Commissie in document VI/5330/97 en van de motiveringsplicht

Eerste onderdeel van het vierde middel, in essentie ontleend aan schending van de motiveringsplicht, van artikel 31, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1290/2005 en van artikel 11, lid 3, tweede alinea, en hoofdstuk 3 van verordening nr. 885/2006, en aan het ontbreken van een onderzoek van het standpunt van het Bemiddelingsorgaan

Tweede onderdeel van het vierde middel: schending van de richtsnoeren in document VI/5330/97

Vijfde middel: schending van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 883/2006 en van het beginsel van gelijke behandeling, en een onjuiste opvatting van de feiten

Eerste onderdeel van het vijfde middel: schending van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 883/2006

Tweede onderdeel van het vijfde middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling

Derde onderdeel van het vijfde middel: onjuiste opvatting van de feiten

Zesde middel: schending van artikel 20 van verordening nr. 501/2008, van het vertrouwensbeginsel en van het beginsel van de toerekenbaarheid van financiële correcties aan de lidstaten

Kosten


*      Procestaal: Italiaans.