Language of document : ECLI:EU:C:2019:243

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

21 maart 2019 (*)

„Niet-nakoming – Richtlijn 1999/31/EG – Artikel 14, onder b) en c) – Storten van afvalstoffen – Bestaande stortplaatsen – Schending”

In zaak C‑498/17,

betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 17 augustus 2017,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara, F. Thiran en E. Sanfrutos Cano als gemachtigden,

verzoekster,

tegen

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Palatiello, avvocato dello Stato,

verweerster,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan (rapporteur), kamerpresident, C. Lycourgos, E. Juhász, M. Ilešič en I. Jarukaitis, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 november 2018,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Met haar verzoekschrift verzoekt de Europese Commissie het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 14, onder b) en c), van richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB 1999, L 182, blz. 1), door met betrekking tot de stortplaatsen van Avigliano (Serre Le Brecce), Ferrandina (Venita), Genzano di Lucania (Matinella), Latronico (Torre), Lauria (Carpineto), Maratea (Montescuro), Moliterno (Tempa La Guarella), de twee stortplaatsen van Potenza (Montegrosso-Pallareta), de stortplaatsen van Rapolla (Albero in Piano), Roccanova (Serre), Sant’Angelo Le Fratte (Farisi), Campotosto (Reperduso), Capistrello (Trasolero), Francavilla (Valle Anzuca), L’Aquila (Ponte delle Grotte), Andria (D’Oria G. & C. Snc), Canosa (CO.BE.MA), Bisceglie (CO.GE.SER), Andria (F.lli Acquaviva), Trani (BAT-Igea Srl), Torviscosa (società Caffaro), Atella (Cafaro), Corleto Perticara (Tempa Masone), Marsico Nuovo (Galaino), Matera (La Martella), Pescopagano (Domacchia), Rionero in Volture (Ventaruolo), Salandra (Piano del Governo), San Mauro Forte (Priati), Senise (Palomabara), Tito (Aia dei Monaci), Tito (Valle del Forno), Capestrano (Tirassegno), Castellalto (Colle Coccu), Castelvecchio Calvisio (Termine), Corfinio (Cannucce), Corfinio (Case querceto), Mosciano S. Angelo (Santa Assunta), S. Omero (Ficcadenti), Montecorvino Pugliano (Parapoti), San Bartolomeo in Galdo (Serra Pastore), Trivigano (voorheen Cava Zof) en Torviscosa (La Valletta), niet alle maatregelen te hebben getroffen die noodzakelijk zijn om de stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend, zo spoedig mogelijk te sluiten overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13 van deze richtlijn, of niet de maatregelen te hebben getroffen die noodzakelijk zijn om de stortplaatsen waarvoor wel een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend, in overeenstemming te brengen met deze richtlijn, onverminderd de voorwaarden van bijlage I, punt 1, bij deze richtlijn.

 Toepasselijke bepalingen

2        Artikel 1 van richtlijn 1999/31 heeft als opschrift „Algemene doelstelling van de richtlijn” en bepaalt:

„1.      Teneinde te voldoen aan de voorschriften van richtlijn 75/442/EEG [van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB 1975, L 194, blz. 39)], inzonderheid de artikelen 3 en 4, heeft deze richtlijn ten doel middels strenge operationele en technische voorschriften inzake afvalstoffen en stortplaatsen te voorzien in maatregelen, procedures en richtsnoeren om negatieve gevolgen van het storten van afvalstoffen voor het milieu, in het bijzonder de verontreiniging van oppervlaktewater, grondwater, bodem en lucht, en voor het wereldwijde milieu, ook door het broeikaseffect, alsmede elk risico dat daar tijdens de gehele levensduur van de stortplaats uit voortvloeit voor de volksgezondheid, te voorkomen of zoveel mogelijk te verminderen.

2.      Met betrekking tot de technische kenmerken van stortplaatsen bevat deze richtlijn ter concrete uitwerking van de algemene voorschriften van richtlijn 96/61/EG [van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB 1996, L 257, blz. 26)] de technische voorschriften die gelden voor de stortplaatsen waarop die richtlijn van toepassing is. Aan de desbetreffende voorschriften van richtlijn 96/61/EG wordt geacht te zijn voldaan, indien aan de voorschriften van deze richtlijn is voldaan.”

3        Artikel 7 van richtlijn 1999/31, met het opschrift „Aanvragen om vergunningen”, luidt als volgt:

„De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat een aanvraag om een stortplaatsvergunning ten minste de volgende gegevens bevat:

[...]

g)      het beoogde plan voor sluiting en nazorg;

[...]”

4        Artikel 8 van deze richtlijn draagt het opschrift „Vergunningsvoorwaarden” en bepaalt:

„De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat:

a)      de bevoegde autoriteit geen stortplaatsvergunning verleent, tenzij te haren genoege is aangetoond dat:

i)      onverminderd artikel 3, leden 4 en 5, het stortplaatsproject voldoet aan alle desbetreffende eisen van deze richtlijn, met inbegrip van de bijlagen,

ii)      het beheer van de stortplaats in handen komt van een natuurlijke persoon die technisch bekwaam is om de stortplaats te beheren en de exploitanten van stortplaatsen en hun personeel een beroeps- en technische opleiding krijgen,

iii)      de stortplaats zodanig wordt beheerd dat de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen te vermijden en de gevolgen ervan te beperken,

iv)      door de aanvrager, overeenkomstig de bepalingen die door de lidstaten worden vastgesteld, toereikende voorzieningen in de vorm van een financiële zekerheid of een equivalent daarvan zijn of zullen worden getroffen alvorens met het storten wordt begonnen om te waarborgen dat aan de verplichtingen die uit de overeenkomstig deze richtlijn afgegeven vergunning voortvloeien (met inbegrip van de nazorg) zal worden voldaan en dat de sluitingsprocedures van artikel 13 worden gevolgd. Deze zekerheid of het equivalent daarvan blijft behouden zo lang als nodig is voor het onderhoud en de nazorg van de stortplaats uit hoofde van artikel 13, onder d). De lidstaten mogen desgewenst verklaren dat dit punt niet van toepassing is op stortplaatsen voor inerte afvalstoffen;

b)      het stortplaatsproject verenigbaar is met het toepasselijke afvalbeheersplan of de toepasselijke afvalbeheersplannen, als bedoeld in artikel 7 van richtlijn 75/442/EEG;

c)      de bevoegde autoriteit het terrein inspecteert alvorens met het storten wordt begonnen, teneinde zich ervan te vergewissen dat het voldoet aan de desbetreffende voorwaarden van de vergunning. Een en ander doet op geen enkele wijze af aan de verantwoordelijkheid van de exploitant uit hoofde van de vergunningsvoorwaarden.”

5        Artikel 13 van richtlijn 1999/31 heeft het opschrift „Sluitings- en nazorgprocedure” en luidt als volgt:

„De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat, waar zulks dienstig is, overeenkomstig de vergunning:

a)      voor een stortplaats of voor een gedeelte daarvan met de sluitingsprocedure wordt begonnen wanneer:

i)      voldaan is aan de toepasselijke voorwaarden in de vergunning, of

ii)      de bevoegde autoriteit op verzoek van de exploitant toestemming verleent, of

iii)      de bevoegde autoriteit daartoe een met redenen omkleed besluit neemt;

b)      een stortplaats of een gedeelte daarvan pas als definitief gesloten wordt beschouwd, wanneer de bevoegde autoriteit ter plaatse een eindinspectie heeft uitgevoerd, alle verslagen van de exploitant heeft beoordeeld en aan de exploitant heeft meegedeeld dat zij de sluiting goedkeurt. Een en ander doet in geen geval af aan de verantwoordelijkheid van de exploitant uit hoofde van de vergunningsvoorwaarden;

[...]”

6        Artikel 14 van deze richtlijn, met het opschrift „Bestaande stortplaatsen”, is als volgt verwoord:

„De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat de exploitatie van stortplaatsen waarvoor een vergunning is verleend of die op het tijdstip van de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht reeds in gebruik zijn, niet wordt voortgezet tenzij zo spoedig mogelijk, doch ten laatste binnen acht jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum, de onderstaande maatregelen zijn getroffen:

a)      binnen één jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum legt de exploitant van een stortplaats de bevoegde autoriteit ter goedkeuring een door hem opgesteld aanpassingsplan voor met de in artikel 8 bedoelde gegevens alsmede de corrigerende maatregelen die hij nodig acht om te voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, met uitzondering van de voorschriften van bijlage I, punt 1;

b)      na de presentatie van het aanpassingsplan beslissen de bevoegde autoriteiten op basis van dat aanpassingsplan en deze richtlijn definitief of de exploitatie al dan niet mag worden voortgezet. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend zo spoedig mogelijk te sluiten overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13;

c)      op basis van het goedgekeurde aanpassingsplan voor de stortplaats geeft de bevoegde autoriteit toestemming voor de noodzakelijke werkzaamheden en bepaalt zij een overgangsperiode voor de uitvoering van het plan. Elke bestaande stortplaats [moet] binnen acht jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, met uitzondering van de voorschriften van bijlage I, punt 1;

d)      i)      binnen een jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum, zijn de artikelen 4, 5, 11 en bijlage II van toepassing op stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen,

ii)      binnen drie jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum is artikel 6 van toepassing op stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen.”

7        Artikel 18 van deze richtlijn heeft als opschrift „Implementatie” en bepaalt in lid 1 ervan:

„De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding ervan te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

[...]”

8        Overeenkomstig artikel 19 is richtlijn 1999/31 in werking getreden op 16 juli 1999.

 Precontentieuze procedure

9        Na verschillende schriftelijke contacten met de Italiaanse autoriteiten heeft de Commissie op 28 februari 2012 de Italiaanse Republiek een schriftelijke aanmaning gestuurd op grond van artikel 258 VWEU, waarin zij verwijst naar 102 bestaande stortplaatsen in deze lidstaat die in strijd met artikel 14 van richtlijn 1999/31 worden geëxploiteerd.

10      In hun brieven van 11 mei en 8 juni 2012 hebben de Italiaanse autoriteiten melding gemaakt van 46 bestaande stortplaatsen in de zin van dit artikel 14.

11      De Commissie heeft op 22 november 2012 een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarop de Italiaanse Republiek op 24 januari 2013, 3 maart en 4 juli 2014 heeft geantwoord.

12      Gelet op bepaalde onnauwkeurigheden in de antwoorden van de Italiaanse autoriteiten en naar aanleiding van het arrest van 2 december 2014, Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407), waarin het Hof heeft vastgesteld dat de Italiaanse Republiek artikel 260, lid 1, VWEU had geschonden, wat met name bepaalde bestaande stortplaatsen in de zin van artikel 14 van richtlijn 1999/31 betreft, heeft de Commissie op 19 juni 2015 een aanvullend met redenen omkleed advies gestuurd waarin zij het onderscheid heeft verduidelijkt tussen de inbreukprocedure in de onderhavige zaak en die welke tot dat arrest had geleid. De Commissie heeft daarin aangegeven dat laatstgenoemde procedure betrekking had op de verplichting van de bevoegde autoriteiten om voor elk van de betrokken stortplaatsen overeenkomstig artikel 14 van richtlijn 1999/31 een besluit vast te stellen om deze stortplaatsen hetzij een vergunning tot voortzetting van de exploitatie te verlenen, hetzij deze te sluiten. Zij heeft verduidelijkt dat de procedure in de onderhavige zaak daarentegen betrekking heeft op de zogenoemde „voltooiingsverplichtingen”, namelijk de verplichtingen om de maatregelen uit te voeren die de lidstaat in kwestie reeds heeft vastgesteld en die, afhankelijk van de betrokken stortplaatsen, zowel betrekking kunnen hebben op een voor de betrokken stortplaats verleende vergunning tot voortzetting van de exploitatie, als op de sluiting ervan. Volgens de Commissie bestaan deze voltooiingsverplichtingen derhalve, afhankelijk van de betrokken stortplaats, zowel in de tenuitvoerlegging van de maatregelen die overeenkomstig artikel 14, onder b), tweede zin, van deze richtlijn noodzakelijk zijn voor de sluiting ervan, als in de vaststelling van de maatregelen die noodzakelijk zijn om de stortplaats in overeenstemming te brengen met deze richtlijn, wanneer krachtens artikel 14, onder c), van deze richtlijn toestemming is verleend om de exploitatie ervan voort te zetten.

13      Na het aanvullend met redenen omkleed advies heeft de Commissie de Italiaanse Republiek tot 19 oktober 2015 de tijd gegeven om hierop te antwoorden, wat de Italiaanse Republiek heeft gedaan bij brieven van 20 oktober 2015, 9 september 2016, 13 januari en 12 april 2017.

14      In haar antwoord van 9 september 2016 heeft de Italiaanse Republiek een volledige, naar regio opgesplitste lijst van de bestaande stortplaatsen verstrekt en 4 andere bestaande stortplaatsen vermeld, die echter niet onder de onderhavige procedure vallen aangezien deze niet in aanmerking zijn genomen in de aanmaningsbrief.

15      In het licht van de antwoorden van de Italiaanse Republiek van 13 januari en 12 april 2017 op het aanvullend met redenen omkleed advies heeft de Commissie aangegeven dat 6 stortplaatsen in overeenstemming waren gebracht met richtlijn 1999/31.

16      Aangezien 44 stortplaatsen volgens de Commissie echter nog steeds niet aan richtlijn 1999/31 voldeden, heeft zij besloten onderhavig beroep in te stellen.

 Beroep

 Argumenten van partijen

17      De Commissie herinnert eraan dat de lidstaten op grond van artikel 14 van richtlijn 1999/31 maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de exploitatie van bestaande stortplaatsen, dit wil zeggen stortplaatsen waarvoor een vergunning is verleend of stortplaatsen die reeds vóór 16 juli 2001 in gebruik waren, na 16 juli 2009 niet wordt voortgezet, tenzij zo spoedig mogelijk de in artikel 14, onder b) en c), van deze richtlijn bedoelde maatregelen worden getroffen. Dit artikel voorziet dus in een overgangsregeling om ervoor te zorgen dat de bestaande stortplaatsen snel in overeenstemming worden gebracht met de eisen van deze richtlijn.

18      De Commissie benadrukt dat de onderhavige inbreukprocedure enkel ziet op de voltooiingsverplichtingen ter uitvoering, uiterlijk op 16 juli 2009, van de maatregelen die ingevolge artikel 14, onder b), tweede zin, van richtlijn 1999/31 noodzakelijk zijn voor de sluiting van de bestaande stortplaatsen of ter uitvoering van de maatregelen die ingevolge artikel 14, onder c), van deze richtlijn noodzakelijk zijn om de bestaande stortplaatsen waarvoor een vergunning tot voortzetting van hun activiteiten is verleend, in overeenstemming te brengen met de voorschriften van deze richtlijn.

19      Wat ten eerste de bestaande stortplaatsen betreft waarvoor geen vergunning tot voortzetting van de activiteiten is verleend, had de Italiaanse Republiek op grond van artikel 14, onder b), tweede zin, van richtlijn 1999/31 de nodige maatregelen moeten nemen om deze stortplaatsen zo spoedig mogelijk – en uiterlijk op 16 juli 2009 – te sluiten overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13 van deze richtlijn.

20      Wat ten tweede de bestaande stortplaatsen betreft waarvoor een vergunning tot voortzetting van de activiteiten is verleend, bepaalt artikel 14, onder c), van deze richtlijn dat indien het aanpassingsplan is goedgekeurd en bijgevolg de vergunning voor de voortzetting van de exploitatie is afgegeven, de bevoegde autoriteiten ervoor moeten zorgen dat al deze stortplaatsen uiterlijk op 16 juli 2009 aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen.

21      In dit verband wijst de Commissie op een zekere dubbelzinnigheid in de door de Italiaanse autoriteiten genomen maatregelen, aangezien zij soms in eerste instantie hebben besloten een aanpassingsplan vast te stellen en dus een vergunning tot voortzetting van de exploitatie van de betrokken stortplaats hebben verleend, alvorens in tweede instantie te besluiten tot sluiting ervan. Bovendien is het begrip „aanpassing” volgens de Commissie ook gebruikt voor stortplaatsen waarvoor een besluit tot sluiting was vastgesteld. Voor 22 van de 44 stortplaatsen waarop dit beroep betrekking heeft, is het aldus onmogelijk om ondubbelzinnig vast te stellen of het om een sluiting of een voortzetting van de exploitatie gaat.

22      In elk geval wijst de Commissie erop dat op de in het aanvullend met redenen omkleed advies vastgestelde datum, 19 oktober 2015, voor de 44 betrokken stortplaatsen, in strijd met artikel 14, onder b) en c), van deze richtlijn, hetzij de werkzaamheden niet waren uitgevoerd die noodzakelijk zijn om de stortplaatsen waarvan de exploitatie moest worden voortgezet in overeenstemming te brengen met richtlijn 1999/31, hetzij de maatregelen niet waren genomen die noodzakelijk zijn voor de sluiting van de stortplaatsen waarvan de exploitatievergunning niet was verlengd.

23      De Italiaanse Republiek betwist de beweringen van de Commissie. Met betrekking tot de gestelde schending van de bij artikel 14, onder b) en c), van deze richtlijn opgelegde verplichting om een definitief besluit vast te stellen inzake de aanpassing of de sluiting van de bestaande stortplaatsen en de dubbelzinnigheid van de door de Italiaanse autoriteiten vastgestelde maatregelen, voert de Italiaanse Republiek ten eerste aan dat de bevoegde autoriteiten een definitief besluit hebben vastgesteld waarbij de sluiting van 18 van de 22 stortplaatsen wordt gelast, terwijl voor 4 andere stortplaatsen, die zich in de regio Apulië bevinden, definitieve besluiten zijn vastgesteld om deze in overeenstemming te brengen met de voorschriften van deze richtlijn, en ten tweede dat de Commissie, wat de 22 andere door haar geïdentificeerde stortplaatsen betreft, niet de geldigheid van de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde definitieve sluitingsmaatregelen betwist, maar alleen de niet-nakoming van de verplichting om de sluitingswerkzaamheden binnen de termijn van 16 juli 2009 te voltooien.

24      In een groot aantal gevallen hebben de bevoegde autoriteiten in eerste instantie de aanpassing van de betrokken stortplaats gelast en een vergunning verleend voor de exploitatie ervan, alvorens in tweede instantie te besluiten de stortplaats definitief te sluiten omdat deze niet binnen de voorgeschreven termijnen in overeenstemming met de voorschriften van deze richtlijn was gebracht of omdat de exploitatie ervan was stopgezet. In een dergelijk geval werd de definitieve sluiting van de betrokken stortplaats uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van één enkele rechtshandeling waarbij zowel het aanpassingsplan als het sluitingsplan werd goedgekeurd, hetgeen de gestelde dubbelzinnigheid van de door de Italiaanse autoriteiten aangehaalde besluiten verklaart. Deze dubbelzinnigheid is slechts formeel van aard.

 Beoordeling door het Hof

25      Krachtens artikel 14 van richtlijn 1999/31 dienden de lidstaten maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de exploitatie van stortplaatsen waarvoor een vergunning was verleend of die reeds in gebruik waren op het tijdstip van de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht, namelijk uiterlijk op 16 juli 2001, niet werd voortgezet tenzij zo spoedig mogelijk, doch ten laatste op 16 juli 2009, alle in dat artikel genoemde maatregelen waren getroffen.

26      Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat dit artikel 14 voorziet in een afwijkende overgangsregeling om deze stortplaatsen in overeenstemming te brengen met de nieuwe milieueisen (arrest van 25 februari 2016, Commissie/Spanje, C‑454/14, niet gepubliceerd, EU:C:2016:117, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27      In het bijzonder vereist artikel 14, onder b), van richtlijn 1999/31 dat de bevoegde overheid op basis van een aanpassingsplan en deze richtlijn een definitief besluit neemt met betrekking tot de voortzetting van de exploitatie en dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen om stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn een vergunning tot voortzetting van hun activiteiten is verleend, zo spoedig mogelijk te sluiten.

28      In artikel 14, onder c), van richtlijn 1999/31 wordt in wezen bepaald dat de bevoegde overheid op basis van een goedgekeurd aanpassingsplan voor een stortplaats toestemming geeft voor de noodzakelijke werkzaamheden en een overgangsperiode voor de uitvoering van het plan vaststelt, met dien verstande dat elke bestaande stortplaats vóór 16 juli 2009 aan de voorschriften van deze richtlijn moet voldoen.

29      Om de niet-nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn vast te stellen, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het bestaan ervan moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof geen rekening kan houden met sindsdien opgetreden wijzigingen (arrest van 18 oktober 2018, Commissie/Roemenië, C‑301/17, niet gepubliceerd, EU:C:2018:846, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      In casu is de relevante datum de datum die is vastgesteld in het aanvullend met redenen omkleed advies, namelijk 19 oktober 2015.

31      Het is juist dat de Italiaanse Republiek maatregelen heeft genomen om hetzij de stortplaatsen te sluiten waarvoor geen vergunning tot voortzetting van de activiteiten is verleend, hetzij de noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren overeenkomstig de door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde aanpassingsplannen van de stortplaatsen.

32      Tussen partijen staat evenwel vast dat, ten eerste, de stortplaatsen van Avigliano (Serre Le Brecce), Ferrandina (Venita), Genzano di Lucania (Matinella), Latronico (Torre), Lauria (Carpineto), Maratea (Montescuro), Moliterno (Tempa La Guarella), Potenza (Montegrosso-Pallareta), Potenza (Montegrosso-Pallareta), Rapolla (Albero in Piano), Sant’Angelo Le Fratte (Farisi), Capistrello (Trasolero), Francavilla (Valle Anzuca), L’Aquila (Ponte delle Grotte), Canosa (CO.BE.MA), Torviscosa (società Caffaro), Corleto Perticara (Tempa Masone), Marsico Nuovo (Galaino), Matera (La Martella), Rionero in Volture (Ventaruolo), Salandra (Piano del Governo), Senise (Palomabara), Tito (Aia dei Monaci), Capestrano (Tirassegno), Castellalto (Colle Coccu), Castelvecchio Calvisio (Termine), Corfinio (Cannucce), Corfinio (Case querceto), Mosciano S. Angelo (Santa Assunta), S. Omero (Ficcadenti), Montecorvino Pugliano (Parapoti) en Torviscosa (La Valletta) op 19 oktober 2015 niet overeenkomstig richtlijn 1999/31 waren gesloten en op de datum van de instelling van het onderhavige beroep nog steeds niet in overeenstemming waren met deze richtlijn.

33      Wat ten tweede de stortplaatsen van Andria (D’Oria G. & C.), Bisceglie (CO.GE.SER), Andria (F.lli Acquaviva), Trani (BAT-Igea), Atella (Cafaro), Pescopagano (Domacchia) en Tito (Valle del Forno) betreft, hebben de partijen ter terechtzitting bevestigd dat de werkzaamheden om deze stortplaatsen in overeenstemming te brengen met deze richtlijn zijn voltooid in 2017 en 2018, dus na 19 oktober 2015.

34      Wat ten derde de stortplaatsen van Potenza (Montegrosso-Pallareta), Roccanova (Serre), Campotosto (Reperduso), San Mauro Forte (Priati), San Bartolomeo in Galdo (Serra Pastore) en Trivigano (voorheen Cava Zof) betreft, heeft de Italiaanse Republiek ter terechtzitting gesteld dat deze stortplaatsen in overeenstemming zijn gebracht met richtlijn 1999/31. Ook al zou de Commissie in de gelegenheid zijn gesteld om kennis te nemen van de door de Italiaanse Republiek aan de vooravond van de terechtzitting overgelegde documenten, die ertoe strekken aan te tonen dat deze stortplaatsen inderdaad in overeenstemming zijn gebracht met deze richtlijn – hetgeen de Commissie overigens heeft betwist –, moet erop worden gewezen dat vaststaat dat deze aanpassing, gesteld dat zij wordt bewezen, na 19 oktober 2015 is gebeurd.

35      Wat ten slotte de argumenten betreft die de Italiaanse Republiek heeft aangevoerd om de niet-nakoming van de krachtens richtlijn 1999/31 op haar rustende verplichtingen te verklaren, zij erop gewezen dat een lidstaat volgens vaste rechtspraak van het Hof zich niet kan beroepen op nationale situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van verplichtingen en termijnen die uit het Unierecht voortvloeien (arrest van 18 oktober 2018, Commissie/Roemenië, C‑301/17, niet gepubliceerd, EU:C:2018:846, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36      Derhalve dient het beroep van de Commissie gegrond te worden verklaard.

37      Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 14, onder b) en c), van richtlijn 1999/31 door met betrekking tot de stortplaatsen van Avigliano (Serre Le Brecce), Ferrandina (Venita), Genzano di Lucania (Matinella), Latronico (Torre), Lauria (Carpineto), Maratea (Montescuro), Moliterno (Tempa La Guarella), de twee stortplaatsen van Potenza (Montegrosso-Pallareta), de stortplaatsen van Rapolla (Albero in Piano), Roccanova (Serre), Sant’Angelo Le Fratte (Farisi), Campotosto (Reperduso), Capistrello (Trasolero), Francavilla (Valle Anzuca), L’Aquila (Ponte delle Grotte), Andria (D’Oria G. & C.), Canosa (CO.BE.MA), Bisceglie (CO.GE.SER), Andria (F.lli Acquaviva), Trani (BAT-Igea), Torviscosa (società Caffaro), Atella (Cafaro), Corleto Perticara (Tempa Masone), Marsico Nuovo (Galaino), Matera (La Martella), Pescopagano (Domacchia), Rionero in Volture (Ventaruolo), Salandra (Piano del Governo), San Mauro Forte (Priati), Senise (Palomabara), Tito (Aia dei Monaci), Tito (Valle del Forno), Capestrano (Tirassegno), Castellalto (Colle Coccu), Castelvecchio Calvisio (Termine), Corfinio (Cannucce), Corfinio (Case querceto), Mosciano S. Angelo (Santa Assunta), S. Omero (Ficcadenti), Montecorvino Pugliano (Parapoti), San Bartolomeo in Galdo (Serra Pastore), Trivigano (voorheen Cava Zof) en Torviscosa (La Valletta), niet alle maatregelen te hebben getroffen die noodzakelijk zijn om de stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend, zo spoedig mogelijk te sluiten overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13 van deze richtlijn, of niet de maatregelen te hebben getroffen die noodzakelijk zijn om de stortplaatsen waarvoor wel een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend, in overeenstemming te brengen met deze richtlijn, onverminderd de voorwaarden van bijlage I, punt 1, bij deze richtlijn.

 Kosten

38      Ingevolge artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

1)      De Italiaanse Republiek is de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 14, onder b) en c), van richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen door met betrekking tot de stortplaatsen van Avigliano (Serre Le Brecce), Ferrandina (Venita), Genzano di Lucania (Matinella), Latronico (Torre), Lauria (Carpineto), Maratea (Montescuro), Moliterno (Tempa La Guarella), de twee stortplaatsen van Potenza (Montegrosso-Pallareta), de stortplaatsen van Rapolla (Albero in Piano), Roccanova (Serre), Sant’Angelo Le Fratte (Farisi), Campotosto (Reperduso), Capistrello (Trasolero), Francavilla (Valle Anzuca), L’Aquila (Ponte delle Grotte), Andria (D’Oria G. & C. Snc), Canosa (CO.BE.MA), Bisceglie (CO.GE.SER), Andria (F.lli Acquaviva), Trani (BAT-Igea Srl), Torviscosa (società Caffaro), Atella (Cafaro), Corleto Perticara (Tempa Masone), Marsico Nuovo (Galaino), Matera (La Martella), Pescopagano (Domacchia), Rionero in Volture (Ventaruolo), Salandra (Piano del Governo), San Mauro Forte (Priati), Senise (Palomabara), Tito (Aia dei Monaci), Tito (Valle del Forno), Capestrano (Tirassegno), Castellalto (Colle Coccu), Castelvecchio Calvisio (Termine), Corfinio (Cannucce), Corfinio (Case querceto), Mosciano S. Angelo (Santa Assunta), S. Omero (Ficcadenti), Montecorvino Pugliano (Parapoti), San Bartolomeo in Galdo (Serra Pastore), Trivigano (voorheen Cava Zof) en Torviscosa (La Valletta), niet alle maatregelen te hebben getroffen die noodzakelijk zijn om de stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend, zo spoedig mogelijk te sluiten overeenkomstig artikel 7, onder g), en artikel 13 van deze richtlijn, of niet de maatregelen te hebben getroffen die noodzakelijk zijn om de stortplaatsen waarvoor wel een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend, in overeenstemming te brengen met deze richtlijn, onverminderd de voorwaarden van bijlage I, punt 1, bij deze richtlijn.

2)      De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen


*      Procestaal: Italiaans.