Language of document : ECLI:EU:C:2019:290

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

4 april 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Overheidsopdrachten – Sluiting van aansluitingsovereenkomsten met een bedrijfsvoorzieningskas die belast is met het beheer van bijdragen voor de sociale verzekering van werknemers – Sluiting waarvoor het akkoord van de werknemers of hun vertegenwoordiging nodig is – Richtlijn 2014/24/EU – Artikelen 49 en 56 VWEU – Beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie – Transparantieverplichting”

In zaak C‑699/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk) bij beslissing van 29 november 2017, ingekomen bij het Hof op 14 december 2017, in de procedure ingesteld door

Allianz Vorsorgekasse AG,

in tegenwoordigheid van:

Bundestheater-Holding GmbH,

Burgtheater GmbH,

Wiener Staatsoper GmbH,

Volksoper Wien GmbH,

ART for ART Theaterservice GmbH,

fair-finance Vorsorgekasse AG,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, D. Šváby (rapporteur) en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Allianz Vorsorgekasse AG, vertegenwoordigd door P. Pallitsch, Rechtsanwalt,

–        Bundestheater-Holding GmbH, Burgtheater GmbH, Wiener Staatsoper GmbH, Volksoper Wien GmbH, ART for ART Theaterservice GmbH, vertegenwoordigd door M. Oder, Rechtsanwalt,

–        fair-finance Vorsorgekasse AG, vertegenwoordigd door S. Heid, Rechtsanwalt,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Hesse als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Ondrůšek en K. Petersen als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65), zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2015/2170 van de Commissie van 24 november 2015 (PB 2015, L 307, blz. 5) (hierna: „richtlijn 2014/24”), de artikelen 49 en 56 VWEU, de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, alsook de transparantieverplichting.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure die is ingesteld door Allianz Vorsorgekasse AG (hierna: „Allianz”) met betrekking tot de toepassing van de Unieregels inzake overheidsopdrachten op de sluiting van overeenkomsten tussen Bundestheater-Holding GmbH, Burgtheater GmbH, Wiener Staatsoper GmbH, Volksoper Wien GmbH, ART for ART Theaterservice GmbH (hierna tezamen: „betrokken vennootschappen”) en fair-finance Vorsorgekasse AG (hierna: „fair-finance”) betreffende het beheer en de belegging van bijdragen voor ontslagvergoedingen voor de werknemers van de betrokken vennootschappen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Overweging 1 van richtlijn 2014/24 luidt:

„Wanneer door of namens overheden van de lidstaten overheidsopdrachten worden gegund, moeten de beginselen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) worden geëerbiedigd, met name het vrije verkeer van goederen, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverlening, alsmede de daarvan afgeleide beginselen, zoals gelijke behandeling, non-discriminatie, wederzijdse erkenning, evenredigheid en transparantie. Voor overheidsopdrachten met een waarde boven een bepaald drempelbedrag moeten echter bepalingen worden opgesteld die nationale procedures voor aanbestedingen coördineren om te waarborgen dat deze beginselen in de praktijk worden geëerbiedigd en dat overheidsopdrachten worden opengesteld voor mededinging.”

4        Artikel 2, lid 1, punt 5, van deze richtlijn bepaalt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

[...]

5.      ,overheidsopdrachten': schriftelijke overeenkomsten onder bezwarende titel die tussen één of meer ondernemers en één of meer aanbestedende diensten zijn gesloten en betrekking hebben op de uitvoering van werken, de levering van producten of de verlening van diensten”.

5        Artikel 4 van deze richtlijn, „Drempelbedragen”, bepaalt:

„Deze richtlijn is van toepassing op opdrachten waarvan de geraamde waarde exclusief belasting over de toegevoegde waarde (btw) gelijk is aan of groter dan de volgende drempelbedragen:

[...]

c)      209 000 EUR voor overheidsopdrachten voor leveringen en voor diensten gegund door niet-centrale aanbestedende diensten en voor door deze diensten georganiseerde prijsvragen; deze drempel is ook van toepassing op overheidsopdrachten voor leveringen die gegund zijn door op defensiegebied werkzame centrale overheidsinstanties en betrekking hebben op producten welke niet onder bijlage III vallen;

[...]”

6        Artikel 5 van richtlijn 2014/24, „Methoden voor de berekening van de geraamde waarde van een opdracht”, bepaalt:

„1.      De berekening van de geraamde waarde van een opdracht is gebaseerd op het totale bedrag, exclusief btw, zoals geraamd door de aanbestedende dienst, met inbegrip van de eventuele opties en eventuele verlengingen van de opdrachten zoals uitdrukkelijk vermeld in de aanbestedingsstukken.

Ingeval de aanbestedende dienst voorziet in prijzengeld of betalingen aan gegadigden of inschrijvers, berekent hij deze door in de geraamde waarde van de aanbesteding.

[...]

13.      In het geval van overheidsopdrachten voor diensten wordt voor de berekening van de geraamde waarde van de opdracht de volgende grondslag genomen:

a)      verzekeringsdiensten: de te betalen premie en andere vormen van beloning;

b)      bankdiensten en andere financiële diensten: te betalen honoraria, provisies en rente, alsmede andere vormen van beloning;

[...]

14.      In het geval van overheidsopdrachten voor diensten waarvoor geen totale prijs is vermeld, wordt voor de berekening van de geraamde waarde van de opdracht de volgende grondslag genomen:

a)      bij opdrachten met een vaste looptijd die gelijk is aan of korter is dan 48 maanden: de totale waarde voor de gehele looptijd;

b)      bij opdrachten voor onbepaalde tijd of waarvan de looptijd langer is dan 48 maanden: de maandelijkse waarde vermenigvuldigd met 48.”

7        Artikel 10 van deze richtlijn, „Specifieke uitsluitingen voor opdrachten voor diensten”, bepaalt:

„Deze richtlijn is niet van toepassing op overheidsopdrachten voor diensten betreffende:

[...]

g)      arbeidsovereenkomsten;

[...]”

 Oostenrijks recht

8        § 1 van het Bundesvergabegesetz 2006 (Oostenrijkse federale wet van 2006 inzake het plaatsen van overheidsopdrachten) (BGBl. I, 17/2006), in de in BGBl. I, 7/2016 gepubliceerde versie (hierna: „BVergG 2006”), bepaalt:

„(1)      Deze federale wet regelt in het bijzonder

[...]      de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de openbare sector (procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten), te weten de plaatsing van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, de levering van goederen of de verrichting van diensten, de plaatsing van concessieopdrachten voor werken en diensten door aanbestedende diensten, de door aanbestedende diensten georganiseerde prijsvragen, de plaatsing van overheidsopdrachten voor werken bij derden door concessiehouders van werken die zelf geen aanbestedende dienst zijn, en de plaatsing van overheidsopdrachten voor werken en diensten die niet door aanbestedende diensten worden geplaatst, maar door hen worden gesubsidieerd (2e deel),

[...]”

9        § 10 BVergG 2006, betreffende de plaatsingsprocedures die van de werkingssfeer van deze wet zijn uitgesloten, bepaalt:

„Deze federale wet is niet van toepassing op

[...]

12.      arbeidsovereenkomsten,

[...]”

10      § 12 van deze wet, betreffende de drempelwaarden, bepaalt:

„(1)      De procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten door opdrachtgevers verloopt boven de drempel wanneer de geraamde waarde van de opdracht

[...]

2.      bij alle andere opdrachten voor leveringen en diensten ten minste 209 000 EUR bedraagt;

[...]”

11      Met betrekking tot opdrachten voor diensten is de berekening van de geraamde waarde van de opdracht in § 16 van deze wet als volgt gepreciseerd:

„(1)      Bij opdrachten voor de volgende diensten wordt de geraamde waarde van de opdracht als volgt vastgesteld:

1.      verzekeringsdiensten: de te betalen premie en andere vormen van beloning;

2.      bankdiensten en andere financiële diensten: te betalen honoraria, provisies en rente, alsmede andere vormen van beloning;

[...]

(2)      In het geval van overheidsopdrachten voor diensten waarvoor geen totale prijs is vermeld, wordt de geraamde waarde van de opdracht als volgt vastgesteld:

[...]

2.      Bij opdrachten voor onbepaalde tijd of waarvan de looptijd langer is dan 48 maanden: de maandelijkse waarde vermenigvuldigd met 48.

[...]”

12      § 3 van het betriebliches Mitarbeiter- und Selbständigenvorsorgegesetz (Oostenrijkse wet inzake de sociale verzekering voor werknemers en zelfstandigen) (BGBl. I, 100/2002), in de in BGBl. I, 34/2005 gepubliceerde versie (hierna: „BMSVG”), bepaalt:

„Voor de toepassing van deze federale wet wordt verstaan onder:

[...]

3.      Opgebouwde ontslagvergoedingsrechten: de door een kas beheerde rechten van een rechthebbende; deze bestaan uit

–      aan deze kas betaalde ontslagvergoedingsbijdragen met aftrek van de administratieve kosten of eventueel aan deze kas overgedragen opgebouwde leeftijdsgebonden ontslagvergoedingsrechten met aftrek van de gemaakte administratieve kosten, te vermeerderen met

–      de eventueel aan de kas betaalde vertragingsrente over de ontslagvergoedingsbijdragen of de leeftijdsgebonden ontslagvergoedingsrechten, te vermeerderen met

–      de eventueel door een andere kas aan deze kas overgedragen opgebouwde ontslagvergoedingsrechten, te vermeerderen met

–      de verkregen beleggingsopbrengsten.

[...]”

13      § 9, leden 1 en 2, BMSVG luidt als volgt:

„(1)      De keuze voor een kas moet krachtens § 97, lid 1, punt 1b, van het Arbeitsverfassungsgesetz (wet inzake de arbeidsbetrekkingen en bedrijfsorganisatie) [...] binnen de termijn door middel van een bedrijfsakkoord worden gemaakt.

(2)      Voor de werknemers die niet door een ondernemingsraad worden vertegenwoordigd dient de werkgever tijdig een bedrijfsvoorzieningskas te kiezen, tenzij de werkgever reeds krachtens § 53, lid 1, verplicht was een bedrijfsvoorzieningskas te kiezen of reeds overeenkomstig § 65, lid 1, een bedrijfsvoorzieningskas heeft gekozen en een aansluitingsovereenkomst heeft gesloten. Alle werknemers dienen binnen een week na het voorgenomen selectiebesluit van de bedrijfsvoorzieningskas schriftelijk te worden geïnformeerd. Indien ten minste een derde van de werknemers zich binnen twee weken schriftelijk tegen het voorgenomen selectiebesluit verzet, dient de werkgever een voorstel voor een andere bedrijfsvoorzieningskas te doen. [...]”

14      § 11 BMSVG bepaalt dat de aansluitingsovereenkomst dient te worden gesloten tussen de bedrijfsvoorzieningskas en de aansluitende werkgever.

15      § 18 BMSVG definieert de bedrijfsvoorzieningskas als degene die bevoegd is om ontslagvergoedingsbijdragen en bijdragen voor voorzieningen voor zelfstandigen in ontvangst te nemen. Ook bepaalt dit artikel dat de aan de kas betaalde ontslagvergoedingsbijdragen eigendom van die kas zijn, die deze bijdragen op trustbasis voor de rechthebbenden aanhoudt en beheert.

16      § 26 BMSVG, „Administratieve kosten”, bepaalt:

„(1)      De kassen zijn bevoegd om op de ontvangen ontslagvergoedingsbijdragen administratieve kosten in mindering te brengen. Deze administratieve kosten dienen voor alle bijdragers aan een kas gelijk te zijn en te worden vastgesteld op een percentage tussen 1 en 3,5 % van de ontslagvergoedingsbijdragen.

[...]

(3)      Voor de belegging van de ontslagvergoedingsbijdragen zijn de kassen bevoegd om

[...]

2.      op de rendementen van beleggingen een vergoeding voor het vermogensbeheer in te houden van ten hoogste 1 % en met ingang van 1 januari 2005 0,8 % van de belegde ontslagvergoedingsbijdragen. [...]”

17      § 27a BMSVG regelt een procedure voor de toewijzing van een kas voor de gevallen waarin de werkgever zes maanden na het begin van het dienstverband van de werknemer voor wie de werkgever voor de eerste keer de bijdrage moet betalen nog geen aansluitingsovereenkomst met een kas heeft gesloten. Het staat aan het bevoegde ziekteverzekeringsorgaan om de werkgever te verzoeken om binnen drie maanden een kas te kiezen, bij gebreke waarvan de werkgever een kas zal worden toegewezen.

18      § 29 van het Arbeitsverfassungsgesetz (wet inzake de arbeidsbetrekkingen en bedrijfsorganisatie) (BGBl. 22/1974), in de in BGBl. I, 71/2013 gepubliceerde versie, definieert het bedrijfsakkoord als volgt:

„Bedrijfsakkoorden zijn schriftelijke overeenkomsten tussen de eigenaar van de onderneming en de ondernemingsraad [...] inzake onderwerpen waarvan de regeling volgens een wet of een collectieve overeenkomst aan een bedrijfsakkoord is voorbehouden.”

19      § 97 van het Arbeitsverfassungsgesetz, in de in BGBl. I, 71/2013 gepubliceerde versie, bepaalt dat de in § 29 van deze wet bedoelde bedrijfsakkoorden kunnen worden gesloten met betrekking tot de keuze van een voorzieningskas voor de werknemers.

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

20      De betrokken ondernemingen zijn als werkgevers krachtens het BMSVG verplicht om voor hun werknemers 1,53 % van hun maandloon af te dragen aan een bedrijfsvoorzieningskas (hierna: „voorzieningskas”), die deze bedragen beheert en belegt. Hiertoe vereist § 11 BMSVG dat de voorzieningskas en de aansluitende werkgever een aansluitingsovereenkomst afsluiten. Bij beëindiging van zijn dienstverband heeft de werknemer aldus recht op een ontslagvergoeding van deze kas, die in wezen bestaat uit de betaalde bijdragen, vermeerderd met de beleggingsopbrengsten en verminderd met de door deze kas in rekening gebrachte administratieve kosten.

21      Als tegenprestatie voor het beheer en de belegging van de ontvangen bijdragen is de voorzieningskas krachtens § 26 BMSVG namelijk bevoegd om op deze bijdragen administratieve kosten in mindering te brengen en een beheersvergoeding op de beleggingsopbrengsten in te houden.

22      Tot 2016 bestond een aansluitingsovereenkomst tussen elk van de betrokken ondernemingen en Allianz. In februari 2016 hebben deze ondernemingen op nationaal niveau een procedure voor de selectie van een bedrijfsvoorzieningskas aangekondigd. De opdracht, waarin de betrokken ondernemingen werden genoemd, had betrekking op de sluiting van een aansluitingsovereenkomst en de overdracht van de opgebouwde ontslagvergoedingsrechten aan een nieuwe kas.

23      Allianz en fair-finance hebben een offerte ingediend.

24      Op 17 juni 2016 hebben de betrokken ondernemingen aangekondigd dat ze voornemens waren deze opdracht aan fair-finance te gunnen.

25      Naar aanleiding van het op 24 juni 2016 door Allianz ingediende verzoek om nietigverklaring van dit gunningsbesluit hebben de betrokken ondernemingen dit besluit op 29 juni 2016 ingetrokken en de in februari 2016 geopende aanbestedingsprocedure op 8 juli 2016 herroepen.

26      Tegelijkertijd heeft elk van de betrokken ondernemingen op 29 juni 2016 een aansluitingsovereenkomst met fair-finance gesloten, waarna zij op 30 juni 2016 de bestaande aansluitingsovereenkomsten met Allianz hebben opgezegd met ingang van 31 december 2016.

27      Op 29 juli 2016 heeft Allianz bij het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) een beroep ingesteld waarbij zij deze rechter verzocht de onrechtmatigheid vast te stellen van de sluiting van de aansluitingsovereenkomst tussen fair-finance en de betrokken ondernemingen, zonder voorafgaande bekendmaking en zonder openbaarmaking van het gunningsbesluit. Ter ondersteuning van dit beroep stelde Allianz dat de sluiting van de betrokken overeenkomsten aan het BVergG 2006 was onderworpen.

28      Op 14 september 2016 heeft het Bundesverwaltungsgericht dit beroep verworpen.

29      Allianz heeft tegen die beslissing beroep in Revision ingesteld bij het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk).

30      Deze laatste rechter vraagt zich op meerdere punten af of de Unieregels inzake overheidsopdrachten, te weten richtlijn 2014/24 en de fundamentele regels van het VWEU, op de sluiting van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten van toepassing zijn.

31      In de eerste plaats twijfelt deze rechter of een aansluitingsovereenkomst zoals aan de orde in het hoofdgeding onder de in artikel 10, onder g), van richtlijn 2014/24 bedoelde uitzondering inzake „arbeidsovereenkomsten” kan vallen, aangezien de voorzieningskas bij het beheer en de belegging van de bijdragen niet ondergeschikt is aan de werkgever van de betrokken werknemers. Deze uitlegging wordt bevestigd door het arrest van 15 juli 2010, Commissie/Duitsland (C‑271/08, EU:C:2010:426), waarin het Hof heeft geoordeeld dat deze uitzondering niet geldt voor een overeenkomst tussen een werkgever en een assuradeur inzake een bedrijfspensioenvoorziening.

32      In de tweede plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat het in ontvangst nemen en beleggen van ontslagvergoedingsbijdragen om de volgende drie redenen als banktransacties en niet als verzekeringsactiviteiten moeten worden aangemerkt. Ten eerste is voor de uitoefening van activiteiten op het gebied van bedrijfsvoorziening ingevolge de nationale regeling een bankvergunning vereist. Ten tweede draagt de voorzieningskas bij haar activiteiten, anders dan een verzekeringsmaatschappij, geen enkel risico. Ten derde bestaat de enige tegenprestatie van de werkgever erin dat deze kas administratieve kosten in rekening brengt, aangezien de maandelijkse bijdragen door de werkgever aan deze kas geen tegenprestatie zijn, maar een te beheren kapitaal. Derhalve concludeert de verwijzende rechter dat de waarde van de opdracht, uitgaande van de door de voorzieningskas uit hoofde van beloning ingehouden administratieve kosten, 174 000 EUR bedraagt en dus lager is dan de in artikel 4, onder c), van richtlijn 2014/24 vastgestelde drempel voor overheidsopdrachten voor diensten.

33      In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich dan ook af of in casu richtlijn 2014/24 dan wel de fundamentele regels en de algemene beginselen van het Verdrag moeten worden uitgelegd. Deze rechter verwijst dienaangaande naar het arrest van 5 april 2017, Borta (C‑298/15, EU:C:2017:266), en is van oordeel dat de Unie er stellig belang bij heeft dat, ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst, deze richtlijn uniform wordt uitgelegd. Hij merkt namelijk op dat de omschrijving van economische transacties in het BVergG 2006 voor alle opdrachten uniform is, ongeacht of deze de vastgestelde drempel bereiken, en dat zij is gebaseerd op de bepalingen van richtlijn 2014/24, zoals blijkt uit de toelichting bij het ontwerp van het BVergG 2006.

34      Zelfs indien de in richtlijn 2014/24 vastgelegde drempels niet zijn bereikt, dient volgens de verwijzende rechter hoe dan ook rekening te worden gehouden met de artikelen 49 en 56 VWEU, de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie en de transparantieverplichting. Onder verwijzing naar de rechtspraak oordeelt de verwijzende rechter in dit verband dat er in casu sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang, gelet op het bedrag van de opdracht alsook de aard van de opdracht en van het beheer en de belegging van de bijdragen zoals aan de orde in het hoofdgeding, waarvoor de werknemers niet fysiek aanwezig hoeven te zijn.

35      In de vierde plaats twijfelt de verwijzende rechter of de sluiting van een aansluitingsovereenkomst met een voorzieningskas als „aanbesteding” in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2014/24 kan worden aangemerkt. Aangezien deze kas door middel van een bedrijfsakkoord tussen de werkgever en de werknemers, vertegenwoordigd door de ondernemingsraad, moet worden gekozen, kan de ondernemingsraad weigeren om het door de werkgever als aanbestedende dienst voorgenomen akkoord te sluiten. Indien er geen akkoord wordt bereikt tussen de werkgever en de ondernemingsraad, wordt de keuze voor de voorzieningskas uiteindelijk overeenkomstig § 27a BMSVG door een ad-hocbemiddelingsorgaan gemaakt.

36      Onder verwijzing naar het arrest van 15 juli 2010, Commissie/Duitsland (C‑271/08, EU:C:2010:426), vraagt de verwijzende rechter zich derhalve af of het recht inzake overheidsopdrachten in omstandigheden als die van het hoofdgeding van toepassing is.

37      In deze omstandigheden moet ofwel de ondernemingsraad worden beschouwd als aanbestedende dienst, wat noch door het nationale recht noch door het Unierecht is voorzien, ofwel worden vastgesteld dat de werkgever door de keuze van de voorzieningskas na afloop van de plaatsingsprocedure is gebonden, waardoor een sociale dialoog tussen de werkgever en de ondernemingsraad wordt verhinderd.

38      Tegen deze achtergrond heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Zijn de bepalingen van richtlijn 2014/24 [...] respectievelijk de artikelen 49 en 56 VWEU en de daaruit voor de plaatsing van overheidsopdrachten voortvloeiende beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en transparantie van toepassing op de sluiting van overeenkomsten tussen aanbestedende diensten en bedrijfsvoorzieningskassen betreffende het beheer en de belegging van ontslagvergoedingsbijdragen wanneer voor de sluiting van de overeenkomst en derhalve de keuze van de voorzieningskas de goedkeuring van de werknemers of van hun vertegenwoordiging is vereist en de aanbestedende dienst derhalve niet autonoom daartoe kan overgaan?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

39      Aangezien de gestelde vraag zowel betrekking heeft op richtlijn 2014/24 als op de fundamentele Verdragsregels, en teneinde een voor de beslechting van het hoofdgeding nuttig antwoord te geven, moet allereerst worden vastgesteld welke regels op een aansluitingsovereenkomst zoals aan de orde in het hoofdgeding van toepassing zijn.

40      In dit verband blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de geraamde waarde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opdracht 174 000 EUR bedraagt, wat lager is dan de in artikel 4, onder c), van richtlijn 2014/24 vastgestelde drempel van 209 000 EUR. Bijgevolg is deze richtlijn niet van toepassing op deze opdracht (arrest van 5 april 2017, Borta, C‑298/15, EU:C:2017:266, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41      Niettemin is de verwijzende rechter van mening dat het Hof bevoegd is om uitspraak te doen over de gestelde vraag en dat de uitlegging van de bepalingen van deze richtlijn gerechtvaardigd is op grond dat, zoals blijkt uit de toelichting bij het ontwerp van het BVergG 2006, deze wet alle opdrachten uniform omschrijft, ongeacht of de waarde ervan lager of hoger is dan de drempels, en is gebaseerd op de bepalingen van richtlijn 2014/24.

42      Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak dat wanneer een nationale regeling zich voor haar oplossingen voor situaties waarop de betrokken handeling van de Unie niet van toepassing is, conformeert aan de in deze handeling gekozen oplossingen, de Unie er stellig belang bij heeft dat ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst de overgenomen bepalingen van deze handeling op eenvormige wijze worden uitgelegd (arrest van 5 april 2017, Borta, C‑298/15, EU:C:2017:266, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43      De uitlegging van de bepalingen van een handeling van de Unie in situaties die niet binnen de werkingssfeer ervan vallen, is dan ook gerechtvaardigd indien deze bepalingen door het nationale recht op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze toepasselijk zijn gemaakt op dergelijke situaties, teneinde een gelijke behandeling te verzekeren van deze situaties en situaties die binnen deze werkingssfeer vallen (arrest van 5 april 2017, Borta, C‑298/15, EU:C:2017:266, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      Op grond van de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens lijkt hier in het hoofdgeding echter geen sprake van te zijn.

45      Immers blijkt noch uit de verwijzingsbeslissing noch uit de gegevens waarover het Hof beschikt dat een bepaling van het BVergG 2006 richtlijn 2014/24 op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze toepasselijk maakt op overheidsopdrachten waarvan de waarde lager is dan de in artikel 4, onder c), van deze richtlijn bedoelde relevante drempel.

46      Hoewel in de toelichting bij het ontwerp van het BVergG 2006 naar deze richtlijn wordt verwezen, volstaat deze enkele verwijzing niet om het vereiste rechtstreekse en onvoorwaardelijke verband te vormen en te staven.

47      Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter het Hof niet de gegevens heeft verstrekt om te kunnen vaststellen dat de nationale wetgever een rechtstreekse en onvoorwaardelijke verwijzing heeft gemaakt naar richtlijn 2014/24.

48      Hieruit volgt dat, gelet op de waarde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opdracht, de gestelde vraag niet dient te worden beantwoord met betrekking tot richtlijn 2014/24.

49      Niettemin dient wat betreft een opdracht die gezien de waarde ervan buiten de werkingssfeer van richtlijn 2014/24 valt, rekening te worden gehouden met de fundamentele regels en algemene beginselen van het Verdrag, inzonderheid de artikelen 49 en 56 VWEU, en met de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, alsook de transparantieverplichting, die daaruit voortvloeien, voor zover de betrokken opdracht een duidelijk grensoverschrijdend belang vertoont (arrest van 5 april 2017, Borta, C‑298/15, EU:C:2017:266, punt 36).

50      Dienaangaande kan met name het aanzienlijke bedrag van de opdracht, in combinatie met de plaats van uitvoering van de diensten of de specifieke kenmerken van de opdracht, duiden op een dergelijk belang (zie in die zin arresten van 16 april 2015, Enterprise Focused Solutions, C‑278/14, EU:C:2015:228, punt 20, en 19 april 2018, Oftalma Hospital, C‑65/17, EU:C:2018:263, punt 40). Het staat aan de verwijzende rechter om te beoordelen of van een dergelijk belang sprake is (zie in die zin arrest van 10 juli 2014, Consorzio Stabile Libor Lavori Pubblici, C‑358/12, EU:C:2014:2063, punt 25).

51      In casu is de verwijzende rechter van oordeel dat er sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang en hij verwijst hiervoor naar de aanzienlijke waarde van de opdracht die dicht bij de in artikel 4, onder c), van richtlijn 2014/24 vastgestelde drempel ligt, en naar de aard van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde diensten van beheer en belegging van de bijdragen, waarvoor geen enkele fysieke aanwezigheid van werknemers of apparaten in Oostenrijk is vereist, aangezien deze diensten op afstand kunnen worden verricht.

52      Hieruit volgt dat de gestelde vraag in het licht van de fundamentele regels en de algemene beginselen van het Verdrag, inzonderheid de artikelen 49 en 56 VWEU, moet worden beantwoord.

53      Daarom moet de gestelde vraag aldus worden opgevat dat daarmee in wezen wordt gevraagd of de artikelen 49 en 56 VWEU, de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie alsook de transparantieverplichting aldus moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op de sluiting van een aansluitingsovereenkomst tussen een werkgever – een publiekrechtelijke instelling – en een bedrijfsvoorzieningskas betreffende het beheer en de belegging van bijdragen voor ontslagvergoedingen voor de werknemers van deze werkgever, ook al hangt de sluiting van een dergelijke overeenkomst niet uitsluitend af van de wil van de werkgever, maar is daarvoor de goedkeuring van de werknemers dan wel de ondernemingsraad vereist.

54      Meer in het bijzonder vraagt de verwijzende rechter of in casu de uitoefening van een medebeslissingsrecht door een ondernemingsraad overeenkomstig § 9, lid 1, BMSVG of, wanneer er geen ondernemingsraad is, de uitoefening van een recht van verzet door een derde van de werknemers overeenkomstig § 9, lid 2, van die wet, ertoe kan leiden dat de sluiting van een aansluitingsovereenkomst zoals aan de orde in het hoofdgeding niet onderworpen is aan de fundamentele regels van het Verdrag die van toepassing zijn op overheidsopdrachten.

55      Opgemerkt dient te worden dat het medebeslissingsrecht waarover de ondernemingsraad overeenkomstig § 9, lid 1, BMSVG bij de keuze van een voorzieningskas beschikt, alsook het recht op verzet tegen die keuze door een derde van de werknemers overeenkomstig § 9, lid 2, van die wet, twee uitdrukkingen vormen van het grondrecht op collectieve onderhandelingen.

56      Het Hof heeft geoordeeld dat het grondrecht op collectieve onderhandelingen zoals dat is neergelegd in artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie op zich een werkgever niet automatisch kan ontheffen van de verplichting tot inachtneming van de uit het Verdrag voortvloeiende regels inzake overheidsopdrachten. Immers kan niet worden aangenomen dat de uitoefening van het recht op collectieve onderhandelingen noodzakelijk gepaard gaat met een zekere aantasting van de uit het Verdrag voortvloeiende fundamentele regels inzake overheidsopdrachten (zie in die zin arrest van 15 juli 2010, Commissie/Duitsland, C‑271/08, EU:C:2010:426, punten 41 en 47).

57      Hieruit volgt dat de omstandigheid dat de gunning van een opdracht op grond van een collectieve overeenkomst gebeurt, op zichzelf niet tot gevolg heeft dat deze niet binnen de werkingssfeer van de regels inzake overheidsopdrachten valt (zie in die zin arrest van 15 juli 2010, Commissie/Duitsland, C‑271/08, EU:C:2010:426, punt 50).

58      Deze beginselen moeten in het hoofdgeding worden toegepast. Het argument dat de betrokken ondernemingen niet autonoom konden beslissen, aangezien de ondernemingsraden krachtens § 9, lid 1, BMSVG over een medebeslissingsrecht beschikken en de werknemers krachtens § 9, lid 2, van deze wet een recht op verzet hebben, onderscheidt het hoofdgeding immers niet van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 15 juli 2010, Commissie/Duitsland (C‑271/08, EU:C:2010:426), waarin het ging om een pensioenvoorziening. In deze laatste zaak werd betwist dat de aanbestedende diensten beschikten over een eigen beslissingsbevoegdheid omdat deze laatste krachtens de toepasselijke collectieve overeenkomst niet naar eigen goeddunken de voorkeur aan deze of gene inschrijver konden geven. In antwoord op dit betoog heeft het Hof overwogen dat het evenwel volstond dat de betrokken werkgevers door middel van een collectieve overeenkomst, op zijn minst indirect, invloed hebben kunnen uitoefenen op de keuze van hun medecontractant.

59      In casu blijkt uit de §§ 9 en 11 BMSVG dat de aansluitingsovereenkomst wordt gesloten tussen de werkgever en de voorzieningskas, wat veronderstelt dat de werkgever een dergelijke invloed op de keuze van deze voorzieningskas uitoefent.

60      Derhalve moet worden geoordeeld dat de uitoefening van een van de in § 9  BMSVG bedoelde rechten op collectieve onderhandelingen een aanbestedende dienst zoals die in het hoofdgeding niet kan ontheffen van zijn verplichting tot inachtneming van de fundamentele regels van het Verdrag, waaronder met name de uit de artikelen 49 en 56 VWEU voortvloeiende transparantieverplichting.

61      De transparantieverplichting eist van de aanbestedende dienst een passende mate van openbaarheid waardoor mededinging kan plaatsvinden en waardoor de onpartijdigheid van de gunningsprocedure kan worden gecontroleerd (arrest van 17 december 2015, UNIS en Beaudout Père et Fils, C‑25/14 en C‑26/14, EU:C:2015:821, punt 39).

62      De regels inzake de gunningsprocedure moeten dus op transparante wijze worden toegepast ten aanzien van alle inschrijvers. De transparantieverplichting, die een logisch uitvloeisel is van het gelijkheidsbeginsel, heeft immers in wezen tot doel te verzekeren dat elke geïnteresseerde aanbieder kan beslissen in te schrijven op aanbestedingen op basis van het geheel van relevante informatie, en dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgesloten. Het impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de aanbesteding duidelijk, precies en ondubbelzinnig worden geformuleerd opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte ervan kunnen begrijpen en deze op dezelfde manier kunnen interpreteren en, anderzijds, de discretionaire bevoegdheid van de aanbestedende dienst wordt afgebakend en deze in staat is om daadwerkelijk na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken procedure van toepassing zijn (zie in die zin arresten van 4 februari 2016, Ince, C‑336/14, EU:C:2016:72, punt 87, en 22 juni 2017, Unibet International, C‑49/16, EU:C:2017:491, punt 46).

63      Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 49 en 56 VWEU, de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie alsook de transparantieverplichting aldus moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op de sluiting van een aansluitingsovereenkomst tussen een werkgever – een publiekrechtelijke instelling – en een bedrijfsvoorzieningskas betreffende het beheer en de belegging van bijdragen voor ontslagvergoedingen voor de werknemers van deze werkgever, ook al hangt de sluiting van een dergelijke overeenkomst niet uitsluitend af van de wil van de werkgever, maar is daarvoor de goedkeuring van de werknemers dan wel de ondernemingsraad vereist.

 Kosten

64      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 49 en 56 VWEU, de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie alsook de transparantieverplichting moeten aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op de sluiting van een aansluitingsovereenkomst tussen een werkgever – een publiekrechtelijke instelling – en een bedrijfsvoorzieningskas betreffende het beheer en de belegging van bijdragen voor ontslagvergoedingen voor de werknemers van deze werkgever, ook al hangt de sluiting van een dergelijke overeenkomst niet uitsluitend af van de wil van de werkgever, maar is daarvoor de goedkeuring van de werknemers dan wel de ondernemingsraad vereist.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.