Language of document : ECLI:EU:C:2019:295

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

G. PITRUZZELLA

van 9 april 2019 (1)

Zaak C251/18

Trace Sport

tegen

Inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven

[verzoek van de rechtbank Noord-Holland (Nederland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Handelspolitiek – Antidumpingrechten – Invoer van met name uit Sri Lanka verzonden rijwielen – Uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat is ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China – Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 – Geldigheid – Ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing – Toepassing van de TWD-rechtspraak”






1.        De onderhavige zaak betreft een prejudiciële verwijzing van de rechtbank Noord-Holland (Nederland) over de geldigheid van uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013(2) (hierna: „litigieuze verordening”), waarmee de Raad van de Europese Unie het definitieve antidumpingrecht dat is ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, heeft uitgebreid tot de invoer van rijwielen verzonden uit, onder andere, Sri Lanka.

2.        Deze verordening is door het Gerecht van de Europese Unie nietig verklaard bij arrest van 19 maart 2015, City Cycle Industries/Raad(3), in hogere voorziening door het Hof bevestigd bij arrest van 26 januari 2017, Maxcom/City Cycle Industries(4), voor wat betreft de enige Sri Lankaanse producent die daartegen beroep tot nietigverklaring had ingesteld, te weten de onderneming City Cycle Industries (hierna: „City Cycle”).

3.        Voor de verwijzende rechter betwist de onderneming Trace Sport, een Franse importeur van rijwielen, twee uitnodigingen van de Nederlandse belastingdienst tot betaling van de voor de invoer van rijwielen uit Sri Lanka verschuldigde antidumpingrechten. Trace Sport is voornemens zich voor deze rechter te beroepen op bovengenoemde arresten die door de rechterlijke instanties van de Europese Unie ten aanzien van City Cycle zijn gewezen, om de ongeldigheid van de litigieuze verordening in te roepen ten aanzien van de Sri Lankaanse producenten-exporteurs van wie zij de rijwielen heeft ingevoerd waarop de bestreden uitnodigingen tot betaling betrekking hebben, namelijk de vennootschappen Kelani Cycles (PVT) Ltd (hierna: „Kelani Cycles”) en Creative Cycles (PVT) Ltd (hierna: „Creative Cycles”).

4.        De belanghebbenden die schriftelijke opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, betogen echter dat Trace Sport zich op grond van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf (C‑188/92, EU:C:1994:90), vanwege haar bijzondere omstandigheden als importeur die verbonden is met de twee bovengenoemde Sri Lankaanse producenten, niet bij de verwijzende rechter kan beroepen op de ongeldigheid van de litigieuze verordening. Volgens deze rechtspraak kan een justitiabele die zonder enige twijfel bevoegd zou zijn geweest in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU om in het kader van een beroep tot nietigverklaring op te komen tegen een handeling van de Unie, zich niet bij een nationale rechter in het kader van een prejudiciële verwijzing beroepen op de ongeldigheid van deze handeling (hierna: „TWD-rechtspraak”).(5)

5.        In deze omstandigheden is deze conclusie overeenkomstig het verzoek van het Hof toegespitst op de vraag of de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter ontvankelijk zijn, en in het bijzonder of de TWD-rechtspraak van toepassing is op de onderhavige zaak.

I.      Litigieuze verordening, hoofdgeding en prejudiciële vragen

6.        In september 2012 heeft de Europese Commissie een onderzoek geopend naar eventuele ontwijking van de op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China ingestelde antidumpingmaatregelen middels de invoer van rijwielen verzonden uit, onder andere, Sri Lanka.(6)

7.        Tijdens het onderzoek heeft Kelani Cycles verzocht om vrijstelling van de uitbreiding van het antidumpingrecht.(7) Op 16 januari 2013 heeft de Commissie een controlebezoek verricht in de lokalen van Kelani Cycles. Aangezien de Commissie de medewerking van Kelani Cycles onvoldoende achtte, heeft zij de onderneming meegedeeld voornemens te zijn de door Kelani Cycles meegedeelde informatie niet in aanmerking te nemen, de bevindingen op de beschikbare gegevens te baseren(8) en haar verzoek om vrijstelling af te wijzen. In deze omstandigheden heeft de Commissie Kelani Cycles de gelegenheid geboden om nadere toelichtingen te verstrekken(9), hetgeen zij bij brief van 7 februari 2013 vergezeld van 43 bijlagen heeft gedaan. De Commissie heeft deze nadere toelichtingen om verschillende redenen buiten beschouwing gelaten en het door Kelani Cycles ingediende verzoek om vrijstelling uiteindelijk afgewezen.

8.        Nadat de Commissie had besloten de stukken en het bewijsmateriaal van Kelani Cycles uit bovengenoemd punt buiten beschouwing te laten, heeft Trace Sport, tijdens de door de Commissie gevoerde administratieve procedure, een onderhoud bij de instelling aangevraagd, om ondanks deze afwijzing dezelfde stukken en gegevens als die welke Kelani Cycles had verstrekt, over te leggen ter ondersteuning van haar nadere toelichtingen. De Commissie heeft echter geen gehoor gegeven aan het verzoek van Trace Sport.

9.        Op 29 mei 2013 heeft de Raad de litigieuze verordening vastgesteld, waarbij het definitieve antidumpingrecht van 48,5 % op de invoer van rijwielen van oorsprong uit China werd uitgebreid tot de invoer van rijwielen verzonden uit, onder andere, Sri Lanka. In deze verordening wordt Kelani Cycles aangemerkt als een onderneming die niet heeft meegewerkt(10), terwijl Creative Cycles daarin niet uitdrukkelijk wordt genoemd.

10.      In 2012 en 2013 hebben douanevertegenwoordigers, die voor rekening en in naam van Trace Sport optraden, in Nederland aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van rijwielen verzonden vanuit Sri Lanka, en daarbij Creative Cycles en Kelani Cycles als exporteurs van die rijwielen opgegeven.

11.      Naar aanleiding van controles achteraf van de geldigheid van deze aangiften heeft de Inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven (Nederland), geoordeeld dat een antidumpingrecht van 48,5 % moest worden betaald voor het in het vrije verkeer brengen van de aangegeven rijwielen. Hij heeft voor de verschuldigde antidumpingrechten daarom twee uitnodigingen tot betaling uitgereikt, ten bedrage van respectievelijk 229 990,88 EUR en 234 275,37 EUR. Na de bezwaarschriften van Trace Sport tegen deze uitnodigingen zijn zij bevestigd bij twee besluiten van 24 september 2015.

12.      In de tussentijd heeft het Gerecht bij arrest van 19 maart 2015, City Cycle Industries/Raad(11), artikel 1, leden 1 en 3, van de litigieuze verordening(12), voor zover het betrekking had op City Cycle, nietig verklaard.

13.      Trace Sport heeft de twee besluiten van 24 september 2015 waarin de uitnodigingen tot betaling zijn bevestigd, bij de verwijzende rechter betwist.

14.      Bij arrest van 26 januari 2017, Maxcom/City Cycle Industries(13), heeft het Hof het arrest van het Gerecht in de zaak City Cycle Industries/Raad in hogere voorziening bevestigd.

15.      In de zaak die bij de verwijzende rechter aanhangig is, voert Trace Sport argumenten aan uit het arrest van het Hof in de zaken Maxcom/City Cycle Industries om de geldigheid van de litigieuze verordening ten aanzien van Creative Cycles en Kelani Cycles ter discussie te stellen. De verwijzende rechter is van mening dat de conclusie van het Hof in dit arrest met betrekking tot City Cycle eveneens geldt voor Kelani Cycles en Creative Cycles en vraagt zich dan ook af of de litigieuze verordening geldig is ten aanzien van deze andere twee Sri Lankaanse producenten-exporteurs.

16.      In deze omstandigheden heeft de rechtbank Noord-Holland besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vragen voor te leggen:

„1)      Is [de litigieuze verordening] geldig voor zover zij betrekking heeft op producent-exporteur Kelani Cycles?

2)      Is [de litigieuze verordening] geldig voor zover zij betrekking heeft op producent-exporteur Creative Cycles?”

II.    Juridische beoordeling

A.      Opmerkingen vooraf

17.      Alle betrokkenen die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend bij het Hof, te weten de Nederlandse regering, de Raad en de Commissie, trekken de ontvankelijkheid van deze prejudiciële verwijzing ter beoordeling van de geldigheid in twijfel. Op grond van de TWD-rechtspraak betogen die belanghebbenden in wezen dat Trace Sport zich in het hoofdgeding niet kan beroepen op de ongeldigheid van de litigieuze verordening, aangezien zij zonder enige twijfel een beroep tot nietigverklaring van deze verordening had kunnen instellen.

18.      Zoals ik in punt 5 van deze conclusie reeds heb aangegeven, is zij overeenkomstig het verzoek van het Hof toegespitst op de vraag of de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter ontvankelijk zijn.

19.      In dit verband zal ik eerst ingaan op de uit de TWD-rechtspraak voortgekomen beginselen en de toepassing ervan op het gebied van het antidumpingrecht van de Unie. Op basis van die analyse zal ik vervolgens de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter beoordelen.

B.      TWD-rechtspraak en de toepassing ervan op het gebied van antidumping

20.      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat een handeling van de instellingen van de Unie die niet binnen de in artikel 263, zesde alinea, VWEU gestelde termijn is aangevochten door degene tot wie zij is gericht of door enige andere instelling of persoon die bevoegd is om nietigverklaring ervan te vorderen, volgens vaste rechtspraak definitief wordt. Die rechtspraak berust onder meer op de overweging dat beroepstermijnen de rechtszekerheid beogen te waarborgen doordat wordt verhinderd dat handelingen van de Unie die rechtsgevolgen teweegbrengen, onbeperkt in het geding kunnen worden gebracht.(14)

21.      Voorts heeft het Hof erkend dat in het Unierecht een algemeen beginsel is neergelegd volgens hetwelk elke partij in de context van een nationale procedure het recht heeft om de onwettigheid aan te voeren van de in Uniehandelingen vervatte bepalingen die als grondslag dienen voor een tegen hen aangevoerd besluit of tegen hen aangevoerde handeling van nationaal recht, en om de nationale rechter ertoe te bewegen daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.(15) Ofschoon nationale gerechten tot de slotsom kunnen komen dat een Uniehandeling geldig is, kunnen zij deze niet ongeldig verklaren.(16)

22.      Ingevolge dezelfde vereisten van rechtszekerheid als vermeld in punt 20 hierboven, heeft het Hof geoordeeld dat dit algemene beginsel op grond waarvan iedere justitiabele het recht heeft om zich in het kader van een beroep tegen een voor hem bezwarende nationale maatregel te beroepen op de ongeldigheid van de Uniehandeling waarop die maatregel is gebaseerd, geenszins belet dat deze handeling definitief wordt voor een justitiabele, ten aanzien van wie die handeling moet worden beschouwd als een individuele beschikking waarvan hij krachtens artikel 263 VWEU ongetwijfeld nietigverklaring had kunnen vorderen.(17)

23.      Zo kan de justitiabele zich op grond van de TWD-rechtspraak, in het geval waarin kan worden geoordeeld dat zijn tot nietigverklaring van een Uniehandeling strekkende vordering zonder enige twijfel ontvankelijk zou zijn geweest, voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie niet op de ongeldigheid van die handeling beroepen.(18)

24.      Zoals het Hof meermaals heeft beklemtoond, indien wordt aanvaard dat een justitiabele die zonder enige twijfel bevoegd zou zijn geweest in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU om in het kader van een beroep tot nietigverklaring op te komen tegen een handeling van de Unie, na het verstrijken van de beroepstermijn van artikel 263, zesde alinea, VWEU voor de nationale rechter de geldigheid van die handeling zou kunnen betwisten, zou dit er immers op neerkomen dat hem de mogelijkheid wordt gegeven om te ontkomen aan het onherroepelijke karakter dat die handeling na het verstrijken van de beroepstermijn jegens hem heeft.(19)

25.      De uitzondering op het algemene beginsel in punt 21 hierboven die voortvloeit uit de toepassing van de TWD-rechtspraak, vindt dus haar bestaansreden in het feit dat de rechtszekerheid dient te worden gewaarborgd doordat wordt verhinderd dat Uniehandelingen onbeperkt in het geding kunnen worden gebracht, en dat misbruik van de beroepswegen die de justitiabelen uit hoofde van het Unierecht ter beschikking staan, dient te worden voorkomen.(20)

26.      Wat meer bepaald het antidumpingrecht van de Unie betreft, heeft het Hof verklaard dat de conclusies die uit de TWD-rechtspraak voortvloeien, opgaan voor verordeningen waarbij antidumpingrechten worden ingesteld, en wel vanwege hun hybride karakter, omdat zij enerzijds handelingen met een normatief karakter zijn – doordat zij van toepassing zijn op alle betrokken marktdeelnemers – en anderzijds handelingen die bepaalde marktdeelnemers rechtstreeks en individueel kunnen raken.(21)

27.      In het geval waarin kan worden geoordeeld dat een marktdeelnemer zonder enige twijfel procesbevoegdheid zou hebben gehad en zijn vordering tot nietigverklaring van de verordening waarbij een antidumpingrecht wordt ingesteld, op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU dus zonder enige twijfel ontvankelijk zou zijn geweest, kan deze marktdeelnemer zich voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie niet op de ongeldigheid van die verordening beroepen.(22)

28.      In dit verband heeft het Hof in zijn rechtspraak bepaalde categorieën marktdeelnemers aangeduid die krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU kunnen worden beschouwd als rechtstreeks en individueel geraakt door een verordening tot instelling van een antidumpingrecht en wier tot nietigverklaring ervan strekkende vordering voor de rechterlijke instanties van de Unie derhalve ontvankelijk zou zijn geweest.

29.      Zo heeft het Hof geoordeeld dat uit hoofde van die bepaling, ten eerste, de producenten en exporteurs van het betrokken product aan wie de dumpingpraktijken zijn toegerekend op grond van gegevens over hun handelsactiviteit, rechtstreeks en individueel kunnen worden geraakt door dergelijke verordeningen.(23)

30.      Ten tweede kan dat ook gelden voor importeurs van het betrokken product wier wederverkoopprijzen in aanmerking zijn genomen voor de samenstelling van de uitvoerprijs en die dientengevolge door de vaststellingen betreffende het bestaan van een dumpingpraktijk worden geraakt.(24)

31.      Ten derde kan dat ook het geval zijn met importeurs die geassocieerd zijn met exporteurs van het betrokken product, met name wanneer de uitvoerprijs is berekend op basis van de wederverkoopprijzen die deze importeurs op de Uniemarkt toepassen, of wanneer die wederverkoopprijzen zijn gebruikt om het antidumpingrecht zelf te berekenen.(25)

32.      Uit het voorgaande volgt dat in de rechtspraak is erkend dat producenten, exporteurs en importeurs – al dan niet geassocieerd met een producent-exporteur – van het product waarvoor een antidumpingrecht geldt, bevoegd kunnen zijn om krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU een beroep tot nietigverklaring in te stellen van een verordening tot instelling van dit antidumpingrecht.

33.      In dit verband is opgemerkt dat, om de individuele geraaktheid van de betrokken marktdeelnemer aan te tonen, waarmee hij zijn procesbevoegdheid kan rechtvaardigen, beslissend is dat de dumpingpraktijken zijn vastgesteld op basis van de aan zijn handelsactiviteiten ontleende gegevens.(26)

34.      Het Hof heeft echter ook meermaals geoordeeld dat de erkenning dat bepaalde groepen ondernemers het recht hebben om beroep in te stellen tot nietigverklaring van een antidumpingverordening, niet uitsluit dat andere ondernemers eveneens rechtstreeks en individueel kunnen worden geraakt door een antidumpingverordening, omdat zij zekere bijzondere hoedanigheden hebben welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseren.(27)

35.      Hieruit volgt dat, ongeacht de categorieën marktdeelnemers die in de punten 29 tot en met 31 van deze conclusie worden genoemd en waarvan het Hof heeft erkend dat zij bevoegd zijn om een beroep tot nietigverklaring in te stellen, het doorslaggevende criterium om deze bevoegdheid vast te stellen, en in het bijzonder de individuele geraaktheid, de vraag betreft of, overeenkomstig de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest Plaumann(28), de antidumpingverordening de betrokken marktdeelnemer treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van de handeling.

36.      Zo heeft het Hof in de zaak Extramet bijvoorbeeld de procesbevoegdheid erkend van een onafhankelijke importeur van het product voor wie een antidumpingrecht was opgelegd en wiens verkoopprijs niet in aanmerking was genomen in het onderzoek, maar die had aangetoond dat sprake was van een reeks feiten die een bijzondere situatie vormden die hem voor de betrokken maatregel ten opzichte van iedere andere ondernemer karakteriseerde.(29)

37.      Wat meer bepaald de importeurs betreft van het product waarvoor de antidumpingmaatregel is opgelegd, is in de rechtspraak erkend, zoals blijkt uit de punten 30 en 31 van deze conclusie, dat zowel onafhankelijke importeurs als importeurs die geassocieerd zijn met een producent-exporteur van het betrokken product, bevoegd zijn om een beroep tot nietigverklaring in te stellen op het gebied van antidumping.

38.      Met betrekking tot de voorwaarde van associatie is opgemerkt dat louter de associatie van een importeur met een betrokken producent-exporteur op zich niet volstaat om de importeur individueel geraakt te achten in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.(30)

39.      Uit de in punt 31 hierboven genoemde rechtspraak blijkt echter in de eerste plaats dat het bestaan van een associatie tussen een importeur en een exporteur van het betrokken product ongetwijfeld een relevante factor vormt voor de erkenning dat de importeur bevoegd is te verzoeken om nietigverklaring van een verordening tot instelling van een antidumpingrecht; in de tweede plaats dat de importeur en de producent-exporteur te dien einde voldoende nauw verbonden moeten zijn(31), en in de derde plaats dat wordt erkend dat een geassocieerde importeur procesbevoegdheid heeft wanneer er sprake is van andere elementen die hem ten opzichte van iedere andere ondernemer kunnen karakteriseren, bijvoorbeeld in het geval waarin zijn handelsgegevens in aanmerking zijn genomen in het onderzoek.

40.      Zo heeft het Hof in de zaak Neotype(32) een geassocieerde importeur voor wie het antidumpingrecht op basis van de wederverkoopprijs was berekend, als rechtstreeks en individueel geraakt beschouwd ingevolge artikel 263 VWEU.

41.      In de zaak Nachi(33) heeft het Hof erkend dat een geassocieerde importeur (een dochteronderneming van de producent van het product in kwestie) wiens wederverkoopprijzen de grondslag hadden gevormd voor de berekening van de exportprijzen om de dumpingmarge voor de betrokken exporteur vast te stellen, bevoegd was om een beroep tot nietigverklaring in te stellen en zo de TWD-rechtspraak op de importeur toegepast.

42.      In de zaak TMK(34) daarentegen heeft het Hof ontkend dat er sprake was van procesbevoegdheid van, en de TWD-rechtspraak dus niet toegepast op, een geassocieerde importeur van wie niet was aangetoond dat hij voldoende nauw verbonden was met de betrokken exporterende ondernemingen of in een bijzondere situatie verkeerde die hem ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer karakteriseerde.

C.      Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

43.      Alle in het vorige deel uiteengezette beginselen uit de rechtspraak moeten derhalve in aanmerking worden genomen om te beoordelen of Trace Sport zich op grond van de TWD-rechtspraak in de zaak die bij de verwijzende rechter aanhangig is, niet kan beroepen op de ongeldigheid van de litigieuze verordening voor zover zij Kelani Cycles en Creative Cycles betreft.

44.      In dit verband moeten mijns inziens vooraf twee opmerkingen worden gemaakt.

45.      In de eerste plaats stel ik vast dat de onderhavige zaak zich van alle andere zaken in het vorige deel onderscheidt doordat zij geen betrekking heeft op de geldigheid van een verordening tot instelling van een antidumpingrecht, maar op de geldigheid van een verordening tot uitbreiding van een dergelijk recht, die naar aanleiding van een antiontwijkingsonderzoek op grond van artikel 13 van de basisverordening is vastgesteld.

46.      In dit verband moet worden opgemerkt dat de in artikel 13 van de basisverordening vervatte antiontwijkingsregeling van de Unie een regelgevend kader vormt dat weliswaar deel uitmaakt van de antidumpingregelgeving van de Unie, maar een specifiek karakter heeft.(35)

47.      In dit verband ben ik van mening dat de overwegingen die het Hof ertoe hebben gebracht, zoals blijkt uit punt 26 hierboven, om de beginselen van de TWD-rechtspraak toe te passen op verordeningen tot instelling van antidumpingrechten, ook opgaan voor verordeningen zoals de litigieuze verordening, tot uitbreiding van antidumpingrechten.

48.      Dergelijke verordeningen hebben immers slechts tot gevolg dat de werkingssfeer van de oorspronkelijke verordening tot instelling van het antidumpingrecht wordt uitgebreid tot de invoer van soortgelijke producten of delen daarvan. Een verordening tot uitbreiding van een antidumpingrecht heeft voor de aan dat aldus uitgebreide recht onderworpen ondernemingen dus dezelfde rechtsgevolgen als een verordening tot instelling van een definitief recht voor de aan dat recht onderworpen ondernemingen(36) en wordt eveneens gekenmerkt door het in punt 26 van deze conclusie genoemde hybride karakter.

49.      Voorts merk ik op dat de criteria die in de in de punten 28 en volgende van deze conclusie genoemde rechtspraak zijn ontwikkeld in verband met de ontvankelijkheid van beroepen tot nietigverklaring van verordeningen tot instelling van een antidumpingrecht, weliswaar kunnen worden overgenomen voor de vaststelling van de ontvankelijkheid van beroepen tot nietigverklaring van verordeningen tot uitbreiding van een dergelijk recht, maar wel rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van de onderzoeken naar ontwijking op grond van artikel 13 van de basisverordening.

50.      Hoewel antiontwijkingsonderzoeken namelijk ongetwijfeld overeenkomsten vertonen met onderzoeken die gericht zijn op de instelling van een antidumpingrecht, moeten voor antiontwijkingsonderzoeken de vier elementen worden aangetoond die volgens de definitie in artikel 13, lid 1, derde zin, van de basisverordening, het begrip ontwijking vormen.(37)

51.      In de tweede plaats zij vooraf nog opgemerkt dat er geen twijfel bestaat dat Kelani Cycles bevoegd was om krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring in te stellen van de litigieuze verordening.

52.      Wat haar rechtstreekse geraaktheid betreft moet namelijk worden opgemerkt dat de douaneautoriteiten van de lidstaten verplicht zijn het bij de litigieuze verordening uitgebreide antidumpingrecht op de invoer te innen voor rijwielen die door Kelani Cycles uit Sri Lanka naar de Unie worden uitgevoerd, zonder dat zij daarbij enigerlei beoordelingsbevoegdheid hebben.(38)

53.      Daarnaast, wat haar individuele geraaktheid betreft, heeft Kelani Cycles actief deelgenomen aan het antiontwijkingsonderzoek en tijdens dat onderzoek een verzoek tot vrijstelling ingediend. Bovendien wordt zij in de punten 39 tot en met 42 van de litigieuze verordening uitdrukkelijk genoemd en zijn in die verordening conclusies over haar getrokken op basis van de beschikbare gegevens omdat zij onvoldoende medewerking had verleend.(39)

54.      Na deze twee overwegingen vooraf wijs ik erop dat de Nederlandse regering, de Raad en de Commissie hun exceptie van niet-ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen in wezen baseren op twee elementen die Trace Sport volgens hen kunnen karakteriseren en haar derhalve ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer individualiseren.(40)

55.      Een dergelijke individualisering berust huns inziens ten eerste op het bestaan van nauwe banden tussen Trace Sport en de twee Sri Lankaanse producenten-exporteurs Kelani Cycles en Creative Cycles en ten tweede op de omstandigheid dat Trace Sport tijdens de administratieve procedure van de Commissie heeft verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van Kelani Cycles.

56.      Derhalve moet worden onderzocht of deze twee elementen in casu de conclusie kunnen rechtvaardigen dat Trace Sport zonder enige twijfel bevoegd zou zijn geweest om een beroep tot nietigverklaring van de litigieuze verordening in te stellen, zodat zij zich, overeenkomstig de TWD-rechtspraak, bij de nationale rechter niet kon beroepen op de ongeldigheid van deze verordening.

57.      Met betrekking tot in de eerste plaats het bestaan van nauwe banden tussen Trace Sport enerzijds en Kelani Cycles en Creative Cycles anderzijds, blijkt uit punt 39 van deze conclusie dat het bestaan van een associatie tussen een betrokken exporteur en een betrokken importeur relevant is om te bepalen of een importeur om nietigverklaring van een verordening inzake antidumping kan verzoeken.

58.      In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de Commissie, wanneer zij de ontvankelijkheid van de exceptie van onwettigheid van een dergelijke verordening betwist die door een geassocieerde importeur voor de nationale rechter is opgeworpen, bewijzen moet aandragen waaruit blijkt dat de importeur voldoende nauw verbonden is met de betrokken exporterende ondernemingen.(41)

59.      In casu heeft de Commissie als bewijs fragmenten overgelegd uit een eindverslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) over een onderzoek naar de ontwijking van douane- en antidumpingrechten op de invoer in de Unie van rijwielen van oorsprong uit China, na informatie te hebben ontvangen over Chinese rijwielen die ten onrechte waren opgegeven als van oorsprong uit Sri Lanka.

60.      Dit verslag heeft betrekking op documenten die door de Franse douaneautoriteiten in beslag zijn genomen bij Trace Sport en in het bijzonder op een lijst van „offshorevennootschappen”, waaruit blijkt dat de eigenaar van Trace Sport voor 50 % eigenaar was van een onderneming (waarvan het overige kapitaal in handen was van twee Chinese investeerders) waarvan Creative Cycles een dochteronderneming was. Uit die documenten blijkt tevens dat dezelfde eigenaar van Trace Sport samen met een van bovengenoemde Chinese investeerders voor 50 % mede-eigenaar was van een andere onderneming, waarvan Kelani Cycles een dochteronderneming was. Uit dit verslag van OLAF blijkt voorts dat Kelani Cycles in feite was opgericht om alle activiteiten van Creative Cycles over te nemen.

61.      In het verslag van OLAF wordt ook gesteld dat al deze bedrijven, en een aantal andere ondernemingen uit dezelfde holding, betrokken waren bij het opstellen van valse facturen met betrekking tot de invoer in de Unie van rijwielen van oorsprong uit China, wat had geleid tot fraude op het gebied van douane- en antidumpingrechten.

62.      Het bestaan van deze nauwe banden tussen Trace Sport enerzijds en Kelani Cycles en Creative Cycles anderzijds, wordt bovendien bevestigd door bepaalde stukken die deel uitmaken van de „Panama Papers”(42), waarvan de Commissie bewijs heeft verstrekt.

63.      Het bestaan van al deze banden en de conclusies van het eindverslag van OLAF zijn geenszins betwist door Trace Sport, die het niet nodig heeft geacht om opmerkingen te maken bij het Hof.

64.      In deze omstandigheden ben ik van mening dat moet worden aangenomen dat de Commissie in casu bewijzen heeft aangevoerd op basis waarvan kan worden aangetoond dat er voldoende nauwe banden bestonden, in de zin van de rechtspraak, tussen de betrokken importeur, Trace Sport, en de Sri Lankaanse producenten-exporteurs, Kelani Cycles en Creative Cycles.

65.      Met betrekking tot in de tweede plaats het andere onderdeel waarop de Nederlandse regering, de Raad en de Commissie hun exceptie van niet-ontvankelijkheid baseren, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Trace Sport de Commissie tijdens de administratieve procedure – waaraan Kelani Cycles heeft deelgenomen met de indiening van een verzoek tot vrijstelling, dat wegens onvoldoende medewerking harerzijds uiteindelijk door de Commissie is afgewezen – heeft verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van Kelani Cycles.

66.      Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft Trace Sport namelijk zelf verklaard dat zij bij de Commissie een onderhoud had aangevraagd om precies dezelfde argumenten te kunnen aanvoeren en precies dezelfde stukken en bewijzen over te leggen die door Kelani Cycles reeds als aanvullende opmerkingen waren overgelegd naar aanleiding van de mededeling van de Commissie dat zij voornemens was haar verzoek om vrijstelling af te wijzen. De Commissie had deze stukken en de bewijzen om de in overweging 40 van de litigieuze verordening uiteengezette redenen afgewezen.

67.      Uit deze interventie van Trace Sport aan de zijde van Kelani Cycles in het antiontwijkingsonderzoek van de Commissie komen elementen naar voren die relevant zijn voor de beoordeling, ook al heeft deze interventie uiteindelijk niet plaatsgevonden doordat de Commissie heeft geweigerd haar analyse van de argumenten en stukken in kwestie te heroverwegen.

68.      Ten eerste wordt hiermee aangetoond dat de band tussen Trace Sport en Kelani Cycles dermate nauw was dat eerstgenoemde in kennis werd gesteld van het onderzoek waarbij laatstgenoemde betrokken was, informatie die niet openbaar is.

69.      Ten tweede blijkt hieruit het bestaan van gemeenschappelijke belangen tussen de betrokken exporteur en de geassocieerde importeur, zodanig dat de importeur heeft getracht in te grijpen in het onderzoek naar de geassocieerde producent om de Commissie ertoe te brengen de argumenten en bewijzen van de exporteur wel degelijk in aanmerking te nemen. Het bestaan van dergelijke gemeenschappelijke belangen heeft beide marktdeelnemers er uiteindelijk toe gebracht om in het kader van het onderzoek als één entiteit op te treden.

70.      Ten derde is het redelijk te veronderstellen dat de betrokken gegevens en documenten, althans ten dele, betrekking hadden op Trace Sport zelf. In de eerste plaats blijkt uit overweging 40 van de litigieuze verordening dat een van de betrokken kwesties tussen de Commissie en Kelani Cycles betrekking had op ophelderingen betreffende verbonden ondernemingen, zoals Trace Sport. Indien de gegevens en documenten die Trace Sport voornemens was aan de Commissie over te leggen, geen betrekking op haar hadden gehad, verklaart dat voorts niet op welke grond Trace Sport haar eigen interventie bij de Commissie had kunnen rechtvaardigen om deze gegevens en documenten te kunnen aandragen.

71.      In dit verband moet nog worden opgemerkt dat de reden waarom de Commissie, anders dan in de zaken die in de punten 29 tot en met 31 van deze conclusie zijn genoemd, haar bevindingen in het antiontwijkingsonderzoek voor de vaststelling van de uitbreiding van het antidumpingrecht in casu niet kon baseren op de gegevens van de geassocieerde producent en importeur, de ontoereikende medewerking van Kelani Cycles (en Trace Sport) aan het onderzoek was.

72.      Al deze elementen brengen mij tot de slotsom dat Kelani Cycles en Trace Sport in de loop van het onderzoek in werkelijkheid hebben gehandeld alsof zij de belangen van één enkele marktdeelnemer behartigden. Creative Cycles daarentegen heeft niet deelgenomen aan het onderzoek, aangezien haar activiteiten, zoals blijkt uit punt 60 van deze conclusie, in wezen door Kelani Cycles waren overgenomen.

73.      Uit bovenstaande overwegingen volgt dat in de specifieke omstandigheden van de onderhavige zaak mijns inziens een reeks feiten als aangetoond moet worden beschouwd die een bijzondere situatie vormen die Trace Sport met betrekking tot de litigieuze verordening ten opzichte van iedere andere ondernemer karakteriseert en die haar dus op soortgelijke wijze kan individualiseren als de met haar geassocieerde producent Kelani Cycles.

74.      Hieruit volgt dat Trace Sport in de specifieke omstandigheden van deze zaak volgens mij ongetwijfeld bevoegd zou zijn geweest om uit hoofde van artikel 263 VWEU beroep tot nietigverklaring van de litigieuze verordening in te stellen, en dat zij zich op grond van de TWD-rechtspraak voor de nationale rechter dus niet kan beroepen op een eventuele ongeldigheid van die verordening.

75.      In dit verband zij nog opgemerkt dat ik besef dat in artikel 263, vierde alinea, VWEU strenge criteria zijn vastgelegd voor de ontvankelijkheid van beroepen tot nietigverklaring(43) en voorts dat de TWD-rechtspraak, aangezien deze een uitzondering op een algemeen beginsel vormt, zoals ik heb opgemerkt in de punten 21 tot en met 25 van deze conclusie, een beperkte draagwijdte moet hebben, in het bijzonder beperkt tot enkel die gevallen waarin er geen enkele twijfel bestaat over de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring voor het Gerecht.(44)

76.      In dit verband ben ik evenwel enerzijds van mening dat de erkenning dat Trace Sport bevoegd is op te komen tegen de litigieuze verordening zonder enige twijfel strookt met de rechtspraak inzake de ontvankelijkheid van beroepen tot nietigverklaring op het gebied van antidumping, zoals genoemd in de punten 31 en 34 tot en met 42 hierboven.

77.      Anderzijds ben ik in de zeer bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak van mening dat wanneer een geassocieerde importeur, zoals Trace Sport – waarvan ten eerste is aangetoond dat deze voldoende nauw is verbonden met de exporteur die aan het antiontwijkingsonderzoek heeft deelgenomen en kennelijk bevoegd was om een beroep tot nietigverklaring van de betrokken maatregel in te stellen, en ten tweede dat deze importeur, zij het zonder succes, betrokken was bij het antiontwijkingsonderzoek naar deze verbonden producent, door in dit onderzoek te handelen alsof zij het belang van één enkele marktdeelnemer behartigden – in staat wordt gesteld om zich voor de nationale rechter te beroepen op de ongeldigheid van de betrokken verordening, dit indruist tegen de bestaansreden van de TWD-rechtspraak, zoals aangegeven in punt 25 van deze conclusie, namelijk het waarborgen van de rechtszekerheid en het voorkomen van misbruik van de beroepswegen die justitiabelen uit hoofde van het Unierecht ter beschikking staan.

III. Conclusie

78.      Gelet op alle bovenstaande overwegingen geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de rechtbank Noord-Holland te beantwoorden als volgt:

„1)      Noch door het arrest van het Gerecht van 19 maart 2015, City Cycle Industries/Raad (T‑413/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:164), noch door het arrest van het Hof van 26 januari 2017, Maxcom/City Cycle Industries (gevoegde zaken C‑248/15 P, C‑254/15 P en C‑260/15 P, EU:C:2017:62), is de geldigheid aangetast van uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad van 29 mei 2013 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 is ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, voor zover deze verordening betrekking heeft op de vennootschappen Kelani Cycles (PVT) Ltd en Creative Cycles (PVT) Ltd.

2)      Een importeur van die rijwielen, zoals Trace Sport, waarvan ten eerste is aangetoond dat hij voldoende nauw is verbonden met die producenten-exporteurs en ten tweede dat hij, zij het zonder succes, betrokken was bij het antiontwijkingsonderzoek naar deze verbonden producenten, door in dit onderzoek te handelen alsof zij het belang van één enkele marktdeelnemer behartigden, zodat hij zonder enige twijfel over een beroepsrecht voor het Gerecht beschikte om nietigverklaring van het antidumpingrecht op deze producten te bewerkstelligen, doch geen beroep heeft ingesteld, kan zich vervolgens niet voor een nationale rechter op ongeldigheid van dit antidumpingrecht beroepen. In een dergelijk geval is de nationale rechter gebonden aan het definitieve karakter van het antidumpingrecht dat is ingesteld bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 van de Raad van 3 oktober 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009, en dat uit hoofde van artikel 1 van uitvoeringsverordening nr. 501/2013 is uitgebreid tot rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Uitvoeringsverordening van de Raad van 29 mei 2013 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 is ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië (PB 2013, L 153, blz. 1).


3      Arrest van 19 maart 2015, City Cycle Industries/Raad (T‑413/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:164).


4      Arrest van 26 januari 2017, Maxcom/City Cycle Industries (C‑248/15 P, C‑254/15 P en C‑260/15 P, EU:C:2017:62).


5      Zie in die zin punt 17 van dat arrest. Het Hof heeft het in dit arrest neergelegde beginsel meermaals bevestigd. Zie in dit verband onder meer arresten van 15 februari 2001, Nachi Europe (C‑239/99, EU:C:2001:101, punten 30 en 37); 27 november 2012, Pringle (C‑370/12, EU:C:2012:756, punt 41); 14 maart 2017, A e.a. (C‑158/14, EU:C:2017:202, punten 66 en 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 25 juli 2018, Georgsmarienhütte e.a. (C‑135/16, EU:C:2018:582, punten 14 en 15).


6      Verordening (EU) nr. 875/2012 van de Commissie van 25 september 2012 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij [uitvoerings]verordening (EU) nr. 990/2011 van de Raad ingestelde antidumpingrechten op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, door de invoer van rijwielen verzonden vanuit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, en tot onderwerping van deze invoer aan registratie (PB 2012, L 258, blz. 21).


7      Op grond van artikel 13, lid 4, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 (PB 2012, L 344, blz. 1) (hierna: „basisverordening”).


8      Overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening. Zie punten 39‑42 van de litigieuze verordening.


9      Overeenkomstig artikel 18, lid 4, van de basisverordening.


10      Zie overwegingen 39 en 42 van de litigieuze verordening.


11      T‑413/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:164.


12      In deze bepaling wordt het antidumpingrecht van 48,5 % uitgebreid tot de bedoelde invoer en is vastgelegd dat het wordt geïnd voor invoer die tijdens de onderzoeksperiode was geregistreerd.


13      C‑248/15 P, C‑254/15 P en C‑260/15 P, EU:C:2017:62.


14      Zie in die zin arresten van 15 februari 2001, Nachi Europe (C‑239/99, EU:C:2001:101, punt 29), en 14 november 2017, British Airways/Commissie (C‑122/16 P, EU:C:2017:861, punten 83 en 84). Met betrekking tot de naleving van de beroepstermijn als vereiste van openbare orde, zie de overwegingen in de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak British Airways/Commissie (C‑122/16 P, EU:C:2017:406, punten 93‑99).


15      Dit beginsel vloeit voort uit artikel 277 VWEU. Zie arresten van 15 februari 2001, Nachi Europe (C‑239/99, EU:C:2001:101, punt 35), en 27 november 2012, Pringle (C‑370/12, EU:C:2012:756, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


16      Arrest van 22 oktober 1987, Foto-Frost (314/85, EU:C:1987:452, punten 14 en 15). Zie ook arresten van 10 januari 2006, IATA en ELFAA (C‑344/04, EU:C:2006:10, punten 27 en 30), en 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 95).


17      Zie arrest van 15 februari 2001, Nachi Europe (C‑239/99, EU:C:2001:101, punt 37), op grond van de punten 24 en 25 van het arrest van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf (C‑188/92, EU:C:1994:90). Zie ook arresten van 27 november 2012, Pringle (C‑370/12, EU:C:2012:756, punt 41); 18 september 2014, Valimar (C‑374/12, EU:C:2014:2231, punten 28 en 29), en 16 april 2015, TMK Europe (C‑143/14, EU:C:2015:236, punt 18).


18      Zie met name arresten van 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma (C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punten 56 en 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 25 juli 2018, Georgsmarienhütte e.a. (C‑135/16, EU:C:2018:582, punten 14, 17 en 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


19      Arresten van 27 november 2012, Pringle (C‑370/12, EU:C:2012:756, punt 41); 14 maart 2017, A e.a. (C‑158/14, EU:C:2017:202, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 25 juli 2018, Georgsmarienhütte e.a. (C‑135/16, EU:C:2018:582, punt 15), volgens punt 18 van het arrest van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf (C‑188/92, EU:C:1994:90).


20      Zie in dit verband conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak Georgsmarienhütte e.a. (C‑135/16, EU:C:2018:120, punt 36). Op dezelfde wijze heeft advocaat-generaal Jacobs aangegeven dat de kern van de TWD-rechtspraak betrekking heeft op misbruik van procesrecht door partijen die een Uniehandeling hadden kunnen aanvechten doch dit hebben nagelaten [conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Cassa di Risparmio di Firenze e.a. (C‑222/04, EU:C:2005:655, punt 63)]. Zoals advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in bovengenoemde conclusie heeft opgemerkt, verhindert de TWD-rechtspraak nationale rechters immers niet om bij wijze van prejudiciële vraag, op elk gewenst moment, ambtshalve of op verzoek van andere partijen (die niet kennelijk bevoegd zijn om een beroep tot nietigverklaring in te stellen), hun twijfels over de geldigheid van een handeling van de Unie voor te leggen.


21      Zie arresten van 15 februari 2001, Nachi Europe (C‑239/99, EU:C:2001:101, punt 37 in fine); 16 april 2015, TMK Europe (C‑143/14, EU:C:2015:236, punt 18), en 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma (C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punt 58). Zie in dit verband arrest van 28 februari 2019, Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association (C‑465/16 P, EU:C:2019:155, punt 72).


22      Arrest van 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma (C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punten 56 en 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


23      Ibidem, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


24      Ibidem, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


25      Ibidem, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak. Zie punten 40‑42 van deze conclusie.


26      Zie conclusie van advocaat-generaal Mischo in de gevoegde zaken Nashua Corporation e.a./Commissie en Raad (C‑133/87 en C‑150/87, EU:C:1989:286, punt 35).


27      Zie arresten van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad (C‑358/89, EU:C:1991:214, punt 16); 18 september 2014, Valimar (C‑374/12, EU:C:2014:2231, punt 33), en 16 april 2015, TMK Europe (C‑143/14, EU:C:2015:236, punt 22).


28      Arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17).


29      Arrest van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad (C‑358/89, EU:C:1991:214, punten 11 en 17). Deze feiten bestonden erin dat de ondernemer de belangrijkste importeur en tevens de eindverbruiker was van het product waarvoor de antidumpingmaatregel was ingesteld, naast de omstandigheid dat zijn economische activiteiten grotendeels van deze import afhankelijk waren en door de betrokken verordening ernstig werden getroffen.


30      Zie conclusie van advocaat-generaal Mischo in de gevoegde zaken Nashua Corporation e.a./Commissie en Raad (C‑133/87 en C‑150/87, EU:C:1989:286, punten 36 en 37).


31      Zie arrest van 16 april 2015, TMK Europe (C‑143/14, EU:C:2015:236, punt 26).


32      Arrest van 11 juli 1990, Neotype Techmashexport/Commissie en Raad (C‑305/86 en C‑160/87, EU:C:1990:295, punten 20 en 21).


33      Arrest van 15 februari 2001, Nachi Europe (C‑239/99, EU:C:2001:101, punt 39). Zie in dit verband arrest van 14 maart 2017, A e.a. (C‑158/14, EU:C:2017:202, punten 64 en 65).


34      Arrest van 16 april 2015, TMK Europe (C‑143/14, EU:C:2015:236, punt 26).


35      Deze vaststelling is gebaseerd op de omstandigheid dat deze regelgeving niet berust op de antidumpingcode van 1994 [Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (PB 1994, L 336, blz. 103)] zoals opgenomen in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1), maar eenzijdig door de Unie is vastgesteld. Zie in dit verband overweging 19 van de basisverordening en de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de gevoegde zaken Maxcom e.a./Chin Haur Indonesia (C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2016:712, punt 5).


36      Zie in dezelfde zin arrest van 26 september 2000, Büchel/Raad en Commissie (T‑74/97 en T‑75/97, EU:T:2000:215, punt 52).


37      Uit de definitie in artikel 13, lid 1, derde zin, van de basisverordening blijkt dat voor het bestaan van ontwijking vier voorwaarden moeten zijn vervuld: ten eerste moet er sprake zijn van een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen het betrokken derde land en de Unie; ten tweede moet die verandering het gevolg zijn van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor er, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat; ten derde moet bewezen zijn dat er sprake is van schade, en ten vierde moet het bestaan van dumping zijn bewezen.


38      Zie in dezelfde zin arrest van 26 september 2000, Büchel/Raad en Commissie (T‑74/97 en T‑75/97, EU:T:2000:215, punt 50).


39      Op grond van artikel 18 van de basisverordening.


40      De rechtstreekse geraaktheid van Trace Sport staat buiten kijf, aangezien de onderneming om dezelfde als de in punt 52 van deze conclusie genoemde redenen rechtstreeks wordt geraakt door de litigieuze verordening.


41      Arrest van 16 april 2015, TMK Europe (C‑143/14, EU:C:2015:236, punt 26).


42      Met de „Panama Papers” wordt een grote verzameling vertrouwelijke documenten van het Panamese advocatenkantoor Mossack Fonseca bedoeld. Deze documenten zijn in 2015 openbaar gemaakt aan de internationale pers. De documenten zijn in het kader van een internationaal journalistiek onderzoeksproject onderzocht en sindsdien ook door fiscale en justitiële autoriteiten in verschillende landen onder de loep genomen. Na de openbaarmaking van de „Panama Papers” heeft het Europees Parlement een onderzoekscommissie in het leven geroepen die onderzoek moet doen naar vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht op het gebied van witwassen, belastingontwijking en belastingontduiking.


43      Zie in dit verband arrest van 14 maart 2017, A e.a. (C‑158/14, EU:C:2017:202, punten 68 en 69).


44      Zie in dit verband de overwegingen in punt 34 van de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak Georgsmarienhütte e.a. (C‑135/16, EU:C:2018:120) en in de punten 70‑72 van de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak A e.a. (C‑158/14, EU:C:2016:734).