Language of document : ECLI:EU:C:2019:323

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 11 april 2019 (1)

Gevoegde zaken C663/17 P, C665/17 P en C669/17 P

Europese Centrale Bank

tegen

Trasta Komercbanka AS,

Ivan Fursin e.a. (C663/17 P)

en

Europese Commissie

tegen

Trasta Komercbanka AS,

Ivan Fursin e.a. (C665/17 P)

en

Trasta Komercbanka AS,

Ivan Fursin e.a.

tegen

Europese Centrale Bank (C669/17 P)

„Hogere voorziening – Beroep tot nietigverklaring – Exceptie van niet-ontvankelijkheid – Verordening (EU) nr. 1024/2013 – Toezicht op kredietinstellingen – Intrekken van de vergunning van een kredietinstelling door de Europese Centrale Bank – Automatische ontbinding van de betrokken kredietinstelling naar nationaal recht – Procesbevoegdheid van de kredietinstelling in liquidatie, vertegenwoordigd door het voormalige bestuur – Procesbevoegdheid van de aandeelhouders”






I.      Inleiding

1.        In de drie onderhavige hogere voorzieningen die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van beroepen van een Letse bank en haar aandeelhouders tegen het intrekken van een banklicentie (vergunning)(2) door de Europese Centrale Bank (hierna: „ECB”), zijn in de materiële context van het recht op het gebied van het bankentoezicht principiële vragen gerezen met betrekking tot het stelsel van rechterlijke bescherming van de Unie.

2.        Het intrekken van een banklicentie heeft in het Letse recht rechtstreeks en onherroepelijk tot gevolg dat de betrokken bank wordt ontbonden. Om die reden werd het beroep van Trasta Komercbanka (hierna: „TKB”) tegen het intrekken van haar vergunning door het Gerecht op grond van een verweer van de ECB niet-ontvankelijk verklaard. Het Gerecht was van mening dat het bestuur dat het beroep had ingesteld, ten gevolge van de vereffening volgens het nationale recht niet meer bevoegd was de bank te vertegenwoordigen en voor dit doel advocaten met de procesvoering te belasten. Onder deze omstandigheden heeft het Gerecht beslist dat bij wijze van uitzondering een beroep van de aandeelhouders om op te komen voor de belangen van de bank ten aanzien van het intrekken van de vergunning ontvankelijk is.

3.        De ECB en de Europese Commissie hebben hogere voorziening ingesteld tegen dit onderdeel van de beslissing van de rechter waarbij zij ook de procesbevoegdheid van de aandeelhouders in twijfel trekken. Zodoende rijst de principiële vraag naar de rechterlijke bescherming die ten grondslag ligt aan de onderhavige procedures: moet uiteindelijk iedere toegang tot het Hof afgesloten zijn? En kan het gezien de verplichting van de Unie om een doeltreffende rechterlijke bescherming tegen belastende handelingen van de Unie te waarborgen, toelaatbaar zijn dat het nationale recht onherstelbare gevolgen verbindt aan het intrekken van een banklicentie die een doeltreffende toetsing door de rechterlijke instanties van de Unie feitelijk uitsluiten?

4.        In de onderhavige situatie waarin een handeling van de Unie rechtstreeks leidt tot de ontbinding van de rechtspersoon tot welke deze handeling is gericht, is het van bijzonder belang wie deze rechtspersoon in de daartegen gerichte procedure voor de rechterlijke instanties van de Unie mag vertegenwoordigen.

II.    Rechtskader

A.      Unierecht

5.        Artikel 14 van verordening nr. 1024/2013(3) bevat de volgende regeling:

„1.      Een aanvraag voor een vergunning tot het uitoefenen van de werkzaamheden van een kredietinstelling die in een deelnemende lidstaat zal worden gevestigd, wordt ingediend bij de nationale bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de kredietinstelling wordt gevestigd, overeenkomstig de in de toepasselijke nationale wetgeving vastgestelde voorschriften.

[...]

5.      Onder voorbehoud van lid 6 kan de ECB in de gevallen die in de toepasselijke Uniewetgeving zijn vastgesteld, op eigen initiatief, na overleg met de nationale bevoegde autoriteit van de deelnemende lidstaat waar de kredietinstelling gevestigd is, dan wel op voorstel van zo’n nationale bevoegde autoriteit, de vergunning intrekken. Bij dat overleg geeft de ECB, alvorens een besluit tot intrekking te nemen, de nationale autoriteiten voldoende tijd om te besluiten tot de vereiste herstelmaatregelen, waaronder eventuele afwikkelingsmaatregelen, en neemt zij die maatregelen in aanmerking.

Indien de nationale bevoegde autoriteit die overeenkomstig lid 1 de vergunning heeft voorgesteld, van oordeel is dat die vergunning overeenkomstig de toepasselijke nationale wetgeving moet worden ingetrokken, dient zij daartoe bij de ECB een voorstel in. In dat geval neemt de ECB een besluit over het voorstel tot intrekking, terdege rekening houdend met de door de nationale bevoegde autoriteit aangevoerde motivering voor de intrekking.

[...]”

B.      Lets recht

1.      Kredītiestāžu likums

6.        Artikel 129 van de Kredītiestāžu likums (Letse wet op de kredietinstellingen)(4) bevat de volgende regeling:

„(1)       Als de Finanšu un kapitāla tirgus komisija (financiële en kapitaalmarktcommissie, Letland) overeenkomstig artikel 27, lid 1, punten 1, 2, 3, 4 en 8, van deze wet een voor het uitoefenen van een kredietinstelling afgegeven licentie (toestemming) opheft, benoemt de financiële en kapitaalmarktcommissie een trustee en verzoekt zij bij de rechter om vereffening van deze kredietinstelling alsmede om benoeming van een vereffenaar waarbij zij tevens een kandidaat voordraagt voor het ambt van vereffenaar.

(2)       Na opheffing van de licentie is de vergadering van aandeelhouders van de kredietinstelling niet meer bevoegd om over de vrijwillige afwikkeling en benoeming van een vereffenaar te besluiten.

[...]”

7.        Artikel 133, lid 4, van de Letse wet op de kredietinstellingen bepaalt:

„Het bepaalde in hoofdstuk XI van deze wet, met uitzondering van de artikelen 160 en 166, alsmede de aan de curator in de artikelen 172 en 1721 van deze wet overgedragen rechten, plichten en bevoegdheden zijn van toepassing op de door de rechter benoemde vereffenaar van de kredietinstelling.”

8.        Artikel 161, lid 1, van deze wet luidt als volgt:

„Nadat een kredietinstelling insolvent is verklaard, gaan alle plichten, rechten en bevoegdheden van de krachtens de wet en volgens de statuten van de kredietinstelling ingestelde bestuursorganen en voorzitters van deze organen over op de curator.”

2.      Civilprocesa likums

9.        Artikel 5, lid 3, van het Civilprocesa likums (Letse wetboek van burgerlijke rechtsvordering)(5) bepaalt:

„Indien de betreffende rechtsvraag wordt geregeld in Unierechtelijke bepalingen die in Letland rechtstreeks van toepassing zijn, is Lets recht van toepassing, voor zover dit op grond van de Unierechtelijke bepalingen toelaatbaar is.”

10.      Artikel 371 van het Letse wetboek van burgerlijke rechtsvordering regelt de inhoud van het verzoek om vereffening dat door de financiële en kapitaalmarktcommissie in de in artikel 129 van de Letse wet op de kredietinstellingen bedoelde gevallen moet worden ingediend. Lid 2 bepaalt:

„Aan het verzoek om vereffening dienen te worden gehecht het besluit van de financiële en kapitaalmarktcommissie, waarbij de voor het uitoefenen van de kredietinstelling afgegeven licentie wordt opgeheven, alsmede de documenten die de omstandigheden bevestigen op grond waarvan de licentie van de kredietinstelling werd ingetrokken.”

11.      Artikel 377, lid 2, van het Letse wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt:

„Bij het vonnis inzake de vereffening van een kredietinstelling benoemt de rechter een vereffenaar voor de kredietinstelling. De rechter benoemt tot vereffenaar van de kredietinstelling een door de financiële en kapitaalmarktcommissie voorgedragen persoon.”

12.      Artikel 387 van het Letse wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt verder:

„[...]

(2)       Een curator of vereffenaar kan op verzoek van de financiële en kapitaalmarktcommissie door de rechter worden ontslagen. Bij het verzoek dient het besluit van de financiële en kapitaalmarktcommissie te worden gevoegd waarbij het vertrouwen in de curator of vereffenaar is opgezegd op grond van één van de volgende omstandigheden:

1.       de curator of vereffenaar voldoet niet aan het bepaalde in artikel 131, lid 1, respectievelijk artikel 1311, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen of er is sprake van één van de in artikel 132 of 1321 genoemde omstandigheden;

2.       de curator of vereffenaar is onbekwaam;

3.       de curator of vereffenaar maakt misbruik van zijn bevoegdheden.

(3)       De rechter kan ofwel op verzoek van een schuldeiser of groep van schuldeisers ofwel ambtshalve het verzochte ontslag van een curator of vereffenaar toetsen, als hij beschikt over bewijzen dat de curator of vereffenaar bij de uitoefening van zijn functie de bepalingen van de wet op de kredietinstellingen respectievelijk van andere handelingen heeft geschonden of in strijd heeft gehandeld met rechterlijke uitspraken, niet voldoet aan het bepaalde in artikel 131, lid 1, respectievelijk in artikel 1311, lid 1, van de wet op de kredietinstellingen of als één van de in artikel 132 of 1321 genoemde omstandigheden aan de orde is, de curator of vereffenaar onbekwaam is of misbruik maakt van zijn bevoegdheden.”

3.      Komerclikums

13.      Artikel 322 van het Komerclikums (Letse wetboek van koophandel)(6), met de titel „Rechten en plichten van de vereffenaar”, luidt als volgt:

„(1)       De vereffenaar heeft alle rechten en plichten van het bestuur en de raad van commissarissen die niet in strijd zijn met het doel van de vereffening.

(2)       De vereffenaar int vorderingen inclusief de aan de vennootschap toekomende bedragen wegens niet volgestorte aandelen in het kapitaal, verkoopt het vermogen van de vennootschap en voldoet de vorderingen van de schuldeisers.

(3)       De vereffenaar mag alleen de voor de vereffening van de vennootschap vereiste handelingen verrichten.

[...]”

III. Voorgeschiedenis van het geschil en procedure bij het Gerecht

14.      De eerste rekwirant in zaak C‑669/17 P, TKB, is een Letse kredietinstelling. De tweede tot en met de zevende rekwirant in deze zaak zijn aandeelhouders van TKB (hierna: „de aandeelhouders”). TKB bood vanaf september 1991 overeenkomstig de voor dit doel door de financiële en kapitaalmarktcommissie (hierna: „FKMC”) aan haar afgegeven vergunning financiële diensten aan.

15.      Op 5 februari 2016 heeft de FKMC overeenkomstig artikel 14, lid 5, van verordening nr. 1024/2013 aan de ECB voorgesteld om de aan TKB afgegeven vergunning in te trekken.

16.      Op 3 maart 2016 heeft de ECB na een samen met de FKMC uitgevoerde toetsing van de voorwaarden voor het intrekken van de vergunning besluit ECB/SSM/2016 – 529900WIP0INFDAWTJ81/1 WOANCA-2016‑0005 vastgesteld, waarbij de aan TKB afgegeven banklicentie werd ingetrokken. Tegelijkertijd heeft zij het verzoek van TKB afgewezen om de tenuitvoerlegging van het besluit met één maand op te schorten.

17.      Op 14 maart 2016 werd bij de Rīgas pilsētas Vidzemes priekšpilsētas tiesa (districtsrechtbank Vidzeme van de stad Riga, Letland) op verzoek van de FKMC de liquidatieprocedure inzake het vermogen van TKB ingeleid en werd een door de FKMC voorgedragen vereffenaar benoemd. TKB heeft voorafgaand aan het besluit over de inleiding van de procedure verzocht om de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur in stand te houden om zodoende bezwaar te kunnen maken bij de raad voor toetsing van de ECB en beroep tot nietigverklaring te kunnen instellen bij het Gerecht. Deze verzoeken werden door de Rīgas pilsētas Vidzemes priekšpilsētas tiesa afgewezen. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld.

18.      Op 17 maart 2016 werden de inleiding van de liquidatieprocedure en de benoeming van de vereffenaar gepubliceerd in het publicatieblad van de Republiek Letland. Op dezelfde dag werden alle door TKB eerder verleende volmachten bij besluit van de vereffenaar herroepen. De herroeping werd op 21 maart 2016 door een notaris bekendgemaakt in het Letse publicatieblad.

19.      Op 3 april 2016 heeft TKB, vertegenwoordigd door de door het voormalige bestuur vóór 17 maart 2016 gemachtigde advocaten, bezwaar gemaakt tegen het intrekken van de vergunning bij de administratieve raad voor toetsing van de ECB. In zijn besluit van 30 mei 2016 heeft de raad voor toetsing de formele en materiële grieven van TKB ongegrond verklaard en het besluit van de ECB inzake het intrekken van de vergunning in zijn geheel voldoende gemotiveerd en evenredig verklaard. De raad heeft de ECB echter opgedragen om enkele punten van het besluit te verduidelijken. Daarna heeft de ECB op 11 juli 2016 een nieuw besluit inzake het intrekken van de vergunning(7) van TKB vastgesteld, welk besluit in de plaats is getreden van het besluit van 3 maart 2016.

20.      Op 13 mei 2016 hebben TKB enerzijds en de aandeelhouders anderzijds bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen het besluit van de ECB inzake het intrekken van de banklicentie. Hierbij werd TKB wederom vertegenwoordigd door de advocaten die het voormalige bestuur van de bank vóór 17 maart 2016 had gemachtigd.

21.      De ECB heeft vervolgens op 29 september 2016 een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen overeenkomstig artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, en wel zowel met betrekking tot het beroep van TKB als met betrekking tot het beroep van de aandeelhouders.

22.      Het Gerecht heeft de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de ECB bij afzonderlijke beschikking van 12 september 2017 (hierna: „bestreden beschikking”)(8) deels toegewezen. Hierbij volgde het Gerecht het betoog van de ECB dat de door het voormalige bestuur gemachtigde advocaten niet beschikten over een geldige volmacht, aangezien zij waren ingeschakeld door een niet meer tot vertegenwoordiging bevoegde persoon. De thans tot vertegenwoordiging bevoegde persoon, te weten de vereffenaar, kon de machtigingen evenwel met gevolgen voor de procedure bij het Gerecht herroepen. Om die reden is geoordeeld dat geen uitspraak behoefde te worden gedaan op het beroep van TKB.

23.      Wat het door de aandeelhouders ingestelde beroep betreft, heeft het Gerecht de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de ECB evenwel afgewezen: het Gerecht heeft geoordeeld dat een procesbelang van de aandeelhouders om in het belang van TKB op te komen tegen het intrekken van de banklicentie, in de onderhavige situatie bij wijze van uitzondering moet worden bevestigd. De aandeelhouders hebben immers in de onderhavige situatie geen enkele mogelijkheid meer om invloed uit de oefenen op de vennootschap. Verder heeft het Gerecht geoordeeld dat de aandeelhouders in casu moeten worden beschouwd als individueel en rechtstreeks door het intrekken van de banklicentie geraakte partijen.

24.      Tegen de beschikking van het Gerecht hebben zowel TKB en de aandeelhouders als de ECB en de Commissie hogere voorziening ingesteld.

IV.    Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

25.      Met haar hogere voorziening in zaak C‑663/17 P van 24 november 2017 verzoekt de ECB:

–        de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin wordt geoordeeld dat de verzoekende partijen in eerste aanleg, behalve TKB, een procesbelang en procesbevoegdheid hadden met betrekking tot het beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit (punt 2 van het dictum van de bestreden beschikking);

–        definitief uitspraak te doen over de grond van de zaak en het beroep [van de aandeelhouders] niet-ontvankelijk te verklaren, en

–        [de aandeelhouders] te verwijzen in de kosten.

26.      Met haar hogere voorziening in zaak C‑665/17 P van 27 november 2017 verzoekt de Commissie:

–        de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarbij de exceptie van niet-ontvankelijkheid betreffende de door de aandeelhouders ingestelde vordering is afgewezen;

–        het beroep [van de aandeelhouders] niet-ontvankelijk te verklaren, en

–        [de aandeelhouders] te verwijzen in de kosten.

27.      Met haar hogere voorziening in zaak C‑669/17 P van 25 november 2017 verzoeken TKB en de aandeelhouders:

–        punt 1 van het dictum van de bestreden beschikking, te weten de beslissing van het Gerecht dat geen uitspraak hoeft te worden gedaan op het beroep tot nietigverklaring van TKB, te vernietigen;

–        te verklaren dat het beroep tot nietigverklaring van TKB niet zonder voorwerp is;

–        het beroep van TKB ontvankelijk te verklaren;

–        de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak op het beroep tot nietigverklaring, en

–        de ECB te verwijzen in de kosten en in de kosten van de hogere voorziening.

28.      In hun memorie van antwoord in de zaken C‑663/17 P en C‑665/17 P verzoeken TKB en de aandeelhouders:

–        de hogere voorzieningen af te wijzen;

–        het beroep tot nietigverklaring [van de aandeelhouders] ontvankelijk te verklaren en vast te stellen dat het beroep niet zonder voorwerp is, en

–        de ECB respectievelijk de Commissie te verwijzen in de kosten.

29.      In haar memorie van antwoord in zaak C‑669/17 P verzoekt de ECB,

–        de hogere voorziening af te wijzen, en

–        [TKB en de aandeelhouders] te verwijzen in de kosten.

30.      Bij beslissing van de president van het Hof van 13 maart 2018 zijn de zaken C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het arrest.

31.      Door partijen is de hogere voorziening eerst schriftelijk en vervolgens op de terechtzitting van 11 februari 2019 mondeling behandeld.

V.      Juridische beoordeling

32.      De ECB heeft bij het Gerecht met haar exceptie van niet-ontvankelijkheid slechts deels, te weten met betrekking tot het beroep van TKB, succes gehad. Om die reden wordt in de hogere voorziening door beide partijen opgekomen tegen de beschikking van het Gerecht, waarbij de Commissie met een eigen hogere voorziening de positie van de ECB steunt.

33.      Met de hogere voorziening in zaak C‑669/17 P komen allereerst TKB en de aandeelhouders op tegen punt 1 van het dictum van de bestreden beschikking waarbij het Gerecht heeft beslist dat geen uitspraak hoeft te worden gedaan op het beroep van TKB (zie onder A).

34.      De hogere voorzieningen van de ECB in zaak C‑663/17 P en de Commissie in zaak C‑665/17 P zijn aansluitend gericht tegen punt 2 van het dictum van de bestreden beschikking waarbij het Gerecht de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de ECB ten aanzien van het beroep van de aandeelhouders heeft afgewezen. Beide rekwirantes doen ter motivering van hun hogere voorziening een beroep op zowel de uiteenzetting van het Gerecht met betrekking tot het procesbelang als de rechtstreekse en individuele geraaktheid van de aandeelhouders. Om die reden kan de gegrondheid van deze hogere voorzieningen gezamenlijk worden getoetst (zie onder B).

A.      Hogere voorziening in zaak C669/17 P

35.      Met hun hogere voorziening in zaak C‑669/17 P komen TKB en de aandeelhouders op tegen punt 1 van het dictum van de bestreden beschikking waarbij het Gerecht heeft beslist dat geen uitspraak hoeft te worden gedaan op het beroep van TKB. De reden hiervoor is volgens het Gerecht dat de vereffenaar op 17 maart 2016 alle door TKB respectievelijk door haar voormalige bestuur verleende volmachten heeft herroepen en de rekwirante bijgevolg bij het Gerecht niet meer rechtsgeldig werd vertegenwoordigd.

36.      Ter motivering van hun hogere voorziening voeren TKB en de aandeelhouders in inhoudelijk opzicht(9) twee middelen aan, ten eerste een schending van het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming en ten tweede, subsidiair, dat de aan de advocaten verleende volmacht niet rechtsgeldig werd herroepen.

1.      Ontvankelijkheid van de hogere voorziening

37.      De hogere voorziening is niet-ontvankelijk, voor zover deze werd ingesteld door de aandeelhouders en uitsluitend gericht is tegen punt 1 van het dictum van de bestreden beschikking. Op grond van artikel 56, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan hogere voorziening immers uitsluitend worden ingesteld door een partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Het Gerecht heeft de vordering van de aandeelhouders met betrekking tot de ontvankelijkheid van hun beroep evenwel toegewezen.

38.      Voor zover de hogere voorziening is ingesteld door TKB, hangt de ontvankelijkheid daarvan juist af van de gegrondheid van de grieven waar TKB haar hogere voorziening op baseert. Daarom moeten de gegrondheid en de ontvankelijkheid gezamenlijk worden getoetst.

2.      Eerste middel met betrekking tot de schending van het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming

39.      Met haar eerste middel voert TKB in wezen aan dat het onverenigbaar zou zijn met de verplichting tot waarborging van een doeltreffende rechterlijke bescherming, als na de vereffening uitsluitend de vereffenaar in alle kwesties van het intrekken van de vergunning vertegenwoordigingsbevoegd zou zijn en dus bevoegd zou zijn de volmachten van de door het bestuur gemachtigde advocaten te herroepen. Daardoor zou TKB immers rechtens of op zijn minst feitelijk verstoken zijn van enige rechterlijke bescherming ten aanzien van het intrekken van haar banklicentie.

40.      Het Gerecht heeft dit bezwaar afgewezen in de punten 36 tot en met 38 van de bestreden beschikking. Ter motivering heeft het aangevoerd dat TKB als rechtspersoon in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU procesbevoegd blijft, waarbij het de taak van de vereffenaar is om in naam van TKB beroep tot nietigverklaring in te stellen. Ten gevolge van de vereffening en de benoeming van de vereffenaar kan het voormalige bestuur TKB namelijk niet meer rechtsgeldig vertegenwoordigen en om die reden ook geen gemachtigde benoemen. Veeleer ligt deze beslissing thans bij de vereffenaar die dus ook de volmachten kan herroepen die zijn verleend aan de advocaten die het beroep tot nietigverklaring in naam van TKB hebben ingesteld.

41.      Om die reden moet worden onderzocht of het Gerecht in punt 36 van de bestreden beschikking terecht heeft geoordeeld dat het doel van de rechterlijke bescherming van de bank, te weten de nietigverklaring van het besluit inzake het intrekken van haar vergunning, door verwijzing naar de persoon van de vereffenaar effectief kan worden bereikt. TKB betwijfelt dit om twee redenen.

42.      Het Gerecht heeft ten onrechte aangenomen dat het mandaat van de vereffenaar de juridische bevoegdheid omvat op te komen tegen het intrekken van de vergunning. In zoverre verwijt rekwirante het Gerecht in wezen een onjuiste opvatting van de feiten (eerste onderdeel van het eerste middel, zie onder b).

43.      Voorts geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting om de mogelijkheid van de vereffenaar om een voorziening in rechte te verkrijgen, als doeltreffend te beschouwen in de zin van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Ten eerste wordt de vereffenaar aangesteld door de FKMC op wier voorstel de ECB de vergunning van rekwirante heeft ingetrokken. Om die reden kan hij ten opzichte van deze instellingen de belangen van TKB niet doeltreffend behartigen. Ten tweede was slechts het bestuur van begin af aan inhoudelijk betrokken bij het proces van het intrekken van de vergunning, waardoor de vereffenaar niet in diens plaats kan treden bij aanvang van de gerechtelijke procedure. Ten derde zou de vereffenaar een verplichting schenden, als hij zou proberen om de licentie en daarmee de economische activiteiten van de vennootschap te doen herleven die hij juist zou moeten afwikkelen (tweede onderdeel van het eerste middel, zie onder c).

44.      Als vraag vooraf dient evenwel allereerst te worden nagegaan of het Unierecht überhaupt in strijd met de nationale bepalingen inzake de bevoegdheden van de vereffenaar en de vertegenwoordiging van een kredietinstelling in liquidatie het behouden van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het voormalige bestuur kan bewerkstelligen, zodat een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld (zie onder a).

a)      Samenspel van Unierecht en nationaal recht bij de toetsing van de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van een rechtspersoon

45.      De vraag of een rechtspersoon op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU een beroep tot nietigverklaring tegen een handeling van de Unie kan instellen, is enkel van Unierechtelijke aard.(10) Aangezien een rechtspersoon echter zelf geen proceshandelingen kan verrichten, houdt haar mogelijkheid om bescherming te verkrijgen bij de rechterlijke instanties van de Unie, rechtstreeks verband met de vraag wie de tot vertegenwoordiging bevoegde persoon is. Deze vraag is bijgevolg eveneens van Unierechtelijke aard.

46.      Bij gebrek aan regelingen met betrekking tot de vertegenwoordiging van rechtspersonen op het niveau van de Unie wordt voor de bepaling van de tot vertegenwoordiging bevoegde persoon weliswaar in beginsel naar het nationale recht gekeken(11), maar tegelijkertijd benadrukt het Hof echter dat de nationale wettelijke regeling niet mag afdoen aan het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming, indien en voor zover voor bepaalde procesregels wordt teruggegrepen op bepalingen van nationaal recht.(12)

47.      In het onderhavige geval was het Gerecht daarentegen van mening dat de onherroepelijke beslissing van de Rīgas pilsētas Vidzemes priekšpilsētas tiesa in ieder geval in de weg staat aan een beroep tot nietigverklaring van de bank, vertegenwoordigd door het voormalige bestuur. Door deze beslissing werd het voormalige bestuur van TKB immers ondanks het andersluidende verzoek van de advocaten gehinderd om in naam van TKB beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen het besluit van de ECB. In punt 35 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht geoordeeld dat deze beslissing bindend is, ook in het geval van een belangenconflict en zelfs als de bevoegdheid van de vereffenaar om een beroep tot nietigverklaring in naam van rekwirante in te stellen, ontbreekt.

48.      Als dit juist zou zijn, zou de mogelijkheid van een doeltreffende rechterlijke toetsing van het besluit van de ECB, zijnde een handeling van de Unie, per saldo evenwel afhankelijk zijn van het nationale recht. Een dergelijke toetsing zou door het nationale recht zelfs volledig kunnen worden uitgesloten, bijvoorbeeld als de vereffenaar volgens de toepasselijke nationale bepalingen helemaal niet bevoegd zou zijn om een beroep tot nietigverklaring in te stellen. De definitieve beslissing over de vraag of een handeling van de Unie in een afzonderlijk geval (doeltreffend) kan worden getoetst, kan evenwel niet aan het nationale recht worden overgelaten.

49.      Deze gedachtegang kan aan de hand van verschillende voorbeelden uit de rechtspraak van het Hof worden geïllustreerd.

50.      Zo heeft het Hof bijvoorbeeld in het arrest Groupement des Agences de voyages de ontvankelijkheid bevestigd van het beroep tot nietigverklaring van een vennootschap in oprichting die volgens nationaal recht geen rechtspersoonlijkheid bezat, en dit hoewel volgens vaste en niet omstreden rechtspraak bij gebrek aan Unierechtelijke bepalingen op dit gebied in zoverre in beginsel slechts het nationale vennootschapsrecht van belang is.(13) Doorslaggevend was echter onder het gezichtspunt van de doeltreffende rechterlijke bescherming dat een vereniging waaraan een handeling van de Unie is gericht, ook moet kunnen opkomen tegen deze handeling.(14)

51.      In vergelijkbare zin heeft het Hof in de zaak PKK beslist dat een organisatie ongeacht haar ontbinding of verlies van haar rechtspersoonlijkheid procesbevoegdheid blijft behouden in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, als de rechterlijke bescherming anders niet doeltreffend zou kunnen worden gewaarborgd.(15) In de vernietigde uitspraak had het Gerecht nog beslist dat een dergelijke organisatie bij gebrek aan rechtspersoonlijkheid geen vertegenwoordiger kan benoemen.(16) Het zag zich daarbij niet in staat om deze omstandigheid buiten beschouwing te laten, hoewel het de problematiek met betrekking tot de rechterlijke bescherming had onderkend.(17)

52.      Het is juist dat deze uitspraken telkens betrekking hadden op het behoud van de rechtspersoonlijkheid van een rechtspersoon om beroep in te kunnen stellen bij de rechterlijke instanties van de Unie, en niet het behoud van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van een voor de rechtspersoon handelende persoon. Hier ligt evenwel de gedachte aan ten grondslag dat de rechterlijke instanties van de Unie in gevallen waarin de toepassing van het nationale recht ertoe zou leiden dat geen doeltreffende rechterlijke bescherming kan worden geboden, geenszins „met handen en voeten gebonden” zijn.(18) Veeleer zijn zij ook in die gevallen verplicht om een doeltreffende rechterlijke bescherming te bieden.

53.      Hieraan staat ook niet in de weg dat een persoon die aanspraak maakt op rechtsbescherming, volgens de rechtspraak van het Hof in andere situaties uiteindelijk slechts recht heeft op schadevergoeding, als het nationale recht jegens deze persoon een doeltreffende rechterlijke bescherming verhindert. De zaken die in dit verband ter terechtzitting zijn behandeld, hadden geen van allen betrekking op beroepen van de adressaat in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU tegen een tot hem gerichte handeling van de Unie, maar op beroepen ingesteld door personen die geen adressaat waren, tegen handelingen van de Unie van algemene strekking die moeten worden omgezet of nationale uitvoeringshandelingen vereisen.(19) Indien het nationale recht in deze gevallen niet voorziet in (een doeltreffende) toegang tot de rechter, kan niet „in plaats daarvan” tegen de desbetreffende handeling van de Unie rechtstreeks een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld waarin in artikel 263, vierde alinea, VWEU niet is voorzien.

54.      Het in casu ingestelde beroep van de adressaat – TKB – tegen de hem belastende handeling van de Unie – het besluit van de ECB – is evenwel zonder meer te vinden in artikel 263, vierde alinea, VWEU en kan met name niet worden vervangen door een recht op schadevergoeding. In het onderhavige geval bestaat bovendien geen – als is het maar theoretische – mogelijkheid om het intrekken van de vergunning door de ECB door nationale rechterlijke instanties te laten toetsen.(20)

55.      Een verzoek in kort geding had de onderhavige situatie ook niet kunnen voorkomen. Voor een dergelijk verzoek moet immers, net als voor het beroep conform artikel 263 VWEU, op het moment van de beslissing door het Hof zijn voldaan aan de voorwaarden van ontvankelijkheid. Ten gevolge van het intrekken van de vergunning werd echter reeds 11 dagen na vaststelling van het besluit van de ECB een vereffenaar benoemd waardoor de volmachten van de advocaten op het moment van de beslissing door het Hof over het kort geding eveneens reeds zouden zijn herroepen. Bovendien kan het Hof op grond van artikel 278 VWEU weliswaar de uitvoering van de bestreden handeling opschorten, in casu dus de tenuitvoerlegging van het besluit inzake het intrekken van de vergunning, maar niet de vereffening volgens nationaal recht.

56.      De conclusie dat in casu voor de bepaling van de voor TKB tot vertegenwoordiging bevoegde persoon niet kan worden uitgegaan van het nationale recht, wordt voor het overige ook bevestigd door parallelle procedures: in een vergelijkbare procedure bij het Gerecht heeft bijvoorbeeld de Maltese rechter in liquidatiezaken in zijn besluit inzake de vereffening van de betrokken bank uitdrukkelijk de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur in stand gehouden met het oog op het instellen van een beroep tot nietigverklaring tegen het intrekken van de banklicentie bij het Gerecht.(21) Zo zijn er in Letland ook gevallen geweest waarin het bestuur als vertegenwoordigingsbevoegd werd aangemerkt in de procedure tegen het intrekken van de vergunning.(22) Indien de opvatting van het Gerecht zou worden gevolgd, zou de mogelijkheid om een handeling van de Unie te toetsen, dus afhankelijk worden gesteld van het wettelijke kader van de betrokken lidstaat.

57.      Doordat het Gerecht in punt 35 van de bestreden beschikking ervan uit is gegaan dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid, en daarmee de bevoegdheid tot herroeping van de volmachten, in ieder geval uitsluitend dient te worden bepaald volgens het nationale recht, heeft het dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

58.      Deze onjuiste rechtsopvatting kan evenwel alleen leiden tot een vernietiging van de bestreden beschikking, als het herroepen van de volmacht door de vereffenaar er feitelijk toe kan leiden dat de bank verstoken blijft van een doeltreffende rechterlijke bescherming tegen het intrekken van haar vergunning. Dit zou moeten worden ontkend als het doel van de rechterlijke bescherming van de bank even doeltreffend door de vereffenaar zou kunnen worden bereikt.

b)      Eerste onderdeel van het eerste middel

59.      Artikel 47, eerste alinea, van het Handvest beschrijft het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming als het recht van eenieder op een doeltreffende voorziening in rechte. Uit artikel 47, derde alinea, van het Handvest blijkt bovendien dat de toegang tot de rechter moet zijn gewaarborgd. Een uitsluitend formeel of in theorie bestaande, maar praktisch uitgesloten mogelijkheid om voorziening in rechte te verkrijgen, kan niet worden aangemerkt als voldoende.(23) Zo acht het Hof bijvoorbeeld rechterlijke bescherming niet doeltreffend, wanneer de justitiabelen slechts toegang tot de rechter hebben door onrechtmatig te handelen, waarna zij kunnen opkomen tegen de op grond daarvan opgelegde sancties.(24)

60.      Voor het geval dat de vereffenaar reeds volgens het Letse recht rechtens niet bevoegd zou zijn om op te komen tegen het intrekken van de vergunning, zou de bank helemaal niet beschikken over een voorziening in rechte. Een rechtspersoon kan immers reeds naar zijn aard zelf geen proceshandelingen verrichten, maar moet worden vertegenwoordigd door een natuurlijke persoon. Dit zou in ieder geval niet voldoen aan de vereisten van de doeltreffendheid van de rechterlijke bescherming.

61.      TKB heeft in eerste aanleg aangevoerd dat een dergelijke beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vereffenaar voortvloeit uit artikel 322, lid 1, van het Letse wetboek van koophandel, welk artikel de handelingsbevoegdheden van de vereffenaar beperkt tot handelingen die niet in strijd zijn met het doel van de afwikkeling van de vennootschap. Het Gerecht heeft daarentegen in punt 36 van de bestreden beschikking vastgesteld dat het volgens het Letse recht de taak van de vereffenaar is om in naam van de bank beroep tot nietigverklaring in te stellen.

62.      In dit verband moet erop worden gewezen dat dan in de hogere voorziening kan worden opgekomen tegen een onjuiste beoordeling van het nationale recht door het Gerecht, wanneer het Gerecht het nationale recht onjuist heeft opgevat.(25)

63.      Hierbij onderzoekt het Hof ten eerste of het Gerecht op basis van de hem overgelegde documenten en andere stukken de formulering van de betrokken nationale bepalingen, van de nationale rechtspraak of van de werken van de rechtsleer ter zake, niet onjuist heeft voorgesteld, ten tweede of het Gerecht gelet op deze gegevens geen vaststellingen heeft verricht die duidelijk in strijd zijn met de inhoud ervan, en ten slotte of het Gerecht bij het onderzoek van alle gegevens voor de vaststelling van de inhoud van de betrokken nationale wetgeving niet aan één gegeven een belang heeft toegekend dat het niet heeft ten opzichte van de andere gegevens, voor zover dit duidelijk blijkt uit de stukken in het dossier.(26)

64.      Rekwirante zou derhalve moeten aanvoeren dat de door het Gerecht verrichte vaststellingen kennelijk indruisen tegen de inhoud van dat nationale recht of dat het Gerecht in het licht van de elementen van het dossier aan dat recht een bepaalde draagwijdte heeft verleend die het kennelijk niet heeft.(27)

65.      Uit het dossier vloeit voort dat TKB van mening is dat de mogelijkheden van de vereffenaar om handelingen te verrichten op grond van artikel 322, lid 1, van het Letse wetboek van koophandel zijn beperkt tot maatregelen die niet in strijd zijn met het doel van de vereffening, terwijl de ECB artikel 133, lid 4, en artikel 161, lid 1, van de Letse wet op de kredietinstellingen aanvoert om te bewijzen dat de vereffenaar beschikt over alle bevoegdheden die ook toekomen aan het bestuur van een bank.

66.      De Letse rechtssituatie kan derhalve niet als dusdanig duidelijk worden beschouwd dat uit de veronderstelling van het Gerecht dat de vereffenaar op grond van het Letse recht op zijn minst rechtens over de mogelijkheid beschikt om bij de rechterlijke instanties van de Unie op te komen tegen het intrekken van de vergunning door de ECB, een onjuiste opvatting van de feiten in de zin van de in punt 63 van de onderhavige conclusie genoemde rechtspraak kan worden afgeleid.

67.      Hieruit volgt dat deze vaststelling van het Gerecht bindend is.

c)      Tweede onderdeel van het eerste middel

68.      Derhalve moet nog worden onderzocht of het Gerecht zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kon aannemen dat deze rechterlijke bescherming doeltreffend is. Zoals immers voortvloeit uit de in punt 59 van de onderhavige conclusie aangehaalde rechtspraak, mag een voorziening in rechte ook niet de facto  ineffectief zijn.

69.      In dit verband heeft advocaat-generaal Bobek reeds elders uiteengezet dat de vraag of een voorziening in rechte doeltreffend is, aan de hand van structurele overwegingen moet worden beantwoord.(28) In die zin kan het bestaan van een puur formele mogelijkheid om een voorziening in rechte in te stellen, niet voldoende zijn, als het rechtskader aldus is vormgegeven dat van deze mogelijkheid feitelijk geen gebruik wordt gemaakt. Anders zou artikel 47, eerste alinea, van het Handvest worden uitgehold.

1)      Moet de mogelijkheid van het instellen van een beroep door de vereffenaar als doeltreffend worden beschouwd?

70.      Wat betreft de mogelijkheid voor de vereffenaar om na inleiding van de liquidatieprocedure een beroep in te stellen, voert TKB ten eerste aan dat het gezien artikel 322, lid 1, van het Letse wetboek van koophandel op zijn minst een schending van zijn verplichtingen zou zijn als hij op zou komen tegen het intrekken van de vergunning. Om die reden is het instellen van beroep door de vereffenaar slechts een theoretische mogelijkheid. Daartegen brengt de ECB in dat de vereffenaar jegens de schuldeisers verplicht is om een zo groot mogelijke boedel te realiseren en het daardoor zeer wel in zijn belang zou kunnen zijn om op te komen tegen het intrekken van de vergunning.

71.      In beginsel is het juist dat een tijdelijke voortzetting van de activiteiten van de betrokken vennootschap met het oog op de verplichting van de vereffenaar ten opzichte van de schuldeisers van de vennootschap onder bepaalde voorwaarden toelaatbaar kan zijn. Anders dan met de insolventieprocedure wordt met de vereffening echter juist beoogd het vermogen van de vennootschap af te wikkelen en de vennootschap volledig te beëindigen. Indien men nu de taak om bij de rechterlijke instanties van de Unie op te komen tegen het intrekken van de vergunning, aan de vereffenaar zou overdragen, zou men van hem verlangen om de rechtsgrond voor de afwikkeling van de vennootschap weg te nemen. Maar dit is juist niet zijn opdracht.

72.      Hiermee is niet vergelijkbaar de situatie van een curator die het vermogen van een vennootschap beheert die ten gevolge van een jegens haar vastgestelde handeling van de Unie, bijvoorbeeld een mededingingsrechtelijke sanctie, faillissement moest aanvragen. In deze situatie kan zonder problemen alleen aan de curator de vertegenwoordiging van de betrokken vennootschap in het kader van een beroep tot nietigverklaring bij de rechterlijke instanties van de Unie worden overgedragen.(29) Het is immers in zijn belang om op te komen tegen de sanctie, als daardoor het faillissement alsnog kan worden afgewend. Een illustratief voorbeeld is in dit verband een zaak waar het Gerecht over moest beslissen: daar was de tussentijds na oplegging van de boete benoemde curator volgens het nationale recht zelfs verplicht de activiteiten van de betrokken vennootschap voort te zetten.(30) In casu liggen de belangen en verplichtingen evenwel precies andersom.

73.      Ten tweede voert TKB aan dat de belangen van de bank alleen door het bestuur doeltreffend kunnen worden vertegenwoordigd omdat dit reeds van begin af aan was betrokken bij de complexe procedure van het intrekken van de vergunning. Om die reden moet een continuïteit van de handelende personen in het stadium van de procedure worden gewaarborgd.

74.      In dit verband moet allereerst worden vastgesteld dat de raad voor toetsing van de ECB het door het bestuur gemaakte bezwaar tegen het intrekken van de vergunning ondanks de eerdere herroeping van de volmachten door de vereffenaar en de andersluidende beslissing van de Rīgas pilsētas Vidzemes priekšpilsētas tiesa niet als niet-ontvankelijk heeft aangemerkt en over de zaak heeft beslist. Dit pleit ervoor om deze personen ook in het stadium van de procedure ten behoeve van de bank te laten handelen. Bovendien kan uit de reeds genoemde rechtspraak van het Hof inzake het behoud van de rechtspersoonlijkheid van rechtspersonen om bij de rechterlijke instanties van de Unie beroep in te kunnen stellen, worden afgeleid dat de adressaat van een handeling van de Unie in de vorm zoals deze op het moment bestond waarop de instellingen van de Unie jegens hem hebben gehandeld, ook moet kunnen opkomen tegen de hem belastende handeling.(31)

75.      Hierbij komt, ten derde, dat de vereffenaar van een bank waarvan de vergunning werd ingetrokken, op grond van artikel 377, lid 2, van het Letse wetboek van burgerlijke rechtsvordering op voorstel van de FKMC wordt benoemd. Overeenkomstig artikel 387, lid 2, van het Letse wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan de FKMC bovendien op elk moment een verzoek tot vervanging van de vereffenaar indienen, als zij hem niet meer vertrouwt. Indien tegelijkertijd in aanmerking wordt genomen dat het juist de FKMC was die had voorgesteld om de vergunning van TKB door de ECB te laten intrekken, wordt het belangenconflict overduidelijk. Indien de vereffenaar wil opkomen tegen het intrekken van de vergunning door de ECB, zou hij dus op elk gewenst moment op verzoek van de FKMC kunnen worden vervangen die in zoverre tot het kamp van de ECB behoort.

76.      Het EHRM heeft in een vergelijkbaar geval in de situatie dat de rechtmatigheid van het intrekken van een banklicentie – welke intrekking de vereffening van de betrokken bank tot gevolg had – alleen nog door de vereffenaar, maar niet meer door het voormalige bestuur aan de rechter kon worden voorgelegd, een schending gezien van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het EHRM heeft hierbij in het bijzonder in ogenschouw genomen dat de vereffenaar feitelijk werd gecontroleerd door de toezichthoudende instantie die bijvoorbeeld bij een voor insolventies bevoegde rechter op ieder gewenst moment om zijn vervanging kon verzoeken.(32) Weliswaar kan in casu de FKMC de vereffenaar – anders dan in het besliste geval – niet zelf benoemen, maar artikel 377, lid 2, en artikel 387, lid 2, van het Letse wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepalen evenwel dat de rechter de door de FKMC voorgedragen persoon benoemt en weer ontslaat, als deze het vertrouwen in de vereffenaar verliest.

77.      De beslissing van de vereffenaar om niet op te komen tegen het intrekken van de vergunning, hangt derhalve af van structurele en niet van economische of juridische afwegingen in het individuele geval. Om die reden kan TKB ook niet worden verweten dat zij niet zou hebben geprobeerd bij de Letse rechterlijke instanties de vervanging van de benoemde vereffenaar door een andere te bewerkstelligen. In de Letse rechtssituatie, zoals deze blijkt uit de inhoud van het dossier, zal een vereffenaar in een geval zoals het onderhavige stelselmatig niet opkomen tegen het intrekken van de banklicentie. Om die reden is er geen sprake van een situatie waarin het bestuur zich uitsluitend niet zou kunnen vinden in een afwijkende opvatting van de vereffenaar over de doelmatigheid van juridische maatregelen in het individuele geval.(33)

78.      Ten vierde wordt een andere zienswijze ook niet gerechtvaardigd door het feit dat het ten gevolge van de op grond van het Letse recht onherroepelijke vereffening van TKB per saldo feitelijk alleen nog gaat om rechten op schadevergoeding die net zo goed in het belang van de vereffenaar kunnen liggen. De vereffenaar wordt in de Letse rechtssituatie geconfronteerd met het beschreven belangenconflict, ook ten aanzien van een betwisting van het intrekken van de vergunning om later een beroep te kunnen doen op rechten op schadevergoeding. Hij zou bovendien desondanks de rechtsgrond van de vereffening formeel moeten aanvechten. Verder zou een dergelijke argumentatie tot gevolg hebben dat een doeltreffende rechterlijke bescherming zou worden ontzegd met het argument dat de Letse rechtssituatie een effectieve (primaire) rechterlijke bescherming tegen het intrekken van de vergunning op voorhand uitsluit.

79.      Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat het doel van de rechterlijke bescherming van TKB kan worden geëffectueerd door de verwijzing naar een door de vereffenaar in te stellen beroep.

2)      Is een beroep door de aandeelhouders een doeltreffend alternatief voor de rechterlijke bescherming?

80.      De in punt 36 van de bestreden beschikking opgenomen vaststelling door het Gerecht dat het recht van TKB op doeltreffende rechterlijke bescherming door het herroepen van de volmachten en de hieruit voortvloeiende afdoening zonder beslissing niet wordt beperkt, zou evenwel om andere redenen juist kunnen blijken te zijn.

81.      Dit zou met name het geval zijn als met een beroep van de aandeelhouders dat door het Gerecht in punt 72 van de bestreden beschikking ontvankelijk is verklaard, het doel van de rechterlijke bescherming van de bank net zo doeltreffend kan worden bereikt.

82.      In casu zijn twee vormen van een beroep door de aandeelhouders denkbaar: een beroep van de aandeelhouders in eigen naam om op te komen voor hun eigen rechten, en een beroep van de aandeelhouders in eigen naam om op te komen voor de rechten van de vennootschap (in de vorm van een zogenaamde representatieve vordering).(34)

83.      De eerstgenoemde variant, een beroep van de aandeelhouders tegen het intrekken van de vergunning op grond van een eigen recht, in het bijzonder ter verdediging van hun eigendomsrechten(35), is reeds op voorhand een aliud ten opzichte van een beroep van de bank – als houdster van de vergunning – om op te komen voor haar belang bij het behoud van de vergunning, en kan om die reden niet worden beschouwd als even doeltreffend.

84.      Nu is het Gerecht in punt 57 van de bestreden beschikking er echter van uitgegaan dat aan de aandeelhouders in een situatie zoals de onderhavige een recht moet toekomen om op te komen voor de belangen van de bank. Los van de vraag of een dergelijk beroep überhaupt ontvankelijk zou zijn(36), kan dit evenwel in ieder geval ook niet worden aangemerkt als even doeltreffend als een door de bank zelf ingesteld beroep.

85.      Ten eerste moet een beroep dat moet worden ingesteld door een andere persoon, steeds als minder doeltreffend worden aangemerkt, aangezien de rechterlijke bescherming hiermee in wezen zou afhangen van de wil van een derde. TKB heeft in dit opzicht in de hogere voorziening aangevoerd dat een beroep van de aandeelhouders een eigen beroep door de bank niet kan vervangen.

86.      Ten tweede beschikken de aandeelhouders niet over de informatie en over inzage in het verloop van de procedure, hetgeen nodig zou zijn om de positie van de bank effectief te steunen.

87.      Ten derde zijn de mogelijkheden voor het instellen van beroep bij de rechterlijke instanties van de Unie gericht op een rechtstreekse rechterlijke bescherming van de adressaat van een belastende handeling van de Unie. Dit blijkt uit het feit dat een beroep, ingesteld door een persoon die geen geadresseerde van de handeling is, slechts onder bijzondere voorwaarden ontvankelijk is; voor deze persoon wordt het stelsel van rechterlijke bescherming van de Unie aangevuld door de rechterlijke instanties van de lidstaten.(37) De adressaat van een handeling van de Unie kan om die reden niet worden verwezen naar een in die zin secundaire mogelijkheid van rechterlijke bescherming die door een andere persoon moet worden uitgeoefend, die niet zelf adressaat van de betrokken handeling is. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring moet daarom allereerst een doeltreffende rechterlijke bescherming voor de directe adressaat van een handeling van de Unie worden gewaarborgd.

3)      Tussenconclusie

88.      Het doel van de rechterlijke bescherming van de bank kan bijgevolg noch door een verwijzing naar de vereffenaar, noch door een verwijzing naar een door de aandeelhouders ingesteld beroep doeltreffend worden bereikt. Het Gerecht heeft derhalve, door in punt 36 van de bestreden beschikking een schending van het recht op doeltreffende rechterlijke bescherming af te wijzen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

89.      Uit het bovenstaande volgt dat het eerste middel slaagt.

3.      Gevolgen van de gegrondheid van de hogere voorziening in zaak C699/17 P

90.      De uitspraak van het Gerecht, voor zover dit de beslissing op het beroep van TKB betreft, berust op de in de punten 35 en 36 van de bestreden beschikking opgenomen vaststellingen dat ook het ontbreken van een doeltreffende rechterlijke bescherming na het herroepen van de volmachten niet tot gevolg kan hebben dat de betreffende nationale wettelijke bepalingen niet worden toegepast en dat een doeltreffende rechterlijke bescherming in ieder geval door de vereffenaar wordt gewaarborgd. Met deze twee veronderstellingen heeft het Gerecht evenwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.(38)

91.      Bijgevolg moet de bestreden beschikking wat betreft punt 1 van het dictum worden vernietigd zonder dat de gegrondheid van het tweede middel van belang is waarmee TKB subsidiair aanvoert dat het herroepen van de volmachten niet voldeed aan de nationale vormvereisten.

4.      Ontvankelijkheid van het beroep van TKB bij het Gerecht

92.      Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof doet het Hof in het geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht zelf de zaak af wanneer deze in staat van wijzen is.

93.      Dit is in casu het geval. Uit de bovenstaande overwegingen vloeit immers voort dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de ECB moet worden afgewezen, zonder dat een verdere vaststelling van de feiten nodig is.

94.      Volgens de vaststellingen van het Gerecht heeft de vereffenaar op 17 maart 2016 alle door TKB, respectievelijk door het voormalige bestuur, verleende volmachten herroepen.

95.      Voor zover daardoor echter de toegang tot de rechterlijke instanties van de Unie voor TKB feitelijk wordt afgesloten, kan dit voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van haar beroep niet van belang zijn. Zoals boven reeds uiteengezet, kan de toepassing van het nationale recht er niet toe leiden dat de door artikel 47, eerste alinea, van het Handvest gewaarborgde doeltreffende rechterlijke bescherming tegen handelingen van de Unie wordt omzeild.(39)

96.      Zoals boven uiteengezet, kan TKB echter slechts door het beroep dat overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU in haar naam door het voormalige bestuur werd ingesteld, een doeltreffende rechterlijke bescherming tegen het intrekken van haar banklicentie verkrijgen.

97.      In zoverre blijkt uit de punten 70 tot en met 79 van de onderhavige conclusie dat met name de na het herroepen van de volmachten formeel nog bestaande mogelijkheid voor de vereffenaar om in naam van de bank beroep in te stellen, niet kan worden aangemerkt als doeltreffend.

98.      Net zo min kan TKB worden verwezen naar een door de aandeelhouders van de bank in te stellen beroep, aangezien dit niet even doeltreffend is als een door de bank zelf ingesteld beroep.(40)

99.      Om die reden is de volgens het nationale recht bestaande bevoegdheid van de vereffenaar om alle volmachten te herroepen, voor zover deze bevoegdheid de volmacht tot het instellen van het beroep overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU betreft en ertoe leidt dat een doeltreffende rechterlijke bescherming niet meer mogelijk is, uit het oogpunt van het Unierecht niet van belang. Bijgevolg moet de oorspronkelijke volmacht van de advocaten nog steeds als rechtsgeldig worden beschouwd, aangezien de geldigheid op het moment van het verlenen ervan onbetwist is.

100. Het voortbestaan van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur met het doel om een beroep tot nietigverklaring in te stellen bij de rechterlijke instanties van de Unie laat de Letse rechtssituatie voor het overige onverlet.(41) Net zoals de erkenning van de procesbevoegdheid van het reisbureau in de in punt 50 van de onderhavige conclusie genoemde zaak niet ertoe kon leiden dat het reisbureau rechtspersoonlijkheid verkreeg naar nationaal recht, wordt door de erkenning van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het voormalige bestuur in het kader van het beroep op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU in het nationale recht niet diens vennootschapsrechtelijke status van voor de vereffening hersteld.

101. Uit het bovenstaande blijkt dat de bij het Gerecht opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen, voor zover deze het beroep van TKB betreft.

B.      Hogere voorzieningen in de zaken C663/17 P en C665/17 P

102. Met de hogere voorzieningen in de zaken C‑663/17 P en C‑665/17 P komen de ECB en de Commissie op tegen punt 2 van het dictum van de bestreden beschikking waarin het Gerecht de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de ECB inzake het beroep van de aandeelhouders heeft afgewezen.

103. De ECB baseert haar hogere voorziening formeel op drie en de Commissie formeel op twee middelen. Inhoudelijk verwijten beide het Gerecht een onjuiste rechtsopvatting zowel bij de bepaling van het procesbelang (zie onder 1) als bij de bepaling van de procesbevoegdheid van de aandeelhouders (zie onder 2).

1.      Eerste middel: procesbelang van de aandeelhouders

104. Het procesbelang van de verzoekende partij veronderstelt volgens vaste rechtspraak van het Hof dat de bindende rechtsgevolgen van de bestreden maatregel de belangen van de verzoeker aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.(42)

105. Volgens de in punt 53 van de bestreden beschikking genoemde rechtspraak is het beroep tot nietigverklaring van een aandeelhouder van een vennootschap in beginsel alleen ontvankelijk, als hij een eigen procesbelang heeft dat verschilt van het belang dat de vennootschap, die de adressaat is van de handeling van de Unie, heeft bij de nietigverklaring van deze handeling. Anders kan hij zijn belang ten aanzien van deze handeling van de Unie enkel verdedigen door zijn rechten uit te oefenen als vennoot van de vennootschap.(43)

106. De reden hiervoor is dat de vennootschap in zoverre zelf een procesbevoegdheid toekomt ten aanzien van de handeling van de Unie. Een beroep van de aandeelhouder is derhalve niet nodig en achtergesteld ten opzichte van de rechtstreekse rechterlijke bescherming van de vennootschap als adressaat van de betrokken handeling.(44)

107. Het Gerecht heeft in punt 57 van de bestreden beschikking echter geoordeeld dat de aandeelhouders in het onderhavige geval bij wijze van uitzondering een beroep kunnen instellen om op te komen voor de belangen van de bank, aangezien zij ten gevolge van de vereffening van TKB hun vennootschapsrechtelijke rechten intern niet kunnen uitoefenen jegens het bestuur.

108. Op dit punt is doorslaggevend het antwoord op de vraag of men uitgaat van een eigen procesbelang van de aandeelhouders of van een beroep van de aandeelhouders om op te komen voor de belangen van de bank. Op grond daarvan worden immers de eisen bepaald die in de volgende stap moeten worden gesteld aan de toetsing van de procesbevoegdheid. Als de aandeelhouders beroep kunnen instellen om op te komen voor de belangen van de bank, kan het ten aanzien van de procesbevoegdheid immers slechts nog van belang zijn of de bank rechtstreeks en individueel wordt geraakt door het intrekken van de vergunning – en niet de aandeelhouders zelf.

109. Dit kan worden afgeleid uit de rechtspraak van het Hof inzake de procesbevoegdheid van verenigingen in het steunmaatregelenrecht. Daar is steeds weer sprake van situaties waarin een vereniging in eigen naam een beroep tot nietigverklaring instelt om op te komen voor de belangen van een andere rechtspersoon, meestal een lid.

110. Volgens deze rechtspraak kan een vereniging van ondernemingen waaraan een besluit inzake staatssteun is gericht, in beginsel alleen opkomen tegen een dergelijk besluit als de vereniging zich kan beroepen op een eigen procesbelang. Een eigen procesbelang van de vereniging kan ertoe leiden dat haar positie als onderhandelaar blijft bestaan. In dat geval vordert het Hof dan in de volgende stap dat de positie van de vereniging als onderhandelaar door het bestreden besluit individueel en rechtstreeks wordt geraakt.(45)

111. Het Hof heeft evenwel tevens geoordeeld dat een vereniging ook het recht kan hebben in eigen naam beroep in te stellen om de belangen van haar leden bij de nietigverklaring van het besluit te behartigen. In dat geval is dan in het kader van de procesbevoegdheid van belang dat de leden individueel en rechtstreeks worden geraakt door het bestreden besluit.(46)

112. Dit is niet meer dan consequent. Het ligt immers in de aard van de zaak dat de vereniging bij de behartiging van de belangen van haar leden niet in eigen rechtsposities individueel en rechtstreeks wordt geraakt. Als wordt toegestaan dat een persoon de belangen van een andere persoon behartigt, kan aan de ontvankelijkheid van een dergelijk beroep ook niet de eis worden gesteld dat de verzoekende persoon zelf wordt geraakt. Dit moet op dezelfde wijze gelden voor beroepen van verenigingen en voor beroepen van aandeelhouders. Het Gerecht gaat er in zijn rechtspraak ook van uit dat de vaststellingen uit de rechtspraak inzake de procesbevoegdheid van verenigingen analoog kunnen worden toegepast op de procesbevoegdheid van aandeelhouders.(47)

113. Bijgevolg moet worden onderzocht of de aandeelhouders in casu – zoals verondersteld door het Gerecht – bij wijze van uitzondering een beroep kunnen doen op het belang dat ook de bank heeft bij de nietigverklaring van het besluit. Daarvoor moet evenwel worden onderzocht of de aandeelhouders een eigen procesbelang kunnen aantonen en de bestreden beschikking om die reden juist zou kunnen blijken te zijn.

a)      Eigen procesbelang van de aandeelhouders?

114. Het economisch belang bij het behoud van de vergunning, waarvan de bank de enige houder is, kan in beginsel geen eigen procesbelang van de aandeelhouders tot gevolg hebben. Want in zoverre overlappen het belang van de aandeelhouders en het belang van de bank.(48)

115. Wanneer door een niet-geprivilegieerde verzoekende partij beroep tot nietigverklaring tegen een niet tot haar gerichte handeling wordt ingesteld, valt het vereiste dat de bindende rechtsgevolgen van de bestreden maatregel de belangen van de verzoekende partij aantasten doordat zij haar rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (procesbelang), samen met de in artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarden (in het bijzonder de rechtstreekse geraaktheid).(49)

116. Om die reden kan de ter terechtzitting benadrukte rol van de aandeelhouders in de administratieve procedure die voorafging aan het intrekken van de vergunning, op zichzelf eveneens geen eigen procesbelang van de aandeelhouders tot gevolg hebben. De deelneming aan die procedure kan immers op zich niet de conclusie wettigen dat de aldus betrokkene geraakt wordt door de handeling die aan het einde van de procedure wordt vastgesteld.(50)

117. Als eigen procesbelang kunnen de aandeelhouders van een bank volgens de rechtspraak van het Gerecht echter in het bijzonder de behartiging van hun eigendomsrechten geldend maken.(51) Het Gerecht toetst in die gevallen of de positie van de aandeelhouder als houder van aandelen in de vennootschap door de tot de vennootschap gerichte handeling van de Unie individueel en rechtstreeks wordt geraakt.(52)

118. Volgens vaste rechtspraak wordt een persoon die niet de adressaat is van een handeling van de Unie, alleen dan individueel geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, als de betrokken handeling hem betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat.(53) Verder vereist het criterium van rechtstreekse geraaktheid in dit verband dat de betrokken handeling van de Unie rechtstreeks gevolgen moet hebben voor de rechtspositie van deze persoon en aan de met de uitvoering ervan belaste autoriteiten geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de Unierechtelijke regeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld.(54)

119. De vennootschapsrechtelijke positie van de aandeelhouders of hun eigendomsrechten worden echter – zoals de ECB en de Commissie aanvoeren – in ieder geval niet rechtstreeks geraakt door het intrekken van de vergunning. Het intrekken van de banklicentie zelf heeft immers geen rechtstreekse gevolgen voor de positie van de aandeelhouders en de door hen gehouden aandelen in de vennootschap TKB. Bepaalde rechtsgevolgen treden inderdaad op grond van het nationale recht in het kader van de vereffening van de vennootschap op, waarbij de ontbinding van de vennootschap het definitieve verlies van de vermogens- en lidmaatschapsrechten betekent. De vereffening volgt echter op het intrekken van de banklicentie en is op geen enkele wijze door het Unierecht voorgeschreven. De rechtsgevolgen van de vereffening treden derhalve niet rechtstreeks op in de zin van de aangehaalde rechtspraak.

120. Het enkele feit dat het intrekken van de vergunning het doel van de vennootschap in gevaar brengt en dus kan leiden tot een waardeverlies van de aandelen, is niet voldoende om een rechtstreekse geraaktheid teweeg te brengen. Bovendien zou het onverenigbaar zijn met de in punt 105 van de onderhavige conclusie beschreven beginselen om aandeelhouders het recht toe te kennen om op te komen tegen iedere handeling van de Unie die mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de waarde van de aandelen van een naamloze vennootschap.

121. Hierbij komt dat het belang dat de aandeelhouders in casu hebben bij het voortbestaan van de vennootschap, eveneens niet voldoende onderscheiden is van het belang van de bank bij het behoud van haar vergunning.(55)

122. Een eigen procesbelang van de aandeelhouders moet derhalve worden afgewezen.

b)      Door de aandeelhouders ingesteld beroep in het belang van de bank?

123. Het Gerecht heeft echter in punt 57 van de bestreden beschikking toch al geoordeeld dat in casu moet worden afgeweken van de in punt 105 van de onderhavige conclusie beschreven beginselen en dat een procesbelang van de aandeelhouders moet worden bevestigd, hoewel zij niet opkomen voor hun eigen belang, maar voor dat van de bank.

124. Het Gerecht heeft zijn opvatting in de punten 54 tot en met 56 aldus gemotiveerd dat de aandeelhouders in casu geen enkele mogelijkheid hebben om invloed uit te oefenen waardoor zij een beroep in naam van de bank zouden kunnen afdwingen. Om die reden moet een procesbelang van de aandeelhouders met het doel op te komen voor de belangen van de bank, worden bevestigd, aldus het Gerecht.

125. Zoals boven in punt 106 reeds toegelicht, is de reden voor de beperking van de procesbevoegdheid van de aandeelhouders dat de vennootschap zelf een procesbevoegdheid ten aanzien van de handeling van de Unie heeft en niet dat de aandeelhouders normaal gesproken invloed kunnen uitoefenen op de vennootschap respectievelijk haar bestuur en aldus het instellen van beroep kunnen afdwingen. Aandeelhoudersvergaderingen beschikken zeker niet in alle rechtsordes over dergelijke bevoegdheden. Indien bij de beperking van de vennootschapsrechtelijke inspraakmogelijkheden steeds een procesbevoegdheid van de aandeelhouders wordt verondersteld, dan moet een dergelijke mogelijkheid in iedere liquidatie- en insolventieprocedure bestaan.

126. Juist is dat de aandeelhouders in de gevallen waarin zij geen belang geldend kunnen maken dat zich onderscheidt van het belang dat de vennootschap heeft bij de nietigverklaring van de handeling van de Unie, deze handeling niet kunnen aanvechten om de eenvoudige reden dat de vennootschap in zoverre zelf een procesbevoegdheid heeft.(56) Vanwege een dergelijke procesbevoegdheid van de vennootschap is het gerechtvaardigd de aandeelhouders in zoverre te verwijzen naar de uitoefening van hun vennootschapsrechtelijke medezeggenschaps- en aandeelhoudersrechten.(57) Dit doet immers recht aan de gebruikelijke vennootschapsrechtelijke structuur op grond waarvan de vennootschap extern wordt vertegenwoordigd door het bestuur of de directie en niet door de aandeelhouders.

127. Een uitzondering op dit beginsel zou volgens het doel en de strekking daarvan – als dit al het geval is – niet kunnen worden gemaakt in gevallen waarin de medezeggenschapsrechten van de aandeelhouders zijn beperkt, zoals het Gerecht in de punten 54 tot en met 56 van de bestreden beschikking heeft aangenomen, maar in gevallen waarin de vennootschap zelf niet (doeltreffend) op kan komen tegen de betrokken handeling van de Unie.

128. Zoals blijkt uit mijn uiteenzetting in het kader van de hogere voorziening in zaak C‑669/17 P, is hier juist geen sprake van een dergelijke situatie. Veeleer moet ervan uit worden gegaan dat een beroep van TKB, vertegenwoordigd door het voormalige bestuur, nog steeds mogelijk is. Om die reden is er geen aanleiding om van het door het Gerecht in punt 53 van de bestreden beschikking herhaalde beginsel af te wijken op grond waarvan het beroep tot nietigverklaring van een aandeelhouder van een vennootschap in beginsel alleen ontvankelijk is, als hij een eigen procesbelang geldend kan maken dat zich onderscheidt van dat van de vennootschap als adressaat van de handeling van de Unie.

129. Doordat het Gerecht in punt 57 van de bestreden beschikking heeft geoordeeld dat er in afwijking van dit beginsel in de omstandigheden van het onderhavige geval sprake is van een procesbelang van de aandeelhouders, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

130. Het eerste middel van de ECB en de Commissie in de zaken C‑663/17 P en C‑665/17 P slaagt derhalve.

2.      Tweede middel: procesbevoegdheid van de aandeelhouders?

131. Aangezien een procesbelang van de aandeelhouders in het onderhavige geval moet worden afgewezen, is een toetsing van de bezwaren die de rekwirantes in de volgende stap hebben aangevoerd tegen de procesbevoegdheid van de aandeelhouders, in het bijzonder hun individuele en rechtstreekse geraaktheid, niet meer nodig.

132. De individuele en rechtstreekse geraaktheid van de aandeelhouders in hun eigen rechtspositie is bij een beroep ter behartiging van de belangen van de bank toch al niet van belang, zoals reeds blijkt uit de uiteenzetting hierboven.(58) Deze geraaktheid had alleen moeten worden getoetst als het Gerecht een eigen procesbelang van de aandeelhouders had bevestigd.(59)

133. Hiervan wilde het Gerecht echter afwijken, zoals blijkt uit de punten 53 tot en met 57 van de bestreden beschikking. Bijgevolg had het dan in de volgende stap niet hoeven te onderzoeken of de aandeelhouders, maar of TKB rechtstreeks en individueel wordt geraakt in haar eigen rechtspositie door het intrekken van de vergunning. Dit moet worden bevestigd, omdat de betrokken handeling van de Unie tot TKB is gericht.

134. Zoals hier reeds opgemerkt, is een beroep van de aandeelhouders om op te komen voor de belangen van TKB bij het behoud van de vergunning evenwel toch al niet mogelijk, omdat TKB, vertegenwoordigd door het bestuur, zelf kan opkomen tegen het intrekken van haar vergunning door de ECB.(60)

3.      Conclusie

135. Uit de gegrondheid van het eerste middel, waarbij de ECB en de Commissie in de zaken C‑663/17 P en C‑665/17 P opkomen tegen de vaststelling door het Gerecht dat de aandeelhouders in casu een procesbelang hebben, vloeit voort dat de bestreden beschikking wat betreft punt 2 van het dictum dient te worden vernietigd. Zonder een procesbelang van de aandeelhouders kon het Gerecht de ontvankelijkheid van het beroep van de aandeelhouders niet bevestigen en de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de ECB in zoverre afwijzen.

136. Hieruit vloeit tevens voort dat de zaak in zoverre in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof in staat van wijzen is: bij gebrek aan een procesbelang is het beroep van de aandeelhouders niet-ontvankelijk.

VI.    Kosten

137. Aangezien de zaak, zoals hier voorgestaan, ter voortzetting van de procedure moet worden terugverwezen naar het Gerecht, voor zover deze het beroep van TKB betreft, moet de beslissing over de kosten in dit verband worden gevoegd met de zaak ten gronde.

VII. Conclusie

138. Gezien het bovenstaande geef ik het Hof in overweging als volgt te beslissen:

„1)       De beschikking van het Gerecht van de Europese Unie (Tweede kamer) van 12 september 2017, Fursin e.a./ECB (T‑247/16, EU:T:2017:623), wordt vernietigd.

2)       De in eerste aanleg opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Europese Centrale Bank wordt afgewezen, voor zover deze het beroep van Trasta Komercbanka AS betreft.

3)       Het in eerste aanleg ingestelde beroep van de tweede tot en met de zevende rekwirant in zaak C‑669/17 P wordt niet-ontvankelijk verklaard.

4)       De tweede tot en met de zevende rekwirant in zaak C‑669/17 P dragen de kosten van het door hen ingestelde beroep alsmede van de door hen ingestelde hogere voorziening.

5)       Voor het overige wordt de beslissing omtrent de kosten aangehouden.”


1      Oorspronkelijke taal: Duits.


2      Vergunning is het begrip dat wordt gebruikt in de hier toepasselijke verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63).


3      Zie voetnoot 2 van de onderhavige conclusie.


4      Latvijas Vēstnesis (Lets publicatieblad), 163 (446) van 24 oktober 1995.


5      Latvijas Vēstnesis, 326/330 (1387/1391) van 3 november 1998.


6      Latvijas Vēstnesis, 158/160 (2069/2071) van 4 mei 2000.


7      ECB/SSM/2016 – 5299WIP0INFDAWTJ81/2 WOANCA-2016‑0005.


8      Beschikking van het Gerecht van 12 september 2017, Fursin e.a./ECB (T‑247/16, EU:T:2017:623).


9      De hogere voorziening bevat geen formele indeling in middelen respectievelijk in verschillende onderdelen van deze middelen.


10      Specifiek wat betreft het gemeenschappelijke toezichtsmechanisme heeft het Hof onlangs bevestigd dat de toetsing van handelingen van de ECB uitsluitend staat aan de rechterlijke instanties van de Unie, ook als de lidstaten bij de vaststelling van een dergelijke handeling betrokken zijn, zie arrest van 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest (C‑219/17, EU:C:2018:1023, punten 43 en 44).


11      Illustratief is hier de beschikking van het Gerecht van 23 april 2009, New Europe/Commissie (T‑383/08, EU:T:2009:114, punten 19‑23). Zie ook mijn conclusie in de zaak Commune de Millau en SEMEA/Commissie (C‑531/12 P, EU:C:2014:1946, punten 33‑41).


12      Zie in de context van verzoeken om een prejudiciële beslissing arresten van 11 juli 1991, Verholen e.a. (C‑87/90–C‑89/90, EU:C:1991:314, punt 24); 11 september 2003, Safalero (C‑13/01, EU:C:2003:447, punt 50), en 13 maart 2007, Unibet (C‑432/05, EU:C:2007:163, punt 42). Zie in dezelfde zin arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 104).


13      Vaste rechtspraak sinds het arrest van 27 november 1984, Bensider e.a./Commissie (50/84, EU:C:1984:365, punt 7). Zie tevens de arresten van het Gerecht van 11 juli 1996, Sinochem Heilongjiang/Raad (T‑161/94, EU:T:1996:101, punt 31), en 25 september 1997, Shanghai Bicycle/Raad (T‑170/94, EU:T:1997:134, punt 26).


14      Arrest van 28 oktober 1982, Groupement des Agences de voyages/Commissie (135/81, EU:C:1982:371, punten 10‑12).


15      Arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punten 110‑112).


16      Beschikking van het Gerecht van 15 februari 2005, PKK en KNK/Raad (T‑229/02, EU:T:2005:48, punten 37 en 38)


17      Beschikking van het Gerecht van 15 februari 2005, PKK en KNK/Raad (T‑229/02, EU:T:2005:48, punten 28 en 39‑41).


18      Zie in die zin laatstelijk arrest van het Gerecht van 23 april 2018, One of Us e.a./Commissie (T‑561/14, EU:T:2018:210, punt 59).


19      Zie in het bijzonder arresten van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C‑50/00 P, EU:C:2002:462, punt 43), en 1 april 2004, Commissie/Jégo-Quéré (C‑263/02 P, EU:C:2004:210, punten 33‑35).


20      In het bijzonder zou een vernietiging van het besluit tot vereffening – dat feitelijk volgens het Letse recht niet kan worden vernietigd – nooit, ook niet via een verwijzing naar het Hof, kunnen leiden tot een inhoudelijke toetsing van het intrekken van de vergunning door de ECB. De Letse rechter onderzoekt bij zijn beslissing over de inleiding van de liquidatieprocedure niet of het intrekken van de vergunning rechtmatig was; hiertoe is hij ook niet bevoegd, zie arrest van 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest (C‑219/17, EU:C:2018:1023, punt 57). Bovendien valt te betwijfelen of de betreffende Letse rechter bij deze beslissing überhaupt verwijzingsbevoegd was geweest. Het Hof heeft de verwijzingsbevoegdheid van een Duitse rechter in een procedure inzake de benoeming van een vereffenaar afgewezen, zie beschikking van 12 januari 2010, Amiraike Berlin (C‑497/08, EU:C:2010:5, punten 16‑22).


21      Aanhangige zaak T‑321/17, Niemelä e.a./ECB, met verwijzing naar de beschikking van de Maltese rechtbank voor financiële aangelegenheden van 16 januari 2017 (bijlage 4 bij de bij het gerecht ingestelde vordering), blz. 7 e.v.


22      Deze nationale uitspraken hadden betrekking op de oude rechtssituatie waarin het intrekken van de vergunning nog geen handeling van de Unie was, aangezien de vergunning werd ingetrokken door de FKMC; zie Rīga Administratīvā rajona tiesa (bestuursrechter in eerste aanleg Riga, Letland), uitspraak van 27 maart 2009, Ogres Komercbanka/FKMC, nr. A42388907, en Rīga Administratīvā apgabaltiesa (regionale bestuursrechter Riga, Letland), uitspraak van 25 maart 2010, Ogres Komercbanka/FKMC, nr. A42388907, alsmede Rīga Administratīvā apgabaltiesa, uitspraak van 11 februari 2011, VEF Banka/FKMC, nr. A43005010.


23      Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) mag een voorziening in rechte niet enkel „theoretisch of illusoir” zijn, zie bijvoorbeeld EHRM, 26 februari 2002, Del Sol tegen Frankrijk, (CE:ECHR:2002:0226JUD004680099, § 21).


24      Arresten van 13 maart 2007, Unibet (C‑432/05, EU:C:2007:163, punt 64), en 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 104).


25      Arresten van 24 oktober 2002, Aéroports de Paris/Commissie (C‑82/01 P, EU:C:2002:617, punt 63), en 21 december 2011, A2A/Commissie (C‑318/09 P, EU:C:2011:856, punt 125).


26      Arresten van 5 juli 2011, Edwin/HABM (C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punt 53), en 5 april 2017, EUIPO/Szajner (C‑598/14 P, EU:C:2017:265, punt 56).


27      Zie in die zin arrest van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie (C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punt 49).


28      Conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak El Hassani (C‑403/16, EU:C:2017:659, punt 63).


29      Zie bijvoorbeeld arrest van het Gerecht van 12 december 2012, Novácke chemické závody/Commissie (T‑352/09, EU:T:2012:673, punten 6 en 7).


30      Arrest van het Gerecht van 12 december 2012, Novácke chemické závody/Commissie (T‑352/09, EU:T:2012:673, punt 184).


31      Zie in het bijzonder arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punt 112), alsmede de punten 49 tot en met 52 van de onderhavige conclusie.


32      EHRM, arrest van 24 november 2005, Capital Bank AD/Bulgarije (CE:ECHR:2005:1124JUD004942999, § 91, 117 en 118). In vergelijkbare zin zie EHRM, arrest van 21 oktober 2003, Credit and Industrial Bank/Tsjechië (CE:ECHR:2003:1021JUD002901095, § 71‑73).


33      Voor het overige is de situatie ook in een dergelijk geval niet te vergelijken met een situatie waarin de aandeelhouders van een vennootschap in een individueel geval het niet eens zijn met de beslissing van het bestuur om niet op te komen tegen een handeling van de Unie. In de laatstgenoemde situatie kan enkel het meningsverschil tussen aandeelhouders en bestuurders vanzelfsprekend geen procesbevoegdheid van de aandeelhouders tot gevolg hebben. Tussen de aandeelhouders en het bestuur bestaat evenwel ook een vennootschapsrechtelijke band van legitimatie en verschillende inspraakmogelijkheden. Dit rechtvaardigt om de aandeelhouders te houden aan de beslissing van het bestuur. In de verhouding tussen de vereffenaar en de organen van de vennootschap is er evenwel geen sprake van een dergelijke terugkoppeling. De vereffenaar wordt veeleer van buitenaf door de instelling benoemd op wier voorstel de handeling van de Unie werd vastgesteld. Een latere schadeclaim van de aandeelhouders vormt derhalve, zoals reeds vastgesteld door het Gerecht in punt 56 van de bestreden beschikking, geen passende inspraakmogelijkheid.


34      Dit beroep zou men in ruimere zin kunnen aanmerken als actio pro socio. De derde denkbare variant, te weten een beroep van de aandeelhouders in naam van de bank om op te komen voor haar belangen, is in casu uitgesloten, aangezien de aandeelhouders geen gemachtigde vertegenwoordigers van de bank zijn.


35      Met betrekking tot deze situatie zie de arresten van het Gerecht van 17 juli 2014, Westfälisch-Lippischer Sparkassen- und Giroverband/Commissie (T‑457/09, EU:T:2014:683, punten 112 en 116), en 12 november 2015, HSH Investment Holdings Coinvest-C en HSH Investment Holdings FSO/Commissie (T‑499/12, EU:T:2015:840, punten 31 en 57).


36      Deze vraag is voorwerp van de hogere voorziening in de zaken C‑663/17 P en C‑665/17 P, zie de punten 102 e.v. van de onderhavige conclusie.


37      Zie in die zin de arresten van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C‑50/00 P, EU:C:2002:462, punten 39‑42), en 1 april 2004, Commissie/Jégo-Quéré (C‑263/02 P, EU:C:2004:210, punten 29‑32).


38      Zie punten 57 en 79 van de onderhavige conclusie.


39      Zie punten 48 tot en met 56 van de onderhavige conclusie.


40      Zie punten 80 tot en met 87 van de onderhavige conclusie.


41      Voor het overige heeft het bestuur ook nog na herroeping van de volmachten door de vereffenaar en ondanks de andersluidende beslissing van de Rīgas pilsētas Vidzemes priekšpilsētas tiesa rekwirante in de administratieve procedure bij de raad voor toetsing van de ECB vertegenwoordigd, zonder dat dit praktische bezwaren heeft opgeleverd.


42      Arrest van 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie (C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 37).


43      Arresten van het Gerecht van 20 juni 2000, Euromin/Raad, T‑597/97 (EU:T:2000:157, punt 50); 17 juli 2014, Westfälisch-Lippischer Sparkassen- und Giroverband/Commissie (T‑457/09, EU:T:2014:683, punt 112), en 12 november 2015, HSH Investment Holdings Coinvest-C en HSH Investment Holdings FSO/Commissie (T‑499/12, EU:T:2015:840, punt 31).


44      Zie in dit verband reeds punt 87 van de onderhavige conclusie.


45      Arresten van 2 februari 1988, Kwekerij van der Kooy e.a./Commissie (67/85, 68/85 en 70/85, EU:C:1988:38, punt 22); 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie (C‑313/90, EU:C:1993:111, punt 29 en 30), en 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie (C‑182/03 en C‑217/03, EU:C:2006:416, punt 56), alsmede wat de rechtspraak van het Gerecht betreft bijvoorbeeld de beschikking van 23 januari 2014, Confederación de Cooperativas Agrarias de España en CEPES/Commissie (T‑156/10, EU:T:2014:41, punten 33 en 37‑39).


46      Arresten van 7 december 1993, Federmineraria e.a./Commissie (C‑6/92, EU:C:1993:913, punten 17 en 18), en 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie (C‑182/03 en C‑217/03, EU:C:2006:416, punt 64).


47      Zie in die zin het arrest van het Gerecht van 12 november 2015, HSH Investment Holdings Coinvest-C en HSH Investment Holdings FSO/Commissie (T‑499/12, EU:T:2015:840, punt 33).


48      Zie in dit verband het arrest van het Gerecht van 12 november 2015, HSH Investment Holdings Coinvest-C en HSH Investment Holdings FSO/Commissie (T‑499/12, EU:T:2015:840, punten 40‑44).


49      Arrest van 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie (C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 38).


50      Arrest van het Gerecht van 12 november 2015, HSH Investment Holdings Coinvest-C en HSH Investment Holdings FSO/Commissie (T‑499/12, EU:T:2015:840, punt 45).


51      Zie arresten van het Gerecht van 17 juli 2014, Westfälisch-Lippischer Sparkassen- und Giroverband/Commissie (T‑457/09, EU:T:2014:683, punten 112 en 116), en 12 november 2015, HSH Investment Holdings Coinvest-C en HSH Investment Holdings FSO/Commissie (T‑499/12, EU:T:2015:840, punten 31 en 57).


52      Zie in dit verband bijvoorbeeld het arrest van het Gerecht van 17 juli 2014, Westfälisch-Lippischer Sparkassen- und Giroverband/Commissie (T‑457/09, EU:T:2014:683, punten 111 en 120).


53      Arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17, 232); 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 72), en 21 december 2016, Commissie/Hansestadt Lübeck (C‑524/14 P, EU:C:2016:971, punt 15).


54      Arresten van 5 mei 1998, Glencore Grain/Commissie (C‑404/96 P, EU:C:1998:196, punt 41); 29 juni 2004, Front national/Parlement (C‑486/01 P, EU:C:2004:394, punt 34), en 27 februari 2014, Stichting Woonpunt e.a./Commissie (C‑132/12 P, EU:C:2014:100, punt 68).


55      Zie in die zin de argumentatie van het Gerecht in het arrest van 12 november 2015, HSH Investment Holdings Coinvest-C en HSH Investment Holdings FSO/Commissie (T‑499/12, EU:T:2015:840, punten 42 en 44).


56      In die zin arrest van het Gerecht van 17 juli 2014, Westfälisch-Lippischer Sparkassen- und Giroverband/Commissie (T‑457/09, EU:T:2014:683, punt 117). Zie ook punt 106 van de onderhavige conclusie.


57      Zie voetnoot 33 van de onderhavige conclusie.


58      Zie punten 108 tot en met 112 van de onderhavige conclusie.


59      De eigendomsrechten van de aandeelhouders worden in ieder geval niet rechtstreeks geraakt door het intrekken van de vergunning, zie in dit verband reeds de punten 119 en 120 van de onderhavige conclusie.


60      Zie boven punt 127 van de onderhavige conclusie.