Language of document : ECLI:EU:C:2019:314

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

E. TANCHEV

van 11 april 2019 (1)

Zaak C208/18

Jana Petruchová

tegen

FIBO Group Holdings Limited

[verzoek van de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië) om een prejudiciële beslissing]

„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten – ,Consument’ – Natuurlijke persoon die via een effectenmakelaarskantoor in vreemde valuta handelt op de internationale wisselmarkt – Samenhang met het begrip ,consument’ als bedoeld in verordening (EG) nr. 593/2008 – Niet-professionele cliënt in de zin van richtlijn 2004/39/EG”






1.        In de onderhavige zaak moet het Hof het begrip „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 (hierna: „Brussel I bis-verordening”)(2) uitleggen met betrekking tot transacties die zijn verricht op de internationale valutawisselmarkt (hierna: „FOREX-markt”).

2.        In afwijking van artikel 4, lid 1, en artikel 7, lid 1, van de Brussel I bis-verordening(3), bepaalt artikel 18, lid 1, van die verordening dat een consument in de zin van artikel 17, lid 1, ervan de rechtsvordering die hij instelt tegen de wederpartij bij de overeenkomst, niet alleen voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die partij woonplaats heeft, kan brengen, maar ook voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft. De artikelen 17, 18 en 19 van de Brussel I bis-verordening, die samen afdeling 4 van hoofdstuk II ervan vormen, met het opschrift „Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”, hebben als doel passende bescherming te bieden aan de consument die ten opzichte van zijn beroepsmatige wederpartij als de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractspartij wordt beschouwd.(4)

3.        De vraag waarover het Hof zich dient te buigen is of een natuurlijke persoon die handelt op de FOREX-markt, als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening moet worden aangemerkt, dan wel, wegens de voor die handel vereiste kennis en expertise, de complexe en atypische aard van de betrokken overeenkomst en de gedragen risico’s, niet als consument kan worden aangemerkt en dus buiten de werkingssfeer valt van bovenbedoelde afdeling die bescherming biedt.

I.      Toepasselijke bepalingen

A.      Brussel I bis-verordening

4.        Artikel 17 van de Brussel I bis-verordening luidt:

„1.      Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 6 en artikel 7, punt 5, wanneer:

a)      het gaat om koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken;

b)      het gaat om leningen op afbetaling of andere krediettransacties ter financiering van de verkoop van zulke zaken, of

c)      in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.

[...]

3.      Deze afdeling is niet van toepassing op vervoerovereenkomsten, behoudens overeenkomsten waarbij voor één enkele prijs zowel vervoer als verblijf worden aangeboden.”

B.      Rome I-verordening

5.        Artikel 6 van verordening (EG) nr. 593/2008 (hierna: „Rome I-verordening”)(5), met het opschrift „Consumentenovereenkomsten”, bepaalt:

„1.      Onverminderd de artikelen 5 en 7 wordt de overeenkomst gesloten door een natuurlijke persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd (‚de consument’) met een andere persoon die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep (‚de verkoper’) beheerst door het recht van het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, op voorwaarde dat:

a)      de verkoper zijn commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in het land waar de consument woonplaats heeft, of

b)      dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op dat land of op verscheidene landen, met inbegrip van dat land,

en de overeenkomst onder die activiteiten valt.

2.      Niettegenstaande lid 1 kunnen de partijen overeenkomstig artikel 3 het recht kiezen dat van toepassing is op een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden van lid 1. Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de consument de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken volgens het recht dat overeenkomstig lid 1 toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van rechtskeuze.

[...]

4.      Leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op:

[...]

d)      rechten en verplichtingen die een financieel instrument vormen en rechten en verplichtingen waardoor de voorwaarden voor de emissie, de openbare aanbieding of een overnamebod met betrekking tot verhandelbare effecten en de inschrijving en terugkoop van rechten van deelneming in instellingen voor collectieve beleggingen worden vastgelegd, voor zover deze geen verrichting van een financiële dienst vormen;

[...]”

C.      Richtlijn 2004/39

6.        Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2004/39/EG(6) bepaalt het volgende:

„In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

10)      ,cliënt’: iedere natuurlijke of rechtspersoon voor wie een beleggingsonderneming beleggingsdiensten en/of nevendiensten verricht

11)      ,professionele cliënt’: een cliënt die voldoet aan de criteria vastgesteld in bijlage II;

12)      ,niet-professionele belegger’: een niet-professionele cliënt;

[...]”

II.    Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vraag

7.        Op 2 oktober 2014 sloten Jana Petruchová, wonende in Ostrava (Tsjechië), en FIBO Group Holdings Ltd (hierna: „FIBO”), een effectenmakelaarskantoor gevestigd in Limassol (Cyprus), een overeenkomst, genaamd „Terms of Business” (hierna: „raamovereenkomst”). De raamovereenkomst had als doel Petruchová in staat te stellen transacties te verrichten op de FOREX-markt door het plaatsen van orders voor aan- en verkoop van de basisvaluta, die FIBO via haar onlinehandelsplatform diende uit te voeren. Daartoe voorzag de raamovereenkomst in het sluiten van zogenoemde opzichzelfstaande contracts for difference tussen Petruchová en FIBO.

8.        Een contract for difference (hierna „CFD”) is een financieel instrument dat als doel heeft een basisvaluta [in casu Amerikaanse dollar (USD)] te kopen en vervolgens te verkopen, en winst te maken op de wisselkoersverschillen tussen respectievelijk de aankoopprijs en de verkoopprijs van de basisvaluta, in relatie tot de genoteerde valuta [in casu Japanse yen (JPY)]. Hoewel het mogelijk is om met eigen middelen op de FOREX-markt te handelen, maakte Petruchová gebruik van de mogelijkheid te handelen in zogenoemde „lots”, waarbij 1 lot 100 000 USD waard is, en van het „hefboomeffect”. Hierdoor kon zij handelen met meer financiële middelen dan die waarover ze beschikte.(7) Bij het aankopen van de basisvaluta (USD) voor de genoteerde valuta (JPY) tegen de op dat moment geldende aankoopkoers, dat is bij het „openen van de positie”, kreeg Petruchová een lening van FIBO voor het bedrag dat nodig was voor de aankoop. Bij het „sluiten van de positie”, dit is bij het verrichten van de omgekeerde transactie door het aangekochte bedrag van de basisvaluta (USD) te verkopen voor de genoteerde valuta (JPY) tegen de op dat moment geldende verkoopkoers, betaalde Petruchová de lening terug aan FIBO.

9.        Clausule 30 van de raamovereenkomst bepaalde dat, mocht tussen partijen een geschil ontstaan, de Cyprische rechter internationale rechtsbevoegdheid had.

10.      Op 3 oktober 2014 sloot Petruchová een CFD met FIBO (hierna: „betrokken CFD”). Zij plaatste om 15:30:00 uur een order voor het aankopen van 35 lots tegen een wisselkoers van 109,0000 USD/JPY. Het handelssysteem informeerde haar onmiddellijk dat de actuele wisselkoers 109,0500 USD/JPY was. Zij aanvaardde dit en bevestigde de aankooporder.

11.      In FIBO’s handelssysteem ontstonden echter lange rijen met orders als gevolg van een snelle stijging in de koers van de USD ten opzichte van genoteerde valuta’s, nadat informatie was vrijgegeven over een positieve trend in de werkgelegenheidsindicatoren voor de niet-agrarische sector in de Verenigde Staten van Amerika. Dientengevolge werd het gevraagde bedrag van 3 500 000 USD niet om 15:30:00 uur maar om 15:30:16 uur gekocht, toen de wisselkoers 109,4000 USD/JPY bedroeg, dus tegen een aankoopprijs van 382 900 000 JPY.

12.      Om 15:48:11 uur op dezelfde dag sloot Petruchová de positie door het plaatsen van een order bij FIBO om het aangekochte bedrag van 3 500 000 USD te verkopen. Met een verkoopkoers van 109,5600 USD/JPY bedroeg de verkoopprijs 383 460 000 JPY. Petruchová betaalde de haar door FIBO toegekende lening van 382 900 000 JPY terug. Derhalve realiseerde zij met deze transactie een brutowinst van 560 000 JPY, gewaardeerd tegen 4 081,33 USD.

13.      Indien de order van Petruchová om de basisvaluta aan te kopen tijdig en niet met een vertraging van 16 seconden was uitgevoerd, had zij een winst van 1 785 000 JPY gemaakt, gewaardeerd tegen 13 009,23 USD en zou haar winst dus driemaal zo hoog zijn geweest.

14.      Daarom stelde Petruchová op 12 oktober 2015 een vordering in bij de Krajský soud v Ostravě (rechter in eerste aanleg Ostrava, Tsjechië) wegens ongerechtvaardigde verrijking van FIBO.

15.      De Krajský soud v Ostravě heeft het geding beëindigd op grond dat hij geen internationale rechtsbevoegdheid had. Volgens die rechter kon Petruchová niet als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening worden beschouwd, aangezien zij de betrokken CFD niet had gesloten om in haar persoonlijke behoeften te voorzien, over de voor het sluiten van CFD’s vereiste kennis en expertise beschikte, en ervoor was gewaarschuwd dat een CFD geen geschikt instrument was voor „niet-professionele cliënten” in de zin van richtlijn 2004/39. Hij was van oordeel dat artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening in elk geval op dezelfde wijze moest worden uitgelegd als artikel 6, lid 1, van de Rome I-verordening, en financiële instrumenten waren uitgesloten van de werkingssfeer van deze laatste bepaling. Derhalve was het bevoegdheidsbeding in de raamovereenkomst geldig, zodat de rechters van Cyprus en niet die van Tsjechië bevoegd waren.

16.      De Vrchní soud v Olomouci (rechter in tweede aanleg Olomouc, Tsjechië) heeft de beslissing van de Krajský soud v Ostravě in beroep bevestigd.

17.      Petruchová stelde bij de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië) cassatieberoep in tegen die beslissing.

18.      Volgens die rechter hebben de Tsjechische lagere rechters het begrip „consument” in de zin van de Brussel I bis-verordening verkeerd uitgelegd. Hij meent in de eerste plaats dat een niet-professionele cliënt in de zin van richtlijn 2004/39 niet noodzakelijkerwijs een consument in de zin van artikel 17, lid 1 van de Brussel I bis-verordening is. In de tweede plaats mag die laatste bepaling volgens hem niet op dezelfde wijze worden uitgelegd als artikel 6 van de Rome I-verordening, aangezien artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening financiële instrumenten niet uitdrukkelijk uitsluit. In de derde plaats wijst hij erop dat het volgens de rechtspraak, om te bepalen of een persoon als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening moet worden aangemerkt, niet ter zake doet of die persoon over specifieke kennis en expertise beschikt, of de betrokken overeenkomst complex of atypisch is, of er risico’s verbonden zijn aan het sluiten van die overeenkomst en of de persoon voor die risico’s is gewaarschuwd.

19.      Dientengevolge heeft de Nejvyšší soud het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 17, lid 1, van [de Brussel I bis-verordening] aldus worden uitgelegd dat een persoon, zoals verzoekster in het hoofdgeding, die handelt op [de FOREX-markt], de internationale valutawisselmarkt, vanwege het actief plaatsen van zijn eigen orders, zij het via een derde die zich beroepsmatig met die handel bezighoudt, op grond van die bepaling als consument moet worden aangemerkt?”

20.      Petruchová, de Tsjechische Republiek, de Republiek Polen en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.

21.      Petruchová, FIBO, de Tsjechische Republiek en de Commissie hebben pleidooi gehouden ter terechtzitting van 31 januari 2019.

III. Analyse

22.      De verwijzende rechter wenst in essentie van het Hof te vernemen of een persoon die een overeenkomst afsluit met een effectenmakelaarskantoor, waarbij dat laatste op basis van aan- en verkooporders van eerstgenoemde individuele transacties verricht, als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening moet worden aangemerkt.

23.      Vooraf zal ik een opmerking maken met betrekking tot het rechtsgevolg van het bevoegdheidsbeding in de raamovereenkomst. Vervolgens zal ik in de eerste plaats ingaan op het enige criterium dat artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening verschaft om een persoon als consument aan te merken, namelijk het gebruik van de overeenkomst. In de tweede plaats zal ik onderzoeken of andere criteria van toepassing kunnen zijn om te bepalen of een persoon als consument in de zin van die bepaling kan worden aangemerkt. In de derde plaats zal ik de vraag behandelen of artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening moet worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 6 van de Rome I-verordening, dat niet van toepassing is op financiële instrumenten. In de vierde plaats zal ik onderzoeken of, om te bepalen of een persoon als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening moet worden aangemerkt, rekening moet worden gehouden met het feit dat hij een „niet-professionele cliënt” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39 is.

A.      Opmerking vooraf

24.      Om te beginnen wijs ik erop dat, zoals de verwijzende rechter opmerkt, clausule 30 van de raamovereenkomst geen rechtsgevolg heeft indien Petruchová als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening wordt aangemerkt.

25.      Aangezien volgens die clausule uitsluitend de rechters van Cyprus bevoegd zijn, ontneemt deze Petruchová immers het in artikel 18, lid 1, van de Brussel I bis-verordening vervatte recht om de rechtsvordering voor de gerechten van de lidstaat waarvan zij woonplaats heeft te brengen, namelijk Tsjechië.

26.      Volgens artikel 19 van de Brussel I bis-verordening „[kan] [v]an [...] afdeling [4 van hoofdstuk II van die verordening] [...] slechts worden afgeweken door overeenkomsten”: 1) „gesloten na het ontstaan van het geschil”; 2) „die aan de consument de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken”, of 3) „waarbij een consument en zijn wederpartij, die [...] woonplaats of hun gewone verblijfplaats in dezelfde lidstaat hebben, de gerechten van die lidstaat bevoegd verklaren”.

27.      In casu valt clausule 30 van de raamovereenkomst, zoals de verwijzende rechter opmerkt, buiten de werkingssfeer van artikel 19, leden 1, 2 en 3, van de Brussel I bis-verordening.

28.      Ten eerste valt die clausule buiten de werkingssfeer van artikel 19, lid 1, van die verordening, aangezien de raamovereenkomst op 2 oktober 2014 was afgesloten, dat wil zeggen vooraleer Petruchová op 12 oktober 2015 bij de Krajský soud v Ostravě een vordering heeft ingesteld.

29.      Ten tweede valt clausule 30 van de raamovereenkomst buiten de werkingssfeer van artikel 19, lid 2, van de Brussel I bis-verordening. Die laatste bepaling moet volgens mij immers aldus worden opgevat dat de overeenkomst ook andere gerechten dan die genoemd in artikel 18, lid 1, van die verordening bevoegd moet verklaren. Elke andere uitlegging van artikel 19, lid 2, van de Brussel I-verordening zou in strijd zijn met de bewoordingen ervan, volgens welke aan de consument „de mogelijkheid wordt gegeven”, maar hij niet „verplicht is” de zaak bij andere dan de in artikel 18, lid 1, van die verordening genoemde gerechten aanhangig te maken.(8) In casu ontneemt clausule 30 van de raamovereenkomst, zoals in punt 25 hierboven is opgemerkt, Petruchová het recht om de zaak aanhangig te maken bij de gerechten van een in artikel 18, lid 1, van die verordening bedoelde lidstaat.

30.      Ten derde valt die clausule buiten de werkingssfeer van artikel 19, lid 3, van de Brussel I bis-verordening, aangezien Petruchová en FIBO hun woonplaats of plaats van vestiging niet in dezelfde lidstaat hebben.

31.      Clausule 30 van de raamovereenkomst is dus in strijd met artikel 19 van de Brussel I bis-verordening. Derhalve heeft clausule 30 van de raamovereenkomst op grond van artikel 25, lid 4, van de Brussel I bis-verordening geen rechtsgevolg.

32.      Zoals opgemerkt in punt 24 hierboven, geldt die vaststelling echter alleen indien artikel 19 van de Brussel I bis-verordening van toepassing is, dit wil zeggen indien Petruchová als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van die verordening wordt aangemerkt. Dientengevolge wenst de verwijzende rechter te vernemen of verzoekster in het hoofdgeding als consument kan worden aangemerkt.

B.      Was de overeenkomst door de betrokkene gesloten voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd?

33.      Artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening is van toepassing indien aan drie voorwaarden is voldaan: ten eerste is een contractspartij een consument die in een kader handelt dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd; ten tweede is de overeenkomst daadwerkelijk tussen deze consument en een beroepsbeoefenaar gesloten, en ten derde valt deze overeenkomst onder een van de in artikel 17, lid 1, onder a) tot en met c), van die verordening bedoelde categorieën. Dit zijn cumulatieve voorwaarden waaraan een consument moet voldoen om een vordering in zijn eigen rechtsgebied te kunnen instellen.(9)

34.      Zoals ik in punt 22 hierboven heb opgemerkt, heeft de in de onderhavige zaak aan het Hof voorgelegde vraag betrekking op de eerste voorwaarde.

35.      Ik wijs erop dat artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening het begrip „consument” niet omschrijft. Die bepaling vereist alleen dat een persoon, de „consument”, een overeenkomst sluit „voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd”. Geen enkele andere bepaling van die verordening geeft meer bijzonderheden in dat verband.

36.      Volgens vaste rechtspraak moet aan de in de Brussel I bis-verordening gebruikte begrippen, inzonderheid die in artikel 17, lid 1, ervan, een autonome uitlegging worden gegeven, waarbij vooral te rade moet worden gegaan bij het stelsel en de doelstellingen van die verordening, teneinde de uniforme toepassing daarvan in alle lidstaten te verzekeren.(10)

37.      Het begrip „consument” in de zin van de artikelen 17 en 18 van de Brussel I bis-verordening moet restrictief worden uitgelegd, door aansluiting te zoeken bij de positie van deze persoon in een bepaalde overeenkomst, rekening houdend met de aard en het doel van deze overeenkomst, en niet bij de subjectieve situatie van deze persoon, aangezien dezelfde persoon voor sommige verrichtingen als consument en voor andere verrichtingen als marktdeelnemer kan worden beschouwd. Onder de in de voormelde verordening opgenomen bijzondere regeling ter bescherming van de consument die als de zwakke partij wordt beschouwd, vallen dus enkel overeenkomsten die, los en onafhankelijk van enige beroepsmatige activiteit of doelstelling, uitsluitend worden gesloten om te voorzien in de consumptiebehoeften van een persoon als particulier. In geval van overeenkomsten met een beroepsmatig doel, is deze bescherming daarentegen niet gerechtvaardigd.(11)

38.      In casu heeft de vertegenwoordiger van verzoekster in het hoofdgeding ter terechtzitting verklaard dat Petruchová bij de sluiting van de raamovereenkomst en de betrokken CFD universiteitsstudente was en ook deeltijds werkte. Zij betoogt dat zij de CFD niet heeft afgesloten voor een gebruik in het kader van haar (deeltijds) beroep. Geen van de partijen beweert dat zij dat wel heeft gedaan. Evenmin blijkt dit op enige wijze uit het verzoek om een prejudiciële beslissing. Hoewel dat een feitenkwestie is, waarvoor de verwijzende rechter bevoegd is, dient Petruchová mijns inziens dus als een consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening te worden aangemerkt.

39.      Volgens het verzoek om een prejudiciële beslissing was de Krajský soud v Ostravě echter van mening dat de voor handel op de FOREX-markt vereiste specifieke kennis en expertise, de waarde van de belegde bedragen en de gedragen risico’s eraan in de weg staan dat verzoekster als consument wordt aangemerkt. De verwijzende rechter deelt die mening niet.(12) Ik zal nu ingaan op die kwestie.

C.      Dient rekening te worden gehouden met andere criteria om te bepalen of een persoon als consument moet worden aangemerkt?

40.      Aan het Hof wordt gevraagd of een persoon die transacties op de FOREX-markt verricht, de hoedanigheid van consument kan worden ontzegd wegens de voor dergelijke handel vereiste kennis en expertise, de waarde van de transactie, het feit dat de betrokkene actief zijn eigen orders plaatst, de gedragen risico’s op de FOREX-markt en het aantal en de frequentie van de verrichte transacties.

41.      Petruchová betoogt dat het sluiten van CFD’s geen specifieke kennis vereist en dat geen rekening mag worden gehouden met de belegde bedragen, of het volume en de frequentie van de verrichte transacties. FIBO voert aan dat Petruchová niet als consument mag worden aangemerkt, aangezien het sluiten van CFD’s een commerciële activiteit is. De Tsjechische Republiek betoogt dat, om te bepalen of een persoon als consument moet worden aangemerkt, het niet ter zake doet of hij kennis heeft in het betrokken gebied of actief orders plaatst. De Republiek Polen wijst erop dat het sluiten van CFD’s betekent dat aanzienlijke risico’s worden genomen en dat om een persoon als consument aan te merken, geen rekening mag worden gehouden met zijn kennis van financiële aangelegenheden of met het feit dat hij winst wil maken en wil voldoen aan andere dan zijn dagelijkse behoeften. Volgens de Commissie is het irrelevant of de persoon kennis heeft op het betrokken gebied of actief orders plaatst, maar er moet rekening worden gehouden met het aantal en de frequentie van de verrichte transacties.

42.      Mijns inziens moet de vraag in punt 40 hierboven ontkennend worden beantwoord. Ik zal hieronder toelichten waarom ik tot die slotsom ben gekomen.

43.      Ten eerste wijs ik er omwille van de duidelijkheid op dat een persoon die een CFD afsluit, de hoedanigheid van consument niet kan worden ontzegd uitsluitend op grond dat voor het sluiten van CFD’s specifieke kennis en expertise vereist is. Dat zou erop neerkomen dat CFD’s worden uitgesloten van de werkingssfeer van de artikelen 17, 18 en 19 van de Brussel I bis-verordening. Het staat echter buiten kijf dat financiële instrumenten als CFD’s binnen de werkingssfeer van die bepalingen vallen. Volgens artikel 17, lid 3, van die verordening zijn immers alleen bepaalde soorten vervoerovereenkomsten uitgesloten van de werkingssfeer van de artikelen 17, 18 en 19 van de Brussel I bis-verordening. Aangezien financiële instrumenten niet uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de werkingssfeer van die bepalingen, vallen zij er dus onder.(13) Het Hof heeft in het arrest Kolassa trouwens geoordeeld dat de verwerver van een obligatie aan toonder als een consument in de zin van artikel 15, lid 1, van de Brussel I-verordening kon worden aangemerkt.(14)

44.      Wat, ten tweede, de vraag betreft of Petruchová de hoedanigheid van consument moet worden ontzegd omdat zij, zoals haar vertegenwoordiger ter terechtzitting heeft verklaard, FIBO had meegedeeld dat zij drie jaar ervaring had op het betrokken gebied, wijs ik erop dat kennis en ervaring irrelevant zijn om te bepalen of een persoon een consument is in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening.

45.      Om te worden aangemerkt als consument in de zin van die bepaling, volstaat het immers dat de betrokkene een overeenkomst sluit voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd. Artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening stelt geen aanvullende voorwaarden. Het verlangt niet dat wordt bewezen dat in een specifiek geval de persoon geen kennis heeft op het betrokken gebied, zodat hij de door de artikelen 17, 18 en 19 van die verordening geboden bescherming voor consumenten nodig heeft.(15)

46.      Dat stemt overeen met de in punt 37 hierboven aangehaalde rechtspraak, volgens welke om te bepalen of een persoon als consument dient te worden aangemerkt, aansluiting moet worden gezocht bij de aard en het doel van de overeenkomst en niet bij de subjectieve situatie van deze persoon. Indien rekening wordt gehouden met de kennis van een persoon op een bepaald gebied, zou dit betekenen dat aansluiting wordt gezocht bij de subjectieve situatie van die persoon op grond van de overeenkomst.

47.      Dat is ook in overeenstemming met het arrest in de zaak Schrems, waarin het Hof heeft geoordeeld dat het begrip „consument” „losstaat van de kennis en de informatie waarover de betrokken persoon daadwerkelijk beschikt”.(16) Derhalve kon het feit dat Maximilian Schrems over expertise beschikte op het gebied van digitale sociale netwerken hem niet zijn hoedanigheid van consument in de zin van artikel 15, lid 1, van de Brussel I-verordening (thans artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening) ontnemen.(17)

48.      Ten slotte is dat ook in overeenstemming met de rechtspraak over het begrip „consument” in de zin van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.(18) Dat begrip wordt in bijna dezelfde bewoordingen gedefinieerd in artikel 2, onder b), van die richtlijn(19) en artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening. Daarom heeft het Hof in het arrest Schrems naar het arrest in de zaak Costea verwezen, dat betrekking had op de uitlegging van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13.(20) In het arrest Costea heeft het Hof geoordeeld dat het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 „een objectief begrip [is] dat losstaat van de concrete kennis waarover de betrokkene kan beschikken of van de informatie waarover die persoon werkelijk beschikt”, zodat een advocaat die over verregaande technische bekwaamheden beschikt, toch als consument kan worden beschouwd.(21)

49.      Elke andere oplossing zou mijns inziens indruisen tegen het doel van het stelsel van de artikelen 17, 18 en 19 van de Brussel I bis-verordening, namelijk het zorgen voor een passende bescherming voor de consument. Volgens de rechtspraak is de consument beschermd, niet alleen als de „juridisch minder ervaren contractspartij [dan de andere, commerciële contractspartij]”, maar ook als „de economisch zwakkere” contractspartij dan die andere contractspartij.(22)

50.      Ten derde kan niet worden betoogd dat een persoon niet als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening kan worden aangemerkt omdat de transactie die op grond van de overeenkomst wordt verricht, een bepaald bedrag overschrijdt. Had de Uniewetgever dat beoogd, dan zou in die bepaling een maximumwaarde voor de overeenkomst zijn opgenomen.

51.      Aangezien niet uitdrukkelijk in een maximumwaarde is voorzien, zou een constatering dat een persoon de hoedanigheid van consument verliest wegens het hoge bedrag van de door hem op de FOREX-markt belegde middelen of de aanzienlijke winst die hij heeft gemaakt, niet in overeenstemming zijn met de rechtszekerheid. In dat verband ben ik van mening dat de bevoegdheidsregels volgens overweging 15 van de Brussel I bis-verordening in hoge mate voorzienbaar moeten zijn. Zoals blijkt uit de rechtspraak streeft die verordening een doelstelling van rechtszekerheid na die de rechtsbescherming van de in de Europese Unie gevestigde personen wil vergroten door te verzekeren dat de eiser gemakkelijk kan bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en de verweerder redelijkerwijs kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen.(23) Indien de artikelen 17, 18 en 19 van de Brussel I bis-verordening niet van toepassing zouden zijn wanneer de belegger aanzienlijke bedragen belegt, zou hij, bij gebreke van een uitdrukkelijk vastgestelde maximumwaarde, niet kunnen voorzien of hij de bescherming van die bepalingen kan genieten. Zouden de artikelen 17, 18 en 19 van de Brussel I bis-verordening niet van toepassing zijn in geval van hoge winsten, dan zou de situatie van de belegger zelfs nog onzekerder zijn, aangezien hij bij het plaatsen van een order op de FOREX-markt niet weet of hij winst zal maken, en in voorkomend geval hoeveel.(24)

52.      Verder meen ik dat een persoon de hoedanigheid van consument niet mag verliezen wanneer de winst die hij op de FOREX-markt heeft gemaakt, het grootste deel van zijn inkomsten vormt. Dat zou moeilijk verenigbaar zijn met het beginsel van gelijke behandeling, aangezien dat tot de situatie zou kunnen leiden waarin, wanneer een miljonair en een belegger uit de middenklasse hetzelfde bedrag op de FOREX-markt beleggen en dezelfde winst maken, eerstgenoemde als consument zou worden beschouwd, en aan laatstgenoemde die hoedanigheid zou worden ontzegd.

53.      Ten vierde doet het niet ter zake of de persoon zijn eigen orders actief plaatst op de FOREX-markt. Het is juist dat, zoals de verwijzende rechter opmerkt, de verzoeker in de zaak Kolassa(25), waarin de onderzochte overeenkomst betrekking had op de verwerving van obligaties aan toonder, geen orders plaatste zoals Petruchová deed.(26) Artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening verlangt echter niet dat de consument op een bepaalde wijze handelt. Het verlangt niet dat de consument passief blijft of dat de andere partij verantwoordelijk is voor de uitvoering van de overeenkomst.

54.      Ten vijfde kunnen de risico’s die zijn verbonden aan het sluiten van CFD’s mijns inziens niet eraan in de weg staan dat een persoon als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening wordt beschouwd.

55.      Eens te meer verlangt die bepaling niet dat een consument op een bepaalde wijze handelt. Zij vereist niet dat hij de nodige zorgvuldigheid en voorzichtigheid aan de dag legt.

56.      Bovendien zijn risico’s inherent aan het sluiten van CFD’s. Indien de hoedanigheid van consument zou worden ontzegd op grond van de genomen risico’s, zouden CFD’s dus systematisch buiten de werkingssfeer van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening vallen, hoewel alleen bepaalde soorten vervoerovereenkomsten buiten de werkingssfeer van die bepaling vallen.(27)

57.      Ten slotte wil ik beklemtonen dat het precies de omvang van de aangegane risico’s is die, in het licht van het doel van de artikelen 17, 18 en 19 van de Brussel I bis-verordening – namelijk zorgen voor passende bescherming van de consument –, verlangt dat personen die CFD’s sluiten als consument worden beschouwd. In dat verband merk ik op dat, zoals Petruchová betoogt, de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) in mei 2018 een besluit heeft vastgesteld, waarbij zij tijdelijk het op de markt brengen, verspreiden of verkopen van CFD’s aan niet-professionele cliënten heeft beperkt.(28) De reden waarom ESMA dat besluit heeft vastgesteld, was dat de bevoegde nationale autoriteiten, net als ESMA zelf, bezorgd waren over de snelle toename, de laatste jaren, van de verspreiding van CFD’s op de retailmarkt, ondanks dat deze producten complex en niet-passend voor de grote meerderheid van niet-professionele cliënten zijn. In besluit 2018/796 van ESMA wordt met name gewezen op „het bestaan van een significante reden tot bezorgdheid” dat vele niet-professionele cliënten niet op de hoogte zijn van de betrokken risico’s, en dat uit studies van de bevoegde nationale autoriteiten blijkt dat de meerderheid van de niet-professionele cliënten die in CFD’s belegt, bij het handelen erin geld verliest.(29)

58.      Ten zesde kan de vraag worden gesteld of een persoon die gedurende een langere periode regelmatig voor aanzienlijke bedragen financiële transacties uitvoert, moet worden geacht die transacties te verrichten in het kader van een (secundair) beroep.(30) Die transacties zouden dan buiten de werkingssfeer van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening vallen, aangezien zij zijn gesloten voor een gebruik in het kader van het (secundaire) beroep van die persoon.

59.      Ik merk in dat verband op dat die redenering, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft betoogd, steun vindt in nationale rechtspraak. Zo heeft de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division (Commercial Court) [hoogste rechterlijke instantie van Engeland en Wales, afdeling van de Queen’s Bench (commerciële kamer), Verenigd Koninkrijk] in het arrest AMT Futures Ltd. v. Marzillier, Dr Meier & Dr Guntner Rechtsanwaltesgesellschaft mbH [2015] 2 WLR 187, geoordeeld dat niet alle beleggers als consumenten in de zin van artikel 15, lid 1, van de Brussel I-verordening kunnen worden aangemerkt, en dat om te bepalen of een belegger die hoedanigheid heeft, rekening moet worden gehouden met „zijn individuele omstandigheden en de aard en het patroon van zijn beleggingen”.

60.      Ik kan echter niet instemmen met die redenering.

61.      Het is juist dat, hoewel het gebruik waarvoor de overeenkomst wordt gesloten, in beginsel moet worden beoordeeld uitgaande van het tijdstip waarop die overeenkomst werd gesloten(31), toch in bepaalde omstandigheden rekening kan worden gehouden met latere veranderingen.(32) Zoals advocaat-generaal Bobek in de zaak Schrems in overweging heeft gegeven, moet dat echter beperkt blijven tot uitzonderlijke gevallen.(33) Een ex-postbeoordeling van het gebruik van de overeenkomst in elk afzonderlijk geval, of in elk geval waarin een raamovereenkomst (zoals in casu) voorziet in het sluiten van individuele transacties (zoals CFD’s), kan niet worden toegestaan. Dat zou niet in overeenstemming zijn met het beginsel van rechtszekerheid(34), aangezien in dat geval het antwoord op de vraag of een persoon als consument kan worden aangemerkt, afhankelijk zou zijn van het aantal op grond van de raamovereenkomst verrichte transacties, en de belegger dus bij het sluiten van de raamovereenkomst niet zou weten of hij al dan niet als consument zal worden beschouwd. Dat zou ook niet in overeenstemming zijn met de in punt 37 hierboven aangehaalde rechtspraak, volgens welke geen rekening mag worden gehouden met de subjectieve situatie van de persoon. Wat ten slotte de vraag betreft of rekening moet worden gehouden met het bedrag van de belegde middelen en van de gemaakte winst, zou een bevestigend antwoord niet in overeenstemming zijn met het feit dat artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening geen maximumwaarde vermeldt.(35)

62.      Ik merk op dat er in de nationale rechtspraak enige steun is voor dat standpunt. De High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division (Commercial Court), heeft in de zaak Standard Bank London Ltd. v. Dimitrios Apostolakis [2000] I.L.Pr. 766, geoordeeld dat een burgerlijk ingenieur en een advocaat die hadden belegd in deviezentransacties, als consumenten moesten worden beschouwd. Met name was het irrelevant dat zij 28 overeenkomsten hadden gesloten voor een totaalbedrag van 7 miljoen USD. De omvang werd niet bepalend geacht, aangezien anders problemen zouden zijn ontstaan met betrekking tot de maximumwaarde en de toepassing ervan met terugwerkende kracht.(36)

63.      Ik kom tot de slotsom dat om te bepalen of een persoon die handelt op de FOREX-markt, als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening moet worden aangemerkt, geen rekening mag worden gehouden met de kennis van die persoon, de waarde van de overeenkomst, het feit dat de betrokkene zijn eigen orders actief plaatst, de gedragen risico’s of het aantal en de frequentie van de transacties.

64.      Ik zal nu ingaan op de twee andere problemen die de verwijzende rechter aan de orde heeft gesteld, namelijk of artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening moet worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 6 van de Rome I-verordening, en of rekening moet worden gehouden met het feit dat de betrokkene een niet-professionele cliënt in de zin van richtlijn 2004/39 is.

D.      Moet rekening worden gehouden met het feit dat financiële instrumenten buiten de werkingssfeer van artikel 6 van de Rome I-verordening vallen?

65.      De verwijzende rechter wenst in essentie van het Hof te vernemen of artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening in overeenstemming met artikel 6 van de Rome I-verordening moet worden uitgelegd. Zo ja, dan mag een persoon die een CFD sluit niet als consument in de zin van die eerste bepaling worden aangemerkt, aangezien financiële instrumenten, zoals CFD’s zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de regels voor consumentenovereenkomsten van artikel 6, leden 1 en 2, van de Rome I-verordening.

66.      Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de Krajský soud v Ostravě heeft geoordeeld dat artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening in overeenstemming met artikel 6 van de Rome I-verordening moet worden uitgelegd. De verwijzende rechter is het daarmee niet eens.

67.      Petruchová betoogt dat de artikelen 17, 18 en 19 van de Brussel I bis-verordening van toepassing zijn op financiële instrumenten. Zij meent dat artikel 17 van die verordening anders uitdrukkelijk in een uitsluiting had voorzien, zoals dat het geval is in artikel 6, lid 4, onder d), van de Rome I-verordening. De Commissie is dezelfde mening toegedaan.

68.      De definitie van het begrip „consument” in artikel 6, lid 1, van de Rome I-verordening is bijna identiek aan de definitie van dat begrip in artikel 17, lid 1 van de Brussel I bis-verordening. Volgens de eerste bepaling is zij namelijk van toepassing op overeenkomsten „gesloten door een natuurlijke persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd (,de consument’) met een andere persoon die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep (,de verkoper’)”.

69.      Deze bijna identieke bewoordingen suggereren dat voor de uitlegging van artikel 17 van de Brussel I bis-verordening rekening moet worden gehouden met artikel 6 van de Rome I-verordening.(37) Overweging 7 van de Rome I-verordening vermeldt immers duidelijk dat het materiële toepassingsgebied van die verordening moet stroken met de Brussel I-verordening (nu de Brussel I bis-verordening). Ofschoon dus het bepaalde in de Brussel I bis-verordening moet worden uitgelegd in het licht van het daarbij vastgestelde systeem en de doelstellingen ter ondersteuning ervan, dient bij de toepassing van de Brussel I bis-verordening en de Rome I-verordening ook rekening te worden gehouden met de doelstelling van onderlinge samenhang ervan.

70.      Wat betreft de in artikel 6, leden 1 en 2, van de Rome I-verordening neergelegde regels voor consumentenovereenkomsten merk ik op dat zij op grond van lid 4, onder d), van die bepaling niet van toepassing zijn op „rechten en verplichtingen die een financieel instrument vormen”.(38) In overweging 30 van de Rome I-verordening staat te lezen dat financiële instrumenten voor de toepassing van die richtlijn de instrumenten in de zin van artikel 4 van richtlijn 2004/39/EG zijn. Volgens artikel 4, lid 1, punt 17, van richtlijn 2004/39, thans artikel 4, lid 1, punt 15, van richtlijn 2014/65/EU(39), zijn financiële instrumenten alle instrumenten die zijn genoemd in deel C van bijlage I bij richtlijn 2004/39. Deel C, punt 9, van bijlage I bij richtlijn 2004/39 verwijst naar CFD’s.(40)

71.      De in artikel 6, leden 1 en 2, van de Rome I-verordening neergelegde regels die van toepassing zijn op consumentenovereenkomsten, gelden dus niet voor CFD’s.(41)

72.      Dat betekent echter niet dat de in de artikelen 18 en 19 van de Brussel I bis-verordening neergelegde regels die van toepassing zijn op consumentenovereenkomsten, niet van toepassing zijn op financiële instrumenten zoals CFD’s.

73.      Zoals het Hof in het arrest Kainz heeft geoordeeld, kan de beoogde samenhang tussen de instrumenten van internationaal privaatrecht in de rechtsorde van de Unie niet ertoe leiden dat aan de bepalingen van de Brussel I bis-verordening een uitlegging wordt gegeven die niet met het stelsel en de doelstellingen van deze verordening strookt.(42)

74.      In dat verband moet rekening worden gehouden met de verschillen tussen de bewoordingen van artikel 17 van de Brussel I bis-verordening en die van artikel 6 van de Rome I-verordening. Het is juist dat, zoals in punt 68 hierboven staat te lezen, de definitie van het begrip „consument” in die beide bepalingen bijna identiek is. Op grond van artikel 17, lid 3, van de Brussel I bis-verordening is echter slechts één soort overeenkomst uitgesloten van de werkingssfeer van consumentenbeschermingsregels(43), terwijl overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de Rome I-verordening andere overeenkomsten zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de in artikel 6, leden 1 en 2, van die verordening neergelegde beschermingsregels. Met name verwijst artikel 6, lid 4, onder d), van de Rome I-verordening uitdrukkelijk naar financiële instrumenten in de zin van deel C van bijlage I bij richtlijn 2004/39, terwijl artikel 17 van de Brussel I bis-verordening daar niet naar verwijst.(44) Derhalve kan er geen sprake van zijn om, wat financiële instrumenten betreft, die laatste bepaling uit te leggen in overeenstemming met artikel 6 van de Rome I-verordening.(45)

75.      Gelet op een en ander meen ik dat het, om te bepalen of een persoon die handelt op de FOREX-markt, als een consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening kan worden aangemerkt, irrelevant is dat financiële instrumenten buiten de werkingssfeer van artikel 6 van de Rome I-verordening vallen.

E.      Moet rekening worden gehouden met het feit dat de persoon een niet-professionele cliënt in de zin van richtlijn 2004/39 is?

76.      De verwijzende rechter wenst in wezen van het Hof te vernemen of een persoon die als „niet-professionele cliënt” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39 wordt beschouwd, als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening moet worden aangemerkt. De verwijzende rechter meent dat het, om te bepalen of een persoon een consument is, irrelevant is dat hij een niet-professionele cliënt is.

77.      Petruchová betoogt dat, hoewel het begrip „niet-professionele cliënt” in de zin van richtlijn 2004/39 en het begrip „consument” in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening van elkaar verschillen, een niet-professionele cliënt moet worden vermoed een consument te zijn. FIBO erkent dat Petruchová een niet-professionele cliënt is, maar voert aan dat dit niet betekent dat zij als consument moet worden aangemerkt.

78.      Om te beginnen merk ik op dat het feit dat aan een persoon van de hoedanigheid van professionele cliënt of van niet-professionele cliënt wordt toegekend, gevolgen heeft voor de geboden bescherming. Niet-professionele cliënten genieten volledige bescherming, in het bijzonder met betrekking tot door beleggingsondernemingen verstrekte informatie, terwijl professionele cliënten worden geacht slechts beperkte bescherming nodig te hebben.(46)

79.      Volgens artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39 is een niet-professionele belegger „een niet-professionele cliënt”. Op grond van artikel 4, lid 1, punt 11, van die richtlijn is een professionele cliënt „een cliënt die voldoet aan de criteria vastgesteld in bijlage II” bij dezelfde richtlijn.

80.      Volgens deel I van bijlage II bij richtlijn 2004/39(47) worden de volgende cliënten „als professioneel [...] aangemerkt”: ten eerste, entiteiten die een vergunning moeten hebben of gereglementeerd moeten zijn om op financiële markten actief te mogen zijn, zoals kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of verzekeringsondernemingen; ten tweede, grote ondernemingen die aan twee van drie criteria voldoen, namelijk een balanstotaal van meer dan 20 miljoen EUR, een netto-omzet van meer dan 40 miljoen EUR en een eigen vermogen van meer dan 2 miljoen EUR; ten derde, publieke entiteiten of instellingen zoals nationale regeringen of de Wereldbank, en, ten vierde, andere institutionele beleggers wier belangrijkste activiteit bestaat uit het beleggen in financiële instrumenten. Entiteiten die tot een van die vier categorieën behoren, kunnen echter om behandeling als niet-professionele cliënt verzoeken.

81.      Volgens deel II van bijlage II bij richtlijn 2004/39(48) kunnen andere dan de in deel I ervan vermelde cliënten „op verzoek als professionele cliënt [...] worden behandeld”. Om als professionele cliënt te kunnen worden behandeld, moet de cliënt ten minste aan twee van de volgende drie criteria voldoen: ten eerste moet hij tijdens de voorafgaande vier kwartalen per kwartaal 10 transacties van significante omvang hebben verricht; ten tweede moet de omvang van zijn financiële portefeuille groter zijn dan 500 000 EUR; en ten derde moet hij gedurende ten minste één jaar werkzaam zijn geweest in de financiële sector, waar hij een beroepsbezigheid heeft uitgeoefend.

82.      Ik meen dat een niet-professionele cliënt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39, niet noodzakelijkerwijs een consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening is. Evenmin kan worden vermoed dat een niet-professionele cliënt een consument is. Ik zal hieronder toelichten waarom ik tot die vaststelling ben gekomen.

83.      Ten eerste blijkt uit het feit dat richtlijn 2004/39, in tegenstelling tot een andere richtlijn in de financiële sector – namelijk richtlijn 2002/65/EG betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten(49) –, geen gebruik maakt van de term „consument”, dat de begrippen „niet-professionele cliënt” en „consument” verschillend zijn.

84.      Ten tweede vereist artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39 niet dat voor de niet-professionele cliënt beleggingsdiensten en/of nevendiensten worden verleend voor niet bedrijfs- of beroepsmatig gebruik. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, betekent dit dat voor hem dergelijke diensten mogen worden verleend voor een bedrijfs- of beroepsmatig gebruik, in welk geval hij niet als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening kan worden aangemerkt.

85.      Ten derde is een consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening een natuurlijke en geen rechtspersoon.(50) Daarentegen kan een niet-professionele cliënt een rechtspersoon zijn.(51) Volgens artikel 4, lid 1, punt 10, van richtlijn 2004/39 is een „cliënt” inderdaad „iedere natuurlijke of rechtspersoon voor wie een beleggingsonderneming beleggingsdiensten en/of nevendiensten verricht”.(52) Met name kunnen niet-professionele cliënten rechtspersonen zijn die niet voldeden aan twee van de drie vereisten om op grond van deel II van bijlage II bij richtlijn 2004/39 als professionele cliënt te kunnen worden behandeld. Niet-professionele cliënten kunnen ook professionele cliënten (en dus rechtspersonen)(53) zijn die op grond van deel I van bijlage II bij richtlijn 2004/39 om behandeling als niet-professionele cliënt hebben verzocht.

86.      Ten vierde heeft kwalificatie van een persoon als niet-professionele cliënt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39 een andere doelstelling dan de kwalificatie van een persoon als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening. De kwalificatie van een persoon als niet-professionele cliënt zorgt ervoor dat volledige bescherming wordt verleend, met name wat de informatie betreft die de beleggingsonderneming aan de cliënt moet verstrekken. De kwalificatie van een persoon als consument brengt toepassing mee van de bevoegdheidsregels die afwijken van artikel 4, lid 1, en artikel 7, lid 1, van de Brussel I bis-verordening. Het is juist dat beide bepalingen de zwakke partij, namelijk een niet-professionele cliënt of een consument, willen beschermen. Ik merk echter op dat richtlijn 2004/39 alle – dit wil zeggen niet-professionele en professionele – beleggers wil beschermen.(54) In overweging 86 van richtlijn 2014/65, waarbij richtlijn 2004/39 is ingetrokken en vervangen, staat te lezen dat „het raadzaam [is] duidelijk te stellen dat het beginsel om op loyale, billijke en professionele wijze te handelen en de verplichting om correct, duidelijk en niet misleidend te zijn, voor de betrekkingen met alle cliënten gelden”.(55)

87.      Daarom doet het niet ter zake dat, zoals de vertegenwoordiger van FIBO ter terechtzitting heeft betoogd – zonder daarin te zijn tegengesproken –, Petruchová FIBO heeft meegedeeld dat zij drie jaar ervaring had op het betrokken gebied en dat zij een niet-professionele cliënt was.

88.      Ik kom derhalve tot de slotsom dat, om te bepalen of een persoon die handelt op de FOREX-markt, als consument in de zin van artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening kan worden aangemerkt, het niet ter zake doet of die persoon als niet-professionele cliënt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39 moet worden beschouwd.

IV.    Conclusie

89.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de vraag van de Nejvyšší soud als volgt te beantwoorden:

„Artikel 17, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken dient aldus te worden uitgelegd dat een persoon die een contract for difference sluit, als consument moet worden aangemerkt indien die overeenkomst is gesloten voor een niet bedrijfs- of beroepsmatig gebruik. In dat verband doet het niet ter zake dat de betrokkene zijn eigen orders actief plaatst op de internationale valutawisselmarkt, dat contracts for difference buiten de werkingssfeer vallen van artikel 6 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I), of dat de betrokkene een niet-professionele cliënt is in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad.”


1      Oorspronkelijke taal: Engels.


2      Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1, met rectificatie in PB 2017, L 104, blz. 28).


3      Arresten van 20 januari 2005, Gruber (C‑464/01, EU:C:2005:32, punt 34); 7 december 2010, Pammer en Hotel Alpenhof (C‑585/08 en C‑144/09, EU:C:2010:740, punt 53); 6 september 2012, Mühlleitner (C‑190/11, EU:C:2012:542, punt 26), en 14 maart 2013, Česká spořitelna (C‑419/11, EU:C:2013:165, punt 26).


4      Arresten van 19 januari 1993, Shearson Lehman Hutton (C‑89/91, EU:C:1993:15, punt 18); 20 januari 2005, Gruber (C‑464/01, EU:C:2005:32, punt 34), en 14 maart 2013, Česká spořitelna (C‑419/11, EU:C:2013:165, punt 33).


5      Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6).


6      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB 2004, L 145, blz. 1).


7      Petruchová diende als garantie dat zij in staat was om eventuele verliezen te dekken slechts een „marge” te verschaffen.


8      Zie naar analogie arrest van 19 juli 2012, Mahamdia (C‑154/11, EU:C:2012:491, punten 62‑64), en conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Mahamdia (C‑154/11, EU:C:2012:309, punten 57‑59). Zie ook Magnus, U., en Mankowski, P. (red.), Brussels I bis Regulation – Commentary, Otto Schmidt KG Verlag, 2016 (blz. 522 en 523).


9      Arresten van 14 maart 2013, Česká spořitelna (C‑419/11, EU:C:2013:165, punt 30); 28 januari 2015, Kolassa (C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 23), en 23 december 2015, Hobohm (C‑297/14, EU:C:2015:844, punt 24). Die arresten zien weliswaar niet op de uitlegging van de Brussel I bis-verordening, maar op die van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Brussel I-verordening”) (PB 2001, L 12, blz. 1). Aangezien de Brussel I bis-verordening thans de Brussel I-verordening heeft vervangen, geldt de door het Hof verstrekte uitlegging van de bepalingen van laatstgenoemde verordening echter ook voor de Brussel I bis-verordening voor zover de bepalingen van deze beide instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd [arrest van 15 november 2018, Kuhn (C‑308/17, EU:C:2018:911, punt 31)]. In casu heeft artikel 15 van de Brussel I-verordening dezelfde bewoordingen als die van de dienovereenkomstige bepaling in de Brussel I bis-verordening, namelijk artikel 17. Derhalve geldt de uitlegging door het Hof van die eerste bepaling ook voor de laatste bepaling.


10      Arrest van 14 februari 2019, Milivojević (C‑630/17, EU:C:2019:123, punt 86).


11      Arresten van 3 juli 1997, Benincasa (C‑269/95, EU:C:1997:337 punten 16 en 17); 20 januari 2005, Gruber (C‑464/01, EU:C:2005:32, punten 36 en 37); 14 maart 2013, Česká spořitelna (C‑419/11, EU:C:2013:165, punt 34); 25 januari 2018, Schrems (C‑498/16, EU:C:2018:37, punten 29 en 30), en 14 februari 2019, Milivojević (C‑630/17, EU:C:2019:123, punten 87 en 88).


12      Zie punten 15 en 18 hierboven.


13      Zie in dat verband de punten 65‑75 hieronder.


14      Arrest van 28 januari 2015, Kolassa (C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 24). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Kolassa (C‑375/13, EU:C:2014:2135, punt 28).


15      Zie in dat verband Geimer, R., „Forum actoris für Kapitalanlegerklagen”, in Festschrift für Dieter Martiny zum 70. Geburtstag, Mohr Siebeck, 2014, blz. 711 (op blz. 716).


16      Arrest van 25 januari 2018, Schrems (C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 39).


17      Arrest van 25 januari 2018, Schrems (C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 39). Schrems had wezenlijke ervaring opgebouwd op het gebied van digitale sociale netwerken doordat hij bij nationale rechters procedures had ingesteld tegen Facebook wegens schending van gegevensbeschermingsregels, over die kwestie boeken had gepubliceerd en lezingen had gegeven, en een vereniging voor de handhaving van gegevensbescherming had opgericht.


18      PB 1993, L 95, blz. 29.


19      Volgens artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 wordt verstaan onder consument „iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen”.


20      Arrest van 25 januari 2018, Schrems (C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 39).


21      Arrest van 3 september 2015, Costea (C‑110/14, EU:C:2015:538, punten 21 en 27).


22      Arrest van 19 januari 1993, Shearson Lehman Hutton (C‑89/91, EU:C:1993:15, punt 18).


23      Arrest van 14 juli 2016, Granarolo (C‑196/15, EU:C:2016:559, punt 16).


24      Zoals Magnus en Mankowski (aangehaald in voetnoot 8 hierboven) opmerken „is [er] geen bovengrens voor het betrokken bedrag. […] Consumentenzaken zijn niet beperkt tot kleine bedragen. [...] De Europese wetgever had ruime mogelijkheden om beperkingen op te leggen aan wat thans de artikelen 17‑19 zijn geworden en om dergelijke beperkingen werd ook gevraagd. Maar zij zijn nooit opgenomen in de wetgeving, dat is veelzeggend. Het gaat bij het betrokken volume om een kwantitatief gegeven [...] dat gemakkelijk kan worden gemeten. Even gemakkelijk had de wetgever maximumgrenzen kunnen vaststellen [...]. Dat hij dat niet heeft gedaan, leidt tot een sterk argumentum a contrario” (blz. 466 en 467). Zo ook wijst Geimer (aangehaald in voetnoot 15 hierboven) erop dat „overweging 11 [van de Brussel I-verordening, thans overweging 17 van de Brussel I bis-verordening], in overeenstemming met bestaande rechtspraak, rechtszekerheid eist inzake bevoegdheidsregels [...]. Die duidelijke eis van de Uniewetgever verhindert het Hof de werkingssfeer van artikel 15 van [de Brussel I-verordening] te beperken op grond van het ,machtsevenwicht’ tussen de partijen in het betrokken geval, of door een maximumwaarde vast te stellen. [...] Dat probleem is reeds lang bekend en was het voorwerp van discussie tussen rechtsgeleerden. Schlosser verzocht reeds in een vroeg stadium om de werkingssfeer van de bijzondere bevoegdheidsregels voor consumentenovereenkomsten te beperken. De Uniewetgever heeft meermaals de mogelijkheid gehad om die kwestie te behandelen. Hij heeft dat echter niet gedaan. Het feit dat hij doelbewust heeft nagelaten deze bevoegdheidsregels (in beperkende zin) te wijzigen, is bindend voor de rechterlijke macht en staat in de weg aan elke teleologische uitlegging. Een forum actoris dat is voorbehouden aan ,grote beleggers’ zou ook in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling” (blz. 722 en 723).


25      Zie voetnoot 14 hierboven.


26      Ik merk evenwel op dat Petruchová als niet-professionele cliënt niet zelf transacties kan verrichten op de FOREX-markt. Haar orders moeten door een effectenmakelaarskantoor worden uitgevoerd, in casu FIBO.


27      Zie punt 43 hierboven.


28      Besluit (EU) 2018/796 van ESMA van 22 mei 2018 om tijdelijke beperkingen op te leggen aan contracts for differences (CFD’s) in de Unie overeenkomstig artikel 40 van verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2018, L 136, blz. 50). Dat besluit werd verlengd en gewijzigd in oktober 2018 [besluit (EU) 2018/1636 van ESMA van 23 oktober 2018 tot verlenging en wijziging van de tijdelijke beperking op het op de markt brengen, verspreiden of verkopen van contracts for differences (CFD’s) aan retailcliënten, zoals vastgelegd in besluit (EU) 2018/796, PB 2018, L 272, blz. 62] en in januari 2019 [besluit (EU) 2019/155 van ESMA van 23 januari 2019 tot verlenging van de tijdelijke beperking op het op de markt brengen, verspreiden of verkopen van contracts for differences aan retailcliënten, PB 2019, L 27, blz. 36]. Bij het opstellen van deze conclusie was besluit 2019/155 van ESMA nog steeds van kracht.


29      Zie overwegingen 11, 12, 20, 27 en 35 van besluit 2018/796 van ESMA. Zo blijkt uit een door de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk uitgevoerde studie van een steekproef van retailcliënten dat 82 % van die cliënten geld had verloren op CFD’s, en dat het resultaat over een jaar een verlies van gemiddeld 2 200 GBP per retailcliënt was [zie overweging 35, onder ix), van besluit 2018/796 van ESMA].


30      Zie Briggs, A., Private International Law in English Courts, Oxford University Press, 2014 (punt 4.156).


31      Dat volgt uit het arrest Benincasa, waarin het Hof oordeelde dat de verzoeker, die een franchise-overeenkomst had gesloten voor de inrichting en de exploitatie van een winkel, niet als consument kon worden beschouwd, ook al had hij die winkel nooit geopend (arrest van 3 juli 1997, Benincasa (C‑269/95, EU:C:1997:337, punt 17).


32      In het arrest Schrems heeft het Hof geoordeeld dat, indien het betrokken particuliere gebruik, waarvoor de overeenkomst was gesloten, nadien beroepsmatig is geworden, rekening moet worden gehouden met het latere verloop van het gebruik dat van die diensten wordt gemaakt (zie voetnoot 17 hierboven) [arrest van 25 januari 2018, Schrems (C‑498/16, EU:C:2018:37, punten 37 en 38)]. Hoewel zou kunnen worden aangenomen dat Schrems de door Facebook aangeboden diensten aanvankelijk voor particuliere doeleinden (uitwisselen van foto’s en chatten) had gebruikt, maar dat dit gebruik beroepsmatig was geworden, oordeelde het Hof niettemin dat Schrems zijn hoedanigheid van consument niet had verloren.


33      Conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Schrems (C‑498/16, EU:C:2017:863, punt 41).


34      Zie punt 51 hierboven.


35      Zie punt 50 hierboven.


36      Volgens punt 18 van die uitspraak „[kan] de omvang niet bepalend zijn. Problemen zouden ontstaan met betrekking tot de vraag waar de lijnen moeten worden getrokken. Een bepalende omvang zou moeilijk kunnen worden toegepast op wat ik de overkoepelende overeenkomst heb genoemd, op het moment van de opstelling van dergelijke overeenkomst. Hij zou slechts met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast. De eis dat wordt gekeken naar het gebruik waarvoor de overeenkomsten waren gesloten, lijkt mij in de weg te staan aan het in aanmerking nemen van de algemene gevolgen of een waarde-omvang.”


37      Arresten van 7 december 2010, Pammer en Hotel Alpenhof (C‑585/08 en C‑144/09, EU:C:2010:740, punt 43); 15 maart 2011, Koelzsch (C‑29/10, EU:C:2011:151, punt 33); 5 december 2013, Vapenik (C‑508/12, EU:C:2013:790, punt 25); 21 januari 2016, ERGO Insurance en Gjensidige Baltic (C‑359/14 en C‑475/14, EU:C:2016:40, punt 43); 28 juli 2016, Verein für Konsumenteninformation (C‑191/15, EU:C:2016:612, punt 36), en 15 juni 2017, Kareda (C‑249/16, EU:C:2017:472, punt 32).


38      Volgens overweging 28 van de Rome I-verordening „moet [ervoor] gezorgd worden dat rechten en verplichtingen die een financieel instrument vormen niet onder de algemene regel voor consumentenovereenkomsten vallen, aangezien zulks ertoe kan leiden dat op een enkel uitgegeven instrument verschillende wetgevingen van toepassing zijn, hetgeen de aard ervan wijzigt en handel en aanbod minder vervangbaar maakt”.


39      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU (PB 2014, L 173, blz. 149). Richtlijn 2004/39 werd ingetrokken en vervangen door richtlijn 2014/65. Artikel 4, lid 1, punt 9, artikel 4, lid 1, punt 10, artikel 4, lid 1, punt11, en artikel 4, lid 1, punt 15, van richtlijn 2014/65 zijn identiek aan respectievelijk artikel 4, lid 1, punt 10, artikel 4, lid 1, punt 11, artikel 4, lid 1, punt 12, en artikel 4, lid 1, punt 17, van richtlijn 2004/39.


40      Net zoals deel C, punt 9, van bijlage I bij richtlijn 2014/65.


41      Ik wijs erop dat artikel 6, lid 4, onder d), van de Rome I-verordening van de werkingssfeer van consumentenbeschermingsregels alleen de „rechten en verplichtingen die een financieel instrument vormen”, uitsluit, dit wil zeggen, alleen het financiële instrument zelf. Het sluit niet de overeenkomst voor de aankoop van dat financiële instrument uit. Alleen CFD’s zijn dus uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 6, leden 1 en 2, van de Rome I-verordening. Overeenkomsten voor de aankoop van CFD’s zijn niet uitgesloten [zie in dat verband Garcimartin Alférez, F.J., „The Rome I Regulation: Exceptions to the Rule on Consumer Contracts and Financial Instruments”, Journal of Private International Law, volume 5 (2009), nr. 1, blz. 85 (op blz. 90)]. Dat is echter irrelevant, aangezien het geding in casu betrekking heeft op de tardieve uitvoering van de betrokken CFD, niet op de raamovereenkomst.


42      Arrest van 16 januari 2014, Kainz (C‑45/13, EU:C:2014:7, punt 20). Dat punt heeft weliswaar betrekking op de samenhangende uitlegging van de Brussel I-verordening en verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”) (PB 2007, L 199, blz. 40), maar hetzelfde geldt voor de Brussel I bis-verordening en de Rome I-verordening. Ik merk in dat verband op dat overweging 7 van verordening nr. 864/2007 pleit voor een uitlegging van die verordening die strookt met de Brussel I-verordening, op dezelfde wijze als overweging 7 van de Rome I-verordening pleit voor een uitlegging die strookt met de Brussel I-verordening. Zie ook, in dat verband, conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Pillar Securitisation (C‑694/17, EU:C:2019:44, punten 49 en 50).


43      Zie punt 43 hierboven.


44      Zoals Magnus en Mankowski (aangehaald in voetnoot 8 hierboven) opmerken met betrekking tot de verwerving van obligaties door beleggers, „[verwijzen] overweging 28 en artikel 6, lid 4, onder d), van de Rome I-verordening [...] mogelijkerwijs naar een uitsluiting van obligaties van de consumentenregeling. Het [...] zou echter een gewaagde stap zijn om die regel toe te passen op het gebied van de Brussel I bis-verordening. De Brussel I bis-verordening heeft doelbewust niet voorzien in een parallelle regel” (blz. 463).


45      In dat verband wijs ik erop dat, zoals Garcimartin Alférez (aangehaald in voetnoot 41 hierboven) opmerkt, wanneer een overeenkomst buiten de werkingssfeer van artikel 6 van de Rome I-verordening valt, „de vraag rijst of dat tot een wijziging van de Brussel I-verordening zou moeten leiden. Artikel 15 van die verordening bevat geen materiële uitsluiting voor overeenkomsten met betrekking tot financiële instrumenten. Het parallellisme tussen de twee instrumenten is dus doorbroken en de beleidsmatige beslissing die ten grondslag ligt aan die idee, namelijk dat de consument die in zijn eigen rechtsgebied een vordering kan instellen tegen de verkoper, ook zijn eigen recht kan inroepen (en niet de bewijslast ter zake van buitenlands recht hoeft te dragen), geldt niet langer. Evenzo zou een rechtskeuzebeding in een financieel instrument geldig en effectief zijn volgens de Rome I-verordening, terwijl een forumkeuzebeding alleen effectief is onder de beperkte voorwaarden van artikel 17 van de Brussel I-verordening” (blz. 89). Zie ook Wautelet, P., „Rome I et le consommateur de produits financiers”, European Journal of Consumer Law, 2009, nr. 4, blz. 776 (op blz. 796).


46      Zie in het bijzonder artikel 19, punt 10, onder c), van richtlijn 2004/39 alsmede artikel 24, lid 4, onder b), en artikel 25, lid 8, onder c), van richtlijn 2014/65. Zie ook Bonneau, T., Pailler, P., Rouaud, A.‑C., Tehrani, A., en Vabres, R., Droit financier, LGDJ, 2017, punten 312 e.v..


47      En volgens deel I van bijlage II bij richtlijn 2014/65.


48      En volgens deel II van bijlage II bij richtlijn 2014/65.


49      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (PB 2002, L 271, blz. 16).


50      Artikel 17, lid 1, van de Brussel I bis-verordening bepaalt weliswaar niet uitdrukkelijk dat de consument een natuurlijke persoon is, maar dat vloeit voort uit de omstandigheid dat die bepaling slechts betrekking heeft op een niet bedrijfs- of beroepsmatig handelende particuliere eindconsument (arrest van 14 maart 2013, Česká spořitelna (C‑419/11, EU:C:2013:165, punt 32). Zie in dat verband Magnus en Mankowski (aangehaald in voetnoot 8 hierboven), blz. 470 en 471.


51      Zie Haentjens, M., en de Gioia-Carabellese, P., European Banking and Financial Law, Routledge, 2015, blz. 67.


52      Cursivering van mij.


53      Zie in dat verband Gollier, J.‑M., en Standaert, C., „La catégorisation des investisseurs sous MiFID II”, in De Meuleneere, I., Colaert, V., Kupers, W., en Pijcke, A.S. (red.), MIFID II & MIFIR: Capital Selecta – Scope, Investor Protection, Market Regulation and Enforcement, Intersentia en Anthemis, 2018, blz. 59 (op blz. 75).


54      Zie overweging  31 van richtlijn 2004/39, overweging 3 van richtlijn 2014/65 en arresten van 12 november 2014, Altmann e.a. (C‑140/13, EU:C:2014:2362, punt 26), en 14 juni 2017, Khorassani (C‑678/15, EU:C:2017:451, punt 41). Zie ook Gollier en Standaert (aangehaald in voetnoot 53 hierboven), blz. 93.


55      Cursivering van mij.