Language of document : ECLI:EU:C:2019:340

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. BOBEK

van 30 april 2019 (1)

Zaak C620/17

Hochtief Solutions AG Magyarországi Fióktelepe

tegen

Fővárosi Törvényszék

[verzoek van de Székesfehérvári Törvényszék (algemeen rechter Székesfehérvár, Hongarije) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Overheidsopdrachten – Beroepsprocedures – Bindende kracht van prejudiciële beslissingen – Procedurele autonomie van de lidstaten – Verzoek tot herziening – Gelijkwaardigheid en doeltreffendheid – Lidstaataansprakelijkheid voor schendingen van Unierecht wegens beslissingen van nationale rechters – Geen verzoek om een prejudiciële beslissing overeenkomstig artikel 267, derde alinea, VWEU”





I.      Inleiding

1.        Onderhavige zaak betreft een nieuwe – thans de derde – aflevering van een vrij complexe procedurele saga. Heel eenvoudig gesteld, draaide de eerste aflevering om de oorspronkelijke nationale beslissingen ten gronde. In het kader van die aflevering (of ronde van procesvoering) heeft de nationale rechter in hoger beroep bij wie de zaak in behandeling was, te weten de Fővárosi Ítélőtábla (rechter in tweede aanleg Boedapest, Hongarije), dit Hof verzocht om richtsnoeren.(2) Aangezien Hochtief Solutions AG Magyarországi Fióktelepe (hierna: „Hochtief Hongarije”) het oneens was met de – in haar ogen verkeerde –manier waarop de nationale rechters die richtsnoeren hadden toegepast in de bodemprocedure, betrof de tweede ronde van nationale procesvoering een door deze vennootschap ingediend verzoek tot herziening.

2.        Onderhavig verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van de derde ronde van nationale procesvoering betreffende een door Hochtief Hongarije ingestelde vordering tot schadevergoeding die op twee gronden berust. Ten eerste meent Hochtief Hongarije dat de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije), die in het kader van het verzoek tot herziening in de tweede ronde is opgetreden als rechter in hoger beroep, de herziening had moeten toestaan, teneinde rekening te houden met de eerder in dezelfde zaak gegeven prejudiciële beslissing van het Hof. Ten tweede had hij het Hof een nieuw verzoek om een prejudiciële beslissing moeten voorleggen, zodat het Hof had kunnen nagaan of het Unierecht in de omstandigheden van de zaak een herziening vereiste.

3.        Het is in deze context dat het Hof wordt verzocht in essentie drie reeksen vragen te behandelen, betreffende, ten eerste, de gevolgen, volgens het Unierecht, van het feit dat de nationale rechters die de zaak ten gronde hebben behandeld, door toepassing van diverse procedurele beperkingen de prejudiciële beslissing van het Hof niet correct zouden hebben uitgevoerd, ten tweede, de vraag of het Unierecht vereist dat het buitengewone rechtsmiddel van een herziening dat naar nationaal recht in bepaalde situaties openstaat, eveneens kan worden aangewend in het geval van vermeende schendingen van het Unierecht in een situatie als deze in het hoofdgeding, en, ten derde, een aantal elementen die betrekking hebben op de voorwaarden voor lidstaataansprakelijkheid.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

4.        Op grond van artikel 1 van richtlijn 89/665/EEG houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken(3), moeten de lidstaten ervoor zorgen dat tegen de door de aanbestedende diensten genomen besluiten doeltreffend beroep kan worden ingesteld en dat de beroepsprocedures toegankelijk zijn voor eenieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde overheidsopdracht voor leveringen of voor de uitvoering van werken en die door een beweerde schending is of dreigt te worden gelaedeerd.

5.        Op grond van artikel 2, lid 1, van richtlijn 92/13/EEG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie(4), moeten de lidstaten voorzien in de nodige bevoegdheden hetzij om voorlopige maatregelen te nemen met betrekking tot de aanbestedingsprocedure of de tenuitvoerlegging van enig door de aanbestedende diensten genomen besluit, en onwettige besluiten die verband houden met de aanbestedingsprocedure in kwestie, nietig te verklaren, hetzij om andere maatregelen te nemen om de geconstateerde inbreuk ongedaan te maken en te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad. Lidstaten moeten daarnaast voorzien in de nodige bevoegdheden om schadevergoeding toe te kennen aan degenen die door een inbreuk zijn gelaedeerd.

B.      Hongaars recht

6.        In § 6:548, lid 1, en § 6:549, lid 1, van de Polgári Törvénykönyvről szóló 2013. évi V. törveny (Wet nr. V van 2013, houdende het burgerlijk wetboek; hierna: „burgerlijk wetboek”) wordt onder het opschrift „Aansprakelijkheid voor het optreden van overheidsinstanties” uiteengezet:

„§ 6:548 [Aansprakelijkheid voor het optreden van administratieve autoriteiten]: (1) Aansprakelijkheid voor schade die in het kader van administratieve rechtspraak is veroorzaakt, zal slechts worden vastgesteld indien de schade het gevolg is van handelen of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag, en indien de schade niet met gewone rechtsmiddelen of een administratief beroep kan worden hersteld.

[...]

§ 6:549 [Aansprakelijkheid voor het optreden van gerechten, officieren van justitie, notarissen en gerechtsdeurwaarders]: (1) De bepalingen met betrekking tot de aansprakelijkheid voor schade die in het kader van administratieve rechtspraak is veroorzaakt, zijn mutatis mutandis van toepassing op de aansprakelijkheid voor het optreden van gerechten en officieren van justitie [...] Het is slechts mogelijk een vordering in te stellen nadat de gewone rechtsmiddelen zijn uitgeput.

[...]”

7.        § 260, lid 1, onder a), en lid 2, van de polgári perrendtartásról szóló 1952. évi III. törvény (Wet nr. III van 1952 tot instelling van het wetboek burgerlijke rechtsvordering; hierna: „wetboek burgerlijke rechtsvordering”) luidt als volgt:

„(1)      Tegen een definitief geworden uitspraak kan een verzoek tot herziening worden ingediend wanneer:

a)      een partij enig feit of bewijsstuk, of enige definitief geworden rechterlijke of administratieve beslissing aandraagt waarmee het gerecht in de loop van de voorgaande procedures geen rekening heeft gehouden, en waaruit zij voordeel zou hebben gehaald indien dat wel het geval zou zijn geweest;

...

(2)      Op grond van lid 1, onder a), kan een partij slechts een verzoek tot herziening indienen indien zij buiten haar schuld in de voorgaande procedure geen beroep heeft kunnen doen op de in dat verzoek ingeroepen feiten, bewijsstukken of beslissingen.”

8.        § 361, onder a), van het wetboek burgerlijke rechtsvordering bepaalt het volgende:

„De Kúria (hoogste rechter, Hongarije) beslist met betrekking tot de behandeling van grondwettelijke klachten als volgt:

a)      Wanneer de Alkotmánybíróság (grondwettelijk hof, Hongarije) een materiële wet of bepaling heeft vernietigd en in de zaak uitsluitend een geding (of een buitengerechtelijke procedure) aanhangig was, wordt verzoeker in kennis gesteld van zijn recht om binnen dertig dagen bij de bevoegde rechter in eerste aanleg een verzoek tot herziening in te dienen.”

III. Feiten, procedure en prejudiciële vragen

9.        Op 25 juli 2006 heeft de Észak-dunántúli Környezetvédelmi és Vízügyi Igazgatóság(directoraat Milieubescherming en Waterstaat van Noord-Transdanubië; hierna: „aanbestedende dienst”) in het Publicatieblad van de Europese Unie(5) een oproep bekendgemaakt tot het indienen van blijken van belangstelling (hierna: „oproep”) voor een overheidsopdracht voor de uitvoering van werken met betrekking tot de ontwikkeling van transportinfrastructuur in het intermodale centrum van de nationale commerciële haven van Györ-Gönyü. In de oproep waren een aantal voorwaarden opgenomen om te kunnen deelnemen aan de aanbesteding. Met name was in punt III.2.2. van de oproep een criterium van economische en financiële draagkracht (hierna: „economisch vereiste”) vastgelegd. Op grond van dat vereiste mocht de winst/verliespost in de balans van de gegadigden niet meer dan één van de laatste drie afgesloten boekjaren negatief zijn.

10.      Hochtief Hongarije is het Hongaarse filiaal van Hochtief Solutions AG, een Duits bouwbedrijf dat zelf een dochteronderneming is van de moedermaatschappij Hochtief AG. Hochtief Hongarije heeft niet aan de aanbesteding deelgenomen. Bij besluit van 14 augustus 2006 heeft de aanbestedende dienst aangegeven dat slechts één enkele gegadigde, de Hungarian Port 2006 Konzorcium, aan alle kwalificatiecriteria voldeed, zodat enkel die gegadigde kon worden uitgenodigd een offerte in te dienen.

11.      Op 9 augustus 2006 heeft Hochtief Hongarije bij de Közbeszerzési Döntőbizottság (arbitragecommissie voor overheidsopdrachten; hierna: „arbitragecommissie”) de rechtmatigheid betwist van het in de oproep opgenomen economisch vereiste, waarbij zij naar voren heeft gebracht dat dit vereiste zowel discriminerend was als ontoereikend om de financiële draagkracht van de gegadigden vast te stellen. Zij heeft eveneens verzocht om de oproep nietig te verklaren en een nieuwe aanbestedingsprocedure te gelasten.

12.      In haar beslissing van 25 september 2006 was de arbitragecommissie van oordeel dat het economisch vereiste niet ontoereikend was om de economische en financiële draagkracht van de gegadigden vast te stellen. Bij diezelfde beslissing heeft de arbitragecommissie de aanbestedende dienst evenwel een boete van 8 000 000 Hongaarse forint (HUF) opgelegd wegens de schending van andere bepalingen van de nationale wetgeving inzake overheidsopdrachten.

13.      Op 2 oktober 2006 heeft Hochtief Hongarije de Fővárosi Bíróság (rechter in eerste aanleg Boedapest, Hongarije) verzocht om een rechterlijke toetsing van de beslissing van de arbitragecommissie voor zover die betrekking had op de vaststellingen van laatstgenoemde inzake financiële draagkracht. Hochtief Hongarije bleef bij haar standpunt dat het economisch vereiste ontoereikend was om de financiële draagkracht van een onderneming vast te stellen.

14.      In zijn beslissing van 17 maart 2010 heeft de Fővárosi Bíróság het verzoek van Hochtief Hongarije om een rechterlijke toetsing afgewezen. De Fővárosi Bíróság nam daarin akte van het feit dat het eigen vermogen volgens de door Hochtief Hongarije in zijn oorspronkelijke klacht bij de arbitragecommissie geformuleerde stelling ontoereikend is om financiële draagkracht vast te stellen, maar was desondanks toch van oordeel dat het litigieus economisch vereiste een toereikend criterium vormt om over de financiële draagkracht van de gegadigden informatie te bieden.

15.      Hochtief Hongarije heeft tegen die beslissing in eerste aanleg hoger beroep ingesteld bij de Fővárosi Ítélőtábla. Die rechter heeft het geding geschorst en bij het Hof een verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend.

16.      In zijn arrest van 18 oktober 2012 heeft het Hof geoordeeld dat „een aanbestedende dienst een minimumeis inzake economische en financiële draagkracht mag stellen door naar een of meer specifieke onderdelen van de balans te verwijzen, op voorwaarde dat deze onderdelen objectief geschikt zijn voor het bieden van informatie over de draagkracht van een ondernemer en die eis aan de omvang van de betrokken opdracht wordt aangepast, zodat objectief sprake is van een positieve aanwijzing voor een voldoende economische en financiële basis voor de uitvoering van die opdracht, maar niet verder wordt gegaan dan hetgeen daartoe redelijkerwijs noodzakelijk is. Een minimumeis inzake economische en financiële draagkracht kan in beginsel niet worden uitgesloten om de enkele reden dat die eis betrekking heeft op een onderdeel van de balans ten aanzien waarvan tussen de wettelijke regelingen van de lidstaten verschillen kunnen bestaan”.(6)

17.      In zijn definitieve beslissing van 18 juni 2013 over de zaak is de Fővárosi Törvényszék tot de slotsom gekomen dat het economisch vereiste in het licht van de prejudiciële beslissing van het Hof niet in strijd was met het Unierecht. De Fővárosi Törvényszék oordeelde voorts dat de noodzakelijkheid en de evenredigheid van het economisch vereiste door de arbitragecommissie naar behoren was onderzocht en eveneens in de beslissing in eerste aanleg aan bod was gekomen.

18.      Op 13 september 2013 heeft Hochtief Hongarije bij de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije) cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing in tweede aanleg. Zij heeft daarin aangevoerd dat de Fővárosi Törvényszék de objectieve geschiktheid van het economisch vereiste niet had onderzocht. In deze context heeft Hochtief Hongarije de Kúria verzocht om een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen over de vraag of de Fővárosi Törvényszék kon nalaten de objectieve geschiktheid van de kwalificatiecriteria te onderzoeken zonder een nieuw verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen.

19.      Bij beslissing van 19 maart 2014 heeft de Kúria het cassatieberoep verworpen op grond dat de klacht tegen het economisch vereiste bij de arbitragecommissie tardief was ingediend aangezien Hochtief Hongarije die kwestie niet in haar oorspronkelijke klacht bij de arbitragecommissie, maar pas in haar opmerkingen achteraf had opgeworpen. De enige kwestie die met betrekking tot het bestreden vereiste tijdig door Hochtief Hongarije was ingeroepen, betrof het discriminerend karakter ervan, waardoor dan ook enkel dat aspect kan worden beoordeeld.

20.      Hochtief Hongarije heeft vervolgens een grondwettelijke klacht ingediend bij deAlkotmánybíróság (grondwettelijk hof, Hongarije), evenals een verzoek tot herziening bij de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (bestuurs- en arbeidsrechter Boedapest, Hongarije).

21.      Hochtief Hongarije heeft in het kader van de grondwettelijke klacht ten eerste betoogt dat haar rechten op een eerlijk proces en op doeltreffende voorziening in rechte waren geschonden. Zij heeft aangevoerd dat de Kúria aanvullende prejudiciële vragen aan het Hof had moeten voorleggen. Op 9 februari 2015 heeft de Alkotmánybíróság de grondwettelijke klacht niet-ontvankelijk verklaard. Het door Hochtief Hongarije ingeroepen recht op doeltreffende voorziening in rechte waarborgt geen recht op een specifieke uitspraak en het staat aan de Kúria om te beslissen over de noodzaak van een verzoek om een prejudiciële beslissing.

22.      Wat ten tweede het verzoek tot herziening betreft, heeft Hochtief Hongarije kritiek geuit op het ontbreken van een onderzoek naar de geschiktheid van het economisch vereiste en heeft zij verzocht om de heropening van de gerechtelijke beroepsprocedures in hun geheel, om nietigverklaring van alle voorgaande beslissingen en om vaststelling van een nieuwe beslissing. Zij heeft de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság eveneens verzocht het Hof te verzoeken om een nieuwe prejudiciële beslissing over de vraag of zonder een nieuwe verwijzing kon worden voorbijgegaan aan een prejudiciële beslissing.

23.      Bij beslissing van 8 mei 2015 heeft de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard zonder dat het nodig werd geacht de zaak te verwijzen naar het Hof. Hij heeft aangegeven dat de feiten die Hochtief Hongarije in haar verzoek tot herziening had ingeroepen, niet nieuw waren. De rechters in het hoofdgeding waren ervan reeds in kennis gesteld en hadden ze beoordeeld. Met haar verzoek tot herziening heeft Hochtief Hongarije verzocht om herziening van het door de Kúria ingenomen juridische standpunt, wat een juridische en geen feitelijke vraag was. Een herziening is niet bedoeld om vermeende fouten bij de toepassing van het recht te herstellen.

24.      Hochtief Hongarije heeft vervolgens tegen de niet-ontvankelijkheidsbeslissing van de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság hoger beroep ingesteld bij de Fővárosi Törvényszék, verweerder in onderhavige zaak. Bij beslissing van 18 november 2015 heeft laatstgenoemde de beslissing in eerste aanleg bevestigd. Hij heeft herhaald dat het buitengewone rechtsmiddel van herziening was gericht op het corrigeren van feitelijke onjuistheden, en niet op het rechtzetten van onjuistheden bij de toepassing van het recht. De relevante feiten zijn gedurende de gehele aaneenschakeling van procedures dezelfde gebleven en zijn in elk stadium beoordeeld.

25.      Hochtief Hongarije heeft uiteindelijk bij de verwijzende rechter, de Székesfehérvári Törvényszék (algemeen rechter Székesfehérvár, Hongarije), een beroep tot schadevergoeding ingesteld voor de schade die de Fővárosi Törvényszék door hetgeen hij in zijn hoedanigheid van rechter in hoger beroep in het kader van het verzoek tot herziening heeft beslist, zou hebben veroorzaakt. Hochtief Hongarije stelt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek tot herziening zowel indruist tegen het nationale recht als tegen het Unierecht en schade heeft veroorzaakt in de vorm van de juridische kosten die hadden kunnen worden vergoed indien de herziening zou zijn toegestaan en Hochtief Hongarije uiteindelijk in het gelijk zou zijn gesteld.

26.      In deze feitelijke en juridische context heeft de Székesfehérvári Törvényszék beslist het geding te schorsen en de volgende vragen aan het Hof voor te leggen:

„1)      Moeten de basisbeginselen en -regels van het Unierecht (in het bijzonder artikel 4, lid 3, VEU en het vereiste van een uniforme uitlegging), zoals uitgelegd door het Hof [van Justitie], met name in het arrest in de zaak Köbler, aldus worden uitgelegd dat de vaststelling van aansprakelijkheid van het gerecht van een lidstaat dat in laatste instantie uitspraak doet middels een vonnis dat in strijd is met het Unierecht, uitsluitend kan worden gebaseerd op nationaal recht of op de criteria die zijn vastgesteld door de nationale wetgeving? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moeten dan de basisbeginselen en -regels van het Unierecht, en met name de drie criteria die door het [Hof van Justitie] zijn vastgelegd in het arrest Köbler om de aansprakelijkheid van de ,staat’ vast te stellen, aldus worden uitgelegd, dat de vraag of is voldaan aan de vereisten voor de lidstaataansprakelijkheid wegens schending van het Unierecht door de gerechten van die staat, moet worden beoordeeld op basis van nationaal recht?

2)      Moeten de basisbeginselen en -regels van het Unierecht (in het bijzonder artikel 4, lid 3, VEU en het vereiste van een doeltreffende voorziening in rechte), en met name de arresten van het [Hof van Justitie] inzake lidstaataansprakelijkheid in, onder meer, de zaken Francovich, Brasserie du pêcheur en Köbler, aldus worden uitgelegd dat het gezag van gewijsde van met het Unierecht strijdige beslissingen waarmee de gerechten van de lidstaat in laatste instantie uitspraak doen, de vaststelling dat de lidstaat aansprakelijk is voor schade uitsluit?

3)      Zijn, in het licht van [richtlijn 89/665], zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/66/EG(7), en [richtlijn 92/13], de beroepsprocedure betreffende de openbare aanbesteding van overheidsopdrachten waarvan de waarde ligt boven die van de communautaire drempels, en de rechterlijke toetsing van de in die procedure vastgestelde administratieve beslissing, relevant voor het Unierecht? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, zijn dan het Unierecht en de rechtspraak van het [Hof van Justitie] (onder meer de arresten in de zaak Kühne & Heitz, Kapferer en, in het bijzonder, de zaak Impresa Pizzarotti) relevant met betrekking tot de noodzaak om de herziening toe te laten, als een buitengewoon rechtsmiddel, dat voortvloeit uit de nationale wetgeving inzake de rechterlijke toetsing van de administratieve beslissing die is genomen in de beroepsprocedure betreffende een openbare aanbesteding?

4)      Moeten de richtlijnen inzake de beroepsprocedure bij een openbare aanbesteding (te weten [richtlijn 89/665], inmiddels gewijzigd bij [richtlijn 2007/66] en [richtlijn 92/13]) aldus worden uitgelegd dat daarmee in overeenstemming is een nationale regeling volgens welke de nationale rechters die kennis nemen van het hoofdgeding, geen rekening kunnen houden met een feit dat moet worden onderzocht in overeenstemming met een arrest van het [Hof van Justitie] – dat is gewezen in een prejudiciële procedure in het kader van een beroepsprocedure betreffende een openbare aanbesteding – met welk feit bovendien evenmin rekening wordt gehouden door de nationale gerechten die beslissen in een procedure die is ingeleid na het verzoek tot herziening van de beslissing die in het hoofdgeding is genomen?

5)      Moeten [richtlijn 89/665], met name artikel 1, leden 1 en 3 ervan, en [richtlijn 92/13], met name de artikelen 1 en 2 daarvan – inzonderheid in het licht van de arresten in de zaken Willy Kempter, Pannon GSM en VB Pénzügyi Lízing, alsmede in de zaken Kühne & Heitz, Kapferer en Impresa Pizzarotti – aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling, of toepassing daarvan, krachtens welke, ondanks het feit dat een arrest van het [Hof van Justitie] dat werd gewezen in een prejudiciële procedure vóór de uitspraak in de procedure in tweede aanleg, een relevante uitlegging geeft van de Unierechtelijke regels, het gerecht dat kennis neemt van de zaak afwijzend beslist om redenen van tardiviteit, en nadien het gerecht dat kennis neemt van het verzoek tot herziening, de herziening niet ontvankelijk acht, in overeenstemming is met bovengenoemde richtlijnen, met het vereiste van een doeltreffende voorziening in rechte en het gelijkwaardigheids en doeltreffendheidsbeginsel?

6)      Indien de herziening op basis van nationaal recht ontvankelijk moet worden verklaard, opdat met een nieuwe beslissing van deAlkotmánybíróság de grondwettelijkheid kan worden hersteld, zou de herziening dan, overeenkomstig het beginsel van gelijkwaardigheid en het beginsel dat is vastgelegd in het arrest Transportes Urbanos, niet ook moeten worden toegestaan in het geval waarin een arrest van het [Hof van Justitie] in het hoofdgeding niet in aanmerking is genomen vanwege de bepalingen van nationaal recht inzake procedurele termijnen?

7)      Moeten [richtlijn 89/665], met name artikel 1, leden 1 en 3 ervan, en [richtlijn 92/13], met name de artikelen 1 en 2 ervan, worden uitgelegd in het licht van arrest van het [Hof van Justitie] in de zaak Willy Kempter (C‑2/06, EU:C:2008:78), krachtens hetwelk de particulier niet specifiek een beroep hoeft te doen op de rechtspraak van het Hof, in die zin dat de procedures bij openbare aanbestedingen die door bovengenoemde richtlijnen worden geregeld, alleen kunnen worden ingeleid door een beroep dat een expliciete beschrijving van de inbreuk op het gebied van openbare aanbestedingen bevat en dat bovendien precies – door een concreet artikel of lid te noemen – aangeeft welke bepaling inzake openbare aanbesteding is overtreden, dat wil zeggen dat in de beroepsprocedures bij openbare aanbestedingen alleen die inbreuken kunnen worden onderzocht die de verzoeker heeft aangegeven aan de hand van de bepaling inzake openbare aanbestedingen [door een concreet artikel of lid te noemen] –, terwijl in elke andere administratieve en civiele procedure ermee kan worden volstaan dat de particulier de feiten aanvoert, en de bewijsmiddelen die deze ondersteunen, en de bevoegde autoriteit of rechter op het beroep beslist in overeenstemming met de inhoud ervan?

8)      Moet het vereiste van voldoende gekwalificeerde schending dat is neergelegd in de arresten Köbler en Traghetti aldus worden uitgelegd dat van een dergelijke schending geen sprake is wanneer het gerecht dat in laatste instantie uitspraak doet en daarbij openlijk in strijd handelt met geconsolideerde rechtspraak van het [Hof van Justitie], die zeer gedetailleerd is aangehaald – en waarop ook verschillende juridische adviezen zijn gebaseerd – afwijzend beslist op de vraag van een particulier om een verzoek in te dienen om een prejudiciële beslissing over de noodzaak van toelating van de herziening, op basis van het absurde argument dat de Unieregeling – in dit geval met name de [richtlijnen 89/665 en 92/13] – geen voorschriften bevat die de herziening regelen, ondanks het feit dat ook daartoe zeer gedetailleerd rechtspraak van het [Hof van Justitie], waaronder het arrest Impresa Pizzarotti, is aangehaald die juist wijst op de noodzaak van herziening in het kader van de procedure voor openbare aanbesteding? Hoe gedetailleerd moet, gelet op het arrest van het [Hof van Justitie] in de zaak CILFIT (C‑283/81, EU:C:1982:335), de nationale rechter de niet-herziening rechtvaardigen, uitgaande van de verplichtende juridische uitlegging door het Hof?

9)      Moeten de beginselen van een doeltreffende voorziening in rechte en van gelijkwaardigheid, neergelegd in de artikel 19 VEU en artikel 4, lid 3, VEU, van de vrijheid van vestiging en dienstverlening, neergelegd in artikel 49 VWEU, en richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, alsook de richtlijnen [89/665, 92/13 en 2007/66], aldus worden uitgelegd dat zij [zich er niet tegen verzetten] dat de bevoegde autoriteiten en gerechten, duidelijk in strijd met het toepasselijke Unierecht, het ene na het andere door verzoekster tegen de verhindering van haar deelname aan een aanbestedingsprocedure ingediende beroep afwijzen, voor welke beroepen in voorkomend geval meerdere documenten moeten worden opgesteld, waarmee een aanzienlijke investering in tijd en geld is gemoeid, of deel moet worden genomen aan hoorzittingen, en dat de relevante regelgeving, ofschoon vaststaat dat theoretisch de mogelijkheid bestaat de aansprakelijkheid vast te stellen voor in de uitoefening van de rechtsprekende functie veroorzaakte schade, verzoekster de mogelijkheid ontneemt om bij de rechter schadevergoeding te eisen voor de schade die is geleden als gevolg van de onwettige maatregelen?

10)      Moeten de beginselen die zijn ontwikkeld in de arresten Köbler, Traghetti en Saint Giorgio aldus worden uitgelegd dat schade die is veroorzaakt door het feit dat het gerecht van de lidstaat dat in laatste instantie uitspraak doet, in strijd met de geconsolideerde rechtspraak van het Hof van Justitie, de door de particulier tijdig verzochte herziening, in het kader waarvan deze vergoeding had kunnen eisen voor de veroorzaakte uitgaven, niet heeft toegestaan?”

27.      Schriftelijke opmerkingen werden ingediend door Hochtief Hongarije, de Fővárosi Törvényszék, de Griekse, Hongaarse en Poolse regering en de Europese Commissie. Met uitzondering van de Griekse en Poolse regering hebben zij allemaal pleidooi gehouden ter terechtzitting van 21 november 2018.

IV.    Beoordeling

28.      Deze conclusie is als volgt opgebouwd. Ik zal in de eerste plaats enkele noodzakelijke verduidelijkingen formuleren (A). Ik zal vervolgens beurtelings de drie reeksen vraagstukken behandelen die door de tien vragen van de verwijzende rechter heen lopen: ten eerste de mate waarin nationale rechters ertoe gehouden zijn prejudiciële beslissingen uit te voeren, met name in het kader van diverse procedurele bepalingen waarvan de toepassing in verschillende fasen van de nationale gerechtelijke procedures in de weg kan staan aan de volledige uitvoering van die prejudiciële beslissingen (B); ten tweede het al dan niet bestaan op grond van het Unierecht, in de omstandigheden van een zaak als de onderhavige, van een recht op herziening wanneer een arrest dat het Hof voordien in het kader van een in dezelfde procedure ingediend verzoek om een prejudiciële beslissing heeft gewezen, door de nationale rechters die de zaak ten gronde behandelen, niet correct is uitgevoerd (C); ten derde verscheidene aspecten van lidstaataansprakelijkheid voor vermeende tekortkomingen van de nationale rechters inzake de correcte toepassing van het Unierecht (D).

A.      Inleidende opmerkingen

1.      Ontvankelijkheid van door de verwijzende rechter voorgelegde vragen

29.      Verweerder meent dat de door de verwijzende rechter voorgelegde vragen niet-ontvankelijk zijn. In de verwijzingsbeslissing wordt niet aangegeven waarom het Unierecht in deze zaak moet worden uitgelegd. Evenmin wordt daarin het verband uiteengezet tussen de toepasselijke Unierechtelijke bepalingen en de litigieuze nationale wetgeving.

30.      Volgens vaste rechtspraak rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Ingeval de voorgelegde vragen de uitlegging van een Unierechtelijke regel betreffen, dient het Hof in beginsel dan ook een beslissing te geven.(8) Daarbij dient het Hof de nationale rechter een voor de oplossing van het bij hem aanhangige geding nuttig antwoord te geven.(9)

31.      Ik moet toegeven dat deze beginselen in deze zaak om een aantal redenen nogal op de proef worden gesteld. In tegenstelling tot verweerder ben ik evenwel van mening dat alle vragen van de verwijzende rechter, na herformulering, ontvankelijk zijn, met uitzondering van de zevende en negende vraag.

32.      Ten eerste zijn de door de verwijzende rechter voorgelegde vragen inderdaad op een ingewikkelde en enigszins onduidelijke manier opgesteld. Na een herformulering lijken deze vragen evenwel betrekking te hebben op de volgende drie reeksen vraagstukken.

33.      De vierde en vijfde vraag hebben in wezen betrekking op de verenigbaarheid met het Unierecht van diverse nationale beperkingen bij het doorlopen van verschillende fasen van de nationale gerechtelijke procedures. Het lijkt erop dat deze procedureregels de volledige uitvoering van eerder in de loop van het hoofdgeding gegeven prejudiciële beslissingen zou kunnen beperken.

34.      Met de derde en zesde vraag wordt in wezen onderzocht of het met het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsvereiste verenigbaar is om een voordien in het kader van het hoofdgeding gegeven prejudiciële beslissing van het Hof, die in dat geding niet is uitgevoerd, niet te beschouwen als een mogelijke grond voor herziening.

35.      De eerste, tweede, achtste en tiende vraag hebben betrekking op verscheidene aspecten van lidstaataansprakelijkheid voor vermeende vergissingen van de nationale rechters, met name van de Fővárosi Törvényszék.

36.      Ten tweede moet bij het hergroeperen en herschrijven van de vragen eveneens worden benadrukt dat de aldus geherformuleerde vragen uitsluitend betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht. De vragen zoals zij door de verwijzende rechter zijn geformuleerd, bevatten een aantal vooropgezette feitelijke of omstandige beoordelingen en conclusies. Door op die manier gestelde vragen te beantwoorden zou het Hof dan ook daadwerkelijk worden verzocht om een bepaalde lezing van de feiten of van het nationale recht te beoordelen of zelfs om de ideeën over bepaalde nationale praktijken te onderschrijven. In het kader van een prejudiciële procedure is dat evenwel niet de taak van het Hof. Het staat enkel aan de verwijzende rechter om de feiten vast te stellen.(10) Ik wens dan ook duidelijk te benadrukken dat de antwoorden die in deze zaak aan de orde zijn, louter zien op de door de verwijzende rechter met de drie hierboven geïdentificeerde reeksen vraagstukken opgeworpen Unierechtelijke aspecten. Op geen enkele manier kunnen zij als goedkeuring of onderschrijving worden beschouwd van de in de oorspronkelijk geformuleerde vragen vervatte feitelijke verklaringen en beoordelingen.

37.      Ten derde is een andere mogelijke ontvankelijkheidskwestie de relevantie van sommige vragen voor het hoofdgeding. Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan dat Hof weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord op de gestelde vragen te geven.(11)

38.      Zoals ter terechtzitting werd bevestigd, gaat het in de onderhavige zaak strikt genomen om de schade die door de Fővárosi Törvényszék – die als rechter (in laatste instantie) over de heropening van de zaak heeft geoordeeld – zou zijn veroorzaakt, zowel doordat deze heeft geweigerd de zaak te heropenen als doordat deze, voorafgaand aan die weigering, geen nieuw verzoek om een prejudiciële beslissing heeft ingediend. Bijgevolg zou kunnen worden gesteld dat de vragen die geen rechtstreeks verband houden met de voor de verwijzende rechter aanhangige vordering wegens aansprakelijkheid, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard om reden dat zij geen rechtstreeks deel uitmaken van het specifieke voorwerp van het geschil waarover de verwijzende rechter zich moet uitspreken.

39.      Ik kan een dergelijke strikte logica moeilijk aanvaarden. Structureel staat zij haaks op de veeleer ruime benadering die dit Hof hanteert met betrekking tot de relevantie van de door de nationale rechters voorgelegde vragen.(12) Op die manier zou het Hof in plaats van in een „geest van samenwerking” en uitgaand van het „vermoeden van relevantie” zelf daadwerkelijk het voorwerp waarover de nationale rechter zich kan uitspreken en de toepasselijke procedure uitleggen en, op grond van die uitlegging (van het nationale recht en de feiten), beslissen welke vragen die rechter kan voorleggen.

40.      Wat voorts de zaak zelf betreft, zou dergelijke benadering ook nauwelijks recht doen aan de specifieke context van deze zaak. De door de verwijzende rechter voorgelegde vragen maken immers deel uit van onderling verbonden en ingewikkelde gerechtelijke procedures. Het is niet eenvoudig om louter op basis van de verwijzingsbeslissing alle complicaties van de nationale procedurele achtergrond in deze zaak te doorzien en te ontwarren, met name wat het verloop van het geding zelf betreft. A fortiori kan het dan zelfs nog moeilijker zijn om categorisch te stellen welke van deze procedurele fasen voor een mogelijke vordering wegens aansprakelijkheid al dan niet relevant zijn.

41.      Zoals reeds aangestipt in de inleiding van deze conclusie, was er inderdaad sprake van drie „rondes”(13) van procesvoering. De eerste ronde omvatte een aantal beslissingen ten gronde. Hij bestond uit de (administratieve) toetsing voor de arbitragecommissie, gevolgd door de beslissingen in eerste en tweede aanleg en nadien door het cassatieberoep bij de Kúria en de grondwettelijke klacht. De tweede ronde omvatte het verzoek tot herziening, alsook de procedure in hoger beroep ter zake. De derde ronde betreft de vordering in het hoofdgeding, namelijk lidstaataansprakelijkheid wegens vermeende fouten van de nationale rechters.

42.      Door alle drie de rondes loopt een gemeenschappelijke rode draad: de vermeende niet-uitvoering door de nationale rechters, gedurende al deze verschillende rondes, van de door het Hof in de loop van de eerste ronde gegeven prejudiciële beslissing. Zonder de vermeende inbreuk in de loop van de eerste ronde zou er geen sprake zijn geweest van een tweede en a fortiori niet van een derde ronde. Om de – thans aanhangige – derde ronde en meer algemeen de gevolgen van de vermeende niet-uitvoering van de prejudiciële beslissing uit de eerste ronde te behandelen, moet dan ook absoluut worden gekeken naar de nationale procedures in hun geheel. Doordat eventuele onregelmatigheden uit de eerste ronde doorwerken naar de tweede ronde en deze uit de tweede ronde naar de derde ronde, zou het immers lastig zijn om de procedures kunstmatig op te delen. Of omgekeerd, wanneer er volgens het Unierecht geen sprake is van een verplichting tot herziening, heeft de derde ronde van procesvoering de facto geen zin meer. Sterker nog, indien in de eerste ronde geen potentiële fout zou zijn gemaakt, zouden de twee andere rondes zinloos zijn en elke verdere uitlegging van het Unierecht door het antwoord met betrekking tot de verplichtingen van de nationale rechters in die eerste ronde overbodig worden gemaakt.

43.      Voorts is het eveneens lastig om de blik te richten op de rechter in tweede aanleg (bij ontvangst van de prejudiciële beslissing) zonder eveneens rekening te houden met de administratieve toetsing door de arbitragecommissie, omdat de onvolledige toepassing van de prejudiciële beslissing van het Hof voornamelijk te maken lijkt te hebben met de procedureregel die de omvang van het gerechtelijk geschil beperkt tot hetgeen oorspronkelijk voor die commissie is aangevoerd.(14) Volgens die regel dienen alle aanspraken met betrekking tot een vermeende onverenigbaarheid van de openbare aanbestedingsprocedure met het Unierecht reeds voor de arbitragecommissie te zijn opgeworpen. Naderhand kan er bij de rechters die de beslissing van deze laatste onderzoeken, zoals in deze zaak de rechters in eerste en tweede aanleg, geen nieuwe vordering worden ingesteld.

44.      In dergelijke omstandigheden is het voor mij moeilijk om categorisch te stellen dat de vragen met betrekking tot de eerste en de tweede ronde van nationale procesvoering niet-ontvankelijk zijn op grond dat zij geen enkel verband zouden houden met het bij de verwijzende rechter aanhangige geding. Dat doen zij duidelijk wel.

45.      Dit gezegd zijnde, kan enkel worden herhaald dat het zeker niet aan dit Hof staat om vast te stellen of de nationale rechters het Unierecht – laat staan het nationale recht – in elk van de rondes juist hebben toegepast. Evenmin is het de taak van dit Hof om te beoordelen of de door Hochtief Hongarije gekozen procedurele route al dan niet de juiste was dan wel of zij na de eerste ronde rechtstreeks tegen de Kúria een vordering wegens aansprakelijkheid had moeten instellen, zoals de Hongaarse regering ter terechtzitting heeft aangegeven.

46.      Op basis van de toepassing van de vaste rechtspraak van het Hof(15) en overeenkomstig de herformulering en het begrip van de vragen zoals hierboven aangegeven(16), zijn de door de verwijzende rechter voorgelegde vragen mijns inziens dan ook ontvankelijk, met uitzondering van de zevende en negende vraag.

47.      De zevende vraag betreft specifiek de mate van nauwkeurigheid waarmee de bij de arbitragecommissie ingediende verzoeken om (administratieve) toetsing moeten zijn opgesteld. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of dergelijke verzoeken de schending uitdrukkelijk moeten omschrijven en nauwkeurig moeten aangeven welke specifieke bepaling is geschonden, terwijl het in elke andere administratieve en burgerlijke procedure volstaat om de feiten en het bewijsmateriaal ter onderbouwing daarvan over te leggen.

48.      Ondanks bovenstaande opmerkingen, zie ik niet op welke manier de zevende vraag van enig belang kan zijn voor de beslechting van onderhavig geschil. Geen enkele partij, ook Hochtief Hongarije niet, heeft gesuggereerd dat de litigieuze regel zo strikt was opgesteld dat het daardoor onmogelijk of uiterst moeilijk was om het Unierecht toe te passen, met name in de vorm van een voordien door het Hof gewezen arrest, of om inzake overheidsopdrachten het recht op doeltreffende voorziening in rechte te waarborgen. Er is eenvoudigweg geen verdere informatie beschikbaar over hoe die regel voor deze zaak van belang kan zijn.

49.      De negende vraag betreft de kwestie of volgens het Unierecht de nationale autoriteiten en gerechten de door Hochtief Hongarije ingestelde vorderingen consequent kunnen afwijzen in een context waarin die vorderingen duur en tijdrovend zijn en waarin de toepasselijke nationale wetgeving eraan in de weg zou staan dat verzoekers schadevergoeding vragen voor de door de nationale rechters in de uitoefening van hun rechtsprekende functie veroorzaakte schade.

50.      Met deze vraag legt de nationale rechter geen echte vraag voor, maar beoogt hij veeleer de bevestiging te krijgen van een aantal (veeleer verregaande en radicale) feitelijke veronderstellingen.

2.      Terminologische opmerking

51.      In de Engelse (alsook in sommige andere) versies van de vragen zoals zij zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad(17), wordt voor de verwijzing naar de verschillende soorten in deze zaak besproken rechtsmiddelen gebruikgemaakt van het woord „review”. Het probleem met het ongenuanceerd gebruik van dergelijk generiek begrip is dat het precisie ontbeert inzake het soort rechtsmiddel dat (en welke ronde die) wordt bedoeld, met name wanneer een onderscheid wordt gemaakt tussen de eerste ronde van procesvoering (rechterlijke toetsing ten gronde in de eigenlijke zin) en de tweede ronde van procesvoering (heropening of herziening). Overal in deze conclusie zal verder dan ook de hiernavolgende terminologie worden gebruikt.

52.      „Administratieve toetsing” verwijst naar de procedure voor de arbitragecommissie, die klaarblijkelijk als eerste instantie de rechtmatigheid van het economisch vereiste heeft beoordeeld.

53.      „Rechterlijke toetsing” verwijst naar de rechterlijke controle die de nationale rechters in het kader van de eerste „ronde”, waarin over de grond van de zaak werd beslist, uitoefenen op de door de arbitragecommissie gegeven administratieve beslissing. Zij omvat uiteraard de procedures in eerste en in tweede aanleg. Zij slaat eveneens op het cassatieberoep als buitengewoon rechtsmiddel. Ondanks zijn specifiek karakter heeft dat laatste rechtsmiddel immers nog steeds betrekking op het (voornaamste) voorwerp van de zaak, namelijk de rechtmatigheid van de door de arbitragecommissie gegeven beslissing.

54.      „Herziening” zal worden gebruikt om te verwijzen naar het buitengewone rechtsmiddel dat in de tweede „ronde” centraal staat. Het houdt normaliter de heropening en de herziening van de zaak in, wanneer achteraf blijkt dat ondanks het bestaan van een in de eerste „ronde” gegeven definitieve beslissing ten gronde die in kracht van gewijsde is gegaan, met bepaalde aspecten geen rekening is gehouden. In de context van deze zaak duidt „herziening” op de in artikel 260 van het wetboek burgerlijke rechtsvordering vastgestelde procedure.

B.      Uitvoering van een prejudiciële beslissing van het Hof in lopende nationaalrechtelijke procedures

55.      De vierde en vijfde vraag hebben in wezen betrekking op de verenigbaarheid met het Unierecht van diverse in het nationale recht opgenomen procedurele beperkingen die een beletsel kunnen vormen voor de volledige en correcte uitvoering van een in deze zaak gegeven prejudiciële beslissing van het Hof. Naar mijn begrip wordt met de vierde vraag, na enige herformulering, gevraagd naar de verenigbaarheid met het Unierecht van nationale procedureregels die zouden verhinderen dat op een bepaald toetsingsniveau met nieuwe feiten rekening wordt gehouden. Indien op verzoek van een nationale rechterlijke instantie in de fase van het hoger beroep – waarin normaliter geen nieuwe feiten kunnen worden vastgesteld – richtsnoeren in de vorm van een arrest van het Hof worden verstrekt, zou de toepassing van deze nationale procedureregel een dergelijke beoordeling in de toekomst dus onmogelijk maken. De vijfde vraag legt meer de focus op nieuwe rechtsvragen die om redenen van tardiviteit op het niveau van een hogere rechterlijke instantie dan wel in het kader van de rechterlijke toetsing zelf kunnen worden afgewezen indien dezelfde argumenten of rechtsvragen niet reeds in het kader van de administratieve toetsing waren aangevoerd.

56.      Beide aspecten hebben met andere woorden op de een of andere manier te maken met de taakverdeling binnen het gerechtelijk (en/of administratief) apparaat en met de proceseconomie. Het is normaal dat in nationale rechtsbeschermingsstelsels alsook in de rechtsbeschermingsstelsels van de Unie niet om het even welk feit of juridisch argument kan worden aangevoerd in om het even welke fase van de procedure. Er bestaan – zeker naarmate een zaak het gerechtelijk systeem doorloopt – algemene regels, bijvoorbeeld met betrekking tot de toegestane omvang van de toetsing of het samenvoegen van pleidooien.

57.      Het is echter vrij ongebruikelijk om dergelijke regels in te roepen ter rechtvaardiging van een eventuele weigering om de richtsnoeren van het Hof in een prejudiciële beslissing uit te voeren louter om reden dat deze werden aangereikt op een bepaald niveau van nationale rechterlijke toetsing in het hoofdgeding. In dit deel zal ik uitleggen waarom het in het algemeen verkeerd is om op dergelijke regels te vertrouwen(18) en waarom dit standpunt niet kan worden gehandhaafd indien de aangereikte richtsnoeren van dit Hof correct moeten worden uitgevoerd.

58.      Ik zal daarbij eerst herinneren aan de omvang van de verplichting die op de nationale rechters rust om een door dit Hof gegeven beslissing in het kader van een prejudiciële verwijzing uit te voeren en de daarin opgenomen richtsnoeren toe te passen (1). Ik zal mij vervolgens richten op de nationale procedureregel die klaarblijkelijk de voornaamste reden was waarom de prejudiciële beslissing van het Hof in de eerste ronde niet volledig zou zijn toegepast (2). Ten slotte zal ik onderzoeken of een dergelijke procedureregel in omstandigheden als die van onderhavige zaak niet moet worden verworpen op grond dat hij de correcte uitvoering van het arrest van het Hof belemmert (3).

1.      Uit een prejudiciële beslissing voortvloeiende verplichtingen van nationale rechters

59.      Een prejudiciële beslissing van het Hof is volgens vaste rechtspraak bindend voor de nationale rechter bij de beslechting van het hoofdgeding, wat de uitlegging of de geldigheid van de betrokken handelingen van de instellingen van de Unie betreft.(19) Artikel 267 VWEU vereist van de verwijzende rechter dat hij volle werking verleent aan de door het Hof gegeven uitlegging van het Unierecht.(20)

60.      Behalve dat soort bindend effect van een prejudiciële beslissing, dat als inter partes kan worden aangemerkt, heeft de rechtspraak van het Hof enkel de bindende kracht erga omnes van ongeldigverklaringen van Unierechtelijke bepalingen uitdrukkelijk bevestigd.(21)

61.      Dezelfde logica inter partes kan echter ook volledig worden doorgetrokken naar alle daaropvolgende gerechtelijke fasen binnen hetzelfde hoofdgeding. Wanneer bijvoorbeeld een rechter in eerste aanleg om richtsnoeren van dit Hof verzocht, zal een rechter in hoger beroep of de hoogste rechter waarbij dezelfde zaak in een later stadium aanhangig wordt gemaakt, derhalve eveneens zijn gebonden door de door het Hof in die zaak aangereikte richtsnoeren. Het gaat daarbij mijns inziens om een uitbreiding van het bindend effect inter partes omdat ter beslechting nog steeds dezelfde zaak met dezelfde feiten en rechtsvragen voorligt. Het gaat niet om het (van nature „soepelere”) effect erga omnes in andere zaken die andere feiten en partijen betreffen, maar waarin dezelfde wettelijke bepalingen van het Unierecht worden uitgelegd.(22)

62.      In de praktijk houdt dat met name in dat ingeval de nationale rechter op grond van de interpretatieve verklaring in een prejudiciële beslissing een bepaald soort beoordeling moet uitvoeren, hij daartoe moet overgaan teneinde de correcte uitvoering van dat arrest en derhalve de juiste toepassing van het Unierecht te verzekeren.(23) Dat geldt a fortiori wanneer het Hof het in het dictum van het arrest uitdrukkelijk aan de verwijzende rechter overlaat om bepaalde elementen tot vaststelling van de verenigbaarheid van het nationale recht met het Unierecht na te gaan.

2.      Nationale procedurele autonomie en doeltreffendheid

63.      In haar opmerkingen heeft de Hongaarse regering zich in belangrijke mate gebaseerd op het beginsel van de nationale procedurele autonomie om te benadrukken dat het aan elke lidstaat staat om zijn procedureregels en rechtsmiddelen vorm te geven. Voorts betoogt zij dat het Hof in voorgaande zaken, waaronder in een uitspraak met betrekking tot Hochtief AG(24), verschillende procedurele beperkingen op de rechterlijke toetsing heeft aanvaard met betrekking tot het tijdstip waarop en de voorwaarden waaronder een vordering kan worden ingesteld.

64.      Het is inderdaad vaste rechtspraak dat het bij gebreke van een Unieregeling ter zake krachtens het beginsel van de procedurele autonomie een zaak is van elke lidstaat om de bevoegde hoven en rechtbanken aan te duiden en de gedetailleerde procedureregels vast te stellen voor rechtsvorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen. Het is evenwel eveneens vaste rechtspraak dat de gedetailleerde procedureregels voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, in overeenstemming met het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsvereiste) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsvereiste).(25)

65.      Daarnaast is elke bepaling van een nationale rechtsorde en elke wetgevende, bestuurlijke of rechterlijke praktijk die ertoe zou leiden dat aan de doeltreffendheid van het Unierecht wordt afgedaan doordat aan de voor de toepassing van dit Unierecht bevoegde rechter de bevoegdheid wordt ontzegd terstond al het nodige te doen om de nationale wettelijke bepalingen die de volle werking van de Unieregels zouden kunnen verhinderen, buiten toepassing te laten, onverenigbaar met de vereisten die in de aard van het Unierecht besloten liggen.(26) Met name mogen nationale procedureregels geen afbreuk doen aan de bevoegdheid en de verplichtingen die een nationale rechter krachtens artikel 267 VWEU toekomen.(27)

66.      Wat de kwestie van de opzet van de nationale beroepsstelsels en rechtsmiddelen betreft, eerbiedigt de rechtspraak van het Hof in belangrijke mate de verschillende nationale rechtstradities en de diversiteit aan administratieve en gerechtelijke systemen van de lidstaten. Een nationaal gerechtelijk systeem kan dus meer inquisitoir of meer accusatoir zijn en uitmaken in welke mate de regel iura novit curia van toepassing is. Evenzo kan de omvang van de rechterlijke toetsing normaliter worden beperkt tot de middelen die de partijen in het stadium van de administratieve toetsing hebben aangevoerd.

67.      Zoals het Hof heeft aangegeven, vereist het Unierecht niet dat een nationale rechter een aan de schending van bepalingen van dat recht ontleende rechtsgrond ambtshalve in het geding brengt, wanneer hij voor het onderzoek van die rechtsgrond buiten de grenzen van de door partijen afgebakende rechtsstrijd zou moeten treden door zich te baseren op andere feiten en omstandigheden dan die welke de partij die bij de toepassing van voormelde bepalingen belang heeft, aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.(28) Met name houdt „het doeltreffendheidsbeginsel voor de nationale rechter niet de verplichting in om ambtshalve een aan een communautaire bepaling ontleende grond, ongeacht het belang daarvan voor de communautaire rechtsorde, te onderzoeken, wanneer de partijen daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om voor de nationale rechter een op het gemeenschapsrecht gebaseerde grond aan te voeren”.(29)

68.      Het Hof heeft recent in de context van de rechterlijke toetsing op het gebied van overheidsopdrachten bevestigd dat lidstaten procedureregels mogen vaststellen die de rechterlijke toetsing met het oog op een doeltreffende en snelle toetsing beperken in de tijd of wat de omvang ervan betreft, mits zij daarbij de uitoefening van het vorderingsrecht niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.(30) Volgens het Hof verzet het Unierecht zich in het kader van een vordering tot schadevergoeding dan ook niet tegen een nationale procedureregel die het rechterlijk toezicht op de uitspraken van een arbitragecommissie die in eerste aanleg toezicht moet uitoefenen op de besluiten van de aanbestedende diensten inzake procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, beperkt tot het onderzoek van enkel de middelen die voor deze commissie zijn aangevoerd.(31)

69.      Hieruit volgt mutatis mutandis dat een soortgelijke procedurele beperking in de context van een beroep tot nietigverklaring als datgene wat in de eerste ronde van deze zaak werd ingesteld, over het algemeen eveneens mogelijk zou moeten zijn; volgens het Unierecht kunnen nationale rechters die de beslissingen moeten toetsen van een arbitragecommissie die is belast met het onderzoek van beroepen tot nietigverklaring van door aanbestedende diensten in het kader van procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten vastgestelde besluiten, elk nieuw middel dat niet voor die commissie is aangevoerd, niet-ontvankelijk verklaren.

3.      Uitvoering van een prejudiciële beslissing

70.      Onder de in het voorgaande deel geschetste voorwaarden zijn dat soort procedurele beperkingen over het algemeen en in gevallen waarin van een prejudiciële beslissing van het Hof geen sprake is – te weten wanneer een zaak op een normale manier het nationale administratieve en gerechtelijke systeem doorloopt – dan ook wel degelijk mogelijk. De situatie is echter wezenlijk anders wanneer het Hof in het kader van dergelijke procedure richtsnoeren aanreikt in de vorm van een prejudiciële beslissing.

71.      In tegenstelling tot wat de Hongaarse regering meent, is een dergelijke zaak niet langer een zaak die voornamelijk draait om procedurele beperkingen in de sfeer van de nationale procedurele autonomie, waarop de in het voorgaande deel besproken rechtspraak automatisch zou kunnen worden toegepast. In plaats daarvan wordt het een zaak die de uitvoering van een arrest van het Hof betreft.

72.      Wat houdt een dergelijke andere context nu in voor een zaak als de onderhavige? Wat betekent hij met name voor de door de verwijzende rechter aangevoerde kwesties, zoals nationale regels die eraan in de weg staan dat op een bepaald toetsingsniveau met nieuwe feiten rekening wordt gehouden (vierde vraag) en/of de onmogelijkheid om in een later toetsingsstadium nieuwe rechtsvragen aan te voeren die niet reeds voor de administratieve autoriteit naar voren werden gebracht(vijfde vraag)?

73.      Allereerst wens ik op te merken dat, wat de vijfde vraag betreft, in de context van onderhavige situatie blijkt dat partijen het argument inzake de ongeschiktheid van het economisch vereiste – wat het centrale discussiepunt is – naar behoren voor de arbitragecommissie hebben aangevoerd.(32)

74.      Zelfs wanneer dat niet feitelijk zou zijn vastgesteld – wat uiteraard aan de nationale rechter staat om na te gaan – is het principiële antwoord op de beide vragen van de verwijzende rechter mijns inziens betrekkelijk eenvoudig: dergelijke nationale beperkende regels kunnen vanzelfsprekend behouden blijven zolang wordt gegarandeerd dat een nationale rechter de door het Hof aangereikte richtsnoeren in de zaak waarin om de prejudiciële beslissing is verzocht, zal uitvoeren en volledig zal toepassen.

75.      Dit kan op een aantal manieren gebeuren. Wanneer de nationale rechter die dit Hof om de prejudiciële beslissing heeft verzocht, op grond van het nationale recht over de nodige bevoegdheid beschikt om dat soort toezicht uit te oefenen (zoals om de geschiktheid van het economisch vereiste te beoordelen), moet hij dat onderzoek zelf uitvoeren en in zijn motivering daarvan blijk geven. Wanneer die rechter niet over een bevoegdheid in die zin beschikt omdat hij bijvoorbeeld een rechter in hoger beroep of een hoogste rechter is wiens toetsingsbevoegdheid beperkt is en/of die geen nieuw bewijsmateriaal kan beoordelen, terwijl een dergelijke beoordeling voor het geval in kwestie nog steeds van belang is, beschikt een dergelijke nationale rechter mogelijk over meerdere opties. Ten eerste zou hij de beslissing in kwestie kunnen vernietigen en de zaak kunnen terugverwijzen naar de aangewezen administratieve of rechterlijke autoriteit die krachtens het nationale recht wel bevoegd is om de geschiktheid van het economisch vereiste in overeenstemming met de prejudiciële beslissing te onderzoeken (te weten de rechter in eerste aanleg, voor zover hij bevoegd is om feitenkwesties te beoordelen, dan wel de arbitragecommissie). Als alternatief moet de nationale rechter in kwestie de nationale procedureregels die zijn bevoegdheid beperken, opzijschuiven en dergelijke beoordeling zelf uitvoeren. De keuze tussen deze verschillende opties blijft voorbehouden aan elke lidstaat, op voorwaarde dat een nationale autoriteit – een administratieve of een rechterlijke – uiteindelijk de correcte toepassing van de prejudiciële beslissing van het Hof waarborgt.(33)

76.      Wat echter zeker niet mag gebeuren, is dat door de mechanische toepassing van nationale beperkende regels de uitvoering van het arrest van dit Hof op nationaal niveau uitmondt in de spreekwoordelijke catch-22-situatie, waarin niemand de verantwoordelijkheid op zich neemt om de effectieve uitvoering van een prejudiciële beslissing van het Hof te waarborgen.

4.      Tussenconclusie

77.      Uit één en ander volgt dat artikel 4, lid 3, VEU en artikel 267 VWEU vereisen dat een nationale rechter die een prejudiciële beslissing waarom het Hof eerder is verzocht, uitvoert, de daarin opgenomen richtsnoeren volledig moet uitvoeren. Indien de toepassing van de richtsnoeren van het Hof een bepaald soort of een zekere mate van beoordeling vereisen die normaliter niet door de verwijzende rechter in kwestie wordt uitgevoerd, moet deze rechter de nationale procedureregels die zijn bevoegdheid ter zake beperken, buiten toepassing laten dan wel de beslissing vernietigen en de zaak terugverwijzen naar het aangewezen rechterlijke, of zelfs administratieve, niveau waar een dergelijk beoordeling volledig kan worden uitgevoerd.

C.      (Verplichting tot) herziening

78.      Wat de kwesties met betrekking tot de tweede ronde van nationale procesvoering betreft, hebben de derde en de zesde vraag betrekking op de vraag of het met het beginsel van doeltreffende voorziening in rechte verenigbaar is om het verwijt dat met een in de eerste ronde door het Hof gewezen arrest (in het kader van een verzoek van de rechter in hoger beroep om een prejudiciële beslissing) in die ronde niet naar behoren rekening is gehouden, niet als een mogelijke grond voor herziening aan te merken. Met name de derde vraag moet aldus worden opgevat dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of er een eventuele uit het Unierecht afgeleide, op de lidstaten rustende verplichting bestaat om in een zaak als deze in het hoofdgeding een herziening in de vorm van een in het nationale recht opgenomen buitengewoon rechtsmiddel mogelijk te maken. Met de zesde vraag wenst hij te vernemen of op grond van het gelijkwaardigheidsvereiste herziening moet worden toegestaan wanneer een prejudiciële beslissing van het Hof niet op een correcte manier in het hoofdgeding over de grond van de zaak in acht zou zijn genomen en het nationale recht terzelfdertijd in een soortgelijk geval van een (nieuw) arrest van het grondwettelijk hof blijkbaar wel herziening toestaat.

79.      De aan het Hof voorgelegde vraag is dan ook inderdaad of het Unierecht, en met name het beginsel van doeltreffende voorziening in rechte, vereist dat op een definitieve rechterlijke uitspraak wordt „teruggekomen” teneinde rekening te houden met een eerder arrest van het Hof waarmee in de procedure ten gronde niet volledig rekening zou zijn gehouden.

80.      Mijns inziens moet deze vraag ontkennend worden beantwoord.

1.      Draagwijdte van de verplichting op definitief geworden rechterlijke beslissingen terug te komen

81.      Zoals geschetst in het voorgaande deel van deze conclusie, zijn nationale rechters verplicht het antwoord op een door henzelf bij het Hof ingediend verzoek om een prejudiciële beslissing uit te voeren (bindende kracht inter partes). Voorts dienen zij evenzeer de rechtspraak van het Hof inzake de uitlegging of de geldigheid van het Unierecht waarop de bij hen aanhangige zaak betrekking heeft, te eerbiedigen (bindende effecten erga omnes). Deze twee gevallen hebben met elkaar gemeen dat de in aanmerking te nemen beslissingen van het Hof op het moment waarop de nationale rechter uitspraak doet, bestaan.

82.      Daarentegen bestaat er op grond van het Unierecht in beginsel geen verplichting om op definitief geworden nationale rechterlijke beslissingen die voorafgaand aan een prejudiciële beslissing van het Hof zijn gegeven, terug te komen, zelfs niet indien een met het Unierecht strijdige nationale situatie met de heropening van de zaak zou kunnen worden opgeheven.

83.      Het is inderdaad vaste rechtspraak dat het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van eerbiediging van het gezag van gewijsde dat er de uitdrukking van vormt(34), zowel in de rechtsorde van de Unie als in de nationale rechtsorden van het grootste belang zijn.(35) In het licht van deze beginselen heeft het Hof geoordeeld dat het Unierecht niet vereist dat een rechterlijke instantie uit principe terugkomt op haar in kracht van gewijsde gegane beslissing om rekening te houden met de uitlegging die het Hof na vaststelling van die beslissing aan een relevante bepaling van het Unierecht heeft gegeven.(36) Aldus bestaat er over het algemeen geen verplichting om op definitief geworden rechterlijke uitspraken die met een latere beslissing van het Hof in strijd zijn, terug te komen.

84.      Het is juist dat het Hof heeft erkend dat er op het beginsel dat voor de naleving van het Unierecht op definitieve beslissingen niet hoeft te worden teruggekomen, twee uitzonderingen bestaan.

85.      Een eerste uitzonderingssituatie, die uit het arrest Kühne & Heitz voortvloeit, betreft de verplichting die op administratieve instanties rust om onder bepaalde voorwaarden definitief geworden administratieve beslissingen opnieuw te onderzoeken teneinde rekening te houden met de uitlegging die het Hof achteraf heeft gegeven.(37) Deze uitzondering houdt evenwel enkel een verplichting in om terug te komen op definitief geworden administratieve beslissingen, niet op dergelijke rechterlijke beslissingen.(38)

86.      De tweede uitzonderingssituatie is door het Hof uiteengezet in het arrest Lucchini, waarin het heeft geoordeeld dat het Unierecht zich verzet tegen de toepassing van een nationaalrechtelijke bepaling waarin het beginsel van eerbiediging van het gezag van gewijsde is neergelegd, voor zover toepassing daarvan in de weg staat aan de terugvordering van staatssteun die in strijd met het Unierecht is verleend.(39) De achterliggende gedachte van die uitzondering was dat de nationale beslissing doordat zij in strijd met de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten en de Europese Unie was gegeven, zelfs niet in kracht van gewijsde kon zijn gegaan. Het Hof heeft vervolgens het uitzonderlijke karakter van de zaak Lucchini benadrukt en daarbij opgemerkt dat over die zaak was beslist in een zeer bijzondere context die met de voornoemde verdeling van bevoegdheden te maken had.(40)

87.      Geen enkele van deze uitzonderingen blijkt voor onderhavige zaak meteen relevant te zijn. Het uitgangspunt is dan ook dat voor deze zaak wordt teruggevallen op de algemene regel: er bestaat geen algemene verplichting om terug te komen op definitief geworden rechterlijke beslissingen teneinde ze in overeenstemming te brengen met een latere beslissing van het Hof.(41)

88.      Hoewel het Unierecht lidstaten niet verplicht nieuwe rechtsmiddelen in te voeren(42), dient het nationale recht ingeval het in een dergelijke mogelijkheid voorziet, evenwel niet enkel met het gelijkwaardigheidsvereiste maar eveneens met het doeltreffendheidsvereiste in overeenstemming te zijn.(43) Het is dus noodzakelijk om een beroep te doen op het rechtsmiddel van een herziening naar nationaal recht.

2.      Herziening naar nationaal recht

89.      Onder Hongaars recht lijkt de mogelijkheid van een herziening te worden geregeld door § 260, lid 1, onder a), en lid 2, van het wetboek burgerlijke rechtsvordering. Volgens de Hongaarse regering zijn de regels inzake herziening in gevallen als het onderhavige niet van toepassing omdat dat rechtsmiddel enkel is bedoeld om rekening te houden met nieuwe feitelijke elementen, en niet met nieuwe juridische elementen. Hochtief Hongarije voert daarentegen aan dat een herziening kan dienen om een prejudiciële beslissing uit te voeren die door het Hof in de loop van het hoofdgeding was gegeven maar waarmee om procedurele redenen geen rekening was gehouden. De Commissie van haar kant laat het aan de verwijzende rechter over om vast te stellen of § 260, lid 1, van het wetboek burgerlijke rechtsvordering een herziening toestaat ingeval nationale rechters niet naar behoren met een prejudiciële beslissing van het Hof rekening hebben gehouden.

90.      Ik ben het helemaal eens met het standpunt van de Commissie. Het staat aan de verwijzende rechter, die als enige gezaghebbende het nationale recht kan uitleggen, om vast te stellen of, in het geval waarin met een op het moment van de definitieve beslissing ten gronde bestaande prejudiciële beslissing niet naar behoren rekening zou zijn gehouden, op grond van die bepalingen een herziening mogelijk is.

91.      Ik zou slechts twee opmerkingen willen maken. Mijns inziens ziet het (buitengewone) rechtsmiddel van herziening over het algemeen veeleer enkel op gevallen waarin, nadat een nationale beslissing definitief is geworden, blijkt dat de nationale rechter op het moment van deze beslissing met bepaalde feiten geen rekening heeft gehouden of heeft kunnen houden.

92.      Het zou enigszins verrassend zijn om die logica toe te passen op een uitleggingsarrest van het Hof dat op het moment waarop de voorgaande beslissing ten gronde was gegeven, bestond en bekend was. Ten eerste kan een dergelijke beslissing moeilijk als een nieuw feit worden beschouwd. Ten tweede is het ongetwijfeld zo dat die beslissing op het moment van de oorspronkelijke beslissing ten gronde bestond en bekend was en dan ook moeilijk als iets nieuw dat pas later aan het licht is gekomen, kan worden aangemerkt.

93.      Op het eerste gezicht en op grond van wat over het algemeen onder een herziening dient te worden verstaan, is het derhalve moeilijk te zien hoe dat buitengewone rechtsmiddel moet worden aangewend om vermeende tekortkomingen bij de juiste toepassing van interpretatieve juridische richtsnoeren die duidelijk reeds bestonden en bekend waren op het moment waarop de oorspronkelijke nationale beslissing werd gegeven, op te heffen.

3.      Gelijkwaardigheid aan grondwettelijke klachten?

94.      In deze context dient evenwel een aanvullend argument te worden behandeld: de gelijkwaardigheid ten aanzien van grondwettelijke klachten. Hochtief Hongarije stelt dat in de omstandigheden van deze zaak herziening had moeten worden toegestaan op grond dat een prejudiciële beslissing van het Hof niet in aanmerking was genomen omdat het nationale recht voorziet in een herziening wanneer de Alkotmánybíróság een regel die een gewone rechter in zijn definitief geworden rechterlijke beslissing heeft toegepast, achteraf ongrondwettelijk verklaart. In deze context verwijst de nationale rechter in zijn zesde vraag naar het arrest van het Hof in de zaak Transportes Urbanos y Servicios Generales.

95.      Ik moet toegeven dat de zaak Transportes Urbanos y Servicios Generales enige gelijkenissen vertoont met onderhavige zaak. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat het Unierecht, en met name het gelijkwaardigheidsbeginsel, in de weg staat aan de toepassing van een regel op grond waarvan een vordering wegens overheidsaansprakelijkheid die is gebaseerd op een bij een arrest van het Hof vastgestelde schending van dit recht, onderworpen is aan de voorwaarde dat voorafgaand alle rechtsmiddelen tegen de schadeveroorzakende administratieve handeling zijn uitgeput, terwijl dergelijke vorderingen die op een door het grondwettelijk hof vastgestelde schending van de grondwet zijn gebaseerd, niet aan dergelijke voorwaarde zijn onderworpen.(44) Opgemerkt zij dat het Hof tot deze slotsom was gekomen na te hebben geconstateerd dat het enige verschil tussen deze twee vorderingen erin bestond dat de schendingen van het recht waarop zij steunden respectievelijk door het Hof en door het grondwettelijk hof waren vastgesteld. Het Hof heeft geconcludeerd dat deze omstandigheid op zich, bij gebreke van enig ander onderscheid tussen beide vorderingen, niet kan volstaan om met het oog op het gelijkwaardigheidsbeginsel daartussen een onderscheid te maken.(45)

96.      In de zaak XC e.a. heeft het Hof recent benadrukt dat het voor de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel van belang is dat de litigieuze vorderingen, gelet op het voorwerp, de oorzaak en de voornaamste kenmerken ervan, een onmiskenbare gelijkenis vertonen.(46) Het Hof heeft vervolgens in het licht van deze elementen onderzocht of enerzijds een vordering op grond waarvan een strafprocedure die met een in kracht van gewijsde gegane beslissing is afgesloten, op basis van de vaststelling achteraf van een schending van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van en de fundamentele vrijheden (EVRM) of een van de protocollen daarbij kan worden overgedaan, en anderzijds een vordering ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, als soortgelijke vorderingen kunnen worden beschouwd.

97.      Het Hof heeft geconcludeerd dat de verschillen tussen deze twee vorderingen van dien aard zijn dat zij niet als soortgelijk kunnen worden beschouwd. Het heeft met name geconstateerd dat de eerstgenoemde vordering in wezen was ingevoerd om te kunnen terugkomen op in kracht van gewijsde gegane beslissingen. Het constitutionele kader van de Europese Unie waarborgt daarentegen dat eenieder de mogelijkheid heeft om de hem door de rechtsorde van de Unie verleende rechten daadwerkelijk te beschermen, zelfs voordat een nationale beslissing met gezag van gewijsde wordt uitgesproken.(47)

98.      Net als in de zaak XC e.a. is de in onderhavige zaak ingeroepen nationale bepaling op grond waarvan, zoals bepaald in § 361, onder a), van het wetboek burgerlijke rechtsvordering, ten gevolge van een nieuwe beslissing van het grondwettelijk hof op een definitief geworden nationale beslissing kan worden teruggekomen, een gevolg van het mechanisme van grondwettigheidstoetsing. Deze bepaling, die voorziet in een uitzonderlijk rechtsmiddel om rekening te houden met een beslissing van het grondwettelijk hof, kan namelijk enkel worden toegepast ten aanzien van de specifieke beslissing die nadat zij definitief is geworden aanleiding heeft gegeven tot de grondwettelijke klacht. Met andere woorden, in zaken waarin een dergelijke (abstracte) grondwettigheidstoetsing enkel en alleen mogelijk is na een definitief geworden rechterlijke beslissing, kan die grondwettelijke toetsing alleen worden uitgevoerd en kan de ongrondwettigheid in een concrete zaak alleen worden opgeheven door deze te heropenen.

99.      Het mechanisme en de logica van dat vereiste om terug te komen op een beslissing onderscheiden zich sterk van het mechanisme van de prejudiciële verwijzing, dat per definitie van toepassing is terwijl de nationale procedure nog loopt en voordat enige definitieve nationale beslissing kan worden gegeven. Om met de richtsnoeren van het Hof rekening te kunnen houden, is het dan ook niet nodig om op een definitief geworden beslissing terug te komen.

100. Zoals ik recent in de zaak Călin uitvoeriger heb betoogd, zijn de uitvoering en de bindende effecten inter partes van een prejudiciële beslissing van dit Hof enerzijds en een in het kader van een grondwettigheidstoetsing gewezen arrest van een nationaal grondwettelijk hof anderzijds (of overigens een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die in de zaak op nationaal niveau tot een klacht aanleiding heeft gegeven) om deze redenen structureel verschillende rechtsmiddelen.(48) Het voorwerp, de oorzaak en de voornaamste kenmerken ervan zijn eenvoudigweg verschillend.

101. Daaraan kan worden toegevoegd dat de situatie mogelijk anders zou zijn wanneer een nationale rechter op grond van het nationale recht de Alkotmánybíróság zou kunnen verzoeken om een prejudiciële grondwettigheidstoetsing. Als ik haar argument juist heb begrepen, heeft de Hongaarse regering ter terechtzitting daarbij kennelijk aangevoerd dat een herziening eveneens kon worden toegestaan wanneer de beslissing van de Alkotmánybíróság niet was gegeven na de definitief geworden rechterlijke uitspraak in het hoofdgeding maar ervoor, in de loop van dat geding ten gronde.(49)

102. Ik moet bekennen dat ik dat punt niet helemaal kan volgen. Indien dat het geval is – en een aantal nationale constitutionele systemen erkennen inderdaad (eveneens) de mogelijkheid van een prejudiciële grondwettigheidstoetsing, die doorgaans op verzoek van de nationale (gewone) rechter plaatsvindt – kan ik moeilijk inzien hoe de regels voor een herziening in dergelijke zaken relevant zouden zijn. Men zou toch verwachten dat de gewone rechter na een dergelijk verzoek om een prejudiciële grondwettigheidstoetsing de beslissing van het grondwettelijk hof afwacht en vervolgens, wanneer die beslissing is gegeven, het oorspronkelijk geschil beslecht en daarbij tegelijkertijd het arrest van het nationaal grondwettelijk hof uitvoert. In die omstandigheden zou een dergelijke prejudiciële grondwettigheidstoetsing inderdaad functioneel gelijkwaardig kunnen zijn aan een bij dit Hof ingediend verzoek om een prejudiciële beslissing. Evenwel zou er voor dat soort procedures weinig behoefte zijn aan specifieke regels voor een herziening.

103. Hoe het ook zij, indien de verwijzende rechter zou vaststellen dat (i) de beslissingen van de Alkotmánybíróság die in de loop van het hoofdgeding zijn gegeven, dat wil zeggen vóór de definitieve beslissing ten gronde van de gewone rechter, eveneens onder de nationale regels voor een herziening vallen, en dat (ii) wanneer de in dit deel geschetste criteria betreffende het vereiste van gelijkwaardigheid worden toegepast, een dergelijke toetsing inderdaad gelijkwaardig is aan de uitvoering van een in het kader van een verzoek om een prejudiciële beslissing gegeven eerdere beslissing van het Hof, dan zou op grond van het gelijkwaardigheidsvereiste ook voor de laatste soort situaties een herziening moeten worden toegestaan.

4.      Rechtstreekse of indirecte toepassing van het arrest Kühne & Heitz?

104. Een laatste met betrekking tot een herziening te bespreken punt betreft het arrest Kühne & Heitz(50). Dat arrest is inderdaad uitvoerig aangehaald door de verwijzende rechter evenals door de partijen in de schriftelijke en mondelinge procedure voor het Hof.

105. In die zaak wordt op grond van het Unierecht een verplichting vastgesteld om definitief geworden administratieve beslissingen opnieuw te onderzoeken wanneer (i) de administratieve instantie naar nationaal recht bevoegd is om op dat besluit terug te komen; (ii) het in geding zijnde besluit definitief is geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationale rechter waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep; (iii) voormelde uitspraak, gelet op latere rechtspraak van het Hof, berust op een onjuiste uitlegging van het Unierecht, gegeven zonder dat het Hof is verzocht om een prejudiciële beslissing, en (iv) de betrokkene zich tot de administratieve instantie heeft gewend onmiddellijk nadat hij van die rechtspraak kennis heeft genomen.(51)

106. Terwijl Hochtief Hongarije betoogt dat deze tendens in de rechtspraak naar analogie ook op definitief geworden rechterlijke beslissingen moet worden toegepast, heeft de Commissie ter terechtzitting gesteld dat een rechtstreekse toepassing van die logica misschien zou kunnen worden overwogen ten aanzien van de (administratieve) beslissing van de arbitragecommissie. Ik zal in dit deel beide scenario’s onderzoeken.

107. Wat ten eerste een mogelijke toepassing naar analogie (of bij uitbreiding) van het arrest Kühne & Heitz op onderhavige zaak betreft, beogen de door het Hof in dat arrest genoemde voorwaarden duidelijk een verschillend en vrij specifiek scenario, namelijk een scenario waarin na een latere prejudiciële beslissing van het Hof wordt teruggekomen op een definitief geworden administratieve – en geen rechterlijke – beslissing.

108. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat dezelfde logica van toepassing zou kunnen zijn op definitief geworden rechterlijke beslissingen(52), dan zou op zijn minst nog steeds niet zijn voldaan aan de eerste en derde door het Hof in dat arrest vastgelegde voorwaarde: een herziening is naar nationaal recht weliswaar een mogelijk rechtsmiddel maar het is kennelijk niet ontworpen om te worden aangewend in een situatie als die welke in de onderhavige zaak ter discussie staat; voorts heeft het Hof zijn beslissing niet na de definitief geworden rechterlijke beslissing gegeven, maar ervoor.

109. Hoewel dat niet uitdrukkelijk als één van de voorwaarden wordt aangegeven, heeft de in het arrest Kühne & Heitz genoemde verplichting om op nationale administratieve beslissingen terug te komen, bovendien steeds iets weg gehad van een indirecte sanctie die de nationale rechter die dat besluit heeft onderzocht, krijgt opgelegd doordat hij de verplichting niet is nagekomen om een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen. In onderhavige zaak daarentegen heeft de Fővárosi Ítélőtábla wel een dergelijk verzoek ingediend.

110. Ten slotte en subsidiair, wanneer het arrest Kühne & Heitz wordt gelezen in het licht van de recentere benadering die het Hof in de zaak XC e.a. met betrekking tot het heropenen van rechterlijke beslissingen heeft gehanteerd, dient het eerste geval inderdaad een uitzondering te blijven die slechts ten aanzien van administratieve autoriteiten geldt. Met de weg die in het arrest XC e.a. is ingeslagen, wordt bevestigd dat de balans in de wisselwerking tussen een doeltreffende handhaving van het Unierecht enerzijds en de eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gezag van gewijsde van (rechterlijke) beslissingen anderzijds, duidelijk doorslaat in het voordeel van dat laatste beginsel.

111. Ik ben derhalve van oordeel dat een verdere uitbreiding van het arrest Kühne & Heitz(of de toepassing naar analogie ervan op definitief geworden rechterlijke beslissingen) niet aan de orde is.

112. Wat ten tweede het standpunt van de Commissie betreft volgens hetwelk in de context van onderhavige zaak door een rechtstreekse toepassing van het arrest Kühne & Heitz op de definitief geworden administratieve beslissing, namelijk die van de arbitragecommissie, kan worden teruggekomen(53), ook daarvan ben ik niet overtuigd. Behalve dat dit helemaal niet ter discussie staat, en gelet op het ontbreken van informatie inzake eventuele nationale rechtsregels die in de mogelijkheid voorzien om op administratieve beslissingen terug te komen, zijn de feiten van onderhavige zaak kennelijk wezenlijk verschillend van de feiten van de zaak Kühne & Heitz.

113. In de zaak Kühne & Heitz werd de kwestie van het eventuele bestaan van een verplichting om met een arrest van het Hof rekening te houden, opgeworpen op het moment waarop zowel de administratieve procedure als de daaropvolgende rechterlijke procedure waren afgesloten. Alle in de loop van deze procedures gegeven beslissingen waren dan ook definitief geworden. In onderhavige zaak is de prejudiciële beslissing van het Hof daarentegen gegeven op het moment waarop enkel de administratieve procedure was afgerond en de administratieve beslissing dus definitief was geworden. De gerechtelijke procedure liep echter nog. Om deze reden, maar tevens gelet op de feitelijke omstandigheden van deze zaak, blijkt uit de uiterst gedetailleerde voorwaarden die het Hof ter rechtvaardiging van de verplichting om op een administratieve beslissing terug te komen in het arrest Kühne & Heitz heeft geformuleerd, dat aan deze voorwaarden niet is voldaan.

5.      Tussenconclusie

114. In het licht van bovenstaande overwegingen kom ik tot de slotsom dat het beginsel van doeltreffende voorziening in rechte niet vereist dat in de omstandigheden van onderhavige zaak een herziening als buitengewoon rechtsmiddel wordt toegestaan, teneinde een in het hoofdgeding gegeven prejudiciële beslissing van het Hof waarmee in het kader van die procedure ten gronde niet volledig rekening zou zijn gehouden, uit te voeren. Wanneer een nationale regeling evenwel in een rechtsmiddel voorziet waarmee op definitief geworden beslissingen die in soortgelijke gevallen op nationaal niveau zijn gegeven, kan of zelfs moet worden teruggekomen, dient een dergelijke mogelijkheid op grond van het gelijkwaardigheidsvereiste eveneens open te staan voor niet-uitvoeringen met betrekking tot eerder in dezelfde zaak gegeven prejudiciële beslissingen van het Hof.

D.      Lidstaataansprakelijkheid

115. Met de eerste, tweede, achtste en tiende vraag verzoekt de verwijzende rechter ten slotte om richtsnoeren aangaande een aantal kwesties die betrekking hebben op de derde ronde van nationale procesvoering over de eventuele lidstaataansprakelijkheid.

116. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter verduidelijkingen over de algemene aspecten van lidstaataansprakelijkheid voor uitspraken van nationale rechters: dient lidstaataansprakelijkheid louter op basis van het Unierecht te worden vastgesteld of eveneens op basis van het nationale recht, met name wat de beoordeling van de aansprakelijkheidsvoorwaarden betreft? Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een lidstaat in het geval van een met het Unierecht strijdige uitspraak van een nationale rechter aansprakelijk kan worden gesteld ondanks dat die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

117. De antwoorden op deze twee vragen kunnen op een vrij eenvoudige manier worden afgeleid uit de rechtspraak.

118. Het is vaste rechtspraak dat particulieren die zich op het Unierecht beroepen, bij een nationale rechter vergoeding moeten kunnen verkrijgen van de schade die is veroorzaakt door de schending van die rechten door een beslissing van een in laatste instantie rechtsprekende rechterlijke instantie.(54)

119. Het Hof heeft geoordeeld dat aan drie voorwaarden dient te worden voldaan: de geschonden rechtsregel strekt ertoe particulieren rechten toe te kennen; er is sprake van een voldoende gekwalificeerde schending en er bestaat een rechtstreeks causaal verband tussen de niet-nakoming van de op de staat rustende verplichting en de door de betrokkenen geleden schade.(55)

120. Deze drie voorwaarden zijn noodzakelijk en voldoende om op grond van het Unierecht voor particulieren een recht op schadevergoeding in het leven te roepen. De lidstaten kunnen evenwel voorzien dat de staat onder minder beperkende voorwaarden aansprakelijk kan zijn. Behoudens het recht op schadevergoeding dat, wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, zijn grondslag rechtstreeks in het Unierecht vindt, moet de lidstaat in het kader van zijn nationale aansprakelijkheidsrecht de gevolgen van de veroorzaakte schade ongedaan maken, met dien verstande dat de voorwaarden die in de nationale wettelijke regelingen ter zake van schadevergoeding zijn vastgesteld, niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor gelijksoortige nationale vorderingen gelden en niet van dien aard mogen zijn dat zij het verkrijgen van schadevergoeding in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken.(56)

121. Uit de rechtspraak volgt bovendien evenzeer dat het beginsel van eerbiediging van het gezag van gewijsde zich niet verzet tegen de erkenning van het beginsel van de aansprakelijkheid van de staat voor de beslissing van een in laatste instantie rechtsprekende rechterlijke instantie.(57)

122. Het antwoord op de eerste vraag luidt derhalve dat lidstaataansprakelijkheid slechts kan worden vastgesteld op basis van de door het Unierecht genoemde voorwaarden, ofschoon het nationale recht minder beperkende voorwaarden kan opleggen. Wat de tweede vraag betreft, luidt het antwoord dat het beginsel van eerbiediging van het gezag van gewijsde zich niet verzet tegen de erkenning van het beginsel van de aansprakelijkheid van de staat voor de beslissing van een in laatste instantie rechtsprekende rechterlijke instantie.

123. Met zijn tiende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of op grond van de Unierechtelijke beginselen inzake staataansprakelijkheid schadevergoeding (in de vorm van terugbetaling van veroorzaakte juridische kosten) kan worden gevorderd voor de schade die is veroorzaakt door het feit dat de rechter die in laatste instantie uitspraak doet, heeft geweigerd de zaak te heropenen. Met andere woorden, zijn er beperkingen met betrekking tot het soort schadevergoeding dat voor de vermeende schending van het Unierecht die is begaan door een rechter die in laatste instantie uitspraak doet, kan worden gevorderd?

124. De onzekerheid met betrekking tot de oorsprong van de beperkingen waarop in de tiende vraag wordt gezinspeeld, werd weggenomen ter terechtzitting, waar zowel Hochtief Hongarije als de Hongaarse regering hebben bevestigd dat deze uit nationale rechtspraak voortvloeien.

125. Nu is verduidelijkt waar de beperkingen inzake de aard van de schade die kan worden vergoed, vandaan komen, is het voor mij vrij duidelijk dat dergelijke beperkingen onverenigbaar zouden zijn met het Unierecht. Het is immers niet mogelijk om de schadevergoeding die kan worden gevorderd, aan beperkingen te onderwerpen. Volgens het Hof worden de regels voor het ramen van schade die het gevolg is van schending van het Unierecht bepaald door het nationale recht van de lidstaten, waarbij de nationale regelingen tot vaststelling van die regels het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel moeten eerbiedigen.(58) Zolang aan de drie op grond van het Unierecht vastgestelde voorwaarden voor lidstaataansprakelijkheid is voldaan, moet dan ook alle en elke mogelijke schade, met inbegrip van de juridische kosten, kunnen worden vergoed.

126. Dit gezegd zijnde, hoewel het soort schadevergoeding dat door een verzoeker wordt gevorderd, op zichzelf beschouwd niet kan worden aangegrepen om een bepaald soort schadevergoeding „in haar geheel uit te sluiten”, zal de precieze aard van de schadevergoeding vanzelfsprekend wel om een andere reden van belang zijn, namelijk om een rechtstreeks causaal verband vast te stellen tussen de schade en de verweten „voldoende gekwalificeerde schending” van het Unierecht.

127. Met zijn achtste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of in de omstandigheden van onderhavige zaak de weigering van de in laatste instantie rechtsprekende rechter (verweerder) om met betrekking tot de kwestie of een herziening had moeten worden toegestaan, op vraag van een partij een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen, een „voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht” vormt waarvoor de lidstaat aansprakelijk kan worden gesteld. Voorts wenst de verwijzende rechter met het tweede deel van de vraag te vernemen in welke mate een nationale rechter in het licht van het arrest CILFIT(59) in zijn beslissing dient te motiveren waarom hij geen verzoek om een prejudiciële beslissing heeft ingediend.

128. Het antwoord op deze vraag is wat ingewikkelder.

129. Allereerst dient in herinnering te worden gebracht dat het niet aan het Hof staat om over de eventuele aansprakelijkheid van een lidstaat in een specifieke zaak uitspraak te doen. Het Hof kan echter wel richtsnoeren aanreiken met betrekking tot de toepassing van de aansprakelijkheidscriteria, met name dat van een „voldoende gekwalificeerde schending” van het Unierecht.

130. Voorts is het misschien nuttig om eraan te herinneren dat de beslissing om het Hof al dan niet om een prejudiciële beslissing te verzoeken, uitsluitend het voorrecht en de verantwoordelijkheid is van de nationale rechter. De partijen in het hoofdgeding kunnen vanzelfsprekend ter zake suggesties doen, maar hebben niet het recht het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken.(60)

131. Na deze inleidende verduidelijkingen, en opnieuw zonder rekening te houden met de feitelijke vaststellingen die de verwijzende rechter in zijn vraag heeft opgenomen en waarover dit Hof zich niet kan uitspreken, zijn er in de vraag van de verwijzende rechter nog twee andere variabelen: de „Köbler-norm” voor een „voldoende gekwalificeerde schending” en de „CILFIT-norm” volgens welke rechters die zich in laatste instantie uitspreken, zelfs met betrekking tot een Unierechtelijke kwestie kunnen worden vrijgesteld van de verplichting om krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen.

132. Met de „Köbler-norm” wordt de voorwaarde van een „voldoende gekwalificeerde schending” afgestemd op de eventuele onjuiste toepassing van het Unierecht door de rechter. Om te bepalen of er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht, moet de nationale rechter volgens het Hof rekening houden met alle aspecten die de hem voorgelegde situatie kenmerken. Tot de aspecten die in dit verband in aanmerking kunnen worden genomen, behoren onder meer de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de omvang van de beoordelingsmarge die de geschonden regel de nationale autoriteiten laat, de vraag of al dan niet opzettelijk een schending is begaan of schade is veroorzaakt, de vraag of een eventuele onjuiste rechtsopvatting al dan niet verschoonbaar is, de vraag of de handelwijze van een instelling van de Unie heeft kunnen bijdragen tot de vaststelling of de instandhouding van met het Unierecht strijdige nationale maatregelen of praktijken, alsook het feit dat de betrokken rechter zijn verplichting heeft verzuimd om krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU een prejudiciële vraag te stellen. In ieder geval wordt een schending van het Unierecht geacht voldoende gekwalificeerd te zijn wanneer daarbij kennelijk wordt voorbijgegaan aan de desbetreffende rechtspraak van het Hof.(61)

133. De „CILFIT-norm”legt de focus specifiek op rechters die in laatste instantie uitspraak doen en eventueel aan hun verwijzingsverplichting verzaken. Volgens het Hof is een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU ertoe gehouden een vraag van Unierecht die voor haar rijst, te verwijzen, tenzij zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is, dat de betrokken bepaling van Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan. Bij de vraag of een dergelijk geval zich voordoet, moet rekening worden gehouden met de eigen kenmerken van het Unierecht, de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en het gevaar van uiteenlopende rechtspraak binnen de Europese Unie.(62) Zo moet iedere bepaling van het Unierecht, met inbegrip van de rechtspraak van het Hof op het betrokken gebied, in haar context worden geplaatst en worden uitgelegd in het licht van dit recht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast.(63)

134. Een lang betoog zou kunnen worden gewijd aan de noodzaak om (i) het CILFIT-arrest opnieuw uit te leggen teneinde het zo opnieuw relevant te maken (als het dat ooit al was(64)); (ii) duidelijkheid te verschaffen over het precieze verband tussen de Köbler-voorwaarden en de CILFIT-voorwaarden en ze idealiter tot één enkel samenhangend geheel te smeden(65); en (iii) om tegelijkertijd tevens rekening te houden met de norm die van toepassing is op het eventuele verzuim van in laatste instantie rechtsprekende rechters – die middels niet-nakomingsprocedures krachtens artikel 258 VWEU worden vervolgd – en deze erin te integreren.(66)

135. Dit is evenwel niet echt de juiste zaak voor een dergelijk betoog. Voor de doeleinden van de verwijzende rechter in onderhavige zaak volstaat het in herinnering te brengen dat de norm volgens welke een dergelijke aangelegenheid van staataansprakelijkheid moet worden beoordeeld, die is van de hierboven in punt 132 van deze conclusie geformuleerde Köbler-criteria. Daartoe is het niet de CILFIT-norm, maar eenvoudigweg de vaststelling dat „kennelijk wordt voorbijgegaan aan de desbetreffende rechtspraak van het Hof”(67) die zal bepalen of sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht. Of het verzuim van de nationale rechter in kwestie inderdaad zo duidelijk was dat dit een kennelijke schending van de rechtspraak van het Hof opleverde, hetzij door niet-naleving van het recht van de Unie, hetzij door de kennelijk onhoudbare uitlegging daarvan, staat eveneens ter beoordeling van de verwijzende rechter.

V.      Conclusie

136. In het licht van één en ander geef ik het Hof in overweging, de door de Székesfehérvári Törvényszék (algemeen rechter Székesfehérvár, Hongarije) voorgelegde vragen als volgt te beantwoorden:

„–      Artikel 4, lid 3, VEU en artikel 267 VWEU vereisen dat een nationale rechter die een prejudiciële beslissing waarom het Hof eerder is verzocht, uitvoert, de daarin opgenomen richtsnoeren volledig moet uitvoeren. Indien de toepassing van de richtsnoeren van het Hof een bepaald soort of een zekere mate van beoordeling vereisen die normaliter niet op het niveau van de verwijzende rechter in kwestie wordt uitgevoerd, dan moet deze rechter de nationale procedureregels die zijn bevoegdheid ter zake beperken, buiten toepassing laten, dan wel de beslissing vernietigen en de zaak met het oog op die beoordeling terugverwijzen naar het aangewezen rechterlijke, of zelfs administratieve, niveau.

–      Het beginsel van doeltreffende voorziening in rechte vereist niet dat een herziening als buitengewoon rechtsmiddel wordt toegestaan, teneinde een prejudiciële beslissing van het Hof waarmee niet volledig rekening zou zijn gehouden in het kader van de eerdere procedure ten gronde tijdens welke de prejudiciële beslissing werd gegeven, uit te voeren. Wanneer een nationale regeling evenwel in een rechtsmiddel voorziet waarmee op definitief geworden beslissingen die in soortgelijke gevallen op nationaal niveau zijn gegeven, kan of moet worden teruggekomen, dan dient een dergelijke mogelijkheid op grond van het gelijkwaardigheidsvereiste eveneens open te staan voor niet-uitvoeringen met betrekking tot eerder in dezelfde zaak gegeven beslissingen van het Hof.

–      De Unierechtelijke regels en beginselen inzake lidstaataansprakelijkheid moeten aldus worden uitgelegd dat:

–        een vaststelling van aansprakelijkheid op grond van een schending van het Unierecht door een nationale rechter (in laatste instantie) moet worden gebaseerd op de in het Unierecht neergelegde criteria;

–        het gegeven dat een door een rechter in laatste instantie gegeven beslissing die het Unierecht schendt, in kracht van gewijsde is gegaan, staat er niet aan in de weg dat voor die schending staataansprakelijkheid wordt erkend;

–        het nationale recht mag niet uitsluiten dat voor een bepaald soort schade een vergoeding wordt gevorderd indien is aangetoond dat dergelijke schade het rechtstreeks gevolg is van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht;

–        een schending van het Unierecht door een rechter die in laatste instantie uitspraak doet en die in strijd met artikel 267, derde alinea, VWEU weigert een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen, is voldoende gekwalificeerd wanneer daarbij kennelijk wordt voorbijgegaan aan de desbetreffende rechtspraak van het Hof.”


1      Oorspronkelijke taal: Engels.


2      Arrest van 18 oktober 2012, Édukövízig en Hochtief Construction (C‑218/11, EU:C:2012:643).


3      Richtlijn van de Raad van 21 december 1989 (PB 1989, L 395, blz. 33) (hierna: „richtlijn 89/665”).


4      Richtlijn van de Raad van 25 februari 1992 (PB 1992, L 76, blz. 14) (hierna: „richtlijn 92/13”).


5      S-serie, nr. 139‑149325.


6      Arrest van 18 oktober 2012, Édukövízig en Hochtief Construction (C‑218/11, EU:C:2012:643, punt 32).


7      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van de richtlijnen 89/665 en 92/13.


8      Zie bijvoorbeeld arresten van 31 januari 2017, Lounani (C‑573/14, EU:C:2017:71, punt 56); 8 maart 2018, Saey Home & Garden (C‑64/17, EU:C:2018:173, punt 18), en 13 juni 2018, Deutscher Naturschutzring (C‑683/16, EU:C:2018:433, punt 29).


9      Zie bijvoorbeeld arresten van 11 september 2014, B. (C‑394/13, EU:C:2014:2199, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 26 april 2017, Farkas (C‑564/15, EU:C:2017:302, punt 38).


10      Zie bijvoorbeeld arresten van 18 juli 2007, Lucchini (C‑119/05, EU:C:2007:434, punt 43); 26 mei 2011, Stichting Natuur en Milieu e.a. (C‑165/09–C‑167/09, EU:C:2011:348, punt 47), en 26 april 2017, Farkas (C‑564/15, EU:C:2017:302, punt 37).


11      Zie bijvoorbeeld arresten van 31 januari 2017, Lounani (C‑573/14, EU:C:2017:71, punt 56); 8 maart 2018, Saey Home & Garden (C‑64/17, EU:C:2018:173, punt 18), en 13 juni 2018, Deutscher Naturschutzring (C‑683/16, EU:C:2018:433, punt 29).


12      Aangehaald in voetnoten 8 en 9 supra.


13      Laat mij opmerken dat de term „ronde” slechts een manier is om elk van de drie onderscheiden fasen van de procesvoering in de context van deze zaak verkort weer te geven.


14      Ik merk op dat die fase eveneens om nog een andere reden van belang kan zijn in deze context. Ter terechtzitting heeft de Commissie immers geopperd dat er op grond van de door het arrest Kühne & Heitz ingezette rechtspraak misschien sprake zou kunnen zijn van een verplichting om de administratieve toetsing voor de arbitragecommissie over te doen (zie hieronder deel C van deze conclusie).


15      Hierboven uiteengezet in de punten 30 en 37 van deze conclusie.


16      Zie punten 31‑36 supra.


17      PB 2018, C 22, blz. 26.


18      Zoals hierboven in punt 36 reeds in het algemeen werd uiteengezet, gaat het ook hier weer om het beoordelen van de algemene verenigbaarheid van de regels zonder te stellen of te bevestigen dat van een dergelijke vergissing in het concrete geval daadwerkelijk sprake was. Het staat aan de verwijzende rechter om dat te beoordelen.


19      Zie bijvoorbeeld arresten van 5 oktober 2010, Elchinov (C‑173/09, EU:C:2010:581, punt 29), en 16 juni 2015, Gauweiler e.a. (C‑62/14, EU:C:2015:400, punt 16).


20      Zie bijvoorbeeld arrest van 5 juli 2016, Ognyanov (C‑614/14, EU:C:2016:514, punt 28).


21      Inzake de gevolgen van een prejudiciële beslissing op grond waarvan de handeling van een instelling nietig wordt verklaard, zie bijvoorbeeld arresten van 13 mei 1981, International Chemical Corporation (66/80, EU:C:1981:102, punten 12 en 13), en 27 februari 1985, Société des produits de maïs (112/83, EU:C:1985:86, punt 16).


22      Zie bijvoorbeeld arresten van 27 maart 1963, Da Costa e.a.(28/62–30/62, EU:C:1963:6), en 4 november 1997, Parfums Christian Dior (C‑337/95, EU:C:1997:517, punt 29).


23      Dat vormt voor de verwijzende rechter, of voor enige andere nationale rechter die in hetzelfde geding uitspraak doet, uiteraard geen beletsel om zich opnieuw tot het Hof te wenden ingeval hij van oordeel is dat een dergelijk verzoek om welke reden dan ook noodzakelijk is – zie bijvoorbeeld arresten van 24 juni 1969, Milch-, Fett- und Eierkontor (29/68, EU:C:1969:27, punt 3), en 11 juni 1987, X (14/86, EU:C:1987:275, punt 12). Zoals aangegeven in artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie, moeten de „nationale rechterlijke instanties [...] beoordelen of zij zich voldoende voorgelicht achten door een prejudiciële beslissing, dan wel of zij het nodig achten zich opnieuw tot het Hof te wenden”. Kort gezegd: de opties waarover de verwijzende rechter na een beslissing van het Hof beschikt, zijn de richtsnoeren toepassen of bij onenigheid verzoeken om een nieuwe prejudiciële beslissing. Het is geen optie om de aangereikte richtsnoeren naast zich neer te leggen.


24      Arrest van 7 augustus 2018, Hochtief (C‑300/17, EU:C:2018:635).


25      Zie bijvoorbeeld arresten van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti (C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 54); 6 oktober 2015, Târșia (C‑69/14, EU:C:2015:662, punten 26 en 27), en 24 oktober 2018, XC e.a. (C‑234/17, EU:C:2018:853, punten 21 en 22).


26      Zie bijvoorbeeld arresten van 9 maart 1978, Simmenthal(106/77, EU:C:1978:49, punt 22); 22 juni 2010, Melki en Abdeli (C‑188/10 en C‑189/10, EU:C:2010:363, punt 44), en 4 december 2018, The Minister for Justice and Equality en Commissioner of the Garda Síochána (C‑378/17, EU:C:2018:979, punt 36).


27      Zie bijvoorbeeld arresten van 5 oktober 2010, Elchinov (C‑173/09, EU:C:2010:581, punt 25); 15 januari 2013, Križan e.a. (C‑416/10, EU:C:2013:8, punt 67), en 18 juli 2013, Consiglio Nazionale dei Geologi en Autorità Garante della Concorrenza e del mercato (C‑136/12, EU:C:2013:489, punt 32).


28      Zie bijvoorbeeld arresten van 14 december 1995, Van Schijndel en Van Veen(C‑430/93 en C‑431/93, EU:C:1995:441, punt 22); 7 juni 2007, Van der Weerd e.a. (C‑222/05–C‑225/05, EU:C:2007:318, punt 36), en 26 april 2017, Farkas (C‑564/15, EU:C:2017:302, punt 32).


29      Arrest van 7 juni 2007, Van der Weerd e.a. (C‑222/05–C‑225/05, EU:C:2007:318, punt 41).


30      Zie arrest van 7 augustus 2018, Hochtief (C‑300/17, EU:C:2018:635, punten 50‑54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


31      Zie arrest van 7 augustus 2018, Hochtief (C‑300/17, EU:C:2018:635, punt 58).


32      Punt 11 van deze conclusie.


33      Een „negatief bevoegdheidsconflict” waarin geen enkele instantie of geen enkele rechter uiteindelijk de verantwoordelijkheid op zich zal nemen, is duidelijk geen optie – zie in dezelfde zin mijn conclusie in de zaak Link Logistik N&N (C‑384/17, EU:C:2018:494, punten 111 en 112).


34      Arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss (C‑126/97, EU:C:1999:269, punt 46).


35      Voor een recent voorbeeld, zie arrest van 24 oktober 2018, XC e.a.(C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 52). Zie eveneens arresten van 30 september 2003, Köbler(C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 38); 16 maart 2006, Kapferer (C‑234/04, EU:C:2006:178, punt 20); 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti (C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 58), en 6 oktober 2015, Târșia (C‑69/14, EU:C:2015:662, punt 28).


36      Zie bijvoorbeeld arresten van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti (C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 60), en 6 oktober 2015, Târșia (C‑69/14, EU:C:2015:662, punt 38).


37      Zie arrest van 13 januari 2004, Kühne & Heitz (C‑453/00, EU:C:2004:17, punt 28).


38      Zie arrest van 16 maart 2006, Kapferer (C‑234/04, EU:C:2006:178, punt 23).


39      Arrest van 18 juli 2007, Lucchini (C‑119/05, EU:C:2007:434, punt 63).


40      Arrest van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti (C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 61).


41      Het gaat bij mijn weten inderdaad om een algemeen rechtsbeginsel dat de lidstaten gemeen hebben, aangezien een latere verandering (verduidelijking of afwijking) in de rechtspraak van een rechter in hoger beroep/hoogste rechter in de nationale rechtsstelsels die ik ken, normaliter niet als een toereikende omstandigheid wordt beschouwd om terug te komen op vroegere definitief geworden beslissingen waarin de gewezen rechtsopvatting is toegepast.


42      Arrest van 24 oktober 2018, XC e.a. (C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 51).


43      Zie bijvoorbeeld arresten van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti (C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 62), en 6 oktober 2015, Târșia (C‑69/14, EU:C:2015:662, punt 30).


44      Arrest van 26 januari 2010, Transportes Urbanos y Servicios Generales (C‑118/08, EU:C:2010:39, punten 46 en 48).


45      Arrest van 26 januari 2010, Transportes Urbanos y Servicios Generales (C‑118/08, EU:C:2010:39, punten 43 en 44).


46      Arrest van 24 oktober 2018, XC e.a.(C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 27).


47      Arrest van 24 oktober 2018, XC e.a. (C‑234/17, EU:C:2018:853, punten 33, 46 en 47).


48      Zie mijn conclusie in de zaak Călin (C‑676/17, EU:C:2019:94, punten 66‑79).


49      Daarbij zij opgemerkt dat artikel 260, lid 1, onder a), van het wetboek burgerlijke rechtsvordering als voorwaarde voor de indiening van een verzoek tot herziening effectief niet enkel verwijst naar nieuwe feiten maar eveneens naar „enige definitief geworden rechterlijke of administratieve beslissing”. Ook wat dat betreft, staat het aan de nationale rechter om vast te stellen wat precies onder deze zinswending dient te worden verstaan.


50      Arrest van 13 januari 2004, Kühne & Heitz (C‑453/00, EU:C:2004:17).


51      Zie arrest van 13 januari 2004, Kühne & Heitz (C‑453/00, EU:C:2004:17, punt 28).


52      Wat al een hele stap zou zijn: zoals hierboven aangegeven (punten 82‑87 van deze conclusie), heeft het Hof zich ten aanzien van de afweging tussen rechtszekerheid (en gezag van gewijsde) en de toepassing op rechterlijke beslissingen van het vereiste dat het Unierecht op een doeltreffende manier dient te worden gehandhaafd, steeds veel terughoudender en veeleer in de richting van het eerste vereiste opgesteld dan het heeft gedaan ten aanzien van de mogelijke (on)juiste toepassing van dat recht door administratieve instanties.


53      Opgemerkt zij dat de arbitragecommissie de administratieve toetsing uitvoert en dus quasi-rechterlijke taken heeft. Het is dan ook onzeker of zij als een administratieve instantie als bedoeld in het arrest Kühne & Heitz kan worden aangemerkt. Indien echter de aanbestedende dienst die de aanbestedingsprocedure daadwerkelijk heeft gevoerd, de administratieve instantie is, kan eenzelfde logica net één niveau lager van toepassing worden geacht.


54      Zie bijvoorbeeld arresten van 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 36); 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo (C‑173/03, EU:C:2006:391, punt 31), en 28 juli 2016, Tomášová(C‑168/15, EU:C:2016:602, punt 20).


55      Zie bijvoorbeeld arresten van 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 51); 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo (C‑173/03, EU:C:2006:391, punten 42 en 45), en 28 juli 2016, Tomášová (C‑168/15, EU:C:2016:602, punten 22 en 23).


56      Zie bijvoorbeeld arresten van 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, EU:C:2003:513, punten 57 en 58); 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo (C‑173/03, EU:C:2006:391, punten 44 en 45), en 28 juli 2016, Tomášová (C‑168/15, EU:C:2016:602, punt 38).


57      Zie bijvoorbeeld arresten van 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 40); 28 februari 2018, ZPT (C‑518/16, EU:C:2018:126, punt 22), en 24 oktober 2018, XC e.a. (C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 58).


58      Zie bijvoorbeeld arrest van 28 juli 2016, Tomášová (C‑168/15, EU:C:2016:602, punten 38 en 39).


59      Arrest van 6 oktober 1982, Cilfit e.a. (283/81, EU:C:1982:335).


60      Zie bijvoorbeeld arrest van 22 juni 2010, Melki en Abdeli (C‑188/10 en C‑189/10, EU:C:2010:363, punt 63), en beschikking van 16 juli 2015, Striani e.a.(C‑299/15, niet gepubliceerd, EU:C:2015:519, punt 33).


61      Zie bijvoorbeeld arresten van 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, EU:C:2003:513, punten 54‑56), en 28 juli 2016, Tomášová (C‑168/15, EU:C:2016:602, punten 25 en 26).


62      Zie arresten van 6 oktober 1982, Cilfit e.a.(283/81, EU:C:1982:335, punt 21); 18 oktober 2011, Boxus e.a.(C‑128/09–C‑131/09, C‑134/09 en C‑135/09, EU:C:2011:667, punt 31), en 28 juli 2016, Association France Nature Environnement (C‑379/15, EU:C:2016:603, punt 50).


63      Zie bijvoorbeeld arrest van 28 juli 2016, Association France Nature Environnement (C‑379/15, EU:C:2016:603, punt 49).


64      Ik kan niet anders dan terugverwijzen naar de wijze woorden die advocaat-generaal Jacobs in dat verband reeds in 1997 in de zaak Wiener SI (C‑338/95, EU:C:1997:352) heeft geuit. Zie eveneens conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak Gaston Schul Douane-expediteur (C‑461/03, EU:C:2005:415, punt 44 e.v.).


65      Met name tevens in het licht van de meer recente rechtspraak waarin kennelijk een meer „liberale” benadering ten aanzien van de verwijzingsverplichting wordt gehanteerd – zie met name arrest van 9 september 2015, Ferreira da Silva e Brito e.a.(C‑160/14, EU:C:2015:565, punten 41 en 42).


66      Zie meer recent arrest van 4 oktober 2018, Commissie/Frankrijk (roerende voorheffing) (C‑416/17, EU:C:2018:811, punten 111‑113).


67      Arresten van 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 56); 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation (C‑446/04, EU:C:2006:774, punt 214); 25 november 2010, Fuß (C‑429/09, EU:C:2010:717, punt 52), en 28 juli 2016, Tomášová (C‑168/15, EU:C:2016:602, punt 26).