Language of document : ECLI:EU:C:2019:344

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

2 mei 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Landbouw – Verordening (EG) nr. 510/2006 – Artikel 13, lid 1, onder b) – Bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen – Manchego-kaas (‚queso manchego’) – Gebruik van tekens die een voorstelling van de aan de beschermde oorsprongsbenaming (BOB) verbonden regio kunnen oproepen – Begrip ‚normaal geïnformeerde en redelijk oplettende gemiddelde consument’ – Europese consumenten of consumenten van de lidstaat waar het product met de BOB wordt vervaardigd en hoofdzakelijk wordt geconsumeerd”

In zaak C‑614/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissing van 19 oktober 2017, ingekomen bij het Hof op 24 oktober 2017, in de procedure

Fundación Consejo Regulador de la Denominación de Origen Protegida Queso Manchego

tegen

Industrial Quesera Cuquerella SL,

Juan Ramón Cuquerella Montagud,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, K. Jürimäe, D. Šváby, S. Rodin (rapporteur) en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 oktober 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        Fundación Consejo Regulador de la Denominación de Origen Protegida Queso Manchego, vertegenwoordigd door M. Pomares Caballero, abogado,

–        Industrial Quesera Cuquerella SL en Juan Ramón Cuquerella Montagud, vertegenwoordigd door J. A. Vallejo Fernández, F. Pérez Álvarez en J. Pérez Itarte, abogados,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Rubio González en V. Ester Casas als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze, M. Hellmann en J. Techert als gemachtigden,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas, S. Horrenberger, A.‑L. Desjonquères en C. Mosser als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Galindo Martín, D. Bianchi en I. Naglis als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 januari 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB 2006, L 93, blz. 12).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds de Fundación Consejo Regulador de la Denominación de Origen Protegida queso Manchego [stichting die is belast met het beheer van de beschermde oorsprongsbenaming queso Manchego, Spanje (hierna: „Fundación Queso Manchego”)] en anderzijds Industrial Quesera Cuquerella SL (hierna: „IQC”) en Juan Ramón Cuquerella Montagud betreffende met name het gebruik door IQC van etiketten voor het identificeren en in de handel brengen van de kazen die niet onder de beschermde oorsprongsbenaming (BOB) „queso manchego” vallen.

 Toepasselijke bepalingen

3        De overwegingen 4 en 6 van verordening nr. 510/2006 luiden:

„(4)      Gezien de verscheidenheid van de producten in de handel en de overvloedige informatie die erover wordt verstrekt, moet de consument, om zijn keuze beter te kunnen bepalen, over de oorsprong van het product duidelijk en bondig worden geïnformeerd.

[...]

(6)      Het is zaak oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen communautair te benaderen. Met een communautair kader in de vorm van een beschermingsregeling zou het gebruik van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen verder kunnen worden ontwikkeld, aangezien een dergelijk kader, dankzij een meer uniforme aanpak, aan producenten van producten met dergelijke vermeldingen gelijke mededingingsvoorwaarden garandeert en deze producten voor de consumenten geloofwaardiger maakt.”

4        Artikel 2, lid 1, onder a), van die verordening bepaalt:

„In deze verordening wordt verstaan onder:

a)      ‚oorsprongsbenaming’: de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel:

–        dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land,

–        waarvan de kwaliteit of de kenmerken hoofdzakelijk of uitsluitend aan het geografische milieu, dat factoren van natuurlijke en menselijke aard omvat, zijn toe te schrijven, en

–        waarvan de productie, de verwerking en de bereiding in het geografische gebied geschieden”.

5        Artikel 13, lid 1, van die verordening bepaalt:

„Geregistreerde benamingen zijn beschermd tegen:

[...]

b)      elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product is aangegeven, of indien de beschermde benaming is vertaald, of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals ‚soort’, ‚type’, ‚methode’, ‚op de wijze van’, ‚imitatie’ en dergelijke;

c)      elke andere valse of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product op de binnen- of buitenverpakking, in reclamemateriaal of documenten betreffende het betrokken product, alsmede het gebruik van een recipiënt die tot misverstanden over de oorsprong van het product aanleiding kan geven;

[...]”

6        Artikel 14, lid 1, van die verordening luidt als volgt:

„Wanneer een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding overeenkomstig deze verordening wordt geregistreerd, wordt een aanvraag tot registratie van een merk in situaties zoals vermeld in artikel 13 en betrekking hebbende op dezelfde productklasse, afgewezen als de aanvraag tot registratie van het merk wordt ingediend na de datum waarop de aanvraag tot registratie van de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding bij de [Europese] Commissie is ingediend.

Merken die in strijd met de bepalingen van de eerste alinea zijn geregistreerd, worden nietig verklaard.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

7        De Fundación Queso Manchego is belast met het beheer en de bescherming van de BOB „queso manchego”. In dat verband heeft zij tegen verweerders in het hoofdgeding beroep ingesteld bij de in eerste aanleg bevoegde Spaanse rechter en deze rechter verzocht te verklaren dat de etiketten die IQC gebruikt voor het identificeren en in de handel brengen van de kazen „Adarga de Oro”, „Super Rocinante” en „Rocinante”, die niet onder de BOB „queso manchego” vallen, en het gebruik van de termen „Quesos Rocinante” een inbreuk vormen op de BOB „queso manchego”, aangezien deze etiketten en termen een onrechtmatige voorstelling van deze BOB vormen in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006.

8        De Spaanse rechter in eerste aanleg heeft dit beroep verworpen op grond dat de tekens en benamingen die IQC gebruikt voor het in de handel brengen van de kazen die niet onder de BOB „queso manchego” vallen, geen grafische of fonetische gelijkenis vertoonden met de BOB „queso manchego” of „La Mancha” en dat het gebruik van tekens als de benaming „Rocinante” of het beeld van het literaire personage „Don Quichot van La Mancha” de regio La Mancha (Spanje) voor de geest roepen en niet de kaas die onder de BOB „queso manchego” valt.

9        De Fundación Queso Manchego heeft daartegen hoger beroep ingesteld bij de Audiencia Provincial de Albacete (rechter in tweede aanleg van de provincie Albacete, Spanje), die bij arrest van 28 oktober 2014 de uitspraak van de rechter in eerste aanleg heeft bevestigd. De Audiencia Provincial de Albacete was van oordeel dat het gebruik, voor door IQC in de handel gebrachte kazen die niet onder de BOB „queso manchego” vallen, van landschappen van voor La Mancha kenmerkende afbeeldingen op de etiketten van deze kazen, de consument deed denken aan de regio La Mancha, maar niet noodzakelijkerwijze aan de kaas die onder de BOB „queso manchego” valt.

10      Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen dat arrest hogere voorziening ingesteld bij de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje).

11      In het kader van zijn verwijzingsbeslissing formuleert de Tribunal Supremo een aantal feitelijke overwegingen.

12      Om te beginnen zet de verwijzende rechter uiteen dat het woord „manchego” dat wordt gebruikt in de BOB „queso manchego” het adjectief is waarmee in het Spaans personen en producten afkomstig uit de regio La Mancha worden aangeduid. Vervolgens merkt hij op dat de BOB „queso manchego” ziet op kazen die in de regio La Mancha worden bereid met schapenmelk en met inachtneming van de traditionele productie-, bereidings- en rijpingsvoorwaarden die in het productdossier van deze BOB zijn vastgesteld.

13      Bovendien wijst de verwijzende rechter erop dat Miguel de Cervantes het grootste deel van de handelingen van het romanpersonage Don Quichot van La Mancha laat plaatsvinden in de regio La Mancha. De verwijzende rechter omschrijft Don Quichot voorts als een personage dat een aantal fysieke en vestimentaire gelijkenissen vertoont met het personage dat is afgebeeld op het beeldmotief dat op het etiket van de kaas „Adarga de Oro” is aangebracht. In dat verband wordt het woord „adarga” (klein lederen schildje), dat een archaïsme is, in die roman gebruikt om het schild van Don Quichot aan te duiden. Daarenboven merkt de verwijzende rechter op dat een van de benamingen die IQC voor sommige van zijn kazen gebruikt, overeenkomt met de naam van het door Don Quichot van La Mancha bereden paard, te weten „Rocinante”. De windmolens waartegen Don Quichot vecht zijn kenmerkend voor het landschap van La Mancha. Op sommige etiketten van door IQC vervaardigde kazen, die niet onder de BOB „queso manchego” vallen, en op sommige tekeningen op de IQC-website, die ook reclame bevat voor kazen die niet onder deze BOB vallen, zijn landschappen met windmolens en schapen te vinden.

14      In die omstandigheden heeft de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Dient er, om te kunnen spreken van het oproepen van een krachtens artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 verboden voorstelling van een [BOB], noodzakelijkerwijs sprake te zijn van het gebruik van benamingen die een grafische, fonetische of conceptuele gelijkenis vertonen met die [BOB], of kan deze voorstelling ook worden opgeroepen door het gebruik van beeldtekens die een voorstelling oproepen van de [BOB]?

2)      Kan, in het geval van een [BOB] met een geografisch karakter [artikel 2, lid 1, onder a), van verordening nr. 510/2006], wanneer het gaat om identieke of soortgelijke producten, het gebruik van tekens die een voorstelling oproepen van de regio waarmee de [BOB] verband houdt, worden aangemerkt als de oproeping van een voorstelling – als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 – van de [BOB] zelf die verboden is, ook in het geval waarin degene die deze tekens gebruikt een producent is die is gevestigd in de regio waarmee die [BOB] verband houdt, doch wiens producten niet vallen onder die [BOB] omdat zij behalve aan het vereiste van geografische oorsprong, aan geen van de specificaties in het productdossier voldoen?

3)      Dient het begrip ‚normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument’, van wiens waarneming de nationale rechter moet uitgaan om te bepalen of er sprake is van een ‚voorstelling’ als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 in die zin te worden opgevat dat zij ziet op de Europese consument dan wel in die zin dat zij enkel ziet op de consument van de lidstaat waar het product dat de voorstelling van de beschermde geografische aanduiding oproept, wordt vervaardigd of waarmee de BOB geografisch verbonden is en waar het product hoofdzakelijk wordt geconsumeerd?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

15      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het gebruik van beeldtekens een voorstelling van een geregistreerde benaming kan oproepen.

16      Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 mei 2018, Industrias Químicas del Vallés, C‑325/16, EU:C:2018:326, punt 27, en 7 juni 2018, Scotch Whisky Association, C‑44/17, EU:C:2018:415, punt 27).

17      In de eerste plaats volgt uit artikel 13, lid 1, onder b, van verordening nr. 510/2006 dat deze bepaling voorziet in de bescherming van geregistreerde benamingen tegen elke voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product is aangegeven of indien de beschermde benaming is vertaald, of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals ‚soort’, ‚type’, ‚methode’, ‚op de wijze van’, ‚imitatie’, en dergelijke”.

18      Deze formulering kan worden opgevat als een verwijzing naar niet alleen de termen waarmee een geregistreerde benaming kan worden opgeroepen, maar ook naar elk beeldteken dat de consument kan doen denken aan de door die benaming beschermde producten. Het gebruik van de term „elke” weerspiegelt in dit verband de wens van de wetgever van de Europese Unie om geregistreerde benamingen te beschermen door ervan uit te gaan dat een voorstelling van een benaming kan worden opgeroepen door middel van een woord- of beeldteken.

19      Het Hof heeft inderdaad geoordeeld dat het begrip „voorstelling” ziet op een situatie waarin de voor de aanduiding van een product gebruikte term een deel van een beschermde benaming bevat, zodat de consument bij het zien van de naam van het product als referentiebeeld het product waarvoor die benaming geldt, voor de geest zal roepen (zie naar analogie arrest van 4 maart 1999, Consorzio per la tutela del formaggio Gorgonzola, C‑87/97, EU:C:1999:115, punt 25).

20      Het Hof heeft er tevens op gewezen dat bij de vaststelling van het begrip „voorstelling” in de zin van artikel 16, onder b), van verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1576/89 van de Raad (PB 2008, L 39, blz. 16) de vraag doorslaggevend is of de consument, bij het zien van een litigieuze benaming, als referentiebeeld het artikel waarvoor de beschermde geografische aanduiding geldt direct voor de geest zal roepen (arrest van 7 juni 2018, Scotch Whisky Association, C‑44/17, EU:C:2018:415, punt 51).

21      Hoewel de in de punten 19 en 20 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak zaken betrof die betrekking hadden op benamingen van producten en niet op beeldtekens, kan daaruit niettemin worden afgeleid, zoals de advocaat-generaal in punt 24 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat het doorslaggevende criterium om te bepalen of een element een voorstelling van de geregistreerde benaming oproept in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 de vraag is of dit element bij de consument als referentiebeeld direct het product met deze benaming voor de geest kan roepen.

22      Derhalve kan in beginsel niet worden uitgesloten dat beeldtekens bij de consument als referentiebeeld direct de producten met een geregistreerde benaming voor de geest kunnen roepen omdat zij conceptueel een dergelijke benaming benaderen.

23      Wat in de tweede plaats de context van het begrip „voorstelling” betreft, kan niet worden aanvaard dat, zoals de Commissie stelt, het oproepen van een geregistreerde benaming door middel van beeldtekens alleen kan worden onderzocht in het licht van artikel 13, lid 1, onder c), van verordening nr. 510/2006.

24      De bewoordingen van artikel 13, lid 1, onder b), van die verordening zelf beperken de werkingssfeer van die bepaling niet tot de benamingen van de producten die onder die bepaling vallen. Zoals de advocaat-generaal in punt 28 van zijn conclusie heeft opgemerkt, biedt die bepaling integendeel bescherming tegen „elke” voorstelling, ook al gaat de beschermde benaming vergezeld van uitdrukkingen zoals ‚soort’, ‚type’, ‚methode’, ‚op de wijze van’, ‚imitatie’, die zijn aangebracht op de verpakking van het product in kwestie.

25      Voorts heeft het Hof, zoals de Commissie heeft opgemerkt, in zijn arrest van 7 juni 2018, Scotch Whisky Association (C‑44/17, EU:C:2018:415, punt 65), inderdaad vastgesteld dat artikel 16 van verordening nr. 110/2008, dat was opgesteld in soortgelijke bewoordingen als die van artikel 13 van verordening nr. 510/2006, een gradatie van verboden handelingen opsomde.

26      Dat artikel 13, lid 1, onder c), van die verordening verwijst naar elke andere aanduiding op de binnen- of buitenverpakking, in reclamemateriaal of documenten betreffende het betrokken product, betekent echter niet dat alleen die bepaling het gebruik van beeldtekens die inbreuk maken op geregistreerde benamingen, uitsluit.

27      Zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie heeft opmerkt, heeft de door het Hof genoemde graduele opsomming immers betrekking op de aard van de verboden gedragingen, namelijk, in het geval van artikel 13, lid 1, onder c), van die verordening, op het valse en misleidende karakter van de aanduidingen over de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product, en niet op de elementen die in aanmerking moeten worden genomen om vast te stellen of er sprake is van dergelijke valse of misleidende aanduidingen.

28      Een contextuele uitlegging van artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 bevestigt derhalve de uit de formulering van die bepaling voortvloeiende uitlegging die in punt 22 van dit arrest is uiteengezet.

29      In de derde plaats dient te worden vastgesteld dat verordening nr. 510/2006 overeenkomstig de overwegingen 4 en 6 ervan met name tot doel heeft ervoor te zorgen dat consumenten over de oorsprong van het product duidelijk, bondig en geloofwaardig worden geïnformeerd.

30      Welnu, een dergelijk doel is des te beter gewaarborgd wanneer van de geregistreerde benaming geen voorstelling kan worden opgeroepen in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), van die verordening door middel van beeldmerken.

31      Ten slotte moet worden benadrukt dat het aan de verwijzende rechter staat om concreet te beoordelen of beeldtekens als die in het hoofdgeding de consument direct doen denken aan de producten met een geregistreerde benaming.

32      Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het gebruik van beeldtekens een voorstelling van een geregistreerde benaming kan oproepen.

 Tweede vraag

33      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het gebruik van beeldtekens die een voorstelling oproepen van het geografisch gebied waarmee een in artikel 2, lid 1, onder a), van verordening nr. 510/2006 bedoelde oorsprongsbenaming verband houdt, een voorstelling van die BOB kan oproepen, ook wanneer die beeldtekens worden gebruikt door een producent die in die regio is gevestigd maar wiens producten, die identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met de door deze oorsprongsbenaming beschermde producten, niet onder die BOB vallen.

34      Om te beginnen zij vastgesteld dat de bewoordingen van artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 niet voorzien in een uitsluiting ten gunste van een producent die is gevestigd in een met de BOB overeenstemmend geografisch gebied en wiens producten niet door die BOB zijn beschermd, doch identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met de door die BOB beschermde producten.

35      Een dergelijke uitsluiting zou tot gevolg hebben dat een producent beeldtekens mag gebruiken die een voorstelling van het geografische gebied oproepen waarvan de naam deel uitmaakt van een oorsprongsbenaming die een product dekt dat identiek is aan of vergelijkbaar is met dat van die producent, en dat hij daardoor ten onrechte van de reputatie van die benaming kan profiteren.

36      Bijgevolg kan in een situatie als die in het hoofdgeding het feit dat een producent van producten die identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met die welke door een oorsprongsbenaming worden beschermd, is gevestigd in een geografisch gebied dat met deze benaming verbonden is, hem niet uitsluiten van de werkingssfeer van artikel 13, lid 1, onder b, van verordening nr. 510/2006.

37      Vervolgens staat het weliswaar aan de nationale rechter om na te gaan of het gebruik door een producent van beeldtekens die een voorstelling oproepen van het geografische gebied waarvan de naam deel uitmaakt van een oorsprongsbenaming, voor producten die identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met die welke onder die benaming vallen, een voorstelling van een geregistreerde benaming in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), van deze verordening vormt, doch dit neemt niet weg dat het Hof in zijn uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing in voorkomend geval preciseringen kan geven teneinde de nationale rechterlijke instantie bij haar beslissing te leiden (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Severi, C‑446/07, EU:C:2009:530, punt 60).

38      Daarbij dient de nationale rechter in hoofdzaak uit te gaan van de vermoedelijke reactie van de consument, waarbij de vraag centraal staat of de consument een verband legt tussen de litigieuze elementen, in casu beeldtekens die een voorstelling van het geografische gebied oproepen waarvan de naam deel uitmaakt van een oorsprongsbenaming, en de geregistreerde benaming (zie in die zin arrest van 21 januari 2016, Viiniverla, C‑75/15, EU:C:2016:35, punt 22).

39      In dat verband dient hij na te gaan of er een voldoende rechtstreeks en duidelijk verband bestaat tussen die litigieuze elementen en de geregistreerde benaming zodat de consument bij het zien van die elementen hoofdzakelijk die benaming voor de geest zal roepen (zie in die zin arrest van 7 juni 2018, Scotch Whisky Association, C‑44/17, EU:C:2018:415, punten 53 en 54).

40      Het staat dus aan de verwijzende rechter om na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beeldtekens en de BOB „queso manchego”, die overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder a), van verordening nr. 510/2006 verwijst naar het geografische gebied waarmee zij verbonden is, namelijk de regio La Mancha, een voldoende rechtstreeks en duidelijk conceptueel verband vertonen.

41      In casu moet de verwijzende rechter zich ervan vergewissen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beeldtekens, met name tekeningen van een personage dat lijkt op Don Quichot van La Mancha, een mager paard, en de landschappen met windmolens en schapen weergeven, een conceptuele gelijkenis met de BOB „queso manchego” in het leven kunnen roepen zodat de consument het product met die BOB als referentieafbeelding direct voor de geest zal roepen.

42      In dit verband zal de verwijzende rechter moeten beoordelen of, zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie heeft opgemerkt, alle beeld- en woordtekens die voorkomen op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde producten, tezamen beschouwd in aanmerking moeten worden genomen om een algemeen onderzoek te verrichten waarbij rekening wordt gehouden met alle elementen die een voorstelling kunnen oproepen.

43      Gelet op een en ander moet artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 aldus worden uitgelegd dat het gebruik van beeldtekens die een voorstelling oproepen van het geografische gebied waarmee een in artikel 2, lid 1, onder a), van die verordening bedoelde oorsprongsbenaming verband houdt, een voorstelling van die BOB kan oproepen, ook wanneer die beeldtekens worden gebruikt door een producent die in die regio is gevestigd maar wiens producten, die identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met de door deze oorsprongsbenaming beschermde producten, niet onder die BOB vallen.

 Derde vraag

44      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip „normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument”, van wiens waarneming de nationale rechter moet uitgaan om te bepalen of er sprake is van een „voorstelling” als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 in die zin dient te worden opgevat dat zij ziet op de Europese consument dan wel in die zin dat zij enkel ziet op de consument van de lidstaat waar het product dat de voorstelling van de beschermde benaming oproept, wordt vervaardigd of waarmee die benaming geografisch verbonden is en waar het product hoofdzakelijk wordt geconsumeerd.

45      Wat om te beginnen de uitlegging betreft van artikel 16, onder b), van verordening nr. 110/2008, waarvan de bewoordingen overeenkomen met die van artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006, heeft het Hof geoordeeld dat de verwijzende rechterlijke instantie voor de vaststelling van een „voorstelling” van een geregistreerde geografische aanduiding dient te beoordelen of de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde Europese consument, bij het zien van de litigieuze benaming, als referentiebeeld het product waarvoor de beschermde geografische aanduiding geldt direct voor de geest zal roepen (zie in die zin arrest van 7 juni 2018, Scotch Whisky Association, C‑44/17, EU:C:2018:415, punt 56).

46      Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de omstandigheid dat de litigieuze benaming in de zaak die heeft geleid tot het in vorige punt genoemde arrest, verwijst naar een plaats van vervaardiging die bij de consumenten van de lidstaat waar dit product wordt vervaardigd, bekend is, geen relevante factor is bij de beoordeling van het begrip „voorstelling” in de zin van artikel 16, onder b), van verordening nr. 110/2008, aangezien deze bepaling de geregistreerde geografische aanduidingen beschermt tegen elke voorstelling op het gehele grondgebied van de Unie en, gelet op de noodzaak om op dit grondgebied een daadwerkelijke en eenvormige bescherming van die geografische aanduidingen te waarborgen, ziet op alle consumenten op dit grondgebied (zie naar analogie arresten van 21 januari 2016, Viiniverla, C‑75/15, EU:C:2016:35, punten 27 en 28, en 7 juni 2018, Scotch Whisky Association, C‑44/17, EU:C:2018:415, punt 59).

47      Uit het voorgaande volgt dat het begrip „normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde Europese consument” aldus moet worden uitgelegd dat voor geregistreerde benamingen op het gehele grondgebied van de Unie een daadwerkelijke en eenvormige bescherming tegen elke voorstelling wordt gewaarborgd.

48      Zoals de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vereist een daadwerkelijke en eenvormige bescherming van geregistreerde benamingen dat geen rekening wordt gehouden met omstandigheden die kunnen uitsluiten dat er een voorstelling wordt opgeroepen bij alleen de consumenten van een lidstaat, zonder dat dit vereiste evenwel inhoudt dat een voorstelling die wordt vastgesteld met betrekking tot de consumenten van één lidstaat niet volstaat opdat de bescherming van artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 van toepassing is.

49      Derhalve staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de elementen – zowel woorden als beelden – die betrekking hebben op het in het hoofdgeding aan de orde zijnde product, dat wordt vervaardigd of hoofdzakelijk wordt geconsumeerd in Spanje, bij de consumenten van die lidstaat het beeld voor de geest kunnen roepen van een geregistreerde benaming, die, indien dat het geval is, dient te worden beschermd tegen een voorstelling die op het gehele grondgebied van de Unie zou kunnen worden opgeroepen.

50      Derhalve moet op de derde vraag worden geantwoord dat het begrip „normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument”, van wiens waarneming de nationale rechter moet uitgaan om te bepalen of er sprake is van een „voorstelling” als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006, in die zin dient te worden opgevat dat het ziet op de Europese consument, met inbegrip van de consument van de lidstaat waar het product dat de voorstelling van de beschermde benaming oproept, wordt vervaardigd of waarmee die benaming geografisch verbonden is en waar het product hoofdzakelijk wordt geconsumeerd.

 Kosten

51      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 13, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen moet aldus worden uitgelegd dat het gebruik van beeldtekens een voorstelling van een geregistreerde benaming kan oproepen.

2)      Artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 moet aldus worden uitgelegd dat het gebruik van beeldtekens die een voorstelling oproepen van het geografische gebied waarmee een in artikel 2, lid 1, onder a), van die verordening bedoelde oorsprongsbenaming verband houdt, een voorstelling van die BOB kan oproepen, ook wanneer die beeldtekens worden gebruikt door een producent die in die regio is gevestigd, maar wiens producten, die identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met de door deze oorsprongsbenaming beschermde producten, niet onder die BOB vallen.

3)      Het begrip „normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument”, van wiens waarneming de nationale rechter moet uitgaan om te bepalen of er sprake is van een „voorstelling” als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006, dient in die zin te worden opgevat dat het ziet op de Europese consument, met inbegrip van de consument van de lidstaat waar het product dat de voorstelling van de beschermde benaming oproept, wordt vervaardigd of waarmee die benaming geografisch verbonden is en waar het product hoofdzakelijk wordt geconsumeerd.

ondertekeningen



*      Procestaal: Spaans.