Language of document : ECLI:EU:C:2019:345

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

2 mei 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verdrag van Lugano II – Artikel 15 – Overeenkomst gesloten door een consument – Verhouding tot richtlijn 2008/48/EG – Consumentenkredietovereenkomst – Artikelen 2 en 3 – Begrippen ,consument’ en ,transacties waarop de richtlijn van toepassing is’ – Maximaal kredietbedrag – Irrelevant voor de toepassing van artikel 15 van het Verdrag van Lugano II”

In zaak C‑694/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Luxemburg) bij beslissing van 7 december 2017, ingekomen bij het Hof op 11 december 2017, in de procedure

Pillar Securitisation Sàrl

tegen

Hildur Arnadottir,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, F. Biltgen, J. Malenovský, C. G. Fernlund (rapporteur) en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Pillar Securitisation Sàrl, vertegenwoordigd door A. Moro, avocat,

–        Hildur Arnadottir, vertegenwoordigd door M. Mailliet, avocat,

–        de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door D. Holderer als gemachtigde,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, M. Figueiredo en P. Lacerda als gemachtigden,

–        de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door M. Schöll als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 januari 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het op 30 oktober 2007 ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008 (PB 2009, L 147, blz. 1; hierna: „Verdrag van Lugano II”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen Pillar Securitisation Sàrl en Hildur Arnadottir met betrekking tot een verzoek tot terugbetaling van een krediet.

 Toepasselijke bepalingen

 Verdrag van Lugano II

3        Artikel 15 van het Verdrag van Lugano II, dat deel uitmaakt van afdeling 4 („Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”) van titel II van dat verdrag („Bevoegdheid”), bepaalt:

„1.      Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs‑ of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 4 en artikel 5, punt 5, wanneer

a)      het gaat om koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken,

b)      het gaat om leningen op afbetaling of andere krediettransacties ter financiering van de verkoop van zulke zaken,

c)      in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de door dit verdrag gebonden staat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die staat, of op meerdere staten met inbegrip van die staat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.

[...]

3.      Deze afdeling is niet van toepassing op vervoerovereenkomsten, behoudens overeenkomsten waarbij voor één enkele prijs zowel vervoer als verblijf worden aangeboden.”

4        Artikel 16, lid 2, van dit verdrag luidt als volgt:

„De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de wederpartij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de door dit verdrag gebonden staat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.”

5        Artikel 17 van dat verdrag bepaalt het volgende:

„Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:

1.      gesloten na het ontstaan van het geschil, of

2.      die aan de consument de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken, of

3.      waarbij een consument en zijn wederpartij, die op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst hun woonplaats of hun gewone verblijfplaats in dezelfde door dit verdrag gebonden staat hebben, de gerechten van die staat bevoegd verklaren, tenzij de wetgeving van die staat dergelijke overeenkomsten verbiedt.”

6        In overweging 4 van besluit 2009/430 staat te lezen:

„Gezien het parallellisme tussen de in [het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), in zijn geconsolideerde versie (PB 1998, C 27, blz. 1), en het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, getekend te Lugano op 16 september 1988 (PB 1988, L 319, blz. 9)] neergelegde regelingen betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moeten de regels van het Verdrag van Lugano in overeenstemming worden gebracht met die van verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)], teneinde met de betrokken EVA‑staten te komen tot een even soepel verkeer van beslissingen.”

 Verordeningen nr. 44/2001 en nr. 1215/2012

7        Het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is vervangen door verordening nr. 44/2001 en vervolgens door verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1), die verordening nr. 44/2001 heeft opgeheven.

 Richtlijn 2008/48

8        Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66) bepaalt in overweging 10:

„De in deze richtlijn vervatte definities bepalen het toepassingsgebied van de harmonisatie. De verplichting voor de lidstaten om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze richtlijn dient derhalve te worden beperkt tot het toepassingsgebied zoals dat door deze definities is omschreven. Deze richtlijn mag de lidstaten evenwel niet beletten de bepalingen van de richtlijn overeenkomstig het [Unierecht] toe te passen op gebieden die niet onder het toepassingsgebied ervan vallen. Derhalve kan een lidstaat met betrekking tot kredietovereenkomsten die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen nationale wetgeving handhaven of invoeren die overeenstemt met een aantal of alle bepalingen van de richtlijn, bijvoorbeeld nationale wetgeving inzake kredietovereenkomsten die betrekking hebben op bedragen van minder dan 200 EUR of van meer dan 75 000 EUR. [...]”

9        Artikel 2 van deze richtlijn („Toepassingsgebied”) bepaalt:

„1.      Deze richtlijn is van toepassing op kredietovereenkomsten.

2.      Deze richtlijn is niet van toepassing op het volgende:

[...]

c)      kredietovereenkomsten voor een totaal kredietbedrag van minder dan 200 EUR of meer dan 75 000 EUR;

[...]”

10      Artikel 3, onder a), van richtlijn 2008/48 omschrijft het begrip „consument” als volgt:

„[...] een natuurlijk persoon die bij transacties in de zin van deze richtlijn handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteiten vallen”.

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

11      Arnadottir woont in IJsland en is in maart 2005 een lening aangegaan bij Kaupthing Bank Luxembourg (KBL) voor een bedrag van 193 621 074 IJslandse kronen (ISK), hetgeen overeenkomst met meer dan een miljoen EUR. Die lening moest uiterlijk op 1 maart 2010 in één tranche worden terugbetaald.

12      Het doel van deze lening was om haar in staat te stellen aandelen te kopen van de IJslandse vennootschap Bakkavör Group hf, waarvan zij een werknemer was.

13      De betaling van de lening werd gewaarborgd door een garantieovereenkomst van Bakkavör Group, welke betaling volgens de verwijzende rechter ten vroegste in 2009 zou plaatsvinden. De garantieovereenkomst werd ondertekend door twee bestuurders van deze vennootschap, onder wie Arnadottir zelf.

14      Vervolgens is KBL opgesplitst in twee eenheden. Een daarvan, Pillar Securitisation, heeft de terugbetaling van de door Arnadottir aangegane lening gevorderd.

15      Toen Arnadottir in gebreke bleef om de lening terug te betalen, heeft Pillar Securitisation in 2011 bij de Luxemburgse rechter een vordering ingesteld op grond van de clausule in de leningsovereenkomst die deze rechter bevoegd verklaarde.

16      De tribunal d’arrondissement de Luxembourg (rechter in eerste aanleg, Luxemburg) heeft zich echter onbevoegd verklaard om in het geding uitspraak te doen, omdat Arnadottir als „consument” in de zin van artikel 15 van het Verdrag van Lugano II moet worden aangemerkt. De rechter in eerste aanleg heeft geoordeeld dat het forumkeuzebeding waarbij de Luxemburgse rechter wordt aangewezen buiten toepassing moet worden gelaten, aangezien dit beding niet voldeed aan de afwijkende bepalingen van artikel 17 van het Verdrag van Lugano II.

17      In tweede aanleg heeft de Cour d’appel (rechter in tweede aanleg, Luxemburg) in een arrest van 27 april 2016 de onbevoegdheid van de Luxemburgse rechter om over de vordering van Pillar Securitisation te beslissen, bevestigd.

18      Pillar Securitisation heeft vervolgens een cassatieberoep ingesteld, stellende dat de Cour d’appel artikel 15 van het Verdrag van Lugano II heeft geschonden. Ten eerste betoogt zij met name dat de Cour d’appel ten onrechte heeft geoordeeld dat Arnadottir handelde voor privédoeleinden. Ten tweede wordt aangevoerd dat die rechterlijke instantie artikel 15 onjuist heeft uitgelegd door te overwegen dat een leningsovereenkomst van meer dan een miljoen EUR als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een door een „consument” gesloten overeenkomst kan zijn in de zin van artikel 15.

19      Teneinde te bepalen of een kredietovereenkomst een door een consument gesloten overeenkomst in de zin van artikel 15 van het Verdrag van Lugano II is, dient volgens Pillar Securitisation te worden nagegaan of het gaat om een „consumentenkredietovereenkomst” in de zin van richtlijn 2008/48. Gesteld wordt dat dit volgt uit het door professor Fausto Pocar opgestelde toelichtend rapport over dit verdrag (PB 2009, C 319, blz. 1). Deze richtlijn is dan ook enkel van toepassing op leningsovereenkomsten voor een bedrag van meer dan 200 EUR en minder dan 75 000 EUR, tenzij het nationale recht waarbij de richtlijn wordt omgezet een hoger plafond bevat. Aangezien er in het Luxemburgse recht geen sprake is van een dergelijk plafond, valt de leningsovereenkomst in het hoofdgeding niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn en is artikel 15 van het Verdrag van Lugano II derhalve niet van toepassing, aldus Pillar Securitisation.

20      De Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Luxemburg) is van oordeel dat de vraag aan de orde is of het begrip „consument” moet worden uitgelegd in de zin van artikel 15 van het Verdrag van Lugano II en artikel 3 van richtlijn 2008/48. Met name vraagt de verwijzende rechter zich af of de definitie van de werkingssfeer van de richtlijn betreffende consumentenkredietovereenkomsten gevolgen heeft voor de definitie van het begrip „consument” in de zin van artikel 15 van het Verdrag van Lugano II.

21      In die omstandigheden heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Kan een persoon bij een kredietovereenkomst die op basis van het totale kredietbedrag niet valt binnen de werkingssfeer van richtlijn [2008/48] worden aangemerkt als ,consument’ in de zin van artikel 15 van het [Verdrag van Lugano II] op grond van het feit dat de overeenkomst is gesloten voor een gebruik dat niet als bedrijfs‑ of beroepsmatig kan worden beschouwd, wanneer geen sprake is van een nationale bepaling volgens welke het bepaalde in die richtlijn van toepassing is op gebieden die niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

22      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15 van het Verdrag van Lugano II aldus dient te worden uitgelegd dat, teneinde te bepalen of een kredietovereenkomst door een „consument” gesloten is in de zin van dat artikel, moet worden nagegaan of de overeenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 valt in die zin dat het betrokken totale kredietbedrag het plafond van artikel 2, lid 2, onder c), van deze richtlijn niet mag overschrijden, en of het in dat verband relevant is dat het nationale recht ter omzetting van de richtlijn geen hoger plafond bevat.

23      Indien een leningsovereenkomst zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een door een „consument” gesloten overeenkomst is in de zin van artikel 15 van het Verdrag van Lugano II, volgt daar volgens artikel 16 van dit verdrag uit dat de rechterlijke instanties van de door dit verdrag gebonden staat waar de consument zijn woonplaats heeft, in casu de IJslandse rechterlijke instanties, bevoegd zijn. Indien echter de betrokken overeenkomst geen consumentenovereenkomst is krachtens het genoemde artikel 15, zijn de rechterlijke instanties bevoegd die door het forumkeuzebeding zijn aangewezen, in casu de Luxemburgse rechters.

24      Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat Pillar Securitisation aanvoert dat Arnadottir beroepsmatig heeft gehandeld en dat zij niet voldoet aan de definitie van „consument”. De verwijzende rechter stelt het Hof echter geen vraag over de doelstelling van de door een persoon als Arnadottir aangegane lening. Uit de bewoordingen van de gestelde vraag volgt daarentegen dat de verwijzende rechter het Hof bevraagt op grond van de veronderstelling dat de betrokken overeenkomst is gesloten voor een gebruik dat losstaat van de beroepsmatige activiteiten van Arnadottir. Bovendien bevat de verwijzingsbeslissing in ieder geval onvoldoende informatie om het Hof in staat te stellen om indien nodig nuttige aanwijzingen te verschaffen over dit onderwerp.

25      Bijgevolg hoeft in de onderhavige zaak de doelstelling van de door een persoon als Arnadottir gesloten leningsovereenkomst niet te worden onderzocht.

26      Er dient echter wel te worden onderzocht of de omstandigheid dat de kredietovereenkomst het plafond van 75 000 EUR van artikel 2, lid 2, onder c), van richtlijn 2008/48 overschrijdt, in de weg staat aan de toepassing van artikel 15 van het Verdrag van Lugano II, wanneer het nationale recht niet voorziet in een plafond hoger dan dit bedrag.

27      Wat de uitlegging van het Verdrag van Lugano II betreft, moet er eerst op worden gewezen dat het in nagenoeg dezelfde bewoordingen is geformuleerd als de overeenkomstige bepalingen van de verordeningen nr. 44/2001 en nr. 1215/2012 en dat ervoor gezorgd moet worden dat gelijkwaardige bepalingen van die instrumenten op overeenkomstige wijze worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Schlömp, C‑467/16, EU:C:2017:993, punten 46 en 47).

28      Artikel 15 van het Verdrag van Lugano II heeft betrekking op overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik door die persoon dat als niet bedrijfs‑ of beroepsmatig kan worden beschouwd. De bedoelde overeenkomsten worden specifiek in artikel 15, lid 1, onder a) tot en met c), genoemd. Zoals het Hof heeft geoordeeld met betrekking tot de gelijkwaardige bepaling in verordening nr. 44/2001, die is overgenomen in verordening nr. 1215/2012, heeft artikel 15, lid 1, onder c, van het verdrag betrekking op alle overeenkomsten, ongeacht het voorwerp ervan, die door een consument zijn gesloten met een beroepsmatig handelende wederpartij in het kader van de handels‑ of beroepsactiviteiten van deze laatste, met uitzondering van bepaalde vervoerovereenkomsten die ingevolge artikel 15, lid 3, van de werkingssfeer van de bevoegdheidsregels voor door consumenten gesloten overeenkomsten zijn uitgesloten (zie in die zin arrest van 14 mei 2009, Ilsinger, C‑180/06, EU:C:2009:303, punt 50).

29      Artikel 3 van richtlijn 2008/48 omschrijft de „consument” als een natuurlijk persoon die bij transacties in de zin van deze richtlijn handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteiten vallen.

30      De betreffende transacties, die niet zijn gedefinieerd, worden genoemd in artikel 2 van richtlijn 2008/48 („Toepassingsgebied”). Lid 1 van artikel 2 bepaalt dat deze richtlijn van toepassing is op kredietovereenkomsten, maar uit lid 2, onder c), van dat artikel blijkt dat haar werkingssfeer zich niet uitstrekt tot overeenkomsten waarvan het totale kredietbedrag minder is dan 200 EUR of meer dan 75 000 EUR.

31      Voorts moet worden opgemerkt dat, zoals in wezen ook overwogen is door de advocaat-generaal in punt 31 van zijn conclusie, uit artikel 15 van het Verdrag van Lugano II en artikel 3 van richtlijn 2008/48 volgt dat het begrip „consument” grotendeels identiek wordt omschreven in beide teksten, namelijk als een persoon die een overeenkomst sluit voor een gebruik of doel dat geen betrekking heeft op bedrijfs‑ of beroepsmatige activiteiten.

32      De transacties waar richtlijn 2008/48 betrekking op heeft, zijn echter slechts door een consument gesloten kredietovereenkomsten waarvan het totale kredietbedrag niet minder is dan de drempel van 200 EUR en niet meer is dan het plafond van 75 000 EUR, terwijl voor de consumentenovereenkomsten die onder het Verdrag van Lugano II vallen een dergelijke drempel en een dergelijk plafond niet bestaan.

33      Derhalve dient te worden onderzocht of de consumentenkredietovereenkomsten die binnen de werkingssfeer van artikel 15 van het Verdrag van Lugano II vallen, enkel de overeenkomsten zijn die vallen binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48, en dus niet de overeenkomsten die een totaal kredietbedrag betreffen van minder dan de drempel van 200 EUR of meer dan het plafond van 75 000 EUR.

34      In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat, teneinde de doelstellingen van de wetgever van de Europese Unie op het gebied van consumentenovereenkomsten te verwezenlijken en de coherentie van het Unierecht te verzekeren, met name rekening moet worden gehouden met het begrip „consument” in andere Unierechtelijke regelingen (arresten van 5 december 2013, Vapenik, C‑508/12, EU:C:2013:790, punt 25, en 25 januari 2018, Schrems, C‑498/16, EU:C:2018:37, punt 28).

35      De beoogde samenhang tussen verschillende Unierechtelijke regelingen mag er echter in geen geval toe leiden dat aan de bepalingen van een verordening inzake bevoegdheidsregels een uitlegging wordt gegeven die niet met het stelsel en de doelstellingen van deze verordening strookt (zie in die zin arrest van 16 januari 2014, Kainz, C‑45/13, EU:C:2014:7, punt 20).

36      Bijgevolg dient er ten slotte ook rekening te worden gehouden met de doelstellingen van de betrokken teksten, in casu de doelstellingen van het Verdrag van Lugano II en die van richtlijn 2008/48, teneinde te bepalen of consumentenkredietovereenkomsten die binnen de werkingssfeer van artikel 15 van het Verdrag van Lugano II vallen, slechts de overeenkomsten zijn waarop richtlijn 2008/48 van toepassing is, en dus niet overeenkomsten – zoals de overeenkomst in het hoofdgeding – met een totaal kredietbedrag van meer dan het plafond van 75 000 EUR.

37      In dat verband dient te worden opgemerkt dat het Verdrag van Lugano II en richtlijn 2008/48 verschillende doelstellingen nastreven.

38      Het doel van richtlijn 2008/48 is, zoals volgt uit de overwegingen 7 en 9 van die richtlijn, om ter zake van het consumentenkrediet op een aantal kerngebieden een volledige harmonisatie tot stand te brengen die nodig is om te waarborgen dat alle consumenten in de Unie een grondige en gelijkwaardige bescherming van hun belangen genieten en om de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken (arrest van 27 maart 2014, LCL Le Crédit Lyonnais, C‑565/12, EU:C:2014:190, punt 42).

39      Het Hof heeft overigens overwogen dat dit doel erop gericht is om consumenten een doeltreffende bescherming te bieden tegen de onverantwoorde toekenning van kredieten die hun financiële capaciteit te boven gaan en tot hun insolvabiliteit kunnen leiden (arrest van 27 maart 2014, LCL Le Crédit Lyonnais, C‑565/12, EU:C:2014:190, punt 43).

40      Hiertoe wordt met richtlijn 2008/48 beoogd om bepaalde aspecten van het materiële recht inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren, waaronder de voorwaarden voor informatieverstrekking aan een consument die ook kredietnemer is. Zo legt de richtlijn onder meer precontractuele informatieverplichtingen op aan de kredietgever.

41      Bij het nastreven van de tweeledige doelstelling van deze richtlijn – zowel de bescherming van de consument als het vergemakkelijken van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet – heeft de Uniewetgever bepaald dat consumentenkredietovereenkomsten die vallen onder de harmonisatiemaatregelen van deze richtlijn, beperkt zijn tot de overeenkomsten waarvan het totale kredietbedrag niet minder is dan een drempel van 200 EUR en niet meer dan een plafond van 75 000 EUR.

42      De doelstelling van het Verdrag van Lugano II is daarentegen niet om het materiële recht betreffende consumentenovereenkomsten te harmoniseren, maar om, net zoals verordening nr. 44/2001 en vervolgens verordening nr. 1215/2012, de regels vast te leggen die bepalen welke rechterlijke instantie bevoegd is om uitspraak te doen in een burgerlijke of handelszaak, in het bijzonder met betrekking tot een overeenkomst tussen een beroepsmatige handelende partij of een handelaar en een persoon die niet bedrijfs‑ of beroepsmatig handelt, teneinde deze laatste in die situatie te beschermen. Bij het nastreven van deze doelstelling is de werkingssfeer van het verdrag niet beperkt tot specifieke bedragen en is het verdrag van toepassing op alle soorten overeenkomsten, behalve op de in artikel 15, lid 3, van het verdrag genoemde overeenkomsten.

43      Gelet op de verschillende doelstellingen van richtlijn 2008/48 en het Verdrag van Lugano II heeft het feit dat een kredietovereenkomst zoals die in het hoofdgeding niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 valt omdat het totale kredietbedrag meer is dan het in artikel 2, lid 2, onder c), van deze richtlijn bepaalde plafond van 75 000 EUR, geen gevolgen voor het bepalen van de werkingssfeer van artikel 15 van het Verdrag van Lugano II.

44      Indien de in richtlijn 2008/48 neergelegde drempels voor het totale kredietbedrag de strekking van artikel 15 van het Verdrag van Lugano II zouden afbakenen, zou dat ertoe leiden dat, zoals ook de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie heeft opgemerkt, personen die een kredietovereenkomst gesloten hebben waarvan het bedrag lager is dan 200 EUR zich niet op de beschermende bepaling van artikel 15 kunnen beroepen. Een dergelijke situatie strookt echter niet met de doelstellingen van het Verdrag van Lugano II, aangezien er geen wezenlijk verschil bestaat tussen de veronderstelde zwakheid van een persoon die een kredietovereenkomst voor 100 EUR heeft gesloten en die van een persoon die een kredietovereenkomst voor 200 EUR heeft gesloten.

45      Wat het maximale plafond van 75 000 EUR betreft, verdient een consument die een kredietovereenkomst heeft gesloten voor een bedrag dat dit plafond overschrijdt, evenzeer de door artikel 15 geboden bescherming.

46      Hieruit volgt dat de omstandigheid dat het door het nationale recht bepaalde plafond dat van richtlijn 2008/48 niet overschrijdt evenmin relevant is om te bepalen of een kredietovereenkomst binnen de werkingssfeer van artikel 15 van het Verdrag van Lugano II valt.

47      In het licht van deze overwegingen moet het door Pillar Securitisation aangehaalde en in punt 19 van het onderhavige arrest vermelde toelichtende rapport van professor Pocar worden gelezen. In punt 81 van dat rapport wordt aangegeven dat artikel 15 van het Verdrag van Lugano II de waaier aan consumentenovereenkomsten aanzienlijk uitbreidt in vergelijking met de eerdere bepalingen die het heeft vervangen. Het rapport voegt toe dat deze opvatting over consumentenovereenkomsten de werkingssfeer van de bescherming verruimt en geldt voor alle overeenkomsten die door de Unierichtlijnen als consumentenovereenkomsten worden aangemerkt, daaronder begrepen consumentenkredietovereenkomsten, voor zover deze geregeld worden bij richtlijn 2008/48. In deze context moet de verwijzing naar deze richtlijn worden gezien als een voorbeeld en kan daaruit niet worden afgeleid dat, wanneer het gaat om consumentenkredietovereenkomsten, alleen de overeenkomsten die onder richtlijn 2008/48 vallen en niet het in die richtlijn genoemde maximale plafond overschrijden, binnen de werkingssfeer van artikel 15 van het Verdrag van Lugano II vallen.

48      Derhalve dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 15 van het Verdrag van Lugano II aldus moet worden uitgelegd dat, teneinde te bepalen of een kredietovereenkomst door een „consument” gesloten is in de zin van dat artikel, niet hoeft te worden nagegaan of de overeenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 valt in die zin dat het betrokken totale kredietbedrag het plafond van artikel 2, lid 2, onder c), van deze richtlijn niet mag overschrijden, en dat het in dat verband niet relevant is dat het nationale recht ter omzetting van de richtlijn geen hoger plafond bevat.

 Kosten

49      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 15 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, dat op 30 oktober 2007 is ondertekend en namens de Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008, dient aldus te worden uitgelegd dat, teneinde te bepalen of een kredietovereenkomst door een „consument” gesloten is in de zin van dat artikel, niet hoeft te worden nagegaan of de overeenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad valt in die zin dat het betrokken totale kredietbedrag het plafond van artikel 2, lid 2, onder c), van deze richtlijn niet mag overschrijden, en dat het in dat verband niet relevant is dat het nationale recht ter omzetting van de richtlijn geen hoger plafond bevat.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.