Language of document : ECLI:EU:C:2019:361

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

G. PITRUZZELLA

van 2 mei 2019 (1)

Zaak C70/18

Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

tegen

A,

B,

P

[verzoek van de Raad van State (Nederland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Associatieovereenkomst EEG/Turkije – Vrij verkeer van personen – Werknemers – Standstillbepalingen – Besluit nr. 1/80 – Artikel 13 – Nieuwe beperkingen – Verbod – Biometrische gegevens van Turkse staatsburgers – Verstrekking van die gegevens aan derden – Dwingende reden van algemeen belang – Voorkoming en bestrijding van identiteits‑ en documentfraude – Noodzaak en evenredigheid – Voorkoming, opsporing en onderzoek van misdrijven – Onzeker en indirect effect”






1.        De onderhavige prejudiciële verwijzing stelt de vraag aan de orde of de verplichting voor Turkse werknemers die het Nederlandse grondgebied willen binnenkomen om er arbeid in loondienst te verrichten, alsmede voor gezinsleden van reeds op dat grondgebied verblijvende Turkse werknemers, die zich daar bij hen willen voegen, om tien vingerafdrukken en een gezichtsopname af te staan, waarna die biometrische gegevens worden opgeslagen in de vreemdelingenadministratie, die kan worden geraadpleegd ofwel om de authenticiteit van documenten en de identiteit van de houder van een document te verifiëren, ofwel om plegers van misdrijven te identificeren, een beperking vormt die verboden is op grond van artikel 7 van besluit nr. 2/76(2) van 20 december 1976 (hierna: „besluit nr. 2/76”), dat is vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963(3) (hierna: „Associatieovereenkomst”), en – vooral – op grond van artikel 13 van besluit nr. 1/80(4) van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie (hierna: „besluit nr. 1/80”).

I.      Toepasselijke bepalingen

2.        De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling laat zich als volgt omschrijven.

3.        Volgens de Nederlandse wetgeving moeten staatsburgers van derde landen, met inbegrip van Turkse staatsburgers, die langer dan 90 dagen in Nederland willen verblijven voor een regulier verblijfsdoel, bij binnenkomst op het Nederlandse grondgebied in beginsel in het bezit zijn van een machtiging tot voorlopig verblijf. Een dergelijke machtiging wordt afgegeven door de consulaire en diplomatieke autoriteiten van Nederland. Een derdelander moet ter verkrijging van een machtiging tot voorlopig verblijf aan bepaalde materiële voorwaarden voldoen en is daarnaast verplicht tot „het verlenen van medewerking aan het vastleggen van gegevens met het oog op [zijn] identificatie”(5).

4.        De Nederlandse autoriteiten zijn op grond van de Vreemdelingenwet bevoegd om de biometrische gegevens van derdelanders af te nemen en te verwerken. Zo bepaalt artikel 106a van de Vreemdelingenwet, kort gezegd, dat van een derdelander een gezichtsopname en tien vingerafdrukken kunnen worden afgenomen en verwerkt voor het vaststellen van de identiteit met het oog op de uitvoering van deze wet. Die gegevens worden meteen vergeleken met de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie, waarna zij in dat bestand worden opgeslagen.

5.        Volgens artikel 107 van de Vreemdelingenwet is er een vreemdelingenadministratie die de in artikel 106a van deze wet genoemde biometrische gegevens bevat. In dezelfde bepaling staat ook dat die gegevens worden verwerkt met het oog op de uitvoering van genoemde wet(6), alsmede met het oog op de opsporing en vervolging van misdrijven(7). De voorwaarden waaronder de biometrische gegevens van derdelanders beschikbaar kunnen worden gesteld ten behoeve van de opsporing en vervolging van misdrijven, zijn vastgelegd in artikel 107, lid 6, van de Vreemdelingenwet. Volgens die bepaling vindt de verstrekking van gegevens uit de vreemdelingenadministratie slechts plaats in geval van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten(8) en na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de verdachte een vreemdeling is(9), of in het belang van het onderzoek wanneer het opsporingsonderzoek op een dood spoor is beland, dan wel snel resultaat geboden is bij de opheldering van het misdrijf(10). Bovendien moet er sprake zijn van ernstige bezwaren tegen de verdachte.

6.        De biometrische gegevens worden bewaard gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf een van de volgende momenten: de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf, de datum van vertrek uit Nederland indien een rechtmatig verblijf is geëindigd, of het aflopen van de geldigheidsduur van een inreisverbod of een ongewenstverklaring. Na die periode worden de gegevens dus vernietigd; of eerder ingeval de derdelander tot Nederlander wordt genaturaliseerd.(11)

7.        Blijkens de verwijzingsbeslissing kan de bevoegdheid om biometrische gegevens af te nemen, te verwerken en te bewaren in de vreemdelingenadministratie worden uitgeoefend ten aanzien van derdelanders die een vergunning wensen te verkrijgen voor een verblijf in Nederland van meer dan 90 dagen, en ten aanzien van derdelanders die illegaal in deze lidstaat verblijven.

II.    Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof

8.        B is een in 1982 geboren Turks staatsburger wiens echtgenote, P(12), zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit heeft. Op 17 februari 2014 heeft P een aanvraag ingediend om B een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging te verlenen. Na die aanvraag aanvankelijk te hebben afgewezen, heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: „staatssecretaris”) uiteindelijk bij besluit van 4 april 2014 de gevraagde machtiging tot voorlopig verblijf verleend, zij het onder de voorwaarde dat B zijn biometrische gegevens zou afstaan. B heeft daarmee ingestemd, waarna hij op 2 mei 2014 samen met P bezwaar heeft gemaakt tegen de afname en verwerking van zijn biometrische gegevens. B en P voerden aan dat de verplichting voor B om zijn biometrische gegevens af te staan, in strijd was met artikel 7 van besluit nr. 2/76 en artikel 13 van besluit nr. 1/80. Op 23 december 2014 heeft de staatssecretaris het argument van de hand gewezen dat die verplichting een nieuwe beperking in de zin van die bepalingen vormde, door erop te wijzen dat er al sinds 1965 een wettelijke verplichting bestond om medewerking te verlenen aan het vastleggen van gegevens met het oog op identificatie. Het afnemen en verwerken van de biometrische gegevens leverde volgens de staatssecretaris weliswaar een aantasting op van de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(13) gewaarborgde rechten, maar die aantasting werd in zijn ogen gerechtvaardigd door een legitiem doel. Het afnemen en verwerken van de biometrische gegevens was volgens de staatssecretaris evenmin in strijd met artikel 9 van de Associatieovereenkomst.(14) Anders dan bij burgers van de Unie, zo stelde de staatssecretaris, is de verblijfstitel van Turkse staatsburgers bij een eerste toelating niet declaratoir, maar constitutief van aard, wat rechtvaardigt dat de biometrische gegevens van burgers van de Unie niet worden afgenomen en opgeslagen. De staatssecretaris benadrukte voorts dat de paspoorten van burgers van de Unie van biometrische gegevens zijn voorzien.

9.        A is een in 1966 geboren Turks staatsburger die met ingang van 1 december 2013 is aangesteld om voor de duur van vijf jaar arbeid als internationaal chauffeur te verrichten. Op 15 november 2013 heeft A’s referent – zijn werkgever – een aanvraag ingediend om A een machtiging tot voorlopig verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst te verlenen. Op 28 maart 2014 heeft de staatssecretaris die aanvraag ingewilligd, zij het met het voorbehoud dat de machtiging tot voorlopig verblijf pas zou worden verleend nadat A zijn biometrische gegevens zou hebben afgestaan. Na aan de afname van die gegevens te hebben meegewerkt, heeft A bezwaar gemaakt tegen de afname en verwerking van zijn biometrische gegevens. De staatssecretaris heeft in zijn besluit op bezwaar van 6 januari 2015 hetzelfde standpunt ingenomen als in zijn besluit van 23 december 2014 waarbij hij het bezwaar van B en P ongegrond heeft verklaard.

10.      Zowel A als B en P hebben tegen het besluit van de staatssecretaris beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag (Nederland), die in de twee zaken uitspraak heeft gedaan op 3 februari 2016. De rechtbank Den Haag heeft om te beginnen overwogen dat de verplichting om mee te werken aan de afname en de verwerking van biometrische gegevens, die een voorwaarde is voor het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf, een formele voorwaarde is voor toelating tot het Nederlandse grondgebied en, gelet op de betrokken gegevens, als zodanig een nieuwe voorwaarde is. De rechtbank Den Haag heeft vervolgens overwogen dat het met die verplichting beoogde doel, te weten het voorkomen en bestrijden van identiteits‑ en documentfraude, legitiem is. Zij heeft tot slot geoordeeld dat de betrokken verplichting geen evenredig middel is om dat legitieme doel te bereiken. Daartoe heeft zij overwogen dat de staatssecretaris niet aannemelijk had gemaakt dat de verwerking van de biometrische gegevens in de in artikel 107, lid 1, van de Vreemdelingenwet bedoelde vreemdelingenadministratie noodzakelijk is. De staatssecretaris zou niet hebben aangetoond dat Turkse staatsburgers meer dan andere derdelanders gebruikmaken van vervalste reisdocumenten of van authentieke documenten die zijn afgegeven op basis van vervalste documenten. Het argument dat het aanleggen van een dergelijk bestand noodzakelijk zou zijn om zich ervan te kunnen vergewissen dat de houder van het reisdocument – dat al biometrische gegevens bevat – niet reeds eerder een aanvraag heeft ingediend onder een andere identiteit, heeft de rechtbank Den Haag niet aanvaard omdat in haar ogen de situatie van Turkse staatsburgers in dit opzicht niet verschilt van die van burgers van de Unie die geen Nederlander zijn en wier biometrische gegevens volgens de nationale wetgeving niet in een centraal bestand worden opgeslagen. De rechtbank Den Haag heeft tot slot geoordeeld dat de beschikbaarstelling van de biometrische gegevens ten behoeve van de identificatie van plegers van misdrijven verder gaat dan noodzakelijk is om het legitieme doel te bereiken. Zij is tot de slotsom gekomen dat de verplichting om mee te werken aan de afname van biometrische gegevens, en daarmee aan de verwerking van die gegevens in de vreemdelingenadministratie overeenkomstig artikel 107 van de Vreemdelingenwet, een nieuwe beperking vormt die op grond van artikel 7 van besluit nr. 2/76 en artikel 13 van besluit nr. 1/80 verboden is.

11.      De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Hij betoogt dat de afname van de biometrische gegevens en de verwerking van deze gegevens in een vreemdelingenadministratie noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van het legitieme doel van voorkoming en bestrijding van identiteitsfraude. Volgens de staatssecretaris maakt de vergelijking van de tien vingerafdrukken de identificatie betrouwbaarder en is de termijn voor bewaring van de gegevens noodzakelijk en evenredig ten opzichte van het doel van het betrouwbaar vaststellen van de identiteit van derdelanders. De staatssecretaris voert ook aan dat de bevoegdheid om biometrische gegevens te verwerken, op 1 maart 2021 komt te vervallen, zodat de periode waarin van deze bevoegdheid kan worden gebruikgemaakt, beperkt is. De beschikbaarstelling van biometrische gegevens ten behoeve van de identificatie van plegers van misdrijven dient volgens de staatssecretaris het legitieme doel van handhaving van de openbare orde en is in zijn ogen evenredig.

12.      De verwijzende rechter gaat ervan uit dat de bevoegdheid om de biometrische gegevens van Turkse staatsburgers af te nemen en te verwerken, een nieuwe beperking is in de zin van artikel 7 van besluit nr. 2/76 en artikel 13 van besluit nr. 1/80. Zich baserend op onder meer het arrest Genc(15), waaruit volgt dat een nieuwe beperking verboden is, tenzij zij haar rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde legitieme doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken daarvan, vraagt de verwijzende rechter zich met name af of het afnemen en verwerken van de biometrische gegevens noodzakelijk en evenredig is. Ten eerste heeft hij twijfels over de noodzaak en evenredigheid van het aanleggen van een vreemdelingenadministratie waarin de biometrische gegevens gedurende een relatief lange periode worden bewaard. Ten tweede vraagt hij zich af of het feit dat de gegevens uit het bestand beschikbaar kunnen worden gesteld aan de politieautoriteiten in het kader van de vaststelling van de identiteit van de pleger van een misdrijf, niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van het legitieme doel van rechtshandhaving op strafrechtelijk gebied.

13.      Tegen deze achtergrond heeft de Raad van State (Nederland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof bij op 2 februari 2018 ter griffie van het Hof ingekomen beslissing verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      a)      Moeten artikel 7 van besluit nr. 2/76 onderscheidenlijk artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen zich niet verzetten tegen een nationale regeling die voorziet in het algemeen verwerken en bewaren van biometrische gegevens van onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen, in een bestand in de zin van artikel 2, aanhef en onder a) en b), van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[(16)], omdat deze nationale regeling niet verder gaat dan nodig is voor het verwezenlijken van het met deze regeling nagestreefde legitieme doel om identiteits‑ en documentfraude te voorkomen en bestrijden?

b)      Is daarbij van belang dat de duur van het bewaren van de biometrische gegevens is gekoppeld aan de duur van het legale en/of illegale verblijf van onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen?

2)      Moet artikel 7 van besluit nr. 2/76 onderscheidenlijk artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling geen beperking in de zin van deze bepalingen vormt, indien het effect van de nationale regeling op de toegang tot de werkgelegenheid, als bedoeld in deze bepalingen, te onzeker en indirect is om te kunnen aannemen dat deze toegang wordt belemmerd?

3)      a)      Indien het antwoord op vraag 2 is dat een nationale regeling die het mogelijk maakt de biometrische gegevens van onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen, uit een bestand aan derden beschikbaar te stellen met het oog op [het] voorkomen, opsporen en onderzoeken van – al dan niet terroristische – misdrijven een nieuwe beperking is, moet artikel 52, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 8 van het [Handvest], dan aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een dergelijke nationale regeling?

b)      Is daarbij van belang dat deze onderdaan op het moment dat hij als verdachte van een misdrijf is aangehouden het verblijfsdocument, waarop zijn biometrische gegevens zijn opgeslagen, bij zich heeft?”

14.      In deze zaak hebben A, de Nederlandse en de Deense regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend.

15.      De zitting bij het Hof heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Ter terechtzitting hebben A, de Nederlandse en de Ierse regering alsmede de Commissie pleidooi gehouden.

III. Analyse

A.      Inleidende opmerkingen

16.      Voorafgaand aan de analyse zou ik drie inleidende opmerkingen willen maken.

17.      In de eerste plaats bevat zowel artikel 7 van besluit nr. 2/76 als artikel 13 van besluit nr. 1/80 een volstrekt duidelijke standstillclausule, die de invoering verbiedt van nieuwe beperkingen voor de toegang tot de arbeidsmarkt van werknemers wier verblijf en arbeid op het grondgebied van de overeenkomstsluitende staten legaal zijn.(17) Die bepalingen verbieden derhalve in algemene zin de invoering van nieuwe nationale maatregelen die tot doel of tot gevolg hebben dat aan de gebruikmaking door een Turks staatsburger van het vrije verkeer van werknemers op het nationale grondgebied strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke golden bij de inwerkingtreding van genoemde besluiten voor de betrokken lidstaat.(18) Het Hof heeft reeds geoordeeld dat artikel 7 van besluit nr. 2/76 ratione temporis van toepassing is op de nationale maatregelen die zijn ingevoerd in de periode van 20 december 1976 tot en met 30 november 1980, terwijl artikel 13 van besluit nr. 1/80 ratione temporis van toepassing is op de nationale maatregelen die zijn ingevoerd vanaf 1 december 1980.(19) Daar de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling voortvloeit uit wetten en besluiten die zijn aangenomen na laatstgenoemde datum, valt zij uitsluitend binnen de temporele werkingssfeer van artikel 13 van besluit nr. 1/80. Ik zal die regeling dan ook enkel in het licht van die bepaling onderzoeken.

18.      In de tweede plaats merk ik op dat het Hof niet wordt gevraagd of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling chronologisch gezien wel of niet een nieuwe beperking vormt, noch of zij wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang in de zin van de rechtspraak van het Hof. Dat zijn de eerste twee stappen van de toets die het Hof uitvoert om te bepalen of er sprake is van een nieuwe beperking die verenigbaar is met artikel 13 van besluit nr. 1/80.(20) Het Hof wordt in casu enkel verzocht om zich uit te spreken over de noodzaak en de evenredigheid van de regeling. Hoewel het Hof uiteraard gebonden is door de vragen die de verwijzende rechter heeft geformuleerd, plaats ik toch vraagtekens bij de bewering dat de verplichting om mee te werken aan de afname van de biometrische gegevens, zonder meer een nieuwe beperking vormt. Uit het dossier blijkt namelijk dat vanaf 1965 biometrische gegevens konden worden afgenomen indien de ambtenaar die belast was met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, van oordeel was dat daarvoor gegronde redenen waren.(21) In deze omstandigheden zou kunnen worden verdedigd dat de bepalingen van de in 2013 gewijzigde versie van de Vreemdelingenwet, die onder meer Turkse werknemers en hun gezinsleden verplichten om mee werken aan de afname van tien vingerafdrukken en een gezichtsopname, strikt genomen niet als een nieuwe beperking moeten worden beschouwd, maar eerder als een nieuwe technologische ontwikkeling met betrekking tot een identificatieverplichting die al vóór de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 in het Nederlandse recht bestond. Het bestaan van een dergelijke beperking zou dus in twijfel kunnen worden getrokken.

19.      Evenwel kan niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling niet uitsluitend voorschrijft dat de biometrische gegevens worden afgenomen, maar ook dat die gegevens worden verwerkt in een bestand dat door derden kan worden geraadpleegd voor diverse doeleinden, en dat die gegevens worden bewaard gedurende een periode die in de praktijk zeer lang kan uitvallen. De door mij genoemde nieuwe technologische ontwikkeling heeft geresulteerd in een mogelijke aantasting van de rechten van Turkse werknemers die rechtvaardigt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling wordt beschouwd als een beperking die „nieuw” is in vergelijking met de omvang van de verplichting zoals die in 1965 was ingevoerd.

20.      Bovendien heeft het Hof reeds aanvaard dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 vanaf de datum van inwerkingtreding in de betrokken lidstaat van dit besluit de invoering verbiedt van nieuwe beperkingen van de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers, met inbegrip van beperkingen betreffende de materiële en/of procedurele voorwaarden inzake de eerste toelating tot het grondgebied van deze lidstaat van Turkse staatsburgers die voornemens zijn aldaar van deze vrijheid gebruik te maken(22), zoals het geval lijkt te zijn bij A. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling lijkt op het eerste gezicht dus wel degelijk binnen de materiële werkingssfeer van artikel 13 van besluit nr. 1/80 te vallen.(23)

21.      In de derde plaats wijs ik erop dat de verwijzende rechter zelf reeds het bestaan van twee dwingende redenen van algemeen belang heeft vastgesteld, namelijk enerzijds het voorkomen en bestrijden van identiteits‑ en documentfraude, en anderzijds het voorkomen, opsporen en onderzoeken van misdrijven. Die vaststelling moet door het Hof worden bevestigd. Het doel van voorkoming van identiteits‑ en documentfraude is immers vergelijkbaar met het doel van voorkoming van illegale binnenkomst en illegaal verblijf, en zelfs met het doel van een efficiënt beheer van de migratiestromen, waarbij het Hof deze twee doelen reeds als dwingende reden van algemeen belang heeft gekwalificeerd.(24) Het doel van het voorkomen, opsporen en onderzoeken van misdrijven is bij mijn weten weliswaar nog niet door het Hof erkend als een dwingende reden van algemeen belang in de context van de Associatieovereenkomst, maar het moet worden beschouwd als een uitvloeisel van het doel van handhaving van de openbare orde, dat volgens artikel 14, lid 1, van besluit nr. 1/80(25) een nieuwe beperking kan rechtvaardigen en daarmee een legitiem doel is.

22.      Na deze inleidende opmerkingen zal ik thans de eerste vraag onderzoeken.

B.      Eerste prejudiciële vraag

23.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, die voorziet in het verwerken en bewaren van biometrische gegevens van derdelanders, waaronder Turkse werknemers en hun gezinsleden, teneinde identiteits‑ en documentfraude te voorkomen en te bestrijden, niet verder gaat dan nodig is om het nagestreefde legitieme doel te bereiken. De verwijzende rechter vraagt zich af of in dit verband de bewaartermijn een factor is die in aanmerking moet worden genomen. Bij deze vraag gaat het dus erom dat wordt vastgesteld of de nieuwe beperking, namelijk de voor Turkse staatsburgers geldende verplichting om mee te werken aan het afnemen van hun biometrische gegevens met het oog op verdere registratie en verwerking in de vreemdelingenadministratie, gerechtvaardigd is in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80.

24.      De belangrijkste kenmerken van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling laten zich als volgt samenvatten. Staatsburgers van derde landen zijn, uitzonderingen daargelaten(26), verplicht om mee te werken aan het afnemen van tien vingerafdrukken en een gezichtsopname wanneer wordt overwogen om aan hen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. Die machtiging wordt afgegeven in de vorm van een sticker in het geldige reisdocument. Die sticker bevat de biometrische gegevens van de houder van de machtiging tot voorlopig verblijf. Twee van de vingerafdrukken zullen worden opgeslagen op de verblijfsvergunning die de betrokkene bij aankomst in Nederland zal ontvangen. Daarnaast worden alle afgenomen gegevens opgeslagen in het biometrieregister voor de vreemdelingenketen, dat een onderdeel is van de vreemdelingenadministratie. Dat vreemdelingenbestand, inclusief het register, is slechts toegankelijk voor specifiek daartoe gemachtigde medewerkers van de autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van het nationale vreemdelingenbeleid, dat wil zeggen in beginsel voor de medewerkers van diplomatieke en consulaire posten in het kader van hun taakuitoefening. De ontvangende autoriteiten kunnen alleen gegevens verifiëren, in voorkomend geval door het bestand te raadplegen. De invoering van het biometrieregister als onderdeel van de vreemdelingenadministratie beantwoordt aan de noodzaak om niet alleen de identiteit te kunnen vaststellen van de persoon die het reisdocument in zijn bezit heeft en presenteert, maar ook te kunnen nagaan of de houder van de machtiging tot voorlopig verblijf dezelfde persoon is als degene die de desbetreffende aanvraag heeft gedaan. Door de gegevens van de aanvrager te vergelijken met de gegevens die reeds in het bestand zijn opgeslagen, kunnen de autoriteiten zich bovendien ervan vergewissen dat de aanvrager niet reeds een aanvraag heeft ingediend onder een andere identiteit, noch eerder illegaal op het Nederlandse grondgebied heeft verbleven. De gegevens worden in het bestand bewaard gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf een van de volgende momenten: de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf, de datum van vertrek uit Nederland indien een rechtmatig verblijf is geëindigd, of het aflopen van de geldigheidsduur van een inreisverbod of een ongewenstverklaring. De biometrische gegevens worden meteen vernietigd indien de betrokkene tot Nederlander wordt genaturaliseerd. De relatief lange bewaartermijn zou zijn verklaring vinden in het doel van voorkoming van identiteitswisselingen, aangezien een dergelijke identiteitswisseling kan plaatsvinden nadat de betrokkene zijn verblijf op het Nederlandse grondgebied heeft beëindigd.

25.      Om de gestelde vraag te beantwoorden, moet om te beginnen worden opgemerkt dat biometrische gegevens gevoelige persoonsgegevens zijn, waarvan het gebruik en de verwerking aan regels moeten worden gebonden. Die gegevens worden als zodanig beschermd door artikel 8 van het Handvest. Hun rol bij de identificatie van personen is in de rechtspraak van het Hof reeds erkend. Met name heeft het Hof reeds geoordeeld dat vingerafdrukken onder het begrip „persoonsgegevens” vallen, daar zij objectief gezien unieke informatie geven over natuurlijke personen, en het mogelijk maken deze personen precies te identificeren.(27) De Uniewetgever heeft bepaald dat dit soort gegevens mag worden gebruikt met het oog op de vaststelling van de identiteit van burgers van de Unie(28) of van derdelanders(29). Voorts moeten de afname van de vingerafdrukken door de nationale autoriteiten en de opslag daarvan in de sticker en in de vreemdelingenadministratie worden beschouwd als een verwerking van persoonsgegevens, die eveneens aan regels is gebonden.(30)

26.      Elke verwerking van persoonsgegevens door een derde kan een aantasting van het recht op bescherming van persoonsgegevens opleveren.(31) De uitzonderingen op de bescherming van persoonsgegevens en de beperkingen daarvan moeten binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven.(32) Tegen de achtergrond van deze overwegingen zal dus moeten worden onderzocht of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling noodzakelijk en evenredig is. Daartoe zal moeten worden nagegaan of de afname en de opslag van de betrokken gegevens noodzakelijk zijn om het beoogde doel te bereiken, en zullen daarnaast de aard van die gegevens, de hoeveelheid ervan en de bewaartermijn moeten worden onderzocht, alsmede de voorwaarden waaronder de gegevens uit het bestand kunnen worden geraadpleegd.

27.      Zoals ik reeds heb opgemerkt, lijkt het volkomen legitiem voor een lidstaat om door middel van de vaststelling van de voorwaarden voor binnenkomst op zijn grondgebied ervoor te zorgen dat de juiste identiteit kan worden vastgesteld van de persoon die een machtiging tot voorlopig verblijf heeft aangevraagd. De opslag van twee vingerafdrukken in de sticker maakt het mogelijk zich ervan te verzekeren dat de houder van die sticker inderdaad de persoon is aan wie de machtiging tot voorlopig verblijf is afgegeven. Ook de opslag van de biometrische gegevens van de aanvragers in de vreemdelingenadministratie lijkt mij noodzakelijk in het licht van de door de Nederlandse regering – en door de andere regeringen die in de onderhavige prejudiciële procedure opmerkingen hebben ingediend – aangevoerde noodzaak om identiteitsfraude te bestrijden, wat betekent dat men zich ervan moet kunnen vergewissen dat een aanvrager niet al eerder een aanvraag heeft ingediend onder een andere identiteit, door de vingerafdrukken van die aanvrager te vergelijken met de vingerafdrukken die reeds zijn opgeslagen.

28.      De aard van de verzamelde gegevens strookt vanzelfsprekend met het beoogde doel, gelet op het intrinsieke verband tussen de biometrische gegevens van een persoon en diens identiteit.

29.      De hoeveelheid gegevens lijkt niet buitensporig. De Uniewetgever heeft er overigens voor gekozen om aanvragers van een visum te verplichten tien vingerafdrukken en een gezichtsopname af te staan.(33) Die gegevens worden ook verwerkt, namelijk in het Visuminformatiesysteem(34), dat tot doel heeft de uitvoering van het gemeenschappelijk visumbeleid te verbeteren en fraude te bestrijden.

30.      De bewaartermijn moet uiteraard in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of de nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 evenredig is. Volgens de rechtspraak van het Hof moet een dergelijke termijn steeds beantwoorden aan objectieve criteria die een verband leggen tussen de te bewaren persoonsgegevens en het nagestreefde doel.(35) De Nederlandse regering erkent dat de bewaartermijn in de praktijk zeer dikwijls boven vijf jaar zal uitkomen, daar die termijn is gekoppeld aan de duur van het verblijf in Nederland. Toch lijkt die termijn te zijn vastgesteld met inachtneming van het beoogde doel. De noodzaak om de identiteit van de aanvrager van een machtiging tot voorlopig verblijf met zekerheid te kunnen vaststellen, verdwijnt niet zodra de betrokkene het Nederlandse grondgebied is binnengekomen of dat grondgebied heeft verlaten. Er kan opnieuw reden zijn om die identiteit te verifiëren in het kader van een hernieuwd onderzoek of een mogelijke verlenging van het verblijfsrecht van de betrokkene. Zo ook kan de bestrijding van identiteitsfraude en van het aannemen van verschillende identiteiten rechtvaardigen dat de biometrische gegevens gedurende een langere periode in de vreemdelingenadministratie worden bewaard. Dat kan trouwens in het voordeel zijn van derdelanders die reeds op het Nederlandse grondgebied aanwezig zijn, ingeval in hun naam en dus onder hun valse identiteit een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf zou worden ingediend. Het consulaire personeel zou dan bijvoorbeeld kunnen vaststellen dat met de opgegeven identiteit reeds afgenomen biometrische gegevens corresponderen. De Commissie heeft in dit verband pertinent opgemerkt dat volgens haar voorstel tot wijziging van de VIS‑verordening de termijn voor het bewaren van de gegevens van aanvragers van een visum, een visum voor verblijf van langere duur of zelfs een verblijfsvergunning zou moeten worden gesteld op vijf jaar na het aflopen van de geldigheidsduur van het visum of de vergunning.(36)

31.      De voorwaarden waaronder het bestand kan worden geraadpleegd, zijn in lijn met de functie en het doel van het bestand, aangezien het personeel van diplomatieke en consulaire posten bevoegd is om gegevens in het bestand op te slaan en om het bestand te raadplegen, steeds met als doel om de identiteit van de aanvrager te verifiëren en om identiteitsfraude uit te sluiten. De ontvangende autoriteiten zijn slechts bevoegd om het bestand voor die doeleinden te raadplegen.

32.      Bij het onderzoek van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling is bijgevolg niet gebleken van enige grond waarop zou kunnen worden gesteld dat de nieuwe beperking geen noodzakelijk en evenredig middel is om de ermee beoogde doelstelling van bestrijding van identiteits‑ en documentfraude te bereiken.

33.      Uit hetgeen voorafgaat volgt derhalve dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de regeling die aan de orde is in het hoofdgeding, op grond waarvan Turkse werknemers die het Nederlandse grondgebied willen binnenkomen om er arbeid in loondienst te verrichten, alsmede gezinsleden van reeds op dat grondgebied verblijvende Turkse werknemers, die zich daar bij hen willen voegen, ter verkrijging van de machtiging tot voorlopig verblijf waarover zij bij binnenkomst op het Nederlandse grondgebied moeten beschikken indien zij langer dan 90 dagen in Nederland wensen te verblijven, verplicht zijn om mee te werken aan het afnemen van tien vingerafdrukken en een gezichtsopname, welke gegevens vervolgens worden opgeslagen en verwerkt in een vreemdelingenadministratie die door de medewerkers van de diplomatieke, consulaire en ontvangende autoriteiten kan worden geraadpleegd teneinde identiteits‑ en documentfraude te voorkomen en te bestrijden, terwijl de termijn voor het bewaren van die gegevens is gesteld op vijf jaar na de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf, na het vertrek uit Nederland nadat een rechtmatig verblijf is geëindigd, of na het aflopen van de geldigheidsduur van een inreisverbod of een ongewenstverklaring.

C.      Tweede en derde prejudiciële vraag

34.      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling wellicht niet onder het begrip „nieuwe beperking” in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 valt, omdat het effect ervan op de toegang van Turkse staatsburgers tot de werkgelegenheid te onzeker en indirect is om te kunnen aannemen dat die toegang wordt belemmerd. Ondanks de algemene formulering van de tweede vraag blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat deze vraag verband houdt met de tweede functie van de vreemdelingenadministratie, namelijk het voorkomen, opsporen en onderzoeken van misdrijven.

35.      Zoals ik reeds in herinnering heb gebracht, verbiedt de in artikel 13 van besluit nr. 1/80 opgenomen standstillclausule in algemene zin de invoering van nieuwe nationale maatregelen die tot doel of tot gevolg hebben dat aan de gebruikmaking door een Turks staatsburger van het vrije verkeer van werknemers op het grondgebied van de betrokken lidstaat strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke voor hem golden bij de inwerkingtreding van dat besluit. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling moet dus buiten toepassing worden gelaten ingeval de nieuwe beperking afbreuk doet aan de vrijheid van A om in Nederland een werkzaamheid in loondienst uit te oefenen. Voorts kan ook de beslissing van P om zich als Turkse werknemer in Nederland te vestigen en vooral om daar te blijven, ongunstig worden beïnvloed wanneer de nationale wettelijke regeling gezinshereniging met B moeilijk of onmogelijk maakt, omdat P zich dan mogelijkerwijs genoopt ziet te kiezen tussen haar activiteit in Nederland en haar gezinsleven in Turkije.(37) De vraag is hier dus of de enkele mogelijkheid dat de biometrische gegevens van Turkse staatsburgers – werknemers of gezinsleden van werknemers – zullen worden gebruikt voor strafrechtelijke doeleinden, de uitoefening van een economische activiteit door de genoemde werknemers ongunstig kan beïnvloeden en dus wel degelijk een „nieuwe beperking”, in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80, van de uitoefening van het vrije verkeer door die Turkse werknemers vormt.

36.      In dit verband moet worden herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof dat uit de bewoordingen van de Associatieovereenkomst en uit het doel van besluit nr. 1/80 moet worden afgeleid dat de in het kader van de artikelen 45 en 46 VWEU erkende beginselen zo veel mogelijk moeten worden toegepast op Turkse staatsburgers die de bij het genoemde besluit toegekende rechten genieten.(38) De rechtspraak van het Hof over het begrip „belemmering van het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie” moet dus als richtsnoer dienen om te bepalen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, voor zover daarin is bepaald dat de biometrische gegevens die bij Turkse staatsburgers worden afgenomen wanneer aan hen de machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgegeven die zij hebben aangevraagd om in Nederland arbeid in loondienst te kunnen gaan verrichten of om zich te kunnen voegen bij een Turkse werknemer die reeds in Nederland verblijft, zullen kunnen worden geraadpleegd om plegers van misdrijven te identificeren, de uitoefening door de betrokken Turkse staatsburgers van hun economische activiteit ongunstig kan beïnvloeden.

37.      De verwijzende rechter en de Nederlandse regering hebben zich met name beroepen op het arrest Graf(39). Uit dat arrest, dat betrekking heeft op het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, volgt dat wanneer het beperkende effect van een nationale maatregel te onzeker en indirect is, die maatregel niet kan worden geacht het vrije verkeer van werknemers te belemmeren.(40)

38.      In het onderhavige geval is naar mijn mening de gebeurtenis die erin bestaat dat de in de vreemdelingenadministratie opgeslagen biometrische gegevens van A of B beschikbaar worden gesteld als hulpmiddel bij de identificatie van verdachten van misdrijven, te onzeker en indirect om te kunnen aannemen dat Turkse werknemers daardoor in de uitoefening van het hun toekomende recht van vrij verkeer worden beperkt.

39.      In mijn ogen is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, voor zover zij het mogelijk maakt dat de biometrische gegevens van Turkse werknemers en hun gezinsleden beschikbaar worden gesteld om plegers van misdrijven te kunnen identificeren, niet van dien aard dat zij deze werknemers belet of ervan weerhoudt op het Nederlandse grondgebied te verblijven en aldaar een economische activiteit uit te oefenen, daar die beschikbaarstelling afhangt van een reeks toekomstige en hypothetische gebeurtenissen, te weten a) het feit dat men wordt verdacht van een misdrijf voor het oplossen waarvan raadpleging van de vreemdelingenadministratie is toegestaan, of het feit dat raadpleging van het bestand in het belang van het onderzoek is; b) het feit dat er een redelijk vermoeden bestaat dat de pleger van het misdrijf een derdelander is; c) het feit dat er wegens het gedrag van die vreemdeling ernstige bezwaren jegens hem bestaan, en, ten slotte, d) het feit dat de raadpleging van de vreemdelingenadministratie plaatsvindt op vordering van de officier van justitie en na machtiging van de rechter.(41)

40.      Het lijkt mij dan ook onwaarschijnlijk dat P ervan zou worden weerhouden in Nederland te blijven werken wegens het feit dat de biometrische gegevens van haar echtgenoot eventueel ter beschikking zullen worden gesteld van de bevoegde autoriteiten ingeval die echtgenoot er serieus van zou worden verdacht een misdrijf te hebben gepleegd, of dat A om die reden bereid zou zijn om zijn baan als internationaal chauffeur op te geven. De onweersproken bewering van de Nederlandse regering dat de vreemdelingenadministratie 10 tot 30 keer per jaar voor strafrechtelijke doeleinden wordt geraadpleegd, bevestigt in mijn ogen dat het effect van die raadpleging op de uitoefening van de aan Turkse werknemers toekomende vrijheid van verkeer te onzeker en indirect is. De Nederlandse regering heeft ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Hof ook bevestigd dat de gegevens van verzoekers in het hoofdgeding niet in de strafrechtketen zijn gebruikt.

41.      In deze omstandigheden vormt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, voor zover zij het mogelijk maakt de in een bestand opgeslagen biometrische gegevens van Turkse werknemers en hun gezinsleden aan derden beschikbaar te stellen met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van misdrijven, geen nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80, aangezien het effect van die regeling op de toegang van de betrokken werknemers tot arbeid te onzeker en indirect is.

42.      Aangezien de derde prejudiciële vraag aan het Hof wordt voorgelegd voor het geval de tweede vraag bevestigend zou worden beantwoord, kan die vraag volgens mijn analyse onbesproken blijven.

IV.    Conclusie

43.      Gelet op al het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Raad van State te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 13 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de regeling die aan de orde is in het hoofdgeding, op grond waarvan Turkse werknemers die het Nederlandse grondgebied willen binnenkomen om er arbeid in loondienst te verrichten, alsmede gezinsleden van reeds op dat grondgebied verblijvende Turkse werknemers, die zich daar bij hen willen voegen, ter verkrijging van de machtiging tot voorlopig verblijf waarover zij bij binnenkomst op het Nederlandse grondgebied moeten beschikken indien zij langer dan 90 dagen in Nederland wensen te verblijven, verplicht zijn om mee te werken aan het afnemen van tien vingerafdrukken en een gezichtsopname, welke gegevens vervolgens worden opgeslagen en verwerkt in een vreemdelingenadministratie die door de medewerkers van de diplomatieke, consulaire en ontvangende autoriteiten kan worden geraadpleegd teneinde identiteits‑ en documentfraude te voorkomen en te bestrijden, terwijl de termijn voor het bewaren van die gegevens is gesteld op vijf jaar na de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf, na het vertrek uit Nederland nadat een rechtmatig verblijf is geëindigd, of na het aflopen van de geldigheidsduur van een inreisverbod of een ongewenstverklaring.

2)      Voor zover de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling het mogelijk maakt de in een bestand opgeslagen biometrische gegevens van Turkse werknemers en hun gezinsleden aan derden beschikbaar te stellen met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van misdrijven, vormt zij geen nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80, aangezien het effect van die regeling op de toegang van de betrokken werknemers tot arbeid te onzeker en indirect is.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Waarin is bepaald dat „[d]e lidstaten van de Gemeenschap en Turkije [...] geen nieuwe beperkingen [mogen] invoeren met betrekking tot de toegang tot werkgelegenheid van werknemers wier verblijf en arbeid op hun grondgebied legaal zijn”.


3      PB 1964, 217, blz. 3685.


4      Waarin is bepaald dat „[d]e lidstaten van de Gemeenschap en Turkije [...] geen nieuwe beperkingen [mogen] invoeren met betrekking tot de toegang tot werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn”.


5      Artikel 54, lid 1, onder c), van de Vreemdelingenwet 2000, zoals gewijzigd bij de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling, in werking getreden op 1 maart 2014 (Stb. 2014, 2; hierna: „Vreemdelingenwet”).


6      Artikel 107, lid 2, van de Vreemdelingenwet.


7      Artikel 107, lid 5, van de Vreemdelingenwet.


8      Dat geldt in beginsel voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer staat, alsook voor een aantal in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht en in bijzondere wetten nader omschreven misdrijven.


9      Artikel 107, lid 6, onder a), van de Vreemdelingenwet.


10      Artikel 107, lid 6, onder b), van de Vreemdelingenwet.


11      Artikel 107, lid 9, van de Vreemdelingenwet. Zie ook artikel 8.35 van het Vreemdelingenbesluit 2000.


12      Aangezien de aanvraag voor gezinshereniging gebaseerd lijkt te zijn op de bepalingen van besluit nr. 1/80, moet worden aangenomen dat P de hoedanigheid heeft van Turks werknemer in de zin van dat besluit, die zich reeds op het Nederlandse grondgebied bevindt. Ook moet ervan worden uitgegaan dat P arbeid in loondienst verricht.


13      Hierna: „Handvest”.


14      Waarin is bepaald dat „[d]e overeenkomstsluitende partijen erkennen, dat binnen de werkingssfeer van de overeenkomst, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vermelde beginsel”.


15      Arrest van 12 april 2016 (C‑561/14, EU:C:2016:247, punt 51).


16      PB 1995, L 281, blz. 31.


17      Zie arrest van 7 augustus 2018, Yön (C‑123/17, EU:C:2018:632, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


18      Zie arrest van 7 augustus 2018, Yön (C‑123/17, EU:C:2018:632, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


19      Zie arrest van 7 augustus 2018, Yön (C‑123/17, EU:C:2018:632, punten 40‑48).


20      Zie voor een beschrijving van die toets punt 12 van de onderhavige conclusie.


21      Zie punt 7 van het verzoek om een prejudiciële beslissing, waarin de Vreemdelingenwet 1965 en het Vreemdelingenbesluit 1966 worden genoemd.


22      Zie arresten van 29 april 2010, Commissie/Nederland (C‑92/07, EU:C:2010:228, punt 49), en 7 november 2013, Demir (C‑225/12, EU:C:2013:725, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


23      Ik breng in dit verband in herinnering dat de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen betrekking hebben op de verenigbaarheid van de betrokken regeling met artikel 13 van besluit nr. 1/80, en niet op de verenigbaarheid van die regeling met artikel 9 van de Associatieovereenkomst, dat de staatssecretaris had aangevoerd in de procedure voor de rechter in eerste aanleg (zie punt 8 van de onderhavige conclusie).


24      Zie arrest van 7 november 2013, Demir (C‑225/12, EU:C:2013:725, punt 41), respectievelijk arresten van 29 maart 2017, Tekdemir (C‑652/15, EU:C:2017:239, punt 39), en 7 augustus 2018, Yön (C‑123/17, EU:C:2018:632, punt 77).


25      Waarin is bepaald dat „[d]e bepalingen van dit deel worden toegepast onder voorbehoud van beperkingen welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid”.


26      Blijkens het dossier geldt de verplichting om biometrische gegevens te laten afnemen niet voor kinderen jonger dan zes jaar en voor personen bij wie het afnemen van die gegevens fysiek onmogelijk is.


27      Zie arrest van 17 oktober 2013, Schwarz (C‑291/12, EU:C:2013:670, punt 27).


28      Zie met name verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten (PB 2004, L 385, blz. 1).


29      Zie met name verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB 2009, L 243, blz. 1).


30      Zie artikel 8, lid 2, van het Handvest.


31      Zie arrest van 17 oktober 2013, Schwarz (C‑291/12, EU:C:2013:670, punt 25).


32      Arrest van 21 december 2016, Tele2 Sverige en Watson e.a. (C‑203/15 en C‑698/15, EU:C:2016:970, punt 96).


33      Zie artikel 13 van de Visumcode.


34      Zie verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening) (PB 2008, L 218, blz. 60).


35      Zie advies 1/15 (PNR-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017 (EU:C:2017:592, punt 191 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


36      Zie het voorstel voor artikel 23 in het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van verordening (EG) nr.767/2008, verordening (EG) nr. 810/2009, verordening (EU) 2017/2226, verordening (EU) 2016/399, verordening XX/2018 [de interoperabiliteitsverordening] en beschikking 2004/512/EG, en tot intrekking van besluit 2008/633/JBZ van de Raad [COM(2018) 302 final, Brussel, 16 mei 2018].


37      Zie arresten van 12 april 2016, Genc (C‑561/14, EU:C:2016:247, punten 39 en 40), en 29 maart 2017, Tekdemir (C‑652/15, EU:C:2017:239, punt 31). Zie ook arrest van 21 december 2016, Ucar en Kilic (C‑508/15 en C‑509/15, EU:C:2016:986, punt 68). Zie met betrekking tot het verband tussen de uitoefening van de vrijheid van vestiging door Turkse werknemers en de voorwaarden waaronder gezinshereniging wordt toegestaan, arresten van 10 juli 2014, Dogan (C‑138/13, EU:C:2014:2066, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 7 augustus 2018, Yön (C‑123/17, EU:C:2018:632, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


38      Zie arresten van 6 juni 1995, Bozkurt (C‑434/93, EU:C:1995:168, punt 20); 10 februari 2000, Nazli (C‑340/97, EU:C:2000:77, punten 50 en 54); 19 november 2002, Kurz (C‑188/00, EU:C:2002:694, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 8 december 2011, Ziebell (C‑371/08, EU:C:2011:809, punten 52, 58 en 66).


39      Arrest van 27 januari 2000 (C‑190/98, EU:C:2000:49).


40      Zie arrest van 27 januari 2000, Graf (C‑190/98, EU:C:2000:49, punten 23‑25). Zie ook arrest van 13 maart 2019, Gemeinsamer Betriebsrat EurothermenResort Bad Schallerbach (C‑437/17, EU:C:2019:193, punt 40).


41      Zie naar analogie arrest van 27 januari 2000, Graf (C‑190/98, EU:C:2000:49, punt 24).