Language of document : ECLI:EU:T:2019:291

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

7 mei 2019 (*)

„Uniemerk – Aanvraag voor Uniewoordmerk vita – Absolute weigeringsgronden – Geen onderscheidend vermogen – Beschrijvend karakter – Begrip kenmerk – Kleurnaam – Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EU) 2017/1001”

In zaak T‑423/18,

Fissler GmbH, gevestigd te Idar-Oberstein (Duitsland), vertegenwoordigd door G. Hasselblatt en K. Middelhoff, advocaten,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door W. Schramek en D. Walicka als gemachtigden,

verweerder,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 28 maart 2018 (zaak R 1326/2017‑5) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken vita als Uniemerk,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: A. M. Collins, president, M. Kancheva (rapporteur) en G. De Baere, rechters,

griffier: E. Coulon,

gezien het op 6 juli 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 24 september 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,

gezien de nieuwe toewijzing van de zaak aan een nieuwe rechter-rapporteur in de Achtste kamer,

gelet op het feit dat de partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na te hebben besloten op grond van artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 27 september 2016 heeft verzoekster, Fissler GmbH, bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een Uniemerkaanvraag ingediend krachtens verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), zoals gewijzigd [vervangen door verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)].

2        Het merk waarvan inschrijving onder nummer 15857188 is aangevraagd, betreft het woordteken vita.

3        De waren waarvoor de aanvraag is ingediend, behoren tot de klassen 7, 11 en 21 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn omschreven als volgt:

–        klasse 7: „Elektrische keukenmachines [food processors]; vervangingsonderdelen en accessoires voor voornoemde waren”;

–        klasse 11: „Elektrische hogedrukpannen [snelkookpannen]; vervangingsonderdelen en accessoires voor voornoemde waren”;

–        klasse 21: „Kook- en huishoudgerei en houders voor de keuken of de huishouding; keukengerei; niet-elektrische snelkookpannen; vervangingsonderdelen en accessoires voor voornoemde waren”.

4        Bij beslissing van 28 april 2017 heeft de onderzoeker de inschrijving van het aangevraagde merk voor de bedoelde waren geweigerd op grond dat het merk beschrijvend was en elk onderscheidend vermogen miste in de zin van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening 2017/1001].

5        Op 20 juni 2017 heeft verzoekster krachtens de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 (thans de artikelen 66 tot en met 71 van verordening 2017/1001) bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de onderzoeker.

6        Bij beslissing van 28 maart 2018 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de vijfde kamer van beroep van het EUIPO het beroep verworpen. Ten eerste, wat het relevante publiek betreft, heeft zij geoordeeld dat de bedoelde waren vooral gericht waren op het grote publiek, maar deels ook op het gespecialiseerde publiek, bijvoorbeeld koks, en dat het aandachtsniveau varieerde van gemiddeld tot hoog. Zij heeft daaraan toegevoegd dat, aangezien het aangevraagde merk een Zweedse term is, het Zweedstalige publiek van de Europese Unie in aanmerking moest worden genomen.

7        Ten tweede, wat het beschrijvend karakter van het aangevraagde merk betreft, heeft de kamer van beroep allereerst opgemerkt dat het teken vita de bepaalde vorm en de meervoudsvorm van het woord „vit” is, dat in het Zweeds „wit” betekent. Vervolgens heeft ze geoordeeld dat het voor de toepassing van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 niet doorslaggevend is om te weten of de kleur wit gebruikelijk is voor die waren maar dat het volstaat dat die waren in het wit kunnen bestaan en dat het teken beschrijvend kan zijn voor die waren. Na te hebben benadrukt dat de kleur wit, zonder de meest gebruikelijke te zijn, minstens gangbaar was voor „elektronische en niet-elektronische” [te weten: elektrische en niet-elektrische] kookpannen en voor ander huishoudgerei, was ze van oordeel dat dit aantoonde dat een gemiddelde consument een verband zou leggen tussen de bedoelde waren en de kleur wit en dus het aangevraagde merk beschrijvend zou achten. Verder heeft de kamer van beroep erop gewezen dat bepaald kookgerei en bepaalde huishoudapparaten vaak „witgoed” worden genoemd in het Engels („white goods”) en in het Zweeds („vitvaror”). Op basis van een uittreksel van de website die toegankelijk is via het internetadres http://www.vitvara.n.nu/vad-ar-vitvaror, heeft zij daaruit afgeleid dat een aantal van de bedoelde waren, zoals elektrische keukenmachines of elektrische snelkookpannen, samen als „witgoed” konden worden aangeduid. Zij heeft gepreciseerd dat, zelfs als dat niet mogelijk was omdat vooral grote huishoudapparaten zoals was- en afwasmachines als „witgoed” worden aangeduid, dit toch duidelijk aantoonde dat de kleur wit in het algemeen geassocieerd wordt met huishoudgerei. Ten slotte heeft zij op grond hiervan geoordeeld dat het aangevraagde merk een zuiver beschrijvend karakter had.

8        Ten derde, wat het ontbreken van onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk betreft, heeft de kamer van beroep geoordeeld dat het aangevraagde merk door het relevante publiek werd opgevat als een louter objectieve boodschap in die zin dat de betrokken waren in het wit beschikbaar waren. Zij heeft daaruit afgeleid dat dit merk zuiver beschrijvend was en bijgevolg geen onderscheidend vermogen had. Volgens haar kon elke fabrikant van keukenmachines en -gerei zijn waren in het wit vervaardigen en was dit merk dus niet geschikt om verzoeksters waren te onderscheiden van die van andere ondernemingen. Verder heeft de kamer van beroep verzoeksters beroep op andere ingeschreven merken die uitsluitend uit kleuren bestaan, afgewezen.

 Conclusies van partijen

9        Verzoekster concludeert tot:

–        vernietiging van de bestreden beslissing;

–        verwijzing van het EUIPO in de kosten.

10      Het EUIPO concludeert tot:

–        verwerping van het beroep;

–        verwijzing van verzoekster in de kosten.

 In rechte

11      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan, respectievelijk ontleend aan schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 en schending van artikel 7, lid 1, onder b), van die verordening. Samengevat betoogt zij dat het aangevraagde merk geen beschrijvend karakter heeft voor de bedoelde waren en het vereiste onderscheidend vermogen ervoor heeft.

 Voorafgaande opmerking over de omschrijving van het relevante publiek

12      Om te beginnen dient het relevante publiek voor de beoordeling van die twee absolute weigeringsgronden te worden vastgesteld.

13      In de punten 13 tot en met 15 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de gemiddelde consument van de bedoelde waren in de eerste plaats de „algemene consument” was, te weten het grote publiek, maar deels ook een gespecialiseerd publiek, bijvoorbeeld koks, en dat het aandachtsniveau varieerde van gemiddeld tot hoog. Zij heeft daaraan echter toegevoegd dat uit de rechtspraak op het gebied van relatieve weigeringsgronden volgde dat, als de waren en de diensten zowel op de gemiddelde consument als op een gespecialiseerd publiek zijn gericht, het publiek met het minst hoge aandachtsniveau in aanmerking moet worden genomen en dat in casu rekening moest worden gehouden met het aandachtsniveau van het grote publiek. Zij heeft ten slotte gepreciseerd dat, zelfs als het teken gericht is op een gespecialiseerd publiek met een hoger aandachtsniveau, dit niet betekent dat het meer onderscheidend vermogen verkrijgt daar een teken waarvan de beschrijvende betekenis niet wordt begrepen door de gemiddelde consument, wel onmiddellijk kan worden begrepen door een gespecialiseerd publiek [zie in die zin arrest van 11 oktober 2011, Chestnut Medical Technologies/BHIM (PIPELINE), T‑87/10, niet gepubliceerd, EU:T:2011:582, punten 27 en 28].

14      In dat verband volgt uit de rechtspraak dat het feit dat het relevante publiek gespecialiseerd is, geen beslissende invloed mag hebben op de juridische criteria die worden gebruikt om te beoordelen of een teken onderscheidend vermogen heeft. Hoewel het aandachtsniveau van het relevante gespecialiseerde publiek per definitie hoger is dan dat van de gemiddelde consument, impliceert dit nog niet dat een zwakker onderscheidend vermogen van het teken volstaat wanneer het relevante publiek gespecialiseerd is. Aan het in vaste rechtspraak neergelegde beginsel dat, om te beoordelen of een merk onderscheidend vermogen heeft, de door dit merk opgeroepen totaalindruk moet worden onderzocht, zou immers afbreuk kunnen worden gedaan indien de vereiste mate van onderscheidend vermogen van een teken in het algemeen afhankelijk zou zijn van de vraag in hoeverre het relevante publiek gespecialiseerd is (zie arrest van 12 juli 2012, Smart Technologies/BHIM, C‑311/11 P, EU:C:2012:460, punten 48‑50 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hetzelfde geldt voor de beoordeling van het beschrijvend karakter van een teken.

15      In casu is de kamer van beroep dus terecht uitgegaan van de perceptie van het aangevraagde merk door het grote publiek en heeft zij geen bijzonder belang gehecht aan de perceptie ervan door een gespecialiseerd publiek, bijvoorbeeld door koks.

16      Voorts heeft de kamer van beroep in punt 16 van de bestreden beslissing aangegeven dat de inschrijving van een teken overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening 2017/1001 ook wordt geweigerd indien de weigeringsgrond slechts in een deel van de Unie bestaat. Zij heeft geoordeeld dat, aangezien het aangevraagde merk een uit het Zweeds afkomstige term is, bij de beoordeling of het merk kan worden beschermd allereerst moet worden uitgegaan van het Zweedstalige publiek van de Unie.

17      In dat verband en zonder in dit stadium uitspraak te doen over de vraag of het aangevraagde merk daadwerkelijk als een Zweedse term wordt opgevat, kan worden volstaan met de opmerking dat de door de onderzoeker en de kamer van beroep aangevoerde absolute weigeringsgronden verband houden met de Zweedse taal zodat het relevante publiek voor de beoordeling ervan het Zweedstalige publiek van de Unie is, te weten de Zweedse of Finse consument [zie in die zin arrest van 9 juli 2014, Pågen Trademark/BHIM (gifflar), T‑520/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:620, punten 19 en 20].

 Eerste middel: schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001

18      Met haar eerste middel voert verzoekster ten eerste aan dat, wanneer het aangevraagde merk afzonderlijk wordt gebruikt, het geen enkele expliciet beschrijvende betekenis heeft en dat het dus onwaarschijnlijk lijkt dat het woord „vita” daadwerkelijk door de Zweedse consument als „wit” wordt begrepen. Zij verwijt het EUIPO dat het onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat het aangevraagde merk geen betrekking heeft op het adjectief „vit” („wit”) in de basisvorm ervan die is vermeld in de woordenboeken, maar op de term „vita” afzonderlijk beschouwd. In het Zweeds wordt deze term echter nooit afzonderlijk gebruikt maar steeds in verbinding met het daaropvolgende zelfstandig naamwoord waarop hij betrekking heeft. Wat het afzonderlijk gebruikte woord „vita” betreft, heeft het EUIPO het bestaan van een evidente betekenis die verband houdt met bepaalde kenmerken van de betrokken waren niet aangetoond en heeft het geen enkel bewijs in die zin overgelegd. Wanneer het woord „vita” afzonderlijk wordt gebruikt, zal het dus niet meteen worden herkend door de Zweedse consument en wordt het bijgevolg niet rechtstreeks geassocieerd met „wit” of „witte”. Verder stelt verzoekster dat de betekenis van „vita” niet duidelijk is en uitlegging behoeft, aangezien dit woord betrekking kan hebben op verschillende omstandigheden en verschillende betekenissen kan hebben in verschillende talen, waaronder „leven” of „levenswijze” in het Latijn en in het Italiaans.

19      Ten tweede betoogt verzoekster dat, zelfs uitgaande van de Zweedse consument en van het beginsel dat de term „vita” verband houdt met een kleuraanduiding, het onjuist is dat de aanduiding van de kleur „wit” een zuiver beschrijvende betekenis heeft voor de bedoelde waren, aangezien er uit het oogpunt van het relevante publiek geen voldoende rechtstreeks en concreet verband bestaat tussen de term „vita” en de bedoelde waren. Dit geldt met name voor snelkookpannen en kookpannen, die bijna uitsluitend uit zilverkleurig roestvrij staal worden vervaardigd en waarvoor de „witte” kleur niet gebruikelijk is. Bovendien kunnen de bedoelde waren evenmin worden beschouwd als „witgoed”, een uitdrukking waarmee huishoudapparaten zoals koelkasten, diepvrieskasten, vaatwasmachines of droogkasten worden bedoeld, maar die niet wordt gebruikt voor snelkookpannen, kookpannen, braadpannen, kommen, enzovoort. Het relevante publiek associeert laatstgenoemde waren dus met waren uit zilverkleurig roestvrij staal en kleurnamen spelen daarbij geen enkele rol. Aangezien kleurnamen op het gebied van de bedoelde waren geen enkele rol spelen en het relevante publiek niet bepaalde kleuren in verband brengt met kooktoestellen, kan een kleurnaam – om het even welke – dan ook niet worden opgevat als een kenmerk van deze waren. Het is dus niet relevant dat de bedoelde waren ook in het wit kunnen bestaan, aangezien het doorslaggevende criterium veeleer is of het teken daartoe kan worden gebruikt en of het door het relevante publiek kan worden opgevat als een aanduiding die een kenmerk van deze waren beschrijft.

20      Zo voert verzoekster aan dat de gemiddelde Zweedse consument niet onmiddellijk en zonder verder nadenken zal concluderen dat de term „vita” betrekking heeft op wit kookgerei. Die consument moet daarentegen in verschillende stappen nadenken om op basis van de kleurbenaming als zodanig te komen tot een aan de waar gegeven kleur. Bovendien is het voor deze consument niet duidelijk op welk element van de waar de kleuraanduiding betrekking moet hebben, aangezien de kookpannen, braadpannen, keukenmachines of kommen gewoonlijk uit meerdere elementen bestaan of op zijn minst een binnen- en een buitenkant hebben. Deze consument zal dus niet zonder verder nadenken uit een eenvoudige kleuraanduiding kunnen afleiden of de bedoelde waren witte elementen bevatten, volledig wit zijn gekleurd dan wel bijvoorbeeld alleen een witte binnenkant hebben.

21      Ten derde stelt verzoekster dat het Gerecht en het EUIPO herhaaldelijk hebben vastgesteld dat de term „vita” geen beschrijvende betekenis had voor de respectieve betrokken waren had en dat deze term dus een gemiddeld onderscheidend vermogen had bij gebreke van een rechtstreekse band of rechtstreeks verband met die waren, niettegenstaande het feit dat het woord „vita” zinspeelt op vitaliteit [zie arrest van 14 januari 2016, The Cookware Company/BHIM – Fissler (VITA + VERDE), T‑535/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:2, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

22      Verzoekster concludeert dat de term „vita”, afzonderlijk gebruikt, voor de Zweedse consument niet „wit” betekent en bovendien, wegens de verschillende betekenissen ervan en de noodzaak tot uitlegging, geen enkele evidente beschrijvende inhoud heeft die betrekking heeft op een belangrijk kenmerk voor het publiek en verband houdt met de waren waarvoor inschrijving is aangevraagd. Zij voegt hieraan toe dat het loutere feit dat een bestanddeel op abstracte wijze een aanduiding van een kenmerk kan vormen, niet kan volstaan als rechtvaardiging voor een vrijhoudingsbehoefte in de zin van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001.

23      Het EUIPO betwist verzoeksters argumenten en beschouwt het eerste middel als „niet ter zake dienend”. Het EUIPO betoogt dat het teken concreet moet worden onderzocht met betrekking tot de bedoelde waren en dat de consument wordt geconfronteerd met het Uniemerk in een rechtstreeks verband met de waren waarop het is aangebracht, bijvoorbeeld bij aankoop of in reclame. Volgens het EUIPO is verzoeksters stelling dat meerdere stappen in het denkproces nodig zijn om een zinvolle betekenis te geven aan het aangevraagde teken niet overtuigend en, aangezien de waren wit zijn, is haar stelling dat de Zweedstalige consument de kwaliteiten van de waren niet gemakkelijk zal herkennen in het teken, eveneens ongegrond.

24      Het EUIPO merkt op dat het woord „vita”, dat als adjectief wordt gebruikt in het Zweeds, overeenstemt met het woord „weiße” in het Duits of met „blanche” in het Frans en dat het Zweedstalige publiek geen vertaling behoeft. Het EUIPO voegt daaraan toe dat het feit dat het woord „vita” ook in andere talen wordt gebruikt, niets afdoet aan de wijze waarop het wordt opgevat door personen die Zweeds als moedertaal hebben. Het EUIPO erkent dat het woord „vita” in het algemeen niet afzonderlijk wordt gebruikt, maar benadrukt dat het bij een concreet onderzoek dat verband houdt met de waren niet noodzakelijk is dat het teken de uitdrukking vormt van „witte elektrische keukenmachines” en het relevante publiek zich de waren voor de geest haalt en toevoegt. Het EUIPO stelt dat het relevante Zweedstalige publiek weet dat een kleur een kenmerk van de waren kan aanduiden en een informatieve boodschap kan inhouden waaruit blijkt dat er sprake is van witgoed en niet van waren van een andere kleur, zoals staalgrijs.

25      Het EUIPO is van mening dat het niet dient aan te tonen dat het aangevraagde merk een kenmerk van de waren kan aanduiden, aangezien artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 geen betrekking heeft op het huidige gebruik van het teken. Het EUIPO betwist weliswaar niet dat er veel kookpannen en andere keukengerelateerde waren uit staal bestaan, maar voert aan dat andere kleuren, waaronder wit, ook worden gebruikt voor de bedoelde waren, zodat een witte snelkookpan niet ongebruikelijk of opvallend is. Het EUIPO voegt daaraan toe dat, zelfs al wordt wit slechts zelden gebruikt voor huishoudapparaten, dit niet in tegenspraak is met het feit dat het om het belangrijkste kenmerk van deze waren kan gaan. Het betoogt dat de kleur een belangrijk aankoopcriterium kan zijn, dat het zelfs als een wezenlijk kenmerk moet worden beschouwd en dat niets eraan in de weg staat dat deze waren volledig of hoofdzakelijk wit zijn.

26      Het EUIPO voert aan dat het niet noodzakelijk is dat het kenmerk het hoofdelement of het aankoopcriterium is en dat, volgens de rechtspraak, de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 van toepassing is ongeacht of het teken een wezenlijk kenmerk, een ondergeschikt kenmerk of zelfs „om het even welke eigenschap” van de aangeduide waren beschrijft. Het voegt eraan toe dat inschrijving van een teken moet worden geweigerd indien het teken in minstens één van de potentiële betekenissen ervan een kenmerk van de betrokken waren aanduidt. Volgens het EUIPO is dat in casu het geval, aangezien het aangevraagde merk niet hoeft te worden uitgelegd en geen complex denkproces in gang zet, aangezien het woord „vita” in het Zweeds als adjectief wordt gebruikt als een woordvorm van „wit”. Het EUIPO „slaagt er dus niet in te begrijpen” waarom een dergelijk denkproces in gang zou worden gezet bij het zien van dat woord, waarvan de boodschap eenvoudig is en informatief blijft, zonder onbepaald of vaag te zijn. Ten slotte zijn de zaken betreffende oudere inschrijvingen niet vergelijkbaar en hebben zij in het onderhavige geval geen bindende werking.

27      Volgens artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 wordt inschrijving geweigerd van merken die uitsluitend bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten. Volgens artikel 7, lid 2, is lid 1 ook van toepassing indien de weigeringsgronden slechts in een deel van de Europese Unie bestaan.

28      Volgens vaste rechtspraak valt een teken alleen onder het in deze bepaling vervatte verbod wanneer het een voldoende rechtstreeks en concreet verband met de betrokken waren of diensten heeft dat het betrokken publiek in staat stelt hierin onmiddellijk en zonder verder nadenken een beschrijving van de betrokken waren en diensten, of van één van de kenmerken ervan, te zien [arresten van 22 juni 2005, Metso Paper Automation/BHIM (PAPERLAB), T‑19/04, EU:T:2005:247, punt 25; 12 mei 2016, Chung-Yuan Chang/EUIPO – BSH Hausgeräte (AROMA), T‑749/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:286, punt 23, en 25 oktober 2018, Devin/EUIPO – Haskovo (DEVIN), T‑122/17, EU:T:2018:719, punt 18].

29      Het beschrijvend karakter van een merk moet dan ook worden beoordeeld met betrekking tot de waren of diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd en uitgaande van de perceptie ervan door het relevante publiek, dat bestaat uit de consument van die waren of diensten [zie in die zin arresten van 27 februari 2002, Ellos/BHIM (ELLOS), T‑219/00, EU:T:2002:44, punt 29; 12 mei 2016, AROMA, T‑749/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:286, punt 24, en 17 januari 2019, Ecolab USA/EUIPO (SOLIDPOWER), T‑40/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:18, punt 25].

30      Bovendien moet de inschrijving van een woordteken op grond van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 worden geweigerd indien het in minstens één van de potentiële betekenissen ervan een kenmerk van de betrokken waren of diensten aanduidt (arresten van 23 oktober 2003, BHIM/Wrigley, C‑191/01 P, EU:C:2003:579, punt 32, en 12 mei 2016, AROMA, T‑749/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:286, punt 29).

31      Ten slotte bestaat het aan artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 ten grondslag liggende algemeen belang erin te verzekeren dat tekens die een of meer kenmerken beschrijven van de waren of diensten waarvoor inschrijving als merk is aangevraagd, door alle marktdeelnemers die dergelijke waren of diensten aanbieden, vrij kunnen worden gebruikt (arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punt 37). Deze bepaling belet dat die tekens of aanduidingen op grond van hun inschrijving als merk aan één enkele onderneming worden voorbehouden (arrest van 23 oktober 2003, BHIM/Wrigley, C‑191/01 P, EU:C:2003:579, punt 31) en dat een onderneming het gebruik van een beschrijvende term monopoliseert, ten nadele van andere ondernemingen, met inbegrip van haar concurrenten, die zo over een beperktere woordenschat zouden beschikken om hun eigen waren te beschrijven [arresten van 16 oktober 2014, Larrañaga Otaño/BHIM (GRAPHENE), T‑458/13, EU:T:2014:891, punt 18; 7 december 2017, Colgate-Palmolive/EUIPO (360°), T‑332/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:876, punt 17, en 25 oktober 2018, DEVIN, T‑122/17, EU:T:2018:719, punt 19].

32      In het licht van die beginselen moet geoordeeld worden over verzoeksters eerste middel, volgens hetwelk artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 is geschonden. Daartoe dienen achtereenvolgens de betekenis van de term „vita” in het Zweeds en het verband tussen die betekenis en de bedoelde waren te worden onderzocht.

 Betekenis van de term „vita” in het Zweeds

33      Verzoekster stelt dat de term „vita”, afzonderlijk gebruikt, niet meteen door de Zweedse consument wordt herkend en dus niet rechtstreeks in verband wordt gebracht met de betekenis van „wit”. Bovendien stelt zij dat die term verschillende betekenissen kan hebben in verschillende talen, waaronder „leven” of „levenswijze” in het Latijn en het Italiaans.

34      In punt 20 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep de term „vita” beschouwd als de bepaalde vorm en de meervoudsvorm van het Zweedse woord „vit”, dat „wit” betekent.

35      In dit verband is het juist dat de term „vita” niet dezelfde is als de gangbare onbepaalde vorm van het woord „vit” die in Zweedse woordenboeken staat, maar geoordeeld dient te worden dat de Zweedstalige consument deze term niettemin onmiddellijk kan herkennen in de zin van het adjectief „wit” in de meervoudsvorm en in de bepaalde vorm in het enkelvoud ervan, zelfs wanneer hij afzonderlijk wordt gebruikt. Het loutere ontbreken van een zelfstandig naamwoord naast deze term kan niet verhinderen dat de consument deze aldus herkent in geval van een adjectief dat zo gangbaar is als „wit(te)”.

36      Bovendien kan het begrip „vita” weliswaar verschillende betekenissen hebben in verschillende talen, waaronder „leven” of „levenswijze” in het Latijn en het Italiaans, maar dat doet in casu niet ter zake aangezien de betekenis van „wit(te)” in het Zweeds „minstens één van de potentiële betekenissen ervan” vormt overeenkomstig de in punt 30 hierboven aangehaalde rechtspraak.

37      De argumenten waarmee verzoekster de door de kamer van beroep vastgestelde betekenis van de term „vita” voor het relevante Zweedstalige publiek ter discussie wil stellen, moeten dus worden afgewezen.

38      Overigens is de door verzoekster aangehaalde rechtspraak over het ontbreken van beschrijvend karakter van de term „vita” (zie hierboven punt 21) in casu irrelevant, aangezien zij betrekking heeft op de wijze waarop het Italiaanse, Spaanse, Franse, Duitse, Portugese en Roemeense publiek deze term opvatten, terwijl in casu de vraag rijst naar de betekenis van deze term voor het Zweedse en Finse publiek.

 Verband tussen de betekenis van de term „vita” in het Zweeds en de betrokken waren

39      Verzoekster stelt dat er uit het oogpunt van het relevante publiek geen enkel voldoende rechtstreeks en concreet verband bestaat tussen de term „vita” in het Zweeds en de bedoelde waren. Volgens haar is de witte kleur niet gebruikelijk voor deze waren, die bijna uitsluitend van zilverkleurig roestvrij staal worden vervaardigd. Bovendien kunnen deze waren niet worden beschouwd als „witgoed”, te weten elektrische huishoudapparaten.

40      In de punten 21 tot en met 23 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het beschrijvend karakter van het aangevraagde merk in wezen op twee gronden gebaseerd. Ten eerste zijn de bedoelde waren beschikbaar in het wit, op een vrij gangbare wijze zonder de meest gebruikelijke te zijn. Ten tweede worden deze waren vaak „vitvaror” („witgoed”) genoemd in het Zweeds.

41      In de eerste plaats moet met betrekking tot het min of meer gangbare gebruik van wit voor de vervaardiging van de bedoelde waren meteen worden onderzocht of een dergelijk gebruik als een „kenmerk” van deze waren kan worden aangemerkt in de zin van de rechtspraak.

42      In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat de Uniewetgever door het gebruik in artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 van de termen „soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten” heeft aangegeven dat die termen allemaal moeten worden beschouwd als kenmerken van waren of diensten en bovendien heeft hij aldus gepreciseerd dat deze lijst geen uitputtende lijst is en elk ander kenmerk van waren of diensten eveneens in aanmerking kan worden genomen (arresten van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punt 49; 10 juli 2014, BSH/BHIM, C‑126/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2065, punt 20, en 17 januari 2019, SOLIDPOWER, T‑40/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:18, punt 22).

43      Het feit dat de Uniewetgever voor de term „kenmerk” heeft gekozen, benadrukt dat de in artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 bedoelde tekens uitsluitend de tekens zijn die dienen tot aanduiding van een door de betrokken kringen gemakkelijk herkenbare eigenschap van de waren of diensten waarvoor inschrijving is aangevraagd. Zo kan de inschrijving van een teken op grond van die bepaling slechts worden geweigerd wanneer redelijkerwijs te verwachten valt dat de betrokken kringen dit teken daadwerkelijk opvatten als een beschrijving van een van deze kenmerken [zie arresten van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 juli 2014, BSH/BHIM, C‑126/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2065, punten 21 en 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arresten van 11 oktober 2018, M&T Emporia Ilektrikon-Ilektronikon Eidon/EUIPO (fluo.), T‑120/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:672, punt 24; 12 december 2018, Bischoff/EUIPO – Miroglio Fashion (CARACTÈRE), T‑743/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:911, punt 25, en 17 januari 2019, SOLIDPOWER, T‑40/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:18, punt 23].

44      Bovendien doet het weliswaar niet ter zake of een dergelijk kenmerk op commercieel vlak wezenlijk of ondergeschikt is (arrest van 16 oktober 2014, GRAPHENE, T‑458/13, EU:T:2014:891, punt 20; zie ook naar analogie arrest van 12 februari 2004, Koninklijke KPN Nederland, C‑363/99, EU:C:2004:86, punt 102), maar een kenmerk in de zin van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 dient niettemin „objectief en eigen aan de aard van de waar” of de dienst te zijn (arrest van 6 september 2018, Bundesverband Souvenir – Geschenke – Ehrenpreise/EUIPO, C‑488/16 P, EU:C:2018:673, punt 44) alsook „intrinsiek en blijvend” voor die waar of dienst [arresten van 23 oktober 2015, Geilenkothen Fabrik für Schutzkleidung/BHIM (Cottonfeel), T‑822/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:797, punt 32; 5 juli 2016, Bundesverband Souvenir – Geschenke – Ehrenpreise/EUIPO – Freistaat Bayern (NEUSCHWANSTEIN), T‑167/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:391, punt 30, en 11 oktober 2018, fluo., T‑120/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:672, punt 40].

45      In casu moet worden vastgesteld dat de kleur wit geen „intrinsiek” kenmerk is dat „eigen [is] aan de aard” van de bedoelde waren (zoals keukenmachines, elektrische kookpannen en huishoudgerei), maar een zuiver toevallig en bijkomstig aspect vormt dat in voorkomend geval slechts een deel van die waren kan vertonen en dat in ieder geval geen enkel rechtstreeks of onmiddellijk verband heeft met de aard ervan. Dergelijke waren zijn immers beschikbaar in een groot aantal kleuren, waaronder wit, waarbij laatstgenoemde kleur geenszins de overhand heeft. De kamer van beroep erkent dit zelf, aangezien de website waarnaar zij in punt 23 van de bestreden beslissing verwijst, vermeldt dat „[huishoud]gerei tegenwoordig in alle kleuren bestaat”.

46      Het loutere feit dat de bedoelde waren in het wit beschikbaar zijn, op min of meer gangbare wijze tussen andere kleuren, is niet betwist maar is niet ter zake dienend, aangezien niet „redelijkerwijs” – in de zin van de in punt 43 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak – te verwachten valt dat het relevante publiek enkel daarom de kleur wit daadwerkelijk zal opvatten als een beschrijving van een intrinsiek kenmerk dat eigen is aan de aard van deze waren.

47      Verzoekster stelt dus terecht dat het irrelevant is dat de bedoelde waren ook in het wit kunnen bestaan, daar het doorslaggevende criterium veeleer is of het teken door het relevante publiek kan worden opgevat als een aanduiding die een kenmerk van deze waren beschrijft.

48      Dat is in casu evenwel niet het geval aangezien de term „vita”, die wordt opgevat in de zin van „wit(te)”, door het relevante Zweedstalige publiek niet kan worden begrepen als een aanduiding die een intrinsiek kenmerk beschrijft dat eigen is aan de aard van de bedoelde waren.

49      Bovendien moet het onderhavige geval worden onderscheiden van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 9 december 2008, Colgate-Palmolive/BHIM – CMS Hasche Sigle (VISIBLE WHITE) (T‑136/07, niet gepubliceerd, EU:T:2008:553, punten 42 en 43), waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat de termen „visible” en „white” het in aanmerking komende publiek in staat stelden onmiddellijk en zonder verder nadenken de beschrijving te ontwaren van een wezenlijk kenmerk van de betrokken waren, te weten „tandreinigings- en mondspoelmiddelen”, in die zin dat het door gebruik ervan de witte kleur van de tanden zichtbaar wordt. In die zaak beschreef de „zichtbare witte kleur” een intrinsiek kenmerk dat eigen is aan de aard van de betrokken waren, met name het doel van het gebruik of de bestemming ervan. Het onderhavige geval moet ook worden onderscheiden van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 7 juli 2011, Cree/BHIM (TRUEWHITE) (T‑208/10, niet gepubliceerd, EU:T:2011:340, punt 23), waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat de term „truewhite” in zijn geheel kon worden beschouwd als een verwijzing naar een waarachtig witte kleur en dat dit merk bij toepassing ervan op lichtdiodes (LED) slechts een wezenlijk kenmerk van die waren beschrijft, te weten het vermogen ervan om een licht weer te geven dat zo wit is dat het kan worden beschouwd als analoog aan natuurlijk licht. In die zaak beschreef de „waarachtig witte kleur”, dat wil zeggen vergelijkbaar met die van natuurlijk licht, eveneens een intrinsiek kenmerk dat eigen is aan de aard van de betrokken waren, te weten de kwaliteit ervan.

50      In de tweede plaats, wat de gebruikelijke benaming „vitvaror” in het Zweeds betreft, die volgens het EUIPO wordt gebruikt ter aanduiding van de bedoelde waren, moet meteen worden benadrukt dat het verband tussen de term „vita” [die „wit(te)” betekent] en de term „vitvaror” (die „witgoed” betekent) slechts indirect is en van het relevante publiek een uitleggings- en denkinspanning vergt.

51      Bovendien moet worden vastgesteld dat de gebruikelijke benaming „vitvaror” in het Zweeds uitsluitend geldt voor „grote elektrische huishoudapparaten” (zoals koelkasten, fornuizen, vaatwas- en wasmachines, droogkasten, enzovoort) en niet voor „kleine elektrische huishoudelijke apparatuur” (zoals keukenmachines, elektrische kookpannen, koffiemachines, broodroosters, enzovoort), waartussen een algemeen bekend onderscheid bestaat wat betreft grootte en draagbaarheid.

52      De kamer van beroep erkent zelf deze vaststelling en dit algemeen bekende onderscheid wanneer zij in punt 23 van de bestreden beslissing stelt dat „vooral grote huishoudapparaten zoals was- en vaatwasmachines als witgoed worden aangeduid”. Zij voegt daaraan echter ten onrechte toe dat dit aantoont dat de kleur wit in het algemeen wordt geassocieerd met huishoudgerei. Het kan immers hooguit gaan om een indirecte associatie en niet om een rechtstreeks en concreet verband uit het oogpunt van het relevante publiek.

53      Aldus blijkt uit de overgang die de kamer van beroep heeft gemaakt, ten eerste, van het adjectief „wit(te)” naar „witgoed” en, ten tweede, van „grote elektrische huishoudapparaten” naar „kleine elektrische huishoudelijke apparatuur” of naar kookgerei slechts een tweevoudig indirect verband, dat een denkoefening in verschillende stappen vergt en geen rechtstreeks en onmiddellijk verband uit het oogpunt van het relevante publiek blootlegt.

54      De verwijzing die de term „vita” voor het relevante publiek kan omvatten naar de bedoelde waren of naar een van de kenmerken ervan door associatie met, ten eerste, de Zweedse term „vitvaror” of met „grote elektrische huishoudapparaten” en, ten tweede, met „kleine elektrische huishoudelijke apparatuur” is hooguit twee keer indirect en stelt dat publiek niet in staat om daarin onmiddellijk en zonder verder nadenken een beschrijving van de betrokken waren of van een van de kenmerken te zien. Een dergelijk verband is „te vaag en onbepaald” (zie in die zin arrest van 27 februari 2002, ELLOS, T‑219/00, EU:T:2002:44, punten 43 en 44) om het teken „vita” beschrijvend te maken.

55      Bovendien moet dit geval worden onderscheiden van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 16 maart 2006, Telefon & Buch/BHIM – Herold Business Data (WEISSE SEITEN), T‑322/03, EU:T:2006:87, punten 95‑99), waarin het Gerecht heeft opgemerkt dat de term „weiße Seiten” (dat „witte bladzijden” betekent) in het Duits synoniem was geworden van „gids van particuliere telefoonabonnees” en hij dus als een beschrijving kon worden beschouwd van de waren die onder deze gebruikelijke benaming vallen, als synoniem van die telefoongids en niet wegens de witte kleur van die gids. In die zaak vormde het litigieuze merk zelf de gebruikelijke benaming – in tegenstelling tot de term „vita” voor „vitvaror” – en duidde hij rechtstreeks de betrokken waren aan en niet een andere warencategorie, zoals „kleine elektrische huishoudelijke apparatuur” ten opzichte van „grote elektrische huishoudapparaten” in het onderhavige geval.

56      Bijgevolg volstaat geen van de twee door de kamer van beroep aangevoerde gronden (zie punt 40 hierboven) om het bestaan van een voldoende rechtstreeks en concreet verband in de zin van de in punt 28 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak vast te stellen tussen de term „vita” in het Zweeds en de betrokken waren. De kamer van beroep heeft niet aangetoond dat het relevante publiek, wanneer het met het aangevraagde merk wordt geconfronteerd, dit merk onmiddellijk en zonder verder nadenken zal opvatten als een beschrijving van die waren of van een van de intrinsieke kenmerken ervan die eigen zijn aan de aard van die waren.

57      De term „vita” beschrijft dus niet een kenmerk van de betrokken waren en valt derhalve niet onder de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001.

58      Hieruit volgt dat de kamer van beroep artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 heeft geschonden door ten onrechte te oordelen dat het aangevraagde merk een voldoende rechtstreeks en concreet verband met de bedoelde waren vertoonde om als beschrijvend voor die waren te worden aangemerkt.

59      Het eerste middel moet dus worden toegewezen.

 Tweede middel: schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001

60      Met haar tweede middel stelt verzoekster dat, aangezien het relevante publiek aan het aangevraagde merk geen louter beschrijvende inhoud in verband met de bedoelde waren zal toekennen en dit merk zijn functie van herkomstaanduiding volledig vervult, er geen aanleiding is om aan dat merk elk onderscheidend vermogen te ontzeggen en evenmin om daarop de absolute weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 toe te passen. Zij merkt in het bijzonder op dat het doel van dat artikel, dat erin bestaat het publiek te beschermen tegen monopolisering, niet wordt aangetast aangezien de andere marktdeelnemers niet afhankelijk zijn van het gebruik van de term „vita” in de concreet aangevraagde vorm.

61      Verzoekster voegt daaraan toe dat het grote aantal inschrijvingen van Uniemerken waarbij aanspraak wordt gemaakt op kleurnamen, bovendien in het voordeel pleit van het onderscheidend vermogen van kleuraanduidingen, voor zover de term „vita” in die zin wordt opgevat. Dat toont aan dat een kleurnaam uit het oogpunt van de relevante consument kan worden opgevat als een herkomstaanduiding, zelfs wanneer de door het merk aangeduide waar een kleur heeft die overeenstemt met die kleurnaam (zoals Uniemerken nr. 3115136, BLUE voor „scheerapparaten”, nr. 3757663 WHITE voor „naaimachines”, nr. 1078989 ORANGE voor „gerei en vaatwerk voor de huishouding of de keuken” en nr. 12131314 PURPLE voor „banketbakkersproducten”).

62      Verzoekster leidt daaruit af dat het aangevraagde merk voor de bedoelde waren evenmin elk vereist onderscheidend vermogen mist in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001.

63      Het EUIPO betwist verzoeksters argumenten en voert aan dat het tweede middel „niet ter zake dienend” is. Het EUIPO betoogt dat het aangevraagde merk de kleur van de waren aanduidt en wordt beschouwd als een informatieve verwijzing naar de kleur van de betrokken waren, zodat het geen herkomstaanduidende functie noch onderscheidend vermogen heeft. Het feit dat in beslissingen die duidelijk geen betrekking hadden op het Zweeds en het Zweedstalige publiek, onderscheidend vermogen is toegekend aan het bestanddeel „vita” in samengestelde woorden, is in casu irrelevant.

64      In dit verband zij eraan herinnerd dat alle in artikel 7, lid 1, van verordening 2017/1001 vernoemde absolute weigeringsgronden onafhankelijk zijn van elkaar en een afzonderlijk onderzoek vereisen, ook al bestaat er een duidelijke overlapping tussen de respectieve werkingssfeer ervan. Voorts moeten deze weigeringsgronden worden uitgelegd tegen de achtergrond van het algemeen belang dat aan elk van hen ten grondslag ligt (zie naar analogie arresten van 8 april 2003, Linde e.a., C‑53/01-C‑55/01, EU:C:2003:206, punten 67 en 71, en 12 februari 2004, Koninklijke KPN Nederland, C‑363/99, EU:C:2004:86, punten 68 en 69; zie in die zin ook arrest van 16 september 2004, SAT.1/BHIM, C‑329/02 P, EU:C:2004:532, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65      Hieruit volgt dat het feit dat een merk niet onder één van deze absolute weigeringsgronden valt niet de conclusie wettigt dat het niet onder een andere kan vallen. In het bijzonder kan dus niet worden geconcludeerd dat een merk onderscheidend vermogen heeft voor bepaalde waren of diensten op de enkele grond dat het deze waren of diensten niet beschrijft (zie naar analogie arresten van 8 april 2003, Linde e.a., C‑53/01-C‑55/01, EU:C:2003:206, punt 68, en 12 februari 2004, Koninklijke KPN Nederland, C‑363/99, EU:C:2004:86, punten 70 en 71).

66      Het algemeen belang dat aan artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 ten grondslag ligt, betreft immers de bescherming van de consument door hem in staat te stellen zonder gevaar voor verwarring de herkomst van de door het merk aangeduide waren of diensten te onderscheiden, overeenkomstig zijn wezenlijke functie van herkomstaanduiding, terwijl het algemeen belang dat ten grondslag ligt aan de regel van artikel 7, lid 1, onder c), is gericht op de bescherming van concurrenten tegen elk risico van monopolisering door één enkele marktdeelnemer van aanduidingen die kenmerken van dergelijke waren of diensten beschrijven (zie punt 31 hierboven).

67      Zo heeft een niet-beschrijvend merk, zoals in casu, niet noodzakelijk onderscheidend vermogen. In een dergelijk geval moet nog worden onderzocht of het niet intrinsiek elk onderscheidend vermogen mist, dat wil zeggen nagaan of het de wezenlijke functie van een merk kan vervullen, die erin bestaat de consument of eindverbruiker de identiteit van de oorsprong van de door het merk aangeduide waar of dienst te waarborgen, door hem in staat te stellen deze waar of dienst zonder gevaar voor verwarring te onderscheiden van waren of diensten van andere herkomst [zie in die zin arresten van 5 februari 2015, nMetric/BHIM (SMARTER SCHEDULING), T‑499/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:74, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 mei 2016, AROMA, T‑749/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:286, punt 57].

68      Luidens artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 wordt inschrijving geweigerd van merken die elk onderscheidend vermogen missen. Volgens vaste rechtspraak zijn de in deze bepaling bedoelde merken die welke niet geschikt zijn om de wezenlijke functie van het merk te vervullen, te weten de commerciële herkomst van de waar of dienst aan te geven zodat de consument die de door dit merk aangeduide waar heeft verkregen of aan wie de door dit merk aangeduide dienst is verleend, bij een latere aankoop of opdracht, in geval van een positieve ervaring, die keuze kan herhalen of, in geval van een negatieve ervaring, een andere keuze kan maken [zie arrest van 12 mei 2016, AROMA, T‑749/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:286, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arresten van 14 december 2017, GeoClimaDesign/EUIPO – GEO (GEO), T‑280/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:913, punt 56, en 12 december 2018, CARACTÈRE, T‑743/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:911, punt 49].

69      Dit onderscheidend vermogen moet worden beoordeeld met betrekking tot de waren of diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd, en uitgaande van de perceptie van het merk door het relevante publiek, dat bestaat uit de consument van die waren of diensten (zie arrest van 21 januari 2010, Audi/BHIM, C‑398/08 P, EU:C:2010:29, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arresten van 12 mei 2016, AROMA, T‑749/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:286, punt 59; 14 december 2017, GEO, T‑280/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:913, punt 57, en 12 december 2018, CARACTÈRE, T‑743/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:911, punt 50).

70      In casu heeft de kamer van beroep in punt 29 van de bestreden beslissing geoordeeld dat het aangevraagde merk door het relevante publiek werd opgevat als een louter objectieve boodschap in die zin dat de betrokken waren in het wit beschikbaar waren. Zij heeft daaruit afgeleid dat dit merk zuiver beschrijvend was en bijgevolg geen onderscheidend vermogen bezat. Volgens haar kon elke fabrikant van keukenmachines en -gerei zijn waren in het wit vervaardigen en was dit merk dus niet geschikt om verzoeksters waren te onderscheiden van die van andere ondernemingen.

71      In het kader van het onderzoek van het eerste middel is evenwel vastgesteld dat de kleur wit geen intrinsiek kenmerk vormt dat eigen is aan de aard van de bedoelde waren en dat het loutere feit dat de bedoelde waren in het wit beschikbaar zijn – naast andere kleuren – niet ter zake dienend is, aangezien niet redelijkerwijs te verwachten valt dat het relevante publiek enkel daarom de kleur wit daadwerkelijk zal opvatten als een beschrijving van een intrinsiek kenmerk dat eigen is aan de aard van deze waren (zie hierboven punten 45‑47).

72      Voor zover de kamer van beroep het ontbreken van onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk als louter gevolg heeft afgeleid uit de vermeende „zuiver beschrijvende” aard ervan, die niet is aangetoond, moet dus worden vastgesteld dat deze conclusie op een onjuiste premisse berust en dus ongegrond is.

73      Voor zover de kamer van beroep het ontbreken van onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk heeft afgeleid uit de opvatting ervan als een louter objectieve boodschap dat de betrokken waren in het wit beschikbaar zijn, dient bovendien te worden geoordeeld dat het relevante Zweedstalige publiek in het aangevraagde merk niet een beschrijving van een intrinsiek kenmerk van de bedoelde waren zal zien en geen rechtstreeks verband zal kunnen leggen tussen dit merk en die waren. De term „vita” vergt integendeel een zekere uitleggingsinspanning van de Zweedse en de Finse consument. Zij zullen het aangevraagde merk niet opvatten als een louter objectieve boodschap dat die waren in het wit beschikbaar zijn, maar veeleer als een aanduiding van de herkomst ervan. Dit geldt des te meer omdat dit merk op waren van om het even welke kleur zal worden aangebracht en niet alleen op witgekleurde waren.

74      De in casu aangevoerde weigeringsgrond staat dus eraan in de weg dat het aangevraagde merk uit het oogpunt van het relevante publiek geschikt is om de commerciële herkomst van de betrokken waren aan te duiden en om deze waren van die van andere ondernemingen te onderscheiden.

75      Hieruit volgt dat de kamer van beroep artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 heeft geschonden door ten onrechte te oordelen dat het aangevraagde merk elk onderscheidend vermogen miste voor de bedoelde waren op basis van de in casu aangevoerde weigeringsgrond.

76      Het tweede middel moet dus eveneens worden toegewezen.

77      Gelet op al het voorgaande dient het beroep in zijn geheel te worden toegewezen, zodat de bestreden beslissing moet worden vernietigd.

 Kosten

78      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

79      Aangezien het EUIPO in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig verzoeksters vordering te worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van verzoekster.


HET GERECHT (Achtste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      De beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 28 maart 2018 (zaak R 1326/20175) wordt vernietigd.

2)      Het EUIPO wordt verwezen in de kosten.

Collins

Kancheva

De Baere

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 7 mei 2019.

ondertekeningen


Inhoud


Voorgeschiedenis van het geding

Conclusies van partijen

In rechte

Voorafgaande opmerking over de omschrijving van het relevante publiek

Eerste middel: schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001

Betekenis van de term „vita” in het Zweeds

Verband tussen de betekenis van de term „vita” in het Zweeds en de betrokken waren

Tweede middel: schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001

Kosten


*      Procestaal: Duits.