Language of document :

Beroep ingesteld op 28 februari 2019 – AM/EIB

(Zaak T-134/19)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: AM (vertegenwoordigers: L. Levi en A. Champetier, advocaten)

Verwerende partij: Europese Investeringsbank

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

dientengevolge,

nietig te verklaren de besluiten van de president van de EIB van 30 juni 2017 en 11 december 2017, voor zover daarbij wordt geweigerd om haar de geografische mobiliteitsvergoeding toe te kennen zoals voorzien in artikel 1.4 van de administratieve bepalingen voor het personeel;

voor zover nodig, nietig te verklaren het besluit van de president van de EIB van 20 november 2018 tot afwijzing van de conclusies van de verzoeningscommissie en tot bevestiging van de besluiten van 30 juni 2017 en 11 december 2017;

mitsdien,

de verwerende partij te veroordelen tot betaling van de geografische mobiliteitsvergoeding met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2017, dat wil zeggen, op de dag van instelling van het beroep, 36 045,6 EUR (1 567,20 EUR x 23 maanden);

de verwerende partij te veroordelen tot betaling van vertragingsrente over de geografische mobiliteitsvergoeding die sinds 1 april 2017 verschuldigd is en wel tot aan de volledige betaling daarvan, waarbij de vertragingsrente moet worden vastgesteld tegen de rentevoet van de Europese Centrale Bank, vermeerderd met 2 punten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

Eerste middel, ontleend aan schending van artikel 1.4 van de administratieve bepalingen voor het personeel en van de artikelen 1 en 11 van bijlage VII bij die bepalingen.

Tweede middel, ontleend aan schending van de beginselen van gewettigd vertrouwen en juridische voorzienbaarheid alsmede aan niet-nakoming van de zorgplicht.

Derde middel, ontleend aan schending van het verbod van discriminatie van artikel 1.3 van de gedragscode van het personeel van de EIB en van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Vierde middel, ontleend aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de redelijke termijn.

____________